maandag 7 september 2026

“Ik ben een gematigd man.” – Louis Tobback (boekbespreking door Björn Roose)

“Ik ben een gematigd man.” – Louis Tobback (boekbespreking door Björn Roose)
Mijn trouwe lezers – waaronder u (ja, u daar!) zich uiteraard bevindt of toch minstens wenst te bevinden – weten dat ik tijdens mijn buitenlandse reizen altijd een voorraad aan dunnere boekjes meesleep. Ten eerste omdat ik mínder lees tijdens mijn reizen dan als ik thuis ben, ten tweede omdat ik dan bij thuiskomst een hele hoop ‘makkelijkere’ besprekingen kan schrijven tussen het ‘zwaardere’ werk in. Die boekjes waren de voorbije jaren haast zonder uitzondering in het genre van de fictie te vinden en dat zou ook bij de Italiëreis van 2026 zo geweest zijn als ik op de laatste dag voor vertrek niet wat tijd over had gehad om nog aan een ander boek te beginnen. Een ander ‘dun’ boek dus. En als het eerste boekje in die categorie dat me in handen viel niet voorliggend “Ik ben een gematigd man.” van Louis Tobback was geweest. Louis Tobback, zijnde (dat meld ik even voor wie niet met ‘s mans kop op de tv is opgegroeid) de vader van Bruno, óók een socialist, nog steeds (op zijn 88) een euro bijverdienend als provincieraadslid in Vlaams-Brabant, en voormalig gemeenteraadslid, schepen, burgemeester, volksvertegenwoordiger, fractievoorzitter in de Kamer, senator, Minister van Binnenlandse Zaken, Minister van Ambtenarenzaken, Minister van nog een paar andere zaken, vice-eersteminister, en partijvoorzitter. Een politiek boekje dus, zij het géén exemplaar dat geschreven is door de zogenaamde auteur ervan.

Niet echt eigenaardig dat een socialist mensen probeert te bedriegen (overigens geen eigenschap die in de politiek beperkt blijft tot die soort), maar goed, op de achterflap wordt zulks ook al meteen toegegeven: “Al duizend keer gehoord: zonde dat Louis Tobback niet schrijft. Ja, maar spreken doet hij wel, al een politiek leven lang. Hoe, dat staat hier voor het eerst te boek.” En hoe dit in 1989, uiteraard bij Uitgeverij Kritak, verschenen boekje van zo’n tachtig bladzijden tot stand gekomen is, mag u van míj weten: met medewerking van ene Jacky Huys (als ‘journalist’ voor De Morgen uiteraard altijd bereid hand-en-spandiensten aan de sossen te verkopen), maar voornamelijk van degenen die op Wikipedia aangeduid worden als zijn politieke kinderen, Frank ‘Steek dat geld in brand’ Vandenbroucke (die het Woord vooraf leverde en bij een andere gelegenheid beweerde dat er, wat toch wel raar is als je het laat in brand steken, “te weinig geld” was) en Johan ‘De keizer van Oostende’ Vande Lanotte, die Willy Claes’, excuseer, ‘Uw sociale zekerheid’ Tobback het boekje, dixit het colofon, aanboden “ter gelegenheid van zijn 51ste verjaardag”. Ongetwijfeld op kosten van de belastingbetaler, want zo gaat dat bij socialisten (en bij politici in het algemeen, trouwens).

Enfin, ik ben niet echt vriendelijk voor de zogenaamde auteur van dit boek en zijn kameraden (want dat zijn ze toch), maar da’s gewoon omdat ik me ingeleefd heb in het onderwerp. Dat onderwerp stond (en staat misschien) namelijk óók niet bekend als vriendelijk voor anderen. Tobback had simpelweg een groot bakkes, een vulgaire kwek, het luidste smoelwerk van Vlaanderen (wat overigens doorgaans voortreffelijk werd weergegeven door de cartoonisten die hem of zijn omgeving op de hak namen en in dit ‘cadeautje’ ook ruim vertegenwoordigd zijn), en bij de sossen wisten ze dat dat niet alleen goed verkocht aan ‘de werkman’ (toen toch nog), maar ook en vooral aan de schrijvelaars van Humo en De Morgen, wier citaten dan ook ruim vertegenwoordigd zijn in dit werkje dat verscheen toen Tobback nog maar net minister van vanalles was. Vandenbroucke heeft het in het al genoemde Woord vooraf dan wel over “een onvervalste kroniek (…) van alle geladen politieke momenten van de voorbije tien jaar”, “vlijmscherpe analyses”, “blijvende morele verontwaardiging”, en een “kruising van inzicht en ergernis”, maar eigenlijk zat iedereen die keek naar Tobback of vraaggesprekken met hem las simpelweg te wachten op wat hij deze keer weer aan oneliners uit zijn botten zou slaan.

De (oudere) lezer die hoopt nog eens een paar van die bon mots terug te vinden, zal in de hoofdstukken Tobback tussen aanhalingstekens (twee exemplaren), Kamer- en andere debatten, en het door de reeds genoemde Jacky Huys met hem gepleegde interview, ter zake zeker zijn goesting vinden (de ‘serieuzere’ hoofdstukken krijgt u er zomaar bij). Ook van het soort waaraan Tobback nu wellicht niet meer herinnerd wil worden, bijvoorbeeld dít uit een SOM-interview uit 1988: “Ik ga niet langer dan mijn 60, 65 blijven zitten in het werkelijke mandatarissenleven. Daarna ga ik misschien op een andere manier aan politiek doen, maar binnen 10-15 jaar is er ruimte voor de volgende generatie.” Of waar hij zelfs al een jaar of drie later wellicht liever niet meer aan herinnerd werd: “(…) Martens (…) denkt werkelijk dat hij de strontvlieg is die de paarden doet vooruitgaan (…) Is die vent onbekwaam of is het een vulgaire, cynische leugenaar? (…) Martens is een kwakzalver (…) Martens betekent het einde van de rechtsstaat.” Wat hij in een vraaggesprek (of meerdere vraaggesprekken, dat is niet duidelijk) met De Morgen zei in 1986, maar hem niet belette in 1988 onder Martens in een regering te gaan zitten en dan nog wel op de allerbelangrijkste posten daarin. “Als Martens nu het boegbeeld wil zijn van een beleid dat ik kan goedkeuren, dan is dat een beetje een vervelende situatie, dat geef ik graag toe”, wist hij daarover in dat jaar met De Morgen nog net te verklaren.

Wat nog niet wil zeggen dat Tobback niet af en toe gelijk had.

Bijvoorbeeld in een vraaggesprek met het communistische vod De Rode Vaan in 1984: “Er is inderdaad sprake van een politieke verknechting door de Verenigde Staten, én een economische en tot op zekere hoogte ook een culturele verknechting”. Je moest noch moet een communist zijn om dat in te zien.

Of in een interview met, alweer, De Morgen in 1986: “Er zijn 58 vluchtelingenkampen aan de Israëlische grenzen met meer dan 700.000 Palestijnse vluchtelingen. Bij de vluchtelingenorganisatie van de UNO zijn er 1,2 miljoen Palestijnse vluchtelingen geregistreerd. Als ik in 1948 in zo’n kamp geboren was en ik zie er mijn kinderen en kleinkinderen noodgedwongen opgroeien, ik zie de onbekwaamheid van al wie zich met het Midden-Oosten bezighoudt, dan zou ik ook terrorist zijn.”

Maar om dáárvoor een centimeter plaats in mijn kasten te blijven reserveren, lijkt me wat overdreven. Ik ben immers óók een gematigd man.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !