maandag 3 augustus 2026

Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit – Henri Leys (1815-1869) tussen heden en verleden – Jan Dirk Baetens (boekbespreking door Björn Roose)

Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit – Henri Leys (1815-1869) tussen heden en verleden – Jan Dirk Baetens (boekbespreking door Björn Roose)
Soms heb ik de indruk dat ik nog maar net het ene boekje uit de serie Phoebus Focus gelezen heb als het volgende alweer, samen met de nieuwste editie van OKV-magazine, in mijn bus ligt. Dat klopt natuurlijk niet, want tussen de ene editie van dat magazine en de andere zit telkens een tweetal maanden en zo traag lees ik niet. Al helemaal niet in het geval van de door The Phoebus Foundation uitgegeven ‘bijlagen’: die neem ik meestal in één lezing (dus in zoiets als een uur) tot me en dat vaak vóór ik het magazine uit heb. Maar als ik het schrijven en publiceren van mijn besprekingen méé in berekening neem, dan klopt de indruk al beter: op welke datum ik bijvoorbeeld mijn bespreking van Mercurius draagt Psychenaar de Olympus, het nummer XXXVIII in de serie, geschreven heb, weet ik niet precies meer, maar die bespreking heb ik pas op 12 juni 2026 gepubliceerd, terwijl op het moment dat ik de bespreking van nummer XXXIX schrijf de datum 26 juni 2026 is. Publicatie van deze bespreking valt pas te verwachten tegen eind juli, maar tegen dan zijn we dus weer minder dan een maand verwijderd van het moment dat het volgende exemplaar in mijn bus zit.

Vraag is dus of dat niet zo’n beetje gaat vervelen, die boekjes? En het antwoord is: als ze de kwaliteit halen van Mercurius draagt Psyche naar de Olympus of voorliggend Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit, ondertitel Henri Leys (1815-1869) tussen heden en verleden, zeker niet. Al had ik zulks bij het zien van de cover (hier) niet meteen verwacht. Wie die niet met het nodige oog voor detail bekijkt, zal misschien óók, zoals ik dat deed, denken dat de naam Henri Leys bij hem/haar niet voor niets geen belletje doet rinkelen. Een vooronderstelling die al op basis van de detailafbeeldingen van het schilderij in kwestie ín het boek (met honderdzesenzeventig bladzijden een van de dikkere in deze serie) onterecht blijkt, een feit waartoe ook (misschien zelfs vooral) de tekst van Jan Dirk Baetens - dixit de achterflap “universitair docent verbonden aan de opleiding kunstgeschiedenis van de Radboud Universiteit Nijmegen” - en de andere in het boek getoonde werken (van Leys, maar ook van vele anderen) het hunne bijdragen.

Maar eerst een woordje over die Henri Leys, een woordje dat ik aan Katharina Van Cauteren laat, “stafchef van de Kanselarij van The Phoebus Foundation”, die zoals gewoonlijk – tenzij ze zelf de auteur is van het boekje – het Voorwoord bij deze editie geschreven heeft: “Noem mij een Antwerpse schilder uit de negentiende eeuw en ik voel uw brein bijna automatisch een versnelling hoger slaan. Nee, het mag niet uit de zeventiende eeuw zijn. Nee, Emile Claus was van Gent. Denkt u aan Gustave Wappers, Nicaise De Keyser of Ferdinand De Braeckeleer? Het wordt al wat warmer, maar u bent er nog niet. Want deze editie van Phoebus Focus gaat over Henri Leys: ooit directeur van de Antwerpse Academie, schilder van menig tafereel in het stadhuis van de Scheldestad en zo gewaardeerd dat hij het voorwaar tot baron schopte. Maar dat was toen, en nu is nu – en nu blijkt baron Leys enigszins vergeten door de kunstgeschiedenis.” “Want ja,” zo gaat ze verder, “Leys’ historische taferelen waren weliswaar technisch meesterlijk, maar in de twintigste eeuw lag niemand nog wakker van artistieke virtuositeit. ‘Ouderwets,’ zo was de teneur, ‘sentimenteel.’ En ook: ‘niet origineel’. Want nee, Leys was geen Monet of Manet, en de kunstgeschiedenis was intussen een verhaal geworden van avant-gardes. Voor een schilder die zijn heil zocht in het verleden, bij de Vlaamse Primitieven, Dürer en Metsijs, was dat een probleem. Zeker omdat Henri Leys zichzelf en zijn publiek ook thematisch onderdompelde in het verleden.”

Nu ben ik zelf geen absolute fan van alles wat ‘avant-garde’ is, maar “ouderwets” was (naast ‘duister’, in die zin dat het schilderij misschien een ‘schoonmaakbeurt’ kan gebruiken) wel een van de woorden die bij me opkwam toen ik het werk Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit op de cover zag, en met “niet origineel” moest ik het na een paar tientallen bladzijden in dit boek gelezen te hebben ook wel eens zijn. Nog los van de motivatie achter dit werk en vele andere werken uit die periode, een motivatie die Van Cauteren ook nog meegeeft in haar Voorwoord: “In het prille België werd druk getimmerd aan een eigen, nationale identiteit. Een gedeeld verhaal had men nodig, helden, glorierijke vorsten van een land dat nog niet bestond. En welke figuur is op dat vlak mythischer dan de noodlottige Maria van Bourgondië? Erfdochter van hertog Karel de Stoute, echtgenote van de toekomstige keizer Maximiliaan van Oostenrijk, tragische jonge vrouw, die op haar vijfentwintigste van haar paard valt en sterft?” Dat laatste zijnde een feit waarnaar in mijn geboortestreek, waarin het kasteel van Wijnendale, plaats van de noodlottige val, lag, in ieder geval véél liever verwezen werd dan naar het gegeven dat Leopold III in datzelfde kasteel in mei 1940 zijn laatste gesprek met een aantal leden van zijn regering had, een gesprek waarin hij hen liet weten niet zoals zij de wijk te zullen nemen naar Engeland en er de voorkeur aan te geven ‘bij zijn troepen’ te blijven en in Duitse krijgsgevangenschap te gaan. Wat allemaal niet zo heel erg ter zake doet, ware het niet dat het kasteel van Wijnendale, na tussen 1837 en 1852 in opdracht van de nieuwe eigenaar, Josse-Pierre Matthieu, medeoprichter van de Société Générale, helemaal heropgebouwd te zijn, vanaf 1877 in opdracht van zijn zoon Joseph Louis een totale make-over onderging om er zo het – dixit Wikipedia – “geromantiseerde, middeleeuws aandoende waterslot” van te maken dat er nu nog staat. Iets wat merkwaardig genoeg past bij het thema van dit boek, zelfs al gebeurde het pas een klein decennium nadat Henri Leys (want met hem waren we bezig) het tijdelijke voor het eeuwige had verwisseld.

Want Leys’ Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit – een schilderij dat na 1858, het jaar waarin Leys het in Antwerpen en Gent exposeerde alvorens het naar Londen vertrok als eigendom van “een steenrijke verzamelaar”, nog slechts één keer in Vlaanderen te zien was (met name in 1905), en sinds 2022 in handen van The Phoebus Foundation is - werd in zijn tijd niet zomaar als “een meesterwerk” beschouwd, een gegeven dat Jan Dirk Baetens na dat Voorwoord van Van Cauteren uitgebreid motiveert. Om te beginnen met de stelling: “Een goed begrip van Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit veronderstelt (…) aandacht voor beide aspecten: de reconstructie van het verleden, maar ook het (toenmalige) heden dat daarachter schuilgaat”, een heden waarvan de beschouwers zich bewust waren en dat ze meenamen in hun kijk op het schilderij. Een heden ook dat Leys niet van bij zijn eerste schilderijen meenam in zijn “reconstructie van het verleden”: de hoofdstuktitel Van pasticheur tot resurrectionist zegt wat dat betreft misschien niet voldoende, maar Baetens wijst er toch mee op het feit dat Leys in het begin van zijn carrière inderdaad verre van origineel was, geen kopiist van oude meesters maar toch wel een navolger, een schilder die al evenmin naliet de markt te volgen (met onder andere een periode waarin hij zich ging baseren op werken van Jan Steen), tot het moment waarop hij zelf, zij het weer aan de hand van oudere voorbeelden, een stijl ontdekte die hem toeliet die markt te gaan leiden. “Een radicale ommekeer volgde een jaar later, in 1852. In de late zomer van dat jaar ondernamen Leys en zijn echtgenote een reis door de Duitse gebieden. Daar raakte hij sterk onder de indruk van Albrecht Dürer, Lucas I Cranach, Hans II Holbein en andere Duitse kunstenaars uit de late vijftiende en vroege zestiende eeuw, die hem zouden inspireren om een nieuwe weg in te slaan. Na zijn terugkeer legde Leys zich in zijn werk in toenemende mate toe op zestiende-eeuwse, en soms ook vijftiende-eeuwse, onderwerpen. Tegelijk leunde hij ook in stijl, kleur en compositie steeds meer aan bij het voorbeeld van zestiende-eeuwse schilders en prentkunstenaars uit Noord- en West-Europa, zoals Holbein, Pieter I Bruegel en Lucas van Leyden, van wie hij het werk ook begon te verzamelen. Het resultaat was dat Leys’ nieuwe werk, in de ogen van liefhebbers, critici en verzamelaars, het laatmiddeleeuwse verleden op een betoverende wijze weer tot leven wekte. Desalniettemin waren Leys’ taferelen ook herkenbaar voor het negentiende-eeuwse publiek, dat kon vaststellen dat het leven vroeger toch ook weer niet zo anders was dan dat van hun eigen tijd. Het publiek kon zo reizen in de tijd, naar het verleden, maar tegelijk toch zijn weg nog vinden in dat verleden.” “In de jaren die volgden op de wereldtentoonstelling [van 1855 in Parijs, noot van mij] werd Leys”, aldus Baetens, dan ook “een van de sterren van de Europese kunstwereld en wellicht de duurst betaalde Belgische kunstenaar van zijn tijd. Zijn werk werd verkocht aan prominente verzamelaars in binnen- en buitenland: van Jules van Praet (1806-1887), de rechterhand van koning Leopold I (1790-1865), tot Richard Seymour-Conway (1800-1870), de beruchte vierde markies van Hertford; van de Amerikaanse financier en diplomaat August Belmont (1813-1890) tot de Russische tsarenfamilie. Tal van kunstenaars volgden Leys’ voorbeeld ook na, met meer of minder succes. Daarnaast slaagden enkele jongere kunstenaars erin om bij hem in de leer te gaan en zo hun opleiding tot schilder te voltooien. Leys’ neef Henri De Braekeleer en de Nederlands-Britse kunstenaar Alma-Tadema (1836-1912) zijn de belangrijkste.”

Waarmee ik zo’n beetje gekomen ben waar ik wou zijn. Wie de werken van Lawrence Alma-Tadema ziet, bijvoorbeeld het ook in dit boek weergegeven Clothilde bij het graf van haar kleinkinderen of (dito) Una carita, zal daarin een stijl herkennen die wonderwel aansluit bij wat in de architectuur neogotiek heet, en dat is, al deed Leys niet aan godsdienstigheid in zijn schilderijen, ook wat ik persoonlijk knap vind aan de werken van diezelfde Leys en de mensen die hij beïnvloedde. Of ik eventueel vloek in een, al dan niet neogotische, kerk met die stelling, weet ik niet, maar laat ons zeggen dat het feit, waar ook Baetens het over heeft, dat Leys enige bewonderaars had onder de prerafaëlieten me een weinig sterkt in die overtuiging: die prerafaëlieten beoogden immers vanaf ongeveer het midden van de negentiende eeuw “een terugkeer naar de kunst van de late middeleeuwen, die volgens hen nog puur en ongekunsteld was”, iets wat niet noodzakelijk kon gezegd worden van wie die kunst probeerde her uit te vinden, een streven dat ook de neogotiek eigen was, zij het dat het in de architectuur al een eeuw eerder begon op te duiken. Trouwens – en was ik even blij dat ik die passage op pagina 153, toen ik al een tijdlang met die gedachte aan de neogotiek in mijn hoofd zat, tegenkwam -, Baetens zegt ook nog over Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit: “Eerder dan om politieke redenen het voortleven van een idee van vorstelijke liefdadigheid te willen uitdragen, lijkt het werk meer in het algemeen aan het eigentijds publiek een historisch voorbeeld te willen geven van medeleven en barmhartigheid. Dat brengt het enigszins in de buurt van Augustus Welby Pugins Contrasts, uit 1836, een publicatie waarin deze Engelse neogotische [jawel!, noot van mij] architect de middeleeuwse manier van samenleven en de bouwkunst die daar vorm aan gaf, vergeleek met de moderne samenleving en architectuur, in het nadeel van die laatste.”

“(…) in de buurt”, vind ik qua gelijk hebben al goed genoeg, ik ben per slot van rekening geen kunstkenner. Maar ik begin wél de algemene vorm van de boekjes in de serie Phoebus Focus te kennen en kan dus zeggen dat ook in dit boekje de klassieke kadertjes, met bijvoorbeeld uitleg over De salons en de wereldtentoonstellingen, de al genoemde Prerafaëlieten en prerubenisten, of Pieter I Bruegel in de negentiende eeuw, weer aanwezig zijn. Telkens zeer lezenswaardig, Jan Dirk Baetens heeft niet zomaar wat stukjes op een hoop gegooid, net zomin als Henri Leys dat deed bij het schilderen van Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit. Het hoofdstuk Het verleden bijeengepuzzeld, geïllustreerd met nogal wat schetsen, moge van dat laatste getuigen. Leys stak enorm veel tijd in het bijeenbrengen van documentatie, over bijvoorbeeld kledij, maar aarzelde ook niet met die documentatie een nieuw gegeven te creëren. Terwijl Maria van Bourgondië toch vooral activiteiten ontplooide rond Gent, situeert het tafereel op het schilderij zich bijvoorbeeld niet daar, maar in Brugge. “De stad is te herkennen aan de hoge halletoren met de vroegere spits erop links”, zij het dat er rechts in beeld een gebouw staat dat de, eveneens Brugse, Sint-Donaaskerk zou kunnen zijn, al stond die er ook in Leys’ tijd al niet meer. In tegenstelling tot de restanten van de Antwerpse Kipdorppoort, die Leys ook al aan Brugge heeft toegevoegd. Zelfs los van het feit dat Leys zelfs wat de personages betreft vaak leentjebuur ging spelen bij oudere, en vooral dode, collega’s, zou je dus kunnen zeggen dat “Leys’ werk (…) weliswaar [steunt] op talrijke citaten en verwijzingen, maar al die referenties zijn verwerkt tot iets nieuws, tot een type schilderij dat als dusdanig in de vijftiende eeuw nooit werd gemaakt.” “Er zijn”, voegt Baetens daar aan toe, “inderdaad slechts enkele vijftiende- en zestiende-eeuwse schilderijen die in de buurt komen van Leys’ tafereel: we kennen bijvoorbeeld enkele voorstellingen van de heilige Elisabeth van Hongarije en er is een luik van een zestiende-eeuws retabel met een vrouw die aalmoezen uitdeelt aan de rand van een stad, dat in 1873 vanuit de befaamde Arenbergverzameling in de collectie van de Koninklijke Musea van België terechtkwam. Er bestaat echter geen enkel werk dat naar onderwerp, formaat, genre en medium helemaal inwisselbaar is met Leys’ schilderij.” Leys was dus origineel in de manier waarop hij met originele bronnen omging. “Henri Leys (1815-1869) tussen heden en verleden” is dus geen slechte ondertitel. En Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit van Jan Dirk Baetens is een boek dat van voor tot achter boeit. Volgens mij ook voor wie niét echt iets heeft met de neogotiek.

Björn Roose