Posts tonen met het label Stijn Streuvels. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Stijn Streuvels. Alle posts tonen

maandag 22 september 2025

De oogst – Stijn Streuvels (boekbespeking door Björn Roose)

De oogst – Stijn Streuvels (boekbespeking door Björn Roose)
Er is een zekere kans dat u denkt dat ik iedere (Nederlandtalige) novelle neersabel, toch als u wel vaker mijn besprekingen van bij De Clauwaert verschenen werkjes in die aard gelezen heeft, maar ik kan u verzekeren dat dat niet het geval is. Voorliggend De oogst bijvoorbeeld, zo’n negentig bladzijden dik en – toegegeven - verschenen bij Orbis en Orion in 1982, vond ik absoluut de moeite van het lezen waard.

Van het lezen en van het hebben eigenlijk, want dit boekje, van de hand van een auteur die in kaliber dan ook (zowat) alles overtreft dat heden ten dage nog novellen schrijft, Stijn Streuvels, kocht ik in een kringwinkel, maar draagt binnenin een stempel van Het Lijsternest Ingoyghem, zijn huis, dat na zijn dood – op zijn verzoek – bewaard bleef en een tweede leven ging leiden als “Letterenhuis”, een museum gewijd aan de schrijver en – zo lees ik op de webstek ervan – in de stille maanden (oktober tot en met maart) schrijversresidentie. Een leuk extraatje, zo’n stempel (een kinderhand is snel gevuld), zij het natuurlijk geen verkoopsargument op zich.

Dat is de tekst van Streuvels – en dat is ook wat telt – wél en die tekst kan u (gratis, stel u voor) lezen op De Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren . Deze keer hoeft u dus uw beklag niet te doen over het (doorgaans correcte) feit dat ik alleen maar oude, onvindbare boeken bespreek, dít kan u vinden zonder enige inspanning. En de liefhebbers van het werk van Streuvels zullen zich het lezen van dit boek in ieder geval niet beklagen, net zomin als mensen die minder bekend zijn met dat werk, hoop ik dan. Alle voor Streuvels ‘standaard’ ingrediënten zitten er in: natuur, het voorbij schrijden van de seizoenen, het harde labeur op het platteland, liefde, vriendschap, en een portie lijden. De oogst mag daarom als titel ook metafysisch opgevat worden: het koren sterft onder de zeisen van de maaiers, maar mensen – ook degenen die die zeisen hanteren – sterven even goed onder de slagen van de Man met de Zeis. Zonder groot drama, dat is er nooit bij Streuvels, maar weergegeven vanuit het rustige standpunt van de beschouwer, die nooit vergeet dat er morgen weer een dag is, een nieuw seizoen, een nieuw jaar, een herhaling met variaties van wat altijd geweest is. Een standpunt waar je je ook in De oogst al van bij de eerste paragraaf bewust van bent: “Rik lag plat uitgestrekt in ‘t gras onder de linde en Wies zat, over de knieën gebogen, op het bol van een gevelde eik. De jongens rookten hun pijp in de avondstond. Nu en dan zegden zij, halfstil, een woord, meest over bekende dingen, die ze evengoed ongezegd konden laten. Maar zij trokken gestadig nieuwe kuilen blauwe rook uit hun pijp, die opspiraalden, uitdunnend hoog in de lucht boven hun hoofd. Achter de openstaande huisdeur in ‘t donker, wrocht Lida met moeder aan de afwas van schotelgerief en ze koutten stil onder elkaar.” Zoals je ook meteen al van in het begin van De oogst voelt dat de zomer op komst is, een zomer die in de loop van het verhaal wel harder wordt, moordend zelfs, minstens voor wie zijn brood moet verdienen met lijfelijke arbeid op het veld, maar nooit verdwijnt: “Ginder ten westen, ver over de velden, tegen ‘t uitveegsel van ‘t vergane zonnegoud, zwommen witte wolkjes lijk grote bloemen zonder stengel. Daarbij werd de stilte zo rein dat ‘t staaltikken van Lida’s naalden nu duidelijk gerucht miek.”

“Miek”? “Wrocht”? “Koutten”? Tsja, voor wie dat allemaal vreemde woorden zijn, zou ik toch aanraden zich wat te verdiepen in de eigen taal, want zelfs al zijn dit – en vele andere in dit boek – woorden die niet meer tot het Algemeen Nederlands behoren, ze behoorden wél nog tot ons algemeen taalgebruik tijdens het hele, lange leven van Streuvels (1871-1969) en waren ook mensen van buiten West- en Oost-Vlaanderen bekend. Sterker nog, telkens ik op zo’n woord stuit, valt me te binnen dat ik dat in mijn jeugd óók nog gebruikte, een jeugd die ná het overlijden van Streuvels viel, een te binnen vallen dat telkens weer gevolgd wordt bij een steek van pijn bij de gedachte dat al die woorden op sneltempo aan het verdwijnen (of al verdwenen) zijn en dat zulks niet anders dan een verarming van onze taal kan betekenen. Ja, “miek” is “maakte” en “wrocht” is “werkte” en “koutten” is “spraken”, maar waarom zou je geen twee woorden hebben waarmee je (ongeveer) hetzelfde uitdrukt? Waarom zijn sommige mensen zo blij als er weer een nieuw woord opgenomen is in ons Algemeen Nederlands (een woord dat bovendien al te vaak geleend is uit een andere taal), maar rouwen er zo weinig om al die woorden die verloren gaan? Is dat niet zoiets als blij zijn met de vervanging van een gemengd loofbos door een gazon?

Ja, dat is het (ik zal de vraag maar zelf beantwoorden), maar dit soort boeken is dan weer een gelegenheid voor uzelf daar wat aan te doen, u die woorden (weer) eigen te maken, uw woordenschat te verrijken zoals dat vroeger ook al zo mooi heette. Een verrijking die perfect kan plaatsvinden terwijl u ook wat bijleert over onze recente geschiedenis, een geschiedenis die nog niet eens zeventig jaar achter ons ligt, maar waarvan zo weinig jongere mensen (inclusief die van mijn eigen generatie, als ik mezelf voor één keer als ‘jongere’ mag beschouwen) zich nog bewust zijn: die van de ‘Fransmans’, waarover ik het ook al had in mijn bespreking van André Demedts’ Kerstmis te Saloniki en andere verhalen en Gaston Durnez’ Een mens is maar een wandelaar (een boek waaraan ik in de vorm van een foto genomen in het Fransmansmuseum in Koekelare een kleine bijdrage mocht leveren), die mensen die vanuit (voornamelijk) West-Vlaanderen tijdens de zomer te voet naar Zuid-Vlaanderen (ofte Frans-Vlaanderen) trokken, dikwijls vele tientallen kilometers ver over de grens, om daar – voor wat niet precies een hoog loon was – hun lijf en hun kracht ter beschikking te stellen aan boeren die hen inzetten voor het ‘plukken’ van bieten (de seizoensarbeid die, voor zover ik weet, het langst bleef meegaan), of, zoals in dit boek, het maaien van klavers of koren. Hard labeur, waarbij de Vlamingen wekenlang in grote groepen bij elkaar verbleven, in een land waarvan ze de taal dikwijls nauwelijks spraken en dat nooit het hunne zou worden (dat ambieerden ze ook niet), en waarbij vergeleken de seizoensarbeid van tegenwoordig (bijvoorbeeld in de fruitpluk) a walk in the park mag heten. Hard labeur waarvan we een paar generaties later bijna het bestaan vergeten zijn, maar dat voor massa’s landarbeiders jaarlijkse kost was: “Nu een laatste keer eten wij van de boer zijn brood en dan zijn we er vanonder. Grijpt toe, makkers! Zij aten hun bekomste vlees, propten ‘t overschot met ieder twee broden en gerookte hesp in hun reiszak voor onderweg. Ze verlieten in groep de hofstede, riepen een afscheidsgroet en een ‘tot te naaste jare’ en tierden en zongen hun blijdschap uit omdat ‘t werk afgedaan was en ze naar huis keerden. Zij keken in ‘t voorbijgaan nog eens naar de opgestapelde oogst, en enigen deden hun gevoeg tegen de grote schelven. Ze zwaaiden de pik op de rug bij hun zware zak, en nu waren zij de brede straat op, elk bij de eigen makkers, en ze koutten luide en heftig: over de harde zomer en alles wat ze verlangden weer te zien. Wies was de laatste en keek gedurig om naar de hofstee. Al wenste hij nog zo zeer naar moeders dak, nu gevoelde hij dat hier entwat achterbleef dat hem dikwijls nog het hoofd zou doen wenden, en waar hij later veel met zijn gedachten zou naar terugkeren.”

Een boek over een historisch fenomeen dus, geschreven toen dat fenomeen nog niet historisch geworden was, maar ook een boek zoals ‘we’ dat van Stijn Streuvels gewoon zijn. Een boek dat – ik verwees u al naar waar u het gratis kan vinden – aanbeveling ten volle verdient.

Björn Roose

dinsdag 7 maart 2023

De teleurgang van de Waterhoek – Stijn Streuvels (boekbespreking door Björn Roose)

De teleurgang van de Waterhoek – Stijn Streuvels (boekbespreking door Björn Roose)
Moeilijk te zeggen wat nu eigenlijk het bekendste boek van Stijn Streuvels is, maar Wikipedia noemt - naast het in mijn boekenkast zittende, maar mij verder onbekende Alma (met de vlassen haren) – in ieder geval De Vlaschaard (1907), Het leven en de dood in de ast (1926) en De teleurgang van de Waterhoek (1927). Ik zou daar zijn door mij eerder besproken versie van Reinaert de Vos aan toe durven voegen, maar die zal bij het “grote publiek” hoe dan ook minder bekend zijn dan de twee verfilmde werken die óók al te vinden zijn in bovenstaand rijtje: De Vlaschaard (tot twee keer toe verfilmd zelfs) en De teleurgang van de Waterhoek. Er is er nog een derde, De blijde dag, maar ik moet toegeven dat ik daarover bij het opzoeken van documentatie voor deze boekbespreking voor het eerst lees, dus er zal allicht geen Jan Decleir in gezeten hebben, laat staan een Willeke van Ammelrooy. Laat ons het er dus maar op houden dat De teleurgang van de Waterhoek Streuvels’ bekendste werk is, zij het dat de verfilmde versie in Nederland bekend is onder de naam Mira, terwijl er in Vlaanderen toch in tweede orde – en ondanks het feit dat Hugo Claus ook in déze film van Fons Rademakers zijn zeg had – eer werd bewezen aan de schrijver door hem Mira of De teleurgang van de Waterhoek te noemen.

Nu, we gaan het niet hebben over de acteerprestaties of de mate waarin de personages, vooral Van Ammelrooy, zich bloot gaven, maar wel nog even over mijn band met de film. Mijn band en die van iedere inwoner van Hamme: onze voetgangersbrug over de Durme. Die (zichtbaar in de trailer vanaf een minuut of twee) speelt namelijk, in het boek méér dan in de film, de hoofdrol in dit verhaal, ook al ligt de Waterhoek uit de roman niet hier, maar in de buurt van Avelgem, op de grens van West- en Oost-Vlaanderen, “sedert de schepping der wereld door de stroom gescheiden”. Die brug, naar aanleiding van het maken van de film Mirabrug gedoopt, dateert ook al van 1900, maar kon wel nog dienen als “moderne” brug voor een verhaal dat zich ergens rond de vorige eeuwwisseling afspeelde. Bovendien was alleen maar het middelste deel ervan ooit opgeblazen, terwijl de Vierendeelbrug van het verhaal (niet met naam genoemd overigens) tot twee keer toe gedynamiteerd werd en vervangen door een moderner exemplaar. Iets – zowel het dynamiteren als het vervangen – waar deken Broeke, in de film gespeeld door Carlos Van Lanckere (twaalf jaar later ook van de partij in De Vlaschaard trouwens), ongetwijfeld nooit aan gedacht heeft bij zijn strijd tegen die brug.

Want dat is waar het in dit boek werkelijk om gaat. Gezien het op de achterflap staat, verklap ik ook niks als ik de synopsis even mee geef: “In het boek verzet deken Broeke, de veerman van de Waterhoek, zich tegen de aanleg van een steenweg en de bouw van een brug. Maar de moderne techniek laat zich niet afweren. Broeke verliest de strijd en blijft verslagen en eenzaam achter. Streuvels beschrijft de integratie van een volkse gemeenschap in de kapitalistische en burgerlijke maatschappij. Een opvallende figuur in de hechte gemeenschap van de Waterhoek is Mira. In haar ongelukkige liefdesgeschiedenis met Maurice Rondeau, de jonge ingenieur die toezicht houdt op het bouwen van de brug, wilde Streuvels evoceren dat de kloof tussen platteland en stad niet écht te overbruggen viel”.

Een synopsis waarmee ik het niet helemaal eens ben, voor de duidelijkheid. Mira – die mijns inziens in ons taalgebied destijds inderdaad door niemand anders dan Willeke Van Ammelrooy kon gespeeld worden (“‘het vreemde’, iets dat van hem, noch van zijn ras, maar uit het onbekende moest zijn voortgekomen, uit een fijnere stof samengesteld scheen, voornamer van aard, doch aangetast door een verdorvenheid die slechts aan rijke lieden kon eigen zijn”) – zou in die constellatie immers het platteland hebben moeten voorstellen en Maurice Rondeau de stad, maar dat is niet zo. Maurice Rondeau is degene die de rivier, de Schelde, wil temmen door er een brug overheen te bouwen (elders zijn collega’s van hem intussen bezig die rivier recht te trekken), Mira is degene die zich niet laat temmen, Mira is die rivier: “zij [gaf] zich geredelijk (…) om te minnekozen, doch (…) weerhield [zich] iemand in te palmen en uit te buiten, [wendde] haar verleidende schoonheid niet aan(…) om een voordelige positie te verwerven”. Iedereen kan Mira krijgen, maar niemand kan Mira houden. Mira gaat haar eigen gang. “Schelde, houd u goed, gij oude rosse!”, bromt deken Broeke op het einde van het verhaal, “trek er u niets van aan, toon dat wij de baas zijn!”, en een alinea later doet de Schelde in de gedaante van Mira dat ook: “Aan ‘t station nam zij de trein, en vertrok zonder naar iemand om te zien of aan iemand te zeggen waar ze heenging. Haar wezenstrekken bleven onberoerd, de blik op ‘t raam gericht, zonder dat zij iets opmerkte van de dingen die er voorbijschoven. Zij volgde de arabesken van haar droom, waarin haar eigen beeld – spiegelend op het glasraam – haar uit de schemerverte van het landschap, met twee diepe ogen aankeek. Zij luisterde naar het zoemende lied dat als een lokroep door de lucht ruiste, en waarin zij de geur van het stadsfestijn opsnoof. Alleen en vrij, ging ze er een nieuwe wereld ontdekken, het leven beginnen, waarvoor zij wist geschapen te zijn.” Want ze wíl wel naar de stad, maar niet aan het handje van wie haar daarheen wil brengen. Ze wíl vooruit, maar zíj beslist in welke richting. “Ze zal ginder haar toeren spelen”, zegt Manse, Mira’s tante en Broekes dochter, ze laat zich niet rechttrekken. Net zomin als Broeke zijn strijd verloren acht: “Hele dagen voer de schepen met de pont ingebeelde reizigers op de Schelde over en weer, en verwachtte ieder ogenblik de ongedaante achter zijn rug, in een rammeling van ijzer en steen, te horen neerdonderen.”

Waarmee ik u meteen meegenomen heb naar het einde van het verhaal, terwijl we helemaal aan het begin daarvan toch al kennismaken met het magistrale verteltalent van Streuvels: “Over de uitgestrekte meersvlakte spreidt het zonnelicht en de stilte, één geworden in het tijdeloze van de zomernamiddag. Door de ruimte hoog en wijd – tussen ‘t blauwe hemelveld en ‘t groen van de bodem – wiebelt de aamloze lucht als de deining van groot water, en op de zonnesnaren gonst het leven als een verre droomzang. Alle dingen blijven aan hunzelf overgelaten, in zware rust, broeiend in ‘t stoken der felle hitte.” Hoe mooi is dat toch… alleen al een beeld als “aamloze lucht”…

“Aamloze lucht”, door u wellicht zelf en terecht omgezet in “ademloze lucht”, een vertaalslag die waarschijnlijk moeilijker te maken is voor deze passage: “Gelijk een tafereel waarvan men in één blik al de bijzonderheden opneemt, spreidde het verleden daar voor hem open: het huiselijk leven en bestaan – zes dochters en vier zeuns – oekerend als een nest viggens over de huisvloer, of bijzend in de meers lijk jonge kalvers, te plozen in ‘t water aan de Biesbeek, morsend in de pappot, knagend aan de broodkant, te ravotten en te vechten ondereen lijk wolvengebroed, - met Romme, zijn wijf daar midden in, hees geschreeuwd, de handen blamot van ‘t slaan en kletsen op hun harde kop, dag en nacht in de weer en bezig om die bende scheuvels op te kweken en de bek vol te stoppen, - zolang en zoveel tot ze haar boven ‘t hoofd gegroeid waren, een eigen wil kregen, elk zijn zin zocht te doen, en eer iemand ‘t voorzien kon, de wijde weg opgingen, gelijk in een vogelnest waar de jongen vlugge worden en uitvliegen, waren ze de een na de ander getrouwd – de zeuns met een deerne uit de gebuurte, de dochters van ‘t zelfde – gelijk hun weerga – met een kerel van de Waterhoek – waar zij nu, op hun beurt, in eigen nest, jongens kweekten en strange werken moesten om aan de kost te komen.” Ik ben zélf Westvlaming van oorsprong en weet me uit mijn jeugd toch nog aardig wat dialectwoorden te herinneren (‘blagaaimakers’, ‘knechtebrakken’, ‘lachtaarten’ en ‘truntaards’ zijn geen onbekenden voor me), maar moest er toch regelmatig de Woordverklaring aan het einde van het boek op naslaan. Die vijfentwintig bladzijden vertaling van dialect naar Algemeen Nederlands zullen voor de meeste lezers van nu dan ook absoluut geen kwaad kunnen, terwijl het totaal niet passend zou zijn de tekst dan maar in zijn geheel om te zetten naar Algemeen Nederlands (een idee waar je in tijden waarin bijvoorbeeld ook Roald Dahl wordt “herschreven” nauwelijks zou van opkijken). Dat dialect is immers óók nog zoiets dat zich slechts heel moeizaam laat rechttrekken, temmen, opnemen “in de kapitalistische en burgerlijke maatschappij”.

En “(…) de kluchtenaars, de potsenmakers, de verzenzeggers, de rijmers, de vertellers, die bij feesten en kermissen het publiek wisten te verzetten”, zijn langzamerhand verdwenen in een steeds verder verstedelijkend Vlaanderen, net zoals “de bulten, de kreupelen, de twee dwergen, de zeven zotten”, maar bij gelegenheden als carnaval zie je nog wel eens dat “door geld en bezit van goed (…) geen macht of meesterschap, geen gezag of zedelijk overwicht te verwerven [valt], – al de inwoners behoorden er tot dezelfde stand en rang” en “inmenging van vreemden” wordt bij die gelegenheden ook zo weinig mogelijk geduld. Al luistert de definitie van “vreemden” allicht wat minder nauw dan ze het op de Waterhoek heeft gedaan: “Sedert onheuglijke tijden had men er onder elkaar getrouwd, en al de huisgezinnen waren er ondereen vermaagschapt, in verre of nauwe graad verwant, zodat er onder heel de bevolking amper een half dozijn verschillende familienamen bekend waren, en ieder er zijn eigen aarnaam droeg, - ‘t geen voor alle gemeente- en bestuurlijke zaken een warboel uitmiek, waar secretaris noch veldwachter, noch gendarmen uit wijs konden geraken”.

Maar dat belet niet dat de “openbare scheuring”, die er nooit eerder geweest is, er komt (zoals in het Asterix-album De diepe kloof / De broedertwist – zie mijn bespreking van Karel Anthierens’ Gedane zaken). Of dat het leven met een werkzaam seizoen en een seizoen van volledige ontspanning opgegeven wordt. De winter, die zij “vadsig [verleefden]”, waarin zij het “beneden hun mannelijke weerdigheid [beschouwden] om iets uit te richten, tenzij prutselen uit liefhebberij”, zal geen seizoen die naam waardig meer zijn. De geografische isolatie van de Waterhoek en daarmee het eigene ervan, houdt op te bestaan bij het met elkaar verbinden van de beide ‘Vlaanders’. Het verzet tegen ‘de vooruitgang’ is – deken Broeke, zijn zoon Lander en zijn kompanen Tette en Cloet niet te na gesproken (en in het geval van die drie laatsten dan nog uiterst lomp) – quasi onbestaande. Met de mond wordt nog wel het tegendeel beleden, maar het volk wordt, zoals dat met het volk overál gebeurde, binnen de kortste keren getemd door het geld. Erger nog, door louter de belofte aan geld, aan een schoon huis. “(…) een zwerm vreemdelingen” overrompelt het dorp: “dijkedelvers, metsers, berdzagers, timmerlien en dekkers, benevens een aantal nieuw bijgekomen inwoners uit de gemeente”. De mannen van het dorp heien hun leven zoals de peilers van de brug geheel vrijwillig de grond in: “Blau ist der Himmel/ Klein ist das Loch / Gross ist der Grindel / Er in muss er doch”, zingen ze erbij. Café de Meersblomme wordt “herdoopt in: Faubourg de Flandre; de Krekelpoel in: A la joyeuse Compagnie; de Gebroken Pint in: La Descente des Pêcheurs; ‘t Scheepje in: La Belle Côte”. Broeke is op den duur de enige die liever een magere wolf in het bos wil wezen dan een vette hond aan de ketting, en dan is het nog maar de vraag wat zijn motieven daarvoor zijn: “(…) hij wilde zijn macht uitbreiden en opvoeren tot waar gezag, als een echte, wettelijk erkende burgemeester”. Zoals Sieper, zijn schoonzoon en tegenstander, dat wil en ook gedaan krijgt, maar met een volkomen ander achterliggend idee: “(…) als een roeping om de Waterhoek vooruit te helpen, in verband met de wereld te brengen, leefte onder de bewoners te bewerken, - het tegenovergestelde van ‘t geen Broeke met zijn verachterde, aartsvaderlijke zeden en geplogenheden voorhield, wilde vasthouden aan het verleden, niet mee wilde met de tijd”.

Een boek “uit” de tijd, een boek zoals Pallieter van Felix Timmermans, dat zeer de moeite van het lezen waard is, ook voor wie eerder geïnteresseerd zou zijn in de roman binnen de roman, de op een meteen faliekant uitdraaiend huwelijk uitlopende romance tussen de eerder genoemde ingenieur en Mira(belle). Een boek over het opgeven van de cirkel voor het volgen van een lijn die nergens heen leidt. Een boek over meegaan met een tijd die uiteindelijk enkel bestaat uit andere mensen die willen dat je hún lijn volgt. Een boek over leven dat verkeert tot folklore, tot de dood in het museum: “Elk ruiter droeg de vaan van zijn gilde. Muziekmaatschappijen wisselden de verschillende groepen af: vooreerst de wagen der duivenmelkers – een reusachtige kooi waar al de duiven der streek in rondvlogen; de handboogschutters in geschiedkundige kledij uitgedost; twee groepen kasseileggers met hun gereedschap; twee retorica-genootschappen met vaan en wapenschild; de verheerlijking van de landbouw, zinnebeeldig en in werkelijkheid voorgesteld; de verschillende nijverheden der streek: wagens waarop alle mogelijke ambachten werden uitgevoerd; een lange, dubbele rij opgetooide wielrijders, en eindelijk de Waterhoek, die over heel de doortocht ‘t meest bekijks had: een visserswagen in vorm van een boot, waarop al de mannen, bont in de kleren, hun gelaat met blauwe en rode kleur gestreept, gelijk kannibalen, hun netten en andere gereedschap, benevens enige tonnen bier hadden opgeladen (…)”. Een narrenschip, wachtend op zijn prijsgave aan het vuur.

Björn Roose

vrijdag 28 oktober 2022

De rampzalige kaproen – Stijn Streuvels (boekbespreking door Björn Roose)

De rampzalige kaproen – Stijn Streuvels (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb niet eens tien boeken van Stijn Streuvels in mijn kasten zitten (vier biografische werken over de schrijver niet meegerekend), maar elk boek van hem dat ik ter lezing uit de kast haal, is op de een of andere manier “speciaal”. Eind 2018 besprak ik voor het eerst een van die boeken, zijnde zijn… bewerking van het Reynaert-epos, Reynaert de Vos. In augustus 2019 nam ik de Kleine verhalen van Bjørnsterne Bjørnson ter hand en bleken die vertaald en ingeleid te zijn door Streuvels. En nu leg ik u de bespreking voor van De rampzalige kaproen, op de cover toegewezen aan Stijn Streuvels, maar, zoals aangegeven op de titelpagina, in werkelijkheid, “een middeleeuwse boerenroman, nageschreven door Stijn Streuvels” en oorspronkelijk van de hand van ene Wernher de Tuinder.

Een Wernher de Tuinder waarover zo goed als niks te vinden is op het internet, behalve dat dat een vertaling naar het Nederlands is van de naam Wernher der Gartenaere. En dat is dan weer de naam die de Beierse of Oostenrijkse (zelfs dát is niet bekend) auteur van de in het midden van de 13de eeuw ontstane verzenverzameling Meier Helmbrecht zichzelf toedacht (zoiets als Madoc dus). Over die auteur is niks bekend, maar op basis van zijn naam wordt, aldus de Duitstalige Wikipedia, “vermutet, dass es sich um einen Klostergärtner, den Besitzer eines Gartens oder Grundstücks der bäuerlichen Mittelklasse oder am wahrscheinlichsten (als Nomen Agentis zum Verbum ‘garten’ = betteln) um einen fahrenden Sänger gehandelt haben könnte, der die eigenen Dichtungen vor einem literarischen Kreis zur Entlohnung vortrug”.

Onthoud uit bovenstaande vooral dat Meier Helmbrecht een verzenverzameling was: het ‘naschrijven’ van Streuvels, De rampzalige kaproen, is daarentegen wel degelijk proza. En degelijk proza ook. Een proza dat de middeleeuwen ademt: geen hoofdstukken (het boekje, uitgegeven bij de Wereldbiblioteekvereniging in 1957, is ook amper zestig bladzijden dik), maar wel voorzien van die typische structuur. Een niet al te nauwkeurige plaatsing in de tijd en de ruimte, een moraal waarmee de lezer aan het einde naar huis gezonden wordt, en een verteller die regelmatig tussenkomt in het verhaal om aan te geven waarheen het toneel zich nu zal verplaatsen. Het toneel, inderdaad, want de hele manier van vertellen doet denken aan een wagenspel, zelfs los van de knappe illustraties van de hand van Luc(ien) de Jaegher die de verschillende scènes “verluchten”.

Wat die moraal betreft, die is vrij snel duidelijk en wordt aan het einde – zoals gezegd – nog eens meegegeven: “Dat eigenwijze knapen die hun ouders woorden durven verachten door dit vertelsel gewaarschuwd wezen. Als, gelijk Helmbrecht, de hoogmoed hen bevangt, zij in zijn voetspeur treden, dan is het maar billijk dat zij varen en eindigen gelijk Helmbrecht”. En Helmbrecht vaart niet goed, uiteraard, al hoort hij dan in principe tot de goeden, de boeren: “In die tijd – ruim achthonderd jaar geleden, toen er in dees Dietse streken nog maar alleen edellieden waren en boeren, hadden die ridderheren zodanig gefeest en geschranst, elk buiten en boven zijn inkomsten geleefd, gevochten onder elkaar en niet op hun zaken gelet, dat hun goederen te kwiste gingen en zij in geldnood verkeerden. Dan bleef er hun alleen nog over te stelen, te plunderen en te stropen, – zij werden echte roofridders en hun kastelen en burchten op hoge rotsen gelegen, of met sterke wallen omringd, hieten dan ook roofnesten. In die tussentijd hadden de boeren neerstig hun akkers beploegd en bezaaid en rijke vruchten opgedaan, zodat ‘t merendeel van hen welvarend geworden waren. Maar”, daar komt het, “de weelde is kwaad te dragen, en zo gebeurde ‘t dat bij sommigen”, in casu Helmbrecht junior, “de lust opkwam om in kleding en manieren te pronken naast edellieden”, en dat is dus wat “Wernher de Tuinder (…) weet te vertellen in zijn geschiedenis van de Rampzalige Kaproen”.

Een kaproen gemaakt door een non die haar kap over de haag heeft gesmeten, en vervolledigd met allerlei andere chique kleren door zus en moeder van Helmbrecht junior, die daarmee niet zijn eerzucht temmen, maar eerder aanmoedigen. Iets wat ook Helmbrecht senior beseft, maar waar hij helemaal niks kan aan doen, terwijl toch al snel duidelijk is dat die eerzucht zich niét in het streven naar het edele en het schone zal gaan uiten, maar in het schijten in het eigen nest: “Lieve vader, zwijg asjeblieft, laat dit geredeneer, het kan nu eens niet anders: ten hove moet ik, omdat ik zien wil hoe daar het leven smaakt. Aan ‘t dragen van zware zakken wil ik mijn nek niet meer kraken, zal ook voortaan op uwe wagen geen mest meer laden. Nog liever dood! God beware mij, dat ik nog ooit koorn zaaie of ossen spanne aan ‘t jok! Dat past ten ander al te slecht met mijn lange, blonde lokken, mijn fijn kleed en bonte kaproen vol zijden vogels met kunstige hand er op gestikt. Gij moet uw akker zelf beboeren, met geen zes ossen krijgt gij mij nog op ‘t land! Zou ik drie jaar moeten kweken aan kalf of veulen, als ik er elke dag een krijgen kan door roof? Ik drijf liever andermans runders achter de hoek om en sleep de boeren bij de haren door de heg.”

Een droom waar de voorspellende dromen van Helmbrecht senior helaas niet tegenop kunnen, een droom ook die al spoedig verwezenlijkt wordt. Een verwezenlijking waarover Helmbrecht junior enige tijd later graag komt pochen op de boerderij. Een gepoch dat uitdraait op een niet meer bij te leggen twist tussen junior en senior en het ook van senior verwijderd raken van dochter Godelinde, die evenals haar broer voor the dark side kiest. Die hebben namelijk behalve cookies ook nog een bruidegom in de aanbieding, Lammerwurger genaamd, en die is bereid Godelinde een bruidschat aan te bieden “waaraan zij heel haar leven vreugde hebben kan”: “Ik bezit toch drie zakken vol, zo zwaar als lood. De eerste, vol nog tot aan de rand met onversneden linnen, minstens vijftien kreutzers de elle waard. Dat zal Godelinde wel bevallen, als zij ‘t met de vingers betast. In de tweede zak steken hele hopen lint, kleergoed, hemden, genoeg om nooit meer armoede te hebben. Word ik haar man en zij mijn vrouw, dan gaat zij gepint en opgesmukt als een prinses, met sluiers doorschijnend, lichter dan spinneweb. Al ‘t geen ik veroveren kan, is voor haar. De derde zak is barstens vol opgepropt met ‘t fijnste en ‘t kostelijkste goed: scharlaken doek, heel en gans met pelswerk gevoerd, zacht als dons, kleren rond en rond afgezet met een ding dat heet zwarte sabelpels (...) Dit alles krijgt zij als morgengave op ons huwelijksfeest”.

Een naïeve boerenmeid zou voor minder overstag gaan, maar na het feestmaal – “Het koninklijke feestmaal toen Arthur Ginevere vrijde, dat was er pover spel bij en ijdele wind, beweren zij die ‘t weten” – en het enorme zatsel, komt al snel de ommekeer: “Een oud spreekwoord zegt: ‘Wanneer iemand in gulzigheid zijn spijs onmatig inslokt, is zijn eind nabij.’ Tijd bedekt en tijd ontdekt; de hinkende diender achterhaalt de vlugste dief; Gods molen maalt traag, maar zeker.” En niet álle rechters zijn omkoopbaar: “Het is jammer genoeg, geweten dat er rechters gevonden worden zo gezind, dat een wilde wolf die lammeren verslonden heeft, hen bewilligen kan, als hij hun ‘t aandeel laat van de buit, en al had hij het vee verwurgd van een hele streek, hem zouden laten lopen, recht of onrecht, om wat geld; – gave God dat zoiets zeldzamer voorkwame! Doch hier hadden onze roofridders met een gestrenge, rechtschapen rechter te doen.”

Hoe die rechtschapenheid, van rechters en anderen, uitdraait, laat ik u echter graag zélf lezen in De rampzalige kaproen. Ik wist het boekje voor een halve euro op de kop te tikken, maar ook voor het tienvoudige van die prijs zou ik nog niet teleurgesteld geweest zijn.

Björn Roose

donderdag 29 augustus 2019

Kleine Verhalen (Bjørnstjerne Bjørnson)


Zeg nu zelf, als je Björn heet, moét je vroeg of laat toch wel een boek lezen van de Noorse schrijver Bjørnstjerne Bjørnson, zelfs al ziet zo'n ø er weer net iets anders uit dan een ö. Maar dat was eigenlijk, en voor de duidelijkheid, niet de reden waarom ik dat deed. De voornaamste reden was uiteraard dat ik dit boek, uit 1909 alweer (dus de kans dat u het vind bij de, al dan niet "betere", boekhandel is klein), voor een appel en een ei op de kop tikte. En de tweede reden, ook de reden waaróm ik het kocht toen ik het tegenkwam, was dat het vertaald werd door Stijn Streuvels. Die kende ik uiteraard, zoals iedereen durf ik aannemen, als schrijver van o.a. Alma, De oogst, De Vlaschaard, Het leven en de dood in de ast, Langs de wegen, en - hoe kan het ook anders? - De teleurgang van de waterhoek, maar ik was me er niet van bewust dat hij ook als vertaler actief geweest was. Nu dus wel.

Bjørnson dan weer was, zoals zelfs Wikipedia weet te vertellen, zoon van een plattelandspredikant (geboren in 1832), maar schopte het ondanks het feit dat hij zijn studies afbrak eerst tot journalist (tegenwoordig geen compliment meer, eerder een verwijt), vervolgens tot directeur van de Noorse Schouwburg in Bergen (Noorwegen, niet Wallonië) en daarna redactielid van Aftenbladet. Hij bereisde de halve wereld en vestigde zich uiteindelijk halvelings in Parijs (waar hij stierf) halvelings op zijn boerderij in Lillehammer (sinds 1994 wereldwijd bekend vanwege de daar gehouden Olympische Winterspelen).

Tot zijn bekendste werken als schrijver behoren Sigurd Slembe uit 1862 en Maria Stuart i Skottland (1864), dat laatste uiteraard een algemeen bekend thema. Het lijdt echter geen twijfel dat zijn allerbekendste werk er eentje is waarvan de meesten niet weten dat het van hem is terwijl ze het zingen: het Noorse volkslied Ja, vi elsker dette landet (de componist ervan was zijn neef, Rikard Nordraak). Redenen genoeg (en we hebben het nog niet eens over, bijvoorbeeld, zijn samenwerking met die andere en veel bekendere componist Edvard Grieg) om tot de Grote Vier van de 19de eeuwse Noorse letterkunde gerekend te worden; redenen genoeg ook om in 1903 de Nobelprijs voor Literatuur te ontvangen. En dan was Bjørnson ook nog politicus, een fel republikein die zich inzette voor algemeen kiesrecht en tegen de macht van de kerk, voorstander van het pangermanisme en tegenstander van de toen in Noorwegen sterk voelbare invloed van de Deense cultuur.

Maar dat was allemaal lang na deze Kleine Verhalen. Okee, de publicatie van het boek in het Nederlands kwam er pas in 1909 (Bjørnson overleed in 1910), maar, zoals Streuvels zelf in zijn inleiding schrijft: "de Kleine Verhalen dagteekenen van voor en rond de jaren 1860 - merk wel, toen wij zelf nog versmoord lagen onder romantische verhalen zonder stevigen ondergrond, zonder menschelijkheid erin of eenige zielsdiepte of andere letterkundige hoedanigheden. In dien tijd waren de twee mannen - zij heeten Ibsen en Björnsön - aan 't hameren van eene sterke, werkelijke en diepgevoelde kunst en zij bewrochten den roem en de vermaardheid - zij schonken aan hun land eene nieuwe, eene eigene letterkunde - drama's en verhalen die van heel de wereld gekend, in alle talen vertaald zijn en gerekend worden bij de schoonste voortbrengselen der hedendaagse kunst."

Nu we terug bij Streuvels zijn: zijn inleiding is gewoon schitterend. De manier waarop hij Noorwegen beschrijft, de natuur van het land en de omstandigheden, de loftrompet steekt van de schrijver, zorgen ervoor dat je verwachtingen hoog gespannen geraken. En ... dat je een beetje teleurgesteld geraakt: de inleiding is gewoon mooier om te lezen dan de rest van het boek. Maar dat kan ook aan de vertaling liggen. Streuvels waarschuwt daar ook voor: "Wie Björnsön, of een anderen Noorschen dichter, in oorspronkelijke taal leest kan die eigenaardigheid aanstonds beseffen; - zijne taal of liever de taal van heel dat zwijgzame, ingekeerde volk heeft in zijne bondigheid eene kracht van uitdrukking gekregen waarvan andere volkeren geen gedacht hebben. De Noren moeten ons allen aanzien voor onverbeterlijke babbelaars. Want die bondigheid is niet alleen de manier van 't spreken, maar de taal zelf heeft door die ernstige zwijgers eene innigheid van uitdrukkingsvermogen gekregen, zoodanig dat alwie zich aan 't vertalen waagt, aanstonds gewaar wordt drie woorden of meer te moeten gebruiken waar de Noor het met één woord klaar krijgt. Dat brengt eene heel bijzondere moeilijkheid mede in 't vertalen, omdat men in 't weergeven der beteekenis altijd den stijl moet prijs geven om de betekenis en de dracht der woorden te behouden - de stijl van het Noorsch gaat verloren onder de omslachtigheid onzer uitdrukking."

En toch ... niet helemaal. Want hoewel Streuvels in zijn inleiding vrij lange zinnen gebruikt, zijn die in het boek véél minder frequent of is er druk gebruik gemaakt van bijzinnen. Hij heeft dus wel degelijk een ernstige poging ondernomen om de stijl zoveel mogelijk te behouden. En die stijl riep meteen herinneringen wakker aan degene die ik aantrof in Het geslacht Bjørndal (boekbespreking hier) van die andere Noorse schrijver, Trygve Gulbranssen, terwijl dat niet vertaald was door hem, maar door Annie Posthumus.

Misschien ligt de lichte teleurstelling dan aan het feit dat die Kleine Verhalen uiteindelijk niet zo klein zijn. Ja, Thrond neemt maar 10 bladzijden in beslag, De Vader, Het Adelaarsnest en Getrouwheid maar 4, De Berenjager 7, Eene gevaarlijke Vrijerij 6, en Uit de hooge Bergen zelfs niet meer dan 3, maar Een vroolijke knaap gaat zo maar even 103 bladzijden door en vertelt het halve leven van ene Eiwind. Van zijn kindertijd tot hij uiteindelijk mag trouwen met het meisje dat al op pagina 2 geïntroduceerd wordt. Inclusief uiteraard de blijde jeugdjaren, de lastige puberteit, de oudere rivalen, het statusverschil, de studiejaren en de weg naar de top. Een zeer klassiek en zéér dun - en dan bedoel ik qua scenario, niet qua aantal bladzijden - verhaaltje, dat dan wel in Noorwegen speelt, maar net zo goed in het Vlaanderen van die jaren (en een stuk later) had kunnen spelen. Te weinig achtergrond dus, te weinig eigenheid, om er meer dan een romantisch niemendalletje van te maken. En er komt écht geen plotwending die het plotseling weer interessant maakt.

Net zomin als in Thrond, waarvan je na de inleiding door Streuvels, hoopt dat het magisch-realistisch zal uitdraaien; of De Vader dat in zijn verdriet niet verder dan de oppervlakte gaat; of Het Adelaarsnest met een einde dat niet meer dan een maning tot nederigheid is; of Getrouwheid waarvan de hele boodschap al in de titel staat; of Uit de hooge Bergen, met óók al zo'n flinterdun stukje moraal erin; of De Berenjager, dat hoogstens voor een hoofdstuk uit De Witte van Ernest Claes kan doorgaan; of, ten slotte, Eene gevaarlijke Vrijerij dat eigenlijk een voorschot op Een vroolijke Knaap is.

Kortom, als u dit boek ooit vast krijgt, lees het dan voor de inleiding van Streuvels - die kan ik in haar geheel aanbevelen - en neem er het werk van Bjørnson bij om zo eens tussen de soep en de patatten te consumeren.

Björn Roose

zaterdag 15 december 2018

Reynaert de Vos (Stijn Streuvels - illustraties Bernard Willem Wierink)

Het Reinaert-epos voorstellen, behoeft nauwelijks nog, vermoed ik. Ik heb het er op mijn blog ook al uitgebreid over gehad: eerst in het artikel Reynaert De Vos - Een kleine geschiedenis van het middeleeuwse dierenepos over het licht-wetenschappelijke werkje dat Niels Schalley schreef voor de Phoebus Foundation (die in 2018 het evenement Vossen ophing aan de Reynaert de Vos-legende), vervolgens in het stuk Reynaert De Vos (bewerking door Katharina Van Cauteren, Rik Van Daele en Patrick Bernauw - illustraties van Joris Snaet) over de nieuwste versie van het eeuwenoude verhaal (ook al uitgegeven door de Phoebus Foundation bij dezelfde gelegenheid).

In dat laatste stuk schreef ik ook: "(...) de versie van Katharina Van Cauteren, Rik Van Daele en Patrick Bernauw is me zeer goed bevallen. Zo goed zelfs dat ik een beetje vrees teleurgesteld te zullen worden in oudere, en zonder twijfel uitgebreidere versies van het verhaal. Alhoewel ... Illustrator Joris Snaet heeft zeer wel bij deze versie passende tekeningen gemaakt, maar de 16 razend knappe 'prenten' die Bernard Willem Wierink maakte voor de in 1910 uitgegeven versie van Streuvels en de algemene look and feel van die versie hebben me net doen beslissen dat Streuvels' Reinaert De Vos het volgende boek is dat ik ga lezen".

Dat was ook het geval, al ben ik, zoals wel vaker gebeurt, daarna in verschillende boeken ter gelijker tijd beginnen lezen en heeft het even geduurd vooraleer ik ook van de boekbespreking werk maakte.

Soit, inhoudelijk gaat het boek van Streuvels dus over precies hetzelfde als de andere Reinaert-verhalen: koning Nobel (de leeuw) besluit alle dieren samen te roepen en die dieren - behalve Reynaert die wijselijk besloten heeft niet op te dagen en zijn familielid Grimbeert de Das, een advocaat, dus altijd bereid zelfs het onverdedigbare te verdedigen - maken van die samenkomst dankbaar gebruik om Reynaert met alle zonden van Israël te beladen. Koning Nobel besluit er, nadat de haan Canteclaer en zijn resterende familieleden in rouwstoet richting zitting getrokken zijn, Bruin de Beer op uit te sturen.

Die moet Reynaert zover krijgen zich vrijwillig aan het hof te melden om daar zijn verdediging te voeren en zijn vonnis te aanhoren. Maar daar heeft Reynaert geen zin in, dus maakt hij van de zwaktes van Bruin (een verslaving aan honing) gebruik om hem er te laten intuinen. Bruin verliest daarbij ei zo na zijn leven, maar slaagt er nog net in onverrichter zake terug te keren naar het hof.

Dit keer besluit koning Nobel Tybaert de Kater naar Reynaert toe te sturen. Die vergaat het net hetzelfde als Bruin de Beer, alleen heeft de kater uiteraard een zwakte voor hapklare muizen en niet voor honing. Ook Tybaert bekoopt zijn bereidwilligheid (al is die in zijn geval zeer wijfelend) bijna met zijn leven en moet eveneens zonder Reynaert naar het hof terugkeren.

Derde boodschapper: Grimbeert de Das. Deze meldt zich vrijwillig en slaagt er ook in Reynaert mee te krijgen. De lepe vos doet onderweg zijn biecht, hervalt meteen bijna weer in de zonde, en komt uiteindelijk ter zitting aan. Daar "verontschuldigt" Reinaert zich bij de koning - evenwel niet zonder er nog een paar van zijn slachtoffers/mededaders door te sleuren - en wordt ter dood gevonnist. Maar nog terwijl Isegrim de Wolf, Bruin de Beer en Tybaert de Kater de galg zijn gaan oprichten, slaagt hij er in het lot geheel te doen keren, dit keer door gebruik te maken van de zwakte van de koning en de koningin: geld.

Eindspel: Reynaert gaat vrijuit, Isegrim en Bruin worden gevangen genomen en mishandeld ter meerdere eer en glorie van Reynaert. Tegen dat ze aan het hof het bedrog door krijgen, is ook Cuwaert de Haas dood en is Belijn de ram goed bij de bok gezet. Onze held - een smeerlapje, maar wel een sympathiek smeerlapje - wandelt met vrouw en kinderen de horizon tegemoet, terwijl Belijn en zijn nakomelingen veroordeeld worden tot eeuwige vervolging door de weer in de gratie gekomen Isegrim de Wolf en Bruin de Beer.

Twee bijzonder leuke dingen aan deze versie van het verhaal: de taal van Streuvels en de illustraties van Bernard Willem Wierink. Die taal is uiteraard het Nederlands, maar aan het Nederlands van Streuvels hangt een uitgesproken regionaal patina en dat is voor iemand die ruwweg uit dezelfde regio komt (West-Vlaanderen) bijzonder leuk. De illustraties van Bernard Willem Wierink zijn dan weer ronduit prachtig, al vond Streuvels dat ze te ... elitair waren. Niet volks genoeg, oordeelde hij, wat de verkoop van zijn boek in de weg stond. De versie met illustraties van Wierink kreeg dan ook geen nieuwe uitgaves meer, terwijl de van een jaar eerder daterende versie met illustraties van Gustaaf van de Woestijne nog verschillende keren uitgegeven werd.

Wie dus de tekeningen van Wierink wil bewonderen, zal moeten zorgen dat hij aan de uitgave van 1910 (350 genummerde exemplaren) komt. Ik heb de versie met tekeningen van Gustaaf van de Woestijne nog niet in handen gehad, maar kan u in ieder geval een kijkje in én het lezen van de versie met tekeningen van Wierink aanbevelen.

Björn Roose

zondag 14 oktober 2018

Reynaert De Vos - Een kleine geschiedenis van het middeleeuwse dierenepos (Niels Schalley)

Ik zag dat het boek intussen al bij De Slegte ligt, maar dat zal wellicht het geval zijn omdat de gelegenheid waarvoor het werd uitgegeven, Vossen - Expeditie in het land van Reynaert, afgelopen is. Die expeditie was op zich al meer dan de moeite waard (de Phoebus Foundation van enfant terrible Fernand Huts stelde behalve een aantal exemplaren van Van den vos Reynaerde ook tal van kunstwerken ten toon op verschillende locaties in het zoete land van Waas), de twee boeken die de bezoekers meekregen in hun goodie bag zijn dat niet minder: deze Reynaert De Vos - Een kleine geschiedenis van het middeleeuwse dierenepos van Niels Schalley, en de bewerking van het eeuwenoude verhaal door Katharina Van Cauteren, Rik Van Daele en Patrick Bernauw, met illustraties van Joris Snaet.

Het boekwerkje van Schalley bevat behalve een aantal illustraties uit diverse uitgaven van het Reynaert-epos inderdaad een kleine geschiedenis ván dat epos. De auteur neemt ons mee van - echt waar - What does the fox say ? van de Noorse broers Ylvisaker naar Willem die Madocke maecte en de inhoud van zijn Reynaert-verhaal, wandelt ons even door het decor waarin het verhaal zich afspeelt (inderdaad, in Waes, int soete lant) en neemt ons dan weer op sleeptouw door de eeuwen heen terug naar onze tijden en verder (back to the future, zeg maar).

Na even uitgelegd te hebben waarom het verhaal in het Middelnederlands verscheen en niet in het Frans (Grimbeert sprac: Oem, walschedi? / Of ghi yet wilt, spreect jeghen mi in Dietsche, / dat ict mach verstaen), heeft de auteur het uitgebreid over de "fikse literaire staart" die het verhaal kreeg: over teelballen die vervangen werden door neuzen, over zedige jongens die in de plaats kwamen van geuzen, en over uitgevers die zich door de heersende regimes lieten beïnvloeden in hun keuzen. En uiteraard over hoe (al dan niet vrijwillige) censuur uiteindelijk omsloeg in het gebruik van onze vriend (want dat is hij voor de Vlamingen hoe dan ook) Reynaert als "personificatie van de eigen identiteit" (door, bijvoorbeeld Jakob Grimm in de Duitse gebieden en Jan Frans Willems in de Nederlanden), over hoe de versie van Goethe ("Reineke Fuchs") werd gered door de - prachtige - illustraties van Wilhelm von Kaulbach (die voor het goede doel een vos kocht om hem vrij in zijn tuin te laten rondlopen en hem aldus te inspireren), en over het werk van Stijn Streuvels (geïllustreerd door Gustave van de Woestyne), Felix Timmermans (die van de vos een ezel maakte en van het Waasland het Kempenland) en Louis Paul Boon.

Met een citaat uit Boons "Wapenbroeders", opgenomen in dit leerzame boekje van Schalley, beëindig ik graag deze boekbespreking: "Waar in kasteelheren katholiek waren - gelijk zij nu nog steeds katholiek zijn, of iets anders, of iets heel tegenovergesteld maar toch nog altijd hetzelfde - en zij van hun roof-kruisvaarten terugkeerden, gedoopt zijnde ter heilige mis togen en ten onzehere gingen - gelijk zij nu nog steeds ten onzenhere gaan, of tot marx of hitler of tot de kloten van de hond - maar ongestraft de hofstedekens konden platbranden."

Björn Roose