Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht carmiggelt. Sorteren op datum Alle posts tonen
Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht carmiggelt. Sorteren op datum Alle posts tonen

dinsdag 21 juli 2026

Simon Carmiggelt – Tussen twee stoelen (boekbespreking door Björn Roose)

Simon Carmiggelt – Tussen twee stoelen (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb niet zoveel boeken van Simon Carmiggelt besproken als ik er gelezen heb (omdat ik nu eenmaal al lang aan het lezen was vooraleer ik aan het bespreken begon), maar ben met mijn bespreking van voorliggend Tussen twee stoelen toch al aan mijn vijfde toe. En ik dacht na al dat lezen Carmiggelt toch wel een beetje te kennen: altijd wel goed voor een glimlach, heel soms voor een schaterlach, nog zeldener voor een lachbui, een opa, een sul van een vent, een man die in cafés de mensen zit te bekijken (en beschrijven), een bezoeker van Artis (ook in dít boek, trouwens – “Goed, goed – ga naar Artis. Als de zon schijnt, treft ge er uw soortgenoten bij duizenden aan. De directeur vindt dat prettig, maar ik ben er niet zeker van, dat de ijsbeer hem bijvalt.”), een aan-elkaar-plakker van willekeurige stukjes conversatie, een gezapige toerist, een gebruiker van het openbaar vervoer, van bankjes in parken, van al wat dagdagelijks is, maar dat alles vooral in een weinig opvallende stijl. Cursiefjes hoéven ook niet per se in een opvallende stijl geschreven te zijn, ze zijn een stijl van zichzelf, maar hoe dan ook zou ik u, desgevraagd, voor de stijl sowieso naar – wie anders? – Godfried Bomans hebben doorverwezen, niet naar Carmiggelt. En dat zou ik wellicht nóg doen, maar dan wel uitzondering makend voor Tussen twee stoelen. Of naar de aan deze bundel ten grondslag liggende twee bundels, Louter leugens (daterend uit 1951) en Tussen mal en dwaas (gepubliceerd in 1949). Aan die twee zijn de teksten in Tussen twee stoelen “ontleend” en ik ga er van uit – ik heb ze, wegens niet in bezit, nog niet gelezen – dat er daarin ook nog teksten staan van het niveau van taalkundige verfijning dat tekenend is voor de teksten die er uit gehaald werden. Of van de meeste toch, want hier en daar, voornamelijk in het mini-verzamelingetje Kroegen (uiteraard!), is Carmiggelt toch ‘gewoon’ de Carmiggelt die ik van vele andere bundels kende.

Iets wat dus niet geldt voor het overgrote deel van de ‘stukjes’ in Tussen twee stoelen, wat al meteen – en op dat moment nog tot mijn verrassing – bleek uit het eerste ervan, Een lachsucces, dat aldus begint: “Toen ik een jongmens van zeventien jaar was, placht ik vrijwel dagelijks in sonnetvorm uiting te geven aan mijn verlangen naar vaste verkering. Het was een vertrouwd werkje, dat meestal kort voor het inslapen zijn beslag kreeg, maar op den duur vond ik er toch geen bevrediging in. Ik begeerde niet alleen in poeticis, doch ook metterdaad meisjes te ontmoeten en nam, na lang aarzelen, de zaak op met een oudere vriend, die reeds verscheidene verlovingen had verbroken en een motorfiets bezat, zodat hij als een kenner te boek stond.” Wie de werken van Carmiggelt enigszins kent, zal het met me eens zijn dat dát niet echt klinkt als de ‘standaard’ Carmiggelt én ook inhoudelijk van die ‘standaard’ afwijkt.

Wat overigens nog niet wil zeggen dat die ‘standaard’ er een is die anders in iedere bundel van Carmiggelt aangehouden werd. Al is het maar omdat de stukjes van Carmiggelt in zovele bundels van wisselende samenstelling zijn opgenomen. Het eerste deel van de mini-verzameling In het publiek, bijvoorbeeld, ben ik honderd procent zeker in een ander boek van hem tegengekomen, al zou het mij té veel tijd kosten om nu even uit te zoeken in wélk. Meer tijd nog dan het zou kosten om Zéér sterk, dat als volgt eindigt, niét als een absurd stuk te beschouwen: “Ik liep de kamer uit. Toen ik de buitendeur opende, riep Willebrand mij op onzekere toon na: ‘En nog wel bedankt, hoor’. Bij mijn thuiskomst wachtte mij nòg een verrassing. De slaapkamer binnentredend, zag ik mezelf namelijk naast mijn vrouw in bed liggen. De lezer begrijpt, hoe ik opkeek toen ik mij had wakker gemaakt. Alleen mijn vrouw vond het, geloof ik, niet zo erg. ‘Als jullie maar niet een van beiden de hele dag thuis gaat zitten,’ riep ze, ‘want niets is erger dan een man over de vloer, die geen werk om handen heeft.’ Enfin – we hebben het nu voorlopig zó geregeld, dat we om de beurt een dagje werken. De ene dag schrijf ik het stukje en de andere dag ik. Dit is van mij. Kunt u het merken?”

Al had het natuurlijk ook nog van een ander kunnen zijn, zo blijkt uit het tweede deeltje van de mini-verzameling Een werkdag (in mini-verzamelingen zijn de meeste van de cursiefjes in dit in 1963 bij De Bezige Bij uitgegeven, honderdvijfenzestig bladzijden dikke boekje overigens ingedeeld): “Met dat al blijkt buiten, dat de dag geurt als een meisje van vijftien jaar. Bepaald veerkrachtig spring ik bij het Centraal Station uit de tram en snuif behaaglijk. Schuimende morgen! ‘Neen dief, dat is van Marsman,’ denk ik. Mijn beste beelden blijken, bij nader inzien, altijd van een ander.” Een lichte overdrijving ongetwijfeld, zoals die waarmee het eerste deeltje van de (weerom) mini-verzameling Geringe misslagen begint alvorens dat helemaal uit de hand loopt: “Nou, daar op het Damrak waren we die oude lijn zestien weer spitsuurlijk aan het volstouwen. Door op de rug van een oud moedertje te klimmen, kwam ik nog net mee, als kurk op de fles. Ik duwde krachtig, doch beschaafd en draaide mij moeizaam om, ten einde oog in oog te komen met de voorbijsnellende, frisse lucht, waaraan een mens tijdens zo’n ritje altijd sterke behoefte heeft.”

Wat toch weer eens wat anders is dan het bijna literaire begin van het eerste stukje uit (sorry!) mini-verzameling Een toontje lager: “Ruiende herfstbomen doen mij vaak denken aan Shakespeareaanse wouden, vol wrange narren en ranke minnaars en met een wijze Oberon vooral, die zijn vrouw doet ontwaken uit haar bespottelijke bevlieging voor een ezelskop, met milde hand ener indanthrene echtgenotelijke liefde. Want de herfst, vrienden, is een zéér geserreerd seizoen. ‘Wer jetzt kein Haus hat baut sich keines mehr’ en wie het wèl heeft staat aan het venster en ziet glazig toe, hoe het kokette zomergroen, dat al een tikje fané begon te worden, thans definitief verinnigt tot het goudbruin van een dame, die nog bèst mooie, rustige jaren met Piet tegemoet gaat.” Niet echt raar dat dat stukje bij Willem Kloos eindigt, wat misschien niet kan gezegd worden van hoe het derde stukje in (toch, toch) mini-verzameling Facetten van het huwelijksleven begint: “Aanvankelijk zaten we als een kneuterig echtpaar bij de leeslamp – zij met De Pest van Camus [zie mijn bespreking hier, noot van mij] en ik met De Walging van Sartre, maar tòch de thee gezellig op het lichtje, of we Willy Corsari op de knie hadden. Toen brak opeens alles stuk, doordat mijn vrouw uit haar stervende ratten opkeek om polemisch te zeggen: ‘Morgen heb ik tachtig gulden nodig’.”

Maar goed, ik kan blíjven citeren, en dat wil ik u nu ook weer niet aan doen. Alleen nog een paar korte dingetjes. Uit Opera: “De zaal verhief zich, applaudisserend en ook ‘t echtpaar enigszins bekruimeld”. Uit Een sprookje: “‘Ach vogeltje, laat ik jou eens even helpen!’ zei de conducteur, die een goed hart had en hij boog zich voorover en spalkte het pootje met zijn sigarettenpijpje. Toen hij klaar was, veranderde het vogeltje eensklaps in een fee en de fee sprak, met een fijn stemmetje: ‘Omdat je zo lief voor me bent geweest, mag je een wens doen’”. Wat het begin is van een verhaal dat me terug deed denken aan Idioten. 5 Sprookjes van Jakob Arjouni. Uit het derde deel van de mini-verzameling Herfstachtig: “De mistige middag maakte de gracht helemaal onduidelijk. Ik liep er vaagjes, want ik wilde mij iets herinneren en faalde telkens als ik het bijna had. Opeens zei iemand iets tegen mij, maar ik verstond het niet, door mijn schemerigheid”. En, ten slotte, uit het tweede deel van – laatste keer dat ik de term gebruik, beloofd – de mini-verzameling Mensen: “Ze wonen maar één straat ver en het zijn rustige mensen. Hij schreef opmerkelijke verzen en werkt dus op een reclamebureau, zij studeerde chemie en kookt daardoor slechter dan iemand, die geen chemie studeerde. Veel boeken, geen kinderen, tòch geen hond, maar een abonnement op ‘The New Yorker’ en ook verder ‘t complete ziektebeeld van intellectuelen, die het niet helpen kunnen en in twee kamers, fijntjes monkelend zitten te wachten tot hun leven om is. Want als u denkt, dat de happy few zich happy voelt, hebt u ze nooit aangekeken.”

Degene die de achterflap van deze uitgave vol pende, noemt Tussen twee stoelen – “een titel die de auteur illustratief acht voor de humor als levenshouding” – een samenvoeging en herziening van “twee van zijn talrijke microverhalen”, wat me onzin lijkt, cursiefjes zijn simpelweg cursiefjes, maar ook als Carmiggelt “er hier en daar, naar eigen smaak, in schrapte en enige later geschreven schetsen aan het boek toevoegde”, is het geheel in ieder geval zeer geslaagd. Ondanks de vermelding overigens dat de inhoud van dit boek er “mede oorzaak [van was] dat Carmiggelt, in 1961 de Constantijn Huygensprijs ontving voor zijn hele oeuvre”. Zo’n prijs uitdelen komt immers, mijns inziens, op zoveel neer als zeggen dat de auteur van dat “hele oeuvre” er zo zoetjes aan wel mee mag stoppen, terwijl het maar goed is dat hij er nadien nog zesentwintig jaar mee is doorgegaan (en daar ook nog wel een paar prijzen voor kreeg).

Björn Roose

P.S.: dat ik consequent ben in wat ik schrijf, blijkt overigens uit het feit dat ik het bij mijn bespreking van Lachen kost niks van Carmiggelt óók al had over het feit dat Een sprookje – blijkbaar eveneens in dié bundel opgenomen - me deed denken aan Idioten. 5 sprookjes van Arjouni.


vrijdag 28 juli 2023

Lachen kost niks – Simon Carmiggelt (boekbespreking door Björn Roose)

Lachen kost niks – Simon Carmiggelt (boekbespreking door Björn Roose)
“Ja, dat was heel erg. Vergeet niet, ik stond toen dagelijks in de krant! Als een romanschrijver zo’n prijs krijgt, dan kan hij lekker een feestje geven en er breeduit van genieten; die nieuwe roman laat hij gewoon even op de plank liggen. Maar bij mij was dat anders. Stond er op pagina 1 dat ik die prijs kreeg en op pagina 3 kon je zien of ik hem wel verdiende. Dat was vreselijk. Net of je lekker in bed ligt en ze trekken opeens de dekens van je af.” Dat was wat Simon Carmiggelt, auteur van voorliggend Lachen kost niks, volgens Peter ten Hoopen, auteur van het nawoord in datzelfde boek, te zeggen had over de hem in 1978 te beurt gevallen P.C. Hooftprijs, “de hoogste literaire onderscheiding die ons land [Nederland, noot van mij] kent”.

Zou kunnen natuurlijk, dat lezers op dát moment pas gaan oordelen of iemand die prijs waard is, maar wat kan zo’n prijs een lezer eigenlijk schelen? Misschien krijg je door zo’n prijs méér lezers – al lijkt me dat voor iemand die een rubriek in een krant schrijft sterk (lezers moeten daar immers dat hele ding voor kopen) -, maar minder in ieder geval niet. Mij heeft het dan ook nooit wat kunnen schelen of Carmiggelt (of welke schrijver dan ook) een prijswinnaar was: samen met Godfried Bomans behoort hij tot de auteurs van wie ik het meeste boeken in de kast heb staan, al is Lachen kost niks nog maar het vierde dat ik bespreek. Redenen daarvoor zijn dat ik vroeger van oordeel was dat cursiefjesbundels (want ook Lachen kost niks is er zo een) moeilijk te bespreken zijn, en vervolgens – toen ik besloten had dat dat eigenlijk niét zo was – dat ik geen niet gelezen boeken van de auteur meer in mijn kasten had staan. Na een bespreking van Ontmoetingen met Willem Elsschot, Duiven melken, en Gewoon maar doorgaan, kwam er dus bijna twee jaar geen nieuwe bespreking van een boek van Carmiggelt, maar met het in mijn handen vallen van Lachen kost niks is daar weer verandering in gekomen.

Terwijl ik dat boek, in tegenstelling wellicht tot een hele hoop Nederlandse lezers, niét gratis in diezelfde handen gekregen heb. Ik heb er, hoewel niet veel, voor moeten betalen, in tegenstelling tot de klanten van de Spaarbank: “Dit boek, dat ik op uitnodiging van de Spaarbank samenstelde, is een bloemlezing uit verhalen die ik schreef. Bij mijn keuze geholpen door mijn aandachtige lezer de auteur Peter ten Hoopen, maakte ik er een vrolijk boek van dat, als u het van de bank cadeau krijgt, hoop ik de juistheid van zijn titel Lachen kost niks bewijst”, schrijft Carmiggelt in het gelijknamige voorwoord.

Een voorwoord waarin hij het ook heeft over zijn inspiratie: “Ik ben geen verzinner van verhalen. Maar ik ben wel een schuiver met de waarheid.” Een schuiver die niet altijd even hard moet schuiven ook, want Hogerop, een hilarisch verhaal dat ik eerder las in een andere bundel van de auteur, is… “echt gebeurd. Wij waren pas getrouwd en zaten toen, ofschoon mijn vader enige panden bezat waarin hij ons graag had gehuisvest, heel bohémien-achtig op een kleine etage in een volksbuurt. Boven ons woonden mensen die heel vaak ruzie hadden. In de woonkamer hoorde je dat een beetje, in de gang al wat beter, maar klom je op die kast, dan verstond je ze woord voor woord.” Iets wat Carmiggelt en zijn vrouw in Hogerop dan ook doen. Iets wat dan weer niét van een illustratie is voorzien door Peter van Straaten (u wellicht onder andere bekend van de scheurkalenders, die ondanks het feit dat hij inmiddels al zo’n negen jaar overleden is nog steeds jaarlijks uitgegeven worden), die verder wel voor zestien tekeningen bij een aantal van de meer dan vijftig andere verhalen zorgde. De klanten van de Spaarbank werden destijds verwend, de lezer/kijker die dit boek naderhand op de kop tikte ook.

Met die tekeningen, met stukjes die soms hilarisch, soms gewoon grappig zijn, met oneliners als deze ook: “Dat gold de dame vóór mij – een lang mens, gekleed of zij zo juist uit een vliegende schotel was gestapt.” Niemand kan zich daar iets concreet bij voorstellen, maar humoristisch is het wel. Net zoals “een uit zijn heupen acterende zoon van Boris Karloff”, “een behang om keelpijn van te krijgen”, “een door de firma Serné geklede ruïne”, “Toen ik thuiskwam, lag een mij onbekend, dik meisje in de gang en schrobde de vloer”, of “Iedereen begreep dat Sartre en Satan deze man op aanraden van Strindberg als public relations officer in dienst genomen hadden”.

Maar Carmiggelt weet ook beesten meesterlijk neer te zetten: “Vrienden van mij hebben een hond, een jonge, rode setter, die mij telkens weer tot tranen toe ontroert. Want hij heeft een volkomen verkeerd beeld van het leven, dat hij, in flagrante strijd met de feiten, beschouwt als een pretje. Als je in de kamer zit, komt hij binnendraven met het gezicht van iemand, die verwacht dat het dol gezellig zal zijn. Hij gaat dan dribbelig voor je staan en zegt met zijn gevoelige, naïeve ogen: ‘Hè, laten we nou lol gaan maken.’ Want dat wil hij, dag in dag uit. Draven. Springen. Opgetild worden en weggesmeten. Pijnloos in je hand bijten. Of je doen kroelen op zijn mooie, terra borst. Maar mensen hebben daar niet altijd zin in – u weet hoe mensen zijn. Dan zie je ‘m denken: ‘Nou, dan ga ik alléén lol maken.’ En hij bijt eens in zijn eigen staart of hij rent een keer of acht alle trappen op en af, subtiele vermaken, die hem dan weer zó oppeppen, dat hij ten slotte helemaal glinsterend de kamer binnengaloppeert met zo’n gezicht van: ‘Maar nou gaan we dan toch lol maken.’”

Of moeilijkheden met simpele dingen als klapstoelen tot het voorwerp te maken van een verhaal waarvan je al bij aanvang weet dat het alleen maar érger zal worden: “Om zijn voordrachtsavond te kunnen houden in dat schoolgebouw had de declamator een gros kleine, houten vouwstoeltjes gehuurd, die een kwartier voor aanvang als een kudde eigenzinnige bokjes bijeengedreven stonden. Dat ze hard zaten vond ik op zichzelf niet zo erg: kunst eist nu eenmaal een worsteling des geestes en dan mag het lichaam niet achterblijven. Veel dieper groef het bezwaar tegen de kwaliteit van de stoelen. Ik voor mij zakte er tenminste onmiddellijk doorheen en behaalde, tussen de brokstukken op de vloer gezeten, het gemakkelijkste succes van mijn leven, want iedereen brulde van plezier eer ik een mond had opengedaan.”

En dan kom je als lezer ook nog verhalen tegen die je doen denken aan oud-collega’s (Het woord, dat over het woord ‘epibreren’ gaat, een woord dat gemunt werd door Carmiggelt zelf en waaraan Jan Huijbrechts, u bekend van De botten van Bach, ontzettend veel plezier beleefde) en aan andere verhalen die je recent gelezen hebt: Over kerstverhalen gesproken bijvoorbeeld dat me onmiddellijk aan het Kerstverhaal herinnerde dat Jos Brink opnam in Blij blijven (de thematiek is krek dezelfde), of Een sprookje waarbij ik meteen aan Idioten, het titelverhaal van Jakob Arjouni’s Idioten. 5 sprookjes, moest denken. Dat een fee een standje krijgt van een hoofdfee is een gegeven dat beide verhalen gemeen hebben.

Die fee, noch de “klant” die ze gelukkig maakt, zullen allicht autobiografisch zijn, en toch… “Ik heb heel vaak een verhaal geschreven over een wat dwaze man die mij een verhaal vertelt. Een meneer in een kroeg, een meneer bij een haringkar… Maar die meneer, dat ben ik zelf. Je gebruikt dan een echte problematiek uit je eigen leven en verschaft je door het gebruik van die ander een grotere vrijheid. Zo heb ik heel veel autobiografisch materiaal verwerkt. Dus als je vraagt: ‘Hoe verzint-ie het?’, dan moet ik zeggen dat er bijna geen verhaal is dat ik compleet uit mijn duim heb gezogen.” Misschien heeft Carmiggelt dus ooit wel een fee ontmoet. En misschien vindt u dit boek wel eens op een rommelmarkt of in een uitverkoop. In dat geval: kopen maar. En lezen uiteraard.

Björn Roose

vrijdag 24 november 2023

Welverdiende onrust – Simon Carmiggelt (boekbespreking door Björn Roose)

Welverdiende onrust – Simon Carmiggelt (boekbespreking door Björn Roose)
Ondanks het feit dat ik ooit - in mijn bespreking van zijn Ontmoetingen met Willem Elsschot - schreef dat ik boeken van Simon Carmiggelt normaal nooit bespreek, heb ik door de jaren heen van hem ook nog Duiven melken, Gewoon maar doorgaan en Lachen kost niks besproken. Vier boeken dus, maar in feite zoveel als dat lachen kost: niks. Want ik heb intussen van de man vijfendertig boeken in mijn kast staan en die heb ik allemaal… gelezen. De meeste echter jaren vóór ik aan het bespreken van boeken begon, wat niet geldt voor voorliggend Welverdiende onrust, want anders had ik dat uiteraard óók niet besproken.

Maar dat bespreken blijft een lastige waar het Carmiggelts werk betreft. De reden waarom ik immers zoveel van hem in mijn kasten heb staan, is dat hij cursiefjes schreef, stukkies in zijn eigen jargon, en dat ik die dan wel zeer aangenaam om lezen (en voorlezen) vind, maar dat een bespreking ervan, wegens het inherent fragmentaire karakter, quasi ondoenbaar is. Wat de algemene inleiding betreft houd ik het dan ook bij wat boven de in het groot afgedrukte hanenpoot van Carmiggelt op de achterflap van dit in 1982 bij De Arbeiderspers verschenen boekje (honderdvierenzestig bladzijden dik) is afgedrukt: “De dagelijkse rubriek die ik, sinds 1956, schreef in ‘Het Parool’ veranderde ik op 17 januari 1981 in een wekelijkse rubriek. De jaarlijkse bundel bleef in dat jaar achterwege. In ‘Welverdiende onrust’ heb ik een selectie gemaakt uit stukken die ik in de achter mij liggende twee jaren schreef. Dat de titel een woordspeling is op een cliché dat redenaars, telkens weer, een gepensioneerde op zijn afscheidsfeestje toebrengen, heeft de lezer al begrepen. Dat het, zoals álle cliché’s, een leugen is, heb ik al begrepen. Ik hoop dat het boek daarvan getuigt.”

En inderdaad, Carmiggelt was nog niet aan rust toe toen dit boek verscheen. In 1978 was hij dan wel vijfenzestig geworden, maar op verzoek van hoofdredacteur Herman Sandberg bleef hij zijn Kronkels schrijven, zij het dan aan een steeds lagere frequentie: in 1980 in plaats van dagelijks nog drie keer per week, vanaf 1981 nog één keer per week, een gegeven waarvan Carmiggelt één sprong maakt. Vanaf 1983 werd ook dié frequentie echter te veel en ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag (en wel precies één dag daarna, op 8 oktober 1983) stopte hij ermee. Welverdiende onrust zou nog verre van zijn laatste boek worden, maar veel nieuwe cursiefjes schreef hij na de daarin gebundelde periode toch niet meer.

Jammer voor de toenmalige krantenlezers ongetwijfeld, maar damals was ik amper 11 jaar oud en las ik geen kranten, dus ik kan ook nu nog genieten van wat hij zelf zijn beste stukkies vond, temeer misschien omdat de wereld van toen intussen zo’n beetje vergaan is. Ik kan hem me nog inbeelden, ook al omdat Carmiggelt hem – zeer bondig weliswaar – scherp weet weer te geven, maar, los van de personen die steeds de essentie van zijn verhaal uitmaken (en personen veranderen als “geheel” niet zo veel, ook niet in de jongste veertig jaar), ook omdat ik hem nog zelf heb meegemaakt. Niet in Amsterdam weliswaar, maar het dorp van mijn jeugd lijkt ook niet zo héél verschillend geweest te zijn van het Amsterdam van Carmiggelts pensioenjaren. Veel minder verschillend in ieder geval dan het dorp waarin ik nu leef en, pakweg, het Antwerpen van tegenwoordig.

Enfin, dat doet er ook niet toe. Zelfs voor wie niet zo oud is als ik (en er zijn steeds meer mensen niet zo oud als ik) valt er bij Carmiggelt heel wat te rapen. Geestige woordspelingen als deze bijvoorbeeld: “Op oudejaarsmiddag liep ik op de Heiligeweg, een profane winkelstraat, die ver boven zijn geestelijke stand heet.” Of: “Op de televisie was Derrick net begonnen, maar vóór er een dode had kunnen vallen snerpte onze deurbel.” Of: “Hij had een gezond, goedhartig gezicht dat echter werd missierd door een enorme geeuw die mij een blik gunde in zijn roze interieur, dat ik altijd associeer met een slagerij.” Of: “Eens per dag kwam zij enige seconden beneden om hem, achter de tap, een bord warm eten te brengen dat er uitzag of het door een brontosaurus was uitgebraakt.” Of: “(…) op last van haar baas haalde ze de buurman erbij, die een welluidend, door hem zelf vervaardigd Frans sprak.”

Of herinneringen aan een bepaald soort leraressen (in mijn geval ene juffrouw Hulpio, die alleen maar heel kort een andere kwam vervangen): “Zij was onze lerares Natuurlijke Historie, een vak dat wij lollig nattehist noemden. Wat ik me ervan herinner is het begrip ‘onderstandig vruchtbeginsel’. Dat heeft zich, om onverklaarbare redenen, metterwoon en onverjaagbaar, in mijn geheugen gevestigd. Verder weet ik van wat ze ons heeft trachten bij te brengen niks meer. Maar van de manier waarop ze het deed weet ik alles nog. Bij jongens stonden haar lessen hoog aangeschreven. Want ze hád iets. Wat ze precies had kon door de fotografie slechts zeer gedeeltelijk worden omvaamd. Goed, de wat geloken ogen behoorden ongetwijfeld tot het assortiment van haar attracties. Maar er kwam nog zoveel bij, dat mijn herinnering bewaart in een met paars fluweel gevoerd doosje. Als ik het open, zie ik haar manier van lopen, langzaam en op een sierlijke manier zorgvuldig, als iemand met een ballettraining. En ik hoor haar stem. Die was niet hoog en ook niet laag maar in het cello-timbre daar tussenin. Als ze ermee sprak over het onderstandig vruchtbeginsel – al zal ze wel meer hebben aangesneden – maakte zich van jongens een doezelig soort stilte meester. Muisstil waren we. Ze had écht geen ordeproblemen. Doch ik hoorde wel dát ze zei, echter niet wát ze zei.”

Of de kijk van een leek – helemaal ik dus – op sport: “Los van dit alles vind ik de televisie prachtig. Zonder dit verrukkelijke medium zou ik – bijvoorbeeld – nooit in staat zijn te kijken naar rugby in Engeland, verreweg de meest komische sport die op deze aarde wordt bedreven. Een man pakt een bal, is voornemens daarmee weg te rennen en wordt dan onder zowat twintig medespelers letterlijk bedolven. Naast deze turbulente kluwen lichamen en ledematen, die lijkt op een ernstig verkeersongeval, staat een beschaafde heer in een kort broekje in gebukte houding te kijken of er, in de kern van dit geweld, wellicht iets gebeurt dat zelfs bij rugby niet mag. Hij is namelijk de scheidsrechter, een mensentype dat houdt van gevaarlijk leven.” Of op een blootblad: “Er stond een juffrouw buiten op die, boven de gordel, zo royaal door de natuur was bedacht, dat ze beide armen nodig had om haar totale weelde te tillen. Haar gelaatsuitdrukking was gemelijk, als van iemand die op een warme dag gedwongen wordt een schuit meloenen te lossen.”

Of, om maar aan te geven dat “links” – want dat was Carmiggelt – toen niet precies hetzelfde was als nu, zijn kijk op abortus: “In een smalle zijstraat zat ik op een terrasje. Op een muur aan de overkant stond, met witte kalkletters: ‘Abortus – vrij!’ Ofschoon ‘Abortus? Vrij niet’ logischer zou zijn, stond ik toch geheel achter de slogan, want ik ben toevallig eens een keertje erg progressief. Toch wil ik u, in diep vertrouwen, wel zeggen dat ik in deze tijd, nu je de voorbehoedmiddelen zowat bij de margarine toekrijgt, al dat geroep om abortus een wat luide manifestatie van vergeetachtigheid vind.” Waarover hij toch niet zo kwaad was als om een ander soort manifestatie, waar ik, net zoals hij, héél erg pissig om kan worden: “Achter mij hoorde ik plotseling een vreemd, snerpend geluid. Ik keek om en maakte mijn zin niet af. Want ik zag dat de mannen, via het gele insekt [hun dienstwagen, noot van mij], die ene lieve, ranke boom hadden beklommen en nu bezig waren hem met elektrische zagen te vernietigen. Een hete woede maakte zich van mij meester. Het was een van die zeldzame momenten in mijn leven dat ik behoefte voelde aan een machinegeweer.” In dat soort, veelal door overheidsdienaren maar helaas ook massa’s privé-lieden veroorzaakt, vandalisme, is er dan weer, ondanks de veertig jaar die intussen verstreken zijn, geen verschil tussen mijn dorp van nu en zijn stad van toen…

Björn Roose

dinsdag 10 september 2019

Ontmoetingen met Willem Elsschot - Met brieven en een nagelaten manuscript van Willem Elsschot (Simon Carmiggelt)


Björn Roose bespreekt - Ontmoetingen met Willem Elsschot (Simon Carmiggelt)
Boeken van Simon Carmiggelt bespreek ik doorgaans niet. Niet omdat ik ze niet graag lees, in tegendeel, anders zou ik ze ook niet verzamelen (ik denk dat je, als je meer dan dertig boeken van een auteur in je kast hebt staan, wel van een verzameling mag spreken), maar omdat 's mans geschriften onder een genre vallen dat zich nauwelijks laat bespreken: cursiefjes.

Wikipedia omschrijft dit genre als "een deels verhalend, deels beschouwend prozastukje in een dag- of weekblad. Het gaat over een verschijnsel of voorval uit het alledaagse leven, dat scherp wordt geobserveerd en met humor wordt belicht. Het cursiefje dankt zijn naam aan de cursieve letter waarin het stukje in de krant verscheen. Later werd dit soort stukjes in een normaal lettertype (romein) in een kadertje gezet".

De "encyclopedie" beweert verder nog dat zich in de jaren 1970-1980 uit het cursiefje de column ontwikkelde, maar dat lijkt me - gezien de inhoud van veel columns - nogal kort door de bocht. Veel korter in ieder geval dan de stelling dat "de vader van het genre in het Nederlandse taalgebied (...) Simon Carmiggelt" is. Dat laatste kan namelijk zeer wel zijn, al gaat mijn absolute voorkeur in het genre uit naar Godfried Bomans. Maar dat is misschien omdat zijn cursiefjes nauwelijks onder de definitie van Wikipedia zijn thuis te brengen.

Hoe dan ook, ik vind boeken waarin cursiefjes verzameld zijn dus niet echt bespreekbaar. Inhoudelijk zijn ze een lappendeken, literair scheren ze ook niet echt hoge toppen, ze zijn "alleen maar" goed voor een glimlach, soms een weemoedige versie daarvan, en soms - eerlijk is eerlijk - ook een schaterexemplaar.

Dat was voor de duidelijkheid óók af en toe het geval met voorliggend boek, maar dat is ondanks het feit dat het door "de vader van het genre" is geschreven géén bundel cursiefjes. Ontmoetingen met Willem Elsschot - Met brieven en een nagelaten manuscript van Willem Elsschot is een behoorlijk ernstig werk, niet geschreven in de typische Carmiggelt-stijl en niet bestemd om de lezer een (glim)lach te ontlokken, maar om deze een blik te gunnen op de auteur en mens Willem Elsschot. Gezien van die laatste ook niet zomaar een tiental werken in mijn kasten te vinden is - niet weinig, want Elsschot was geen veelschrijver - twee aardigheidjes voor de prijs van één dus: een boek van Carmiggelt over een andere auteur die bij me in de smaak valt. En dat deed het boek zélf ook.

Toegegeven, ik had soms héél veel moeite om de ingevoegde handgeschreven brieven of kattebelletjes van Elsschot te lezen. Niet dat de man echt een ... "kattengeschrift" had, maar het kón beter. Desalniettemin zijn die brieven op zich ook de moeite van het lezen waard. Die aan Jan Greshoff bijvoorbeeld, naar aanleiding van diens voorgenomen emigratie naar Zuid-Afrika, met daarin volgende passage: "J. v. Nijlen [Jan van Nijlen, noot van mij] beweert dat je over een paar maanden naar Z-Afrika trekt. Om daar eens rond te kijken, soit. Maar met de bedoeling daar te blijven? Dat moet ik je ernstig ontraden want ik geloof dat het een naar land is, zonder bomen en vol negers. En dan de boeren zelf, dat is het ergste. In jou plaats zou ik hier blijf en nie gaan nie."

In tegenstelling tot Carmiggelt tot bij Elsschot dus. Want naar Elsschot gaan, deed hij een aantal keren. Terwijl hij hem toch leerde kennen via ... Een ontgoocheling. Daaruit citeert hij in het boek niet alleen de eerste alinea - "De Keizer was sigarenfabrikant. Veel geld verdiende hij niet want hij werkte slechts met enkele mensen, had te weinig kapitaal en maakte geen reclame zodat hij niet vooruit kwam in de wereld" -, ter illustratie van hoezeer Elsschot zijn geschriften wel uitzuiverde (de oorspronkelijke passage was een stuk langer en veel minder strak), maar ook het gedicht dat Jan Gresshoff (zijn vaste uitgever in Nederland) aanhaalde in zijn inleiding tot het boek: Het huwelijk. Ik beperk me hier zelf tot de bekendste passage, maar het gedicht blijft sowieso inderdaad een goede aanzet tot het lezen van Elsschot:

"Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
maar die des avonds komt, wanneer men slapen gaat."

Carmiggelt had met Elsschot een "volmaakt schrijver" gevonden, zo besloot hij, en ... "mijn literaire vader". Waarmee Elsschot dus langs een omweg als de grootvader van het cursiefje mag beschouwd worden, wat toch weer eigenaardig is. Het zou echter nog twaalf jaar duren tot Carmiggelt Elsschot ontmoette (in 1948), maar het verslag van die eerste ontmoeting is voor mij meteen ook het interessantste. Omwille van hoe die ontmoeting eindigt:

"Daarop viel er weer een lange stilte. Ik vond het hoog tijd worden hem van ons gezelschap te verlossen en stond op. Ook Elsschot verrees.

Bij de deur van de kamer gekomen zei hij echter opeens, bijna verlegen: 'Ik heb onlangs nog een vers geschreven. Wilt u het horen?'

'Graag,', antwoordde ik.

Terwijl we daar vreemd bij de deur tegenover elkaar stonden reciteerde hij zijn vers over de in 1945 wegens collaboratie terechtgestelde Vlaamse nationalist August Borms. Hij deed het simpel, met een zachte, telkens door ontroering verstikte stem. Toen hij de laatste regels had uitgesproken keek hij mij aan met de ogen vol tranen. Hij zei: 'Men heeft mij verzekerd dat ik, als ik dit vers publiceer, in Nederland onmogelijk zal zijn. Wat is uw oordeel?'

'Het is een mooi vers,' antwoordde ik, 'u moet het dus publiceren.'

Pas later heb ik begrepen waarom hij zei 'in Nederland onmogelijk zal zijn'. Wat Vlaanderen betrof was hij al op de hoogte, dat bleek zonneklaar uit een brief die hij op 26 juni 1947 had gestuurd aan dr. A.J.W. Kaas, een Nederlander met wie hij veel heeft gecorrespondeerd.

De heer Kaas was een veelzijdig begaafde man, die Elsschots werk bewonderde. Als psychiater genoot hij een grote faam, maar hij maakte ook gedichten die door Elsschot zo hoog werden aangeslagen, dat hij ze met een aanbevelend woord naar tijdschriften zond. In de oorlog had dr. Kaas lange tijd gevangen gezeten in Buchenwald. Over zijn ervaringen in dit kamp schreef hij een door Lochum Slaterus uitgegeven boek, dat door dr. L. de Jong die het inleidde, terecht werd geprezen als een 'bij uitstek persoonlijk en daardoor bij uitstek waardevol relaas'.

Ook na de oorlog bleef de vriendschappelijke relatie bestaan, ofschoon dr. Kaas, die zijn moedig gedrag in het kamp had moeten boeten, eigenlijk niet paste in het beeld dat Willem Elsschot van het verzet had.

Toen het eens ter sprake kwam zei hij tegen me: 'Er wáren wel goede. Maar die zijn allemaal dood.

Welnu - aan dr. Kaas, de levende uitzondering op deze sceptische regel, zond Elsschot de hierbij afgebeelde brief. [In die brief heeft hij het er over dat het gedicht hem in Vlaanderen volkomen gediscrediteerd had: de voorgenomen viering van zijn 65ste verjaardag werd geschrapt, het lidmaatschap van de Vlaamse Academie kon hij op zijn buik schrijven, maar erger, "ik heb niet kunnen voorzien dat bijna al mijn vrienden zich van mij zouden afkeeren voor een vers. En dan nog wel voor een goed vers", noot van mij]."

Er is over Aan Borms, het gedicht van Elsschot véél inkt gevloeid, maar niks maakt zo duidelijk wat er werkelijk "aan de hand was" als dit stuk van Carmiggelt. Elsschot méénde wat hij schreef, maar was zo naïef om te denken dat hij dat in naoorlogs belgië ook kon publiceren zonder er kleerscheuren aan over te houden.

En dat terwijl Elsschot, die niet leefde van zijn pen, maar er een druk professioneel leven ... in de reclame op nahield, sowieso, zoals gezegd, al geen veelschrijver was. Over Het been schreef hij aan Greshoff: "Je opporren heeft uitgewerkt dat ik begonnen ben. 't Gaat langzaam want 't is iets dat héél goed of helemaal niet moet zijn, maar het gaat ... Ik moet de stijl aan die van Lijmen trachten aan te passen, maar ik was toen bijna 20 jaar jonger". En: "Na Lijmen had ik het schrijven opgegeven."

Niet het schrijven van brieven echter, al zijn die door de band genomen héél sec. Carmiggelt heeft ongetwijfeld zijn best moeten doen om er een aantal minder zakelijke uit te halen. En hij heeft daarvoor netjes de schrijver en de ontvanger - in de meeste gevallen Jan Greshoff - om toelating gevraagd, terwijl die brieven al in het Letterkundig Museum in 's Gravenhage lagen. Die kwam er als volgt wat Greshoff betreft: "Wat mij betreft hebt u mijn zegen. Men mag alles van, over, tegen, voor, in verband met mij publiceren - behalve mededelingen over grove malversaties mijnerzijds. Ik kan niet tegelijk aan de weg en achter slot en grendel timmeren. Nederland is bezaaid met: bezwaren, lange tenen, spitsvondigheden, sjagrijn, achterdocht, naijver, eigengereidheid etc. (naar believen aan de vullen). Als Elsschots brieven de moeite waard zijn, waarom zou men ze dan niet openbaar maken?" En dan die van Elsschot, droger en korter kan niet: "Het is mij onverschillig wat gij met mijn brieven doet."

Ook op andere vlakken hanteerde hij die stijl trouwens. Toen hij in een brief aan dr. Kaas melding maakte van het feit dat zijn eerste kleinkind, de wereld bekend als Tsjip, door zijn vader in Polen niet meer teruggegeven wou worden aan zijn moeder bijvoorbeeld: "Mijn dochter gaat over enkele weken naar Danzig om te proberen de hand op het kind te leggen. Ik geef haar een prima browning mee."

Wat zijn humor overigens geenszins in de weg stond. Zo schrijft Carmiggelt, waar hij het er over heeft dat Elsschot niet graag over zijn eigen werk vertelde, maar dat toch een stuk vlotter deed "als het glas, dat hij ongaarne leeg zag staan, zijn tong wat losser had gemaakt":

"Elsschot kocht zijn sterke drank uit beginsel bij een kleine winkelier uit de buurt.

'Zo'n man bedient je beter,' zei hij eens, 'dat kan ik bewijzen.'

Hij stond op, liep naar de telefoon, draaide een nummer en sprak: 'Ik begin nù te tellen.'

Even later stond de winkelier, hijgend van de looppas, met de fles Bokma voor de deur.

'Ziet u wel?' zei Elsschot.

Het was een overtuigend bewijs."

Of deze, uit wat Walter de Ridder, zijn zoon, later aan Carmiggelt vertelde: "Aan wat Greshoff in een vers 'der Vlamen heil'ge taalstrijd' noemde nam Willem Elsschot zijn leven lang deel. Hij zat eens met Walter in een Belgische trein en las in Le Journal. De conducteur kwam, keek naar de krant, en vroeg hem in het Frans om zijn kaartje. Elsschot verroerde zich niet. De conducteur herhaalde het zinnetje wat luider. Elsschot keek uit Le Journal op en zei: 'Ik kan u niet verstaan.'"

En dan is er natuurlijk ook nog dat "nagelaten manuscript", waarvan de titel van het boek spreekt. Ik ben na lezing ervan van oordeel dat het doodzonde is dat dit geen afgewerkt verhaal is geworden, maar ben er tegelijkertijd van overtuigd dat dit helemaal de doodsteek voor Elsschots schrijverscarrière was geworden als het tijdens zijn leven gepubliceerd was. Meer nog immers dan zijn Aan Borms getuigt het van, zacht uitgedrukt, weinig "respect" voor de belgische staat (en staten in het algemeen, trouwens) en een totaal gebrek aan achting voor vader- en moederlanden aan wie men geacht wordt zijn trouw te tonen door te creperen aan een of ander front. Een gebrek aan achting dat hij overigens ook al gedemonstreerd had in Tsjip: "Langs de baan zal ik hem onderrichten: dat hij veel doen moet wat ik heb nagelaten en veel nalaten van wat ik heb gedaan; dat hij de gevulde hand moet afstoten, dat hij niet bukken mag voor het geweld, juichen noch rouwen op bevel van de machthebbers. Dat hij moet opstappen met de verdrukte scharen om vorsten en groten tot brij te vertrappen". Maar dan deze keer, in deze Brief aan Walter (zijn zoon dus), geplaatst binnen de context van het begin van de Tweede Wereldoorlog. Een paar korte citaten uit een helaas niet meer dan zeven bladzijden lang manuscript om deze bespreking te eindigen:

"Wij moeten pal staan meent hij. Maar de anderen staan óók pal, de Duitsers niet het minst. Zó pal dat zij eindelijk van zelf aan de slag geraken als ware het maar om aan die stijve houding een eind te maken."

"Als ik hem goed begrepen heb, want hij deed erg uitbundig, dan is hij 'attaché' bij iets als het 'économat' van het militair hospitaal en zijn geweldige moto gebruikt hij om dringende boodschappen te doen. Mocht het oorlog worden dan kon het nooit kwaad iets bij de hand te hebben waarmede je tegen honderdtwintig per uur de vijand tegemoet kan vliegen, meende hij ernstig, wat volkomen waar is. En toch dacht hij, geloof ik, aan de andere richting waarbij het luidruchtig ding nog meer diensten bewijzen kan. Daar hij altijd zo geweldig sportief is geweest, vroeg ik hem, op hoop van zegen, of hij niet liever aan de Duitse grens zou liggen waar misschien spoedig iets te doen zal zijn, in welk geval jij zijn baantje bij het économat misschien zoudt kunnen overnemen, doch hij was van mening dat je blijven moet waar je bent en maakte daarop alle verdere conversatie onmogelijk door zijn helse tuig in gang te zetten, zodat horen en zien verging."

"Er zijn mensen die bereid zijn op bevel te sterven zoals een hond op bevel in 't water springt, en anderen die liever toekijken, mensen die werkelijk sneuvelen en anderen die de hand gaan drukken van naastbestaanden. En ik vind nu eenmaal dat jij aangewezen bent om deel te maken van de laatste categorie, die eigenlijk even onmisbaar is en evenzeer haar plicht doet als de eerste. Je moet natuurlijk niet toekijken met een vrolijk gezicht, dat spreekt vanzelf, maar met gefronste wenkbrauwen en een uitdrukking van verbetenheid, toekijken als een minister, als één die voortdurend denkt 'wacht maar smeerlappen', maar toch buiten het veld blijft dat door het geschut bestreken wordt. Tijdig meeroepen leve deze en weg met die, maar niet al te luid, want zelfs onder het toekijken is het raadzaam de aandacht niet te trekken anders gaat men denken dat je tot grote dingen in staat bent en ook dat kan gevaarlijk zijn. Trouwens alle uitbundigheid geeft blijk van een minder verzorgde opvoeding. Een heer stelt zich tevreden met een minimum, met iets dat slechts een beaming is van wat anderen doende zijn met veel lawaai en woeste gebaren te verkondigen. Vermijd dan ook steeds nummer één te zijn wanneer tot manifesteren wordt overgegaan, want je weet nooit hoe het eigenlijk zal aflopen. Wacht veeleer tot de impulsieven losgebroken zijn en niet meer terug kunnen en voeg er dan pas je bescheiden gebaar aan toe. Blijkt naderhand dat men zich vergist heeft dan zijn vooral der schreeuwers gecompromitteerd, terwijl een gereserveerde houding achteraf verklaard kan worden als zijnde geboren uit louter wellevendheid en dieper inzicht."

En ten slotte: "Mocht het zover komen, dan hoop ik van harte dat ons leger al zijn geweren en kanonnen tegelijk afschiet en dadelijk daarop de witte vlag hijst, om dan verder als één man belangstellend en meevoelend toe te kijken hoe de Fransen en Engelsen dat zaakje zullen opknappen. Men heeft ons waarachtig lang genoeg aangewreven dat de Belgen de dappersten aller Galliërs zijn en het wordt dus hoog tijd dat wij, onder alle Galliërs en Germanen, eindelijk eens gaan uitblinken door omzichtigheid."

Misschien was het dat laatste wel dat Elsschot deed besluiten dit in 1939 begonnen werk nooit af te maken ...

Björn Roose

vrijdag 23 oktober 2020

Gewoon maar doorgaan (Simon Carmiggelt)

Björn Roose bespreekt - Gewoon maar doorgaan (Simon Carmiggelt)
Allemaal onzin
, Alle orgels slapen, Bemoei je d’r niet mee, Beter bejaard dan dood, Bij nader omzien, Brood voor de vogeltjes, De rest van je leven, De vrolijke jaren, Drie van vroeger, Duiven melken, Een Hollander in Parijs, Een stoet van dwergen, Een toontje lager, Fluiten in het donker, Het klinkt soms wel aardig, Honderd dwaasheden, Kroeglopen, Kroeglopen – Tweede bundel, Mijn moeder had gelijk, Mooi kado, Mooi weer vandaag, Morgen zien we wel weer, Schemeren, Slenteren, Twijfelen is toegestaan, ‘Van u heb ik ook een heleboel gelezen …’, Vliegen vangen, Vroeger kon je lachen, Ze doen maar, Zelfportret in stukjes … Carmiggelt bleef, van 1936 tot 1983, maar stukjes schrijven en de beste daarvan werden keer op keer gebundeld en herbundeld. Ik zou dus ook nog wel een tijdje kunnen doorgaan met het bespreken van zijn boeken, ware het niet dat het voorliggende Gewoon maar doorgaan het laatste was in mijn collectie dat ik nog niet gelezen had. De eerder genoemde titels zijn de andere dertig boeken van hem op mijn planken, wat wil zeggen dat ik er nog meer dan honderd niét heb. En wellicht ook nog een hele tijd niet zal hebben, aangezien ik voor mijn verzameling graag rommelmarkten en bibliotheekverkopen afstruin en ik daar, zelfs als ze nog zouden doorgaan, geen zin in heb zolang ik een luier voor mijn gezicht moet binden.

Deze bespreking van Gewoon maar doorgaan is dus merkwaardig genoeg het voorlopige einde van mijn Carmiggelt-besprekingen. Waarmee het dus, eveneens voorlopig, bij drie besprekingen blijft. Geen ramp, want zoals ik bij de vorige (Duiven melken: https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2020/08/duiven-melken-simon-carmiggelt.html) schreef: “Een kwaadwillig lezer zou kunnen denken dat ik boeken verzamel van een schrijver die ik in essentie niet weet te waarderen, maar dat is benevens de waarheid: ik heb de cursiefjes van Carmiggelt altijd zeer wel kunnen pruimen. Dat het cursiefjes zijn, is echter het probleem: een bespreking schrijven van een boek dat is samengesteld uit dat soort uit het leven gegrepen columns (want zo heten cursiefjes tegenwoordig) is nauwelijks doenbaar. Ja, ik zou kunnen zeggen dat Carmiggelt “aangenaam” schrijft (grote literatuur is het natuurlijk niet, het zijn per slot van rekening dingetjes die in een krant zijn verschenen), dat hij bij tijd en wijle niet “gewoon” een glimlach op mijn lippen weet te krijgen maar ook een schaterlach aan mijn keel kan doen ontsnappen, dat het leuke stukjes zijn om voor te lezen, en dat de bundels natuurlijk een selectie van zijn betere krantenstukjes zijn, maar wat heeft u daar aan? Niets, inderdaad.”

Maar zoals ik een uitzondering maakte voor Duiven Melken “omdat ik hier het voorlezen een paar keer onderbroken heb om bepaalde passages aan te duiden, wat me toelaat die hier te citeren”, maak ik die nu weer voor Gewoon maar doorgaan. Bijvoorbeeld voor een stukje uit het helemaal hilarische deel III van Amsterdam in de zomer:

“Op de Weteringschans kwam een jongen van ‘n jaar of twintig met een fiets aan zijn hand naast me lopen. Hij was niet hip maar traditioneel gekleed en had zelfs geen bakkebaarden. Hij zei: ‘ ‘t is een rare boel hier, in Amsterdam …’ De stelling was algemeen en vrijblijvend genoeg om te beamen, dus ik knikte. ‘Als je nou rekent,’ zei hij, ‘zaterdagavond denk ik: kom, ik koop een pilsje. Ik maak een paar deuren open, ‘t is gezellig, nou ja, om kort te gaan – om één uur ben ik blut. En ik had ‘n pilsje te veel op, daar komt ik eerlijk voor uit.’ Met zijn bruine ogen keek hij mij trouwhartig aan. ‘Poen voor een taxi had ik niet meer,’ vervolgde hij. ‘Nou woon ik in de Noorderstraat. Dus ik denk – ik ga maar lopen. Maar nou had ik een pilsje te veel op, dus dat lopen ging niet zo best. Ik kom te vallen en ik denk: ik blijf hier maar even rustig liggen. Onder een lantaarn, toevallig. Mensen blijven stilstaan. Die zeggen: “Is u onwel?” Ik zeg: “Nee, ik heb een pilsje te veel op.” Toen wou’en ze me thuisbrengen, maar dat heb ik geweigerd, want ik bezorg een ander niet graag overlast. Trouwens – ik lag niemand in de weg. Ik lag daar best, onder die lantaarn. Goed, na ‘n poosje stopt er een politieauto en daar komen twee smerissen uit. Die ene zegt: “Wat doe je daar?” Ik zeg: “Gewoon – liggen. Dat ken je toch wel zien als je uit je doppen kijkt?” Toen wou hij weten waarom. Want ‘t zijn zuigers, hoor, die smerissen. Ik zeg: “Ik heb een pilsje te veel op. Mag dat soms, op een vrije avond?” Maar hij buigt zich zo naar me over en z’n pet valt af. Ik zeg: “Zet je pet maar gauw weer op, dan ben je nog een smeris, want zonder pet ben je helemáál niks.” Wat miszeg ik daar nou an?’ Weer zond hij mij die trouwhartige blik. Ik voelde naderend onheil. ‘Hij roept: “Nou ga jij als de sodemieter naar huis.” En ik zeg: “Ik heb ‘n pilsje te veel op, maar ik woon in de Noorderstraat, dat is vijf minuten met de wagen, dus als jullie me even wegbrengen is de zaak uit de wereld en dan heb ik nog wat terug van me belastingcenten.” Dat is toch redelijk, nietwaar? Maar hij schreeuwt: “Er zijn twee mogelijkheden. Of je loopt nou meteen naar huis, of we nemen je in de wagen mee naar het bureau”. Ik zeg: “Dan kies ik het eerste, maar je hoeft niet zo tegen me te schreeuwen, want bang ben ik alleen voor een vent, maar niet voor een gevulde koek.” Wat miszeg ik daar nou an?”

Of uit het nog hilarischer deel IV van Journaal, waarin Carmiggelt een klein meisje ontmoet op de bus: “Toen pakte ze de tas van haar moeder, die vol liefde op haar neerkeek, begon er in te rommelen en haalde een flesje te voorschijn. Het was parfum. Ze schroefde de dop er af, greep mijn rechterhand en stortte er een aanzienlijke plas van de vloeistof in. ‘Niet zo véél, schat,’ zei de moeder. Het parfum was getrokken uit het sperma van een oude muskusrat, die zich de laatste tijd niet zo wel voelde. Het verspreidde een zoete, paars aanslag op de tong veroorzakende stank met een enorme actieradius en was zo kleverig als appelstroop. Toen de bus stopte bij het station ging ik er uit, want ik moest naar de televisie in Bussum. Amsterdam heeft een zeer penetrante lijflucht, maar daar kwam ik nu makkelijk boven uit – dat merkte ik aan de voorbijgangers die mij geschokt of bevreemd nakeken. In het station begaf ik mij naar het toilet en waste lange tijd mijn hand. Maar dat hielp niet. De lucht kon er tegen. Ik zou er waarschijnlijk nog jaren mee behept blijven. ‘t Moest wegslijten, op de lange duur. Ik liep naar de trein en ging, in een lege coupé, eenzaam zitten stinken. Als mijn vrouw deze vuiligheid gebruikte zou ik ons huwelijk alleen met behulp van rubberen neusdopjes kunnen rekken. De deur van de coupé ging open en er trad een heer binnen die een boek vol tabellen met cijfers uit zijn tas haalde en er gretig in begon te lezen, of het fruitige pornografie was. Na een poosje hoorde ik hem een snuffelend geluid maken. Hij róók me, wierp me een wrevelige blik vol verachting toe en verliet de coupé, die daarna, even voor vertrek vol liep, omdat een echtbaar met zoon en dochter ook de kant van Bussum op moest. De bengel riep spontaan: ‘Verdomme, wat stinkt het hier.’ Ik keek uit het raam. Het viel me, toen we reden, op dat de koeien in de wei terugdeinsden. Maar misschien deden ze dat anders ook, als een trein voorbij ging.”

Of deze passage uit deel V van In Rome, een passage waarvoor je nu de politiek correcte goegemeente over je heen zou krijgen: “Des avonds om elf uur besluit mijn Romeinse Driestuiversopera met een gitzwarte zigeunerin, die bedelt met een kind van hoogstens een jaar op de arm. ‘t Is een blond jongetje, heel diep in slaap. Ze zal hem wel te leen hebben, want hij is veel te blond om van haar te zijn.”

Of dit maatschappijkritische deeltje uit het helemáál maatschappijkritische Winkeltje: “Toen Annie een poosje later riep: ‘Jongens, eet dat brood nou op, anders komen jullie te laat op school’ sprak Ernst: ‘Mevrouw, wilt u niet zo autoritair tegen mij praten.’ Nu tuimelt Annie daarvan niet uit haar stoel, want het woord ligt ook Hansje voor in de mond. Hij behoort tot de kritische clan van Ernst, die op school de zenuwinzinkingen der leerkrachten regelt door onophoudelijk protestacties te voeren, huiswerkstakingen uit te roepen, circulaires over druggebruik uit te delen, het ontslag te eisen van een juffrouw die verkeerd les geeft of een dag weg te blijven omdat de Kabouters hulp geboden moet worden bij het kraken van panden. Hansje kraakt dapper mee en komt, aan het einde van zo’n dag bij pa en moe, die een riant ingericht grachtenhuis met tien kamers bewonen. Maar het zou flauw zijn hem dat voor de voetjes te werpen, want de anarchist Peter Kropotkien, de heilige van Roel van Duyn, werd geboren in een kasteel omdat hij een prins was en dat kon die man ook niet helpen.”

En dan nóg zo een (eigenlijk een zeldzaamheid om zoveel maatschappijkritiek te lezen in de boekjes van Carmiggelt) uit deel V van Cinque Terre: “Maar revolutie komt neer op bloed en andere gezichten in de Alfa Romeo’s, een mutatie waarvoor ik, als principiële voetganger, weinig belangstelling heb. De gewone mensen blijven behoeftig, maar mogen er alleen niet langer hardop over spreken als ze in de rij staan voor levensmiddelen. Als de revolutie in Italië komt, zal de heer Antonini tijdig uitwijken naar Zwitserland, om daar op net zo’n terras te dromen van de divanpop. En in het huis met de twintig kamers zal dan de secretaris van de communistische partij weekeinds doorbrengen. Het personeel houdt hij wel aan. Want als u denkt dat mevrouw Brezjnew zélf de vloer dweilt is u een ongeneeslijke dromer.”

Over deel 1 van De stad uit heb ik het hier daarentegen niet. Wie dááruit een citaat wil lezen, kan altijd nummer 179 van TeKoS (https://www.deltastichting.be/tekos179.html) bestellen. Daarin heb ik, in mijn vaste (ecologische) rubriek, uitvoerig geciteerd uit dat deel 1. En wie weet besluit u na het lezen van dat nummer om abonnee te worden. Het is de moeite waard!

Na dat klein beetje reclame echter nog een zeer filosofische uitsmijter. Uit het stukje Zien: “Toen jaren geleden in Zeeland de dijken braken en de wrede stem van het water het doodvonnis velde over mens en dier, zag ik in de krant een luchtfoto van twee paarden. Ze stonden naast elkaar tot de borst in het wassende water, gelaten te wachten op de dood. Mensen trachten dan te vluchten. Maar zij niet. Zij voelden, denk ik, dat het onafwendbaar was. Zij wisten te sterven.” Mooi citaat om mee te eindigen in tijden waarin we massaal van onze vrijheid beroofd worden omdat angsthazen en angstaanjagers besloten hebben dat de dood van enkelen aan één specifieke ziekte het waard is om alle anderen in gijzeling te houden.

Los daarvan: als u boeken van Carmiggelt tegen komt: kopen. En lezen uiteraard.

Björn Roose

zaterdag 22 augustus 2020

Duiven melken (Simon Carmiggelt)

Björn Roose bespreekt - Duiven melken (Simon Carmiggelt)
Best eigenaardig eigenlijk: ik heb meer dan dertig boeken van Simon Carmiggelt in mijn boekenkasten staan en de meeste daarvan gelezen, maar slechts één daarvan ooit besproken en dat ging dan over … een andere schrijver, Willem Elsschot (zijnde de bespreking van Ontmoetingen met Willem Elsschot).

Een kwaadwillig lezer zou kunnen denken dat ik boeken verzamel van een schrijver die ik in essentie niet weet te waarderen, maar dat is benevens de waarheid: ik heb de cursiefjes van Carmiggelt altijd zeer wel kunnen pruimen. Dat het cursiefjes zijn, is echter het probleem: een bespreking schrijven van een boek dat is samengesteld uit dat soort uit het leven gegrepen columns (want zo heten cursiefjes tegenwoordig) is nauwelijks doenbaar.

Ja, ik zou kunnen zeggen dat Carmiggelt “aangenaam” schrijft (grote literatuur is het natuurlijk niet, het zijn per slot van rekening dingetjes die in een krant zijn verschenen), dat hij bij tijd en wijle niet “gewoon” een glimlach op mijn lippen weet te krijgen maar ook een schaterlach aan mijn keel kan doen ontsnappen, dat het leuke stukjes zijn om voor te lezen, en dat de bundels natuurlijk een selectie van zijn betere krantenstukjes zijn, maar wat heeft u daar aan? Niets, inderdaad.

Waarom dan een uitzondering maken voor dit Duiven melken? Wel, omdat ik hier het voorlezen een paar keer onderbroken heb om bepaalde passages aan te duiden, wat me toelaat die hier te citeren. En een welgekozen citaat kan soms meer zeggen over een boek dan een hele hoop commentaar. Bij deze dus.

Bijvoorbeeld dit uit het stukje Een dagje: “De tram reed in Oud-Amsterdam door een straat vol plaatsen des vertiers. Een roekeloos opgeschilderde juffrouw zat voor een raam met opengeschoven gordijnen naar buiten te kijken met een gezicht vol eventuele beloften. U en ik zouden zeggen: ‘Zij lonkt,’ maar de politie, die zich óók weer van vaktermen bedient, noemt dat: ‘De vrouw vigileert.’ Dat is écht waar. Vraag het maar na – bij wijze van spreken dan. U moet natuurlijk niet allemaal, op mijn gezag, de zedenpolitie gaan opbellen om het te verifiëren, want die heren hebben het druk genoeg. Als u het mij vraagt is Amsterdam één grote zwijnepan. Maar los daarvan – wat valt er uit het bovenstaande te leren? Dat een buitenman, langs zo’n venster lopend, het best even roepen kan: ‘Mevrouw, vigileert u?’ Voorzichtigheidshalve, bedoel ik, want er bestaat altijd een kans dat ze antwoordt: ‘Neen meneer, ik geniet van het uitzicht.’”

Of dit, uit Allerhande: “Hij stopte de zak in het boodschappennet en wees op de krant, die er ook in zat. ‘Hier – Afrika ontwaakt,’ vervolgde hij. ‘Voor mij mag Afrika ontwaken. Maar ik vind het wel beangstigend en ik slaap er slecht van. Plak nou niet meteen een etiket op mijn voorhoofd. Zeg nou niet: Die man is tegen een ras. Want ik ben niet tegen een ras. Zwart, geel of bruin – ze mogen van mij allemaal twee ons allerhande. Maar ik kan het niet overzien. Kan jij het overzien, beste man? Vroeger wel. Toen ging ik naar vergaderingen en dan stond daar zo’n man op het toneel, een beetje een gluiperig iemand, weet je wel, die in de Kamer wou komen en die man riep dan: Eéns zullen de onderdrukte volkeren het juk afschudden en zich bevrijden van hun uitbuiters. Of woorden van gelijke strekking. En dan klapte je in je handen. Want je vond dat het gebeuren moest. Vind ik nog. Maar toch slaap ik er slecht van. Want het afschudden van jukken door onderdrukte volkeren is een mooi iets om naar te streven, maar het is verdomd vervelend om het mee te maken. Nou kun je zeggen: Man, jij bent een bange sufferd. Vroeger was ik je aangevlogen. Maar nu zeg ik: Ja, dat ben ik, een bange sufferd. Want ik heb geen klare kijk meer op de wereld. Ik ben onnozel, maar niet helemáál onnozel. Mijn vrouw wel. Mijn vrouw is helemáál onnozel. Als ik je nou toch vertel – laatst liet ik per ongeluk een flesje inkt omvallen op het tafelkleed. Wat dacht je dat ze deed? Ze huilde. Om dat rotkleed. In deze wereld en terwijl Afrika ontwaakt. Nou jij weer. Dan moet je toch knáp onnozel wezen.”

En ten slotte dit stukje uit In de stad, passend in een boekbespreking: “’Weet u wat het bezwaar van dit boekje is, meneer?’ vroeg hij. ‘Ik heb niet het flauwste vermoeden,’ zei ik. ‘Dan zal ik het u vertellen,’ sprak hij. ‘In de eerste plaats is het een vrolijk werk. Nou houd ik niet van een vrolijk werk. Dat is niet naar het leven. Ik heb het toch maar half uitgelezen, want je hebt wel boeken, die beginnen vrolijk, over mensen die het goed gaat en niks te mopperen hebben maar na twintig, dertig bladzijden, begint de narigheid. En dat lees ik graag – narigheid van andere mensen. Maar hier, in Edna, de droomvrouw, daar blijft het maar vrolijk. Maar dát moet ik niet. Als ik voortdurend lees over mensen, die zo’n lol in hun leven hebben, dan word ik knorrig. Van afgunst.’”

Wat de boeken van Carmiggelt aangaat: die zijn niet per se vrolijk, maar wel altijd leuk – hoe inhoudsloos dat woord ook mag geworden zijn - om te lezen. Je zal er niet knorrig van afgunst van worden, of kwaad, of de hele dag in een lachbui blijven steken, maar je zal je het lezen van zijn cursiefjes nooit beklagen. Voor wie dus heden ten dage nog into dat genre is: nooit laten liggen als je er eentje tegenkomt.

Björn Roose

zaterdag 22 mei 2021

Vlerk in vogelvlucht – Johan Anthierens (boekbespreking door Björn Roose)

Vlerk in vogelvlucht – Johan Anthierens (boekbespreking door Björn Roose)
Het laatste nog ongelezen boekje van Johan Anthierens dat ik in mijn boekenkasten had, is bij deze gelezen. Met de bespreking van Vlerk in Vogelvlucht – een Vlaamse gaai op de voorpagina, bij ons beter bekend als Hamse wuiten – sluit ik dan ook (minstens voorlopig) de besprekingen van Anthierens’ werken af. En ik heb genoten van Vlerk in Vogelvlucht zoals ik genoten heb van Onder anderen en De flauwgevallen priester op mijn tong. De boterhammen van de bakkerin en Het Belgische domdenken – smaadschrift waren iets minder, maar three out of five ain’t bad.

Het boek, uitgegeven in Amsterdam bij uitgeverij Allert de Lange in 1981, mikt duidelijk op de Nederlandse lezer – op de achterflap begint de introductie met “Johan Anthierens is een balorige Belg en een vlerk van een Vlaming” – en bevat “een twintigtal zelfportretten” die eerder verschenen in De Volkskrant (in de jaren 1979 tot en met 1981), “aangevuld met een novelle geïnspireerd op frivole opstellen die hij voor het weekblad ‘Knack’ bedacht”, De getelde dagen van Bella Bimba.

Plus een fragment uit het gedicht Oiseaux de Passage (Trekvogels) van Jean Richepin, aan wie dit boek aldus Anthierens een hulde is. Het gedicht van Richepin kan u hier lezen, maar ik geef u graag mee wat Anthierens er over weet te melden: “Jean Richepin (1849-1926), de poëtische Franse geus en anarchist, huldigt in ‘Oiseaux de Passage’ (‘Trekvogels’) de enkele vermetelen die zich boven het rondscharrelend pluimvee verheffen om hoogvliegers te zijn, avonturiers van het leven, waaghalzen van de liefde, bezeten van-wat-feitelijk-niet-kan. Grenzeloos gedreven overzeilen zij ravijnen, pikken in de einder en storten neer, met bloedende snavel, tesamen met scherven van een bijna waar gemaakte luchtspiegeling. … In vogelvlucht schijten zij op de koppen van de gedeisden, de monarchisten, de vaderlanders, de burgers die deugden als hormonen verwerken en mettertijd zo tam zijn dat zij hun vleugels gebruiken om de schouders op te halen.” Het doet vermoeden dat Vlerk in vogelvlucht bijtend zal zijn als Het Belgische domdenken – smaadschrift, maar dat is het niet: Vlerk in vogelvlucht is Anthierens op z’n best, poëtisch, met woorden spelend, (zelf)relativerend. “Ik ben een vreemde eend die nimmer in de ganzepas loopt”, schrijft Anthierens aan het einde van zijn voorwoord, en dat klopt. Zélfs niet in de ganzepas van de zelf geschapen verwachtingen.

Maar, zoals gezegd: die poëzie! Die woordspelingen! Eigenlijk moet je dit boek tig keer lezen om ze allemaal gezien te hebben en sowieso kan je ze nooit allemaal citeren. Z’n teksten bulken van de dichterlijke staaltjes en de taalvondsten buitelen er over mekaar heen. Alsof het allemaal maar Spielerei is, alsof hij het zo uit zijn mouw schudde. Ik beperk me dus tot hier en daar een zinnetje als ik daarvan getuigenis probeer af te leggen:

– “De vezels van de pelerine lagen bloot, de zakken (onderduikadres voor handen) rafelden en de kraag glom zonder dat de malchanceuse dichter er een halszaak van maakte.” (uit Weemoed in Vogelvlucht)

– “Over twee uur moet ik de deur uit om, grijs van de slaap, naar Schaarbeek te scheuren om deze regels aan een mij onbekende Boliviaanse te overhandigen. Alsof vrouwen al geen regels genoeg krijgen.” (uit Met Ronkende Zinnen)

– “Ze heet Pilàr en is te herkennen aan blauwglimmende kabelvlechten en aan honderd jaar eenzaamheid in de oogopslag.” (ook al uit Met Ronkende Zinnen; en ja, zelfs ik herken de titel van het boek van Gabriel García Márquez, terwijl ik het nooit gelezen heb; geen idee overigens of Anthierens zich er van bewust was dat Márquez Colombiaan was, geen Boliviaan)

– “Ik kus graag, zij het met mondjesmaat. Pilàr draait zich om en verdwijnt, voor een roodhuid niet als een pijl uit de boog (…)” (eveneens uit Met Ronkende Zinnen)

– “Vier jaar geleden, toen zeventien soorten beleg de tongen losmaakten en saucijsjes onder een zilveren stolp in speekselbellen van heet vleesnat knisperden, kon je hier volmondig toetasten. Die tijd is voorbij, surrogaat en zijn ouwe moer maken de dienst uit, op een warme plaat versterven koffie en thee, dienende medemensen van uitheems coloriet verstaan de kunst je wenken te ignoreren. Toen ging ik opgeruimd van tafel, nu zit ik ermee in mijn maag.” (over het ontbijt in het toenmalige American Hotel in Hollands Weekend (2): Voor een verre Princess)

– “Om tien uur (ginds, om die hoek, verbijt Lies haar lippenrood, proeft plankenkoorts) monstert broer Raphaël aan, uitgerust voor de strijd tegen de badkamer die in staat van hygiënische ongenade verkeert, een vervuiling waar wij schoon genoeg van krijgen. Op ons verzoek zet Raf, van huize uit tuinder maar gepatenteerd klusjesman, er de beuk in. Voor de zoveelste zaterdag loopt hij storm tegen het sanitair, met tegenslagend resultaat: de muur stoot de wasbakken af die hij met veel kwinkslagen en godslasteringen aanhechten wil. Aan werktuigen geen gebrek, alom alaam, maar de Engelse sleutel blijft doof voor zijn Vlaamse instructies.” (uit Zoeklicht op Zaterdag)

– “September, de maand dat de vulpen in je binnenzak een druiper krijgt, de schoolmaand, de maand van krijtrotsen en inktzwarte nachten. Ik draag deze augustus-ballade op aan de twaalfjarige Benjamin die in september terug naar school gaat en treurt omdat hij het slijmspoor van slak missen zal en niet treuren mag. Hij moet uit zijn blote zomervoeten stappen en schoenen aantrekken, een onaantrekkelijk gebeuren dat hij zich aantrekt. Benjamin begrijpt niet waarom hij de vruchten des velds moet achter laten voor de vierkantswortel die door mensen werd bedacht, een bedenkelijke gedachte.” (uit Pluspunt voor Benjamin)

– “(…) godsdiensten moet je op hun erewoord geloven, niet tegenspreken: overal ter wereld paraderen militaire kapellen” (uit Bier met Bloesem)

– “In mijn eerste frans (sic) sinds weken gil ik: ‘Monsieur, vous oubliez mon bien!’, vrij vertaald ‘Mein Herr, ik hab doch keine (sic) koffer (sic) in Berlin! Ik kan mij niet in iedere Europese stad laten beroven en uitkleden (…)” (uit Cannes prolongeren; ik ga er van uit dat u de, hoewel in belabberd Duits geschreven, verwijzing naar het nummer Ich hab noch einen Koffer in Berlin van Aldo ‘von’ Pinelli, onder andere gezongen door Hildegard Knef, zelf al gezien had; in dezelfde tekst verwijst Anthierens trouwens voor een tweede keer naar Berlijn: “Een kwartier later paradeer ik op de Croisette, Cannes’ Fifth Avenue, Unter die Palmen (…)”)

– of, ten slotte, “Het lijkt op Iers hongerstaken, binnenste buiten gekeerd.” (over het vetmesten van ganzen in Ganzeveer en Hellevuur)

Terwijl al die taalkundige schoonheid toch niet wil zeggen dat Anthierens zijn scherpte niet zou etaleren. Dat doet hij bijvoorbeeld in de drie stukken die hij wijdt aan het moordenaarsduo Freddy Horion en Ronald Feneulle (waarin hij afrekent met de wreedheid van het publiek, de balk in het eigen oog bij het zien van de splinter in die van een ander), maar ook onder andere – zonder dat er doden vallen – in Hollands Weekend (1): Houten Koorts, waarin hij onder andere verhaalt van een ontmoeting met Renate Rubinstein op een Feestavond tegen de Lelijkheid van Nederland in het Amsterdamse Paradiso: “Renate taxeert mij denigrerender dan een jaar geleden, toen ik op het BRT-scherm haar eigendunk over de lelijkheid van huwelijksverdriet aankaarten mocht. Ze merkt op dat ik het in ‘de Volkskrant’ bestaan heb de goeroe van de stukjesschrijvers, keuvelende Simon Kronkel [Simon Carmiggelt, noot van mij: ‘Kronkel’ was zijn pseudoniem], aan te tasten maar hij mij per kerende kolom lik op stuk gaf. Kort geleden zag zij Carmiggelt, die het zaakje ter sprake bracht, moraliserend dat je bij de minste poging tot contestatie ‘er de wind onder moest houden’. Voorwaar een autoritaire reflex voor een beschrijver van de bescheiden existentie. Zijn reprimande was doeltreffend, noteert Rubinstein, je hebt geen kik meer gelaten. Gnuift zij, of stel ik mij dat voor? Braaf luister ik naar de mens achter het lava-kapsel, vind nu ook geen repliek. Bovenaan de hitladder van de schuine literatoren staat Carmiggelt in wijde goeroe-jurk, met in lagere rangorde zijn naschrijvers die de ogen zedig neerslaan. Voor mijn ogen schemert een oktobernummer van de ‘Haagse Post’, met de mond-op-mond lof van alle cursivisten voor elkaar. Rubinstein die Kees van Kooten wil zijn en Koot die zwijmelt voor Carmiggelt en de maëstro zelf die zich als een in plakjes publicerende Willem Elsschot ziet. Een incestueuze escalatie, een door elkaar kronkelen van darmparasieten.”

Dat ze niet alleen dóór elkaar kronkelden, maar ook mét elkaar, heeft Anthierens wellicht nooit geweten: Rubinstein onthulde pas in haar in 1991 postuum verschenen boek Mijn beter ik dat ze er van 1977 tot eind 1978 een relatie op nahield met Carmiggelt – iets waar Carmiggelts echtgenote zich, aldus Wikipedia, zeer aan “stoorde”, waarop hij een punt achter de relatie zou gezet hebben – en vervolgens opnieuw vanaf 1980 tot zijn dood in 1987. Een mens wil eigenlijk niet weten wie het nog meer met wie doet in de schrijvende Nederlanden.

En een mens wil er wellicht niet aan denken hoe weinig er de jongste decennia ten goede is veranderd (als er al werkelijk iets ten goede is veranderd). Uit De resten van de mens: “Bij een te kort bezoek aan mijn ouders, zes zondagen geleden, vertelden zij over de lichtjaren die zij voetstoots doorliepen, want zij groeiden op in Brugge, in de jaren tien van deze eeuw, toen de brouwer zich met hoefgetrappel aandiende en een trekhond met lange tong rammelende melkbussen versleepte. Armoe was overal, armoe was democratisch; je kon in je blote kont op straat, een scheur in je broek was schering en inslag en iedere lotgenoot leende je grif zijn nagel, om te krabben waar het jeukte. Het leven was een harde noot om te kraken, herinneren mijn ouders zich, maar een mensenhand was gauw gevuld; brood smaakte naar koren, aardappelen smaakten naar de aarde en boter smolt op je tong. De ouderen stierven jonger, maar binnen de familiekring, kinderen annexeerden moeders rokken. Vandaag sterven bejaarden met een visitekaartje aan hun grote witte teen in de dodengang van het rusthuis; hummeltjes kruipen rond in een crèche, moeder zit op fabriek of kantoor heimwee te versnutten naar de uitbestede snotneus.” En verder: “De wereld is een speelgoedkamer vol knoppen en lichtjes die op wenken flitsen en opereren, accuraat tot in het waanzinnige. Maar in het stadium van electrisch aangedreven tandenborstels vertrouwt de mens zijn macht niet langer: het tweebenige wezen ligt tussen andersoortige wandelstokken op een hoop gegooid, bij de kaduke voorwerpen. Alles is massaal, collectief, sectair-communicatief. Het individu als kapotte paraplu, de enkeling als drenkeling. Alle samenlevingen, de communistische op kop, zijn als de dood voor de Sterveling; op ‘jezelf zijn’ staat uitwijzing, uitstoting, vergetelheid; in meer dan een land betekent het afzondering gevolgd door opsluiting en beschadiging. Politie is de herdershond die de kudde in de flank begeleidt en de buitenbeentjes bijt.”

Maar die scherpte slaat weer helemaal om in poëzie, zelfs dromerigheid in het laatste deel van het boek, De getelde dagen van Bella Bimba – Kort geheugenverlies met ornament, aldus de achterflap “een dag uit het leven van prostituée Bella Bimba, waarin niet alleen de bakker en de postbode verschijnen, maar ook Albert Speer, Leopold de tweede en Franco”. Nog een paar mensen méér ook en Bimba lijkt “het” om allerlei redenen te doen (groenten en fruit, champagne, aanbidding), maar het verhaal lijkt nooit over een hoer te gaan. Wel over de wisseling van de maanden en seizoenen, ook in een mensenleven; over de trouweloosheid van politici (zij worden in het verhaal de hoer ontrouw, ruilen haar in voor een jonger meisje); over leeuwen die op Einstein lijken en postbodes die twee keer bellen (nóg een verwijzing, inderdaad); over Louis-Paul Boon (“gejammer, gemekker van een sexueel gefrustreerde, miskramerij van een Vlaams proleet van de liefde”; “in documentaires is Louis een koning, in de eigen ontboezemingen een manke zielepoot, waar hij op speelt”); over geheelonthoudende fascisten; over Ezra Pound en Oriana Fallaci; over John Lennon (“John heeft nu vleugels, net als zijn neus”); over Maigret, Miss Marple, Watson en de Hound of the Baskervilles. Een schatkamer om uit de putten, een soort dwaaltocht door de geheugenflarden van Johan Anthierens, een waardige afsluiter van dit boek en voor mijn serietje boekbesprekingen over Anthierens’ werken.

Björn Roose

dinsdag 19 september 2023

Allemaal poppenkast – Jos Brink (boekbespreking door Björn Roose)

Allemaal poppenkast – Jos Brink (boekbespreking door Björn Roose)
Bij mijn vorige bespreking van een boek van Jos Brink, met name die van Blij blijven, schreef ik: “Cursiefjes blijven voorlopig – en ik durf hopen ook nog langer, maar dat zal afhangen van wat ik op dat front nog allemaal aantref in kringwinkels en dergelijke – nog wel even een vast item in mijn boekbesprekingen, maar met deze Blij blijven ben ik op dit moment wel even aan het einde van de boeken in die categorie van Jos Brink gekomen. Niet dat er verder geen meer zijn – ik heb per slot van rekening eerder alleen nog maar zijn Stukje voor stukje besproken -, maar ik heb er (nog) geen andere in mijn bezit. En dat ene andere boek dat ik van hem heb, Handboek voor hulpsinterklazen, het laatste boek dat hij schreef (hij overleed vooraleer hij de drukproeven kon overlopen), moet – los van het feit dat het niet in de categorie Cursiefjes valt – nog minstens wachten tot rond – uiteraard – Sinterklaas.”

Die “(nog)” stond daar echter niet voor niks. Het voornemen blijft dus nog steeds binnen hier en een paar maanden aandacht te besteden aan zijn Handboek voor hulpsinterklazen, maar sinds februari van dit jaar kwam ik bij verschillende gelegenheden toch nog een tweetal boeken van de auteur tegen: de bespreking van Made in Holland volgt een dezer maanden (nadat ik het gelezen heb dus), de bespreking van Allemaal poppenkast (al duikt Sinterklaas ook dáárin op) krijgt u bij deze. Met dien verstande dat ik u voor wat de introductie tot de auteur betreft graag verwijs naar eerder genoemde reeds gepubliceerde besprekingen, dat ik u niet (nog eens) ga uitleggen wat cursiefjes zijn en waarom een bundeling ervan nauwelijks te bespreken valt (al is het dan een genre dat tegenwoordig helaas veel minder beoefent wordt), en dat u – als u die vorige besprekingen gelezen hebt – sowieso al weet dat ik van oordeel ben dat Brink ter zake zeer bedreven was. Dat toonde hij ook met de vierenveertig stukkies in deze in 1981 bij Teleboek verschenen bundel weer aan.

Vierenveertig cursiefjes over Dierendag (nauwelijks een ding in Vlaanderen, maar wel in Nederland), kaal worden, advertenties, loodgieters, de natuur, nieuwsgierigheid, treinen, geloven, zijn oude school, het huwelijk, enzovoort, waarin hij niet alleen aantoont van vaak alledaagse situaties werkelijk een verhaal(tje) te kunnen maken, maar ook met taal speelt op een manier waarop bijvoorbeeld de ter zake veel bekendere Simon Carmiggelt dat nooit of nauwelijks ooit heeft gedaan. Vondsten als deze zijn typisch voor Brink: “Op het gevaar af dat u gaat denken dat ik reeds op jeugdige leeftijd ernstig dement aan het worden ben, geef ik toe dat ik al koutend uren met mijn huisdier zoekbreng. Meestal helpt ze me eraan herinneren dat ik me ijlings naar de drankboer dien te reppen ten einde de voorraad whisky aan te vullen. Ze práát me als het ware naar de fles toe, want ze is een poes-alleen, dus slechts van mij kan ze een kater verwachten.” Vondsten als dié en humor op zijn eigen kap: “(…) alles wat bij andere mensen bijdraagt tot nóg meer geluk en warmte, haardrogers, polaroidcamera’s, elektrische tandenborstels en washandjesspanners, gaat bij mij binnen een week kapot, of ontploft al nog vóór ik het winkelpand heb verlaten. Dat kleeft aan me en ik ben eraan gewend. Ik weet dat ik de enige niet ben: je herkent lotgenoten op straat. Ze lopen met een lichtelijk slepende tred, afhangende schouders en een holle rug. Hun hele wezen straalt iets uit van: mij kan niks meer gebeuren, juist omdat álles hun gebeurt. Zo ben ik ook. Op het scherm en in het theater acteer ik een viefheid van jewelste, maar in werkelijkheid word ik onder mijn smoking overeind gehouden met hardleren korsetten en rugbaleinen, schoudervullingen en kin-ophouders. Zo draai ik de mensen een rad voor de ogen, en thuisgekomen zak ik als een monatoetje op de bedrand neer.”

Vondsten ook soms die wie de jaren tachtig, ten laatste negentig niet heeft meegemaakt, laat staan de jaren ervoor, weinig meer zullen zeggen: “(…) ik ken een man die kaal werd alleen omdat hij zich er druk over maakte. En nu loopt hij rond met een toupet. Dat wil zeggen, hij dénkt dat het een toupet is. Ik voor mij geloof al z’n leven dat de fabrikant hem laat rondlopen met een hoogpolige tapijttegel op zijn bol. Je ziet dan ook al op kilometers afstand dat het een haarstuk is. Het gloeit groen op in het zonlicht en het wipt op de vreemdste plaatsen.” Maar wie heeft de jongste jaren nog zo’n dooie rat op iemands hoofd gezien? Welke man doet nog moeite zijn kaalheid te camoufleren onder een moumoute? Of het moest een ontsnappingskoning à la Jevgeni Prigozjin zijn, die het dan nog niet eens deed (of doet, wie weet staat ie een dezer jaren op uit de doden) om die kaalheid te camoufleren, maar om volkomen onherkenbaar te zijn.

En vondsten uiteraard die ook een Hans Teeuwen had kunnen gebruiken. Want laat ons wel wezen: een baby aanduiden als “een gesmolten E.T.” is bijzonder grappig, maar van werkstukken uit de boetseerclub zeggen dat “men [ze] het beste kan aanduiden als buitenbaarmoederlijke zwangerschappen” óók. Of van jezelf dat je een “door een dronkeman in elkaar geprutst bouwpakket” bent, of “een mengsel van mierezuur én het apelazarus dat ik mij schrok”, of dat je “uitputtend de verschillen [had] moeten doornemen tussen trompetnarcissen, fluitnarcissen, trombonenarcissen en ammehoelanarcissen”.

En dan, tussendoor, verwijzingen waaraan je merkt dat Brink behalve aan rond hossen op de bühne ook aan het lezen van boeken deed. Waar M. Vasalis opduikt bijvoorbeeld, met haar ode Aan een boom in het Vondelpark: “Bomen worden ziek en moeten dood. Maar Vasalis is onsterfelijk.” Of zich toen al bewust was van de golf van politieke correctheid die op gang aan het komen was: “We zongen eveneens een tekstje over een negerjongetje dat opzien baarde en van wie werd verondersteld dat zijn moeder hem nimmer hoefde te wassen, wat ons reuze gemakkelijk leek. Met dat soort liedekens hoef je vandaag de dag niet meer aan te komen, gezien onze zeer gemengde bevolking.” Of van de “specialisten”-praat waarmee “gewone” mensen aan de kant gezet worden: “‘O, Kareltje z’n plakboek…’ ‘Wij spreken liever van scrapalbum. Kijk, meneer eh… Bastenaken. Binnen het primaire kader van het basisonderwijs vindt een individualiserende planning plaats. Ik ben de man in het veld en u bent de exogene factor. Ouders, het gezin, vormen het supporting team, nietwaar? Zij zijn, in hun interne consistentie, onze feedback.’” (Feedback die, zo merkte ik gisteren, inmiddels zelfs door N-VA-gezinde leerkrachten niet meer aanvaard wordt als het bijvoorbeeld over seksuele opvoeding bij kleuters gaat, want de eindtermen gaan boven wat de ouders daarvan denken). Of dat hij af en toe niet zo héél ver van Carmiggelt staat, bijvoorbeeld als er een leurder aan zijn deur staat: “Ik had natuurlijk onmiddellijk moeten roepen: ‘Gaat heen rare oude man!’ of iets van gelijke strekking. Ik ben daar te laf voor. Ik fluisterde daarentegen: ‘Nou meneer, dat loekt goed!’” Of als hij iets oneetbaars te eten krijgt: “Als toetje had de schat een goedbedoeld mokkapuddinkje vervaardigd, met zelfgebakken strooisel erop. Van gebrande suiker. Het leek wel glas. Ik had net zo goed een bierpul kunnen verbrijzelen en naar binnen proppen. En lafaard als ik ben, riep ik voortdurend dat het héérlijk was. Vandaar die tweede uitnodiging.” Niét op Carmiggelt lijken, zou in dat geval natuurlijk het eerlijkste zijn, maar dan zou je verder ook geen verhaal te vertellen hebben. En laat mij eerlijk zijn: als Brink het heeft over nooit open doen als er gebeld wordt, geen ramen lappen, en gepruts met contactlijm, dan sta ik op mijn beurt niet ver van Brink…

Björn Roose

maandag 16 februari 2026

Van mens tot mens – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Van mens tot mens – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)
Van mens tot mens
van Godfried Bomans zou het laatste boek worden dat ik in 2025 las. Niet dus, ik blijk altijd nog wat tijd over te hebben voor het lezen van boeken, maar dat is uiteraard geen beletsel om het te bespreken. Zelfs al is die bespreking óók iets dat ik me niet had voorgenomen: Steen op steen van Wiesław Myśliwski zou de laatste bespreking worden die ik in 2025 schreef, maar toen bleek ik op de ochtend van mijn laatste werkdag, 31 december (jawel), nog een uurtje tijd over te hebben, dus begon ik vast aan wat mijn eerste kalenderjaaroverschrijdende boekbespreking ooit is geworden (ik heb ze beëindigd op 2 januari 2026).

Passend eigenlijk voor een boek waar ik zo’n maand over gedaan heb. Zo’n maand, omdat ik het in mijn bibliotheek bij de cursiefjesbundels geplaatst had (waar ook het meeste werk van Bomans te vinden is) en ik al vele jaren de gewoonte heb mijn vriendin na het ontbijt op zondag lastig te vallen met het vóórlezen van cursiefjes (ze doet daar niet moeilijk over, dus houd ik daar niet mee op). En dat voorlezen, is dan weer iets wat ik nu ook weer niet de hele zondag kan doen, dus kan het een tijdje duren voor zo’n boek uit is, zelfs al is het, zoals in dit geval, slechts een tweehonderdtal bladzijden dik. Maar... Van mens tot mens is geen bundeling van cursiefjes, het is een bundeling van – zo geeft de cover ook aan – “nagelaten werk”, de eerste bundeling van die aard, uitgegeven door Elsevier in 1973. De volgende bundelingen zouden Thomas Robert Spoon en Een mooie tijd (oorspronkelijk voorzien onder de titel Een goede tijd) gaan heten, maar de motivatie van de drie uitgaves staat ook al vooraan in de eerste: “Talrijke korte stukken, essays en interviews van Godfried Bomans, in kranten en tijdschriften verschenen tussen het jaar 1945 en zijn overlijden op 22 december 1971, werden tijdens zijn leven niet gebundeld [dat zou ook onmogelijk geweest zijn gezien hij doorging met publiceren tot het einde van dat leven, noot van mij]. Het lag wel in zijn bedoeling zulks te doen en hij had, in die zin, enkele plannen ontworpen”. Waarbij een van die plannen “een bundel interviews en hier en daar verspreide stukken over markante persoonlijkheden” was, een plan dat uiteindelijk uitdraaide op Van mens tot mens, “interviews, verspreide stukken en een reeks artikelen over Lodewijk van Deyssel”.

Die “reeks artikelen over Lodewijk van Deyssel”, waaronder een vraaggesprek overigens, is (met hier en daar een duidelijk zichtbaar wordende herhaling tot gevolg) samengebracht onder het hoofdstuk Mijnheer Thijm, Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm being de echte naam van schrijver Lodewijk van Deyssel, een van de Tachtigers, en, net zoals Bomans dat lange tijd was, inwoner van Haarlem. Die “reeks artikelen”, negen exemplaren in totaal, vormt daarmee ook het thematische deel van het boek. Een thematisch deel waaruit telkens weer blijkt dat Godfried Bomans Lodewijk Van Deyssel werkelijk een warm hart toedroeg, zelfs al was hij verre van kritiekloos wat de auteur in de mens betrof – iets wat zich onder andere uit in Oratorio aan Lodewijk van Deyssel - en staan niet al de verzamelde artikels in dit hoofdstuk op hetzelfde niveau. Ik ben geneigd dat laatste op de bijna volstrekte afwezigheid van humor in de, voor zover ik dat kan inschatten, oudste stukken te steken, maar aan de andere kant ontbreekt die humor ook in veel van de onder het hoofdstuk Ontmoetingen met mensen en boeken verzamelde artikels en zijn die er niet minder boeiend om geworden. Misschien is het dan ook niet die afwezigheid van humor, maar een té groot respect voor het onderwerp, dat in de eerste artikels wat wringt. Een probleem dat duidelijk volledig opgelost was toen Bomans zich aan het schrijven van Herinnering aan Lodewijk van Deyssel zette (misschien omdat die toen al overleden was), een artikel dat samen met Anekdoten rond Thijm en Over de aandacht van Thijm het beste in dit deel vormt en aantoont dat kunnen lachen om iemand niet betekent dat men dat respect laat varen. Een citaat als dit mag daar, zelfs los van het feit dat Bomans daarin in hoofdzaak zichzelf op de hak neemt, getuige van zijn: “De indruk was verpletterend. Niemand zei wat. Het geweldige hoofd met de machtige kin voorwaarts gericht, de handen diep in de zakken van zijn grijze jas, rukte Van Deyssel dwars tegen de regen op naar het westen. Het aanduiden van de door hem gekozen richting met ‘het westen’ komt mij bij zulk een reusachtige verschijning gepast voor, al kan men ook zeggen dat hij naar Overveen liep om een sigaar te kopen. Beide opvattingen zijn verdedigbaar, maar de eerste is de meest juiste, omdat wij ons hier in de epische orde bevinden. In de mythologie wordt niet gewinkeld. Ook Achilles had kunnen voorbijkomen en dan had ook hij zich westwaarts voortbewogen. De bestemming van dergelijke figuren kan alleen door het bepalen van hemelstreken worden aangegeven.”

Omdat ook voor de rest de artikels Herinnering aan Lodewijk van Deyssel, Anekdoten rond Thijm en Over de aandacht van Thijm bijna volledig citerenswaardig zijn, houd ik het wat het hoofdstuk Mijnheer Thijm betreft verder op nog één citaat (in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, nietwaar?): “Thijm zag scheel. Ik aarzel eigenlijk met dit te zeggen, niet omdat zoiets verzwegen moet worden, maar omdat ik eraan twijfel of een dergelijke graad van scheelheid nog onder het begrip loensen valt. De gebruikelijke scheelheid is immers op te vatten als een min of meer mislukte poging om recht te kijken, terwijl de onderlinge afwijking van Thijms ogen elk streven in die richting bij voorbaat uitsloot. Hij had eenvoudig twee gezichtsvelden, die slechts in een gering segment samenvielen en voor het overige een volstrekt gescheiden deel van de schepping bestreken. Hij zag hierdoor ook veel meer dan andere mensen en men moest daar terdege rekening mee houden. Knipoogjes van omstanders werden, ook als deze zich zijwaarts van Thijm voltrokken, terstond opgemerkt en uitdrukkelijk gesignaleerd. Hij zei dan, zonder zich tot de schuldige te wenden, recht voor zich uit: ‘Ik neem u waar’, wat een spookachtige uitwerking had. Wie tegenover Thijm zat, bevond zich echter niet in de noodzaak een keuze te maken. Bij gewone scheelheid bestaat die moeilijkheid wel: men dient dan te besluiten tot welk oog men zich richten zal. Bij Thijm viel dit probleem weg. Het ene oog was op u gevestigd, terwijl het andere door het raam naar buiten keek.” Tot dan toe een quasi louter humoristisch vaststellen van een fysiek fenomeen, dit citaat, maar dan komt iets wat ook tekenend is voor het volgende hoofdstuk, Ontmoetingen met mensen en boeken, zijnde een tekststuk waarin Bomans blijk geeft van het diepgaand schouwen in de mensen waarover hij het heeft: “Ik geloof dat deze afwijking, die juist in het centrum van zijn begaafdheid (hij was een ogenmens), gelegen was, van beslissende betekenis moet zijn geweest voor de vorming van zijn eigenaardige persoonlijkheid. Zijn wonderlijke maniërisme, het voortdurend inwendig besturen van alles wat hij deed, de aanhoudende bewustheid waarmee hij ook zijn geringste handelingen begeleidde, men kan die niet verklaren als men dit centrale feit buiten beschouwing laat. Nu kan men zeggen dat in het werk van Thijm hiervan toch maar niets te bespeuren valt. Het is inderdaad waar dat het opvalt. Het is moeilijk aan te nemen dat een auteur die als geen ander zijn aandoeningen tot in de verste vertakkingen heeft vastgelegd, juist deze bron van emoties in het midden van zijn bestaan niet zou hebben opgemerkt. Dit is dan ook niet het geval. Thijm schreef daaromheen en dit voortdurend ignoreren groeide ook tot een houding in het dagelijks leven die door velen als ‘bestudeerd’ veroordeeld werd. Als vaststelling is dit juist, als vonnis niet. Thijm moest iets doen met die vreemde zoeklichten, die ieder hun eigen bundel de wereld inwierpen. Ik weet niet of het u is opgevallen, maar in dit stuk [het hele artikel, noot van mij] heb ik driemaal vermeld dat Thijm de blik neergeslagen hield ofwel de ogen niet opsloeg, waarbij ik nog het gefingeerde ‘tranen’ beschreven heb. Dit verhullen van een zo centraal gebrek gaf aan zijn optreden die gesteven weloverwogenheid die zich ook in zijn stijl van schrijven openbaarde, want werk en leven zijn één. Ik geloof trouwens dat iedere kunstenaar, ook een zo uiterst mededeelzame als Van Deyssel, creëert vanuit een verzwegen plek.”

En dan dus dat al twee keer genoemde volgende hoofdstuk, Ontmoetingen met mensen en boeken. Mensen zijnde Maria Sibylla Merian, Jan Klaassen, Herbert George Wells (van wie ik eerder De oorlog der werelden besprak), Nicolas Beets (de auteur van de Camera Obscura, voor wie Bomans ook al een enorme fascinatie aan de dag legde), Ignace Wils, Minus Oostrijk, Gilbert Keith Chesterton (wiens aan de avonturen van Father Brown gewijde bundel ik in 2021 besprak), Willem Bilderdijk, Felix Rutten, Simon Carmiggelt (van wie ik veel meer boeken gelezen heb dan ik er besprak), Wim Sonneveld, Johann Peter Eckermann, en Franz Kafka (van wie ik in 2022 de Kleine vertellingen heb besproken).

‘Maria Sibylla Merian?’, hoor ik u al vragen. ‘Ignace Wils?’ ‘Minus Oostrijk?’ ‘Johann Peter Eckermann?’ Misschien zelfs: ‘Felix Rutten?’. En: ‘Jan Klaassen, is dat die van de poppenkast?’

Om met die laatste te beginnen: ‘Ja, dat is die van de poppenkast.’ En dat beantwoordt ook de centrale vragen in het stuk Jan Klaassen en Katrijn, de poppenkast op de Dam: “Maar wie heeft dan die oude geschiedenis het aller-, állereerst verzonnen? Wie bedacht de figuur van Pierlala (de dood), van Jan Klaassen, de bedrogen echtgenoot en lachende wijsgeer, en van Katrijntje, zijn kijvend wijf? Wie stond hier het eerst op de Dam, vóór de grootvader van de ‘oude Kabalt’ en vóór zelfs diens vader geboren was?”

En Felix Rutten, over wie Bomans het heeft in het artikel De lege stoel? Dat was een – op dezelfde dag als Bomans overleden – (Nederlands-)Limburgse schrijver over wie de auteur het ook al had in Wandelingen door Rome en over wie hij hier onder andere schrijft: “(…) Felix Rutten woont in een tuinhuisje aan de Tiber. Door het ene raam ziet hij de koepel van de Sint-Pieter, door het ander het ondergoed van enige belendende religieuzen aan de drooglijn. Tussen beide aspecten van kerkelijk leven staat zijn tafel en stoel. Hier schrijft hij zijn gedichten, die niemand te lezen krijgt, omdat ze hemzelf genoeg zijn. Hij doet dit al vijftig jaar en er mag geen dag verloren gaan.”

Johann Peter Eckermann dan, de ‘arme van geest’ uit het artikel Zalig de armen van geest? Hij was de man die de Gespräche mit Goethe neerpende, een boek waarvan Bomans schreef dat hij het iedere zomer las, “omdat het ‘t ‘op de plaats rust’ als geen ander markeert”, een man over wie in de Goethe-literatuur doorgaans geschreven werd (en wordt, misschien, ik ben niet thuis in de literatuur over Johann Wolfgang von Goethe en heb van hemzelf ook nog niet meer gelezen dan Faust 1 en 2, al heb ik in het Duits wel zijn verzameld werk staan) dat hij “een glasplaat [was], een schone vensterruit en (…) het licht ongehinderd door[liet]”, dat hij “zich niet weg [hoefde] te cijferen” omdat hij “niets [was]”, een stelling die Bomans ten gronde betwist: “Afgezien nog van de volharding en trouw, die er nodig zijn om een dergelijke notulering negen jaar vol te houden, ziet men daarbij een gave over het hoofd, die in het algemeen weinig wordt opgemerkt, juist omdat zij zo zelden wordt aangetroffen en bovendien de schijn van negativiteit in zich bergt: het vermogen om in een ander volledig te geloven. Men vergeet dat deze faculteit, die wat laatdunkend met het woord ‘verering’ wordt aangeduid, in de bezitter ervan een geest veronderstelt, die ontvankelijk is voor het hem gebodene en dus daarmee verwantschap vertoont. Bewondering berust op affiniteit. Niemand ziet naar een ander op, of hij moet, zij het slechts in kiem, de mogelijkheid van die ander in zich dragen. En het is deze verwantschap, die Eckermann siert en Goethe zag. Men komt er niet met Eckermann als een nul te beschouwen. Hij was een potentieel getal, Goethe begreep dit. Hij telde het cijfer op dat hij had kunnen worden, als het lot deze misdeelde wat gunstiger had toegelachen, en behandelde de som als een reële uitkomst. Hij las de onzichtbare inkt van diens mogelijkheden en maakte deze ook voor Eckermann leesbaar.” Waaraan Bomans nog toevoegt: “Had Goethe nu geleefd, hij zou geen Eckermann gevonden hebben. Hij had louter genieën ontmoet en de stoel van Johann Peter was onbezet gebleven, omdat ze allen in die van Goethe hadden plaatsgenomen. Geen van hen had hij aangetroffen in de staat van dienstbaarheid die voor dit boek een voorwaarde is, niemand hunner was eenvoudig genoeg geweest om iets zo gecompliceerds te maken.”

En Ignace Wils? “(…) een late middeleeuwer”, “De held van Igualada”, de beschrijvingen die Bomans gebruikt in de titel van het aan hem gewijde artikel zullen u wellicht nog niet veel verder helpen, maar Ignace Marie Petrus Wils schopte het tot “kolonel van het bataljon der Carlistische zoeaven” en stierf in die hoedanigheid bij de in 1873 tussen Carlisten en Republikeinen gevoerde gevechten om Igualada (Catalonië). Een ook in Ravenstein, zijn geboortestad, allicht grotendeels vergeten figuur, al loopt er op het moment dat ik deze boekbespreking schrijf wél een tentoonstelling (nog open tot eind januari 2026) rond hem en zijn broer August onder de naam Zouaven Ravenstein, daarmee (al gaat de geschiedenis rond Ignace Wils dus ook nadien nog verder) aandacht bestedend aan het Pauselijk Zouavenkorps dat van 1861 tot 1870 vrijwilligers van overal ter wereld verenigde ter verdediging van de onafhankelijke Kerkelijke Staat.

Minus Oostrijk? Een postbode die Vincent van Gogh nog persoonlijk zou gekend hebben, maar waarvan ik op het internet geen spoor terug vind en waarvan ik na lezing van het artikel Echte Van Gogh in jutezak? ook niet zeker ben dat hij niet ontstaan is in de fantasie van Bomans, een artikel waarvan ik u desalniettemin de conclusie niet wil onthouden: “Wij weten nu, de ganse rivier van dit leven [dat van Van Gogh dus, noot van mij] overziende, dat Etten niet meer dan een schutsluis was, een voorbereiding tot hoger vaart, maar de sluiswachters wisten dit niet en konden dit ook niet weten. Daarom is het goed, één van hen te spreken. Wij zien een ogenblik de concrete Van Gogh, vóór het abstracte, uit alle bekende bouwstenen gecomponeerde en ons zo vertrouwde reuzenbeeld. En het stemt ons tot behoedzaamheid in het beoordelen van hen, die onze tijdgenoten zijn en die wij slechts kennen in een fase van hun ontwikkeling.”

En, ten slotte, voor we aan de bekendere figuren beginnen, Maria Sibylla Merian? Een vrouw naar wie recent in Amsterdam een brug werd genoemd, auteur van het in 1705 verschenen boek Metamorphosis insectorum Surinamensium, een van zestig kopergravures voorzien werk waarin ze de levenscycli beschrijft van insecten in Suriname (waar ze daartoe twee jaar verbleef), maar waarvoor (nu, in tijden waarin in het bijzonder aandacht besteed wordt aan vrouwen in de kunst en de wetenschap, misschien meer) nauwelijks belangstelling was (geweest) toen Bomans zijn artikel over haar schreef. En dat terwijl, zoals het óók getiteld is, Over de Voort-teling en Wonderbaerlyke Veranderingen der Surinaemsche Insecten. Beneffens de Gewassen daer ze op gevonden zijn. Waer in ook de wonderbaere Padden, Hagedissen, Slangen, Spinnen en andere seltsame Gediertens worden vertoont en beschreeven. Alles in Amerika door M.S. Meiraen naar het leeven en levensgrootte Geschildert en nu in ‘t Kooper overgebracht “een schok door gans Europa [gaf]. En van buiten de grenzen reden de karossen der rijke verzamelaars voor de onaanzienlijke woning in de Kerkstraat (tussen Leidsestraat en Spiegelgracht) waar de vrouw, die dit alles in stilte schiep, in een armstoel zat, verlamd en uitgeput”. “Haar faam smeulde voort tot in de eerste helft der negentiende eeuw,” schrijft Bomans nog, “en doofde toen. En ik durf geloven dat het merendeel mijner lezers eerst door deze schets haar naam vernomen heeft. Want in onze vaderlandse geschiedenis gaan vlootvoogden en regenten vóór, en in de schaduw van hun roem wachten nog tientallen op onze genegenheid.”

Is dit een behoorlijk lange boekbespreking aan het worden? Ja, dat is het. Maar dat valt gezien de aard van het werk ook niet als… eigenaardig te beschouwen. Over dus naar de bekendere figuren, waarbij u alvast de sjans heeft dat ik in Een kampioen van het menselijk geluk – In memoriam H.G. Wells, geschreven kort na diens overlijden in augustus 1946 dus, niks als te citeren heb aangeduid. Niet omdat er niks interessants in staat, maar omdat het me allemaal al bekend was (wat dus allicht ook geldt voor al wie de jongste jaren wat biografische gegevens over Wells gelezen heeft).

Wat Hildebrand betreft zou ik me er dan weer kunnen van af maken met een verwijzing naar Merkwaardigheden rond de Camera Obscura, het boek waarin zeventien stukken van Bomans over dat boek en de auteur ervan gebundeld werden, maar ik geef u toch even de conclusie van Bomans’ gesprek met de dochter van Beets mee: “Het kon vader niet veel schelen. Maar het verdroot hem wel eens, dat de mensen altijd over zijn Camera spraken, alsof hij na zijn 25ste jaar niets anders zou geschreven hebben. Men kent zijn preken, zijn wetenschappelijke verhandelingen op het gebied van taal en letteren en vooral zijn verzen niet. Daarmee doet men hem nochtans onrecht. Hijzelf schreef eens: ‘Mijn leven is in mijn Camera, mijn hart in mijn gedichten.’ Maar dat hart heeft voor velen vergeefs geklopt.”

En dan Simon Carmiggelt. Het ‘gesprek’ tussen hem en Bomans in Simon Carmiggelt 50 jaar had ik, me dunkt, ook al eens ergens gelezen en is duidelijk gefingeerd, maar het is hilarisch als Bomans op zijn best. Ik beperk me bijgevolg tot het weergeven van een klein stukje er uit: “Carmiggelt is dan, om met de deur in huis te vallen, een goede vijftiger, nog vol geestkracht en plannen voor de toekomst, met de levendige gelaatstrekken van iemand, die veel te zeggen heeft, maar wel zo wijs is om dat niet te doen. Kin, neus en oren verraden in hun krachtige snit een ondernemend karakter, maar de melancholieke ogen hebben allang besloten daar geen gebruik van te maken. De mond is delicaat gevormd en ook zijn maat schoenen blijft beneden het nationaal gemiddelde. Opmerkelijk is ook het spel van zijn handen. Ik kom daar misschien dadelijk op terug. Het breed gewelfde voorhoofd schept verwachtingen, die in de loop van het gesprek niet geheel worden ingelost, want Carmiggelt modelleert zijn mededelingen naar het bevattingsvermogen van degene, die tegenover hem zit. Het aan de slapen reeds grijzende haar wekt een vermoeden van leed, dat eveneens ongegrond blijkt. Kwam je hem op straat tegen, dan zou je denken: die jongen heeft het moeilijk, maar zie je hem thuis, dan is het best uit te houden, ben je mal, we zijn allemaal maar mensen en morgen komt er weer een dag.”

Een mening die Gilbert Keith Chesterton ongetwijfeld zou gedeeld hebben. Uit Bomans’ stuk over hem, G.K. Chesterton – Over een argeloze detective, waarin het overgrote deel van de aandacht dus naar de eerdergenoemde Father Brown gaat, zou ik wel wíllen citeren, maar ik kan het niet omdat ik dan tot mijn spijt de rest van de tekst niet mag citeren en het hele stuk gewoon groots is. Een mooie aanvulling op Gaston Durnez’ De lach van Chesterton ook, al dateert het boek van Durnez uiteraard van later.

Wat dan weer De sleutel tot de figuur Bilderdijk – Bij de herdenking van zijn geboortedag betreft, houd ik het bij twee stukjes tekst en het feit dat de ‘sociëteit’ die Bomans samen met een aantal anderen in Haarlem stichtte, Teisterbant genaamd, werd vernoemd naar diezelfde Bilderijk, die zichzelf als graaf van Teisterbant beschouwde: 1) “Men kan uitstekende wijn drinken en toch slechte gedichten schrijven. Ook de omgekeerde werkwijze is mogelijk en wordt hier herhaaldelijk toegepast”; 2) “Bilderdijk was, ofschoon hij slechte verzen schreef, een groot en waarachtig dichter. Hij dichtte de enorme gaten, die de realiteit openliet en schiep aldus een dijk, die tot ver in de Helleense oertijden doorliep: een Bilderdijk. Dit is: een dijk van beelden. Dat wij daarmee niet wensen ingepolderd te worden en hem, vergeleken bij onze eigen poëtische ingenieurs, als een Leeghwater beschouwen, doet niets af aan het feit dat hij eens grote provincies van ons nationale geestesleven heeft drooggelegd.”

Wat niet het soort bezigheid was waarmee Wim Sonneveld zich doorgaans onledig hield. In tegendeel, de tranen stroomden soms door de zalen waar hij optradt. Tranen van het lachen, wel te verstaan. Al waren er ook, misschien vooral, bij zijn ‘frater Venantius’ droeftoeters die het helemaal niet leuk vonden. Iets waarover Bomans schrijft: “Al die mensen, die in paniek raken omdat er een religieus is belachelijk gemaakt hebben niet begrepen, dat ‘frater Venantius’ in het ootje is genomen, niet als religieus, maar als cabaretier. Sonneveld zal er niet aan denken een kloosterling in zijn roeping aan te tasten; maar zodra de man als artiest gaat optreden, wordt hij kwetsbaar. Hij komt dan op het terrein van Wim Sonneveld, die volledig het recht heeft hem als zodanig te beoordelen. Dit oordeel was vernietigend. Wie nu meent, dat hiermee de kloosterstaat is beledigd en het katholieke geloof besmeurd, heeft totaal niet begrepen in welke functie frater Venantius is aangepakt. Dadelijk krijgen we misschien voetballende broeders. Moeten we dan vol eerbied op de tribune dat gelepel bekijken? Nee, zodra een kloosterling dat broekje aantrekt verliest hij de bescherming van zijn habijt en wordt hij naar zijn balcontrole beoordeeld. De mening dat fraters, wat ze ook doen, altijd in de eredivisie thuishoren, berust op een misverstand.”

Waarna alleen nog De Weense ambtenaar overblijft, Franz Kafka dus, of toch de Gespräche mit Kafka die Gustav Janouch in 1947, meer dan twee decennia na Kafka’s dood, optekende, Gespräche waaruit Bomans citeert. Citaten citeren lijkt me echter net wat te ver te gaan, dus laat ik dat maar achterwege. We moeten het immers ook nog over het derde deel van dit boek hebben, Interviews. Een “met de acteurs Paul Steenbergen en Myra Ward”, een “met minister J. Luns” (Ten huize van het echtpaar Luns), een “met prof. dr. Max Euwe”, en een “met Jan Foudraine” (De psychiatrie op de helling).

Even dacht ik u te kunnen verblijden met het ‘nieuws’ dat u Paul Steenbergen misschien kende als kapelaan De Goey uit Ciske de Rat, maar de Ciske de Rat waarin Steenbergen speelde, dateert van 1955, dus die kans is vrij klein. Myra Ward was zijn vierde echtgenote en zal wat het grote publiek betreft misschien nog het bekendst geworden zijn als Tante Adèle Takma uit de tv-serie Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan (uiteraard gebaseerd op de gelijknamige roman van Louis Couperus), maar die ligt intussen ook al vijftig jaar achter ons, dus is ze u wellicht even onbekend als Paul Steenbergen. Dat hoéft geen beletsel te zijn om uit dat vraaggesprek te citeren, maar gezien er – mijns inziens – niet echt iets van eeuwigheidswaarde in staat, doe ik dat niet. Iets wat ook geldt voor het vraaggesprek met Joseph Luns, al zou die kort nadien secretaris-generaal van de NAVO worden, Max Euwe, wereldkampioen schaken van 1935 tot 1937, en psychiater Jan Foudraine, destijds bevallen van zijn eerste boek Wie is van hout? en nadien ook bekend geworden als Swami Deva Amrito. Ik ga niet zeggen dat die vraaggesprekken niet hadden moeten opgenomen worden in dit boek – de uitgever was per slot van rekening bezig met het bundelen van nagelaten werk -, maar de werkelijkheid heeft simpelweg de neiging vijftig jaar later minder interessant te zijn dan de fictie, en vraaggesprekken verliezen zelfs nog sneller aan belang. Ze zijn immers bij uitstek het soort momentopname waarop Bomans ook alludeert in het eerder genoemde stuk Echte Van Gogh in jutezak?.

Ondanks dat laatste deel echter zeker een aanrader, dit Van mens tot mens.

Björn Roose