Posts tonen met het label Nikolaj Gogol. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nikolaj Gogol. Alle posts tonen

dinsdag 5 april 2022

Petersburgse verhalen – Nikolaj Gogol (boekbespreking door Björn Roose)

Petersburgse verhalen – Nikolaj Gogol (boekbespreking door Björn Roose)
Ik maak er niet echt een gewoonte van boekbesprekingen al op voorhand aan te kondigen in andere boekbesprekingen, maar heb daarvoor toch een uitzondering gemaakt wat betreft deze Petersburgse verhalen van Nikolaj Gogol. Waarom? Omdat ik het boek dat ik toén besprak, Taras Boeljba, maar minnetjes vond, terwijl ik de verhalen die ik van de auteur eerder besproken had, De jaarmarkt in Sorotsjíntsy/Kerstnacht, net heel goed vond, én… omdat ik op hetzelfde moment deze Petersburgse verhalen al aan het lezen was en die wéér heel goed vond.

Daarmee kent u al mijn eindoordeel over voorliggend boek, maar weet u nog niet welke verhalen het inhoudt. Het antwoord daarop is dit: Het portret, De Njevski Prospekt, Uit het dagboek van een krankzinnige, en De mantel. En die zijn door Gogol zélf nooit als Petersburgse verhalen gepubliceerd, zelfs al verwekt de “encyclopedie” Wikipedia die indruk door onder zijn publicaties “Arabesken of Petersburgse vertellingen (1835-’42)” te vermelden. Zoals Willem G. Weststeijn, de auteur van het Nawoord in deze editie (Meulenhoff, vijfde druk, 1985) en (intussen) emeritus professor Slavische Talen en Culturen aan de Universiteit Amsterdam, immers weet te vermelden: “In 1835 publiceerde hij, behalve Mirgorod [de bundel waarin onder andere Taras Boeljba werd opgenomen, noot van mij], de bundel Arabesken, die een aantal artikelen over literatuur en kunst bevatte en ook drie verhalen: ‘Het portret’, ‘De Njevski Prospekt’ en ‘Uit het dagboek van een krankzinnige’. In tegenstelling tot Gogols eerdere verhalen spelen deze zich niet af in de Oekraïne maar in Petersburg. Samen met ‘De neus’ [1836] en ‘De mantel’ [1842] zijn ze in latere uitgaven wel bijeengebracht als de vijf Petersburgse verhalen, maar Gogol zelf heeft dat nooit gedaan, hij heeft ze ook nooit zo genoemd.”

Hoezo, “De neus”? Dat heb je toch niet vermeld als een van de verhalen in deze Petersburgse verhalen? Klopt, het is er ook effectief niet in opgenomen. En het is ook voor Weststeijn, die er allicht toch niet voor niks bij gehaald is als schrijver van het Nawoord, een beetje gokken waarom: “In alle vier verhalen gaan mensen te gronde in het leven van de grote stad, de stad met zijn bedrieglijke werkelijkheid, zijn duivelse verlokkingen, zijn kille onpersoonlijkheid. Dit is misschien de reden geweest dat de vertaalster, Aleida G. Schot, het verhaal ‘De neus’ niet in de cyclus heeft opgenomen. ‘De neus’ is net zo fantastisch als de andere Petersburgse verhalen, maar loopt goed af: aan het einde van de bizarre geschiedenis van de ‘wandelende’ neus van de ambtenaar Kovaljov komt alles weer op zijn pootjes terecht. Het kan ook zijn dat Aleida Schot ‘De neus’ een beetje eng vond. Het verhaal is in de kritiek uitvoerig psycho-analytisch verklaard, waarbij sterk de nadruk viel op de seksuele symboliek.” Aan Aleida Schot kon noch Weststeijn noch iemand anders het hoe dan ook nog vragen, want “Aleida Schot, pionierster onder de vertalers uit het Russisch en de eerste aan wie de Nijhoffprijs is uitgereikt (…) is gestorven in 1969” en “deze uitgave, die gebruik maakt van haar uitmuntende en tot nu toe onovertroffen vertalingen” heeft haar gevolgd in haar selectie. Niet getreurd echter, u houdt een bespreking van De neus van me te goed. Ik heb het verhaal namelijk in een andere bundeling (eentje met De mantel en Dagboek van een gek, ofte Uit het dagboek van een krankzinnige) staan en wel vertaald door Marko Fondse, die ook tekende voor de vertaling van de edities van Taras Boeljba en De jaarmarkt in Sorotsjíntsy/Kerstnacht in mijn collectie.

Hoe dan ook, u las dat Weststeijn het had over het gegeven dat De neus “net zo fantastisch [is] als de andere Petersburgse verhalen”. Dat “fantastisch” mag u figuurlijk opvatten – de verhalen zijn héél goed, dus mogelijk voor sommigen ook fantastisch –, maar is door Weststeijn in literaire zin bedoeld. “‘Werkelijk grote literatuur (…) bevindt zich voortdurend op de rand van het redeloze”, citeert hij Vladimir Nabokov aan het begin van zijn Nawoord, daar aan toevoegend: “Bij weinig andere schrijvers ligt het irrationele en absurde zo dicht bij de werkelijkheid, is de vervlechting van het realistische en het bizarre zo constant en zo veelzeggend.” Een aantal verhalen van Gogol wordt dan ook wel eens ingedeeld in het fantasy-genre, maar de verhalen in deze bundel staan daar hoogstens met een half been in. Het portret en De mantel bevatten zeker een aantal “bovennatuurlijke” elementen en voor de lijn van het verhaal zijn die er ook wel nodig, maar je zou die ook als “griezelig” kunnen aanduiden, en da’s een aspect dat niet per se samenhangt met het fantasy-genre zoals we dat tegenwoordig kennen (de Schijfwereld-serie van Terry Pratchett is bijvoorbeeld vooral grappig). En waar in De Njevski Prospekt de klassieke droom-truc de zaak nog even richting magisch (of fantastisch) realisme lijkt te duwen, is er in Uit het dagboek van een krankzinnige eigenlijk helemaal géén sprake van een “fantastisch” element.

Wat wél overal in meespeelt, is het sociale element en hoe mensen meegesleept worden door de omstandigheden. Hoe mensen daardoor ook veranderen, hoe ze – zoals Weststeijn ook al schreef – te gronde gaan. In Het portret schetst de auteur de levensweg van een schilder vanaf het moment dat hij bij een soortement antiquair een geschilderd portret op de kop tikt: hij begint arm maar getalenteerd, wordt razendsnel gecorrumpeerd door gevonden geld, loopt door een deus ex machina zichzelf tegen het lijf, en sterft uiteindelijk even arm als hij tijdens zijn jeugd was, maar ook beroofd van al zijn illusies. In De Njveski Prospekt volgen we een andere schilder, een romanticus die verliefd wordt op wat in zijn dromen een dame van adel lijkt, maar in de feiten een hoertje is: een hoertje dat niet vatbaar is voor zijn liefde. In De mantel lopen we dan weer in de quasi onzichtbare voetsporen van een ambtenaar zonder ambitie, die net genoeg verdient om zijn hoofd boven water te houden, en kopje onder gaat van zodra hij wél even zichtbaar wordt. Waar in een aantal fantasy-verhalen (bijvoorbeeld Harry Potter) de personages onzichtbaar kunnen worden door het dragen van een invisibility cloak, springt Akaki Akakijewitsj namelijk door het dragen van een mantel iedereen in het oog. En dan is er nog die andere ambtenaar in Uit het dagboek van een krankzinnige: hij snijdt pennen (uit ganzenveren, uiteraard), heeft “een allerzonderlingste naam” (die we nooit vernemen) en een zekere aanleg voor het horen van dingen die er niet zijn, maar wordt pas helemaal mesjogge (en uiteindelijk koning van Spanje) als hij het meisje van zijn dromen niet kan krijgen (een hogere ambtenaar gaat ermee aan de haal).

Armoede, gebrek aan geld, speelt dus in essentie de hoofdrol in elk van de verhalen, en enkel de bereidheid te verliezen, kan redding brengen. Althans, dat is wat Gogol toont in, nu ja, de tweede helft van twee van die verhalen: in Het portret (waar die tweede helft ook effectief Deel twee heet) verzaakt een ándere schilder helemaal aan de wereld nadat hij eveneens kennis gemaakt heeft met wat Weststeijn “duivelse verlokkingen” noemde; in De Njevski Prospekt accepteert de vriend van het hoofdpersonage na dappere pogingen zijn verlies in de liefde. Zoals de Njevski Prospekt (tegenwoordig een viervaksweg omzoomd door winkels, maar toen natuurlijk, zoals alle straten, een voetgangerszone) iedere dag het gaan en komen van heel erg verschillende mensen ziet. Een gaan en komen dat Gogol in acht bladzijden schitterend weergeeft vooraleer hij inzoomt op de schilder Piskarjov en zijn vriend luitenant Pirogov. Een gaan en komen waarmee hij ook afsluit na het vertellen van hun avonturen in de liefde: “O, vertrouw haar niet, deze Njevski Prospekt! Ik hul mij al dichter in mijn mantel wanneer ik haar betreed en doe mijn best niet te kijken naar de dingen die er zich voordoen. Het is alles bedrog, alles een droom, alles anders dan het schijnt. Ge denkt dat die heer die daar gaat in die perfect gesneden jas, zeer rijk is? Geen kwestie van; de hele man bestaat alleen uit deze ene jas. Ge verbeeldt u dat die twee dikkerds daar voor die in aanbouw zijnde kerk, zich een oordeel vormen over haar architectuur? In het geheel niet: zij hebben het erover hoe gek die twee kraaien daar tegenover elkaar zitten. Ge denkt dat die enthousiaste figuur die daar met zijn armen staat te zwaaien, vertelt hoe zijn vrouw een hem geheel onbekende officier een propje papier door het raam heeft toegeworpen? Allerminst: hij praat over Lafayette. Ge veronderstelt dat die dames… o, vertrouwt u de dames het minst van alles! Kijk ook niet te veel naar de winkelramen: de snuisterijen die er liggen uitgestald zijn ongetwijfeld mooi, maar ze rieken naar stapels bankpapier. De hemel behoede u echter voor het gluren onder dameshoedjes! Hoe verleidelijk des avonds de wijde mantel van een mooie vrouw ook moge opfladderen, voor niets ter wereld loop ik haar uit nieuwsgierigheid achterna. En blijf uit de buurt, blijf in ‘s hemelsnaam ver uit de buurt van het licht der lantaarns en loop vlug, zo vlug als ge kunt aan ze voorbij! Ge moogt van geluk spreken indien ge er afkomt met enkel een vieze olievlek op uw elegante jas. Maar niet alleen in de lantaarns, in alles schuilt bedrog! Ze liegt en bedriegt op ieder uur van de dag, de Njevski Prospekt, en het ergst van al wanneer de nacht zich over haar uitspreidt als een dichte wade waar de witte en gele muren der huizen zich uit losmaken, wanneer de hele stad een en al gedreun wordt en lichtgeflonker, myriaden rijtuigen over de bruggen rollen, de voorrijders zich schreeuwend hoog opgooien in hun zadel, en wanneer de duivel zelf de lampen ontsteekt enkel en alleen om alles een onwezenlijk aanschijn te verlenen.” En dát als einde van een verhaal dat begint met: “Er bestaat niets mooiers dan de Njevski Prospekt, althans niet in Petersburg: voor Petersburg betekent zij alles! Is er ook maar iets denkbaar dat ontbreekt aan de luister van deze schoonste aller straten van onze hoofdstad? Ik houd mij ervan overtuigd dat niet een van Petersburgs bleekneuzen en ambtenarenbevolking de Njevski Prospekt voor wat ook ter wereld zou willen ruilen. Niet alleen zij die vijfentwintig jaren tellen, een fraaie snor bezitten en een voortreffelijk gesneden jas, zijn verrukt over de Njevski Prospekt, maar ook zij aan wier kin witte haren ontspruiten en wier hoofd zo glad is als een zilveren schaal.” En dan heeft u Gogols opsomming van de aanwezige soorten snorren en bakkebaarden nog niet eens gelezen of zijn beschrijving van dat “vreemd verschijnsel, (…) een Petersburgs schilder” in “een stad waar iedereen of ambtenaar, of koopman, of Duits handwerksman is”.

Ík zou u dan weer wat meer willen vertellen over de aard van het portret in Het portret – al wordt daarin mijns inziens vooral het portret van de hoofdpersonages geschilderd, zo’n beetje zoals James Joyce Een portret van de kunstenaar als jongeman schilderde (zie deze boekbespreking). Over de macht van publiciteit, ook over degene die die publiciteit maakt. Over hoe snel talent verloren kan gaan als het niet gebruikt wordt (het Nieuw Testament is nog optimistisch genoeg om het er op te houden dat het er dan nog steeds ís). Over het plooien (niet buigen) van kunstenaars voor het publiek, als dat publiek tenminste goed betaalt, en het gegeven dat die kunstenaars die “flexibliteit” vervolgens ook nog aan zichzelf moeten weten te verkopen. Over woekeraars en de onweerstaanbare drang van de mensen om na hun dood iets van zichzelf achter te laten op deze planeet. Over de schitterende manier waarop Gogol met dagboekfragmenten de mentale ondergang en virtuele opgang van een titulairraad beschrijft, maar dan toch, in het laatste fragment (waarvan de titel tussen haakjes bewust ten dele ondersteboven is afgedrukt) de indruk weet te wekken dat hij zichzelf teruggevonden heeft: “Nee, ik heb de kracht niet dit langer te dragen. Grote God, wat doen ze toch met me! Ze gieten koud water over m’n hoofd! Ze nemen geen notitie van me, ze zien me niet, ze luisteren niet naar me. Wat heb ik hun gedaan? Waarom martelen ze me zo? Wat willen ze van mij, arme drommel? Wat kan ik hun geven? Ik heb immers niets! Mijn krachten zijn op, ik kan al die martelingen niet meer verdragen, mijn hoofd brandt en alles draait om me heen. Red me! Haal me hier weg! Geef me een troika, met paarden zo snel als de wervelwind! Ga zitten, m’n menner, rinkel, m’n belletje, stuift voort rossen en leidt me weg uit deze wereld. Voort, altijd maar voort, opdat ik niets meer zie, niets meer zie van dit alles! Kijk, daar vóór me balt de hemel zich samen; een kleine ster flonkert in de verte; het bos glijdt voorbij met zijn donkere bomen en zijn maanlicht; een grauwe nevel spreidt zich onder mij uit; snarenspel klinkt erin door; aan de ene kant is de zee, aan de andere kant Italië; daarginds worden ook Russische boerenhutten zichtbaar. En daar, zie ik daar niet mijn ouderlijk huis blauw opdoemen? Zit niet mijn moeder daar bij het raam? Moedertje, red uw arme zoon! Laat een traan op zijn zieke hoofd neervallen! Zie hoe ze hem martelen! Druk hem aan je hart, de arme verweesde! Er is geen plaats voor hem in deze wereld! Overal wordt hij opgejaagd! – Moedertje, erbarm je over je zieke kind!…” Waarna hij toch, met een schitterende draai, eindigt met: “En weet u wel dat de bey van Algiers precies onder zijn neus een bult heeft zitten?”

Ik zou u óók nog willen vertellen over een geval waarin Gogol niet tussenkomt in het verhaal (wat hij elders soms wél doet), maar het toch heeft over andere schrijvers die op minder eerbiedige wijze zijn soort personages gebruiken: “Wat zijn rang betreft [het is immers voor alles nodig iemands rang te vermelden], zo was hij wat men ‘eeuwig titulairraad’ noemt, een rang welke, naar men weet, door verscheidene schrijvers die de loffelijke gewoonte bezitten diegenen aan te vallen die zich niet kunnen verweren, tot het voorwerp hunner spotternijen en glossen is gemaakt”. Over mensen die van hun beroep hun hobby maken (niet omgekeerd). Over “rampen [die] uitgestrooid (…) [liggen] op het levenspad niet alleen van titulairraden, maar zelfs van geheim-, werkelijke-, hof- en allerlei andere raden, zelfs van hen die niemand ooit raad geven of aan niemand ooit raad vragen”. Over kleermakers die ook nog kleren vermaakten (waar vind je die nog, zo je al een kleermaker vindt). Over het feit dat Gogol De mantel schreef toen hij in Italië woonde en zich daarom op zijn herinneringen moest beroepen wat het stratenplan van Petersburg betrof (“(…) ons geheugen begint meer en meer te verzwakken en alles wat zich in Petersburg bevindt, alle straten en huizen zijn zozeer in elkaar overgevloeid en vormen zulk een warnet in ons hoofd, dat het ons moeilijk valt ons een juist beeld ervan te vormen.”). Over “belangrijke figuren”: “Het zij vermeld dat deze belangrijke figuur pas kort geleden een belangrijke figuur geworden was en dat hij voordien een onbelangrijke figuur was geweest. Overigens geldt zijn positie tegenwoordig ook niet als belangrijk in vergelijking met andere, nog belangrijkere. Maar er is altijd een bepaalde kring mensen te vinden die wat onbelangrijk is in de ogen van anderen, toch belangrijk vindt.” Of over het feit, wat uit het citaat hiervóór ook al blijkt, dat Gogol toch wel zeer grappig uit de hoek kon komen: “De politie trof maatregelen om, hoe dan ook, het lijk in handen te krijgen, hetzij dood of levend, en het, ten voorbeeld van anderen, op de strengst mogelijke wijze te straffen”.

Maar ik eindig met een paar woorden over Kurt Löb. Zijn naam wordt in deze uitgave, in tegenstelling tot die van de schrijver, namelijk op de achterflap (en de voorflap) vermeld. Eigenaardig, want Löb heeft niet “meer” gedaan dan de verhalen van Gogol geïllustreerd. Over Gogol zelf en over de Petersburgse verhalen lees je wel wat meer op de binnenflappen, maar op de achterflap krijg je dus dit te lezen over de illustrator: “Voor de illustraties en de vormgeving van deze uitgave tekent Kurt Löb [Berlijn, 1926]. Löb emigreerde in 1939 naar Nederland, studeerde aan de Rijksacademie en woont en werkt in Amsterdam. Hij illustreerde en verzorgde tal van boeken, waaronder Charles de Costers Uilenspiegel [Meulenhoff Amsterdam].” En dié uitgave (verschenen in 1977) heb ik hier toevallig óók liggen. Da’s leuk, want de tekeningen van Löb vormen wel degelijk een meerwaarde, hoe duister ze bij momenten ook mogen zijn. Een goeie, extra reden dus ook om, mocht u op zoek gaan naar deze Petersburgse verhalen, te gaan voor de uitgave van Meulenhoff uit 1985. Of uiteraard die van de Zetcentrale Meppel waarin de illustraties eerder verschenen, maar dan voor elk verhaal in een apart boek.

Björn Roose

dinsdag 29 maart 2022

Taras Boeljba – Nikolaj Gogol (boekbespreking door Björn Roose)

Taras Boeljba – Nikolaj Gogol (boekbespreking door Björn Roose)
Het is nog niet zo lang geleden dat ik een boek besprak van Nikolaj Gogol, De jaarmarkt in Sorotsjíntsy/Kerstnacht, en het zal ook niet zo heel lang duren vooraleer ik er nóg een bespreek, want op dit moment ben ik zijn Petersburgse verhalen aan het lezen, maar tussen deze twee boeken met kortverhalen in, heb ik even tijd gemaakt voor het “serieuzere” werk: een verhaal van meer dan tweehonderdtwintig bladzijden, Taras Boeljba.

“Geïnspireerd door historische stof”, lees je op de achterflap van deze bij Amstelpaperbacks in 1964 uitgegeven en door Marko Fondse vertaalde editie, “schildert Gogol met de verbeeldingskracht van de kunstenaar een episode uit de woeste vrijheidsstrijd van een 16e-eeuwse kozakkengemeenschap tegen de Polen en de Tataren. In de moedige kozakkenaanvoerder Taras Boeljba, eeuwig trouw aan de tradities van het volk, zijn de karaktereigenschappen van de Oekraïners treffend verpersoonlijkt.”

Aha, “Oekraïners”, merkt de oplettende lezer op. Inderdaad, reageert de even oplettende boekbespreker dan, en voegt er aan toe dat deze “Oekraïners” van het soort zijn dat in deze tijden simplisten hoofdbrekens kan bezorgen. Zoals Gogol, aldus de achterflap, “in de Russische”, niet in de Oekraïnse, “literatuur een voorname en geheel eigen plaats in[neemt]” en afkomstig was uit wat dan nu wel Oekraïne is, maar toen nog Klein-Rusland heette, waren de Kozakken als volk afkomstig uit Rusland en vestigden ze zich pas later aan de rand van het Russische Rijk, onder andere op de grens met Polen-Litouwen en in gebieden die nu nog steeds deel uitmaken van zuidelijk Rusland en Oekraïne.

Kozak is, als ik het goed begrepen heb, als woord afkomstig van het Turkse “quzzaq” en betekent “avonturier” of “vrij man”, een betekenis waaraan de Kozakken doorheen de geschiedenis ook blijvend concrete invulling gegeven hebben. Als een ongeschreven regel gold dat wie de Kozakkenbolwerken kon bereiken en zich bij hen aansloot, niet meer kon worden teruggehaald of uitgeleverd in opdracht van schuldeisers of edelen, terwijl de tsaar ook toeliet dat ze op rooftocht gingen tijdens militaire operaties zolang ze dat deden in niet-Russische, lees islamitische, gebieden. In ruil kon de tsaar dan rekenen op hun erkenning van zijn autoriteit – zijn autoriteit was ook de enige die ze buiten hun eigen rangen erkenden – en daarmee op hun militaire macht. Maar ook niet onbeperkt, want tijdens verschillende opstanden verdedigden ze ook tegenover de tsaar of tsarina (in het geval van Catharina de Grote) hun (religieuze) vrijheid: “Kozakken wierpen zich op”, aldus Wikipedia, “als bewakers van het orthodoxe geloof, toen de adel merendeels overging tot het katholicisme, omdat dat hen een hogere status gaf binnen het Gemenebest”.

De Kozakken - die ook een grote rol speelden in het afslaan van de Napoleontische invasie van Rusland in 1812 (waarbij de Don-Kozakken alle mannen tussen 17 en 55 mobiliseerden en de Fransen met guerilla-aanvallen bleven bestoken tot in Parijs), 12,5% van hun bevolking mobiliseerden tijdens de Eerste Wereldoorlog (in vergelijking met 4,2% van de niet-Kozakkenbevolking), en in de Russische burgeroorlog grotendeels aan de kant van de Witten vochten tegen de communisten (en daarvoor beloond werden met een regelrechte genocide door de overwinnaars van die burgeroorlog; hun aantal daalde van een geschatte 11 miljoen tot 140,000) – bleven echter ook altijd zeer Russisch.

Ze werden door de Russen ook weer ingezet als dat van pas kwam: vanaf februari 1936 werden er weer Kozakkendivisies opgericht in het stalinistische leger en tijdens de Tweede Wereldoorlog nam de Kozakkengarde deel aan alle grote veldslagen, tot in Berlijn toe. Maar tijdens de Grote Terreur in 1937 werden ze ook massaal weggezuiverd (zo’n 240,000 Kozakken werden geëxecuteerd) en de Kozakken die onder Duits protectoraat hoopten hun eigen gebied weer in handen te krijgen en daarom aan Duitse zijde meevochten tegen de Sovjets, werden door de Britten aan wie ze zich overgegeven hadden in Lienz (Oostenrijk) uitgeleverd aan diezelfde Sovjets, die hen linea recta naar de goelags stuurden. Wat hun strijdlust nóg niet kon smoren: sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de heropstanding van Rusland hebben ze zich gevestigd in gebieden en landen in de Kaukasus, Siberië, Litouwen, Letland en Estland, waar ze etnische Russen beschermen tegen vervolging door andere etnische groepen en de orde handhaven. Bovendien zijn ze, aldus nog Wikipedia, “actief in de beveiliging van de zakenwereld” en worden ze zelfs gevreesd door de Russische maffia.

Dat gezegd zijnde, Gogol heeft Taras Boeljba, in 1835 samen met Ouderwetse landeigenaars, Vi, en Verhaal, hoe Ivan Ivanovitsj overhoop kwam te liggen met Ivan Nikiforovitsj verschenen in de bundel Mirgorod, niet opgehangen aan hierboven beschreven historische feiten. Taras Boeljba en zijn zoons Andrij en Ostap zijn gebaseerd op meerdere historische figuren en het verhaal evolueerde nog na de eerste publicatie. De redenen voor die evolutie staan nog niet vast, maar in de editie van 1842, waarvan deze uitgave een vertaling is, zijn er drie sterk nationalistisch getinte hoofdstukken bij gekomen en vindt het hoofdpersonage ook op een andere manier de dood.

Geen idee wat er verder veranderd is tussen de editie van 1835 en 1842, maar ik kan zeggen dat het verhaal zoals het nu voorligt serieus aan spankracht mist. Het kán ook aan de vertaling liggen (wat ik overigens niet denk, want Fondses vertaling van Hondehart van Michail Boelgakov leek mij zeer goed), maar nergens in die meer dan tweehonderdtwintig bladzijden raakte ik in de greep van het verhaal, nergens keek ik uit naar wat er vervolgens kwam, nergens oversteeg de vertelling het niveau van pakweg de eerste Alex-strips: er gebeurt heel wat, maar de personages hebben zó’n gebrek aan diepgang dat je je er op geen enkel op moment bij betrokken voelt. Taras Boeljba is de harde vader, de krijgsman, de warlord, de held, de man die zelfs terwijl hij aan een boom genageld in brand gestoken wordt zijn troepen nog instructies toeschreeuwt, maar hij doet je niets. Zijn ene zoon Andrij is niet erg berekenend in het gevecht en al evenmin in de liefde, vergeet in welk kamp hij vecht als in het andere kamp een jonkvrouw in nood zijn hulp vraagt, verraadt zonder enige bezwaren zijn familie en volk, en wordt met even weinig bezwaren door zijn vader vermoord. Zijn andere zoon Ostap lijkt sterk op zijn vader, is ook op weg om een hele hoge rang in het Kozakkenleger te bereiken, komt niet in opstand als zijn vader zijn broer doodt, wordt opgepakt en doodgemarteld door de vijand, en is de reden voor het helemáál in een wraakengel veranderen van zijn vader (zie wat dat betreft mijn bespreking van Anne-Marie de Wuestenraedt). Maar ook bij de zoons heb je nooit het gevoel dat er… gevoel is (als Gogol Andrij zijn gevoelens voor zijn aanbedene laat uiten, wordt het zelfs ronduit lachwekkend). Net zomin als bij de vrouw van Taras en moeder van zijn twee zoons, die alleen maar heel erg moederachtig verdrietig mag zijn over het vertrek van haar zoons naar Zaprozjkaja Setjs (een bolwerk van de Kozakken) en daarvoor zelfs geen naam nodig blijkt te hebben, en de jood Jankel, meestal gewoon “de Jood” genoemd, die alleen maar joods is, in casu het archetype van de jood in de Russische literatuur, zijnde niks dat in de buurt van “goed” komt. Je lijkt te kijken naar een stomme film, met breed acterende spelers en pancartes die uitleg geven, maar eindigend in wat Doe Maar ooit treffend omschreef als “een stuk in dertien delen / aan ‘t einde zijn we allemaal de klos”. En voor ze allemaal de klos zijn, wordt er in essentie niks anders gedaan dan gegeten, gezopen en gevochten, die laatste twee wel vaker in combinatie met elkaar.

Het enige waarin ik in dit boek de Gogol herken die ik vond in De jaarmarkt in Sorotsjíntsy/Kerstnacht en intussen opnieuw in Petersburgse verhalen, respectievelijk vier jaar eerder en acht jaar later verschenen, zijn zijn beschrijvingen van natuur of omgeving: “Hoe verder de steppe reikte, hoe mooier zij werd. Destijds was het hele zuiden, die hele uitgestrektheid, die het tegenwoordige Nieuw-Rusland vormt, tot aan de Zwarte Zee toe, één groene, maagdelijke wildernis. Geen ploeg was ooit door de onafzienbare golving van ongebreidelde plantengroei gegaan. Alleen de paarden die in haar verborgen gingen als in een bos, trapten haar plat. Er was in de natuur niets mooiers bestaanbaar. Het gehele aardoppervlak deed zich voor als een groen-gouden wereldzee, waarover een duizendvoudige verscheidenheid van kleuren opspatte. Door de dunne hoge grasstengels gluurden donker- en lichtblauwe en paarse korenbloemen heen; de gele brem sprong eruit te voorschijn met zijn piramidevormige bloemtros; witte klaver met haar schermvormige hoedjes stond kleurig aan de oppervlakte; God mag weten vanwaar aangevoerde korenhalmen rijpten tussen de veelheid aan gewassen. Aan de fijne wortels daarvan schoten patrijzen met gerekte halzen heen en weer. De lucht was vervuld van duizenden verschillende vogelgeluiden. Onbeweeglijk stonden de sperwers met uitgespreide vleugels aan de hemel, de ogen onbeweeglijk op het gras gericht. Van terzijde weerklonk ergens de kreet van een vlucht wilde eenden boven God weet welk verafgelegen meer. Uit het gras kringde met regelmatige vleugelslagen de steppemeeuw hemelwaarts en baadde zich daar overdadig in de blauwe luchtgolven. Nu is hij verdwenen in de hoogte en trilt daar nog maar als een donkere stip. En daar blinkt hij met gekeerde vleugels in het zonlicht. Mijn steppen, wat zijt gij toch verduiveld mooi!”

Ik maak het feit dat ik wel bijzonder weinig geciteerd heb uit dit boek terwijl ik u in het begin van deze boekbespreking zo’n beetje doodgeslagen heb met weetjes over het onderwerp ervan graag goed met nog een laatste stukje dat me wel beviel, de allerlaatste paragraaf van het boek, enigszins filmisch weergegeven, een uitzoomen van de actie dat eveneens bijzonder knap is: “De Dnjestr is geen kleine rivier, en bezit vele bochten en rietvlakten, zandbanken en diepten; de spiegel van zijn watermassa’s blinkt onder de helle lokroep der zwanen en de fiere fuut scheert over; talloze watersnippen, roodgesnavelde steltlopers en ander gevogelte huizen tussen zijn riet en aan zijn waterkant. Eensgezind de riemen trekkend voeren de kozakken lustig voort in hun boten met dubbel roer; behoedzaam meden zij de zandbanken, deden de vogels verschrikt opvliegen en spraken over hun hetman."

En ik geef u, ten overvloede, graag mee dat Nikolaj Gogol met dit Taras Boeljba voor mij niet afgeschreven is als schrijver. Taras Boeljba is gewoon niet mijn meug of Gogol had een mindere dag toen hij het schreef.

Björn Roose

vrijdag 21 januari 2022

De jaarmarkt in Sorotsjíntsy / Kerstnacht – Nikolaj Gogol (boekbespreking door Björn Roose)

De jaarmarkt in Sorotsjíntsy / Kerstnacht – Nikolaj Gogol (boekbespreking door Björn Roose)
Alweer een hele tijd geleden dat ik nog een boek van een Russische auteur besproken heb, maar met dit tweede boek op een paar weken tijd dat (onder andere) “kerst” tot onderwerp heeft (het eerste was Kerstmis te Saloniki en andere verhalen van André Demedts), maak ik dat weer even goed. Wikipedia weet over Nikolaj Vasiljevitsj Gogol te vertellen dat hij leefde van 1 april 1809 tot en met 4 maart 1852, “de eerste grote Russische prozaïst van de 19de eeuw” was (zij het dan een van Klein-Russische, Oekraïense afkomst), en maatschappelijk niet erg wou slagen: van 1834 tot 1835 was hij hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de universiteit van Sint-Petersburg, maar dat vond hij zelf geen succes, waarna hij ontslag nam. Hij ging zich volledig toeleggen op schrijven en op … reizen. Op zijn Wiki’s samengevat als: “Hij woonde in Parijs en op diverse plaatsen in Rome en hij had last van verschillende kwalen, zoals depressie”. Kennelijk slaagde hij er niet in zijn beoogde doel – verlost worden van zijn zonden? – te bereiken met een pelgrimstocht naar Jeruzalem, keerde terug naar Rusland, waar hij zichzelf uithongerde, in een coma raakte en ten slotte overleed. Pikant detail: “Toen zijn kist in de twintigste eeuw werd geopend bleek zijn lichaam er met het hoofd naar beneden in te liggen”.

Laat u echter noch daardoor noch door dat van die “depressie” afschrikken bij het, mocht u het ooit te pakken krijgen, lezen van dit boekje, uitgegeven bij de Wereldbibliotheek-vereniging in 1952 en als extra cadeautje gestoffeerd met een losse houtgravure van Elly van den Hoeve: het is namelijk absoluut niet “depressief”, in tegendeel. Avonden op een dorp nabij Dikanka was namelijk zo ongeveer het allereerste wat Gogol schreef (op een aantal gedichten na) en in 1832, het jaar van publicatie, was hij nog niet eens begonnen aan zijn job bij de universiteit van Sint-Petersburg. En Avonden op een hoeve bij Dikánjka (de voor zover ik weet correctere benaming van Avonden op een dorp nabij Dikanka) omvat dus behalve De avond voor Sint-Jan, Meinacht (of Het verdronken meisje), De verdwenen missive, Vreselijke wraak, Ivan Fjodorovitsj Sjponka en zijn tante, en Een betoverende plek, ook de twee in déze uitgave gebundelde kortverhalen De jaarmarkt in Sorotsjíntsy en Kerstnacht.

Alsof dat al geen aanmoediging genoeg is, beloof ik u bovendien bij mijn later wel eens volgende bespreking van álle verhalen uit Avonden op een dorp nabij Dikanka, die ik klaarblijkelijk (onder weer een lichtelijk andere titel) ook nog, gebundeld met Mirgorod, staan heb in een uitgave van De Boekenschat (uitgegeven onder licentie van G.A. van Oorschot’s Russische Bibliotheek NV-Amsterdam) deze twee over te slaan. Wie boeken verzamelt, doet dat niet altijd even efficiënt (zeker niet als hij, zoals ik, geen vaststaand plan heeft wat dat betreft), maar daar hoeven de lezers van mijn boekbesprekingen natuurlijk niet het slachtoffer van te worden.

Dat gezegd zijnde, en alle gekheid op een stokje, bevat dit bundeltje ook nog een derde deel, zijnde het al eerder genoemde Voorwoord. Amper 6 bladzijden lang, maar zó grappig dat het feitelijk als een apart werk moet beschouwd worden. Alleen al de eerste paragraaf maakt dat, me dunkt, voldoende duidelijk: “‘Wat is dàt nu voor zonderlings: ‘Avonden op een Hoeve bij Dikánjka?’ Wat zijn dat voor ‘Avonden’? En de een of andere imker slingert ze de wereld in! Grote hemel! Alsof er al niet genoeg ganzen van hun veren zijn beroofd en niet genoeg vodden tot papier verwerkt! Alsof er nog geen mensen van weet ik wat voor afkomst en beroep genoeg zijn, die hun vingers vol inkt hebben zitten. En nu krijgt me daar ineens een imker het in zijn hoofd, die anderen na te apen! Werkelijk, we hebben langzamerhand zo’n voorraad bedrukt papier, dat je gewoon niet meer weet, wat je er nu nog eens in zult pakken!’”

Wat overigens niet wil zeggen dat Gogol altijd op het grappige effect mikt. De inleiding tot De jaarmarkt in Sorotsjíntsy is bijvoorbeeld van een natuurbeschrijvende schoonheid die zelfs een Claes, een Buysse of een Streuvels bij ons niet haalden, al kwamen die dan pas kijken een keer Gogol het tijdelijke al voor het eeuwige verwisseld had: “Hoe bedwelmend, hoe rijk is een zomerdag in Kleinrusland! Hoe afmattend warm zijn de uren, wanneer de middag straalt in stilte en zonnehitte, en de blauwe, onpeilbaar diepe oceaan zich in hartstocht over de aarde buigt en schijnt ingeslapen, verzonken in zaligheid, met de liefste in zijn doorschijnende armen. Geen wolkje aan de hemel, geen gerucht in het veld. Alles is uitgestorven. Alleen hoog in het hemelblauw trilt een leeuwerik en zijn zilveren liedje vliegt langs transparante treden omlaag op de verliefde aarde toe, en in de steppe klinkt soms de kreet van een meeuw of het helder geluid van een kwartel. Loom en gedachteloos, als doelloze wandelaars, verheffen de eiken zich hoog in de lucht en de verblindende stortvloed van zonnestralen zet aan de ene kant heel die weelde van lover in lichte laaie en werpt over de andere kant een nachtdonkere schaduw, waarin alleen bij een windstoot goud binnen spat. Als smaragden, topazen, robijnen zweven onwezenlijke insecten boven de bonte tuinen, overschaduwd door statige zonnebloemen. Grijze hooioppers en gouden korenschoven rijen zich in gelid op de velden en zwermen als nomaden de onmetelijke ruimten in. Brede takken van kerse- en pere-, pruime- en appelbomen, diep gebogen onder de last der vruchten, – de hemel, en zijn klare spiegel, de rivier in zijn groene, zich trots verheffende omlijsting… ach, hoe vol hartstocht en liefdesgeluk is de Kleinrussische zomer!”

Eenvoudigweg prachtig, toch? Net zoals de beschrijving van het gedruis van de jaarmarkt zelf: “Ongetwijfeld hebt U wel eens in de verte een waterval horen ruisen; de hele omtrek is vol verontrustend gedruis en een chaos van vreemde, ondefinieerbare klanken dringt zich aan U op. En krijgt U niet onmiddellijk het zelfde gevoel, wanneer U in de maalstroom van een dorpsjaarmarkt terecht komt, waar het hele volk tot één enorm gedrocht is samen gesmolten en met zijn grote lichaam over de pleinen en door de nauwe straten dringt, roept, schreeuwt en rumoert? Geraas, gescheld, loeien, blaten, blèren, het vloeit alles ineen tot één gestaag gedruis. Ossen, zakken meel en hooi, zigeuners, potten en pannen, boerenvrouwen, boterkoeken, mutsen, – bont, kleurig, wanordelijk woelt dit alles dooreen en het duizelt u voor de ogen. Allerlei stemmen overschreeuwen elkaar, geen woord blijft in deze zondvloed gespaard; geen kreet dringt duidelijk tot U door. Alleen de handslag, waarmee de koop wordt beklonken, klinkt hoog boven alles uit. Boerenkarren kraken, ijzer slaat tegen ijzer, planken worden dreunend op de grond geworpen, en versuft door het geraas weet ge niet, waarheen Uw schreden te richten.”

En dan moet het verhaal eigenlijk nog beginnen: boer zoekt wat goederen te verkopen, maar doet al snel zijn dochter van de hand; vrouw van boer ziet dat niet zitten; boer wordt met wat bijgeloof overtuigd dat die dochter wel degelijk van de hand mag gedaan worden aan degene die haar hand wil hebben; en vrouw moet daar maar vrede mee nemen. Ik doe het hier nogal overdreven kort uit de doeken, maar da’s om u sneller te kunnen meenemen naar dat typisch Russische einde, dat binnenbrengen van melancholie op het moment van grote vreugde, de trouwpartij: “Het lachen, zingen en dansen werd langzaamaan minder. De strijkstok ging trager heen en weer en de ijle klanken verwoeien in de lege lucht. Hier en daar klonk nog getrappel, als het ver verwijderde klotsen van de zee, toen werd alles stil en doods. Vliedt zo ook niet de vreugde van ons weg, die lieve, ongedurige gast, terwijl een eenzame toon nog van vrolijkheid meent te zingen? In de eigen echo hoort hij reeds droefheid en leegte en in ontzetting luistert hij toe. Verstuiven zo ook niet de onstuimige vrienden van de vrije, ongebreidelde jeugd de een na de ander op de wind en verlaten tenslotte allen hun oude makker? Eenzaam blijft de verlatene achter. Hoe treurig, hoe bedrukt voelt hij zich, en er is geen troost!”

Waarna met Kerstnacht het tweede deel van dit bundeltje volgt, een verhaal over een heks en een duivel, over mannen die zich letterlijk door die heks in de zak laten zetten (en vervolgens door het halve dorp met zich laten sollen omdat ze dat feit niet willen erkennen), over een duivel die zich (nadat hij nota bene de maan heeft ontvreemd) laat overmeesteren door een andere man en gedwongen is hém te dienen, zodat hij het mooiste (maar ook arrogantste) meisje van het dorp kan krijgen.

Op zich al een grappig verhaal, zeker omdat het niet ernstiger wordt gebracht dan nodig, maar ook nog eens voorzien van extra humoristische puntjes als dit: “Wanneer op dat moment de assessor uit Sorotsjíntsy was voorbij gekomen, met zijn pronkerig driespan, met zijn muts op, die op de wijze der oelanen met lamsvel was omzoomd, met zijn blauwe, met een zwarte schapenpels gevoerde jas aan en zijn duivels gevlochten zweep in de hand, waarmee hij gewoonlijk zijn koetsier tot meer haast aan zette, nu, dan zou hij haar zeker hebben opgemerkt want geen enkele heks ter wereld ontging hem ooit. Hij wist nauwkeurig van iedere boerderij hoeveel biggen de zeugen hadden geworpen, hoeveel linnen de vrouw in haar kleerkist had en welk kledingstuk of deel van het huisraad een braaf man Zondags in de kroeg als onderpand afstond. Maar de assessor uit Sortosjíntsy reed niet voorbij; wat zou hij hier ook te maken hebben, – hij heeft zijn eigen district.”

Een boekje van amper honderd bladzijden, dit De jaarmarkt in Sorotsjíntsy/Kerstnacht, maar ook werkelijk voor de volle honderd bladzijden een waar genoegen om te lezen.

Voor wie na het lezen van deze boekbespreking geïnteresseerd zou geraakt zijn in de Wereldbibliotheek of de Wereldbibliotheek-Vereniging, waarvan ik behalve dit nog een dozijn boeken of boekjes in bezit heb (onder andere twee van Sándor Márai en een andere Hongaarse auteur, László Darvasi): dat is een van de oudste uitgeverijen van Nederland (opgericht als Maatschappij voor Goede en Goedkope Lectuur in 1905) en bestaat nog steeds, zij het sinds 2014 niet meer onafhankelijk. In 2014 werd ze immers overgenomen door uitgeverij Nieuw Amsterdam, die op haar beurt in datzelfde jaar werd overgenomen door Novamedia en deel ging gaan uitmaken van Park Uitgevers, die dan weer in 2021 werden overgenomen door Lannoo Uitgeverij Groep, die dan weer bestaat uit Uitgeverij Lannoo nv (in belgië) en LannooMeulenhoff (in Nederland). Waar dat Meulenhoff vandaan komt, hoef ik u als boekenlezer wellicht niet te vertellen. Net zomin allicht als dat historische literatuur gelukkig niet van mindere kwaliteit wordt omdat de uitgeverswereld achter fraaie façades vaak niet meer dan platte commercie verbergt.

Björn Roose