Posts tonen met het label Godfried Bomans. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Godfried Bomans. Alle posts tonen

maandag 16 februari 2026

Van mens tot mens – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Van mens tot mens – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)
Van mens tot mens
van Godfried Bomans zou het laatste boek worden dat ik in 2025 las. Niet dus, ik blijk altijd nog wat tijd over te hebben voor het lezen van boeken, maar dat is uiteraard geen beletsel om het te bespreken. Zelfs al is die bespreking óók iets dat ik me niet had voorgenomen: Steen op steen van Wiesław Myśliwski zou de laatste bespreking worden die ik in 2025 schreef, maar toen bleek ik op de ochtend van mijn laatste werkdag, 31 december (jawel), nog een uurtje tijd over te hebben, dus begon ik vast aan wat mijn eerste kalenderjaaroverschrijdende boekbespreking ooit is geworden (ik heb ze beëindigd op 2 januari 2026).

Passend eigenlijk voor een boek waar ik zo’n maand over gedaan heb. Zo’n maand, omdat ik het in mijn bibliotheek bij de cursiefjesbundels geplaatst had (waar ook het meeste werk van Bomans te vinden is) en ik al vele jaren de gewoonte heb mijn vriendin na het ontbijt op zondag lastig te vallen met het vóórlezen van cursiefjes (ze doet daar niet moeilijk over, dus houd ik daar niet mee op). En dat voorlezen, is dan weer iets wat ik nu ook weer niet de hele zondag kan doen, dus kan het een tijdje duren voor zo’n boek uit is, zelfs al is het, zoals in dit geval, slechts een tweehonderdtal bladzijden dik. Maar... Van mens tot mens is geen bundeling van cursiefjes, het is een bundeling van – zo geeft de cover ook aan – “nagelaten werk”, de eerste bundeling van die aard, uitgegeven door Elsevier in 1973. De volgende bundelingen zouden Thomas Robert Spoon en Een mooie tijd (oorspronkelijk voorzien onder de titel Een goede tijd) gaan heten, maar de motivatie van de drie uitgaves staat ook al vooraan in de eerste: “Talrijke korte stukken, essays en interviews van Godfried Bomans, in kranten en tijdschriften verschenen tussen het jaar 1945 en zijn overlijden op 22 december 1971, werden tijdens zijn leven niet gebundeld [dat zou ook onmogelijk geweest zijn gezien hij doorging met publiceren tot het einde van dat leven, noot van mij]. Het lag wel in zijn bedoeling zulks te doen en hij had, in die zin, enkele plannen ontworpen”. Waarbij een van die plannen “een bundel interviews en hier en daar verspreide stukken over markante persoonlijkheden” was, een plan dat uiteindelijk uitdraaide op Van mens tot mens, “interviews, verspreide stukken en een reeks artikelen over Lodewijk van Deyssel”.

Die “reeks artikelen over Lodewijk van Deyssel”, waaronder een vraaggesprek overigens, is (met hier en daar een duidelijk zichtbaar wordende herhaling tot gevolg) samengebracht onder het hoofdstuk Mijnheer Thijm, Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm being de echte naam van schrijver Lodewijk van Deyssel, een van de Tachtigers, en, net zoals Bomans dat lange tijd was, inwoner van Haarlem. Die “reeks artikelen”, negen exemplaren in totaal, vormt daarmee ook het thematische deel van het boek. Een thematisch deel waaruit telkens weer blijkt dat Godfried Bomans Lodewijk Van Deyssel werkelijk een warm hart toedroeg, zelfs al was hij verre van kritiekloos wat de auteur in de mens betrof – iets wat zich onder andere uit in Oratorio aan Lodewijk van Deyssel - en staan niet al de verzamelde artikels in dit hoofdstuk op hetzelfde niveau. Ik ben geneigd dat laatste op de bijna volstrekte afwezigheid van humor in de, voor zover ik dat kan inschatten, oudste stukken te steken, maar aan de andere kant ontbreekt die humor ook in veel van de onder het hoofdstuk Ontmoetingen met mensen en boeken verzamelde artikels en zijn die er niet minder boeiend om geworden. Misschien is het dan ook niet die afwezigheid van humor, maar een té groot respect voor het onderwerp, dat in de eerste artikels wat wringt. Een probleem dat duidelijk volledig opgelost was toen Bomans zich aan het schrijven van Herinnering aan Lodewijk van Deyssel zette (misschien omdat die toen al overleden was), een artikel dat samen met Anekdoten rond Thijm en Over de aandacht van Thijm het beste in dit deel vormt en aantoont dat kunnen lachen om iemand niet betekent dat men dat respect laat varen. Een citaat als dit mag daar, zelfs los van het feit dat Bomans daarin in hoofdzaak zichzelf op de hak neemt, getuige van zijn: “De indruk was verpletterend. Niemand zei wat. Het geweldige hoofd met de machtige kin voorwaarts gericht, de handen diep in de zakken van zijn grijze jas, rukte Van Deyssel dwars tegen de regen op naar het westen. Het aanduiden van de door hem gekozen richting met ‘het westen’ komt mij bij zulk een reusachtige verschijning gepast voor, al kan men ook zeggen dat hij naar Overveen liep om een sigaar te kopen. Beide opvattingen zijn verdedigbaar, maar de eerste is de meest juiste, omdat wij ons hier in de epische orde bevinden. In de mythologie wordt niet gewinkeld. Ook Achilles had kunnen voorbijkomen en dan had ook hij zich westwaarts voortbewogen. De bestemming van dergelijke figuren kan alleen door het bepalen van hemelstreken worden aangegeven.”

Omdat ook voor de rest de artikels Herinnering aan Lodewijk van Deyssel, Anekdoten rond Thijm en Over de aandacht van Thijm bijna volledig citerenswaardig zijn, houd ik het wat het hoofdstuk Mijnheer Thijm betreft verder op nog één citaat (in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, nietwaar?): “Thijm zag scheel. Ik aarzel eigenlijk met dit te zeggen, niet omdat zoiets verzwegen moet worden, maar omdat ik eraan twijfel of een dergelijke graad van scheelheid nog onder het begrip loensen valt. De gebruikelijke scheelheid is immers op te vatten als een min of meer mislukte poging om recht te kijken, terwijl de onderlinge afwijking van Thijms ogen elk streven in die richting bij voorbaat uitsloot. Hij had eenvoudig twee gezichtsvelden, die slechts in een gering segment samenvielen en voor het overige een volstrekt gescheiden deel van de schepping bestreken. Hij zag hierdoor ook veel meer dan andere mensen en men moest daar terdege rekening mee houden. Knipoogjes van omstanders werden, ook als deze zich zijwaarts van Thijm voltrokken, terstond opgemerkt en uitdrukkelijk gesignaleerd. Hij zei dan, zonder zich tot de schuldige te wenden, recht voor zich uit: ‘Ik neem u waar’, wat een spookachtige uitwerking had. Wie tegenover Thijm zat, bevond zich echter niet in de noodzaak een keuze te maken. Bij gewone scheelheid bestaat die moeilijkheid wel: men dient dan te besluiten tot welk oog men zich richten zal. Bij Thijm viel dit probleem weg. Het ene oog was op u gevestigd, terwijl het andere door het raam naar buiten keek.” Tot dan toe een quasi louter humoristisch vaststellen van een fysiek fenomeen, dit citaat, maar dan komt iets wat ook tekenend is voor het volgende hoofdstuk, Ontmoetingen met mensen en boeken, zijnde een tekststuk waarin Bomans blijk geeft van het diepgaand schouwen in de mensen waarover hij het heeft: “Ik geloof dat deze afwijking, die juist in het centrum van zijn begaafdheid (hij was een ogenmens), gelegen was, van beslissende betekenis moet zijn geweest voor de vorming van zijn eigenaardige persoonlijkheid. Zijn wonderlijke maniërisme, het voortdurend inwendig besturen van alles wat hij deed, de aanhoudende bewustheid waarmee hij ook zijn geringste handelingen begeleidde, men kan die niet verklaren als men dit centrale feit buiten beschouwing laat. Nu kan men zeggen dat in het werk van Thijm hiervan toch maar niets te bespeuren valt. Het is inderdaad waar dat het opvalt. Het is moeilijk aan te nemen dat een auteur die als geen ander zijn aandoeningen tot in de verste vertakkingen heeft vastgelegd, juist deze bron van emoties in het midden van zijn bestaan niet zou hebben opgemerkt. Dit is dan ook niet het geval. Thijm schreef daaromheen en dit voortdurend ignoreren groeide ook tot een houding in het dagelijks leven die door velen als ‘bestudeerd’ veroordeeld werd. Als vaststelling is dit juist, als vonnis niet. Thijm moest iets doen met die vreemde zoeklichten, die ieder hun eigen bundel de wereld inwierpen. Ik weet niet of het u is opgevallen, maar in dit stuk [het hele artikel, noot van mij] heb ik driemaal vermeld dat Thijm de blik neergeslagen hield ofwel de ogen niet opsloeg, waarbij ik nog het gefingeerde ‘tranen’ beschreven heb. Dit verhullen van een zo centraal gebrek gaf aan zijn optreden die gesteven weloverwogenheid die zich ook in zijn stijl van schrijven openbaarde, want werk en leven zijn één. Ik geloof trouwens dat iedere kunstenaar, ook een zo uiterst mededeelzame als Van Deyssel, creëert vanuit een verzwegen plek.”

En dan dus dat al twee keer genoemde volgende hoofdstuk, Ontmoetingen met mensen en boeken. Mensen zijnde Maria Sibylla Merian, Jan Klaassen, Herbert George Wells (van wie ik eerder De oorlog der werelden besprak), Nicolas Beets (de auteur van de Camera Obscura, voor wie Bomans ook al een enorme fascinatie aan de dag legde), Ignace Wils, Minus Oostrijk, Gilbert Keith Chesterton (wiens aan de avonturen van Father Brown gewijde bundel ik in 2021 besprak), Willem Bilderdijk, Felix Rutten, Simon Carmiggelt (van wie ik veel meer boeken gelezen heb dan ik er besprak), Wim Sonneveld, Johann Peter Eckermann, en Franz Kafka (van wie ik in 2022 de Kleine vertellingen heb besproken).

‘Maria Sibylla Merian?’, hoor ik u al vragen. ‘Ignace Wils?’ ‘Minus Oostrijk?’ ‘Johann Peter Eckermann?’ Misschien zelfs: ‘Felix Rutten?’. En: ‘Jan Klaassen, is dat die van de poppenkast?’

Om met die laatste te beginnen: ‘Ja, dat is die van de poppenkast.’ En dat beantwoordt ook de centrale vragen in het stuk Jan Klaassen en Katrijn, de poppenkast op de Dam: “Maar wie heeft dan die oude geschiedenis het aller-, állereerst verzonnen? Wie bedacht de figuur van Pierlala (de dood), van Jan Klaassen, de bedrogen echtgenoot en lachende wijsgeer, en van Katrijntje, zijn kijvend wijf? Wie stond hier het eerst op de Dam, vóór de grootvader van de ‘oude Kabalt’ en vóór zelfs diens vader geboren was?”

En Felix Rutten, over wie Bomans het heeft in het artikel De lege stoel? Dat was een – op dezelfde dag als Bomans overleden – (Nederlands-)Limburgse schrijver over wie de auteur het ook al had in Wandelingen door Rome en over wie hij hier onder andere schrijft: “(…) Felix Rutten woont in een tuinhuisje aan de Tiber. Door het ene raam ziet hij de koepel van de Sint-Pieter, door het ander het ondergoed van enige belendende religieuzen aan de drooglijn. Tussen beide aspecten van kerkelijk leven staat zijn tafel en stoel. Hier schrijft hij zijn gedichten, die niemand te lezen krijgt, omdat ze hemzelf genoeg zijn. Hij doet dit al vijftig jaar en er mag geen dag verloren gaan.”

Johann Peter Eckermann dan, de ‘arme van geest’ uit het artikel Zalig de armen van geest? Hij was de man die de Gespräche mit Goethe neerpende, een boek waarvan Bomans schreef dat hij het iedere zomer las, “omdat het ‘t ‘op de plaats rust’ als geen ander markeert”, een man over wie in de Goethe-literatuur doorgaans geschreven werd (en wordt, misschien, ik ben niet thuis in de literatuur over Johann Wolfgang von Goethe en heb van hemzelf ook nog niet meer gelezen dan Faust 1 en 2, al heb ik in het Duits wel zijn verzameld werk staan) dat hij “een glasplaat [was], een schone vensterruit en (…) het licht ongehinderd door[liet]”, dat hij “zich niet weg [hoefde] te cijferen” omdat hij “niets [was]”, een stelling die Bomans ten gronde betwist: “Afgezien nog van de volharding en trouw, die er nodig zijn om een dergelijke notulering negen jaar vol te houden, ziet men daarbij een gave over het hoofd, die in het algemeen weinig wordt opgemerkt, juist omdat zij zo zelden wordt aangetroffen en bovendien de schijn van negativiteit in zich bergt: het vermogen om in een ander volledig te geloven. Men vergeet dat deze faculteit, die wat laatdunkend met het woord ‘verering’ wordt aangeduid, in de bezitter ervan een geest veronderstelt, die ontvankelijk is voor het hem gebodene en dus daarmee verwantschap vertoont. Bewondering berust op affiniteit. Niemand ziet naar een ander op, of hij moet, zij het slechts in kiem, de mogelijkheid van die ander in zich dragen. En het is deze verwantschap, die Eckermann siert en Goethe zag. Men komt er niet met Eckermann als een nul te beschouwen. Hij was een potentieel getal, Goethe begreep dit. Hij telde het cijfer op dat hij had kunnen worden, als het lot deze misdeelde wat gunstiger had toegelachen, en behandelde de som als een reële uitkomst. Hij las de onzichtbare inkt van diens mogelijkheden en maakte deze ook voor Eckermann leesbaar.” Waaraan Bomans nog toevoegt: “Had Goethe nu geleefd, hij zou geen Eckermann gevonden hebben. Hij had louter genieën ontmoet en de stoel van Johann Peter was onbezet gebleven, omdat ze allen in die van Goethe hadden plaatsgenomen. Geen van hen had hij aangetroffen in de staat van dienstbaarheid die voor dit boek een voorwaarde is, niemand hunner was eenvoudig genoeg geweest om iets zo gecompliceerds te maken.”

En Ignace Wils? “(…) een late middeleeuwer”, “De held van Igualada”, de beschrijvingen die Bomans gebruikt in de titel van het aan hem gewijde artikel zullen u wellicht nog niet veel verder helpen, maar Ignace Marie Petrus Wils schopte het tot “kolonel van het bataljon der Carlistische zoeaven” en stierf in die hoedanigheid bij de in 1873 tussen Carlisten en Republikeinen gevoerde gevechten om Igualada (Catalonië). Een ook in Ravenstein, zijn geboortestad, allicht grotendeels vergeten figuur, al loopt er op het moment dat ik deze boekbespreking schrijf wél een tentoonstelling (nog open tot eind januari 2026) rond hem en zijn broer August onder de naam Zouaven Ravenstein, daarmee (al gaat de geschiedenis rond Ignace Wils dus ook nadien nog verder) aandacht bestedend aan het Pauselijk Zouavenkorps dat van 1861 tot 1870 vrijwilligers van overal ter wereld verenigde ter verdediging van de onafhankelijke Kerkelijke Staat.

Minus Oostrijk? Een postbode die Vincent van Gogh nog persoonlijk zou gekend hebben, maar waarvan ik op het internet geen spoor terug vind en waarvan ik na lezing van het artikel Echte Van Gogh in jutezak? ook niet zeker ben dat hij niet ontstaan is in de fantasie van Bomans, een artikel waarvan ik u desalniettemin de conclusie niet wil onthouden: “Wij weten nu, de ganse rivier van dit leven [dat van Van Gogh dus, noot van mij] overziende, dat Etten niet meer dan een schutsluis was, een voorbereiding tot hoger vaart, maar de sluiswachters wisten dit niet en konden dit ook niet weten. Daarom is het goed, één van hen te spreken. Wij zien een ogenblik de concrete Van Gogh, vóór het abstracte, uit alle bekende bouwstenen gecomponeerde en ons zo vertrouwde reuzenbeeld. En het stemt ons tot behoedzaamheid in het beoordelen van hen, die onze tijdgenoten zijn en die wij slechts kennen in een fase van hun ontwikkeling.”

En, ten slotte, voor we aan de bekendere figuren beginnen, Maria Sibylla Merian? Een vrouw naar wie recent in Amsterdam een brug werd genoemd, auteur van het in 1705 verschenen boek Metamorphosis insectorum Surinamensium, een van zestig kopergravures voorzien werk waarin ze de levenscycli beschrijft van insecten in Suriname (waar ze daartoe twee jaar verbleef), maar waarvoor (nu, in tijden waarin in het bijzonder aandacht besteed wordt aan vrouwen in de kunst en de wetenschap, misschien meer) nauwelijks belangstelling was (geweest) toen Bomans zijn artikel over haar schreef. En dat terwijl, zoals het óók getiteld is, Over de Voort-teling en Wonderbaerlyke Veranderingen der Surinaemsche Insecten. Beneffens de Gewassen daer ze op gevonden zijn. Waer in ook de wonderbaere Padden, Hagedissen, Slangen, Spinnen en andere seltsame Gediertens worden vertoont en beschreeven. Alles in Amerika door M.S. Meiraen naar het leeven en levensgrootte Geschildert en nu in ‘t Kooper overgebracht “een schok door gans Europa [gaf]. En van buiten de grenzen reden de karossen der rijke verzamelaars voor de onaanzienlijke woning in de Kerkstraat (tussen Leidsestraat en Spiegelgracht) waar de vrouw, die dit alles in stilte schiep, in een armstoel zat, verlamd en uitgeput”. “Haar faam smeulde voort tot in de eerste helft der negentiende eeuw,” schrijft Bomans nog, “en doofde toen. En ik durf geloven dat het merendeel mijner lezers eerst door deze schets haar naam vernomen heeft. Want in onze vaderlandse geschiedenis gaan vlootvoogden en regenten vóór, en in de schaduw van hun roem wachten nog tientallen op onze genegenheid.”

Is dit een behoorlijk lange boekbespreking aan het worden? Ja, dat is het. Maar dat valt gezien de aard van het werk ook niet als… eigenaardig te beschouwen. Over dus naar de bekendere figuren, waarbij u alvast de sjans heeft dat ik in Een kampioen van het menselijk geluk – In memoriam H.G. Wells, geschreven kort na diens overlijden in augustus 1946 dus, niks als te citeren heb aangeduid. Niet omdat er niks interessants in staat, maar omdat het me allemaal al bekend was (wat dus allicht ook geldt voor al wie de jongste jaren wat biografische gegevens over Wells gelezen heeft).

Wat Hildebrand betreft zou ik me er dan weer kunnen van af maken met een verwijzing naar Merkwaardigheden rond de Camera Obscura, het boek waarin zeventien stukken van Bomans over dat boek en de auteur ervan gebundeld werden, maar ik geef u toch even de conclusie van Bomans’ gesprek met de dochter van Beets mee: “Het kon vader niet veel schelen. Maar het verdroot hem wel eens, dat de mensen altijd over zijn Camera spraken, alsof hij na zijn 25ste jaar niets anders zou geschreven hebben. Men kent zijn preken, zijn wetenschappelijke verhandelingen op het gebied van taal en letteren en vooral zijn verzen niet. Daarmee doet men hem nochtans onrecht. Hijzelf schreef eens: ‘Mijn leven is in mijn Camera, mijn hart in mijn gedichten.’ Maar dat hart heeft voor velen vergeefs geklopt.”

En dan Simon Carmiggelt. Het ‘gesprek’ tussen hem en Bomans in Simon Carmiggelt 50 jaar had ik, me dunkt, ook al eens ergens gelezen en is duidelijk gefingeerd, maar het is hilarisch als Bomans op zijn best. Ik beperk me bijgevolg tot het weergeven van een klein stukje er uit: “Carmiggelt is dan, om met de deur in huis te vallen, een goede vijftiger, nog vol geestkracht en plannen voor de toekomst, met de levendige gelaatstrekken van iemand, die veel te zeggen heeft, maar wel zo wijs is om dat niet te doen. Kin, neus en oren verraden in hun krachtige snit een ondernemend karakter, maar de melancholieke ogen hebben allang besloten daar geen gebruik van te maken. De mond is delicaat gevormd en ook zijn maat schoenen blijft beneden het nationaal gemiddelde. Opmerkelijk is ook het spel van zijn handen. Ik kom daar misschien dadelijk op terug. Het breed gewelfde voorhoofd schept verwachtingen, die in de loop van het gesprek niet geheel worden ingelost, want Carmiggelt modelleert zijn mededelingen naar het bevattingsvermogen van degene, die tegenover hem zit. Het aan de slapen reeds grijzende haar wekt een vermoeden van leed, dat eveneens ongegrond blijkt. Kwam je hem op straat tegen, dan zou je denken: die jongen heeft het moeilijk, maar zie je hem thuis, dan is het best uit te houden, ben je mal, we zijn allemaal maar mensen en morgen komt er weer een dag.”

Een mening die Gilbert Keith Chesterton ongetwijfeld zou gedeeld hebben. Uit Bomans’ stuk over hem, G.K. Chesterton – Over een argeloze detective, waarin het overgrote deel van de aandacht dus naar de eerdergenoemde Father Brown gaat, zou ik wel wíllen citeren, maar ik kan het niet omdat ik dan tot mijn spijt de rest van de tekst niet mag citeren en het hele stuk gewoon groots is. Een mooie aanvulling op Gaston Durnez’ De lach van Chesterton ook, al dateert het boek van Durnez uiteraard van later.

Wat dan weer De sleutel tot de figuur Bilderdijk – Bij de herdenking van zijn geboortedag betreft, houd ik het bij twee stukjes tekst en het feit dat de ‘sociëteit’ die Bomans samen met een aantal anderen in Haarlem stichtte, Teisterbant genaamd, werd vernoemd naar diezelfde Bilderijk, die zichzelf als graaf van Teisterbant beschouwde: 1) “Men kan uitstekende wijn drinken en toch slechte gedichten schrijven. Ook de omgekeerde werkwijze is mogelijk en wordt hier herhaaldelijk toegepast”; 2) “Bilderdijk was, ofschoon hij slechte verzen schreef, een groot en waarachtig dichter. Hij dichtte de enorme gaten, die de realiteit openliet en schiep aldus een dijk, die tot ver in de Helleense oertijden doorliep: een Bilderdijk. Dit is: een dijk van beelden. Dat wij daarmee niet wensen ingepolderd te worden en hem, vergeleken bij onze eigen poëtische ingenieurs, als een Leeghwater beschouwen, doet niets af aan het feit dat hij eens grote provincies van ons nationale geestesleven heeft drooggelegd.”

Wat niet het soort bezigheid was waarmee Wim Sonneveld zich doorgaans onledig hield. In tegendeel, de tranen stroomden soms door de zalen waar hij optradt. Tranen van het lachen, wel te verstaan. Al waren er ook, misschien vooral, bij zijn ‘frater Venantius’ droeftoeters die het helemaal niet leuk vonden. Iets waarover Bomans schrijft: “Al die mensen, die in paniek raken omdat er een religieus is belachelijk gemaakt hebben niet begrepen, dat ‘frater Venantius’ in het ootje is genomen, niet als religieus, maar als cabaretier. Sonneveld zal er niet aan denken een kloosterling in zijn roeping aan te tasten; maar zodra de man als artiest gaat optreden, wordt hij kwetsbaar. Hij komt dan op het terrein van Wim Sonneveld, die volledig het recht heeft hem als zodanig te beoordelen. Dit oordeel was vernietigend. Wie nu meent, dat hiermee de kloosterstaat is beledigd en het katholieke geloof besmeurd, heeft totaal niet begrepen in welke functie frater Venantius is aangepakt. Dadelijk krijgen we misschien voetballende broeders. Moeten we dan vol eerbied op de tribune dat gelepel bekijken? Nee, zodra een kloosterling dat broekje aantrekt verliest hij de bescherming van zijn habijt en wordt hij naar zijn balcontrole beoordeeld. De mening dat fraters, wat ze ook doen, altijd in de eredivisie thuishoren, berust op een misverstand.”

Waarna alleen nog De Weense ambtenaar overblijft, Franz Kafka dus, of toch de Gespräche mit Kafka die Gustav Janouch in 1947, meer dan twee decennia na Kafka’s dood, optekende, Gespräche waaruit Bomans citeert. Citaten citeren lijkt me echter net wat te ver te gaan, dus laat ik dat maar achterwege. We moeten het immers ook nog over het derde deel van dit boek hebben, Interviews. Een “met de acteurs Paul Steenbergen en Myra Ward”, een “met minister J. Luns” (Ten huize van het echtpaar Luns), een “met prof. dr. Max Euwe”, en een “met Jan Foudraine” (De psychiatrie op de helling).

Even dacht ik u te kunnen verblijden met het ‘nieuws’ dat u Paul Steenbergen misschien kende als kapelaan De Goey uit Ciske de Rat, maar de Ciske de Rat waarin Steenbergen speelde, dateert van 1955, dus die kans is vrij klein. Myra Ward was zijn vierde echtgenote en zal wat het grote publiek betreft misschien nog het bekendst geworden zijn als Tante Adèle Takma uit de tv-serie Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan (uiteraard gebaseerd op de gelijknamige roman van Louis Couperus), maar die ligt intussen ook al vijftig jaar achter ons, dus is ze u wellicht even onbekend als Paul Steenbergen. Dat hoéft geen beletsel te zijn om uit dat vraaggesprek te citeren, maar gezien er – mijns inziens – niet echt iets van eeuwigheidswaarde in staat, doe ik dat niet. Iets wat ook geldt voor het vraaggesprek met Joseph Luns, al zou die kort nadien secretaris-generaal van de NAVO worden, Max Euwe, wereldkampioen schaken van 1935 tot 1937, en psychiater Jan Foudraine, destijds bevallen van zijn eerste boek Wie is van hout? en nadien ook bekend geworden als Swami Deva Amrito. Ik ga niet zeggen dat die vraaggesprekken niet hadden moeten opgenomen worden in dit boek – de uitgever was per slot van rekening bezig met het bundelen van nagelaten werk -, maar de werkelijkheid heeft simpelweg de neiging vijftig jaar later minder interessant te zijn dan de fictie, en vraaggesprekken verliezen zelfs nog sneller aan belang. Ze zijn immers bij uitstek het soort momentopname waarop Bomans ook alludeert in het eerder genoemde stuk Echte Van Gogh in jutezak?.

Ondanks dat laatste deel echter zeker een aanrader, dit Van mens tot mens.

Björn Roose

dinsdag 3 juni 2025

Op het vinkentouw – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Op het vinkentouw – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Terwijl ik deze Op het vinkentouw nog aan het lezen was, kwam ik bij een bezoek aan de openbare bibliotheek iets tegen waarvan ik het bestaan niet kende: de verzamelde werken van de auteur, Godfried Bomans, of toch twee delen daarvan.

Ik dus op speurtocht naar de (rest van die) verzamelde werken (uitgebracht onder de titel Werken). Gemiddeld ergens tussen de vijftig en zestig euro per deel, zo bleek, en er waren zeven delen. Tot ik een aanbod vond dat te mooi scheen om waar te zijn: een niet geheel onbekende boekhandel in Nederland bood de volledige serie aan voor honderddertig euro. Verzendkosten: drieënhalve euro. Voor meer dan vijfduizend pagina’s van een van mijn lievelingsauteurs. Deal!

En nooit meer té veel betalen voor een van de boekjes van zijn hand, wat ik onlangs in Gent nog deed, omdat ik nu eenmaal een verzamelaar van ‘s mans werken ben en je die in onze contreien nu ook niet voortdurend tegenkomt. Want in die verzamelde werken staat natuurlijk álles van Bomans. Toch? Wel, nee… zo lijkt het inmiddels. Er staat gelukkig een register in (een paar verschillende zelfs, op andere manieren gestructureerd), maar als ik bijvoorbeeld de achtenvijftig stukjes die in Op het vinkentouw zijn opgenomen ga opzoeken in dat register, dan blijkt dat er een aantal niét in de verzamelde werken te vinden zijn. Althans: ze worden wel vernoemd in het register, mét de datum waarop ze oorspronkelijk verschenen zijn, maar er staat geen deel en pagina bij waar ze in de verzamelde werken zouden te vinden zijn. Wegens tijdsgebrek heb ik nog niet kunnen nagaan waarom niet alle werken in de verzamelde werken te vinden zijn, iets waar een verzamelaar toch wel een beetje van uit gaat, maar zélfs voor wie die verzamelde werken in zijn bezit heeft, zijn er dus in Op het vinkentouw negen stukjes te vinden die hij mogelijk nog niet in zijn bibliotheek heeft zitten (want er zijn natuurlijk veel verschillende bundels van Bomans uitgegeven, waarin soms dezelfde stukjes werden opgenomen): Een ere-saluut, Wennen aan waarheid, Zie ommezijde, Drie rotsen, Pijnlijk, Een misverstand, De manier, Cijfers gevraagd, en Een minuut stilte. Let wel: de stukjes met die titels die in 1956 werden gepubliceerd, want Bomans hergebruikte al eens een titel voor een in een ander jaar geschreven stukje, en die zijn dan weer wél in de verzamelde werken opgenomen. Wat toch nog minder verwarrend is dan wat met het stukje Sinterklaas gebeurde. Aan de goedheilig man en alles wat er rond hangt, wijdde Bomans – zoals bij zijn lezers bekend – véle stukjes, maar datgene waarnaar in het register van de verzamelde werken verwezen wordt als het Sinterklaas dat in 1956 gepubliceerd werd, is niét hetgene wat in Op het vinkentouw werd opgenomen.

Soit, als ik ooit eens de handleiding lees bij de verzamelde werken, dan kom ik op deze kwestie misschien terug in een volgende boekbespreking, maar wat betreft deze uitgave van Op het vinkentouw, de zestiende, na – dixit de uitgever in zijn voorwoordje genaamd Bij de zestiende druk – “zijn plotseling verscheiden”, bij Uitgeverij Westers, moet me van het hart dat het niet is omdat je een bundel van stukjes uitgeeft, dat die tijdens het lezen ook in stukjes uiteen moet vallen. Dat lijmen goedkoper is dan binden, weet ik ook wel, maar zorg dan tenminste dat je lijm fatsoenlijk is, want anders gaat zo’n boek ook “plotseling verscheiden” terwijl het daar nóóit het moment voor is.

Nu goed, ik probeer de “hier verzamelde beschouwingen” dan wel weer min of meer in orde te krijgen met plakband, want niet alleen heeft Bomans deze – aldus zijn eigen Verantwoording - in “de periode van 5 november 1954 – 5 februari 1955 en van 4 januari 1956 – 10 december 1956” onder het pseudoniem Parlevink voor De Volkskrant geschreven, hij droeg er ook een deel van voor “in de Aula van de Leuvense Universiteit”, wat er voor een Zuid-Nederlander niet alleen een beetje couleur locale aan geeft, maar ook bewijst dat ze toén aan de Katholieke Universiteit Leuven nog wél geïnteresseerd waren in wat zich in de katholieke wereld afspeelde, want dát is waarover veel stukjes in deze bundel gaan (al is dat beslist niet bij álle stukjes zo). Zoals in het Ter inleiding van ene M.G. staat: “In deze bundel satiren wendt de schrijver Godfried Bomans, wiens talent over veel kanten beschikt, ons zijn scherpe zijde toe. Zeker, hij heeft het floret van zijn sarcasme ook eerder te vermoeden gegeven. Maar was dit wapen vroeger veelal verborgen in de schede ener zachtmoedige ironie, die hem van de dichter Roland Holst de naam ‘fluwelen duivel’ deed verwerven, hier schittert het lemmet onbedekt en treft de stoot in het hart. Dat Bomans daarbij bepaalde toestanden of gebeurtenissen in de katholieke geloofspractijk niet ontziet, heeft sommigen bevreemd, enkelen verontrust. Wij achten deze stoutmoedigheid een verheugend verschijnsel. Zij is een teken, dat de katholieke emancipatie in haar ontwikkeling een punt bereikt heeft, waarop zij kritiek van binnen uit verdragen kan.”

Want laat ons wel wezen: Bomans was een katholiek, mild tegenover wie dat verdiende (en dat waren er velen) en strijdbaar tegenover wie dat niet deed (en zo waren er, zo blijkt uit deze bundeling, ook nogal wat). Maar Bomans was, voor wie nu de schrik om het hart slaat en eigenlijk zelfs al deze bespreking niet meer verder wil lezen, ook een schitterend schrijver en elk van de stukjes, werkelijk elk, in dit boek (en zijn andere boeken uiteraard) is daarom het lezen meer dan waard. Een begin als dat van De burger mag illustratief daarvoor wezen: “Ik heb een neef, die op school al niet wou deugen. Hij rommelde een tijdje in de bloembollen, drumde toen wat in een onduidelijk orkest, kocht hierna een gespikkeld strikje en werd binnenhuis-architect. ‘t Was eigenlijk wel een aardige jongen, maar sommige mensen zijn daartoe voorbestemd, ze kunnen het niet helpen en ik heb hem ook nooit hard bejegend.”

En dat lós van het feit dat echt niet elk stuk over katholicisme an sich gaat. Over het communisme bijvoorbeeld, zijn er ook een paar, al heeft geen enkele goeie katholiek natuurlijk ooit veel sympathie gehad voor die ideologie. En terecht. Wat weerom niet belet dat Bomans er met humor tegenaan gaat: “De heer Kroesjev is er eindelijk achter gekomen, dat Stalin een terreur heeft uitgeoefend en in de loop van zijn regime honderdduizenden om zeep bracht. Nu wisten wij, in het overigens misleide Westen, dit al tamelijk lang. Door middel van onomstotelijke documenten is dit sinds jaren tot in den treure aangetoond en bewezen. Ook de Russische machthebbers wisten dit. Men kan een enkel moordje wel verdonkeremanen, maar een slachtpartij, die zich over decenniën uitstrekt en waarbij miljoenen mensenlevens gemoeid zijn, kan aan de overblijvende ja-broers op het Kremlin natuurlijk niet ontgaan zijn. De ijver immers, waarmee zij ‘ja’ knikten, putten zij uit de wetenschap dat men onder zo’n man maar één keer ‘nee’ kan schudden. Voor de tweede maal is er geen hoofd meer voorradig.”

Een humor die trouwens niet kon beletten dat Bomans er door gesleurd werd in De Waarheid, de Nederlandse versie van de Pravda, iets waar hij dan weer garen uit spon om nóg een stukje aan dat fantastische communisme te wijden. Wie problemen wou, kon er immers altijd maken: “Het bureau van het aartsbisdom Utrecht voor jeugdzorg organiseerde kort geleden een praat- en denkavond over het thema ‘levensvreugde’. Wij hebben dit altijd als een van de weinige onderwerpen beschouwd, waarover zelfs in Nederland niet gedacht en gepraat behoefde te worden; maar we begrijpen na enig nadenken dat, als je maar bij elkaar in een zaaltje gaat zitten, er wel degelijk een probleem uit te halen is.” Maar goed, zo luidt het in weer een ander stukje: “(…) toen ik zelf een jongetje van tien jaar was, verwachtte ik ook niet dat deze problemen mij werden voorgelegd. In mijn tijd werd de wetenschap, waar New York ergens lag, voor de scholieren van tien jaar als de uiterste grens van algemene ontwikkeling beschouwd. Wie meer wist, bracht het onderwijzend personeel, dat slechts over een kleine reserve aan kennis beschikte, in de grootste verlegenheid.”

Wat dan weer niet wil zeggen dat je als lezer niets kan bijleren van Bomans: “Van de vele vormen, waarin men zijn medemensen voor de gek kan houden, is de zogenaamde ‘Köpenickiade’ mij het sympathiekst. Men moet, om in dit moeilijke genre te slagen, verbeeldingskracht, mensenkennis en durf bezitten. Het oer-voorbeeld is natuurlijk de ‘Hauptmann von Köpenick’: de man, die in het begin van deze eeuw een schitterende satire gaf op de Pruisische aanbidding van de uniform, door zich als kapitein te verkleden en in vol ornaat met de gemeentekas er vandoor te gaan. Hier werd een zeker type van mens geïmiteerd: de Pruisische officier. Moeilijker wordt het, een bepaald persoon voor te stellen. Het risico van door de mand te vallen stijgt dan aanzienlijk. Toch wil het wel eens lukken.” Waarna een verhaal volgt over een delegatie van veertien man die een meisjespensionaat bezochten onder leiding van de toen nog niet dode koning Boudewijn, daar goed at en dronk, en pas achteraf geen delegatie en geen koning bleken te wezen, maar vijftien Vlaamse studenten…

Of Bomans die anekdote meenam van zijn bezoek aan de Leuvense universiteit of ze daar vertelde, weet ik uiteraard niet, maar ik twijfel er niet aan dat ik nog veel te lang ga doorgaan met citeren als ik er nu geen einde aan brei. Met nog één citaat. Eentje over kunstenaars van wie men bij elk nieuw werk meteen merkt dat het van hen is, iets wat sommige mensen kennelijk saai voorkomt: “Wij signaleren hier een eigenaardig verschijnsel. Het doet zich niet alleen in de letterkundige sector voor, maar ook in besprekingen over muziek en beeldende kunsten. Componist D. moest eens iets anders durven. Schilder E. wordt dringend verzocht eens wat meer revolutionair voor de dag te komen. Allerwegen treft men in de huidige kunstkritiek ditzelfde vermaan. Het ergste verwijt, dat men een kunstenaar, hij zij uitvoerend of scheppend, naar het hoofd kan werpen, schijnt te zijn: dat hij gespeeld, geschilderd of geschreven heeft naar een ‘beproefd recept’, dat wij nu ‘langzamerhand wel kennen.’ Dit verwijt lijkt mij in zijn algemeenheid onbillijk. De onjuistheid ervan springt terstond in het oog, als wij het toepassen op kunstenaars uit het verleden. Ieder, die oor heeft voor muziek, zal na hoogstens één minuut luisteren kunnen zeggen, dat er een symfonie van Mozart wordt gespeeld, en bij Beethoven is de maker reeds na enkele maten duidelijk. Een verhaal van Dostojewski verraadt zich na één bladzijde en een beeld van Rodin herkent men bij eerste oogopslag. Het is niet duidelijk waarom datgene, wat de gestorven kunstenaar is toegestaan, de nu levende artiest onthouden zou zijn. Integendeel, juist de mate van herkenbaarheid pleit voor de grootte van een kunstenaar. Het zijn de kleinen, wier stem men niet herkent: zij lijken te zeer op anderen. Het geluid van de groten echter is enig en onvervangbaar. Wat zij te vertellen hebben, zeggen ze op hun eigen, persoonlijke en onnavolgbare wijze. Wie hierin een tekort ziet, vergist zich, omdat hij voor een gebrek houdt wat juist een kwaliteit genoemd moet worden.”

Iets wat ongetwijfeld ook mag gelden voor Godfried Bomans zelf, al zou hij dat, als fervente hulp-Sinterklaas, nooit van zichzelf geschreven hebben: “(…) Sinterklaas gaat nimmer ter kerke. Hij heeft dat zijn hele leven gedaan, is daarna heilig verklaard en er toen onmiddellijk mee opgehouden. Heiligen hoeven niet. Zij mògen wél. Sinterklaas wandelt dan voor de aardigheid een kerk binnen, werpt een pepernoot op de schaal en gaat buiten een sigaar roken. Ook de preek laat hij aan zich voorbijgaan. Hij is, evenals alle zaligen in de hemel, oneindig gelukkig en wil dit zo houden. Kerken, die aan hem speciaal zijn toegewijd, betreedt hij helemaal niet. Hij acht dit enigszins pedant en beschouwt het ook als een verkwisting om voor zichzelf een kaars op te steken.” Waarmee ik toch nog twéé citaten in deze bespreking heb binnengesmokkeld.

Björn Roose

dinsdag 9 januari 2024

Het doosje – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Het doosje – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)
Ik zou u al meteen bij het begin van deze bespreking willen aanraden Het doosje van Godfried Bomans toch vooral te kopen als u het ergens tegenkomt, maar wie dat in originele editie wil doen, zal toch veel geluk moeten hebben. Het verscheen namelijk al in 1938 in het Amsterdamse studentenweekblad Propria Cures, werd vervolgens in 1956 op amper 500 exemplaren in boekvorm uitgegeven door de Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst, en kreeg in 1966 zijn wijdste verspreiding met een herdruk in opdracht van de Wereldbibliotheek-Vereniging, en wel op 18.000 exemplaren. Dat studentenweekblad zal nog heel moeilijk te krijgen zijn, één van de 500 exemplaren van de Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst zag ik op het internet circuleren aan 75 euro (voorheen was het op een of andere manier nog te koop via De Slegte), en ondanks die 18.000 exemplaren kwam ik niet één webpagina tegen waarop iemand de Wereldbibliotheek-editie verkocht.

Eenvoudiger moet het wezen De glimlach die blijft te vinden (voor nog geen tien euro zag ik die passeren op Bol.com), maar Een keuze uit zijn werk is, ook als daarin dit verhaal zit, natuurlijk niet hetzelfde als een zelfstandige uitgave daarvan. Temeer omdat u in die bundeling wellicht niet de illustraties zal vinden die de Wereldbibliotheek-editie, de editie in mijn bezit, toch wel onderscheiden van de andere en van de hand van Karel Thole zijn. Die verzorgde ook de illustraties bij wat dan nog altijd Bomans’ bekendste boek heet te zijn, Erik of het kleine insectenboek, voor het eerst verschenen in 1941 en in 2013 aan zijn zestigste druk toe, werd in de jaren 1970 beschouwd als een van de belangrijkste illustratoren in de Europese science fiction (hij tekende onder andere zeer gewaardeerde covers voor het Italiaanse blad Urania en de Duitse uitgever Heyne, maar ook voor de Amerikaanse uitgevers Ace Books en DAW Books en de Britse imprint Orbit), en haalde in diezelfde jaren 1970 (hij illustreerde tot in 1986, toen hij al 72 jaar oud was) in Toronto drie keer de op science fiction gerichte Locus Award binnen als beste professionele illustrator en één keer een Special Award. Mogelijk vindt u, zoals ik, ook ander werk van hem in uw bibliotheek als u boeken uit de serie Don Camillo van Giovanni Guareschi heeft staan, maar de latere ‘goede’ bekendheid van Thole - ook in Nederland, zo mag blijken uit het feit dat hij de illustraties voor deze Wereldbibliotheek-editie mocht verzorgen - mag sowieso een wonder heten: de man had namelijk een antisemitisch, fascistisch en zelfs nationaal-socialistisch verleden mee te slepen, en illustraties geleverd hebben voor onder andere het Zwart Front, later Nationaal Front, kan nauwelijks iets geweest zijn dat hij op zijn curriculum vitae wou vermelden.

Enfin, de illustraties die Thole leverde voor Het doosje zijn op geen enkele manier verdacht, tenzij dan verdacht mooi én technisch apart. Hij werkte, aldus de vermelding ter zake achteraan in dit boekje, “met dekverf op schuurpapier, om te tonen hoe men halftooneffecten kan bereiken met lijncliché’s”. Die effecten zijn – maar de gustibus et coloribus non disputandum, nietwaar? - minder geslaagd als de illustratie zwart op wit is, maar bijzonder knap waar gebruik gemaakt is van een soort clair-obscur, dus een oplichtende voorgrond tegen een donkerder achtergrond, iets wat ook het best overeenkomt met de aard van dit verhaal. Ook daarvan is de achtergrond, een achtergrond die de verteller probeert te ontvluchten, terwijl zijn protégé er net enigszins door aangetrokken wordt, duister, maar de voorgrond, voortdurend verlicht door Bomans’ onnavolgbare humor, zo onnavolgbaar dat het zelden duidelijk wordt waar de humor eindigt en de levensles begint, helder.

Onnavolgbaar, inderdaad, en kennelijk niet eens vólgbaar voor sommige commentatoren op het internet. Ene Sol1 bijvoorbeeld schrijft op Boekmeter.nl dat je van Godfried Bomans kan “zeggen dat zijn humor en verteltrant soms aan de gedateerde kant zijn” en dat “latere of zelfs hedendaagse schrijvers (…) dit verhaal op een andere manier gebracht [hadden]”, maar vergeet daarbij dat dat verhaal dan mogelijk niet eens grappig zou geweest zijn. Net de door Bomans toegepaste stijl, een stijl die beslist niet zijn enige was maar die hij ook ten dele toepaste in zijn verhalen rond Pa Pinkelman, maken Het doosje namelijk hilarisch. Haal die stijl er uit en je krijgt wellicht een soort van een zedenpreek, iets waar – toegegeven – “latere of zelfs hedendaagse schrijvers” inderdaad en helaas hun voornaamste kenmerk van lijken te maken. Geen titels aan je hoofdstukken geven, maar een stuk van je eerste paragraaf in hoofdletters als dusdanig gebruiken, is wellicht niet iets dat die “latere of zelfs hedendaagse schrijvers” zouden doen, maar “IK WAS MOE, GRENZELOOS MOE. IN ALEXANDRIË HAD IK DRIE WEKEN GELUISTERD NAAR DE BEKENTENISSEN” gevolgd door “van een afgevallen rabbijn en steeds dieper was ik afgedaald in de schachten van deze duistere ziel; in Parijs had ik kennis gemaakt met Iwan Popoff, een gifmenger die mij ‘s avonds placht te bezoeken met een wurger en een sluipmoordenaar”, is onmiskenbaar grappiger dan, pakweg, ‘Hoofdstuk 1’ gevolgd door “Ik was moe, grenzeloos moe. In Alexandrië had ik drie weken geluisterd naar de bekentenissen van een afgevallen rabbijn en steeds dieper was ik afgedaald in de schachten van deze duistere ziel; in Parijs had ik kennis gemaakt met Iwan Popoff, een gifmenger die mij ‘s avonds placht te bezoeken met een wurger en een sluipmoordenaar.”

En ik ga u uiteraard niet de ganse plot meegeven – dat zou zonde zijn, al is het verhaal dan maar een kleine vijfenvijftig bladzijden dik, tien illustraties inbegrepen -, maar ook de hele verteltrant maakt van Het doosje een ironisch meesterwerk. Een passage als de volgende kan je toch écht alleen maar met een glimlach om je mond voorlezen?: “Wat een bevoorrechte plek op aarde! ging het door mijn hoofd, wat een paradijs van landelijke onschuld! En opeens werd het verlangen in mij levendig een spliterwt te zijn en hier stil en nederig te bloeien, besproeid door Havermeel, gesnoeid door Ruigbol en door beider blikken bewaakt. Geen Ellendelingen, geen uitgevers zelfs zouden mij hier genaken. Ongetwijfeld zouden zij mij zoeken, ja zelfs de tuin doorsnuffelen en het rozenperk omwoelen. Honderden keren zouden zij langs mij lopen, niet vermoedend dat ik bloeide naast de zandbak en hen glimlachend bezag.” Of deze?: “De heerlijke veilige atmosfeer had mijn oude werkkracht hersteld en de gehele dag was ik bezig met een tweetal bijdragen voor het Zeevaartkundig Weekblad: De oorzaak van wier- en schelpafzetting op fregatkielen en De invloed van bruinvissen op kuststromingen. De onschuldige arbeid deed mij goed; ik kreeg een blos op de wangen, de eetlust keerde terug.” Of, ten slotte, deze?: “Ik heb het lachen van Turkse Kinderbeulen gehoord en het satanisch geschater der Egyptische Vrouwen-Moordenaars. Het was erg geweest. Het zachte gegiegel der Armenische Knijpers was mij evenmin vreemd. Ook dat was erg geweest. Maar dit was erger. Het was een stil, spookachtig lachen, dat mij door merg en been ging. Ik stond verslagen. Dwars door het land was ik gespoord om in het reine, het engelachtige Nederhorst te komen; hiermee niet tevreden had ik de stilste, de meest argeloze straat uitgekozen, en daarin het onschuldigste huis tot mijn woning verkozen. En nu ik er een week woonde bleek ik de buurman te zijn van een verborgen sadist, een wellusteling van de ergste soort.” Wie dan, zoals Sol1, blijft steken bij “een klein, grappig verhaal”, heeft toch minstens de helft gemist van wat Bomans met Het doosje gepresteerd heeft? Een spliterwt willen zijn, je wijden aan artikels waarvan de inhoud totaal niet aansluit bij je personage, of een buurman beoordelen als “een wellusteling van de ergste soort” louter op basis van “een stil, spookachtig lachen”, is toch hilarisch, niet gewoon “grappig”, zelfs als je al die dingen niet combinéért met elkaar?

En dat nog los van zinnen als “Het was alsof wij de bedorven uitwasemingen van een stinkend moeras de rug hadden toegekeerd en voorgoed rondwandelden op de frisse duintoppen van een zuiver geweten en een edelmoedig besluit.”. Of een passage als “‘Indien ik meende, dat u niet meer te redden waart,’ zo vervolgde ik, ‘had ik de schutting tussen ons gelaten. Doch ik heb haar beklommen om u te genezen. Ik kom om u terug te voeren in uw tuin. Uw plaats is niet in Schotland. Uw plaats is hier. Gij behoort in uw prieel, naast uw vrouw, achter uw bananen. Tracht niet te ontsnappen. Dit is uw lot, uw uitverkiezing.’”

En al even goed los van het enorm blasé optreden van de verteller, doorgetrokken tot in het absurde, tot in het toneelmatig overdrevene: “Zo sprak ik voort, koel, beslist, met rechte rug; en elk mijner zinnen was als uit steen gehouwen. Toen stond ik op en klopte mijn pijp uit. Havermeel zat daar, als door de bliksem getroffen en staarde op het grint aan zijn voeten. Mevrouw Havermeel echter keek mij van achter haar boomstam aan, gelijk mijn kijkt naar de morgenster, die des ochtends rijst aan de kim, de nachtelijke nevelen verjagend. Och ik was niet ontevreden over mijzelf.”

Maar toch… achter al die humor schuilt wel degelijk een levensles. Op het eerste zicht schijnt die te wezen dat een mens niet op zoek moet gaan naar het avontuur, maar zijn vreugde beter kan zoeken in de kleine dagdagelijkse dingen. Bomans ten voeten uit, eigenlijk, want ondanks het feit dat Bomans bij gelegenheid wel eens reisde, wás hij geen reiziger, laat staan een avonturier: zijn laatste reis maakte hij naar Rottumerplaat, het Waddeneiland waar hij, zoals Jan Wolkers vóór hem, een week in eenzaamheid doorbracht, maar dat avontuur bekwam hem zo slecht dat hij nog datzelfde jaar, op achtenvijftigjarige leeftijd overleed. Op het tweede zicht is er echter méér, zijnde het gegeven – het feit, neem dat van me aan mocht u het zelf nog niet beseffen – dat iedereen wel een klein dagdagelijks ding heeft dat nét iets anders is dan al de rest en dat je de toegang daartoe niet mag afsnijden als je niet het risico wil lopen dat degene wiens ontsnappingsroute zo verdwijnt het gaat zoeken in het échte avontuur. Een mens moet kunnen dromen, een mens moet niet op ieder moment van de dag, zeven dagen op zeven, met zijn voeten stevig op de grond staan. Een mens moet “een klein beetje een dichter” kunnen zijn, een “uitlaat” hebben, “van tijd tot tijd [uit] zijn gouden, doch kleine kooi (…) [kunnen ontsnappen] om in ijlere luchtlagen te zweven”. Het kleine begeren, is soms alles wat nodig is om een gelukkig leven te leiden.

Björn Roose

dinsdag 16 mei 2023

Oude en nieuwe buitelingen - Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Oude en nieuwe buitelingen - Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)
U weet, of zou moeten weten, dat ik een fan ben van de boeken van Godfried Bomans, en zal er dus wellicht niet van opkijken dat zodra ik er een waarneem die ik nog niet heb, ik het koop. Dat was dus ook het geval met voorliggend Oude en nieuwe buitelingen dat ik pas heel onlangs aantrof in een kringwinkel (mijn vaste boekenjachtgebied).

Oude en nieuwe buitelingen, jawel, terwijl de verhalen geselecteerd uit de eerdere bundels Buitelingen en Nieuwe buitelingen komen. Slechts een van beide in mijn bezit helaas, maar allicht allebei, zoals deze, tsja, bundeling der bundelingen, een verzameling vormend van zeer humoristische en zeer ernstige stukken. Zoals de achterflap immers aangeeft: “Voor Bomans bestaat er geen tegenstelling tussen humor en ernst. Een werkelijk geestige mededeling is altijd serieus.” “Ernstige en luchtige zaken, alledaagsheden en bijzondere gebeurtenissen worden aan zijn speelse fantasie overgeleverd. Vanuit de merkwaardigste gezichtshoek ontdekt en beschouwt Bomans onvermoede facetten aan de meest uiteenlopende zaken en personen, getoetst aan zijn psychologische kennis en gekruid met een mengsel van milde spot, humor en ernst.” Wat in dit geval dan resulteert in zesentwintig teksten gevat onder de tussentitels Vier verhalen, Satyren, Psychologische verkenningen, Onzin, Overpeinzingen, Petite histoire, en Lichamelijke oefeningen.

Tussentitels die je als indeling overigens niet al te serieus moet nemen. Arie Rekelbast, de enige tekst onder Lichamelijke oefeningen, zou bijvoorbeeld net zo goed onder Onzin kunnen vallen. Net zoals Is de vrouw nieuwsgierig? dat onder de tussentitel Vier verhalen terechtkwam. Dat maakt niet zoveel uit, maar het is wel handig dat de serieuzere stukken niet vermengd zijn met de minder serieuze en apart onder de tussentitels Psychologische verkenningen, Overpeinzingen en Petite histoire zijn terechtgekomen, net omdát bij Bomans het verschil tussen serieus en minder serieus niet altijd makkelijk te maken valt, zélfs al zijn ze onder die aparte tussentitels gevat.

Voorál bij de Psychologische verkenningen – bevattende Zielkundige waarneming vanuit een canapé, Kent gij Dionysos?, Mannen onder elkaar, Katterig Nederland, De kunst van het verkopen, en (voor wie Bomans enigszins kent geen verrassend onderwerp) Enige richtlijnen voor bisschoppen (waarbij die bisschoppen uiteraard hulpsinterklazen zijn) - beoefent hij dat genre. Niemand zal Bomans allicht ernstig nemen als hij aan het begin van Zielkundige waarneming vanuit een canapé schrijft dat hij “kort geleden (…) het genoegen [had], te Aerdenhout in een besloten gezelschap een lezing bij te wonen, ik meen over het Batikken op Cuba of over het Glasblazen op Ceylon”, maar velen zullen, even allicht, zelfs meer dan vijftig jaar nadat het boek verschenen is dit herkennen: “De toehoorders wachtten beleefd tot het voorbij was en stortten zich toen opgewekt in de discussie. Er vormden zich aanstonds twee partijen, één, die beweerde, dat de Russen binnen drie maanden Nederland zouden binnenvallen, de ander volhoudend, dat dit nog wel tien jaren duren kon.” En vervolgens – en Twitter, waar ook het grootste deel van de mannelijke populatie zich als een viswijf gedraagt, was toen nog niet uitgevonden: “Dat is nu iets, waar men uren naar luisteren kan. Het ontbreken van een gemeenschappelijk uitgangspunt, het gebruik van enkele glazen wijn en niet het minst het totale onvermogen der vrouwelijke deelnemers om de zijpaden van de hoofdweg te onderscheiden, haar verrukkelijke neiging om beide in blinde geestdrift te bewandelen, dit alles brengt het debat reeds spoedig in een moeras van verwarring en misverstand.” Of, toch ook een type dat iedereen op “sociale” media kent: “(…) een oude dame met een fluwelen bandje om de hals, wier algemeen voorkomen van een onwrikbare naastenliefde getuigde. Men kent dit soort dames. Zij gebruiken des ochtends een vrucht en des middags een snede tarwebrood, zijn lid van de dierenbescherming, slapen met open ramen, geloven in de komst van een zekere Krishna en staan in correspondentie met een verbijsterend aantal Zoekers en Worstelaars, die zij allen volkomen begrijpen en aanvoelen. Zij aanhoren uw opmerkingen met de welwillendheid, waarmee men naar het gesnap van een kind luistert en geven u, juist op het moment, dat ge de politieke situatie van de Balkan tracht uit te leggen, plotseling een kneepje in de wang en delen u met sprankelende ogen mede, dat àl dat getob verdwijnt, als we maar luisteren naar de inwendige Stem.” Of, ten slotte, dít gegeven dat nóóit waar te nemen valt op sociale media om de simpele reden dat mensen zich, zelfs al zitten ze er met miljoenen op, op diezelfde “sociale” media nooit gedragen alsof ze in gezelschap zijn: “Zodra op een avondje een paar heren op een kluitje gaan staan en met verheffing van stem betogen, dat de ander een volslagen idioot is, snellen de vrouwen toe, als witte bloedlichaampjes naar een open wonde. Zij pogen de zaak te sussen. Zij menen, dat er iets mis gaat. Zij trachten tussenbeide te komen. De oorzaak hiervan is uitermate interessant en grondt zich op het onuitroeibaar misverstand, dat deze mannen nu boos op elkaar zijn. Vrouwen zullen nooit iets begrijpen van dat vreemde, onuitgesproken, wat ruwe ding, dat wij kameraadschap noemen. Zodra vrouwen met elkaar gaan debatteren, komt er iets venijnigs, iets scherps, iets bliksemends in haar toon. Ze kennen tussen haar mening en die van de tegenstandster geen speelterrein, geen fluïdum, geen stootkussen. Zij veronderstellen dit niemandsland ook bij de man afwezig.” Waarmee de situatie dan tóch weer lijkt op die op “sociale” media om de eerder genoemde reden: ook het grootste deel van de mannelijke populatie gedraagt zich daar als een viswijf.

Bomans weet dit alles op een grappige manier te brengen, zoals een goeie stand-up comedian van tegenwoordig dat zou kunnen, maar het is er allemaal niet minder wáár om. Net zoals, bijvoorbeeld, ook de types dronkaards waarover hij het heeft in Kent gij Dionysos?, dat zijn: “de Promethische, de Dionysische en de Untergang des Abendlandes-dronkaard”. Terwijl hij toch openlijk toegeeft dat hij die benamingen “zelf bedacht” heeft; over de “Untergang des Abendlandes-dronkaard” schrijft dat “Het voordeel van Duitse uitdrukkingen (...) hierin [bestaat], dat ze niet alleen het begrip zelf omschrijven, maar bovendien nog een tweede betekenis schijnen te verbergen, die boven het bevattingsvermogen van de eenvoudige lezer uitstijgt en hem doet verbleken van eerbied en ontzag”; en over de “Promethische dronkaard”: “Deze soort omvat ongeveer een derde der Westerse mensheid en – het spijt mij dit te moeten zeggen – ruim driekwart onzer vaderlandse bevolking. De neiging uit zich, gelijk het woord reeds uitdrukt, in het afrukken van wandbordjes, gelijk daar zijn: Oost West, Thuis Best, Voeten Vegen, Niets Buitensteken en Gelijk het Klokje thuis tikt, tikt het Nergens. Voorts in het verbrijzelen van glazen, het molesteren van andersdenkenden en het zich onbekommerd vertonen in bretels en overhemd.”

Typeringen die raak zijn dus, maar niet minder humoristisch gebracht worden dan die van de worstelaars in Een sensationele worstelwedstrijd, archeologen in Een schelms verleden herleeft, en de schaakmeesters in Wat denkt een meester er van?, de drie stukken die te vinden zijn onder de tussentitel Onzin, met dat verschil dat Bomans het daar helemaal tot in het absurde doortrekt: “Men moet, om datgene te verkrijgen, wat wij ‘schaakervaring’ noemen, een tijdlang gespeeld hebben. De mate van die ervaring hangt af van de tijdsduur, waarin men gespeeld heeft. Zo zal, om een eenvoudig voorbeeld te noemen, iemand die drie maanden gespeeld heeft, minder ervaring hebben dan iemand die al tien jaren schaakt. Er heerst op dit terrein zo ontzaglijk veel misverstand.” Wat ook niet wil zeggen dat álles in die stukken absurd is: “Euwe at dus, Botwinnik, Smyslov en Keres daarentegen deden niets dan denken. Zij zagen doodsbleek. En geen wonder. Hun spelschema is te Moskou door Stalin persoonlijk vastgesteld. Elke afwijking daarvan vergroot hun kans om naar Siberië gestuurd te worden. Men begrijpe mij goed: zij komen er tòch terecht. Elke Russische schaker eindigt vroeg of laat in Siberië. De vraag is alleen: hoe lang rek ik het nog?”

Maar goed, typeringen dus, types, typische dingen. Die komen ook naar voren in de Vier verhalen: Drie harten: pas (over kaartspelers uiteraard), De club der zwijgers (over de moeilijkheid en de deugd van het zwijgen), Is de vrouw nieuwsgierig? (nee... niet over nieuwsgierige vrouwen, maar over wetenschappers), en Hoebe (de ondertitel Of het epos van een verzekeringsagent zegt genoeg): “Eerst langzamerhand werd het mij duidelijk, dat dit ook de reden was van Hoebe’s bijna bovenmenselijke volharding: hij voelde mijn gestage weigering als een uitdaging, een krenking van zijn beroepstrots, een slag recht in het gelaat van allen, die verzekerd waren. En opeens begon ik van hem te houden. Ik zag hem niet groter dan hij was, o neen. Ik zag alleen, dat hij op een heerlijke wijze was, wat hij was: een verzekeringsagent. Onder mij woonde een absolute geest, in zijn soort volmaakt, gelijk Sappho het was in de hare. Een agent, even volstrekt als Dante een dichter was en Don Quichotte een gek. Een agent, goed, maar als zodanig een standbeeld, een heros. Ons gesprek was niet meer een woordenwisseling tussen iemand, die niet verzekerd was en iemand, die wel verzekerd was; het was de botsing tussen de kosmos der roekelozen en die der geborgenen en de Iepenstraat dreunde van de slag.”

Typeringen ook die we weervinden onder de tussentitel Satyren, maar dan eerder in het type dat de schrijver speelt: in Opzienbarende tentoonstelling dat van de moderne kunstcriticus (één hoop lucht), in – het over de platte-aardetheorie handelende - Oliebol of pannekoek? dat van de wetenschapsjournalist, in Enige bittere waarheden dat van de liefhebber van klassieke muziek (met mijn excuses voor de, zelf gevonden, woordspeling, lichtelijk blasé): “Dit is zo aardig in Soest, dat men de moed heeft de platgetreden paden der muziekbeoefening te verlaten en het risico te nemen om totaal onbekende meesters te verklanken. Zo hoorden wij vanavond de ‘Unvollendete’, ook wel ‘Onvoltooide’ genaamd, van een zekere Schubert. In weerwil van deze misleidende titel was de vertolking àf en wij kunnen deze componist niet genoeg aanmoedigen dit werkje spoedig te voltooien. Ook smaakten wij de sensatie de ‘Eroica’ van Beethoven te beluisteren, benevens de ouverture ‘Egmont’ van dezelfde componist. Verdienstelijke, frisse muziek. Het ware te wensen, dat men elders in den lande dit moedige voorbeeld volgde. Want een stuk als de ‘Hongaarse Rhapsodie’ van Liszt (Franz), waarmee wij na de pauze verrast werden, is het beluisteren dubbel waard, evenals de ‘Kleine nachtmusik’ van Mozart, een componist uit de 18de eeuw. Als ook andere orkesten deze werkjes eens in hun programma opnamen, zou er voor de vernieuwing van ons muziekleven reeds veel bereikt zijn.”

En dan blijven er nog de Overpeinzingen en Petite histoire over. Over het laatste stukje onder de tussentitel Petite histoire, Merkwaardigheden rond de Camera Obscura, ga ik het hier niet hebben, want dat las ik wegens al gelezen in het gelijknamige boek dat ik hier eerder besprak niet nog eens, maar als Bomans het in Charles Dickens en Kerstmis heeft over Charles Dickens, dan voél je de liefde voor de schrijver van elke bladzijde spatten. Als hij Een welgemeende raad geeft Aan alle café-houders in den lande, wie ik dit dringend ter lezing aanbeveel, dan weet je dat hij het exact zo meent als hij het zegt (ik ben zelf een liefhebber van tavernes, niet van het soort cafés dat Bomans graag terug wou zien, maar ik ben dan ook niet echt een kroegloper). Als hij in Curiositeiten over Peter de Grote vertelt over het bezoek van de tsaar aan Nederland, dan krijg je een weloverwogen conclusie: “De vermelding dezer curiositeiten moge echter bij de lezer niet de gedachte doen postvatten, als zou Peter de Grote slechts een zonderling barbaar geweest zijn. Hij was een geniaal man, die met zijn reis naar het Westen het belang van zijn land beoogde. Zijn kuren echter, zijn bandeloosheid, gebrek aan beschaving, ruwe manieren en grenzenloze verlegenheid in gezelschap, hebben schade gedaan aan de zaak, die hij wilde dienen. Het prestige van Rusland, dat door de verovering van Azow [een naam die u wellicht iets zegt vanwege de Oekraïnse nationaal-socialistische militie Azovbrigade, noot van mij] op de Turken aanzienlijk gerezen was, ontving door de persoonlijke kennismaking met zijn vorst een gevoelige slag.” Als hij het in Paul Verlaine’s bezoek aan Nederland heeft over... ja, inderdaad, dan bewonder je de mate waarin hij zich voor een stukje van amper dertien bladzijden gedocumenteerd heeft, het feit dat toen, in 1970, de kennis van andere talen nog in dusdanige mate aanwezig werd geacht bij de lezers dat halve alinea’s in het Frans niét moesten van een vertaling voorzien worden (da’s nu wel anders), en het gegeven dat toen óók al iedere waarnemer een volstrekt ander oordeel kon hebben over wat hij waargenomen had: “Of nu Verlaine een landgenoot in het bijzijn van anderen niet wenste te désavoueren, of dat hij werkelijk belang stelde in de causerie, hij accepteerde, en het lot schenkt ons nu andermaal een opmerkelijk schouwspel: Verlaine bij een lezing van de Sâr. Zij had plaats in een zaaltje van de Haagse ‘Kunstkring’, en handelde volgens Verlaine zelf over La Magie et l’Amour (‘si je ne me trompe pas grossièrement’), volgens [Thorn] Prikker over ‘De volstrekte onbeduidendheid der vrouw’, en volgens de toen levende journalisten over helemaal niets. Mogen wij zelf een gissing wagen, dan neigen wij tot de veronderstelling dat Verlaine de titel op het oog had, Prikker de strekking, en de journalisten de inhoud [wat voor journalisten toch wel uitzonderlijk is, noot van mij], zodat derhalve de mogelijkheid dat alle betrokkenen gelijk hadden, niet nadrukkelijk mag worden uitgesloten.” Als hij het, ten slotte, heeft over het uitzicht en de gedragingen van Johann Wolfgang von Goethe (de lezers van mijn boekbesprekingen bekend van Faust 1 en Faust 2), dan zie je dat verschil in waarnemingen nog maar eens bevestigd: “Goethe, die een vrij sterk besef van zijn eigen belangrijkheid bezat, leende hun allen, ook de onbeduidendste, geduldig zijn Olympiërshoofd ter afbeelding, zodat er ons ruim honderd Goetheportretten, alleen reeds van tijdgenoten, zijn overgeleverd. Het merkwaardige van deze afbeeldingen is wel dit: dat zij geen van allen op elkaar gelijken. Ook de indruk, die Goethe op zijn bezoekers maakte, is totaal verschillend. De een vindt hem een ‘stijf bureaucraat’, de ander gewaagt van ‘ein herzlicher Vater’. Heine ziet een murmelende oude man, doch Wieland dicht, thuisgekomen: ‘So hat sich nie in Gottes Welt / Ein Menschensohn uns dargestellt’”. Waaruit Bomans de niet onterechte conclusie trekt: “De waarheid is deze: dat ieder de Goethe te zien kreeg, die hij verdiende te ontmoeten.”

Geen idee of dat met Godfried Bomans óók zo was, maar het is wél telkens een waar genoegen om een van zijn boeken te lezen.

Björn Roose

vrijdag 11 maart 2022

Wandelingen door Rome – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Wandelingen door Rome – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb al heel lang de gewoonte de boeken van Godfried Bomans in mijn kasten te zetten onder de rubriek “Cursiefjes” (een rubriek die door de jaren heen naar mijn slaapkamer verhuisd is en daar het grootste deel van de vroeger vrije muur beslaat), maar de teksten opgenomen in Wandelingen door Rome zijn eigenlijk net zomin cursiefjes als Erik of het klein insectenboek of de verhalen over Pa Pinkelman en Tante Pollewop die in hetzelfde rek zijn terechtgekomen. Laat ons zeggen dat ik het leuk vind alles van Bomans bij mekaar te vinden.

Zoals gesteld in mijn vorige Bomans-bespreking, die van Pa Pinkelman in de politiek, heb ik niet zo heel veel van Bomans besproken wegens het feit dat ik het overgrote deel van wat van hem in mijn kasten stond al gelezen had vooraleer ik ooit aan besprekingen toe kwam, maar wat ik besproken heb, kan u hier eveneens netjes op één plaats terugvinden. Organisatie is iets moois, nietwaar?

Daar heeft de auteur, een van mijn favoriete mag ik toch wel zeggen, zelf met dit boek ook voor gezorgd. “Dit boek is”, aldus Bomans in zijn Ter inleiding, “de vrucht van bijna een jaar verblijf in Rome. Ik woonde er van 7 oktober 1953 tot 25 augustus 1954. Op dit tijdstip laadde ik mijn sterk geslonken bezittingen op een Vespa en reed over Florence, Vicenza en München, in welke steden ik telkens twee weken bleef, naar Haarlem, alwaar ik met enige aarzeling de sleutel in mijn huisdeur stak”. Dat leverde echter géén toeristische gids op, ondanks de titel zelfs geen voor wandelaars: “De lezer, die verwacht over de bezienswaardigheden van Rome op leerzame wijze te worden voorgelicht, zal zich teleurgesteld zien. Uit toeristisch oogpunt zijn deze beschouwingen geen toevoeging aan de honderden werken, welke vanuit die gezichtshoek zijn samengesteld. Dit ware ook nutteloos. Liever schreef ik over deze stad een boek, dat eenvoudig een afspiegeling was van het plezier, waarmee ik er gewoond heb. Ik zou willen, dat ik hierin geslaagd mocht zijn.”

En dat ís hij. Om maar over te schakelen van de inleiding door de auteur zelf naar de achterflap gestoffeerd door de uitgever (Elsevier, 1974): “Wie met Godfried Bomans door Rome wandelt, ziet voor driekwart dingen ‘die niet in de Baedeker staan’, en het overblijvende kwart staat zelfs niet in de boekjes die beloven u alles te zullen vertellen waarover de reisgidsen zwijgen. Dat komt doordat Bomans in staat is zijn hele kennis – en die is niet gering – te vergeten en weer zo argeloos verrukt (maar niet zo naïef) te worden als een kind. Omdat dit kind Godfried Bomans heet, toont het zich natuurlijk op de meest onverwachte ogenblikken een enfant terrible. Waarmee wij maar willen zeggen dat Bomans’ boek over Rome zich met geen enkel ander werk over de eeuwige stad laat vergelijken.” Nu heb ik niet zo heel veel boeken over Rome gelezen – strips over het antieke Rome niet meegerekend géén, denk ik –, maar ik kan me inderdaad niet voorstellen dat er in toeristische gidsen veel aandacht (zo enige) besteed wordt aan de banda degli uccelli, de Nederlands-Vlaamse schilderskolonie die in de zeventiende eeuw een thuis vond op de Via Margutta, of de “Italianisanten”, met in het bijzonder Hendrik Koelman, die hetzelfde deden (maar dan anders) in de eerste helft van de 19de eeuw.

Aan de zoeaven dan, waaronder een drieduizendtal uit Nederland, die tijdens de Risorgimento aan de verliezende kant, die van paus Pius IX, vochten? Aan de toeristen soms die verlangen “biefstuk, aardappelen en worteltjes” te eten in een Romeins restaurant of “in een soort paniek [raken], als ze een beeld van Bernini zien”? Of aan de buitenlandse enclaves door de eeuwen heen?: “Goethe ging in Rome met Duitsers om, Byron met Engelsen. Het gebeurde zelden, dat zij met een Italiaan verkeerden, en wanneer het gebeurde, verstonden zij hem niet.”

Nee, da’s allemaal geen voer voor toeristische gidsen. Net zomin als Carlo Canevari, destijds “een jongeman van 33 jaar”, inmiddels al een kwarteeuw overleden, en ook in de ruim veertig jaar tussen zijn ontmoeting met Bomans en zijn overlijden als schilder nauwelijks bekender geworden. Of mannen die kaart spelen, “zoals alleen Latijnen dat kunnen : met een hartstocht en een overgave, alsof er miljoenen op het spel staan”. Of de manier waarop Italianen ruzie maken: “Men zit daar als Noorderling bij en denkt : dit wordt messenwerk. Vreest echter niet. Een Italiaanse ruzie speelt zich af op een plan, dat geheel verschilt van het onze. Als wij met rollende ogen een tegenstander op de borst timmeren en onszelf de haren uit het hoofd trekken, mag toch verondersteld worden dat er iets aan de hand is. Hier is niets aan de hand. Het is stoom afblazen. Het gaat niet om gelijk of geen gelijk : het gaat om eventjes volop leven.” Of de manier waarop “een goed presepio-bouwer” een kerststal bouwt en de figuren rangschikt. Of hoe dat zit met wie wát verkoopt op de kerstmarkt op de Piazza Navona: “Specialisten zijn het, daar moet je mee beginnen. Er is één man, die alleen kerstengelen verkoopt. En dáárin verkoopt hij dan alleen die speciale engel, die het doekje omhoog houdt met de woorden van het Excelsior. Andere engelen vallen buiten zijn rayon. Wil je een bij-engel hebben, dan moet je naar zijn broer, schuin aan de overkant. Die heeft een dubbele kraam, want zijn sortering is vanzelfsprekend groter. Zingende engelen, dansende engelen en engelen, die op bazuintjes blazen, hij staat voor niets. Alleen al van engelen, met de rechterarm naar voren gestrekt, heeft hij er zeshonderd. Ze staan dicht opeen, vleugel aan vleugel, als een regiment zalig geworden Fascisten.”

Maar al die figuren vind je wél terug in Bomans’ Wandelingen door Rome. Samen met Charles Dickens (wiens Pictures of Italy volgens Bomans “één verrukkelijk misverstand, één opgetogen vergissing” was), Marie-Henri Beyle (ofte Stendhal, bekend van zijn Promenades dans Rome, bij wie Bomans leentjebuur ging spelen voor de titel van dit boek), Percy Bysshe Shelley, John Keats en Joseph Severn (die laatste twee tijdens de weken voor Keats’ dood op nummer 26 aan de Piazza di Spagna). Samen ook met Romeinse schavuiten (“voor het merendeel”, aldus Bomans, afkomstig “uit… de Balkan”): “Op de honderd vreemdelingen in Rome zijn er slechts enkelen, die er zich op beroemen kunnen àl hun penningen naar eigen inzicht besteed te hebben. De meesten moeten een gedeelte van hun buidel aan een onbekende afstaan, die er een eigen bestemming voor heeft”. En met Romeinse kostgangers, de lieden die ervoor zorgen dat de fonteinen proper blijven, vrij van verdrinkende toeristen, en in het geval van de Fontana di Trevi, niet óverlopend door al dat kleingeld dat er in gegooid wordt. En, ten slotte, met Felix Rutten, schrijver en dichter, bekend als de “Limburgse Romein”, zeer goede vriend van Bomans, die het uiteindelijk zelfs zou presteren op dezelfde dag als hem te sterven (al was hij wel een stuk ouder): “Eén monument heb ik u laten zien. Het is 72 jaar oud, laat-romantisch van opvatting, uit Limburgse klei gebakken, zonder barst, zonder scheur, niet afhankelijk van enige lichtval en in alle weersgesteldheden vrijelijk te bezichtigen. En zijn naam is Felix Rutten.”

Vooraleer over te gaan naar wat Wandelingen door Rome wel héél ver van – zeker de huidige – toeristische gidsen doet staan, wil ik het echter mét Bomans nog even hebben over een ander Italiaans monument: de Vespa. De schrijver heeft het er, zoals u gemerkt heeft, al over in zijn Ter inleiding, maar ook meteen in zijn eerste stuk, zoals het boek Wandelingen door Rome genaamd: “Het hoge woord moet er uit : men kan overdag in Rome niet meer wandelen. Die tijd is voorbij. Meer dan tweeduizend jaar was het mogelijk en is het ook met groot genoegen gedaan, maar sinds de uitvinding van een soort met benzine voortgedreven autopedjes, die men hier Lambretta of Vespa noemt, is het voor iemand, die op conversatie, gedachtenleven of zelfs maar persoonlijke waardigheid prijs stelt, niet langer meer doenlijk door Romes straten te lopen, tenzij als een gillende, schichtige, springende clown. Het is absoluut uitgesloten een gesprek te voeren. Voor de strikt nodige mededelingen kiest u een portiek, schreeuwt uw vriend iets in het oor en rept zich, dicht tegen de huizen gedrukt, en de Goden biddend dat hij het verstaan heeft, weer voort. Mensen, die een straat moeten oversteken, zien er uit als opgejaagde delinquenten : zij spieden rechts en links, en hoepla, daar wordt de sprong gewaagd, de sprong naar de eeuwigheid of naar het trottoir aan de overkant, dat valt vooraf niet te zeggen.” Wat Bomans, die overleed aan een hartaanval, niet aan enige overdrijving, dus niet belette zelf deze “autopedjes” te bestijgen en er mee op pad te gaan: “De bagageruimte van een Vespa kan juist een zonnebril, een hemd en een paar kousen bevatten, maar als u achter het reservewiel een rekje laat maken, is dit ongerief volledig verholpen. Voorts moet ik u adviseren niet ‘s avonds te rijden. Minder om de Italiaanse bandieten – waarvan ik er tot mijn spijt geen enkele ontmoet heb, maar wij blíjven hopen – als wel om de lamp, die onbeweeglijk aan het voorwiel bevestigd is. Bij de top van een berg schijnt uw licht dus schuin omhoog de ruimte in, zodat gedurende enige seconden de vóór u liggende afdaling niet beschenen wordt. U hebt dan het gevoel een afgrond in te rijden, wat bijzonder onaangenaam is. Ook achten de u tegemoet komende automobilisten het niet nodig voor een kleine kever, als gij zijt, hun lichten te dempen, zodat ge telkens als een verblind insekt tegen hun koplampen optornt, hetgeen behalve gevaarlijk, ook schadelijk is voor uw gevoel van eigenwaarde.”

En dan dus wat dit boek werkelijk uniek (goed dan, nóg unieker) maakt. Behalve de zeer grote belezenheid van Bomans, iets waar hij eigenlijk nooit mee te koop liep en wat hij ook hier niet brengt alsof het iets speciaals is, en z’n talenkennis, die hij – zoals in die jaren nog gebruikelijk – ook aanwezig veronderstelt bij de lezers (met vrij uitgebreide citaten in het Engels, Frans en Duits, naast kortere in het Italiaans), is dat het feit dat hij de lezers een bijna intieme en sowieso persoonlijke kijk op de katholieke kerk en het katholicisme in Vaticaanstad, Rome en Italië als geheel biedt. Een audiëntie bij de Paus, Het dode meisje, Wonderen in Italië, Kerstmis in Rome, Een eenvoudige man, Impressies op het Sint Pietersplein, Het Wonder 1 en Het Wonder 2, acht van de in totaal twintig teksten opgenomen in dit boek, hebben de katholieke religie tot onderwerp en … geen ervan is er, zelfs voor mij als heiden, teveel aan.

Omdat Bomans op een verstaanbare manier kan uitdrukken waarom iets als de “Pauselijke onfeilbaarheid” niét belachelijk is bijvoorbeeld: “Het schijnbaar absurde leerstuk der Pauselijke onfeilbaarheid wordt veelal in het licht ener privé opinie gezien en is dan gemakkelijk te ridiculiseren. Beziet men dit dogma echter vanuit de gezichtshoek, van waaruit het bekeken moet worden, dan is het, zo niet aanvaardbaar, dan toch begrijpelijk te noemen, te meer, als men bedenkt dat een toespraak, gelijk wij bij deze gelegenheid [een publieke audiëntie, noot van mij] gingen beluisteren, op dit praedicaat geen enkele aanspraak maakt. Daartoe immers zijn twee voorwaarden nodig. Ten eerste, dat de behandelde materie strikt op het terrein van zeden en geloof ligt, ten tweede dat de Paus ‘ex cathedra’ spreekt, hetgeen betekent dat hij utidrukkelijk aangeeft : thans spreek ik als Opperherder een niet te betwijfelen waarheid uit. Dit komt hoogst zelden voor.”

Omdat hij beseft dat de laatste overblijfselen van de volksreligie, pakweg de processies, zeer kwetsbaar zijn: “De processie van Marino, vóór de druiven gezegend worden, daar zou ik blootsvoets de Alpen voor overtrekken. Ik ben een beetje bang om er over te schrijven, want dit sluit het risico in, dat het volgend jaar een aantal Hollanders naar dat dorpje reizen, zoals ook de goede Jac. P. Thijsse het eiland Texel met zijn enthousiasme de grond heeft ingeboord. Goed, laat ze maar komen, ik ben er dan nog nèt geweest, toen het helemaal echt was, et après nous le déluge.” Maar ook omdat hij wijst op het mooiste er aan: “U moet (…) niet naar het stadje of de mensen kijken, want beide ziet u elders beter. U moet om de kinderen gaan. En als bij ons het processie-verbod [van 1848 tot 1983 waren katholieke processies in Nederland verboden, noot van mij] wordt opgeheven, kunt u zelfs thuis blijven. Doch in zulk een mirakel gelooft men zelfs in Marino niet.”

Omdat hij het leven van Giuseppe Sarto, paus Pius X, en vooral de manier waarop hij verkozen werd (ondanks zichzelf) op een véél interessantere manier weet te vertellen dan Armand Boni het leven van Franciscus van Assisi weet te brengen (zie deze boekbespreking). Omdat hij over Eugenio Pacelli, paus Pius XII spreekt zónder het te hebben over de Tweede Wereldoorlog en met een sterke nadruk op zijn voorliefde voor “parochiële zielzorg” en de uitputting die volgde uit zijn inspanningen om dat als paus vol te houden: “We nemen alleen het jaar 1953. In die twaalf maanden heeft de Paus 84 redevoeringen gehouden, waarvan 34 in zijn moedertaal, 29 in het Frans, 8 in het Duits, 5 in het Engels en de overige in de Spaanse en Portugese talen en in het Latijn. In diezelfde tijd ontving hij… 32958 personen in audiëntie en 492 in een strikt privé onderhoud. Hierbij zijn niet gerekend de dagelijkse normale audiënties, die hij zijn naaste medewerkers in de ochtenduren toestaat. Deze cijfers spreken. Zij doen ons het ideaal zien, dat deze man zich van zijn taak voor ogen stelde : een herder te zijn, die zijn kudde persóónlijk leidt. En tevens maken zij duidelijk, waarom ieder katholiek de mogelijkheid van zijn heengaan als een persoonlijk verlies gevoelt.”

Omdat hij, ten slotte, datgene weet te rijmen waar velen, ik ook, het moeilijk mee hebben: de platte commercie én de heiligheid van bedevaartsoorden, de plastic Maria’s met het heilig water: “Hoog op een marmeren voetstuk staat het beeldje, dat deze stroom van wansmaak ontketend heeft. Het is niet mooi, maar ook niet opvallend lelijk. Het is niets : een fabrieksvoorwerp, bij duizenden gemaakt en meteen in dozen verpakt. Men kent die industrieën, waar de vroomheid aan de lopende band wordt afgeleverd : een meisje voor de ogen, een meisje om het hartje rood te verven, een meisje voor de handjes en een ander om de hele zaak in vernis te zetten. Zo’n beeldje is dat. Zou de Moeder Gods dit gekozen hebben als zinnebeeld van haar smart en teken van haar genade? Het is mogelijk. Sinds God zelf een voederbak als wieg en een stuk hout als sterfbed koos, moeten wij deze mogelijkheid aanvaarden. Hier althans wordt zij als een zekerheid beschouwd. Want het pleintje staat stampvol met biddende mensen.”

Ik had nog véél meer passages aangeduid, was van plan een verwijzing naar Rik Torfs’ Het hellend vlak in te bouwen (maar heb dat in de bespreking van zijn boek gedaan), en had ook met dít boek van Bomans weer spijt dat het uit was, maar ook boekbesprekingen moeten een eind kennen, dus dat krijgt u nu. Met een allerlaatste passage, eentje uit het stuk Nederlanders in Rome: “(…) gewoonlijk is de ziekte van korte duur, een incubatie voor de volgende fase, die de ideale is. Zij kan omschreven worden als de toestand van de vreemdeling, die zich van deze kwaliteit bewust is en zich nochtans thuis gevoelt. Die blij is in Rome te zijn en tegelijk weet, dat hij bij Amsterdam behoort. Die de Sint Pieter kent, zonder de Westertoren te verzaken. Die de Italiaanse gebeurtenissen op de voet volgt en tevens een trouw abonnee is van zijn Nederlands lijfblad. Die kennis neemt van de voortbrengselen der Italiaanse literatuur en tevens de schrijvers van zijn eigen vaderland in hun ontwikkeling volgt. Hij heeft, als Rome zelf, een dubbel corps diplomatique en leest de bulletins van beide fronten. Hij kent, als Paulus, de trots van het Romeins burgerschap en weet zich, als Saulus, een zoon van het oude volk. Zulk een positie is hoogst benijdenswaardig, omdat zij in wezen neerkomt op geestelijke bilocatie. Zij is echter alleen vol te houden indien men tot het Romeinse leven in een normale werkverhouding staat. Men moet Rome zijdelings bezien, bezig met iets anders, op straffe van vroeg of laat in een kramp-toestand te geraken. Geen mens is opgewassen tegen een aanhoudende staat van directe beschouwing, gelijk ook geen mens is opgewassen tegen een voortdurende verloving. Een toerist is verliefd op Rome, doch verliefdheid gaat voorbij. De man, die er zijn werk heeft, is met Rome getrouwd en geen stad ter wereld kan dit huwelijk ontbinden.” Als die man over dat huwelijk dan ook nog zo kan schrijven als Godfried Bomans, dan heeft dat huwelijk mijn zegen.

Björn Roose

dinsdag 8 februari 2022

Pa Pinkelman in de politiek – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Pa Pinkelman in de politiek – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)
Laat ons wel wezen: de enige reden waarom ik niet regelmatiger boeken van Godfried Bomans bespreek, is dat ik het merendeel daarvan al gelezen had vóór ik boeken begon te bespreken. Of in ieder geval het merendeel van z’n boeken die hier in m’n kasten staan en dat zijn er toch meer dan dertig. Alleen de Memoires of gedenkschriften van minister Pieter Bas (bijeengezameld en geordend door Godfried Bomans) en Merkwaardigheden rond de Camera Obscura (over het gelijknamige werk van Hildebrand ofte Nicolaas Beets) haalden daarom eerder mijn boekbesprekingen. Maar toen een paar maanden terug even een lichtpuntje scheen in het Nederlandse corona-”beleid” – dat daar net zomin als aan deze kant van de kunstmatige grens die de Nederlanden scheidt wat dan ook te maken heeft met covid19 of met beleid die naam waardig, maar wél alles met het afhankelijk maken van mensen van de farmaceutische industrie en het installeren van een maatschappij van totale controle – dook ik er een kringwinkel binnen en vond er zowaar een drietal Bomans-werken die ik nog niét gelezen had. Waaronder voorliggend Pa Pinkelman in de politiek.

Nu heeft Bomans wel een aantal “series” geschreven, maar die rond Pa Pinkelman (en Tante Pollewop) bekleedt toch een speciale positie. Pa Pinkelman was namelijk, in zijn oorspronkelijke vorm, wat dan heet een tekststrip. Een strook (“strip” in het Engels) van tekeningen met telkens een stuk tekst onder elke tekening. Geen tekstballonnen dus, in dit soort strips, maar een combinatie van tekening en tekst. Een genre dat bijna typisch Nederlands kan genoemd worden. Ook Bulletje en Bonestaak (van de Vlaming George van Raemdonck en de Nederlander A.M. de Jong), Tom Poes (van Marten Toonder), Dick Bos (van Alfred Mazure), Eric de Noorman (van Hans G. Kresse), Flippie Flink (van Clinge Doorenbos en Robert Raemaekers), Kapitein Rob (van Pieter Kuhn en Evert Werkman), Panda (net zoals Tom Poes van Marten Toonder), en Paulus de Boskabouter (van Jan van Oort alias Jean Dulieu) verschenen op die manier (en ik noem slechts de bekendste series) en moesten internationaal als voorlopers eigenlijk alleen maar Max und Moritz en een aantal andere strips van Wilhelm Busch en Bécassine van Joseph Pinchon en Maurice Languereau laten voorgaan.

Bomans was echter geen tekenaar. En oorspronkelijk niet van plan een strip te gaan publiceren. Maar hij was kort na de “bevrijding” van Nederland door Joop Lücker, hoofdredacteur van De Volkskrant, binnengehaald als chef van de redactie Kunst en moest uiteindelijk ook wat gaan doen voor dat salaris. Hij voerde immers, ook naar zijn eigen mening, “geen bal uit” en het bestuur weigerde daarvoor te betalen. Lücker loste dat op door hem te vragen samen met tekenaar Carol Voges aan een strip te werken. Voges (Carel Willem, dus geen vrouw) had al enige ervaring opgedaan in dienst van Joop Geesink en zou na zijn werk voor De Volkskrant onder andere gaan meewerken aan Marten Toonders Tom Poes, de talloze series van Henri Arnoldus (met Pietje Puk volgens mij als de bekendste) en bladen als Sjors, Donald Duck, Bobo, Okki en Taptoe, maar zijn werk aan Pa Pinkelman valt zeker niet te verwaarlozen. Hij was het die enkele mogelijke personages schetste en daarmee de inspiratie bij Bomans op gang bracht. En het duo slaagde er in van wat oorspronkelijk toch een Gesamtkunstwerk voor kinderen was een verhaal te maken dat door massa’s volwassenen werd gelezen, waaronder, aldus Wikipedia, “veel politici die zichzelf soms zagen figureren in de verhalen”. Bomans wou er na een jaar al mee stoppen, maar Lücker slaagde er in hem tot in 1952 aan boord te houden. Toen kwam er een einde aan de strip, omdat, weerom volgens Wikipedia, “de schrijver er te veel tijd aan kwijt was”. Die tijd leverde in ieder geval De avonturen van Pa Pinkelman (1945-1946), Honderd avonturen van Tante Pollewop (1946-1947), Pa Pinkelman in de politiek (1947-1948), en De onsterfelijke Pa Pinkelman (1952) op.

Een bespreking van dat laatste boek houdt u nog van mij tegoed, want ook dát kocht ik bij mijn bezoek aan die kringwinkel en heb ik nog niet gelezen, maar ik kan u nu al zeggen dat Bomans door Lücker toch wel een “beetje” zal geprest zijn om dat verhaal nog te schrijven: het gat tussen 1948 en 1952 valt sowieso op en voorliggend Pa Pinkelman in de politiek eindigt met het zich terugtrekken op “een hofje te Haarlem” van Pinkelman en Pollewop om daar van “een kalme levensavond (…) [te] genieten”. Bij “tante Pollewop deden zich” immers “reeds kleine ouderdomsgebreken voor”, zoals “een wandelende nier”, zij het dan “nog wel niet over grote afstanden, maar toch al kleine uitstapjes”, en “avonturen beleefden zij niet meer. Wel werd Pa Pinkelman somtijds, als het begon te waaien, door een geheimzinnige onrust aangegrepen en kon men den beroemden man voor het venster zien staan, trommelend op de ruiten en met fonkelende ogen de jagende wolken in hun vaart volgend”, maar “dan dronk hij zijn thee en bedaarde.” “Dood gaan deden zij niet en evenmin werden zij begraven”, aldus Bomans helemaal op het einde van het verhaal, maar het was toch duidelijk dat de fel verouderde Pa Pinkelman en zo mogelijk nog verder achteruit gegane Tante Pollewop op het laatste in dit boek opgenomen prentje van Voges, weergegeven vele tientallen jaren na hun avontuur “in de politiek”, aan het einde van hun verhaal waren en dat Bomans niet van plan was daar ooit nog een vervolg aan te breien. Dat toen dat vervolg er in 1952 tóch kwam de titel De onsterfelijke Pa Pinkelman werd gekozen kan dus op enig sarcasme van Bomans gewezen hebben.

Een sarcasme dat overigens ook wel eens doorkomt in de andere avonturen van Pinkelman en Pollewop, maar dan steeds overgoten met een dikke laag absurdisme, een fenomeen dat de hele serie heeft gekleurd. Zelfs al in de tweede zin van de tekst bij het eerste plaatje van De avonturen van Pa Pinkelman (dat ik, net zoals Honderd avonturen van Tante Pollewop, maar dan onder de titel De avonturen van Tante Pollewop, ook in de oorspronkelijke vorm, dus als een “stripverhaal”, in bezit heb), toch nog geconcipieerd als een verhaal voor kinderen, merk je dat: “In een groot huis woonde eens een heel rijk en heel net jongetje, Kareltje Flens geheten. Hij droeg een sneeuwwit boordje, een bril, en een keurige scheiding in zijn haar”. Net zoals je ook al meteen van bij de eerste strook van dat eerste verhaal tot de conclusie moet komen dat een heruitgave van de verhalen er in onze “politiek correcte” tijden niet meer zou inzitten: “Er was zelfs een nikkertje in huis, dat alles op moest eten waar Kareltje niet van hield, en daarvan kogelrond was geworden. Dat nikkertje heette Flop, en ook van hem zullen wij nog veel horen”. Als ik daar aan toevoeg dat “dat nikkertje” door Voges steevast (tot en met De onsterfelijke Pa Pinkelman) werd getekend met een been door zijn neus, gouden oorringen, megadikke lippen, en op een soort rokje na helemaal in zijn blootje, snapt u wel dat aan een heruitgave tegenwoordig minstens een verontschuldiging van even lang als het verhaal zou moeten voorafgaan. Zelfs nog los van het feit dat Bomans in Pa Pinkelman in de politiek ook nog de verwarring tussen “dat nikkertje”, intussen “het negertje” geworden, en Zwarte Piet organiseert: “Zij omhelsde Kareltje tot driemaal toe en knuffelde toen het negertje, tot het kereltje buiten adem en zij zelf helemaal zwart in haar gezicht was.”

Nu goed, political correctness was toen nog niet uitgevonden, ikzelf doe er nog steeds niet aan, en wie nog eens smakelijk wil lachen doet er goed aan dat óók niet te doen. Lange tenen en humor gaan nu eenmaal niet samen. En dat in tegenstelling tot Bomans en humor. Zeer tongue-in-cheek humor, bijvoorbeeld in deze passage over de nacht van Sinterklaas (een figuur waar Bomans bijzonder veel affectie mee had): “Tante Pollewop verstijfde. Daar, recht boven haar hoofd, vernam zij duidelijk het geluid van sluipende voetstappen. Grote droppels parelden onder de slaapmuts van tante Pollewop. ‘Dus tòch,’ mompelde zij, viel ogenblikkelijk op haar knieën en zette met bevende stem een Sinterklaaslied in. En juist maakte zij zich gereed om met innige devotie het tweede couplet aan te vangen, toen er buiten het raam een ladder naar beneden zakte en hierlangs een schaduw, slechts in onderbroek en borstrok gekleed, met grote gezwindheid naar beneden klom en in de nacht verdween. Hoewel tante Pollewop slechts gebrekkig op de hoogte was van bisschoppelijke gebruiken in het algemeen en die van het Spaanse episcopaat in het bijzonder, achtte zij dit optreden toch zózeer in strijd met de waardigheid van de heilige man, dat zij met argwaan vervuld werd.” Als ik zoiets lees, dan vraag ik me nadat ik uitgelachen ben, toch af hoe je dat bij mekaar pent zonder zélf de hele tijd te zitten lachen.

Idem voor (en ik heb m'n selectie tot het absolute minimum moeten beperken) passages als de volgende trouwens:

– “‘Het zogenaamde Indonesische probleem heeft niets te betekenen. Naar het inzicht van het partijbestuur dienen de inlanders zich eenvoudig te onderwerpen, zodat onze jongens naar huis kunnen’”;

– “Boven stond de scheepskapel aangetreden en speelde zacht de nationale hymne ‘Wie zal dat betalen?’, waarop alle passagiers het hoofd ontblootten en voor zich op de grond staarden, ten prooi aan hun overpeinzingen”;

– “Pa Pinkelman lag de hele nacht wakker in bed, òp van de zenuwen en kwam de volgende dag zó vroeg in de vergaderzaal van de UNO, dat er nog niemand aanwezig was dan de werkster, die de zitplaatsen der verenigde volkeren een goede beurt gaf. ‘Gunst, meneer,’ sprak de brave vrouw, haar stofdoek uitslaande, ‘zo vroeg heb ik nog nooit ‘n verenigd volk zien binnenkomen.’”;

– “Hij was maar een eenvoudige sultan, die met hard werken van onder af was opgeklommen en door spaarzaamheid en vlijt elk jaar met Sinterklaas één vrouw opzij kon leggen en op die wijze tot vijftien echtgenoten was gekomen, wat belachelijk weinig is voor een sultan”;

– “Zelfs geen sprietje gras groeide er in de voortuin en in het achtertuintje bloeide slechts één paardenbloem, die de sultan elke dag met een gietertje begoot, om haar in stand te houden. Dit was een tegenvaller voor Pa Pinkelman, want hij had achter een struik in hinderlaag willen liggen”;

– of, ten slotte: “Weldra zagen zij de Waddeneilanden en de worstvormige gedaante der provincie Limburg beneden zich, ja, de stippeltjeslijnen van de Duitse en Belgische grens waren duidelijk voor het blote oog waarneembaar. Eindelijk zagen zij zelfs Spanje en de laars van Italië in ‘t blauwe water van de Middellandse Zee en de reusachtige omtrekken van het werelddeel Afrika. Kareltje en Flop keken ademloos toe. Dat de aarde zich zo stipt hield aan de afbeeldingen in hun atlassen, dat was iets, waarover zij zich oprecht verheugden en hun tot lering strekte. Pa Pinkelman, altijd op de loer om de kennis der hem toevertrouwde knapen te vermeerderen, beijverde zich om de nijverheids- en landbouwproducten der afzonderlijke gebieden op te sommen, terwijl hij hun wees hoe men de verschillende landen aan hun kleur kan onderscheiden, met uitzondering van de nog niet geheel ontdekte gebieden, die voorlopig wit waren gebleven. Hij toonde aan de hand der onder hem liggende voorbeelden onomstotelijk aan, dat de steden beneden de honderdduizend inwoners er als cirkeltjes uitzagen, terwijl die van honderdduizend en méér zich als vierkantjes aan het leergierige oog vertoonden.”

En dan zijn er natuurlijk nog de al genoemde tekeningen van Voges (zij het dat die in de uitgave in mijn bezit, die bij Elsevier uit 1972, slechts illustratief her en der meegegeven zijn) en de titels die Bomans gebruikt: een nummer met daaronder telkens een soort korte samenvatting van wat gaat gebeuren. Dingen als “Pa Pinkelman betreedt het Amerikaanse vasteland en stijgt terstond tot onmetelijke hoogte.” of “Het Pinkelman-plan wordt voor twee ton door de Nederlandse regering gekocht, waarna de vervaardiger het ter kennis van het Turkse volk brengt. Pa Pinkelman speelt met de gedachte om Nederlands minister te worden, doch tante Pollewop ziet, liggend in bed, gegronde bezwaren.” Je kan dat, zoals ik net deed, “een soort korte samenvatting” noemen, maar in feite zijn het nog extra stukjes humor.

Net zoals volkomen absurditeiten als een tekening van jezelf laten opnemen (terwijl je met de kas gaat lopen dan nog), zeggen dat de verteller en tekenaar de personages achterna reizen om te gaan kijken wat ze aan het doen zijn, fouten in de verhaallijn rechtzetten door een van de personages te laten zeggen dat dat aan de verteller of tekenaar ligt (“(…) ‘de oplossing is zeer eenvoudig. Het is een vergissing van de tekenaar.’”), of personages De Volkskrant laten lezen om er achter te komen waar de anderen zijn of wat ze doen (“(…) in de krant van deze morgen zit ik zelf met jullie te praten. Dàt is ‘t prettige van ‘n krant: dat je bij blijft. Je weet, waar je aan toe bent.’”). Wat dan natuurlijk weer in volkomen tegenspraak staat met dit: “Ook de twee kameeldrijvers waren het met juffrouw Knoop eens en de drie krankzinnigen eveneens, omdat zij van de gedachten uitgingen, dat de krant altijd gelijk heeft. Hetgeen ook in Europa een veel verbreide vorm van waanzin is.”

Ik heb dat soort technieken nóg zien toepassen in, al dan niet humoristische, verhalen, maar Bomans was hier werkelijk een meester in: “De minister glimlachte. ‘Kijk ‘s, Arie,’ zei hij, ‘’t zit zo: ik heb niets te vertellen. Wat ik nu doe, is door de schrijver eergisteren geschreven en wat ik overmorgen ga doen, dat zet hij vandaag op papier.” Dat is voer voor filosofen, zoal niet voor psychologen, toch?

“Zelfs de grootste misantroop zal”, zo vermeldt de achterflap, “moeten lachen bij de avonturen van dit ‘heerlijke stuk onbenul,’ zoals tante Pollewop haar geliefde echtgenoot pleegt te noemen. De humor, de speelse wijsheid en kleurrijke fantasie van Godfried Bomans hebben in dit Pinkelmanverhaal waarlijk ongeëvenaarde hoogten bereikt. Het reizen met Pa Pinkelman doet alle grenzen wegvallen, zelfs die van de logica.” Veel meer kan ik daar niet aan toevoegen, ook al omdat je anders voor je het weet, vervalt in politieke gewoonten:

“Minister Wittebol wilde het kort maken (applaus). Hij wilde zich slechts tot een enkel woord bepalen (langdurig applaus). Doch hij kon niet nalaten de tolk te zijn van alle aanwezigen. In het algemeen, zo zei hij, had hij opgemerkt, dat de mensen, die het hardste werkten, in de kleinste huisjes woonden (gejuich). Daarom deed het hem zo goed, dat er dit keer iemand in een klein huisje woonde, die volstrekt niets had uitgevoerd (stormachtig gejuich). Hij sprak de wens uit, dat deze gebeurtenis een aansporing zou zijn voor alle landgenoten om voort te gaan in de richting van het gemeenschappelijke doel en drukte de hoop uit, dat hij in deze verwachtingen niet beschaamd zou worden. Hierna sprak minister Gielen zijn hoop uit en wenste evenmin in zijn verwachtingen beschaamd te worden. Hierna drukten de referendaris, de secretaris-generaal, de hoofdinspecteur van het H.W. (het hofjeswezen) en een man met een platte pet die helemaal niets was, hun hoop en hun verwachtingen uit, allen in een enkel woord, doch tezamen in twee uur, en was de plechtigheid afgelopen.” En daarmee ook deze boekbespreking.

Björn Roose