Mijn trouwe lezers – waaronder u (ja, u daar!) zich uiteraard
bevindt of toch minstens wenst te bevinden – weten dat ik tijdens
mijn buitenlandse reizen altijd een voorraad aan dunnere boekjes
meesleep. Ten eerste omdat ik mínder lees tijdens mijn reizen dan
als ik thuis ben, ten tweede omdat ik dan bij thuiskomst een hele
hoop ‘makkelijkere’ besprekingen kan schrijven tussen het
‘zwaardere’ werk in. Die boekjes waren de voorbije jaren haast
zonder uitzondering in het genre van de fictie te vinden en dat zou
ook bij de Italiëreis van 2026 zo geweest zijn als ik op de laatste
dag voor vertrek niet wat tijd over had gehad om nog aan een ander
boek te beginnen. Een ander ‘dun’ boek dus. En als het eerste
boekje in die categorie dat me in handen viel niet voorliggend “Ik
ben een gematigd man.” van Louis Tobback was geweest. Louis
Tobback, zijnde (dat meld ik even voor wie niet met ‘s mans kop op
de tv is opgegroeid) de vader van Bruno, óók een socialist, nog
steeds (op zijn 88) een euro bijverdienend als provincieraadslid in
Vlaams-Brabant, en voormalig gemeenteraadslid, schepen, burgemeester,
volksvertegenwoordiger, fractievoorzitter in de Kamer, senator,
Minister van Binnenlandse Zaken, Minister van Ambtenarenzaken,
Minister van nog een paar andere zaken, vice-eersteminister, en
partijvoorzitter. Een politiek boekje dus, zij het géén exemplaar
dat geschreven is door de zogenaamde auteur ervan.
Niet echt eigenaardig dat een socialist mensen probeert te bedriegen
(overigens geen eigenschap die in de politiek beperkt blijft tot die
soort), maar goed, op de achterflap wordt zulks ook al meteen
toegegeven: “Al duizend keer gehoord: zonde dat Louis Tobback niet
schrijft. Ja, maar spreken doet hij wel, al een politiek leven lang.
Hoe, dat staat hier voor het eerst te boek.” En hoe dit in 1989,
uiteraard bij Uitgeverij Kritak, verschenen boekje van zo’n
tachtig bladzijden tot stand gekomen is, mag u van míj weten: met
medewerking van ene Jacky Huys (als ‘journalist’ voor De
Morgen uiteraard altijd bereid hand-en-spandiensten aan de sossen
te verkopen), maar voornamelijk van degenen die op Wikipedia
aangeduid worden als zijn politieke kinderen, Frank ‘Steek dat geld
in brand’ Vandenbroucke (die het Woord vooraf
leverde en bij een andere gelegenheid beweerde dat er, wat toch wel
raar is als je het laat in brand steken, “te weinig geld” was) en
Johan ‘De keizer van Oostende’ Vande Lanotte, die Willy Claes’,
excuseer, ‘Uw sociale zekerheid’ Tobback het boekje, dixit het
colofon, aanboden “ter gelegenheid van zijn 51ste verjaardag”.
Ongetwijfeld op kosten van de belastingbetaler, want zo gaat dat bij
socialisten (en bij politici in het algemeen, trouwens).
Enfin, ik ben niet echt vriendelijk voor de zogenaamde auteur van dit boek
en zijn kameraden (want dat zijn ze toch), maar da’s gewoon omdat
ik me ingeleefd heb in het onderwerp. Dat onderwerp stond (en staat
misschien) namelijk óók niet bekend als vriendelijk voor anderen.
Tobback had simpelweg een groot bakkes, een vulgaire kwek, het
luidste smoelwerk van Vlaanderen (wat overigens doorgaans
voortreffelijk werd weergegeven door de cartoonisten die hem of zijn
omgeving op de hak namen en in dit ‘cadeautje’ ook ruim
vertegenwoordigd zijn), en bij de sossen wisten ze dat dat
niet alleen goed verkocht aan ‘de werkman’ (toen toch nog), maar
ook en vooral aan de schrijvelaars van Humo en De Morgen,
wier citaten dan ook ruim vertegenwoordigd zijn in dit werkje dat
verscheen toen Tobback nog maar net minister van vanalles was.
Vandenbroucke heeft het in het al genoemde Woord vooraf dan
wel over “een onvervalste kroniek (…) van alle geladen politieke
momenten van de voorbije tien jaar”, “vlijmscherpe analyses”,
“blijvende morele verontwaardiging”, en een “kruising van
inzicht en ergernis”, maar eigenlijk zat iedereen die keek naar
Tobback of vraaggesprekken met hem las simpelweg te wachten op wat
hij deze keer weer aan oneliners uit zijn botten zou slaan.
De (oudere) lezer die hoopt nog eens een paar van die bon mots terug te vinden, zal in de hoofdstukken Tobback tussen aanhalingstekens (twee exemplaren), Kamer- en andere debatten,
en het door de reeds genoemde Jacky Huys met hem gepleegde interview,
ter zake zeker zijn goesting vinden (de ‘serieuzere’ hoofdstukken
krijgt u er zomaar bij). Ook van het soort waaraan Tobback nu
wellicht niet meer herinnerd wil worden, bijvoorbeeld dít uit een
SOM-interview uit 1988: “Ik ga niet langer dan mijn 60, 65
blijven zitten in het werkelijke mandatarissenleven. Daarna ga ik
misschien op een andere manier aan politiek doen, maar binnen 10-15
jaar is er ruimte voor de volgende generatie.” Of waar hij zelfs al
een jaar of drie later wellicht liever niet meer aan herinnerd werd:
“(…) Martens (…) denkt werkelijk dat hij de strontvlieg is die
de paarden doet vooruitgaan (…) Is die vent onbekwaam of is het een
vulgaire, cynische leugenaar? (…) Martens is een kwakzalver (…)
Martens betekent het einde van de rechtsstaat.” Wat hij in een
vraaggesprek (of meerdere vraaggesprekken, dat is niet duidelijk) met
De Morgen zei in 1986, maar hem niet belette in 1988 onder
Martens in een regering te gaan zitten en dan nog wel op de
allerbelangrijkste posten daarin. “Als Martens nu het boegbeeld wil
zijn van een beleid dat ik kan goedkeuren, dan is dat een beetje een
vervelende situatie, dat geef ik graag toe”, wist hij daarover in
dat jaar met De Morgen nog net te verklaren.
Wat nog niet wil zeggen dat Tobback niet af en toe gelijk had.
Bijvoorbeeld in een vraaggesprek met het communistische vod De Rode Vaan in
1984: “Er is inderdaad sprake van een politieke verknechting door
de Verenigde Staten, én een economische en tot op zekere hoogte ook
een culturele verknechting”. Je moest noch moet een communist zijn
om dat in te zien.
Of in een interview met, alweer, De Morgen in 1986: “Er zijn 58
vluchtelingenkampen aan de Israëlische grenzen met meer dan 700.000
Palestijnse vluchtelingen. Bij de vluchtelingenorganisatie van de UNO
zijn er 1,2 miljoen Palestijnse vluchtelingen geregistreerd. Als ik
in 1948 in zo’n kamp geboren was en ik zie er mijn kinderen en
kleinkinderen noodgedwongen opgroeien, ik zie de onbekwaamheid van al
wie zich met het Midden-Oosten bezighoudt, dan zou ik ook terrorist zijn.”
Maar om dáárvoor een centimeter plaats in mijn kasten te blijven
reserveren, lijkt me wat overdreven. Ik ben immers óók een gematigd man.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !