Posts tonen met het label Boris Pasternak. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boris Pasternak. Alle posts tonen

vrijdag 8 december 2023

Russische verhalen van deze tijd – Diverse auteurs (boekbespreking door Björn Roose)

Russische verhalen van deze tijd – Diverse auteurs (boekbespreking door Björn Roose)
Wie niet weet wat goed voor hem is en dus vastzit in onze eigen tijd, ‘denkt’ bij het lezen van de titel Russische verhalen van deze tijd misschien aan, pakweg, Oekraïne of Poetin, maar heeft dan geen rekening gehouden met het (bij mijn vaste lezers normaal gezien bekende) feit dat ik al heel lang geïnteresseerd ben in Russische literatuur en voornamelijk ‘oude’ boeken in mijn collectie heb zitten. Dat laatste geldt ook voor dít boek: het dateert uit 1963. En de verhalen die erin staan, zijn door de band genomen nog wat ouder. De auteurs van de in dit boek verzamelde verhalen waren in meer dan de helft van de gevallen zelfs toen al overleden: Boris Pasternak (1890-1960), Isaak Babel (1894-1941), Michail Zosjtsjenko (1895-1958), Boris Levin (rond 1900, rond 1940), Ilja Ilf (1897-1937), Jevgeni Petrov (1903-1942), en Joeri Ol(j)esja (1899-1960). Alleen Leonid Leonov (1899-1994), Michail Sjolochov (1905-1984), Vera Inber (1893-1972), Viktor Nekrasov (1911-1987) en Joeri Kazakov (1927-1982) leefden nog op het moment van de uitgave bij Prisma-Boeken, maar hun verhalen dateerden al uit respectievelijk 1930, 1926, 1925, 1960 en 1957/1959 (van Kazakov staan er twee in de bundel), dus ook de jongste verhalen zijn intussen bijna vijfenzestig jaar oud. Om maar te zeggen dus dat “deze tijd” nogal relatief is. Zélfs binnen deze bundel. Want eigenlijk bestaat “deze tijd”, zoals inleider en vertaler Jeanne Liedmeier meegeeft, uit “twee perioden Sovjet-letterkunde”: “de tijd voor Stalins dictatuur en de betrekkelijk korte periode na zijn dood”. Niet uit de tijd ván Stalins dictatuur? Nee, “de tussenliggende jaren (1934-53), waarin de literatuur een toppunt van ‘partijdigheid’ bereikt, vormen artistiek bekeken een dieptepunt”.

Wat zeker niet kan gezegd worden van de kortverhalen in deze bundel. Daar zijn er bij van dertig en veertig bladzijden, en ook van vier en zelfs twee bladzijden, maar de kwaliteit ervan – ook in vertaalde vorm – is steeds hoog. Ze ademen Rusland, zoals dat heet, ze zijn zelden kosmopolitisch te noemen, en tegelijkertijd zijn ze vaak bijna poëtisch. Goed, het verhaal van Boris Pasternak uit 1918, Brieven uit Toela, moet je wellicht een tweetal keer lezen om het helemaal te vatten, maar hoe mooi is bijvoorbeeld deze passage wel niet?: “Terwijl deze regels geschreven werden, flitsten laag langs de spoorbaan kleine lichtjes aan: beginnend bij de hokjes van de wisselwachters schoven ze langzaam langs de rails. Hier en daar klonken fluitsignalen van locomotieven. IJzer ontwaakte, kettingen die zich stootten, gilden het uit. Heel zachtjes gleden wagons langs het perron: zij schoven een hele tijd voort in een eindeloze rij. Achter hen zwol de nadering van iets zwaar ademends, onbekends, nachtelijks. Daar eensklaps, pal achter de locomotief, het vrijkomen van de spoorbaan volgde, het opdoemen van de nacht aan de horizon van het lege perron, het vallen van de stilte over het uitgestrekte terrein van semaforen en sterren, - het doorbreken van landelijke rust. Het was of dit ogenblik achter in de ronkende goederentrein zat, naderkwam onder de lage overkapping en weggleed.”

Ik krijg daarvan toch onmiddellijk zin om Pasternaks Dokter Zjivago te gaan herlezen, maar dat boek zit, in tegenstelling tot deze bundel, helaas niét in mijn boekenkasten. Net zomin als verder werk van Leonid Leonov, in deze bundel present met het uit 1930 daterende melancholische, maar tegelijkertijd kafkaiaanse, verhaal Ivans avontuur: “(…) dit voorval had nu juist plaats in het gruwelijke jaar waarin de oorlog plotseling werd afgebroken. De wereld was als een ziek dier dat over de grond rolt en krampachtig in de aarde bijt die het met zijn eigen bloed vergiftigd heeft. Waanzinnig van verlangen om hun huis en gezin terug te zien en een nieuw leven te beginnen, verlieten de soldaten het front en zwierven in vijandelijke benden het land door. Ze trokken alle dagen voorbij, want het dorp waarin Ivan Jezjigov woonde, lag aan een grote weg. Deze liep over een hoge heuvel; bij het vallen van de avond zag men sombere gestalten zich aftekenen tegen de kale rode hemel. Met het hoofd gebogen sleepten zij zich voort, vol van wrok, beladen met een geweer dat zij voor mogelijk gevaar steeds bij zich hielden. Die dreigende figuren, onheilspellende voorboden van ellende, joegen de boeren, als ze soms even het dorp ingingen om brood en water te halen, de schrik op het lijf; alleen Ivan, in zijn ondoordringbare stilte als in een vesting opgesloten, werd hierdoor niet beroerd…”

Isaak Babels verhalen Brief (uit 1924) en Geschiedenis van een paard (uit 1920) spraken me dan weer niet zo aan, maar waar Michaïl Sjolochovs verhaal Het veulen (uit 1926) me in eerste instantie deed denken aan een ander kortverhaal (waarvan ik de auteur kwijt ben) dat volledig verteld werd vanuit het standpunt van het paard zelf, evolueert dit tot een liefdesverhaal tussen mens en dier, ‘tot de dood ons scheidt’. Doen moet u het in deze boekbespreking echter met de eerste alinea: “Op klaarlichte dag, naast een mesthoop met smaragdgroene vliegen, kwam hij uit het moederlijf gekropen, de kop het eerst, daarna de gestrekte voorpoten. Vlak boven zich zag hij het ijle grijze wolkje van een granaatontploffing, dat zich snel oploste; toen hij een snerpend gieren hoorde, verborg hij zijn vochtig bovenlijf onder de buik van zijn moeder. Ontzetting was zijn eerste gewaarwording hier op aarde. Een stinkende kartetsenhagel kletterde neer op de dakpannen van de paardestal en raakte even de grond zodat Trofims roodbruine merrie, de moeder van het veulen, overeind kwam. Ze hinnikte kort en drukte daarna opnieuw haar bezwete flanken tegen de beschermende mesthoop.” Ik vernoemde Sjolochov in mijn bespreking van Russische wijsheid als een van de “meelopers” van Stalin, wat hij ook was, maar als de rest van zijn debuutbundel Donskieje Rasskazy, waaruit ook Het veulen afkomstig is, even goed geschreven is als dit verhaal, dan is die bundel eveneens het lezen waard.

En dan is er Luitenant Smetname (1930) van Joeri Tynjanov. Met dertig bladzijden een van de langste verhalen uit deze bundel kortverhalen, maar hoe dan ook, en dat de volle dertig bladzijden lang, ook het meest kafkaiaanse verhaal van de zestien. Ik kan u uiteraard niet de hele plot meegeven, maar als ik u zeg dat luitenant Smetname niet bestaat en toch een van de twee hoofdrollen in dit verhaal speelt, waarbij iedereen zichzelf wijsmaakt dat hij wél bestaat, dan zou uw interesse moeten gewekt zijn. De tweede hoofdrol is overigens weggelegd voor een andere luitenant Sinjoechajev, die dan weer doodverklaard wordt zonder dat te zijn: “Plotseling hoorde hij zijn naam noemen en hij bewoog zijn oren zoals een paard dat door een onverwachte zweepslag in zijn rust gestoord wordt. ‘De aan koorts overleden luitenant Sinjoechajev wordt geacht uit de dienst ontslagen te zijn.’ (…) Het kwam geen moment bij hem op dat er een fout in het bevelschrift was geslopen. Integendeel, het scheen hem toe dat het te wijten was aan een vergissing, een nalatigheid, dat hij nog leefde. Het was een fout van zijn kant geweest dat hij niets gemerkt en aan niemand iets gemeld had.”

De verhalen van Michaïl Zosjtsjenko, Provinciale geneugten (uit 1925) en Woningnood (uit een niet vermeld jaar), zijn dan weer té kort om er u iets uit te kunnen citeren, net zoals Tolstojs laarzen (1929) van Boris Levin, maar ik kan u wel meegeven dat u zich niet op het verkeerde been moet laten zetten door de eerste alinea van Vera Inbers Ljalja’s belangen (1925): “De lift was oud en erg eenzaam in zijn ijzeren kooi. Door het voortdurend op en neer sjouwen langs de verschillende etages was hij verbitterd: de laatste tijd begon hij woest met zijn grendel te knarsen en bij het omlaaggaan zachtjes te huilen als een gewonde wolf. Soms weigerde hij helemaal dienst, bleef tussen de etages hangen en keek met norse blik naar de mensen die de trap op en af klommen.” Ljalja’s belangen is géén voorloper van een verhaal zoals u dat te zien kreeg in Dick Maas’ film De lift, noch is degene die de lift bedient zoals in Guy Didelez’ De man in de spiegel uit op moord.

Van Ilja Ilf en Jevgeni Petrov zijn wel aparte boeken verschenen, maar de twee die in deze bundel aanwezig zijn met De onderkoning van India (1931) zijn toch vooral als dusdanig bekend: als een duo. Een duo waarvan ik in mijn boekenkasten verder nog Twaalf stoelen zitten hebben, volgens Wikipedia “een van de meest succesvolle boeken uit de Russische literaire geschiedenis”, en dat in dit kortverhaal uit de mond van een would-be krankzinnige noteert: “In Sovjet-Rusland (…) is een krankzinnigengesticht de enige plaats waar een normaal mens het kan uithouden. Voor het overige is het er een compleet gekkenhuis. Nee, met de bolsjevieken kan ik niet samenleven. Dan voel ik me hier, bij gewone krankzinnigen, meer thuis. Die maken zich tenminste niet druk over de opbouw van de socialistische staat. Verder krijg je hier gratis de kost. Daar, in dat gekkenhuis van hen, moet je werken. Maar ik wil geen hand uitsteken voor de opbouw van hun socialistische staat. Hier geniet ik tenslotte persoonlijke vrijheid. Vrijheid van geweten. Vrijheid van het woord…”

Een aan duidelijkheid minder te wensen overlatende kritiek in ieder geval dan die van Joeri Olesja (of Oljesja, naargelang de bron) in het daaropvolgende De kersepit (uit 1929): “Het onzichtbare land is de wereld van de aandacht en de fantasie. De voetganger is niet alleen. Hij wordt aan weerskanten vergezeld door twee vrouwengestalten, twee zusters die hem bij de hand leiden. De ene heet Aandacht, de andere Fantasie. Wat betekent dat? Dat betekent dat ik, ondanks alles, ondanks de nieuwe sociale orde en de nieuwe samenleving, in staat ben een zelfstandige wereld te scheppen die alleen onderworpen is aan de fantastische wetten van mijn eigen gevoel.” Vaag misschien, maar de verschillen tussen de oude en de nieuwe wereld waren ook een vast thema in zijn werk en kennelijk was zijn kritiek in zijn in 1930 aan de openbaarheid prijsgegeven drama Lijst van weldaden toch duidelijk genoeg om dat door de censuur te laten verbieden en aan zijn literaire carrière een einde te maken. Hij leefde vervolgens nog dertig jaar, wat toch een stuk langer was dan Ilf (in 1937 overleden aan de gevolgen van in de Verenigde Staten opgelopen tuberculose) en Petrov (als oorlogsverslaggever neergestort boven Sebastopol in 1942).

Viktor Nekrasov, auteur van het op De kersepit volgende, veertig bladzijden lange De tweede nacht (1960) was dan wel nooit oorlogsverslaggever, maar werd toch vooral bekend vanwege de oorlogsboeken die hij na de Tweede Wereldoorlog als journalist schreef. Hij had dan ook gevochten in de Slag om Stalingrad. Desondanks is soldaat Ljonka Bogorad, het hoofdpersonage in De tweede nacht geen held. Of toch niet iemand die een held wil zijn: “Het begon al licht te worden, het liep tegen vieren, maar de vogels zongen nog niet en de vliegtuigen waren nog afwezig. Ofschoon dit juist de goede tijd was om naar het bataljon terug te keren, vond Orlik het jammer de slapende jongen die de stengun zo stevig tussen zijn knieën klemde, wakker te moeten maken. Of misschien vond hij het niet alleen jammer en stelde hij opzettelijk het ogenblik uit dat de jongen zou ontwaken, de ogen zou openen en hem aan zou kijken. ‘Tswirik, tswirik, tswirik…’ De eerste vogel liet zich horen. ‘Tswirik, tswirik…’ Ljonka huiverde, beet even op zijn lippen en ging op zijn rug liggen; toen krabde hij op zijn blote buik, streek even met zijn vinger langs zijn neus, gaapte en opende zijn ogen. En daarin lag op dit ogenblik niets dan kinderlijke verwondering, niets dan de weerspiegeling van de hemel en een ontzettend verlangen om te slapen. ‘Tswirik… tswirik… tswirik…’”.

Vogelgefluit dat heel anders zal geklonken hebben dan het geblaf van de blinde hond Arktoer in het daaropvolgende verhaal De jachthond Arktoer (1957) van Joeri Kazakov, wat niet belet dat dat laatstgenoemde verhaal, ondanks het feit dat er óók in geschoten wordt en dat het leven van Arktoer verre van van een leien dakje loopt, al even mooi geschreven is als dat van Nekrasov: “Op een gegeven ogenblik gingen bij alle welpen de ogen open en vol verrukking ontdekten ze dat er een wereld bestond die nog groter was dan die waarin ze tot nu toe geleefd hadden. Ook bij hem gingen de ogen open, maar het was hem niet beschoren het licht te aanschouwen. Hij was blind, grauwe staarvlekken bedekten zijn pupillen. Een hard en bitter lot stond hem, de blindgeborene, te wachten. Het zou een nog afschuwelijker lot geweest zijn als hijzelf zijn blindheid had kunnen beseffen. Maar hij wist niet dat hij blind was, voor hem was het niet nodig dat te weten. Hij aanvaardde het leven zoals het zich aan hem voordeed.”

De renegaat, het tweede verhaal van dezelfde Kazakov, gaat dan weer over een niet erg gelukkig koppel dat desondanks zijn – muzikale – hoogtepunten kent: “(…) ze zingen verder, hoewel ze voelen dat straks hun hart zal breken, dat zij stervend op het gras zullen neerzinken – en dan verlangen ze geen levenschenkend water meer, dan wensen ze niet meer op te staan na zo’n genot, na zo’n kwelling. Wanneer ze ophouden, uitgeput, volkomen leeggezongen, maar gelukkig, laat Jegor zwijgend zijn hoofd op haar knieën rusten, zwaar ademend; zij kust zijn bleek, kil gezicht en fluistert hijgend: ‘Liefste, liefste Jegoroesjka… Ik hou van je… je zingt zo verrukkelijk, zo wonderlijk mooi…’ ‘Och, allemaal larie…,’ wil Jegor zeggen, doch zwijgt. In zijn droge mond heeft hij een zoete smaak.” Kazakov werd, dixit Wikipedia, “vaak beschuldigd van pessimisme en ‘ziekelijke belangstelling voor zwakke, passieve figuren’”, maar als die belangstelling tot zo’n mooie resultaten leidt, mag dat al eens, toch?

Net zoals het alleen maar jammer kan zijn een vrije vogel als Komarov, in het afsluitende gelijknamige verhaal (1955) van Joeri Nagibin, in te perken: “Hij begreep niet waarom al die mensen zo’n drukte maakten, waarom ze zo klaagden en jammerden. Hij voelde zich machtig en rijk, hij wilde dat het iedereen goed ging. En toen de kleuterleidster naar hem toekwam, bood hij haar, met weids gebaar, grootmoedig zijn hele buit aan: een brandnetelstengel, twee groene denneappels en een nog levende kikvors.” “‘Wat heb je, Komarov?’ ‘Het gaat niet,’ zei Komarov. Hij stond op, deed een stap en viel weer. ‘Wat zou hij toch hebben?’ In de stem van de juffrouw lag wanhoop. ‘Zou het soms een zonnesteek zijn?’ De vriendjes van Komarov genoten; vrolijk lachend keken ze toe. Eén van hen zei tenslotte: ‘Nina Pavlova, hij heeft allebei zijn benen in één pijp gestopt!’ De kleuterleidster had zelf zeker nooit kinderen gehad, ze keek tenminste radeloos naar Komarov alsof ze niet wist wat ze met hem moest beginnen. Toen bukte ze zich en trok moeizaam en onhandig één been van Komarov uit de pijp. ‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg ze, terwijl ze zich weer oprichtte. ‘Ik wou het eens proberen!’ verklaarde Komarov kalm en welwillend.” Zei ik al dat deze bundel bol staat van de prachtige verhalen?

Björn Roose

dinsdag 27 april 2021

Groepsfoto met dame – Heinrich Böll (boekbespreking door Björn Roose)

Groepsfoto met dame – Heinrich Böll (boekbespreking door Björn Roose)
Een tijdje geleden besprak ik hier al Biljarten om half tien van dezelfde schrijver. Ik kan me dus weer eens de voorstelling van de schrijver besparen, maar kan er meteen wél bij zeggen dat Groepsfoto met dame een totaal ander boek is. Ja, uiteraard, denkt u nu wellicht, anders zou het toch weinig nut hebben het ene te lezen als je het andere al gelezen hebt. Maar da’s dan ook niet wat ik bedoel en dus handel ik ineens ook uw tegenargument af: met “een totaal ander boek” bedoel ik dat het totaal anders geschreven is. Als je zou zeggen dat hier een andere schrijver aan het werk geweest is, zou ik het geloven. Nu “moet” ik nog een derde boek van Heinrich Böll lezen, Meningen van een clown, maar zelfs als hij daarin niet nóg eens zo’n kameleon-act opvoert, durf ik stellen dat Böll een groot schrijver is en die Nobelprijs voor Literatuur dik verdiend heeft.

Kenners van het oeuvre van Böll zullen bij het lezen van de titels Biljarten om half tien, Groepsfoto met dame, en Meningen van een clown, misschien denken aan een omnibus uitgegeven door De Boekerij (Amsterdam) in een onbekend jaar en ze hebben daarin gelijk: ik heb eigenlijk maar één boek van Böll in mijn bibliotheek zitten, zijnde die in een onbekend jaar uitgegeven omnibus. Maar de verschillende verhalen daarin verdienen – en daarover is mijn mening na het lezen van het tweede dus zeker niet veranderd – elk een boekbespreking, vandaar.

En de dame uit Groepsfoto met dame verdiende dus een boek. Daarin speelt ze uiteraard de hoofdrol, maar speelt ze nauwelijks een rol. Ze is passief aanwezig, onderwerp van gesprek. Ze presteert niet, wil dat ook niet, en zelfs als ze de kans krijgt actief aanwezig te zijn, omdat de auteur haar die kans biedt, grijpt ze die niet. “Wie is eigenlijk Leni Pfeiffer, geboren Gruyten, de dame op de groepsfoto?”, vraagt de schrijver van het omslag zich af. “Deze vraag wordt beantwoord, niet doordat de 48-jarige, gevoelige en goedwillende Leni zelf naar voren treedt, maar doordat er over haar wordt gepraat, opgerakeld en geroddeld. Zo’n vijftig getuigen worden aan het woord gelaten.” En via die getuigen “trekt Heinrich Böll van leer tegen alles wat hij verkeerd acht in de maatschappij en legt hij de crisis in het mens-zijn bloot.” Mocht dat laatste u afschrikken, mocht u vrezen hier met een belerende, vingerwijzende, vingers in gapende wonden draaiende auteur te maken te krijgen, vrees dan niet langer: dat is niet het geval. Böll is eerlijk gezegd mild: mild voor pennelikkers, mild voor huisjesmelkers, mild voor partijcreaturen, mild voor rokkenjagers, mild voor mannenverslindsters, mild voor aanpakkers, mild voor mensen die zich drukken, mild voor ketters, mild voor nonnen, en mild voor zichzelf.

Voor zichzelf? Inderdaad, of toch minstens voor z’n alter ego, want Böll treedt als “schrijver” (schr.) veelvuldig op in z’n eigen verhaal. Hij “verhoort” de getuigen, hij reist van hot naar her, hij komt er af en toe – letterlijk – niet zonder kleerscheuren van af, hij is de samensteller van wat een klinisch verslag zou kúnnen zijn, maar dat niet geworden is. Hij is de agerende figuur, zelfs al bestaat dat ageren alleen maar in het luisteren naar en uithoren van anderen en brengt hij ook een, min of meer, afstandelijk verslag van zijn ander handelen als hij daartoe overgaat. Ik neem aan dat dat dat Böll niet alleen “post-war” maar ook “postmodern” maakt, maar dat zal me eerlijk gezegd worst wezen. De stijl werkt minstens voor Groepsfoto met dame; ik kan me er niet over uitspreken of hij voor nóg een boek misschien ook zou werken, eventueel op de zenuwen.

Over dat laatste gesproken: sla, mocht u ze in uw versie vinden, de inleiding van C.J.E. Dinaux, Een en ander over Leni en H.B. over, want die werkt wel degelijk op de zenuwen. Dinaux schreef kennelijk zelf gedichten en proza, “maar daarvan werd vrijwel niets gepubliceerd”. Terecht ook als het breedvoerige geleuter uit deze inleiding enige overeenkomst vertoont met de rest van zijn werk. Een zin als deze moge ter illustratie volstaan: “En hij is het des te meer en in het grootste van zijn schrijverschap doordat hij zijn thema krachtens de vormgeving ervan menselijk veralgemeende en zodoende een roman schreef die ten aanzien van plaats en tijd, van milieu en gebeurtenis, nu wel gesitueerd is in een tijdvak dat in zijn historische signatuur specifiek lijkt voor Duitsland tijdens enkele decenniën voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, maar – hoe paradoxaal dat ook schijnt – juist dóór het penetrante detail, door de intensiteit van de verbijzonderde gegevens, de menselijke situatie van deze tijd, deze crisis in het mens-zijn blootlegt, zó blootlegt dat men de zenuwen ziet trillen.” Als ik zoiets lees, dan gaan mijn zenuwen dus trillen en moet ik me verzetten tegen de neiging het boek dat ná die inleiding komt niét meer te lezen. Al goed dat ik een sterk karakter heb dus.

Zoals Leni Gruyten, het onderwerp van dat boek, maar dan zonder belangrijk genoeg te zijn om er een boek aan te wijden. Alhoewel, Böll (of z’n alter ego “schr.”) had z’n onderzoek naar Leni kunnen afronden na één paragraaf: “De vrouw die draagster is van de handeling in het eerste gedeelte is achtenveertig jaar, een Duitse; ze is 1,71 m lang, weegt 68,8 kg (in negligé) en ligt dus maar ca. 300-400 gram onder het ideale gewicht; ze heeft ogen die wisselen van donkerblauw naar zwart, ietwat grijsgeworden, heel dik, blond, loshangend haar; glad als een helm omgeeft het haar hoofd. De vrouw heet Leni Pfeiffer, ze is een meisje Gruyten van zichzelf; tweeëndertig jaar lang is ze, uiteraard met enige onderbrekingen, onderhevig geweest aan dat merkwaardig proces dat het arbeidsproces wordt genoemd: vijf jaar lang als ongeschoolde hulpkracht op het kantoor van haar vader, zevenentwintig jaar als ongeschoold arbeidster op een kwekerij. Doordat ze een aanzienlijk vermogen in onroerend goed, een voor onderverhuur geschikt, solide huis in het nieuwe stadsgedeelte dat vandaag de dag gemakkelijk vierhonderdduizend mark zou opbrengen, onder inflatoire omstandigheden lichtvaardig van de hand heeft gedaan, beschikt ze over nauwelijks voldoende middelen van bestaan sedert ze zonder enige reden en zonder daarvoor ziek of oud genoeg te zijn haar werk heeft opgegeven. Aangezien ze in 1941 eens drie dagen lang getrouwd is geweest met een beroeps-onderofficier van de Duitse weermacht, geniet ze een oorlogsweduwenrente; aanvulling hiervan door een sociale uitkering laat nog op zich wachten. We kunnen gerust zeggen dat het Leni momenteel – niet alleen in financieel opzicht – tamelijk beroerd gaat, vooral sedert haar geliefde zoon in de gevangenis zit.”

Dat Böll het niét bij die paragraaf gelaten heeft, maar vervolgens 350 bladzijden lang elk detail, elk stukje achtergrond, elk beetje gebrek aan kennis heeft ingevuld, is natuurlijk de hele essentie. Dat Böll dat, zoals gezegd, klinisch lijkt te doen, moge onder andere blijken uit zinnen als de volgende: “(…) volgens betrouwbare getuigenissen (getuige: Marja van Doorn) zit ze urenlang in haar huis te huilen, haar bindweefselzakjes en haar traanklierbuizen zijn volop in werking”. Op die tranen gaat schrijver later overigens nog door. Een aantal paragrafen over een hele rij emoties, vervolgens afgekort tot één letter en ook zo verder gebruikt in het boek, worden daar voorafgegaan door: “Aangezien schr. niet in staat is en zichzelf ongeschikt acht om te mediteren over tranen, kan men zich over het ontstaan van tranen, het chemisch en fysisch tot stand komen, het beste informeren in een naslagwerk dat men bij de hand heeft (...)”

Dat het verhaal Duits is en dat Böll geen moeilijkheden schuwt moge dan weer blijken uit, bijvoorbeeld, dit: “De buitenwereld zou Leni het liefst helemaal terzijde willen schuiven en zich van haar ontdoen; er wordt haar zelfs achternageroepen: ‘duvel op’, of ‘weg met jou’, en het is bewezen dat men er af en toe naar verlangt haar te vergassen, het verlangen daarnaar staat vast, of de mogelijkheid daartoe zou bestaan is schr. onbekend; hij kan er alleen nog maar aan toevoegen dat de wens heftig wordt geuit.” Of: “De stadswijk is ten gevolge van niet nader te onderzoeken toevalligheden van bommen verschoond gebleven, in ieder geval tamelijk verschoond; er werd maar 35 % verwoest, het lot was de buurt dus gunstig.” Of: “A.’s haar was objectief gezien – om zo te zeggen in kappersogen – verdomd mooi: dik, donker, met een natuurlijke golf. Dat het golfde gaf aanleiding tot talrijke speculaties, omdat het Pfeifferhaar – zoals bij Leni! – glad en strak was etc. etc. We kunnen als objectief vaststaand aannemen dat er vanaf de eerste dag van zijn geboorte te veel drukte werd gemaakt om deze Alois. Zoals precies overeenkwam met de Pfeifferse praktijken werd uit de nood snel een deugd gemaakt en ging hij door voor ‘onze zigeuner’, zulks alleen tot het jaar 1933, van toen af heette hij ‘klassiek westers-mediterraan’; schr. hecht waarde aan de constatering dat A. in geen geval een Keltisch type was, deze verkeerde duiding ligt voor de hand aangezien donker haar en lichte ogen bij de Kelten dikwijls voorkomen; A. miste gewoon – zoals nog zal blijken – de Keltische sensibiliteit en fantasie; wil men hem bepaald rassenkundig indelen dan verdient hij alleen de kwalificatie: mislukte Germaan.” Of, ten slotte: “Wat is dat voor een man, vraagt de steeds ongeduldiger wordende lezer zich beslist af, wat is dat voor een man die om zo te zeggen kuis leeft, aan oorlogsvoorbereidingen en aan de uitgebroken oorlog verdient, wiens omzet (volgens Hoyser) van ongeveer een miljoen per jaar in 1935 is gestegen tot een miljoen per maand in 1943 en die in 1939, als zijn omzet in ieder geval een miljoen per kwartaal moet hebben bedragen, alles in het werk stelt om te proberen zijn zoon te onttrekken aan die geschiedenis waaraan hij zelf rijk wordt?”

Dat het wel degelijk om een groepsportret gaat en niet alléén om de dame, moge ten slotte blijken uit het feit dat schrijver z’n getuigen à charge en à décharge bijna even goed beschrijft als de dame. Dat elk van die mensen op een of andere manier getuige is … getuigt immers van het feit dat hun leven beïnvloed is door de dame of haar leven door hen of beide door dat van de ander. Zo’n beetje zoals wijzelf ook beïnvloed worden door wat we lezen. En zoals wat we lezen beïnvloed wordt door onszelf. Zelfs onbewust, zo lijkt het af en toe, want eigenaardig genoeg bestaan er verbanden tussen boeken waar je die bij aankoop nooit zou vermoed hebben. Ik moest bijvoorbeeld héél sterk denken aan Amélie Nothombs De hongerheldin toen ik volgende passage las: “Leni was beslist in staat tot leren, ze had zelfs honger of dorst naar leren, en alle betrokkenen deden hun best haar honger resp. dorst te stillen. De geboden spijzen en dranken echter kwamen niet overeen met haar intelligentie, niet met haar aanleg, niet met haar opnamevermogen. In de meeste, we kunnen bijna zeggen in alle gevallen, ontbrak aan de aangeboden leerstof die zinnelijke dimensie zonder welke Leni niet in staat was iets te begrijpen. Schrijven bijv. gaf haar nooit de minste moeilijkheden, hoewel bij dit in hoge mate abstracte proces het tegendeel verwacht had kunnen worden, maar schrijven was voor Leni verbonden met optische, met tast- en zelfs met reukwaarnemingen (men denke aan de geuren van verschillende inkten, potloden, papiersoorten), en zo bracht ze het zelfs tot geslaagde gecompliceerde schrijfoefeningen en tot grammaticale finesse (…)”. Of aan Hondehart van Michail Boelgakov (en Dokter Zjivago van Boris Pasternak) bij volgende passage: “Intussen, terwijl Pelzer zijn rozen-zorgen had, liep Leni gevaar slachtoffer te worden van huisvestingsmaatregelen: de autoriteiten achtten de bezetting van een zevenkamerwoning-met-keuken-en-bad door in totaal zeven personen (meneer Hoyser sr., mevrouw Hoyser sr., Lotte met Kurt en Werner, Leni, Marja van Doorn) te gering.”

Nu, ik ben geen onmens (als u het boek ooit gelezen heeft of in de toekomst gelezen zult hebben – voor de duidelijkheid, ik heb me niét op de vooravond van Der Untergang gedistantieerd van wat dan ook - zal u weten waarnaar ik met die uitspraak verwijs), dus ga ik deze bespreking ook niet veel langer dan dit laten duren. Ik zou u nog kunnen wijzen op zéér sarcastische tussenkomsten van schrijver (“hier [is] een korte geografische schets op zijn plaats; het enkele malen genoemde Duitse Rijk was half maart ‘45 nog ongeveer 800-900 kilometer breed en niet erg veel langer”, bijvoorbeeld); op werkelijk gevoelige scènes zoals diegene die zich afspeelt in die bunker tijdens het bombardement van 2 maart 1945 tussen twee vrouwen en twee, waarschijnlijke, deserteurs; over de Persil-papiertjes (een gegeven waarbij ik moest terugdenken aan de ouderwetse, allicht gereconstrueerde Persil-reclamezuil die ik een aantal jaren terug in Duitsland zag); over ‘68ers (die klaarblijkelijk niet hetzelfde zijn als mei-’68ers) en de communistische propaganda van net na de Tweede Wereldoorlog; over joodse nonnen en hun kap over de haag gooiende nonnen; over happy endings (“massaal”, zoals schrijver schrijft) en minder happy endings; over psg. (prestatiestijging) en pwg. (prestatieweigering); en over nog zoveel dingen meer die ik verder had aangeduid in het boek.

Maar eigenlijk zou dat maar één doel dienen: u ertoe aanzetten dat boek te lezen. Dat moet u dan ook gewoon doen. Groepsfoto met dame is – en laat dat gezegd zijn van iemand die nog zóveel te lezen heeft dat ie het nooit meer allemaal zal gedaan krijgen – een must read. Punt.

Björn Roose

vrijdag 12 maart 2021

Hondehart – Michail Boelgakov (boekbespreking door Björn Roose)

Hondehart – Michail Boelgakov (boekbespreking door Björn Roose)
Wie mijn boekbesprekingen volgt, zal zich misschien herinneren dat ik er eind augustus 2019 (het lijkt alweer een eeuwigheid geleden) een publiceerde over een ander werk van Michail Boelgakov, Zoja’s appartement. Ik verwijs graag naar die bespreking voor wie iets meer wil vernemen over de achtergrond van Boelgakov, maar begin de bespreking van Hondehart even graag met de conclusie van die vorige bespreking: “Voor de duidelijkheid: ik hoor niet tot de kaste van aan wal staande stuurlui. Het was ongetwijfeld in de Sovjet-Unie net zomin gemakkelijk voor je mening uit te komen als in nationaal-socialistisch Duitsland en er zal ook dáár weinig opdeling te maken geweest zijn tussen zwart en wit (een poging die in deze tijden uiteraard wél blijvend ondernomen wordt). Maar het is zonde gezien het talent dat Boelgakov in andere werken getoond heeft. Ik heb jaren geleden genoten van zijn Hondenhart (sic), dat in 1925 werd verboden en dat een heel erg duidelijke kritiek op het regime vormde. Of zoals de Sovjet-krant Izvestia op 15 september 1929 schreef: "Zijn talent is overduidelijk, maar zo is ook het reactionair sociaal karakter van zijn werk". Ik heb zijn voornaamste werk De Meester en Margarita nog niet gelezen - het boek waaraan hij tussen 1928 en het jaar van zijn overlijden, 1940, werkte -, maar ook dát zou een knappe parodie zijn op Stalin en het leven in de Sovjet-Unie. Dat maakt helaas dingen als deze tweede versie van Zoja's appartement én de kniebuigingen van Boelgakov voor Stalin en het regime alleen maar spijtiger.”

Ik heb dus nog steeds De Meester en Margarita niet gelezen (dat komt er een dezer maanden sowieso van), maar wel Hondehart (zonder tussen-n dus) opnieuw. En het boek was nog steeds zo goed als ik me herinnerde. Beter zelfs. Korte samenvatting (spoiler alert) op de achterflap van dit 140 bladzijden dikke paperbackje: “Hondehart is tegelijk de Frankenstein-achtige geschiedenis van een hond én een verbeten satire op bepaalde praktijken in het vroeg-bolsjewistische Rusland. Half verhongerd en met brandwonden overdekt wordt de hond gevonden en meegenomen door een beroemde chirurg, die zich heeft gespecialiseerd in verjongingskuren en nu een grote nieuwe stunt, een waarlijk revolutionair experiment voorheeft. De hond wordt geopereerd en krijgt de testikels en hersenen van een kort tevoren bij een gevecht omgekomen balalaikaspeler. De hond wordt nu snel: kameraad Sjarikov! Maar hij blijft als mens een monstruositeit. Zijn wezenlijke hondenatuur blijkt onveranderbaar. Hij slaat obscene taal uit, valt vrouwen op brute wijze lastig, elimineert op sadistische wijze katten, steelt, morst, probeert zelfs de assistent van de professor neer te schieten. Het experiment blijkt een jammerlijke blunder te zijn geweest: de mens met het hondehart moet maar weer hond worden.”

Zo, om de clue te weten te komen, moet u het boekje al niet meer lezen, maar u zal allicht ook niet meer opkijken van het feit dat dit werk in de Sovjet-Unie niet mocht gepubliceerd worden (helaas dook het in het Westen ook pas op toen hij al overleden was, net zoals De Meester en Margarita trouwens). Een duidelijker kritiek op het idee van de maakbare mens is nauwelijks denkbaar. En daarmee vormt het boek eigenlijk net zo goed een aanklacht tegen het nationaal-socialisme of tegen volstrekt waanzinnige moderne vormen van utopieën genre de veelbesproken Great Reset. Je kan de mens wel uit het vuilnis halen, maar niet het vuilnis uit de mens. Je kan de mens proberen aan te passen aan je communistische, nationaal-socialistische, post-modernistische ideetjes, maar de mens zal altijd een mens blijven en zelfs als er geen externe factoren meespelen – iets waar mensen als Klaus Schwab vurig naar streven door de hele wereld mee te slepen in hun waanzin –, zal je utopie aan dat simpele feit ten onder gaan.

Alleen zitten verstandige mensen daar niet op te wachten: ze weten ook dat de revolutie z’n kinderen opvreet en dat er een hele hoop kinderen zullen opgevreten zijn vooraleer de revolutie sterft. De “beroemde chirurg” waarvan sprake, Filipp Filippovitsj Preobrazjenski, beseft dat ook, maar vooraleer hij zichzelf zo ver kan krijgen niet alleen pas op de plaats te maken, maar ook rechtsomkeer, is er hoe dan ook al massa’s schade gedaan. En dan is Preobrazjenski nog bereid datgene te doen waar “experten” en politici voor zover ik weet – en ik kan me vergissen, maar laat iemand dan met een tegenvoorbeeld komen – nog nooit in geslaagd zijn: fouten erkennen en die niet proberen op te lossen door verder te gaan op het ten onrechte ingeslagen pad.

Vooraleer het zover komt – want dat gebeurt uiteraard pas op het einde van het boek – krijg je echter een schitterend boekje te lezen. Beginnend met een hoofdstuk waar de hond, sjarik in het Russisch, zijn gedachten de vrije loop laat terwijl ie ligt te creperen, een persoonsverwisseling waar de auteur aardig in geslaagd is (ik heb dit eerder gezien met een veulen, maar kan me niet meer herinneren in welk boek precies).

Gevolgd door een hoofdstuk waarin het beest de operatiekamer ingelokt wordt en de chirurg er behalve wat worst ook een stukje filosofie tegenaan gooit als hij door zijn assistent gevraagd wordt hoe hij de hond heeft meegekregen: “Kwestie van aanhalen. Dat is de enige manier waarop je wat bereikt bij levende wezens. Met terreur kom je nergens, ongeacht het ontwikkelingspeil van een dier.” Waarna dat dier ook te weten komt dat hij dan wel nieuwe testikels heeft gekregen, maar ook ontmand is: “‘Pas op, jij, of ik maak je af! Weest u maar niet bang, hij bijt niet.’ ‘Bijt ik niet?’ vroeg de hond zich verbaasd af.” En waarin we kennis maken met het “huisbestuur”, de club van communistische zeloten die ervoor moeten zorgen dat Preobrazjenski datgene doet wat ook in Dokter Zjivago van Boris Pasternak een belangrijk thema is: zijn appartement delen met alsmaar meer mensen (“inwonerstalverdichting”, zoals dat in Hondehart genoemd wordt). Op het einde van dat hoofdstuk krijgen we deze heerlijke dialoog, een dialoog die ik heden ten dage eigenlijk niet genoeg hoor. Een dialoog waarin simpelweg gezegd wordt dat iemand iets ook niet kan willen omdat hij het gewoon niet wil:

“‘… wilde ik u voorstellen …’ – bij die woorden rukte de vrouw uit haar boezem een aantal kleurige en van de sneeuw nat geworden tijdschriften, ‘een paar bladen te kopen van de kinderen in Duitsland. Een halve roebel per stuk.’

‘Nee, geen behoefte aan,’ antwoordde Filipp Filippovitsj kortaf met een schuinse blik op de blaadjes.

Op hun gezichten tekende zich nu volslagen verbijstering af en het gezicht van de vrouw hulde zich in een framboosrode gloed.

‘Waarom weigert u?’

‘Ik wil ze niet.’

‘Voelt u dan niet mee met de Duitse kinderen?’

‘Zeker wel.’

‘Kijkt u dan soms op een halve roebel?’

‘Nee.’

‘Waarom neemt u er dan geen?’

‘Ik wil niet.’”

Even vertaald naar vandaag de dag en kwestie dat wie er mij ooit om vraagt het nu al weet:

“‘… wilde ik u voorstellen …’ – bij die woorden rukte de dokter uit zijn lade een doorzichtige en van kwijl nat geworden spuit, ‘een vaccin te nemen tegen corona. Gratis.’

‘Nee, geen behoefte aan,’ antwoordde Björn Roose kortaf met een schuinse blik op de spuit.

Op het gezicht van de dokter tekende zich nu volslagen verbijstering af.

‘Waarom weigert u?’

‘Ik wil het niet.’

‘Voelt u dan niet mee met onze zwakkeren?’

‘Zeker wel.’

‘Bent u bang?’

‘Nee.’

‘Waarom neemt u er dan geen?’

‘Ik wil niet.’”

Soit, verder naar het volgende hoofdstuk. Daarin begint de langzame transformatie van hond tot mens (of van mens tot de nationaal-socialistische versie van Nietzsches Übermensch, of van koelak tot communist) en leert het beest dat het goed is geketend te zijn. Liever een dikke hond aan de ketting dan een magere wolf in het bos. “De volgende dag kreeg de hond een brede, glimmende halsband om. Toen hij zich in de spiegel bekeek, was hij het eerste moment knap uit zijn humeur. Met de staart tussen de poten trok hij zich in de badkamer terug, zich afvragend hoe hij het ding zou kunnen doorschuren tegen een kist of een hutkoffer. Maar algauw drong het tot hem door dat hij gewoon een idioot was. Zina nam hem aan de lijn mee uit wandelen door de Oboechovlaan. De hond liep erbij als een arrestant en brandde van schaamte. Maar eenmaal voorbij de Christuskerk op de Pretsjistenka was hij er al helemaal achter wat een halsband in dit leven betekent. Bezeten afgunst stond te lezen in de ogen van alle honden die hij tegen kwam en ter hoogte van het Dodenpad blafte een uit zijn krachten gegroeide straatkeffer hem uit voor ‘rijkeluisflikker’ en ‘zespoot’. Toen zij de tramrails overhuppelden keek een agent van milietsie tevreden en met respect naar de halsband (…) Zo’n halsband is net een aktentas, grapte de hond in gedachte en wiebelend met zijn achterwerk schreed hij op naar de bel-etage als een heer van stand.” Of, zoals het in het volgende hoofdstuk al heet: “Maak je zelf maar niets wijs, jij zoekt heus de vrijheid niet meer op, treurde de hond snuivend. Die ben je ontwend. Ik ben een voornaam hondedier, een intelligent wezen, ik heb een beter bestaan leren kennen. En wat is de vrijheid helemaal? Rook, een fictie, een drogbeeld, anders niet … Een koortsdroom van die rampzalige democraten …”

Maar dat beter bestaan komt met meer en meer plichten een keer je de babyfase voorbij bent, een keer je bekering in kannen en kruiken is, een keer je niet meer terug kan: Sjarikov wordt geacht beleefd te zijn, zijn plaats te kennen, wil “documenten” hebben (“Een document is de belangrijkste aangelegenheid ter wereld.”), wordt er door de communisten op gewezen dat hij “klassebewustzijn” moet kweken, terwijl hij in essentie – opnieuw – alleen maar wil vreten en achter katten aan zitten, wat dan ook precies is wat hij doet. Terwijl hij wel meer en meer eisen stelt aan zijn omgeving, want die doet niet precies wat hij wil.

Samengevat: Hondehart is een filosofisch tractaat zoals ook Frankenstein van Mary Shelley er een is (zoals aangegeven op de achterflap heeft de thematiek duidelijke raakvlakken). Maar wel een filosofisch tractaat dat leuk om lezen is, zelfs voor mensen die er niet meer in willen zien dan een verhaal van een hond die mens wordt en vervolgens weer hond. Ik weet niet of het boekje in recentere jaren nog ergens werd uitgegeven in het Nederlands (mijn exemplaar verscheen in 1969 bij de voor de gelegenheid met Uitgeverij De Arbeiderspers samenwerkende Em. Querido’s Uitgeverij in Amsterdam in een vertaling van Marko Fondse – derde druk van 1975), maar ik zou het zowel de liefhebbers van Russische literatuur, dissidenten, anti-communisme, anti-utopisme als de minder in filosofie maar dan toch in kortere vlot leesbare boeken aanraden. Een must read dus!

Björn Roose