Ik heb het in mijn boekbesprekingen al vaker gehad over het ‘toeval’
dat me een bepaald boek uit mijn bibliotheek doet halen nadat ik een
ander, schijnbaar daarmee ongerelateerd boek heb uitgelezen. Dat
‘toeval’ blijkt op zijn minst niet te beletten dat er verbanden
liggen tussen de na mekaar gelezen boeken, terwijl ik die nooit had
vermoed. Zo’n verband is er ook tussen Steen op steen en
Over het doppen van bonen,
al heb ik die niet na mekaar gelezen en was het me volkomen duidelijk
dat ze afkomstig waren van dezelfde auteur, Wiesław
Myśliwski. Ik had ze immers, zoals ik in de bespreking van dat
laatste al vermeldde, samen gekocht. Het verband is echter een ander
en zit in het moment dat ik het ene besproken heb en het andere
bespreek: aan het einde van de bespreking van Over
het doppen van bonen
schreef ik dat ik “met die toegeeflijkheid (…) mijn laatste in
2024 geschreven boekbespreking” beëindigde. Een feit waar ik me
niet meer van bewust was tot ik die bespreking ging herlezen
vooraleer aan die van Steen
op steen
te beginnen. Een boekbespreking die – jawel – mijn laatste in
2025 geschreven exemplaar zal worden, al geldt ook in dit geval dat u
die pas ergens in het volgende jaar zal te lezen krijgen.
Zoals ook een aantal andere dingen voor beide boeken gelden. Bijvoorbeeld
dat de schrijfstijl, vertelstijl eigenlijk, me niet bijzonder ligt.
Zoals Over
het doppen van bonen
bestaat Steen
op steen
uit één lange monoloog. Een van zo’n vijfhonderdtwintig
bladzijden, wat er nog eens honderdveertig meer zijn dan bij Over
het doppen van bonen
het geval was, zij het dit keer zonder dat er een luisteraar
geïntroduceerd wordt. De ik-figuur, ene Szymek Pietruszka (ofte
Peterselie), spreekt zónder dat aangegeven wordt tegen wie hij
spreekt, daarmee een sowieso overbodig personage vermijdend, waaruit
je zou kunnen afleiden dat de auteur wat geleerd heeft na Over
het doppen van bonen,
maar dat is uiteraard onzin want dat laatste dateert uit 2006 (al
werd het in Nederlandse vertaling uitgegeven in 2009), terwijl Steen
op steen
uit 1984 dateert (en pas in 2011 in het Nederlands verscheen). In
Steen
op steen
zit meer structuur, al kom je daar pas in de laatste honderdvijftig
bladzijden of zo achter, maar het van de hak op de tak springen –
alleen aan het begin van ieder hoofdstuk is het onderwerp altijd
enige tijd datgene wat ook in de titel van het hoofdstuk vernoemd
wordt, bijvoorbeeld Het
kerkhof
of De
weg
- ‘blijft’ toch tekenend (en af en toe enerverend). De korte
zinnetjes eveneens, de indruk dat van meerdere verhalen één
exemplaar gemaakt is, het loslaten van een verhaallijn terwijl je als
lezer hoopt die tot het eind te kunnen volgen (wat
mij betreft in het bijzonder die rond Małgorzata),
het afdwalen en nooit meer terugkomen, zoals ik het in mijn
bespreking van Over
het doppen van bonen
noemde, de sprongen voorwaarts en achterwaarts in de tijd, maar niet
het hoofdpersonage. Dat dat niet hetzelfde is, hoeft geen verbazing
te wekken, maar Szymek Pietruszka is in tegenstelling tot de
verteller in Over
het doppen van bonen
wel degelijk een boer, of toch in eerste orde, wat dit verhaal doet
passen in de ook op de achterflap van Over
het doppen van bonen
al meegegeven vermelding dat Myśliwski met zijn werken getuigde “van
het verdwijnende boerenleven”.
Waarmee ik niet beweerd heb dat je alles moet geloven wat op die
achterflap van dit bij Querido uitgegeven boek staat. De
bespreker van NRC Handelsblad wordt daar bijvoorbeeld
geciteerd als geschreven hebbend dat de auteur “een trotse boer een
lange monoloog [laat] houden, vol tedere en schokkende
herinneringen”, maar Pietruszka is géén “trotse” boer,
en “een ode aan het traditionele platteland”, iets waarover de
commentator van Trouw
het heeft, is dit boek eigenlijk ook niet. Steen
op steen
is het verhaal van vechtpartijen, van honger, van vrouwen als vuil
behandelen, van verzetsstrijd, van zuipen, van familievetes, van
communistische ambtenarij (die in het begin van haar heerschappij
onder andere probeert het kerkelijk huwelijk te verdringen door het
burgerlijk huwelijk, maar zich langzaam aan met alles begint te
bemoeien), van een niets ontziende ‘vooruitgang’, van weinig dat
als ‘teder’ te beschouwen valt, maar ongetwijfeld wél allemaal
deel was van het leven van de Poolse boeren tot een aantal jaren na
de Tweede Wereldoorlog, en voor een deel ook van dat van onze eigen
boeren. Op de communistische ambtenarij na dan, al is die in recente
decennia in onze gewesten ruimschoots overklast door ‘democratische’
regelneverij. Je hoeft niet meer, zoals Pietruszka, die het spul
nodig heeft om een familiegrafkelder te laten bouwen (een bezigheid
die de rode draad van dit boek vormt), bij de gemeente te gaan
bedelen om zoveel ‘kuub’ cement, maar je mag nog geen tien
vierkante meter bedekken met dat spul zonder toestemming van het
gemeente-, provincie- of andersvervelend bestuur.
Enfin,
ik wijk af, terwijl ik dat eigenlijk alleen richting een woordenboek
mag doen. Want vertaler Karol Lesman heeft
schitterend werk geleverd, wat voor iemand die in 1951 geboren is in
Breda vaak niet evident zal geweest zijn gezien het in dit verhaal
wemelt van termen uit de (vooroorlogse) boerenstiel, maar wat
“kalmoes” is (een als smaakmaker gebruikte moerasplant
klaarblijkelijk) of wat “kwabalen” zijn (een heel zijn leven in
zoet water doorbrengende kabeljauwachtige, die sinds begin van de
jaren 1970 uitgestorven was in belgië, maar vanaf 2005 werd uitgezet
in de Grote Nete en de Bosbeek, alwaar ze naar het schijnt succesvol
zijn), moest ik toch even gaan opzoeken, al wees het feit dat de opa
van het hoofdpersonage ze “uit de uitgeworpen emmers [haalde]”
terwijl hij “door de rivier [waadde]” uiteraard meteen op vissen.
Een vanzelfsprekendheid die er niet was wat betreft het vinden van het
liedje Steen
op steen,
als dat al de titel van het liedje is, waarnaar de titel van het boek
verwijst, al is die wel zeer passend voor zowel de centrale
verhaallijn (die rond het graf) als
de hoop verhaallijnen samen: “Steen op steen / Op steen een steen /
En op die steen / Nog een steen”. “Want als ik van alle melodieën
één melodie naar die andere wereld zou mogen nemen, dan alleen die.
Van de melodieën en van het leven.” Waarmee ik op iets anders kom.
Ja, grote delen van het verhalen zien er zo uit: “Zo kwamen ze me
er ook jaren geleden mee lastigvallen dat ik mijn strodak moest
wegdoen en mijn dak met dakpannen of asfaltpapier moest bedekken,
want er was een verordening gekomen tegen strodaken. Terwijl het nog
een prima dak was, het lekte niet bij mij. Maar ik was een schande
voor het dorp. Terwijl volgens mij dat strodak van mij juist mooier
was dan al die dakpannen, asfaltpapier en zelfs golfplaat. En
afgezien daarvan heb ik een zolder. Ga maar eens kijken, secreten,
want jullie zijn vast vergeten hoe een zolder eruitziet. En, vinden
jullie onder die dakpannen, die dakplaat en dat asfaltpapier van
jullie zulke zolders? Dozen, ja, geen zolder. Kisten, ja, geen
zolder. Als het heet is, dan is het er heet als in de hel, en als het
koud is, dan is het er nog erger koud. Bij mij is het in de winter
warm, in de zomer koel. Graan, meel, uien, knoflook, alles kan er
liggen, het raakt niet beschimmeld, het bevriest niet. Je kunt er
kazen drogen en de was ophangen. Een mens kan er afgemat desnoods
eventjes gaan liggen, of als hij overal genoeg van heeft, dan is het
er knusser dan in de woonkamer, de vliegen bijten er niet zo en het
is net of de wereld hier begonnen is. En waarom hebben jullie het
juist zo voorzien op die strodaken? O, jullie kunnen beter een weg
aanleggen naar de molen, want in het voorjaar lukt het nog niet met
twee paarden een kar uit de modder te trekken. Er zou een smid moeten
komen, want nu moet je helemaal naar Boleszyce om je paarden te laten
beslaan”. Enzovoort, enzovoort, u ziet het voor u. Maar er zijn,
vaker dan in Over
het doppen van bonen
heb ik de indruk, ook poëtische pareltjes. Dun gezaaid, vaak veel
korter, maar desalniettemin mooi: “Dat begon ermee alsof een
druppel dauw op iets zachts viel. Zo werd het eerste uitgehongerde
jong wakker. Ik deed mijn ogen open, ik keek door het raam naar
buiten. De dageraad leek een lege blikken emmer. En meteen na die ene
druppel kwam nog een druppel, maar nu alsof hij in die emmer viel,
nog meer uitgehongerd. Daarachteraan een derde, een vierde, een
tiende, en de ene had nog meer honger dan de andere. En zo werd het
steeds lichter. Eerst alsof iemand de grauwheid van die emmer
wegspoelde. En na een tijdje bracht iemand anders melk in die emmer
van de eerste melkgift en zette die in het midden van de zaal.” Of,
als het hoofdpersonage op zoek gaat naar schoenen voor zijn broer,
schoenen die hij hoopt aan te treffen op een van de na de oorlog nog
niet begraven lijken in
de buurt:
“Sommigen lagen met zijn tweeën of drieën op een kluitje, alsof
ze dicht op elkaar waren gekropen om het warmer te krijgen. Anderen
waren, zo leek het wel, als door het oogsten door de oorlog afgemat
en alleen maar even in slaap gedommeld en hadden daarvoor hun
schoenen uitgetrokken. Iedereen weet dat de oorlog het ergst in je
voeten gaat zitten. Soms kun je vanaf je middel omhoog nog
doorvechten, terwijl je voeten het allang hebben begeven. Soms
schreeuw je hoerrra! maar zijn je voeten al dood. En vaak wordt een
oorlog niet zozeer met kogels als wel door voeten gewonnen. Want
oorlog en voeten zijn als het ware stiefzusters”. Of doordachte
dingen als dit: “Dus je vlucht je in je gedachten, al is het daar
ook niet veel beter”. Of, verder: “Ik liet me op mijn bed vallen
om mijn gedachten wat te verzamelen. Hoewel dat gemakkelijker gezegd
is dan gedaan, je gedachten verzamelen. En je hebt momenten waarop
een mens nog het liefst zijn gedachten alle windstreken op zou willen
jagen. En zou willen veranderen in een tafel of een krukje. En net zo
lang die tafel of dat krukje zijn tot alles voorbij is”. Wat niet
belet dat je een paar bladzijden verder weer dingen leest die helaas
– bad
pun intended
– aardser zijn dan je wil lezen: “Het moge duidelijk zijn, de
mens leeft van de aarde en hij zou tot de oogst moeten worden
aangetrokken als een hond tot zijn teef.” Wat op zijn beurt niet
belet dat de aarde, nog meer dan de mens, het centrale thema is van
het leven van de mensen in dit boek. Een leven dat dan wel
gewelddadig kan zijn, het is een gevecht met elkaar maar ook met de
natuur, maar als vanzelf in tegenstelling staat met de oorlog waar
desondanks het hoofdpersonage heeft aan deelgenomen, iets waaruit,
zoals ik al aangaf, blijkt dat hij géén “trotse” boer is, in
tegenstelling tot zijn vader, die deze woorden spreekt: “Waar
zouden we dan voor moeten vechten? We ploegen, we zaaien, we maaien,
wie zijn wij tot last? Een oorlog zal de wereld niet veranderen. Ze
zullen elkaar alleen uitmoorden en het zal zijn zoals het was voor de
oorlog. En weer zullen het de boeren zijn van wie er het meest in de
grond achterblijven. En niemand zal zich ook maar herinneren dat ze
hebben gevochten en waarvoor. Want gedenktekens of boeken laten
boeren niet achter, enkel tranen. Ze zullen wegrotten in de grond en
de grond zal zich hen ook niet herinneren. Maar als de aarde zich
iedereen zou willen herinneren, zou ze niet hoeven baren. En de
voorbestemming van de aarde is om te baren.”
In plaats van u hierna
nog
met verdere citaten lastig te vallen, zal ik het bij deze houden. Al
zijn er eerder en later in het boek beslist nog die ik hier zou
willen meegeven. Over, bijvoorbeeld, de eieren die het
hoofdpersonage, en de andere mensen in het dorp, laten zegenen met
Pasen, eieren die dan uiteraard veel lekkerder smaken, al helemaal
met mierikswortel, die “niet alleen gewijd [moet] zijn, maar ook zo
sterk dat het er in je neus van prikt”. Of over Natte Maandag, een
op
Paasmaandag gevierde, nog
steeds bestaande traditie die, als je de filmpjes op het internet
moet geloven, wel een beetje héél erg uit de hand kan lopen, maar
dat blijkens het boek vroeger ook al deed. Of over het in de eerste
rug van een in de lente te ploegen akker stoppen van de eerste snede
van het brood dat met Kerstmis begonnen is
(en de moeilijkheden die konden ontstaan naar aanleiding van het feit
dat brood er niet het hele jaar door was). Of over massale, dagen
lange bedevaarten. Maar
als ik daarmee begin, lees ik het halve boek opnieuw, en dat ligt
niet in mijn bedoeling. Toch nu niet. Want hoewel ik enige tijd
getwijfeld heb of Steen
op steen
dezelfde weg zou opgaan als Over
het doppen van bonen,
heb ik besloten het boek maar in mijn bibliotheek te laten staan. Al
is het maar omdat ik de indruk heb dat er misschien nog wel een laag
in zit waar ik bij de eerste lezing niet meteen op gelet heb.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !