Posts tonen met het label Rik Torfs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Rik Torfs. Alle posts tonen

dinsdag 8 maart 2022

Het hellend vlak – Rik Torfs (boekbespreking door Björn Roose)

Het hellend vlak – Rik Torfs (boekbespreking door Björn Roose)
Ik wou deze boekbespreking beginnen met de stelling dat het nog niet zo heel lang geleden was dat ik nog een boek van de auteur, Rik Torfs, had besproken, maar dat blijkt toch óók al van mei vorig jaar te zijn en daarmee langer geleden dan ik dacht. Desalniettemin wil ik naar mijn bespreking van Over morgen – Mijmeringen voor wie niet van gisteren is, een boek dat Torfs samen met Pieter Marechal schreef, verwijzen voor wat betreft de “biografie” van de auteur. U kent mij: liever lui dan moe.

In die bespreking vermeldde ik overigens ook dat ik met graagte lees wat Torfs op Twitter produceert en dat is sindsdien niet anders geworden. Het feit dat hij de “meer dan 140,000 volgers” die hij toén had intussen – uiteraard op het moment van dit schrijven – uitgebreid heeft naar meer dan 158,000 volgers heeft mogelijk dezelfde oorzaak als het feit dat ik hem de jongste maanden zelfs met nog méér aandacht ben gaan volgen: zijn standpunten aangaande de zogenaamde “coronamaatregelen”, de regulitis ter zake, het kennelijke onvermogen van politici om terug te keren van het verkeerdelijk ingeslagen pad, en ons aller individuele vrijheid.

Maar natuurlijk ook zijn schrijfstijl. In m’n boekbesprekingen doe ik niet zo heel erg mijn best om het aantal karakters te beperken – ik probeer mee te geven wat ik mooi of interessant vind aan een boek, wat niét, en gooi er tussendoor af en toe ook een persoonlijk meninkje in, maar ben niet gebonden aan een zeker aantal bladzijden, dus wat zou het? –, maar op Twitter speelt dat wél steeds mee. 280 karakters mag dan wel het dubbele zijn van de voorheen geldende 140, maar het is nog immer niet evident om een commentaar of een filosofische gedachte te vatten in zo’n kort bestek. Ter illustratie: voorgaande zin is 185 karakters lang en ik heb er niet méér in gezegd dan dat nog eens 95 karakters extra niet veel zullen helpen om dieper op iets in te gaan. Wie niet wil beginnen aan zogenaamde “draadjes” – u kent het systeem met zijn “1/3”, “2/3”, enzovoort, waarbij het volgende deel telkens een reactie van de schrijver op het vorige is – kan het ofwel hebben over wat hij op zijn boterhammetjes gesmeerd heeft (als het geen drie lagen zijn), ofwel foto’s van katten delen, ofwel middels een link verwijzen naar een andere pagina (naar deze boekbespreking bijvoorbeeld), ofwel zich bedienen van massa’s afkortingen en weinig leestekens. Ik probeer dat niét te doen (ik ben niet zo’n fan van afkortingen en van oordeel dat leestekens hun nut hebben) en Rik Torfs doet dat helemáál niet, maar hij slaagt er ook nog eens in, zónder “draadjes”, kernachtig zaken neer te pennen met meer diepgang dan de huidige belze kamer en senaat samen (toen hij er zélf nog in zat, kon dat wiskundig uiteraard niet).

Van zijn columns – ik geef er eigenlijk nog altijd de voorkeur aan het oude woord “cursiefjes” te gebruiken – kan hetzelfde gezegd worden, al kan hij op een drietal bladzijden natuurlijk net iets poëtischer, net iets verhalender, net iets ruimer te werk gaan dan in zo’n tweet. Als je dan in een boek, het voorliggende Het hellend vlak, aldus de achterflap “de beste stukken van de afgelopen vijf jaar”, of zoals ín het boek vermeld “een ruime selectie uit de columns die van 2003 tot 2008 verschenen zijn in De Standaard” voorgeschoteld krijgt, dan kan je je als lezer nauwelijks bekocht voelen. Zeker niet als je, zoals ik, geen abonnement hebt op De Standaard (of wat voor gazet dan ook), voordien nog nooit een cursiefje van Torfs gelezen hebt, en dat boek voor een euro of zo aangekocht hebt.

Om het na zoveel positiviteit toch ook even over een andere boeg te gooien: de columns zijn niet pakweg op chronologische volgorde in het boek terechtgekomen en ook niet random door mekaar, maar verzameld in vijf hoofdstukken: Denken is: eenzaam op de loer liggen – Over de universiteit en het onderwijs, Geloven is loslaten – Over religie, Wij leven aan de grens – Over politiek, Onopgeloste vragen – Over kunst en literatuur, en Zonder dromen gaan we dood – Over ethiek. Dat is naar mijn aanvoelen een beetje kunstmatig: verzamelingen van cursiefjes lees ik net graag omdat je elke paar bladzijden bij een ander hoofdonderwerp uitkomt. Maar misschien was het de bedoeling toch iets niéuws, iets dat nog niet eerder gepubliceerd was toe te voegen, en daartoe was op deze manier meer gelegenheid: bij elk van de hoofdstukken heeft de auteur een inleiding van een iets langere lengte dan een standaard column geschreven, wat dit boek mogelijk ook weer interessant maakt voor wie die columns eerder gelezen heeft.

Da’s meteen ook een compensatie voor het feit dat Scheiding en Hoed u voor de hoofddoek, twee stukjes die meteen na mekaar in Geloven is loslaten – Over religie staan, net een beetje teveel overlappen om dat tweede nog het lezen waard te maken. Ter illustratie, een passage uit Scheiding gevolgd door een passage uit Hoed u voor de hoofddoek:

– “Alleen, tja, welke scheiding van kerk en staat? De bedienaars van de eredienst staan op de betaalrol van het ministerie van Justitie. Het religieuze huwelijk moet volgens de grondwet door het burgerlijke worden voorafgegaan. En op de grote momenten van onze natie brengen kerkvorsten nog altijd met een vibrerende stem het Te Deum ten gehore. Er is dus in België geen strakke scheiding tussen kerk en staat”;

– “Maar er is meer. Het principe van scheiding van kerk en staat mag dan al heilig zijn, in België bestaat het niet. De bedienaars van de erkende erediensten worden door de staat bezoldigd. Het burgerlijke huwelijk dient aan de religieuze plechtigheid vooraf te gaan. De wet kent heel zeker het kanselmisdrijf, de gewoonte herstelt misschien weldra het kerkasiel in ere. In België worden kerk en staat duidelijk onderscheiden, goed zo, uitstekend zelfs, maar van een strikte scheiding is helemaal geen sprake”.

En dan zijn er natuurlijk nóg een paar dingetjes. Het stuk Aan het Vlaams Blok: Hulde! is van een zodanige voorspelbaarheid en flauwiteit dat het op zijn minst geen plaats verdient in een bundel als deze. Walen buiten is niet veel beter. En Bloed, zweet en tranen, een stuk dat oorspronkelijk gepubliceerd werd op 12 januari 2006, is in essentie niet meer dan een deeltje van een polemiek tussen de (toen nog) gesjeesde kandidaat-rector en de voormalige rector van de Katholieke Universiteit Leuven, André Oosterlinck. Woord en wederwoord kunnen lezen, vind ik in zo’n geval zinnig en dat kan hier niet (de lezer komt niet eens te weten wie de discussie is begonnen).

Maar dan zijn we rond wat de negatieve punten betreft: van het (woord) Vooraf tot en met het Tot slot – Muntstraat, Leuven is dit boek verder mooi, aangenaam om lezen, interessant, inspirerend, en héél vaak grappig. “Waarom schrijft een mens columns”, vraagt Torfs zich in het Vooraf af. Misschien een beetje om je lezers ter wille te zijn, denk ik dan, al beantwoordt de auteur die vraag in eerste instantie met: “Omdat hij te lui is om een wetenschappelijk traktaat te schrijven. Omdat hij de scheppingskracht mist die tot een roman kan leiden. Omdat hij van poëzie gemakkelijk begint te huilen, vooral als hij gedronken heeft. Omdat hij alleen wil zijn. Omdat hij niet alleen wil zijn.”

Wat mij betreft ook opdat duidelijk worde dat wat de auteur in zijn tweets verkondigt voor hem niks nieuws is: hij is een gematigd figuur (en in die zin in deze tijden natuurlijk een ‘extremist’); hij heeft niet erg veel respect voor erkend ‘gezag’; hij probeert niet de praktijk aan te passen aan de theorie, maar de theorie af te leiden uit de praktijk (zoals het een geleerde past, maar in deze tijden door ‘geleerden’ nog zelden wordt toegepast); hij prijst hypocrisie, “wanneer zij met mate wordt gehanteerd”, want dan “maakt ze het leven draaglijk”; hij wíl open staan voor iedereen, ook voor zichzelf, en als hij daar niet in slaagt, dan weet hij dat doorgaans met een portie zelfspot goed te maken. Een paar voorbeeldjes van dit alles:

– “In toenemende mate moet de universiteit een beroep doen op mensen uit de tweede rij. Die er merkbaar van genieten hun correspondentie te ondertekenen met voor hun naam de magische afkorting: prof. dr. Een afkorting is altijd geweldig. Ze betekent immers dat er meer is dan er staat. Dat de aanwezige geleerdheid binnen het bestek van de titulatuur slechts in verkorte vorm kan worden weergegeven. Afkorting is ijdelheid”;

– “Ook met het onderzoek loopt het soms wat minder. Gek genoeg ligt dat aan de ‘meetbaarheid’ ervan. Onderzoekers moeten publiceren in bekende vakbladen. Internationaal gereviewde tijdschriften. De roem van wetenschappers stijgt wanneer zij door anderen worden geciteerd. Hoe bereik je dat nobele doel? Door onderwerpen te kiezen die niet nieuw zijn, waar iedereen al een tijdje mee bezig is. Dan kan je veel citeren, en vooral geciteerd worden. Zeer te vermijden is vernieuwing. Innovatie. Boor je een onderwerp aan dat iedereen links laat liggen, dan staat er niemand klaar om je te citeren, en ben je dus een middelmatig vorser”;

– “Musea sloven zich uit om mensen naar binnen te lokken en verzinnen wanhopig de gekste dingen om hen te verleiden. Het is een bekend verschijnsel. De tragiek van de oudere dame met een voor haar leeftijd te diep decolleté. Interactieve spelletjes, virtuele rondleidingen, artistieke huisvlijt, culinaire festijnen, eetbare kunst: musea proberen het allemaal. Alsof het niet helemaal netjes is om gewoon aandachtig naar een schilderij te kijken, en het vol innerlijke vreugde te bewonderen. Zonder meer. Zonder poeha. Zonder een hogere doelstelling die de bewonderende blik van de kunstliefhebber legitimeert”.

En dan zijn we nog niet verder opgeschoten dan de inleiding tot het eerste hoofdstuk, Denken is: eenzaam op de loer liggen – Over de universiteit en het onderwijs

Pas daarna heeft hij het bijvoorbeeld over de afnemende algemene kennis van studenten (en de neiging te beweren dat het toch allemaal “op het internet” staat); over de “outputfinanciering” van de universiteiten (wie meer diploma’s aflevert, krijgt meer poen) en de “gigantische interne bureaucratie” van diezelfde alma maters; over processies en zandwegen (“Een weg is minder definitief, letterlijk aardser, beloftevoller, wanneer hij niet is volgestort met beton."); over het feit dat hij “al heel lang” katholiek is, maar het “rijkelijk vroeg” zou vinden om “het vandaag te worden”; over het hiernamaals (en de “rijstpap met gouden lepeltjes” die niet eens een slechte optie zou zijn wat betreft de invulling daarvan); over de Club van Rome, de belze “genocidewet” en “Louis Michel (Jodoigne) en George W. Bush (Washington D.C.) (…) als potentiële criminelen”; over het belang van symbolen (“(…) in Frankrijk zijn symbolen belangrijker en werkelijker dan de werkelijkheid, wat het land toelaat honderd jaar na de feiten nog altijd een grootmacht te zijn”); over het (ook, en meer nog, in onze tijden) tegenover elkaar plaatsen van individualisme en solidariteit (“De individualist kan uitermate solidair zijn. Vaak kiest hij heel bewust voor solidariteit"), terwijl de werkelijke tegenpool van individualisme paternalisme is (“De vader die alles in het werk stelt om de volwassenwording van zijn kind te verhinderen."); over Johannes Paulus II (Karol Wojtyła), de eerste niet-Italiaanse paus in 455 jaar, en Joseph Ratzinger (Benedictus XVI), de eerste paus die vrijwillig aftrad sinds 719 jaar; over 11 september 2001 (ofte nine-eleven, zoals die dag de geschiedenis is ingegaan); over het zwijgen van Jean-Paul Sartre en het feit dat John F. Kennedy, “naar wie in ons land tunnels, lanen en flatgebouwen zijn genoemd” soldaten naar Vietnam stuurde om daar oorlog te gaan voeren: over ‘altijd zeggen wat je denkt’ en Heilige verontwaardiging; over Idealisme en Zonde; over euthanasie, therapeutische hardnekkigheid en stervensbegeleiding; en over … Godfried Bomans.

Wat een toeval! Of net niet? Één van de andere boeken die ik ter gelijker tijd met Het hellend vlak aan het lezen ben, is er eentje van Bomans, Wandelingen door Rome, en ik kreeg nog vóór ik de naam Bomans tegenkwam bij Torfs de indruk dat de heren (als Torfs geen tiener meer was geweest toen Bomans dit ondermaanse verliet) wel door één deur zouden gekund hebben wat hun visie op de katholieke kerk betreft. Als Bomans het in het stuk Impressies op het Sint Pietersplein heeft over het sterfbed van paus Pius XII en welke invloed dat had op de stad Rome als geheel, schrijft hij dat zo: “Ik zou voor de gesprekken hier in Rome het beeld willen oproepen van een muziekkorps, dat buiten in een bos speelt. U zit in een ander gedeelte van het bos op een bank te luisteren en hoort: pom-pom, pom-pom. Het is een dof en diep geluid, dat onder de hogere geluiden rustig wordt doorgepompt. Daarboven mag het wisselen : nu eens het giftig schetteren van een trompet, dan weer het nerveuze gefladder van een ocarina : maar daaronder klopt onafgebroken de polslag van het piston. Nadert u zo’n muziektent, dan kunt u die man ook ontdekken. Het is niet eenvoudig, want hij zit in het midden en is bijna onzichtbaar. Als een Laocoön in de windingen van zijn eigen instrument geborgen, blaast hij nederig het grond-akkoord: pom-pom, pom-pom. Anderen strijken met de eer, maar haal hèm weg en alles stort ineen. Hij is het onzichtbaar fundament. Zo is het met de conversatie in Rome. De Paus is ziek. Hij ligt op zijn kamer en niemand ziet hem. Dat is het grond-akkoord. Ergens, diep in de windingen van dat enorme paleis, ligt hij roerloos te wachten tot het voorbij zal zijn. In alle kranten verschijnt dagelijks een klein bericht : de Heilige vader gaat vooruit, de Heilige vader gaat achteruit, de Paus heeft een kop bouillon gedronken, de Paus is een ogenblik in zijn bibliotheek geweest. Daarboven wisselen de krantenkoppen. Schreeuwend, sensationeel. Nu eens het proces Montesi, dan weer het schandaal Giuliano. Maar de ziekte van Pius XII gaat rustig door, stijgend, dalend, als een constant basgeluid, dat het geheel in een weemoedig mineur houdt.” En als Torfs het over het sterfbed van Johannes Paulus II heeft in Haast en spoed, doet hij dat zo: “De tijd die traag verstrijkt zolang de paus ziek is, wordt opeens kostbaar wanneer hij sterft. Er moet immers dringend een nieuwe paus komen en het is nog niet duidelijk wie dat wordt. Daarom is er nauwelijks tijd om bij de dood van de leider stil te staan en zijn begrafenis te organiseren, zonder dat het nakende conclaaf zijn slagschaduwen over de gebeurtenissen werpt.” Maar als Torfs een stukje de titel Een Hollander ontdekt Vlaanderen geeft, weet elke Bomans-lezer meteen dat dat stuk wel moét handelen over Godfried Bomans, want Een Hollander ontdekt Vlaanderen was het laatste boek dat Bomans schreef. En als een Bomans-lezer van iemand anders te weten komt dat die óók een Bomans-lezer is, dan stijgt die andere meteen een stukje in de rangorde der mensen. Zo ook dus Torfs, die zijn stukje beëindigt met deze woorden: “In 1971 was Van Mechelen minister van Nederlandse Cultuur in een regering geleid door Gaston Eyskens. Er was ook een minister van Franse Cultuur, Albert Parisis, die wellicht ongeveer het tegenovergestelde dacht. Dan helpt dubbelzinnige orakeltaal om te overleven. Of humor, want die is per definitie dubbelzinnig. Daar was Bomans een meester in. In een bijzin maakte hij iemand terloops af, terwijl de hoofdzin vriendelijk bleef. Zo verwierf niemand het recht om boos te worden. Dat is geen geringe verdienste.” En dat lijkt mij dan weer een van de dingen die Rik Torfs zelf nog steeds nastreeft, iets waarin hij een voorbeeld aan Bomans heeft genomen, iets waarin hij aardig slaagt. Misschien heeft hij nog geen woord kunnen bedenken “voor een vreemde mengeling van gêne en ontroering”, iets waarvan hij dacht dat “Bomans zelf (…) dat ongetwijfeld wel [had] gekund”, maar dát kan hij in ieder geval wel.

Tot slot van deze boekbespreking citeer ik nog graag een stukje uit Het compromis: “Maar mogen we ook over democratie en mensenrechten compromissen sluiten? Als gelovigen ten gevolge van cartoons of reclameboodschappen pijn ondervinden, moeten die nare dingen dan maar meteen worden verboden? Ach wat, een klein beetje vrijheid prijsgeven, dat kan er wel van af, we houden er nog zoveel over, hoorde ik een schrijfster grootmoedig verkondigen. En nochtans, wat generositeit lijkt, is hier lafheid. Je sluit geen compromissen over de vrijheid van anderen.” Ik denk dat ik er als door onze belze overheid als zondebok aangeduide “anti-vaxxer”, als persoon waarvan de vrijheid door talloze “vaxxers” met graagte zou opgegeven worden, geen tekening bij moet maken waarom ik met net dát citaat eindig.

Björn Roose

dinsdag 11 mei 2021

Over morgen – Mijmeringen voor wie niet van gisteren is – Pieter Marechal & Rik Torfs (boekbespreking door Björn Roose)

Over morgen – Mijmeringen voor wie niet van gisteren is – Pieter Marechal & Rik Torfs (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb al vele jaren geen kabelabonnement meer. Geen Netflix. Geen Zevende Dag. Geen … extra ergernissen bovenop degene die sowieso al elke dag langs andere kanalen binnen stromen.

Ik heb óók nog nooit een abonnement op een week- of dagblad gehad (t.t.z. ik heb er wel eens een gehad, ergens vooraan in de jaren negentig, voor een half jaar of zo, op Knack, omdat dat me nuttig leek als student economische wetenschappen, maar dat bleek al snel niét zo) en ik ben niet gek genoeg om losse nummers van zo’n bladen te kopen.

Ik ken bijgevolg Rik Torfs niét van de media. Niet van zijn artikels in De Standaard of Le Soir, niet van zijn optredens in De Laatste Show, De Pappenheimers of Recht van Antwoord. Niet van Nooitgedacht, De Slimste Mens ter Wereld, of De Tafel van Tijs. En óók niet van zijn korte carrière in de politiek, al speelde die zich dan af in een tijd dat ik van in de provincie nog wel enige aandacht had voor die uitermate smerige branche van het “gemeenschapsleven”.

Maar ik heb m’n ogen niet in m’n zakken en er is toch één reden waarom ik gebruik maak van sociale media, dus zag ik op Twitter wel eens berichten passeren van Rik Torfs en ben ik sinds enige maanden ook één van de (op dit moment) meer dan 140,000 volgers van de hoogleraar en – zoals de achterflap van dit boek vermeld – “gezaghebbend mediafiguur” (whatever that means). Torfs produceert op Twitter “mijmeringen” à volonté en daar zitten af en toe toch dingen in die goed gezegd en/of ook in mijn ogen waar zijn.

Rik Torfs’ collega-auteur Pieter Marechal zit kennelijk óók op Twitter, maar hem heb ik daar niet eerder ontmoet (iedereen ter wereld zou in zeven clicks met ieder ander te verbinden zijn, maar er zijn mensen waarmee je, hoe geografisch dichtbij ook, nooit “zomaar” contact zal maken). Nu ja, Marechal is behalve co-auteur van Over morgen – Mijmeringen voor wie niet van gisteren is voornamelijk docent aan de Economische Hogeschool Tilburg en schepen in Brugge en lijkt op Twitter in eerste orde over voorliggend boek en Brugge te schrijven, dus moge me dat vergeven worden.

Net zoals het feit dat ik niet echt onder de indruk was van het boek. Had ik niet erg gevonden als ik het boekje (die tweehonderd bladzijden zijn zo voorbij) geleend had in de bibliotheek (waar ik niet meer kom sinds ik er een mondmasker moet dragen, wat me toch te veel gevraagd is op een plaats waar ik graag langer dan een kwartiertje doorbreng), maar ik heb het ding gekocht in een boekhandel (binnen en buiten in tien minuten) en me een aardig sommetje laten aftroggelen op basis van de veelbelovende tekst op de achterflap: “Bent u het versteende debat van gelijkhebbers van links en rechts beu? Voelt u ook de noodzaak aan van een pragmatische politiek, wars van extremisme en populisme? Zoekt u ook naar oplossingen voor de uitdagingen waar onze samenleving voor staat? Met Over Morgen bieden Rik Torfs en Pieter Marechal u een verfrissend manifest voor de toekomst.” “Manifest voor de toekomst” … Zeg nu zelf, dan verwacht je toch al wat? Méér dan wat “mijmeringen” in ieder geval, maar over de op de voorflap véél kleiner dan Over morgen gedrukte ondertitel Mijmeringen voor wie niet van gisteren is had ik in mijn haast heen gelezen.

Nu ja, dat wil niet zeggen dat het werkje van Torfs en Marechal (die een jaar of tien geleden trouwens ook al gezamenlijk Wie mooi wil zijn, moet leiden publiceerden) niks te bieden heeft. Niks nieuws weliswaar, niks “verfrissend” ook voor wie wel eens vaker een boek leest, niks dat enigszins op een “manifest” lijkt, maar goed, ook als niet-katholiek kan ik al eens vergevingsgezind uit de hoek komen.

Verwacht dus niet te veel van het voornemen van de auteurs om “onbegane wegen te verkennen, archaïsche gewoonten te doorbreken, onverwachte opties te overwegen”. En eigenlijk al evenmin van “behouden wat ons dierbaar is”, want de heren zijn héél erg bang om voor conservatief versleten te worden. Wat ze niet belet om verder in het boek een titel als Veranderen om te behouden – of “rentmeesterschap”, dat zich zou bevinden tussen conservatisme en progressisme - te gebruiken, een rechtstreekse verwijzing naar het To change in order to preserve van Edmund Burke, aartsvader van het conservatisme. En al maken ze wel duidelijk een aantal conservatieve overwegingen, zoals deze, met onuitgesproken verwijzing naar De meeste mensen deugen van Rutger Bregman: “De vraag is evenmin of mensen deugen of niet, dat is een semantisch spel. Mensen hebben zowel deugden als ondeugden. Zo zitten we nu eenmaal in elkaar. Een realistische mensvisie, mensenkennis en een minimale liefde voor de onvolmaakte mens, daar ligt de sleutel voor een succesvolle politiek.”

Verwacht ten slotte ook niet dat ze ín het boek iets anders zullen zeggen over “declinisten”, “ecofundamentalisten”, “populisten” of “collectivisten” dan samengevat op de achterflap: “Declinisten vrezen dat de wereld om zeep is. Ecofundamentalisten wenden de klimaatcrisis aan om een vervreemdende levenswijze op te leggen. Populisten en collectivisten beweren dat een ideale wereld mogelijk is als we onze vrijheden opgeven voor hun plannen. Allemaal doodlopende paden.”

Rik Torfs en Pieter Marechal nemen het op voor de zogenaamde “middenklasse”, die uiteindelijk bijna elk van ons omvat en steeds weer de dupe wordt van elk ideetje om het geld te halen waar het zit (“De rijken die zullen betalen, zijn immers altijd de anderen, nooit zijzelf. Maar pas op, voor mensen het goed en wel beseffen, maken ze ook deel uit van die groep ‘rijken’”). Marechal en Torfs nemen het op voor wat nog rest aan natuur (en terecht), maar (al even terecht) tegen de door sommigen aangebrachte “oplossing” om iedereen dan maar samen te proppen in de steden. Trouwens, schrijven de auteurs even later, Thomas Malthus (An Essay on the Principle of Population) had ongelijk, net zoals de Club van Rome (De grenzen aan de groei): alles sal reg kom, ook zonder dat we allemaal ons plig doen. Elektrische wagens zijn de toekomst, net zoals “thuiswerk en virtuele vergadering” en kernenergie. We hebben met andere woorden te doen met christendemocratische believers in technologische oplossingen. Positiviteit is goed, we moeten alleen “van een utilitaristisch naar een humanistisch positivisme gaan”, aldus Torfs en Marechal. En dat “ondersteunen” ze dan ook nog graag met een aantal statistische gegevens die, afhankelijk van hoe het uitkomt, in procenten of in absolute cijfers weergegeven worden.

Als conservatief kan ik het moeilijk niét eens zijn met hun stelling dat de ideale wereld niet bestaat (alhoewel, die bestaat wel, hij is alleen alsmaar minder ideaal geworden naarmate mensen hem gingen proberen te vormen naar hún idealen) en dat de Nirvana Fallacy een belangrijk probleem is dat uit de wereld kan geholpen worden door eerlijke communicatie over wat wérkelijk te verwachten valt, maar de aard van het partijpolitieke beestje, van verkiezingen is helaas dat steeds weer beloofd wordt, gesuggereerd wordt dat het “beter” zal worden en er wordt zéér zelden duidelijk gemaakt voor wie en in welke mate “het” dan wel “beter” zal worden of náár wie en in welke mate de rekening zal doorgeschoven worden. Wie de Nirvana Fallacy wil aanpakken, zal meer moeten doen dan wat mijmeren over “politieke boodschappen die leugens verpakken in een verhaal dat vele mensen als muziek in de oren klinkt”. De vraag stellen of de overheid zich wel werkelijk met álles moet bemoeien, iets wat Rik Torfs en Pieter Marechal doen, is daarbij inderdaad een goed begin. Maar, het is wat het is, we hebben nauwelijks tot geen ervaring met overheden die zich met mínder gingen bemoeien (op de golf van “deregulering” in het voormalige communistische blok na die zich echter voornamelijk op het economische vlak afspeelde en uitdraaide op kapitalistische rampen). Beweren dat “mensen (…) sinds de coronacrisis meer dan ooit [willen] dat de overheid instaat voor uitkeringen die hen garanderen dat ze een waardig bestaan kunnen leiden, ook wanneer tegenslagen zich aandienen” of dat “mensen (…) een overheid [willen] die regels oplegt aan bedrijven waardoor werknemers in staat worden gesteld om hun werk zo uit te voeren dat er voldoende vrije tijd overblijft om wat vaker tot rust te komen”, lijkt me dan weer gebruik maken van het populistisch vocabularium: “mensen” willen namelijk van alles en uit al die verschillende willetjes één groot “willen” halen, is simpelweg bedrog. Ik ben er bijvoorbeeld sterk van overtuigd dat de meeste mensen het liefst zouden hebben dat de overheid hen niet op allerlei manieren hindert in het uitoefenen van hun baan, dat de overheid hen niet in naam van een virus zou gijzelen, dat de overheid hen niet hun broodwinning zou afnemen, en niet zozeer dat de overheid dat eigen wangedrag dan maar zou “compenseren” met een uitkering. Ik ben er óók sterk van overtuigd dat de “middenklasse” die moet betalen voor dat “compenseren” er alle belang bij zou hebben als de overheid daar eens mee ophield. Maar kennelijk vallen mijn meeste mensen en mijn “middenklasse” niet onder de “mensen” van Torfs en Marechal. Het “vinden van een maatschappelijk draagvlak” dat “zal bepalen hoe de uitkomst van de huidige crisis gestalte krijgt”, lijkt me bijgevolg politieke woordenkramerij. Een “mijmering”, zo u wil.

Over politieke woordenkramerij gesproken, aan het begin van het hoofdstuk Wat we gemeen hebben, zal ons verder brengen dan onze verschillen slaan Pieter Marechal en Rik Torfs zo ongeveer alles wat dat betreft: “Zulke complottheorieën komen de laatste jaren steeds vaker voor. Denk maar aan de groeiende groep aanhangers van de gedachte dat de aarde plat is. Of het toenemende aantal mensen dat vaccinaties slecht acht voor ons.” Mensen die kritisch zijn over de werking van vaccins gelijkstellen met flat earthers … je moet eigenlijk maar durven. En zeker niet bang zijn achterhaald te worden door “de” wetenschap, want “we weten dat de wetenschap ze tegenspreekt”. Dezelfde “de” wetenschap allicht die een aantal decennia geleden nog – mits daar genoeg voor betaald – beweerde dat roken goed was voor zwangere vrouwen, dat vet véél schadelijker was dan geraffineerde suiker, dat graan telen in Siberië kon als je de zaden maar vooraf wende aan de kou, of – een beetje verder terug – dat de aarde effectief plat was. Als je als wetenschapper, wat beide heren toch zijn, niet eens door hebt dat “de” wetenschap niet bestaat, dat ze hoogstens een kwestie is van voortschrijdend inzicht, dan mankeert het je op zijn minst aan de noodzakelijke nederigheid om je vak naar behoren te beoefenen. Ik zou dat een “mijmering” van mezelf kunnen noemen, maar het is eerder een immer toenemende ergernis.

Een terechte ergernis in het geval van Rik Torfs en Pieter Marechal kennelijk, want even later pleiten de auteurs ook nog voor het voeren van “de” strijd tegen … fake news. Een strijd die – let op – moet gevoerd worden “om het onderlinge vertrouwen tussen mensen te herstellen, zodat we weer tot een dialoog en debat die naam waardig kunnen komen”. Echt, zonder zeveren, de heren wensen tot dialoog te komen door mensen het zwijgen op te leggen. Klinkt bijna als een gesprek met “god” (als we het dan toch over fake news en complottheorieën hebben): die zegt ook lekker niks terug. Maar, het moet gezegd worden, de heren houden een slag achter de arm: een keer door de bestrijding van fake news en het aldus komen tot “een dialoog en debat die naam waardig” “een gedeeld wereldbeeld” is ontstaan waardoor we “samen stappen (…) [kunnen] zetten naar een gemeenschappelijke toekomst” zou het zomaar kunnen dat “we op een dag tot de vaststelling [komen] dat één of meerdere aspecten van hun verhalen waarvan we dachten dat ze onmogelijk waar konden zijn, toch blijken te kloppen. Onfeilbaarheid komt tegenwoordig de paus steeds minder toe – waarom zouden wij het dan altijd bij het rechte eind hebben?” Mág ik dan een “beetje” cynisch zijn door te vragen waarom “we” dan nu de dialoog om zeep zouden moeten helpen door onwelgevallige meningen te cancellen als zijnde fake news of complottheorieën?

En mag ik, nu ik toch toestemming aan het vragen ben, ook een beetje over m’n nek gaan van het belang dat de heren Torfs en Marechal hechten aan de wandelingetjes-met-looprek van ene Captain Tom ter financiering van de Britse sociale zekerheid? Ja, hij werd door er veel media-aandacht aan te schenken tot “held” gebombardeerd, maar hetzelfde is in eigen land ook gebeurd met verpleegsters, postbodes, pakkemannen en zelfs Marc Van Ranst, terwijl in Groot-Brittannië per slot van rekening ook de massamoordenaar Arthur ‘Bomber’ Harris nog steeds als een held wordt aanzien. De enige echte helden in het hele corona-circus zijn wat mij betreft de burgers die dit alles betalen, nog generaties ver in de toekomst, in veel gevallen ook nog mét het opgeven van het laatste bastion van vrijheid, hun eigen lichaam. Ik ben wat dat betreft geen held, want niet idioot genoeg om dat laatste te doen ter meerdere eer en glorie van het “algemeen belang” van het zittende regime. Als de heren “Ask not what your country can do for you, but what you can do for your country” als Leitmotiv wensen aan te halen, dan sta ik bijzonder ver van ze af. My country moet mij zoveel mogelijk met rust laten, zodat ik hetzelfde kan doen voor my country. Wat “algemeen belang” is, kan ik in alle eerlijkheid niet uitmaken en iedereen die meent dat hij het wél kan, is ofwel verschrikkelijk pretentieus ofwel een politicus ofwel beide. En het Rijnlandmodel – kennelijk de essentie van het “verfrissend manifest voor de toekomst” – waar Rik Torfs en Pieter Marechal zo’n fan van zijn, heeft inderdaad een tijd in belangrijke mate iets gediend dat het algemeen economisch belang kán genoemd worden, maar “een tijd” is hier wel zéér kort en wie hoopt dat hij door wat bijschroeven aan en oppoetsen van dat model – “een grondige schoonmaakbeurt” en “enkele onderdelen zijn aan vervanging toe”, aldus de auteurs – de zaak draaiende kan houden, zal toch héél hard zijn ogen moeten leren sluiten voor de systeemfouten ervan. Waarmee ik, voor de duidelijkheid, niet gezegd heb dat “zuiver” kapitalisme of dito communisme ook maar een haar beter zouden zijn: alle systemen, toegepast op grote schaal (“groeiende institutionalisering van het systeem en de anonimisering van de solidariteit”, zoals de heren auteurs het noemen), zijn gedoemd om te falen.

Soit, genoeg gezaagd, een keer je in drie vierde van het boek bent, komen er inderdaad nog een paar “mijmeringen” voorbij waarmee ik het in mindere of meerdere mate eens kan zijn. Een en ander over “de” economie bijvoorbeeld (bij die “de” stellen Rik Torfs en Pieter Marechal zich wél vragen), over de dictatuur van tijd en het idee dat je voortdurend “productief” moet zijn (iets wat Charlie Chaplin vijfentachtig jaar geleden al aankaartte in zijn film Modern Times), over “nabijheid” en eenzaamheid (goede buren en verre vrienden, weet u wel), over Heimat (een onderwerp dat door de auteurs zéér voorzichtig en vaag wordt aangepakt), over – echt waar, er staat één concreet voorstel in het boek – het dichter bij de burger brengen van de politici door de kieskringen kleiner te maken (alsof politici dan niet binnen die kleinere kieskringen de burgers dezelfde onzin gaan wijsmaken en even weinig zullen doen met wat die burgers menen), en ten slotte over een paar religieus/filosofisch getinte zaken als pelgrims (een hoofdstukje waarin Zygmunt Bauman en Karl Marx de revue passeren), noodlot (en het omhelzen ervan door Nietzsche), vergiffenis (met Didier Pollefeyt als inspirator) en het bij kunstminnaars bekende memento mori.

Een keer u op bladzijde 178 aangekomen bent, kan u het boek rustig dichtdoen en opbergen. Of u kan, als u gehaast bent, die eerste 178 bladzijden overslaan en pas beginnen lezen vanaf pagina 180. De laatste 13 bladzijden zijn namelijk niet meer dan een samenvatting van de eerste 178. Een essay binnen een essay dus. Dat laatste essay wordt dan wel betiteld als Manifest voor het midden, maar ik beschouw het als een manifeste papierverspilling. De rest van het boek is niet zo héél veel beter, maar wie eens een politiek boek wil lezen zonder dat er verwacht wordt dat hij er ook nog iets mee gaat doen, zal er mogelijk zijn gading in vinden. Je hoeft je er ook niet per se aan te ergeren, je kan het ook eenvoudig over je heen laten gaan. ‘t Zijn per slot van rekening maar “mijmeringen” en mogelijk hebben de heren Torfs en Marechal niet zélf die laatste paragraaf op de achterflap geschreven ...

Björn Roose