Posts tonen met het label Larry Silver. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Larry Silver. Alle posts tonen

vrijdag 12 juni 2026

Mercurius draagt Psyche naar de Olympus – Larry Silver (boekbespreking door Björn Roose)

Mercurius draagt Psyche naar de Olympus – Larry Silver (boekbespreking door Björn Roose)
Larry Silver… U hebt de naam eerder gehoord. Dat kan. Omdat u vaker boeken gelezen heeft van deze – dixit de achterflap van voorliggend boekje – “emeritus Farquhar Professor of Art History aan de University of Pennsylvania”, daarvóór “professor aan de University of California, Berkeley en de Nordwestern University” en “specialist van de vroegmoderne schilder- en prentkunst in de Nederlanden”.

In de gedaante van die “specialist” kent u hem in ieder geval van een eerdere boekbespreking van mij. Zoals dezelfde achterflap immers vermeldt: “In de reeks Phoebus Focus schreef Silver reeds over Metsys’ Mondeken toe (2019)”, en ik ben met het achtendertigste deel in die reeks ook aan mijn achtendertigste bespreking van een deel in die reeks toe.

Dat gezegd zijnde: vermelden dat het boekje op dik, glanzend papier uitgegeven is en tjokvol afbeeldingen zit, is allicht overbodig, want dat is met iéder boekje in deze serie zo en dat heb ik al vaak genoeg vermeld. Dat het zo’n honderdentien bladzijden telt, maakt het ook al niet tot een uitzondering in de serie, en dat het Voorwoord van de hand van Katharina Van Cauteren is, al evenmin. Maar dit nummer XXXVIII heeft uiteraard wél een unieke titel, Mercurius draagt Psyche naar de Olympus, én een dito ondertitel, Bartholomeus Spranger (1546-1611) en een allegorie van lust en macht voor keizer Rudolf II, en over die Spranger heeft niet alleen Silver het, maar ook Van Cauteren in dat Voorwoord: “Bartholomeus Spranger wordt geboren in Antwerpen en daar zit in de zestiende eeuw iets in het drinkwater. Er wonen meer schilders dan bakkers, of zo telt de Florentijn Lodovico Guicciardini het toch (fanatieke lezers grijpen nu terug naar Phoebus Focus XVI). Al die kunstenaars op een hoop, dat is natuurlijk fantastisch voor wie wat zoekt om thuis aan de muur te hangen. Maar als schilder met ambitie betekent het ook een nadeel. Het timmeren aan je eigen naam en faam waar je over de artistieke koppen kan lopen? Zo komt het dat Bartholomeus Spranger zijn hachje pakt en vertrekt naar Rome. Daar schopt hij het tot schilder van de paus, om vervolgens door keizer Maximiliaan II naar Wenen te worden gesommeerd. Uiteindelijk landt Spranger in Praag, als hofschilder van Maximiliaans zoon en opvolger, Rudolf II. Die zal hem uiteindelijk zelfs in de adelstand verheffen.”

Een ultrakorte levensbeschrijving, maar na het lezen ervan weet je tenminste al iéts over Spranger. Want dat is in onze contreien een notoire onbekende: “(…) ondanks zijn indrukwekkende carrière is Bartholomeus Spranger geen sant in eigen land. Erger: in de kunstgeschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden lijkt hij een beetje vergeten. Dat komt ervan, als je de Scheldestad inruilt voor Midden-Europa. In negentiende- en twintigste-eeuwse ogen ben je dan mosselen noch vis: geen Antwerpenaar, maar ook geen Duitser. Je valt, met andere woorden, buiten de hokjes, en laat de kunsthistorici uit het verleden nu net tuk zijn geweest op vakjes, labels, stromingen, afbakeningen en (eigen) regio’s. Denkelijk verklaart dat waarom zich in Belgische openbare collecties geen enkel werk van Spranger bevindt – de enige uitzondering die ik zo uit het blote hoofd kan bedenken, is een tafereeltje in de Belfius Art Collection. Ah, en natuurlijk zijn er de stukken in de verzameling van The Phoebus Foundation”.

Want dat is uiteraard óók iets wat elk van de boekjes in deze serie gemeen heeft: dat het er in beschreven kunstwerk, dat vanzelfsprekend ook dient als kapstok voor een behandeling van des kunstenaars leven, tijden en omgeving, zich in de collecties van Fernand Huts’ Phoebus Foundation bevindt. Wat niet wil zeggen dat de auteur zich noodzakelijkerwijs tot dát werk beperkt. Om dat te – bad pun intended – illustreren, verwijs ik graag naar de (voor u helaas niet zichtbare) aanwezigheid in dit boekje van afbeeldingen van Venus en Cupido met Mercurius en Psyche (van dezelfde Spranger en eveneens in de collectie van de Phoebus Foundation), Mercurius leidt Psyche naar de Hemel (ook van Spranger, maar in de collectie van de Hamburger Kunsthalle), een portret van Spranger door Jan Harmensz. Muller (te vinden in het Rijksmuseum te Amsterdam), een Portret van keizer Rudolf II op driejarige leeftijd (uit de – zoals dat dan heet – “omgeving” van Jakob Seisenegger en tegenwoordig ook in het bezit van de Phoebus Foundation), een Portret van keizer Rudolf II (intussen al een stuk ouder, van de hand van Hiëronymus Wierix en, ook al, in de collectie van de Phoebus Foundation), een ‘portret’ van Sint-Andreas (van Spranger en jawel, toch), een Paard uit de keizerlijke stal in Praag (of toch een schilderij daarvan van Roelandt Savery, eveneens te vinden bij de Phoebus Foundation), een Allegorie op de regering van keizer Rudolf II (van een “navolger” van Spranger – ‘t is eens wat anders dan iemand uit “de omgeving” -, eveneens in handen van de Phoebus Foundation), het plafondschilderij van het Banket van de goden dat Rafaël maakte voor de Villa Farnesina in Rome (en dat zich daar dus ook nog steeds bevindt), de Drie Gratiën van diezelfde Rafaël (Royal Collection in Windsor Castle), een plafondschilderij van – daarvoor is ze nu eenmaal het bekendst – de ontvoerd wordende Psyche in het Palazzo Te in Mantua van de hand van Giulio Romano (“en zijn atelier”), een gravure van het al eerder genoemde Banket van de goden (van Diana Scultori naar – zie hiervoor – Giulio Romano, te vinden in het Metropolitan in New York), een portretmedaille van – zie hiérvoor – Diana Scultori door ene Meester T.R., Neptunus verrast Caenis (van Spranger, in de collectie van Museum Plantin-Moretus, en het bewijs dat “het blote hoofd” van Katharina Van Cauteren ook niet alles weet en zij misschien de illustraties in het boekje waarvoor ze het voorwoord geschreven heeft niet bekeken heeft), Caenis omhelsd door Neptunus van Johannes I Sadeler náár Spranger (Rijksmuseum), Glaucus en Scylla (van Spranger, te vinden in het Kunsthistorisches Museum in Wenen), Hermaphroditus en de nimf Salmacis (idem), Hercules, Deianira en Nessus (idem), Zonder Ceres en Bacchus bevriest Venus (idem), Angelica en Medoro (ook van Spranger, maar onder dak bij de Alte Pinakothek in München), een gravure van dat schilderij van de hand van de ook al eerder genoemde Jan Harmensz. Muller (te vinden in het Metropolitan), Venus en Adonis (van Titiaan, Museo Nacional del Prado in Madrid), Spinsters (van de hand Diego Velázquez, in datzelfde museum), Bacchus, Ceres en Cupido (in het Kunsthistorisches Museum in Wenen, van Hans von Aachen), en nog eens hetzelfde maar dan totaal anders uit zijn “omgeving” en in de collectie van de Phoebus Foundation, het Huwelijk van Cupido en Psyche van Hendrick Golzius naar Bartholomeus Spranger (Metropolitan Museum of Art), Mercurius en Psyche van Jan Harmensz. Muller naar Adriaen de Vries (bij het Rijksmuseum), Psyche wordt toegelaten tot de Olympus (Peter Paul Rubens, Liechtenstein Museum te Vaduz), Psyche en slapende Cupido (zelfde schilder, maar te vinden in het Musée Bonnat-Helleu in Bayonne), Landschap met Psyche en Jupiter (zelfde schilder in samenwerking met Paul Bril, in het Prado), Nieuwsgierigheid van Psyche (Jacob Jordaens, bij de Phoebus Foundation), Psyche ontvangt de beker van onsterfelijk op de Olympus (idem), en Mercurius draagt Psyche naar de Olympus (nog eens idem). Grotendeels werken die dicht tegen het thema aanleunen (Mercurius, Psyche, Olympus, de godenwereld in het algemeen), wat niet mag verrassen, voor een niet onbelangrijk deel in de collectie van The Phoebus Foundation zittende (wat me eerlijk gezegd bij momenten wél verraste), behoorlijk wat werken van de schilder die in het zonnetje gezet wordt in dit boek, maar toch ook véél werken die elders te vinden zijn, van andere kunstenaars, en voor wie zou geteld hebben ook meteen duidelijk makend dat het aantal herhalingen van de ‘kapstok’ als illustratie zeer beperkt is (wat niet van elk boekje in deze serie kan gezegd worden).

Larry Silver heeft dan ook een zéér brede kijk ontwikkeld in dit boekje. Ja, Spranger speelt er de hoofdrol in, maar Silver behandelt veel meer dan hem en het in de titel genoemde schilderij, terwijl hij het zich toch wel makkelijk kon gemaakt hebben: “Over zijn leven is veel bekend, onder meer dat hij lange tijd in Rome verbleef. Naast die van Michelangelo vormt Sprangers biografie de langste sectie in Karel Van Manders Schilder-Boeck, dat verscheen in 1604 en dus nog tijdens het leven van Spranger”. Uitweidingen over Keizer Rudolf II als mecenas en verzamelaar in Praag en over de collega hofschilders van Spranger aldaar, onder andere de hierboven opduikende Hans von Aachen en Adriaen de Vries, liggen voor de hand, maar die over Italiaanse voorlopers en modellen al een stukje minder (dingen als het feit dat Rafaël het Banket van de goden schilderde ter ere van het huwelijk van Agostino Chigi, wiens huwelijk “werd ingezegend door paus Leo X en een tiental kardinalen”, zouden trouwens nog wat méér uitleg rechtvaardigen), en het gegeven dat Silver vervolgens telkens een bladzijde (of toch een stuk daarvan, al valt het met de witruimte in deze editie van Phoebus Focus best mee) gaat wijden aan andere werken van Spranger (vandaar uiteraard ook de illustraties daarvan), maakt van dit boekje haast een oeuvre-catalogus. Een feest voor lezer én kijker dus, dit Mercurius draagt Psyche naar de Olympus.

Björn Roose

dinsdag 16 november 2021

Mondeken toe – Quinten Massijs (ca. 1465-1530) en de zot in de zestiende eeuw – Larry Silver (boekbespreking door Björn Roose)

Mondeken toe – Quinten Massijs (ca. 1465-1530) en de zot in de zestiende eeuw – Larry Silver (boekbespreking door Björn Roose)
De reeks Phoebus Focus voorstellen hoeft voor de vaste lezers van mijn boekbesprekingen allicht sinds lang niet meer, maar ik houd er toch aan te vermelden dat ook dit Mondeken toe – Quinten Massijs (ca. 1465-1530) en de zot in de zestiende eeuw in die serie verscheen en daarin al het elfde deel was.

Logisch dus dat ook in dit deel weer Katharina Van Cauteren, “stafchef van de kanselarij van The Phoebus Foundation”, het voorwoord verzorgde en dat het boekje – zoals alle voorafgaande – prachtig verzorgd is: uitgegeven op glanzend papier, met talrijke illustraties (wat altijd meegenomen is als het onderwerp kunst is), en zonder op het eerste zicht vindbare zet- en of schrijffouten. Alleen vroeg ik me bij dit nummer XI af of de auteur dan zo goed het Nederlands beheerst of wie dan wel de vertaler mag zijn. Wat dat laatste betreft, vind ik geen enkele vermelding terug; wat het eerste betreft doet ‘s mans bio op de achterflap me toch vermoeden dat Nederlands niet diens moedertaal is: “Larry Silver (1947) is Farquhar emeritus professor in de kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Pennsylvania (Philadelphia, VS). Hij bekleedde eerder posities aan de Universiteit van Californië in Berkeley en aan de Northwestern University (…) Silver was voorzitter van The College Art Association en van The Historians of Netherlandish Art”. Maar het zoú natuurlijk kunnen zijn dat professor Silver een en ander heeft opgestoken tijdens zijn werk: “Als specialist in vroegmoderne schilderkunst en prentkunst in de Lage Landen heeft hij talloze studies gepubliceerd over kunstenaars uit de regio, van Jan Van Eyck tot Rubens en Rembrandt, maar Silver is het meest gekend om zijn werk over zestiende-eeuwse kunst uit de Nederlanden: Quinten Massijs, Jheronimus Bosch, Lucas van Leyden en Pieter Bruegel”.

Doet er uiteraard niet heel erg toe, maar voor de petite histoire had ik het graag geweten. Per slot van rekening komen we uit het voorwoord van Van Cauteren ook te weten hoe, volgens kunstenaarsbiograaf Karel Van Mander, “Quinten Massijs kunstenaar werd”: “Volgens die historie – die Van Mander als een rasechte journalist pseudoterughoudend en snoepend beschrijft – was Massijs oorspronkelijk smid. Hij ging zijn schort echter aan de wilden [daar dan toch die zeldzame schrijffout, noot van mij] omdat hij verliefd was op ‘een aerdigh schoon Meysken’. Zij speelde echter hard to get. Er was een kaper op de kust, en die bleek schilder. Nu wilde het meisje best wel verder met haar Quinten, maar ze vond dat smedenwerk zo vies. Ce que femme veut, Dieu le veut, en Quinten werd schilder. Het moet zowat de meest succesvolle carrièreswitch uit de geschiedenis zijn.”

Een verhaaltje misschien, maar waarom dit boek over “de zot in de zestiende eeuw” gaat, weten we in ieder geval met zekerheid: “In die zin getuigt het van gepaste humor dat het eerste stuk van Massijs dat werd verworven door The Phoebus Foundation geen plechtstatig historiestuk is, geen gewichtige heilige. De grote held van de Antwerpse schilderkunst is immers ook de maker van deze doldwaze Mondeken toe: een voorstelling van een zot, compleet met haakneus, bult en een haan op zijn hoofd. Zijn assistent laat zijn blote kont zien. Zelf houdt onze nar de vinger op de mond, want wat hij weet, mag hij eigenlijk niet vertellen. Nochtans zegt de zot al lachend zijn gedacht.” Waarmee u zich ook een begin van voorstelling van dat schilderij kan maken al hebt u het dan misschien nog nooit gezien (troost u, ik had het ook nog nooit gezien voor ik dit werkje ter hand nam).

Ook buiten dat schilderij héél veel afgebeeld referentiemateriaal voor het onderdeel van het thema “en de zot in de zestiende eeuw”: Lachende nar met een staf van Jan Saenredam (naar Hendrick Goltzius), Elk heeft de zijn uit Sinnepoppen van Roemer Visscher, Rebus: de wereld voedt veel zotten van Jan Massijs (geboren uit het tweede huwelijk van Quinten), De bedelaars van Pieter I Bruegel, Nar die door zijn vingers kijkt van een anonieme meester, De oude dwaas en zijn kat van Alexander II Voet (naar Jacob Jordaens), Harpocrates van Jan Harmenszoon Muller, De genezing der zotheid van Jheronimus Bosch, De operatie of de verwijdering van de Steen der Dwazen van Jan Van Hemessen, De ezel op school van Pieter I Bruegel, De keisnijder of de heks van Mallegem van Pieter Van der Heyden (naar diezelfde Pieter I Bruegel), Ecce Homo van Jheronimus Bosch, Vijf groteske hoofden van Leonardo da Vinci, Ongelijke liefde van Jacob Jordaens, enzovoort, enzovoort. Ongeveer een vierde van de werken waarvan afbeeldingen in dit boekje zijn opgenomen zijn in bezit van The Phoebus Foundation, voor de rest wordt u meegenomen op een rit langs één Nederlands museum (het Rijksmuseum in Amsterdam), één Zwitsers (de Öffentliche Kunstsammlung in Basel), één Frans (het Louvre in Parijs), één Spaans (het Prado in Madrid), twee Duitse (de Staatliche Museen in Berlijn en het Städel Museum in Frankfurt), twee in Engeland (National Gallery in Londen en Royal Collection Trust in Windsor), twee in de Verenigde Staten (het “Met” in New York en de National Gallery of Art in Washington), en ten slotte – toch wel – twee in Vlaanderen (het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen en de Koninklijke Bibliotheek in Brussel). Een aardig reisje waarvoor je – in tegenstelling tot wat geldt voor minstens een aantal van die musea – géén muilkorf aan moet en al evenmin een “vaccin” in je lijf moet laten spuiten.

Behalve over de “zot” met al zijn attributen (de “marot”, de riem met belletjes, de hanenkam, ezelsoren) en eigen-aardigheden leer je in dit boekje uiteraard een en ander bij over de artiest zelf, die wellicht – of hij nu eerst smid was of niet – opgeleid werd door “een van de telgen van de beroemde Leuvense meester Dirk Bouts”. Maar tussendoor ook over Desiderius Erasmus (waarbij uiteraard diens Lof der Zotheid de connectie vormt), het Narrenschiff (Narrenschip) van Sebastian Brants, de Steen der Dwazen (ongeveer even dwaas als de Steen der Wijzen overigens). En dan krijg je ook nog een aantal minder “gekke” werken van Massijs voorgeschoteld: De heilige Maria Magdalena, Portret van een groteske oude vrouw, Portret van een oude vrouw (minder grotesk, maar ook zonder de vrouw in kwestie mooier te maken dan ze was), Lezende vrouw, Een geleerde, Aanbidding der Wijzen en Ecce Homo.

Een stevige portie interessante, maar – zoals gebruikelijk in deze serie – ook lichtverteerbare kost. Een aanrader voor wie geïnteresseerd is in kunst. Of in zotten natuurlijk.

Björn Roose