maandag 9 februari 2026

Steen op steen - Wiesław Myśliwski (boekbespreking door Björn Roose)

Steen op steen - Wiesław Myśliwski (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb het in mijn boekbesprekingen al vaker gehad over het ‘toeval’ dat me een bepaald boek uit mijn bibliotheek doet halen nadat ik een ander, schijnbaar daarmee ongerelateerd boek heb uitgelezen. Dat ‘toeval’ blijkt op zijn minst niet te beletten dat er verbanden liggen tussen de na mekaar gelezen boeken, terwijl ik die nooit had vermoed. Zo’n verband is er ook tussen Steen op steen en Over het doppen van bonen, al heb ik die niet na mekaar gelezen en was het me volkomen duidelijk dat ze afkomstig waren van dezelfde auteur, Wiesław Myśliwski. Ik had ze immers, zoals ik in de bespreking van dat laatste al vermeldde, samen gekocht. Het verband is echter een ander en zit in het moment dat ik het ene besproken heb en het andere bespreek: aan het einde van de bespreking van Over het doppen van bonen schreef ik dat ik “met die toegeeflijkheid (…) mijn laatste in 2024 geschreven boekbespreking” beëindigde. Een feit waar ik me niet meer van bewust was tot ik die bespreking ging herlezen vooraleer aan die van Steen op steen te beginnen. Een boekbespreking die – jawel – mijn laatste in 2025 geschreven exemplaar zal worden, al geldt ook in dit geval dat u die pas ergens in het volgende jaar zal te lezen krijgen.

Zoals ook een aantal andere dingen voor beide boeken gelden. Bijvoorbeeld dat de schrijfstijl, vertelstijl eigenlijk, me niet bijzonder ligt. Zoals Over het doppen van bonen bestaat Steen op steen uit één lange monoloog. Een van zo’n vijfhonderdtwintig bladzijden, wat er nog eens honderdveertig meer zijn dan bij Over het doppen van bonen het geval was, zij het dit keer zonder dat er een luisteraar geïntroduceerd wordt. De ik-figuur, ene Szymek Pietruszka (ofte Peterselie), spreekt zónder dat aangegeven wordt tegen wie hij spreekt, daarmee een sowieso overbodig personage vermijdend, waaruit je zou kunnen afleiden dat de auteur wat geleerd heeft na Over het doppen van bonen, maar dat is uiteraard onzin want dat laatste dateert uit 2006 (al werd het in Nederlandse vertaling uitgegeven in 2009), terwijl Steen op steen uit 1984 dateert (en pas in 2011 in het Nederlands verscheen). In Steen op steen zit meer structuur, al kom je daar pas in de laatste honderdvijftig bladzijden of zo achter, maar het van de hak op de tak springen – alleen aan het begin van ieder hoofdstuk is het onderwerp altijd enige tijd datgene wat ook in de titel van het hoofdstuk vernoemd wordt, bijvoorbeeld Het kerkhof of De weg - ‘blijft’ toch tekenend (en af en toe enerverend). De korte zinnetjes eveneens, de indruk dat van meerdere verhalen één exemplaar gemaakt is, het loslaten van een verhaallijn terwijl je als lezer hoopt die tot het eind te kunnen volgen (wat mij betreft in het bijzonder die rond Małgorzata), het afdwalen en nooit meer terugkomen, zoals ik het in mijn bespreking van Over het doppen van bonen noemde, de sprongen voorwaarts en achterwaarts in de tijd, maar niet het hoofdpersonage. Dat dat niet hetzelfde is, hoeft geen verbazing te wekken, maar Szymek Pietruszka is in tegenstelling tot de verteller in Over het doppen van bonen wel degelijk een boer, of toch in eerste orde, wat dit verhaal doet passen in de ook op de achterflap van Over het doppen van bonen al meegegeven vermelding dat Myśliwski met zijn werken getuigde “van het verdwijnende boerenleven”.

Waarmee ik niet beweerd heb dat je alles moet geloven wat op die achterflap van dit bij Querido uitgegeven boek staat. De bespreker van NRC Handelsblad wordt daar bijvoorbeeld geciteerd als geschreven hebbend dat de auteur “een trotse boer een lange monoloog [laat] houden, vol tedere en schokkende herinneringen”, maar Pietruszka is géén “trotse” boer, en “een ode aan het traditionele platteland”, iets waarover de commentator van Trouw het heeft, is dit boek eigenlijk ook niet. Steen op steen is het verhaal van vechtpartijen, van honger, van vrouwen als vuil behandelen, van verzetsstrijd, van zuipen, van familievetes, van communistische ambtenarij (die in het begin van haar heerschappij onder andere probeert het kerkelijk huwelijk te verdringen door het burgerlijk huwelijk, maar zich langzaam aan met alles begint te bemoeien), van een niets ontziende ‘vooruitgang’, van weinig dat als ‘teder’ te beschouwen valt, maar ongetwijfeld wél allemaal deel was van het leven van de Poolse boeren tot een aantal jaren na de Tweede Wereldoorlog, en voor een deel ook van dat van onze eigen boeren. Op de communistische ambtenarij na dan, al is die in recente decennia in onze gewesten ruimschoots overklast door ‘democratische’ regelneverij. Je hoeft niet meer, zoals Pietruszka, die het spul nodig heeft om een familiegrafkelder te laten bouwen (een bezigheid die de rode draad van dit boek vormt), bij de gemeente te gaan bedelen om zoveel ‘kuub’ cement, maar je mag nog geen tien vierkante meter bedekken met dat spul zonder toestemming van het gemeente-, provincie- of andersvervelend bestuur.

Enfin, ik wijk af, terwijl ik dat eigenlijk alleen richting een woordenboek mag doen. Want vertaler Karol Lesman heeft schitterend werk geleverd, wat voor iemand die in 1951 geboren is in Breda vaak niet evident zal geweest zijn gezien het in dit verhaal wemelt van termen uit de (vooroorlogse) boerenstiel, maar wat “kalmoes” is (een als smaakmaker gebruikte moerasplant klaarblijkelijk) of wat “kwabalen” zijn (een heel zijn leven in zoet water doorbrengende kabeljauwachtige, die sinds begin van de jaren 1970 uitgestorven was in belgië, maar vanaf 2005 werd uitgezet in de Grote Nete en de Bosbeek, alwaar ze naar het schijnt succesvol zijn), moest ik toch even gaan opzoeken, al wees het feit dat de opa van het hoofdpersonage ze “uit de uitgeworpen emmers [haalde]” terwijl hij “door de rivier [waadde]” uiteraard meteen op vissen.

Een vanzelfsprekendheid die er niet was wat betreft het vinden van het liedje Steen op steen, als dat al de titel van het liedje is, waarnaar de titel van het boek verwijst, al is die wel zeer passend voor zowel de centrale verhaallijn (die rond het graf) als de hoop verhaallijnen samen: “Steen op steen / Op steen een steen / En op die steen / Nog een steen”. “Want als ik van alle melodieën één melodie naar die andere wereld zou mogen nemen, dan alleen die. Van de melodieën en van het leven.” Waarmee ik op iets anders kom. Ja, grote delen van het verhalen zien er zo uit: “Zo kwamen ze me er ook jaren geleden mee lastigvallen dat ik mijn strodak moest wegdoen en mijn dak met dakpannen of asfaltpapier moest bedekken, want er was een verordening gekomen tegen strodaken. Terwijl het nog een prima dak was, het lekte niet bij mij. Maar ik was een schande voor het dorp. Terwijl volgens mij dat strodak van mij juist mooier was dan al die dakpannen, asfaltpapier en zelfs golfplaat. En afgezien daarvan heb ik een zolder. Ga maar eens kijken, secreten, want jullie zijn vast vergeten hoe een zolder eruitziet. En, vinden jullie onder die dakpannen, die dakplaat en dat asfaltpapier van jullie zulke zolders? Dozen, ja, geen zolder. Kisten, ja, geen zolder. Als het heet is, dan is het er heet als in de hel, en als het koud is, dan is het er nog erger koud. Bij mij is het in de winter warm, in de zomer koel. Graan, meel, uien, knoflook, alles kan er liggen, het raakt niet beschimmeld, het bevriest niet. Je kunt er kazen drogen en de was ophangen. Een mens kan er afgemat desnoods eventjes gaan liggen, of als hij overal genoeg van heeft, dan is het er knusser dan in de woonkamer, de vliegen bijten er niet zo en het is net of de wereld hier begonnen is. En waarom hebben jullie het juist zo voorzien op die strodaken? O, jullie kunnen beter een weg aanleggen naar de molen, want in het voorjaar lukt het nog niet met twee paarden een kar uit de modder te trekken. Er zou een smid moeten komen, want nu moet je helemaal naar Boleszyce om je paarden te laten beslaan”. Enzovoort, enzovoort, u ziet het voor u. Maar er zijn, vaker dan in Over het doppen van bonen heb ik de indruk, ook poëtische pareltjes. Dun gezaaid, vaak veel korter, maar desalniettemin mooi: “Dat begon ermee alsof een druppel dauw op iets zachts viel. Zo werd het eerste uitgehongerde jong wakker. Ik deed mijn ogen open, ik keek door het raam naar buiten. De dageraad leek een lege blikken emmer. En meteen na die ene druppel kwam nog een druppel, maar nu alsof hij in die emmer viel, nog meer uitgehongerd. Daarachteraan een derde, een vierde, een tiende, en de ene had nog meer honger dan de andere. En zo werd het steeds lichter. Eerst alsof iemand de grauwheid van die emmer wegspoelde. En na een tijdje bracht iemand anders melk in die emmer van de eerste melkgift en zette die in het midden van de zaal.” Of, als het hoofdpersonage op zoek gaat naar schoenen voor zijn broer, schoenen die hij hoopt aan te treffen op een van de na de oorlog nog niet begraven lijken in de buurt: “Sommigen lagen met zijn tweeën of drieën op een kluitje, alsof ze dicht op elkaar waren gekropen om het warmer te krijgen. Anderen waren, zo leek het wel, als door het oogsten door de oorlog afgemat en alleen maar even in slaap gedommeld en hadden daarvoor hun schoenen uitgetrokken. Iedereen weet dat de oorlog het ergst in je voeten gaat zitten. Soms kun je vanaf je middel omhoog nog doorvechten, terwijl je voeten het allang hebben begeven. Soms schreeuw je hoerrra! maar zijn je voeten al dood. En vaak wordt een oorlog niet zozeer met kogels als wel door voeten gewonnen. Want oorlog en voeten zijn als het ware stiefzusters”. Of doordachte dingen als dit: “Dus je vlucht je in je gedachten, al is het daar ook niet veel beter”. Of, verder: “Ik liet me op mijn bed vallen om mijn gedachten wat te verzamelen. Hoewel dat gemakkelijker gezegd is dan gedaan, je gedachten verzamelen. En je hebt momenten waarop een mens nog het liefst zijn gedachten alle windstreken op zou willen jagen. En zou willen veranderen in een tafel of een krukje. En net zo lang die tafel of dat krukje zijn tot alles voorbij is”. Wat niet belet dat je een paar bladzijden verder weer dingen leest die helaas – bad pun intended – aardser zijn dan je wil lezen: “Het moge duidelijk zijn, de mens leeft van de aarde en hij zou tot de oogst moeten worden aangetrokken als een hond tot zijn teef.” Wat op zijn beurt niet belet dat de aarde, nog meer dan de mens, het centrale thema is van het leven van de mensen in dit boek. Een leven dat dan wel gewelddadig kan zijn, het is een gevecht met elkaar maar ook met de natuur, maar als vanzelf in tegenstelling staat met de oorlog waar desondanks het hoofdpersonage heeft aan deelgenomen, iets waaruit, zoals ik al aangaf, blijkt dat hij géén “trotse” boer is, in tegenstelling tot zijn vader, die deze woorden spreekt: “Waar zouden we dan voor moeten vechten? We ploegen, we zaaien, we maaien, wie zijn wij tot last? Een oorlog zal de wereld niet veranderen. Ze zullen elkaar alleen uitmoorden en het zal zijn zoals het was voor de oorlog. En weer zullen het de boeren zijn van wie er het meest in de grond achterblijven. En niemand zal zich ook maar herinneren dat ze hebben gevochten en waarvoor. Want gedenktekens of boeken laten boeren niet achter, enkel tranen. Ze zullen wegrotten in de grond en de grond zal zich hen ook niet herinneren. Maar als de aarde zich iedereen zou willen herinneren, zou ze niet hoeven baren. En de voorbestemming van de aarde is om te baren.”

In plaats van u hierna nog met verdere citaten lastig te vallen, zal ik het bij deze houden. Al zijn er eerder en later in het boek beslist nog die ik hier zou willen meegeven. Over, bijvoorbeeld, de eieren die het hoofdpersonage, en de andere mensen in het dorp, laten zegenen met Pasen, eieren die dan uiteraard veel lekkerder smaken, al helemaal met mierikswortel, die “niet alleen gewijd [moet] zijn, maar ook zo sterk dat het er in je neus van prikt”. Of over Natte Maandag, een op Paasmaandag gevierde, nog steeds bestaande traditie die, als je de filmpjes op het internet moet geloven, wel een beetje héél erg uit de hand kan lopen, maar dat blijkens het boek vroeger ook al deed. Of over het in de eerste rug van een in de lente te ploegen akker stoppen van de eerste snede van het brood dat met Kerstmis begonnen is (en de moeilijkheden die konden ontstaan naar aanleiding van het feit dat brood er niet het hele jaar door was). Of over massale, dagen lange bedevaarten. Maar als ik daarmee begin, lees ik het halve boek opnieuw, en dat ligt niet in mijn bedoeling. Toch nu niet. Want hoewel ik enige tijd getwijfeld heb of Steen op steen dezelfde weg zou opgaan als Over het doppen van bonen, heb ik besloten het boek maar in mijn bibliotheek te laten staan. Al is het maar omdat ik de indruk heb dat er misschien nog wel een laag in zit waar ik bij de eerste lezing niet meteen op gelet heb.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !