Posts tonen met het label Isaac Asimov. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Isaac Asimov. Alle posts tonen

dinsdag 2 juli 2024

Reisdoel: menselijk brein – Isaac Asimov (boekbespreking door Björn Roose)

Reisdoel: menselijk brein – Isaac Asimov (boekbespreking door Björn Roose)
“Dr. Isaac Asimov, Amerikaans biochemicus van Russische oorsprong, is ontegensprekelijk de grootmeester van het moderne science fiction-verhaal. Zijn Reisdoel : menselijk brein is een ongemeen boeiende en originele bestseller die niet alleen werd bekroond door The World Science Fiction Convention, maar ook werd verfilmd onder de titel ‘Fantastic Voyage’.” Dat lees ik op de binnenflap van deze in 1976 bij D.A.P. Reinaert Uitgaven uitgebrachte vertaling (van de hand van Ruud Löbler), maar dat lijkt niet helemaal te kloppen. Voorafgaand aan het verhaal en net onder de toch wel grappige opdracht (“Opgedragen aan Mark en Marcia die anders mijn arm uit het lid gedraaid zouden hebben”) valt namelijk dít te lezen: “Dit verhaal, in boekvorm verschenen en ook reeds verfilmd, heeft verscheidene geestelijke vaders die allen op velerlei wijze aan de huidige versie het hunne hebben bijgedragen. Voor ons allemaal was het een opgave die langdurige en moeizame arbeid vergde en ons voortdurend voor problemen plaatste, maar het was ook, mag ik wel zeggen, een taak die ons grote voldoening en vreugde heeft verschaft. Toen Jay L. Bixby en ik ons oorspronkelijk verhaal schreven, konden wij niet bevroeden waar dat toe zou leiden of wat er uit zou groeien onder de handen van rijkelijk met verbeeldingskracht en kunstenaarschap begiftigde mannen – Saul David, de filmproducent; Richard Fleischer, de regisseur wiens inventieve geest fantasie tot werkelijkheid maakt; Harry Kleiner, die het filmscenario schreef; Dale Hennesy, de artistieke leider, zelf kunstschilder van klasse; en de artsen en geleerden die ons zoveel van hun tijd en kennis hebben afgestaan. En ten slotte Isaac Asimov, die met zijn pen en groot talent vorm en authenticiteit wist te geven aan dit fantastisch samengaan van feiten en fictie.” Getekend: Otto Klement.

Euh… hoe zit dat nu? Wel, zo: Moraviër Otto Klement - vóór 1933 in Berlijn actief als agent voor theater- en filmacteurs, in 1936 producent van twee Engelse films (A Woman Alone en The Amazing Quest of Ernest Bliss), en vanaf 1941 in de Verenigde Staten te vinden (waar hij in 1948 de verfilming van Triumphbogen van Erich Maria Remarque, van wie ik vorig jaar nog Drie kameraden besprak, produceerde) – en Amerikaan Jerome ‘Jay’ L. Bixby (vanaf 1949 auteur van een berg science-fictionkortverhalen en westerns, plus scripts die onder andere in The Twilight Zone-serie en Star Trek gebruikt werden) schreven inderdaad samen het verhaal waarop de film Fantastic Voyage gebaseerd werd. Richard Fleischer, die in de jaren 1980 nog (om het maar bij iets héél bekend te houden) Conan the Destroyer (het vervolg op Conan the Barbarian) en Red Sonja (het vervolg daar weer op) voor zijn rekening zou nemen, zat effectief in de regisseursstoel, en Saul David (die in 1976 de film Logan’s Run, waarvan later een serie werd gemaakt – o, jeugdherinneringen -, zou draaien) was producer van dienst. Harry Kleiner, van wie ik me nog de jaren-tachtigfilms Extreme Prejudice en Red Heat kan herinneren, tekende verantwoordelijk voor de screenplay. Maar Isaac Asimov… was in dit verhaal ei zo na niet opgedoken.

Toen Bantam Books, de uitgeverij waarvoor Saul David van 1950 tot 1960 gewerkt had, de rechten had gekocht om van de film een boek te maken (van verhaal naar film naar boek, volgt u nog?), trok die uitgeverij namelijk wel naar Asimov om dat werk voor zijn rekening te nemen, maar die weigerde. Hij vond het “Hackwork (…) Beneath my dignity”. Enig aandringen van de uitgever, wellicht vergezeld van een verhoging van de prijs, konden hem in april 1965 – toen de productie van de film al een tijdje bezig was – echter alsnog overhalen het scenario te lezen. Waarna Asimov nog steeds niet helemaal aan boord was: los van het feit dat de kern van het verhaal rond miniaturisatie draaide (iets wat volgens hem als biochemicus fysiek onmogelijk was) zat het scenario zijns inziens ook nog tjokvol gaten. Hij vroeg dus permissie om het boek te schrijven zoals híj het voor zich zag en kreeg die. Gevolg daarvan was onder andere dat die miniaturisatie véél beter uitgewerkt werd dan in het filmscenario, dat er aandacht besteed werd aan de effecten die die miniaturisatie op de tijd zou hebben, en… dat er geen losse eindjes, in casu (daar kom ik straks nog op terug) het wrak van de Proteus en het lijk van de saboteur, achter zouden blijven. Asimov begon uiteindelijk op 31 mei 1965 aan het schrijven van het boek en was daarmee klaar op 23 juli van datzelfde jaar (niet slecht voor een boek dat tweehonderddertig bladzijden dik is).

Gevolg was dat zowel de paperback-editie als de hardcover-editie (die er kwam op uitdrukkelijk verzoek van Asimov, die niet wou dat zijn boeken alleen als paperback verschenen) op de markt beschikbaar kwamen vóór de film in de bioscoopzalen te zien was. Dat laatste, te wijten aan problemen bij de productie, gebeurde immers pas in augustus 1966, terwijl zelfs de hardcover er al in maart van dat jaar was. Daardoor dacht het grote publiek dat de film gebaseerd was op het boek van Asimov, iets wat kennelijk nogal pijnlijk was voor Otto Klement: Asimov moest het stellen met het geld dat hij gekregen had voor het omzetten van het scenario in een boek, maar kreeg geen royalties gezien de rechten op het oorspronkelijke verhaal in handen van Klement bleven. Tegen de tijd dat de hardcover-editie verscheen, wist een andere uitgever Klement er echter van te overtuigen toch een kwart van de royalties aan Asimov te geven en nadat Klement zelf met The Saturday Evening Post had onderhandeld om het sterk ingekorte verhaal van Asimov in episodes te publiceren, mocht Asimov rekenen op de helft van de betaling daarvoor.

Waarmee we er zijn wat die eigenaardige introductie door Otto Klement betreft, maar nog niet wat de rest van de Fantastic Voyage en de rol van Asimov daarin aangaat. Asimov was namelijk nog niet tevreden met zijn werk: hij had dan wel een aantal aanpassingen mogen doen aan het scenario, maar als z’n eigen creatie kon hij het boek niet beschouwen. ‘Toevallig’ kreeg hij in 1984 de vraag een – jawel – Fantastic Voyage II te schrijven, waarvan dan een film zou gemaakt worden. De plannenmakers hadden zelfs al een “suggested outline” geschreven, maar Asimov zag die “outline” absoluut niet zitten, dus ging de opdracht naar Philip José Farmer, vooral bekend van de reeksen World of Tiers en Riverworld, die inderdaad een verhaal schreef dat dicht tegen die “outline” aanzat, maar dat verworpen werd, ondanks het feit dat Asimov aandrong het aan te nemen. Waarop Asimov dan maar weer zelf aan de slag ging en in 1987 bij zijn vaste uitgever (Doubleday) Fantastic Voyage II: Destination Brain verscheen, dat echter ondanks die ‘II’ géén vervolg was op Fantastic Voyage, maar een volledig nieuw, van het origineel losstaand verhaal, een ‘reboot’. Geen vervolg en ook geen voer voor een film, zo bleek. Alhoewel… sinds op zijn laatst 1997 spookt het maken van een remake (een reboot misschien?) kennelijk door het hoofd van James Cameron (u onder andere bekend van Aliens, The Abyss, Terminator, Titanic en de Avatar-serie) en die liet in april van dit jaar nog weten dat hij toch nog van plan zou zijn “very soon” met het project van start te gaan. Wat dan weer geheel losstaat van het uit 2001 daterende boek Fantastic Voyage: Microcosm van Kevin James Anderson, een science-fictionauteur die vooral bekend is als schrijver van spin-offs voor onder andere Star Wars en The X-Files en samen met Brian Herbert de series Prelude to Dune, Legends of Dune, Dune 7, Heroes of Dune, Great Schools of Dune, en The Caladan Trilogy heeft geschreven en zo een imperiumpje heeft opgebouwd op de roem die Herberts vader, Frank Herbert, wist te vergaren met de oorspronkelijke Duin-serie.

Een hele historie, inderdaad, en we zijn nog niet verder gekomen dan de intro door Otto Klement. We zullen het dus wat de inhoud betreft kort houden: een Russische geleerde, een specialist op het vlak van de al genoemde miniaturisatie, loopt over naar ‘het Westen’, maar wordt kort na zijn aankomst neergeschoten door “de Andere Zijde”. Hij overleeft het, maar een bloedklonter in zijn hersenen dreigt hem alsnog te doden. Die bloedklonter kan niet vanaf de buitenkant weggehaald worden, dus zit er niks anders op dan het vanaf de binnenkant te doen. Een binnenkant die – om in het thema te blijven – alleen maar kan bereikt worden door een team van mensen te miniaturiseren, een nooit eerder ondernomen experiment, en hen in een eveneens geminiaturiseerde duikboot de bloedbanen van de geleerde in te sturen om daar met een laser de bloedklonter te vernietigen. Op zich al goed voor een spannend avontuur, natuurlijk, een soort Il était une fois... la Vie, voor zij die zich die tekenfilmserie uit 1986 nog zouden herinneren, maar het kan altijd nog beter. Onze Russische geleerde is namelijk niet zomaar specialist op vlak van miniaturisatie: er kan nog heel wat aan verbeterd worden. Onder andere de duur ervan. Als het team, geleid door special agent Charles Grant (aan boord omdat men vermoedt dat een van de andere bemanningsleden óók wel eens voor ‘de vijand’ zou kunnen werken), ingespoten wordt in de geleerde heeft het namelijk slechts zestig minuten om zijn opdracht uit te voeren. Zestig minuten die, na de ingreep van Asimov, langer (lijken te) duren voor wie geminiaturiseerd is dan voor wie dat niet is, maar desalniettemin amper zestig minuten. Kwartiertje om vanaf het beginpunt de bloedklonter te bereiken, kwartiertje om daar het werk te doen, kwartiertje om terug te keren naar het beginpunt, kwartiertje om rustig uit het lichaam verwijderd te worden, dat alles vóór de duikboot en de bemanning weer hun oorspronkelijke grootte aannemen, wat zo niet hún dood dan toch minstens de dood van de geleerde zou betekenen en dus niet de bedoeling is. Tijd met hopen, ware het niet dat de wet van Murphy ook binnen de geleerde voluit van toepassing is – af en toe wat gestimuleerd door de saboteur uiteraard – en alles wat kán misgaan ook wel degelijk misgaat. Reisdoel: menselijk brein wordt daarmee toch wel een uniek fenomeen: een technisch-medische science fiction race tegen de klok. Met daarbovenop een detectiveverhaal, want Grant moet er in die zestig minuten ook nog achter zien te komen wie de saboteur is (en in de eerste plaats óf er wel een is), gezien die dat uiteraard niet zelf zal laten weten en er eveneens alles aan zal doen om het er zelf ook levend van af te brengen. Plus - het kan niet allemaal ernst zijn – een portie romantiek (uitgaand van onze special agent met als onderwerp de enige vrouw aan boord – o jawel, er is een vrouw aan boord!) én hier en daar wat filosofie, een element waarvan ik vermoed dat Asimov het er zelf ingestoken heeft (ik heb de film nooit gezien).

Filosofie over de vertechnisering (toen al) bijvoorbeeld: “We leven in een elektronisch tijdperk, Grant. Alles wat we doen, doen we met onze op transistors levende bedienden in de hand. Elke vijand die we hebben, verjagen we door manipulaties met stromen elektronen. We hadden de route op elke denkbare wijze beveiligd, maar uitsluitend tegen elektronische vijanden. We hebben geen rekening gehouden met een auto met een levende man aan het stuur, of met geweren met levende mannen aan de trekkers.” Of over gevaarlijke uitvindingen: “Carter interrumpeerde: ‘(…) We maken dit soort dingen al mee sinds de uitvinding van de atoombom. Er zijn altijd mensen die denken dat nieuwe gevaarlijke ontdekkingen, door geheimhouding genegeerd kunnen worden. Maar ze vergeten dat op een bepaald moment de tijd rijp is voor iets nieuws en dat je dat niet tegen kunt gaan. Als Benes was gestorven zou de formule voor ongelimiteerde miniaturisatie volgend jaar zijn gevonden of over vijf jaar of iets dergelijks. Alleen zouden Zij in dat geval de eersten geweest kunnen zijn.’ ‘En nu zijn Wij de eersten,’ zei Grant, ‘en wat gaan Wij ermee doen? Ons einde zoeken in een laatste oorlog? Misschien had (...) wel gelijk.’ Carter zei droog: ‘Of misschien zal het gezonde, menselijke verstand aan beide zijden zegevieren. Tot dusver is dat het geval geweest.’” Of, ten slotte, zelfs over de ziel, wanneer twee wetenschappers daarover discussiëren: “‘(…) Waar is de menselijke ziel Duval?’ ‘Omdat ik je die niet kan aanwijzen denk je zeker dat die niet bestaat?’ vroeg Duval. ‘Waar is het genie van Benes? Je zit nu in zijn brein. Wijs me zijn genie maar aan.’”

En dat alles te midden van passages langs watermoleculen, rode bloedlichaampjes, witte bloedcellen, enzovoort: “Het was kolossaal groot, melkachtig van kleur en pulserend. Het was granuleus en in de melkachtige massa zaten zwarte glittertjes, flonkerende stukjes die zo diepzwart waren, dat zij leken te gloeien met een onwezenlijk en verblindend licht. In het binnenste van de massa bevond zich een donkere plek, vaag zichtbaar door de melkachtige omgeving, die een vaste, onveranderlijke vorm had. De omtrekken van het hele ding waren niet goed te onderscheiden, maar plotseling strekte het een melkachtige arm uit in de richting van de slagaderwand en de massa scheen daar in te vloeien. Het was niet duidelijk meer te zien omdat het aan het gezicht werd onttrokken door de voorwerpen dichterbij. ‘Wat was dat in vredesnaam?’ vroeg Grant. ‘Een witte bloedcel natuurlijk. Er zijn er niet zoveel van; tenminste niet in vergelijking met de rode bloedlichaampjes. Er zijn ongeveer zeshonderdvijftig rode tegen één witte. De witte zijn echter veel groter en zij kunnen zich niet zelfstandig verplaatsen. Sommige kunnen zich zelfs helemaal uit een bloedvat werken. Het zijn vreesaanjagende dingen als je ze op deze schaal ziet.” Van de beschrijving van hele universa van sterren naar het universum binnen elk van ons, Asimov blijft een meester in de levend(ig)e beschrijving ervan. Zoals hij ook niet nalaat de lezer zélf aan te zetten tot wat nader onderzoek: “De biofysica van Belinski begrijp ik geloof ik wel, maar zijn wiskunde is me te machtig.”; “De beweging van Brown”; “De wetten van de hydrodynamica”; “Valvula tricuspidalis vooruit.”; “Van der Waals-krachten”; een paar regels uit The Prelude van William Wordsworth;… Enige uitleg krijg je er wel bij, wat de wetenschappelijke termen betreft in een Appendix achteraan in het boek, maar toch ook wel wat goesting om er zelf eens verder in te duiken, niet?

Wat me bij de manier brengt waarop hoofdstuk 11 eindigt: “Reid zei: ‘Ik vermoed dat het een of andere mechanische storing is.’ ‘Jij vermoedt! zei Carter met bijtend sarcasme. ‘Ik denk niet dat ze gestopt zijn om eens rustig te gaan zwemmen.’”. Waarna hij hoofdstuk 12 begint met: “Alle vier, Michaels, Duval, Cora en Grant, hadden nu hun nauwsluitende, antiseptische witte zwempakken aan. Ze hadden allemaal een zuurstofcilinder op hun rug, een schijnwerper op hun voorhoofd, zwemvliezen aan hun voeten en een radiozender en ontvanger aan hun respectieve monden en oren. ‘Je zou het kunnen vergelijken met onderwatersport,’ zei Michaels, terwijl hij zijn helm recht zette, ‘en ik heb nog nooit aan onderwatersport gedaan. Om het dan voor het eerst te moeten doen in iemands bloedbaan…’” Zeer tongue in cheek, van de ene bloedernstige passage naar een andere gaand, maar onbetwistbaar hilarisch.

In tegenstelling tot Asimovs kennis van de actuele stand van de wetenschap. Pas in 1959 had Albert Hibbs aan Richard Feynman - wiens naam u ook zal aantreffen in het door mij onlangs besproken Waarom niemand kwantum begrijpt van Frank Verstraete en Céline Broeckaert en Ruimte voor vrijheid van Gerard Bodifée - gesuggereerd dat er misschien een medisch gebruik van zijn theoretische micromachines mogelijk was, een idee dat Feynman opnam in zijn in datzelfde jaar gepubliceerde essay There’s Plenty of Room at the Bottom, maar Asimov liet het in 1965 al zeggen door een van zijn personages: “Misschien kunnen kleine huishoudrobots door de bloedvaten worden gestuurd om de rommel op te ruimen. Of misschien kan elk mens op jeugdige leeftijd worden ingespoten met een permanent leger van zulke bloedvatschoonmakers (…)”. De nanobots dus, die volgens velen nog steeds tot het rijk van de science fiction behoren, maar in de wetenschappelijke wereld al lang geen fictie meer zijn.

Soit, afsluiten doe ik graag met een knipoog van Asimov naar zijn collega Robert A. Heinlein, die ik ook al noemde in mijn recente bespreking van John Vermeulens De binaire joker en uiteraard mijn bespreking van Heinleins Het getal van het beest, waarin die laatste overigens ook knipoogt naar Asimov. Als Asimov namelijk schrijft over “een grijpermechanisme”, dat “een gigantische waldo [is], zo genoemd door enkele der eerste kerngeleerden naar een figuur uit een science fiction verhaal uit omstreeks 1940”, dan verwijst hij naar het kortverhaal Waldo dat in augustus 1942 gepubliceerd werd in Astounding Magazine, het blad waarin vanaf dat jaar ook Asimovs Foundation-trilogie in episodes verscheen. Een kortverhaal gepubliceerd onder de schrijversnaam Anson MacDonald, maar sinds 1950 in boekvorm (Waldo and Magic, Inc.) verkrijgbaar met de naam Robert A. Heinlein op de cover. Voor ik mezelf dáár weer in verlies, ga ik deze boekbespreking afsluiten.

Björn Roose

dinsdag 12 april 2022

Opnieuw de Zwarte Weduwnaars – Isaac Asimov (boekbespreking door Björn Roose)

Opnieuw de Zwarte Weduwnaars – Isaac Asimov (boekbespreking door Björn Roose)
Isaac Asimov nog voorstellen, lijkt me na alle besprekingen van werken van de auteur die ik al eerder gepubliceerd heb volkomen overbodig. Wie nu nóg niet weet wie Asimov is, kan daar ongetwijfeld achter komen door op deze link te klikken en daar kennis te maken met De dreiging van Callisto, De grote zon van Mercurius, Bicentennial Man/Positronisch brein, De sprekende steen, De totale robot, Een oceaan van sterren, Foundation/Foundation en Keizerrijk/Tweede Foundation, Goud, Het einde van Eeuwigheid, en Nemesis, zijnde de boeken van Asimov waar ik het tot nog toe al over gehad heb.

Wie zelfs maar naar de titels kijkt, zonder de boeken of de besprekingen ervan gelezen te hebben, zal wellicht ook tot de conclusie komen dat die zich (bijna) allemaal in het science-fictiongenre bevinden, wat toch minder het geval zal zijn bij het lezen van een titel als Opnieuw de Zwarte Weduwnaars. En dat is zeker wat dat laatste betreft een correcte aanname: Opnieuw de Zwarte Weduwnaars is géén science-fictionboek. Wat het echter óók niet is, is een misdaadroman, terwijl de voorpagina daar toch enigszins op lijkt te wijzen. Op die voorpagina staat namelijk, tussen de naam van de auteur en de titel van het boek in, het woord “misdaad”, terwijl van de verhalen in deze bundel er amper een drietal zijn die zijdelings met een misdaad te maken hebben.

Maar goed, ik heb zelden een boek gezien waarvan de flappen zó weinig te maken hebben met de inhoud. Op die flappen is er namelijk niet alleen wat dat “misdaad” betreft maar met de pet naar gegooid. Bij Het Spectrum vond men er kennelijk niets anders op dan als omslagfoto een over een strand golvende zee te gebruiken – een beeld dat noch letterlijk noch figuurlijk op wat voor manier dan ook met enig onderdeel van het boek verbonden is –, maar huurde men voor het schrijven van de achterflap ook nog een nitwit in die glashard aantoont dat hij niet wist wat er exact in het boek zou komen. Ten eerste beweert ook hij dat de verhalen in Opnieuw de Zwarte Weduwnaars “misdaadverhalen” zijn, ten tweede stelt hij (in een van de amper drie zinnen die hij geschreven heeft): “Deze bundel bevat tien verhalen”. Telt u even mee? Zonder dat iemand vervolgt, Sneller dan het oog, Het ijzeren kleinood, De drie getallen, Moord?, Verboden te roken, Prettige Feestdagen!, Het enige echte oosten, Aardondergang en avondster, Vrijdag de dertiende, De onverkorte uitgave, en De grootste misdaad aller tijden. Dat zijn er geen tien, dat zijn er twaalf. En de nummering van dat dozijn wordt bovendien meegegeven in de titels van de verhalen.

Enfin, misschien hebben ze bij Het Spectrum zo’n schertsfiguur van een achterflapper moeten aantrekken omdat Asimov het in z’n eigen Voorwoord vertikt om zélf uitleg te geven over de Zwarte Weduwnaars: “Ik geloof niet dat er nog veel méér te zeggen valt over de club van de Zwarte Weduwnaars dan wat ik al gezegd heb in De Zwarte Weduwnaars. Dat was het eerste boek in deze serie en het boek dat u nu in handen hebt, is het tweede. In het eerste boek heb ik al uitgelegd dat de club van de Zwarte Weduwnaars geïnspireerd is op een werkelijk bestaande club waarvan ik zelf lid ben, namelijk de Metselspinnen. Daarover zal ik hier niet verder uitweiden, want als u De Zwarte Weduwnaars gelezen hebt, zou ik u maar vervelen met die herhaling, en als u het niet gelezen hebt, laat ik u liever in het ongewisse zodat u er wellicht toe aangezet zult worden het eerste boek te kopen om zodoende uw schade in te halen.” Dat kan je natuurlijk al evenmin op een achterflap zetten, met dat verschil dat zelfs als Asimov niks te melden heeft hij dit met verve doet. En dat je meteen ook verneemt dat je de stem van de auteur ook láter in het boek nog zal tegenkomen: “(…) voor het geval u zich al te vlug mocht verheugen van me af te zijn, moet ik u waarschuwen dat ik nogmaals aan het woord zal komen in een kort nawoord aan het eind van elk verhaal.”

Helemaal op het einde van het boek – waar anders? – volgt er trouwens nog een paragraafje (geen officieel “nawoord”) waarin Asimov wél herhaalt wat hij in het eerste boek uit de serie, Tales of the Black Widowers, in het Nederlands De Zwarte Weduwnaars getiteld, geschreven heeft: “Ik zal nog meer Zwarte Weduwnaarsverhalen schrijven.” En dat gebeurde ook: na Tales of the Black Widowers en More Tales of the Black Widowers (in het Nederlands Opnieuw de Zwarte Weduwnaars) volgden Casebook of the Black Widowers, Banquets of the Black Widowers, Puzzles of the Black Widowers, en het na zijn dood gepubliceerde The Return of the Black Widowers. Daarvan werd – voor zover ik weet – helaas alleen Casebook of the Black Widowers nog uitgegeven in het Nederlands, en wel onder de titel Het dossier van de Zwarte Weduwnaars. Maar dat moet ik, ook al helaas, missen in mijn collectie, net zoals de “afleveringen” die alleen maar in het Engels verschenen. Wetende dat Asimov meer dan 500 boeken heeft geschreven, is het uiteraard niet beschamend er daarvan een aantal niet in collectie te hebben, maar dat veertiental dat ik wél in mijn boekenkasten heb staan, lijkt me nóg magerder na het opzoekingswerk dat ik voor deze boekbespreking gedaan heb.

Nu goed, om even verder te gaan op dat niet geschreven “nawoord”, de tussenkomsten van de auteur op het einde van elk verhaal hebben wél telkens de titel Nawoord gekregen en ze voegen telkens ook wat extra waarde toe aan de verhalen. Over hoe Asimov op het idee van het verhaal kwam, bijvoorbeeld, of in welk magazine het oorspronkelijk gepubliceerd werd (een aantal van de verhalen werden ook geweigerd en werden niet eerder dan in deze bundel gepubliceerd), of over de auteur zelf: “Men vraagt mij wel eens of ik model heb gestaan voor een van de leden van de Zwarte Weduwnaars. Het antwoord is, nee! Absoluut niet!” “Ik was een vurig bewonderaar van die verhalen [Father Brown, noot van mij, verhalen die ik hier besproken heb], ook al vond ik Chestertons filosofie een tikkeltje irritant, en bij het schrijven van ‘Sneller dan het oog’ ben ik sterk beïnvloed door het grote klassieke werk van Chesterton, The Invisible Man.” “J.R.R. Tolkien stierf op 2 september 1973. Ik bevond me toentertijd in Toronto waar ik de eenendertigste World Science Fiction Convention bijwoonde, en ik was diep geschokt door het nieuws. Maar op dezelfde dag dat ik hoorde dat hij gestorven was, werd mij de Hugo toegekend voor mijn science fictionroman The Gods Themselves en ik voelde me gelukkig, of ik wilde of niet. Toen Tolkien stierf had ik zijn In de Ban van de Ring al driemaal gelezen (nadien heb ik het nog een vierde keer gelezen) en ik had er elke keer méér van genoten. Ik had het gevoel dat de enige manier waarop ik boete kon doen voor het feit dat ik me op die droeve dag gelukkig had gevoeld, bestond uit het schrijven van een verhaal ter nagedachtenis aan hem. En dus schreef ik ‘Moord?’” Of, ten slotte, “(…) ik beleef het dubbele genoegen van eerst de kern van het raadsel te bedenken en die dan zo goed mogelijk in het verhaal te verwerken zonder oneerlijk tegenover de lezer te zijn.” En die “kern van het raadsel”, die komt er – aldus het niét als “nawoord” aangeduide nawoord – zo’n beetje vanzelf: “Het is nu zover dat vrijwel alles wat ik zie of doe als het ware automatisch door een soort speciale pijpleiding in mijn geest gevoerd wordt om te zien of er aan het einde van de leiding misschien niet een intrige voor een Zwarte Weduwnaarsverhaal te voorschijn komt.”

Over die intriges kan ik u natuurlijk niks vertellen (‘t is te zeggen, ik kán dat wel, maar ik doe het niet), behalve dat ze er zijn en dat die “soort speciale pijpleiding” verdomd goed werkt. Ik ben op dit moment – tsja, ik kan nooit zo snel boeken bespreken als ik ze lees, en loop dus weer een boek of vier achter wat bespreken betreft – een bundel kortverhalen van een nog levend Vlaams schrijver aan het lezen en in zo goed als élk van de verhalen zie je de clue van een half uur ver aankomen: in Opnieuw de Zwarte Weduwnaars gebeurt dat dus nooit. Tenzij dan in de zin dat je altijd weet wié het raadsel zal oplossen of minstens de definitieve aanzet tot de oplossing zal geven: de ober. De rest van de club, jurist Geoffrey ‘Jeff’ Avalon, wiskundeleraar Roger Halsted, kunstschilder Mario Gonzalo, code-expert Tom Trumbull, scheikundige James Drake, en detectiveschrijver Emmanuel ‘Manny’ Rubin, laten zich op hun maandelijkse etentjes wel door hem bedienen, maar Henry (de enige van wie we overigens geen familienaam te weten komen) maakt, zoals ze telkens weer benadrukken, wel deel uit van hun club en mag – soms voortbouwend op wat de rest van de club te berde heeft gebracht, soms vertrekkend vanuit een geheel eigen standpunt – telkens weer de oplossing van het raadsel onthullen.

Maar wie brengt die raadsels dan aan? De gasten op die maandelijkse etentjes, telkens één exemplaar, naar voor geschoven door een van de heren, soms omdat die al vernomen heeft wat het raadsel is, soms omdat het hem gewoon interessant lijkt de man (het zijn altijd mannen, dat was nu eenmaal zo in een club) aan een “kruisverhoor” te onderwerpen. En zo krijgen de Zwarte Weduwnaars, en de lezers, in volgorde voorgeschoteld: Mortimer Stellar (een schrijver van “populair-wetenschappelijke boeken en artikelen”, waarin toch wel een en ander herkenbaar is als Asimov en andere schrijvers), Robert Alford Bunsen (“een regeringsfunctionaris”), Latimer Reed (juwelier), Samuel Puntsch (natuurkundige en werkzaam bij dezelfde firma als James Drake), Grigori Deryasjkin (een Sovjet-wetenschapper op bezoek in de Verenigde Staten), Hilary Evans (als recruiter actief bij een beleggingsmaatschappij), Rexford Brown (postkaartenproducent en, samen met zijn echtgenote, -verzamelaar), Ralph Murdock (“ouderling van de kerk van de Discipelen der Heiligheid”, “een klein genootschap, volkomen onbelangrijk in de ogen der wereld; maar de instemming van de wereld is ook niet waar wij naar streven”), Jean Servais (ontwerper van maankolonies), Evan Fletcher (“econoom aan de universiteit van Pennyslvania”), Jason Leominister (genealoog), en Ronald Mason (lid van de Baker Street Irregulars, “een groep Sherlock Holmesfans” waartoe ook Asimov zelf behoorde).

Verder gaan citeren uit de verschillende verhalen zou mogelijk delen van de plots weggeven (en die zijn in kortverhalen toch wel belangrijk) en dat ga ik dus, zoals gezegd, niet doen, maar ik eindig deze boekbespreking graag met twee korte citaatjes. Een uit De onverkorte uitgave betreffende het eten aan de maandelijkse dis: “‘Dit ding ziet eruit als een loempia. Wat is het, Henry?’ ‘Het is een loempia, meneer.’ ‘Wat doet die hier?’”. En een uit Aardondergang en avondster betreffende een schrijver die verondersteld wordt een vriend van Emmanuel Rubin te zijn, maar van wie hij meteen zegt dat hij dat niet is, alleen maar iemand die hij “af en toe een handje [helpt] als hij met een of ander elementair wetenschappelijk probleem in zijn maag zit”, een zekere… Isaac Asimov. “Was hij degeen van wie je eens verteld hebt dat hij de Columbia Encyclopedie altijd bij zich had omdat zijn naam erin voorkwam?”, vraagt kunstschilder Mario Gonzalo. “Het is nu nog veel erger (…)”, antwoordt Emmanuel Rubin: “Hij heeft iemand van de Encyclopedia Britannica omgekocht om hem op te nemen [zie hier, noot van mij] in de nieuwe vijftiende editie en tegenwoordig sleept hij overal waar hij gaat dat hele gevaarte met zich mee.”

Als dat geen prachtig stukje zelfrelativering is, dan weet ik het ook niet meer. Maar het komt dan ook van een auteur die ook in dít boek weer aantoont dat je wetenschappelijke zaken niet alleen kan interessant maken voor mensen die leek zijn in die dingen, maar ze ook weet uit te leggen – als onderdeel van de intrige, uiteraard – op een manier die begrijpelijk is voor diezelfde leek. Een portie geschiedenis, astronomie, literatuur, aardrijkskunde, of een kort overzicht van de evolutie van onze kalenders, zijn het soort “extra’s” dat je niet verwacht bij – laat ze ons dan maar zo noemen – detectiveverhalen (en niet “mysterieverhalen” zoals vertaler W.D. Holleman “mystery books” af en toe vertaald heeft), maar die bij Isaac Asimov vanzelfsprekend zijn.

Wéér een aanrader dus, dit Opnieuw de Zwarte Weduwnaars.

Björn Roose

vrijdag 22 oktober 2021

Nemesis – Isaac Asimov (boekbespreking door Björn Roose)

Nemesis – Isaac Asimov (boekbespreking door Björn Roose)
Intussen heb ik toch al flink wat boeken besproken van Isaac Asimov, een auteur die ik als een van mijn all time favorieten durf te beschouwen: De dreiging van Callisto, De grote zon van Mercurius, Bicentennial Man/Positronisch brein, De sprekende steen, De totale robot, Een oceaan van sterren, de zogenaamde Foundation-trilogie, Goud, en twee weken terug nog Het einde van Eeuwigheid. Al die boeken vallen te beschouwen als science fiction – al valt De sprekende steen ook onder het detective-genre – en dat is ook het geval met Nemesis, een boek dat op de achterflap als uitleg onder andere meekrijgt: “Voor het eerst sinds zeventien jaar schreef deze levende legende [Asimov dus, noot van mij] en een van de belangrijkste vormgevers van de harde wetenschappelijke lijn in de moderne science fiction een spraakmakende roman waarin noch de Foundation, noch zijn befaamde robots een rol spelen. Kortom een volledig nieuw monument in het werk van deze grootmeester.”

Nu, wat die “harde wetenschappelijke lijn” betreft: die ‘science’ in ‘science fiction’ staat daar niet voor niks, hè? Maar potentiële lezers hoeven nu ook niet meteen bang te wezen dat ze overdonderd zullen worden door ‘de’ wetenschap. Zeker niet op de wijze waarmee ze sinds meer dan anderhalf jaar overdonderd worden door zogenaamde ‘experten’ en even zogenaamde ‘leiders’ aangaande het o zo dodelijke covid-19. Die ‘experten’ en ‘leiders’ gebruiken alleen maar netjes geselecteerde stukjes science om een totale fiction te creëren, waardoor u braaf, slaafs bijna, doet wat zij u “aanraden” te doen en veroordeelt wie nog niét zo gek is (het thema van angst om “de parasieten en ziekteverwekkers van iemand anders te importeren” komt overigens ook in dit boek van Asimov weer even aan bod). Nee, de “harde wetenschappelijke lijn” wil in de verhalen van Isaac Asimov hoogstens zeggen dat de fictie gebaseerd is op de huidige (intussen uiteraard toenmalige, want het boek verscheen oorspronkelijk in 1989) wetenschappelijke stand van zaken en mogelijke ontwikkelingen daarvan in de toekomst en dat ‘de’ wetenschap ook niet uit de weg gegaan wordt in de ontwikkeling van het plot. In tegendeel, in, bijvoorbeeld, Nemesis speelt ‘de’ wetenschap een voorname rol: wetenschappers ontdekken dat er tussen ons zonnestelsel en Alpha Centauri (voor zover we op dit moment weten de dichtstbijzijnde ster) een andere ster hangt, Nemesis. Wetenschappers ontwikkelen een aandrijving die toelaat via de “hyperruimte” aan snelheden net onder of boven die van het licht te reizen, wat toelaat Nemesis te bereiken in een tweetal jaar. Wetenschappers ontdekken dat Nemesis, ondanks het feit dat de ster (een rode dwerg verborgen acher een enorme stofwolk) nog niet zichtbaar is van op de Aarde, op onze planeet afkoerst. Wetenschappers komen tot de vaststelling dat Nemesis naar alle waarschijnlijkheid niét zal botsen met welke planeet in ons stelsel dan ook, wellicht evenmin met een asteroïde, maar dicht genoeg langs de Aarde zal reizen om het stelsel (tijdelijk) uit zijn evenwicht te brengen en de stand van de aardas zodanig zal beïnvloeden dat het leven op de planeet zal weggeveegd worden … als de vlucht naar de ruimte niet eerder kan georganiseerd worden. Wetenschappers slagen er in van het reizen aan lichtsnelheid oude koek te maken door een “superluminale” aandrijving te ontwikkelen. Wetenschappers vinden bij Nemesis een gasreus, uiteraard onbewoonbaar (minstens voor ons, mensen), en rond die gasreus cirkelend een maan … die wél bewoonbaar lijkt of toch minstens, met tijd en boterhammen, bewoonbaar zou kunnen gemaakt worden. Enter respectievelijk Megas en Erythro en exit de wetenschappers, want op Erythro is er toch wel iets dat niet zometeen onder wetenschappelijke noemers te vatten is, zeker?

En dan die blijde aankondiging dat in deze roman “noch de Foundation, noch zijn befaamde robots een rol spelen” … Alsof Doubleday, de oorspronkelijke uitgever van Nemesis, niet eerst twweeëndertig jaar aan Asimovs mouw heeft getrokken om toch asjeblief een vervolg te schrijven op de Foundation-trilogie. Alsof ze niet sowieso héél blij waren dat hij na een onderbreking van zo’n vijftien jaar tout court weer aan het schrijven van science fiction begon (in die vijftien jaar schreef hij nog wel detectives en vooral wetenschappelijk werk). Alsof het Foundation-universum en de robots eigenlijk op de zenuwen werkten van lezers en, daarmee, uitgevers. Nee, dan vind ik de inleiding, de Noot van de schrijver, bij het verhaal interessanter om lezen: “Dit boek is geen onderdeel van de Foundation-serie, de Robot-serie, of de Empire-serie. Het staat op zichzelf. Ik vond dat ik u maar beter kon waarschuwen om misverstanden te voorkomen. De kans is natuurlijk niet uitgesloten dat ik op een dag nog eens een roman schrijf die het onderhavige werk met de andere boeken verbindt, maar zeker is dat allerminst. Ik kan tenslotte niet eeuwig mijn hersens blijven pijnigen om de complexe structuren van de toekomstige geschiedenis uit te denken.”

Asimov excuséért zich dus voor het feit dat het boek geen deel uitmaakt van de voornoemde series in plaats van er prat op te gaan. Asimov excuseert zich daarentegen – volkomen terecht – niet voor zijn stijl: “Lang geleden heb ik me voorgenomen een fundamentele regel te volgen in alles wat ik schrijf – het moet helder zijn. Voor mij geen geëxperimenteer of gezoek naar een poëtische of symbolische stijl, of een van de andere stijlen waarmee ik, als ik goed genoeg was, de Pulitzerprijs zou kunnen winnen. Ik wil gewoon begrijpelijk schrijven en daardoor een warme verstandhouding met mijn lezers opbouwen. En de heren critici kunnen wat mij betreft de boom in.”

Waarna hij zich alsnog excuseert, niet tegenover de critici, maar nogmaals tegenover de lezer: “Ik vrees echter dat mijn verhalen zichzelf schrijven, en terwijl ik met dit verhaal bezig was merkte ik tot mijn ontzetting dat ik er twee verhaallijnen in verweefde. De ene reeks gebeurtenissen speelt zich af in het heden, en de andere reeks in het verleden, maar de tweede reeks nadert gestaag het heden. Ik weet zeker dat jullie het patroon zonder moeite zullen kunnen volgen, maar aangezien we allemaal vrienden zijn wilde ik het jullie even laten weten”. Geen probleem, zou ik zeggen, meester Asimov, de verhaallijnen waren zéér wel te volgen en dat van die verhalen die zichzelf lijken te schrijven, wisten lezers van Goud ook al.

Los van het wetenschappelijke element in Asimovs science fiction en los van het op zichzelf staan van het Nemesis-universum is er ook in dit boek trouwens weer plaats voor filosofie. Laat ons immers wel wezen: een schrijver zonder filosofie kan nooit tot een samenhangend verhaal komen. Alleen laat Asimov die filosofie, in tegenstelling tot vele andere schrijvers en net zoals hij met de wetenschappelijke aspecten doet, ook uitgesproken aan de oppervlakte van zijn verhaal komen. Bijvoorbeeld waar het idee rijst om de rond de aarde cirkelende “kolonies”, gigantische ruimteschepen met bevolkingen van ettelijke tienduizenden mensen, het ruime sop te laten kiezen en zelf te laten beslissen waar ze hun ankers weer zouden uitwerpen: “‘(…) Als de kolonies zich vrij konden vestigen zouden we binnen de kortste tijd opgescheept zitten met een mengelmoes van duizenden culturen, allemaal met hun eigen vooroordelen en misvattingen. En waar dat toe kan leiden kennen we maar al te goed uit de geschiedenis. Als we over genoeg tijd beschikten, zouden we een stelsel van kolonies kunnen bouwen die allemaal dezelfde cultuur en ecologie hebben. Dat zou veel beter zijn – minder chaotisch, minder anarchistisch.’ ‘Minder boeiend. Minder gevarieerd. Minder levend.’ ‘Absoluut niet. We zouden ons in verschillende richtingen ontwikkelen, daar ben ik van overtuigd. De verschillende kolonies zouden zich gaandeweg van elkaar onderscheiden, maar er zou in ieder geval een gemeenschappelijke basis zijn. Misschien heb ik het mis; maar vind je ook niet dat we het op z’n minst moeten proberen? Waarom niet het experiment wagen en zien of het werkt? Deze ster is er uitstekend geschikt voor, het is een rode dwerg die normaal gesproken door niemand een tweede blik waardig gekeurd zou worden. We kunnen haar gebruiken om een nieuw soort samenleving op te bouwen, en misschien een betere.’” Maar ook in kleinere passages als deze: “Hij zweeg even en zei toen: ‘Ik weet iets dat je zinnen zal verzetten. Je bent toch sterrenkundige, niet?’ Ze keek hem aan en zei lusteloos: ‘Dat weet je.’ ‘Dat betekent dus dat je nooit naar de sterren kijkt, want sterrenkundigen turen alleen maar naar hun instrumenten (…)’”. Of zaken die filosofisch worden omdat ze bekeken worden vanuit een verre toekomst: “De kalender was ook een herinnering aan een herinnering, maar dat nam niet weg dat de kolonies er nog steeds gebruik van maakten, ondanks het feit dat de kolonies geen seizoenen kenden. Bovendien deden de kolonies rond Mars en in de asteroïdengordel er langer dan een jaar over om een omloop rond de zon te voltooien, en het zou dus logischer zijn als ze een eigen jaartelling aanhielden. Maar ook daar werd de aardse kalender gebruikt. (…) Er waren in de kolonies wel pogingen gedaan om een nieuw systeem in te voeren, dat eruit bestond de dagen eenvoudig een nummer te geven en ze samen te brengen in groepen van tien, zodat je millidagen, centidagen, decidagen en hectodagen kreeg, maar dat was onpraktisch gebleken. En dat was maar goed ook, want als elke kolonie er een eigen tijdrekening op na was gaan houden zou de chaos in het handelsverkeer en de communicatie niet te overzien zijn geweest. Het enige systeem dat voor iedereen aanvaardbaar was, was de kalender van de aarde, waar nog altijd negenennegentig procent van de mensheid woonde.” En dan, ten slotte, deze in essentie grappige passage over de quasi alleenheerser Janus Pitt die af en toe wel eens niét alleen zou willen heersen, maar natuurlijk niet meer in die mogelijkheid is: “Er waren (…) tijden dat hij gebukt ging onder het feit dat de Rotoriërs maar al te bereid bleken al de onplezierige beslissingen aan hem over te laten. Er was natuurlijk een raad, waarvan de leden democratisch gekozen waren, en de raadsleden hielden zich gewetensvol bezig met wet- en regelgeving en het nemen van alle beslissingen – behalve de beslissingen die werkelijk belangrijk waren. Die werden aan hem overgelaten. Ze waren er zich niet eens bewust van dat ze de verantwoording afschoven. De belangrijke zaken werden eenvoudig genegeerd, ze deden gewoon alsof die niet bestonden, het was alsof ze stilzwijgend overeen waren gekomen daar niet over te praten.” Wat dan ook precies is wat kan verwacht worden als je de belangrijke beslissingen voor mensen gaat nemen: net dié zouden ze zelf moeten nemen en als ze afgeleerd worden dat te doen, zullen ze het ook in de toekomst niet meer doen.

Dat gezegd zijnde: Nemesis is, ook los van zijn 460 bladzijden, een kanjer van een roman.

Björn Roose

vrijdag 8 oktober 2021

Het einde van Eeuwigheid – Isaac Asimov (boekbespreking door Björn Roose)

Het einde van Eeuwigheid – Isaac Asimov (boekbespreking door Björn Roose)
Om maar te beginnen met iets negatiefs, het enige negatieve dat ik te zeggen heb over dit boek: als u het koopt, koop het dan niét in de paperback versie, eerste druk augustus 1983, van Meulenhoff science fiction & fantasy. Die versie is kennelijk zó goed gelijmd dat het boek helemaal uiteengevallen was vooraleer ik het tot halverwege gelezen had…

Maar goed, dat zegt niks over Het einde van Eeuwigheid, noch over Isaac Asimov, want die laatste heeft met dit boek mogelijk niet z’n “beste roman na de Foundation-trilogie” (dixit de achterflap van het met spuug aan mekaar hangende boek) afgeleverd – ik zou het niet weten, want ik heb ze niet allemaal gelezen en Asimov heeft gewoon véél goeie boeken geschreven –, maar in ieder geval wel een dat leest als een trein, je in spanning houdt tot de laatste zin, en uitgebreid op een thema ingaat dat ondanks ruime aandacht ervoor in een aantal films (bijvoorbeeld de Back to the Future-serie) niks van z’n belang is kwijtgespeeld: tijdreizen.

Asimov heeft het er ook over in het hoofdstuk Tijdreizen in het eerder besproken Goud en noemt daarbij onder andere The End of Eternity ofte Het einde van Eeuwigheid en waar dat z’n ‘technische’ inspiratie vond: “Het eerste echte tijdreisverhaal was The Time Machine van H.G. Wells, uitgegeven in 1895. Wells is waarschijnlijk de beste science-fictionschrijver aller tijden. Hij legt zorgvuldig de achterliggende techniek uit. Er zijn vier dimensies nodig om een object te plaatsen: het bevindt zich ergens op de noord-zuid-as, ergens op de oost-west-as, ergens op de verticale as en ergens op de tijdas. Het bevindt zich niet alleen ergens in de driedimensionale ruimte, maar ook op een bepaald punt in de tijd (…) Aangezien tijdsduur even goed een dimensie is als hoogte, breedte en dikte, en omdat we naar wens naar het noorden, het zuiden, het oosten, het westen en (zij het alleen door te springen) omhoog en omlaag kunnen reizen, waarom zouden we dan niet naar gisteren en morgen kunnen reizen, wanneer we daarvoor een apparaat hebben gebouwd? Denk erom, dat was 1895 en Wells’ analyse bezat in die tijd een zekere mate van rechtvaardiging. Maar in 1905 kwam Einsteins relativiteitstheorie en het werd duidelijk dat tijd weliswaar een dimensie is, maar zich anders gedraagt dan de drie ruimtelijke dimensies en niet als zodanig kan worden beschouwd. En toch was Wells’ argumentatie zo innemend en de plots die erdoor mogelijk werden gemaakt zo aanlokkelijk, dat science-fictionschrijvers in de regel voorbijgaan aan Einstein en Wells aanhouden. Ik doe het zelf in The End of Eternity.” Meer nog, hij is zo slim om zijn personages zelfs de vraag te laten stellen hoe die vier dimensies in lijn kunnen gebracht worden zodat je niet eender waar uitkomt in een welbepaalde tijd.

Zoals hij z’n personages ook de vraag laat stellen naar én proefondervindelijk laat uitzoeken hoe het nu eigenlijk zit met die fameuze tijdparadox. “Het klassieke voorbeeld is”, zo schrijft hij in Goud, “Wat gebeurt er als je teruggaat naar het verleden en je grootvader vermoordt toen hij nog klein was? In dat geval is de moordenaar nooit geboren, dus wie heeft het jongetje dan vermoord?” Dat is ook exact het voorbeeld dat hij – uit “bepaalde vormen van escapistische literatuur” – aanhaalt als een van de personages in Het einde van Eeuwigheid vraagt aan hoofdpersonage Andrew Harlan hoe mensen in onze tijd dachten over tijdreizen. “Maar”, vervolgt hij in Goud, “zulke drastische stappen zijn helemaal niet nodig. Wat gebeurt er als je teruggaat en een van de kleine dingen verandert waardoor je vader en moeder elkaar ontmoetten, of verliefd werden nadat ze elkaar hadden ontmoet, of trouwden nadat ze op elkaar verliefd waren geworden? Stel dat je hen alleen maar stoort op hét cruciale moment waarop jij zou worden verwekt, zodat het pas de volgende avond gebeurt? Of misschien slechts vijf minuten later dan oorspronkelijk had moeten gebeuren, zodat een andere spermatozoa de eicel bevrucht, in plaats van degene die het had moeten doen. Dat zou ook al betekenen dat de persoon die de daad uitvoert, nooit zou bestaan? Dus wie zou de daad dan uitvoeren? Als je naar het verleden teruggaat zou in feit (sic) álles wat je doet grote veranderingen kunnen aanbrengen in wat erna gebeurt, misschien zelfs in alles wat erna gebeurt. De paradoxen die erop volgen zijn zo complex en hopeloos, de vernietiging van elk redelijk concept van causaliteit is zo gigantisch, dat de eenvoudigste manier die overblijft om te ontsnappen aan de irrationele chaos, is ervan uit te gaan dat echt tijdreizen onmogelijk is en dat altijd zal blijven.” George Michael zong ooit “Take me back in time / Maybe I can forget / Turn a different corner / And we never would have met”, maar het gevolg van dat inslaan van een andere straat zou met andere woorden net zo goed een atoomoorlog kunnen zijn en daarom kán tijdreizen simpelweg niet.

Tenzij, en daar zit de grote vondst van Asimov, degene die riskeert paradoxen te scheppen … buiten de tijd staat. En dat is precies waar Andrew Harlan en zijn collega “Eeuwigers” staan. “Eeuwigheid” is hier namelijk, als u me een zwakke poging om het met mijn eigen woorden te omschrijven wil vergeven, een soort metrostelsel waarbinnen je van de ene eeuw naar de andere kan reizen (en terug uiteraard), maar dat zich niet binnen die eeuwen bevindt. Vanuit de zelfgekozen haltes doen de tijdreizigers, beschermd door een soort mobiel, hen alleen omvattend mini-metrostelseltje (“een nimbus van fysitijd – om zo te zeggen, een wasem van Eeuwigheid”), uitstapjes in de tijd (“fysitijd” genoemd). Die uitstapjes doen ze in eerste orde om waar te nemen, in tweede orde om waar gewenst in te grijpen.

Dat waarnemen, het analyseren van de waarnemingen en het met een soort enorme computer berekenen van waarschijnlijkheden en veranderende waarschijnlijkheden ten gevolge van een bepaalde ingreep, is wat niet alleen de kans op tijdparadoxen moet beperken tot het minimum, maar ook het leven door de eeuwen heen zo aangenaam mogelijk moet maken. Via een “Minimaal Noodzakelijke Verandering” zo dicht mogelijk het gewenste resultaat benaderen zonder onvoorziene en ongewenste randeffecten in het tijdperk waarin ingegrepen wordt en alle eeuwen “optijds” daarvan is wat de “onzichtbare hand” van de “Eeuwigers” probeert te bereiken.

Op zich eigenlijk al stof genoeg om een dik boek mee te vullen, maar dat is pas het begin van het verhaal en van de filosofie erachter. Het lijkt me geen goed idee dat ik die filosofie ga uiteenzetten, maar ik geef u graag een paar elementen mee die daarin een rol spelen:

1) “Eeuwigers” mogen nooit meer naar hun “honktijd” terug omdat dat simpelweg niet eens meer mogelijk is. Door de veranderingen die zij en hun collega’s doorvoeren bestaat die “honktijd” immers niet meer zoals ze die gekend hebben en mogelijk zouden zij, of beter hun “analoog” niet eens meer bestaan in die “honktijd” (nog los van het feit dat de “Eeuwigers”, zelfs de “Rekenaars” onder hen, er verre van zeker van zijn wat de risico’s zouden zijn als je jezelf tegen het lijf zou lopen);

2) Ruimtevaart komt steeds weer tot ontwikkeling en wordt telkens, al dan niet als bijkomend maar als onbelangrijk beschouwd effect, weer verwijderd uit de tijd. Dat het niet onbelangrijk ís, kan u afleiden uit het feit dat a) ik dit noem, b) de auteur het een aantal keer noemt, en c) diezelfde auteur een groot deel van zijn werken heeft besteed aan precies het reizen naar en tussen de sterren;

3) Kerntechnologie ondergaat hetzelfde lot als ruimtevaart: “Er ging geen fysijaar voorbij of ergens in Tijd koerste de kerntechnologie te dicht op het gevaar af en moest bijgestuurd worden”. Een voor het grootste deel door atoomoorlogen onleefbaar geworden planeet Aarde is trouwens een regelmatig terugkomend gegeven in de andere verhalen van Asimov, maar niet hier;

4) Vrouwen zijn een zwakke plek in “Eeuwigheid”. Ze blijken door alle eeuwen heen minder misbaar dan mannen, ze kunnen dus niet zomaar weggehaald worden uit hun tijd en overgebracht naar “Eeuwigheid”. Daar zijn er dan ook weinig en als ze er zijn lijken ze ongeluk te brengen voor wie aan boord van het schip is. Noÿs, het object van Andrew Harlans verliefdheid, vormt daarop geen uitzondering en is de concrete aanleiding voor de actie;

5) Onze tijd, de “primitieve”, de “curieuze, verdorven eeuwen die niet alleen voor het begin van Eeuwigheid in de 27e lagen, maar zelfs nog voor de uitvinding van het Tijdveld zelf in de 24e” speelt een cruciale rol in de opleiding van het hoofdpersonage en uiteindelijk ook in de afloop van het verhaal. In principe is die tijd ook onveranderlijk. Zoals Andrew Harlan aan “jonkie” Cooper uitlegt: “Wát iemand van ons ook doet, die blijft precies zoals hij altijd geweest is. Columbus en New York, Mussolini en Bonn, ze bestaan allemaal. Dat de woke-brigade zou proberen een aantal van die bestaande dingen op z’n minst à la 1984 uit ons collectief geheugen te wissen, had Asimov niet voorzien;

6) Binnen “Tijd” is niemand zich bewust van de “onzichtbare hand” van “Eeuwigheid”. Ja, soms groeit er enig besef dat er hulp is, maar dat besef beperkt zich tot de wetenschap dat er ook tussen de ene eeuw en de andere (ruil)handel gedreven kan worden. Áls de “Eeuwigers” die zelf opzetten, ten minste. Voor de rest brengt een ingreep van de “Eeuwigers” steeds een nieuwe, even echte werkelijkheid voor iedereen “optijds” van de verandering;

7) De mogelijkheden, niet de invloed, van de “Eeuwigers” beperkt zich tot “benedentijds” de 70,000ste eeuw. Bij de 150,000ste houdt alles op en om een of andere reden kunnen ze vanaf metrostation 70,000 niet meer “Tijd” in. Al die eeuwen daartussen worden aangeduid als de “Verborgen eeuwen”, maar de “Eeuwigers” hebben er geen flauw benul van waarom dat zo is en proberen zich er ook niet in te verdiepen. Niet onlogisch: hun macht houdt immers daar op;

8) En ten slotte het feit dat “Eeuwigheid” ook een product is van “Tijd”. “Eeuwigheid” is er niet altijd geweest. “Eeuwigheid” is geen “Oneindigheid”. En zelfs als “Eeuwigheid” als fenomeen een zeer goed bewaard geheim is, kan “Eeuwigheid” dus tenietgedaan worden. Met uiteraard weer een massa paradoxen tot gevolg.

Waarmee ik u nog géén antwoord gegeven heb op de vraag of iemand “Eeuwigheid” bewust zou willen om zeep helpen en waarom dan wel. Ik ga daar niet op antwoorden aan de hand van Het einde van Eeuwigheid, maar met een citaat uit Goethes Egmont: “Es dreht sich immer um den einen Punkt: ich soll leben, wie ich nicht leben mag. Dass ich fröhlich bin, die Sachen leicht nehme, rasch lebe, das ist mein Glück; und ich vertausch es nicht gegen die Sicherheit eines Totengewölbes. Ich habe nun zu der spanischen Lebensart nicht einen Blutstropfen in meinen Adern; nicht Lust, meine Schritte nach der neuen Hofkadenz zu mustern.

En daarmee sluit ik deze bespreking af. Ach nee, ook nog dit: lezen, dat einde van Eeuwigheid!

Björn Roose

vrijdag 24 september 2021

Goud – Isaac Asimov (boekbespreking door Björn Roose)

Goud – Isaac Asimov (boekbespreking door Björn Roose)
U kreeg al een voorschotje op de bespreking van Goud in mijn bespreking van de Foundation-trilogie, maar dat was uiteraard alleen maar zo omdat: 1) Goud ook over de Foundation-trilogie gaat; en 2) het in sommige gevallen interessant is een auteur iets te laten vertellen over zijn werk. “In sommige gevallen”, zeg ik wel, want een slecht boek blijft gewoon een slecht boek, zelfs al melkt de auteur er in een ander boek over door dat het toch zo goed is. Da’s gelukkig niet het geval met Isaac Asimov. De Foundation-trilogie is groots en Goud is op zijn beurt een bijzonder goed boek.

Al is het dan wel, eerlijk is eerlijk, een beetje een samenraapsel. Op de voorflap staat te lezen dat dit “De laatste verhalen van de meester van de moderne SF” (volgens Asimov zelf overigens niet te verwarren met “sci-fi”) zijn. Op de achterflap wordt al wat eerlijker reclame gemaakt: “een persoonlijk getinte verhalenbundel die een verhelderende blik gunt op het denkraam van een groot genrevernieuwer” en “Uit de verhalen in Goud, vernoemd naar het Nebula Award winnende titelverhaal, spreekt vooral vakmanschap, intelligentie en humor, uit Asimovs korte toelichtingen spreekt inlevingsvermogen (…)”. Maar in werkelijkheid bestaat nog niet de helft van dit boek uit wat de gemiddelde lezer (ik inbegrepen dus) zou verstaan onder “verhalen”.

De laatste verhalen” is de titel van Deel een van het boek en omvat naast Goud de kortverhalen Cal, Links naar rechts, Frustratie, Hallucinatie, Instabiliteit, Alexander de God, In het ravijn, Aarde vaarwel, Strijdlied, Feghoot en het hof, Fout-intolerantie, Kleine broer, Naties in de ruimte en De glimlach van de chipper. Deel twee, Over science fiction, en Deel drie, Over het schrijven van science fiction bevatten echter geen verhalen (noch kort noch lang), maar introducties, voorwoorden, editorialen, enzovoort. Zeker niet minder het lezen waard – in tegendeel –, maar ze mochten op z’n minst wel van enige toelichting voorzien zijn. Ik weet niet of ze dat in de oorspronkelijke uitgave Gold misschien wél waren, maar in de Nederlandse vertaling, verschenen bij J.M. Meulenhoff in 1995, is alleszins niks opgenomen met betrekking tot de tijdschriften of boeken waarin die stukken oorspronkelijk verschenen. Zeker is dat ze niet allemaal tot zijn “laatste” hoorden en voor veel lezers zal het er ook niet echt toe doen wanneer en waarin deze artikels eerst gedrukt werden, maar wie na het lezen ervan zin krijgt om de bundels of tijdschriften die er na volgden te lezen of te verzamelen – en die zin géven is doorgaans de bedoeling van dergelijke artikels – blijft op zijn honger zitten. Maar goed, wellicht voelden ze bij Meulenhoff (of bij The Isaac Asimov Estate dat Gold uitgaf) niet de behoefte bladruimte te verspillen aan reclame maken voor iets waar ze toch niks mee konden verdienen. Het zij zo en het zij ook gezegd dat daarmee alles wat ik aan negatieve zaken kon noemen – behalve hier en daar een storende fout in de vertaling van Maarten Meeuwes (écht, “lijden” in plaats van “leiden”…) – ook genoemd is.

Voor de rest is dit een, zoals gezegd, bijzonder goed boek. Omwille van die laatste verhalen uiteraard. Verhalen waarin bijvoorbeeld een enigszins eigenzinnige robot (“Ik vraag hem niet of ik hem [een schrijfmachine, noot van mij] mag gebruiken. Als ik het hem niet vraag en hij niet zegt dat het niet mag, ben ik niet ongehoorzaam als ik hem gebruik.”), Cal, zich met medewerking van zijn eigenaar, een schrijver, tot schrijver ontwikkeld. Verhalen waarin, zeer tegen Asimovs gewoonten in, buitenaardse wezens opduiken, al worden die dan oorspronkelijk voor een Hallucinatie gehouden. Verhalen (Alexander de God) waarin precies gedaan wordt waar mensen ook in onze tijden héél ernstig mee bezig zijn: alles in modellen gieten, in de hoop zo alles beheersbaar te maken. Iets wat gelukkig goed afloopt: “De Aarde was weer vrij, wat natuurlijk inhield dat hier en daar een zekere mate van wanorde bestond, maar de meeste mensen vonden dat een geringe prijs om te betalen.” Verhalen (Fout-intolerantie) over machines die de creatieve inbreng van mensen overbodig maken, een thema dat bijvoorbeeld ook al naar voor kwam in het in De totale robot (bespreking hier) opgenomen verhaal Galeislaaf. Verhalen (Kleine broer) waarin robots zodanig het hart van iemand veroveren dat dat hart meer voor hen dan voor mensen gaat kloppen. Verhalen (Naties in de ruimte) die zozeer “een moderne fabel” zijn (toch volgens de ondertitel) dat je ze zo kan koppelen aan de Koude Oorlog, inmiddels voorbij maar als het er op aankomt nog steeds in leven gehouden. En verhalen (Aarde Vaarwel) waarin kolonies, ruimte-kolonies in dit geval, zich “afscheuren” van de Aarde uit angst besmet te geraken met een of ander virus dat van de Aarde zou komen: “Als dit gebeurt, wordt er natuurlijk altijd verontwaardigd geroepen dat er een strengere controle moet komen. Daarom mogen reizigers van een andere nederzetting en kolonisten die van een reis terugkeren naar hun eigen nederzetting, niet zomaar binnenkomen zonder een volledig onderzoek van hun bagage, een complete analyse van hun lichaamsvloeistoffen en pas na een bepaalde quarantaineperiode, om te zien of iemand een op dat moment nog onzichtbare ziekte onder de leden heeft.” Tiens, waar hebben we dat nóg gezien?

Over Goud, het titelverhaal, heb ik het verder niet. Dat is er een buiten categorie (veel langer ook dan de andere, toch zo’n 35 bladzijden) en ieder stukje van het ontdekken waard. Met King Lear geef ik u de tip dat het over toneel gaat, maar meer krijgt u van mij ook niet. Over naar de delen die ik – al ben ik dan een grote fan van de verhalen van Isaac Asimov – in dit boek interessanter vond, de al eerder genoemde “introducties, voorwoorden, editorialen, enzovoort”. Die bieden behalve tot het werk van Asimov zelf – in zoverre dat nog nodig zou zijn – een bijzonder interessante introductie tot de wereld van de geschreven science-fiction. Bij momenten lezen de stukken als een regelrechte Who’s who?, maar je krijgt ook titels van verhalen en tijdschriften, uitleg bij thema’s, de verbanden tussen schrijvers, het wereldje op zich, enzovoort. Ik kreeg er verdorie goesting van om mijn hele collectie boeken even te laten voor wat ze is – ik heb, geloof het of niet, nauwelijks science-fiction in huis – en meteen aan het verzamelen te gaan. Wetend dat er heel veel van die oude tijdschriften gratis te downloaden zijn op het internet is dat niet eens zo moeilijk, dus dat zal er sowieso wel van komen, maar waar stapel ik dié nu weer?

Namen noemen dus. Gewoonlijk streep ik passages waarin zulks gebeurt wel aan om ze eventueel te gebruiken in mijn boekbespreking, maar een keer ik die bespreking geschreven heb, gom ik wat ik aangestreept heb ook weer uit. Dat ga ik in dit geval niet doen. Zoals gezegd zijn de stukken niet voorzien van uitleg omtrent plaats waar en datum waarop ze oorspronkelijk verschenen zijn, maar helaas ook niet van een literatuurlijst of van voetnoten. Ik ga mijn aanstrepingen dus, minstens tot ik ergens zelf een lijstje heb aangelegd, laten staan. Om zo makkelijker terug bij Robert ‘Bob’ Heinlein en Arthur C. Clarke uit te komen (al heb ik van die laatste wel 2001: een ruimte-odyssee en 2010: odyssee 2 staan). Of bij Herbert George Wells met zijn The War of the Worlds en The Time Machine (“Wells is waarschijnlijk de beste sciencefictionschrijver aller tijden (…) Als anderen na hem tot grotere hoogte zijn geklommen, is dat alleen omdat ze op Wells’ schouders staan”). Of Jack Williamson (The Legion of Space; Born of the Sun), E.E. Smith (Galactic Patrol), Nat Schachner (Past, Present and Future), Charles P. Tanner (Tumithak of the Corridors), Daniel Keyes (Flowers for Algernon) of Clifford D. Simak (City; Cosmic Engineers). Of bij L. Sprague de Camp (Lest Darkness Fall), Fritz Leiber (Conjure Wife), Frederik Pohl (Gravy Planet), Michael Bishop (The Gospel According to Galmaliel Crucis), Jim Aikin (Statues) of Poul Anderson (The Helping Hand). Of bij A.E. van Vogt, Alfred Brester, Harlan Ellison of Lester del Rey. Of bij bladen als Astounding Science Fiction (voorheen Astounding Stories), Astonishing Stories, Wonder Stories, Marvel Stories, Startling Stories of Galaxy natuurlijk. Om maar te zwijgen van fictie zonder dat het science is: A fruteful and pleasant Worke of the beste State of a publyque Weale, and of the newe yle, called Utopia, kortweg Utopia, van Thomas More; Looking Backward van Edward Bellamy; Paradise Lost van John Milton; Walden Two van B.F. Skinner (met uiteraard een titel verwijzend naar het Walden van Henry David Thoreau); het stuk waarvan de naam in theaters niet mag genoemd worden, “The Scottish Play”, van William Shakespeare; The Rime of the Ancient Mariner van Samuel Taylor Coleridge (nee, niet van Iron Maiden); Lord of the Rings van J.R.R. Tolkien (“elke keer genoot ik er meer van, omdat je, nadat de spanning verdwenen is, des te meer van de tekst en de opbouw van het boek kunt genieten”); Hymn to Proserpine van A.C. Swinburne; Alice in Wonderland van Lewis Carroll (en The Annotated Alice van Martin Gardner); A la recherche du temps perdu van Marcel Proust (die ook al voorbij kwam in mijn bespreking van Ode aan het kijken van Alain de Botton); of de verhalen van Charles Dickens, Mark Twain; Oscar Wilde (zelfde opmerking als bij Proust) en P.G. Wodehouse.

Maar de stukken gaan niet alleen over schrijvers en hun producten, ze gaan ook over hun onderwerpen. Asimov was een man van de wetenschap met een interesse die véél breder ging dan zijn eigen specialisme, biochemie, en weet dus interessante feiten te brengen over ruimtereizen (“Alle sondes die de NASA tot nu toe door het zonnestelsel heeft gestuurd, waren spelletjes in onze achtertuin. De langste reis bestaat uit interstellaire tochten, reizen naar de sterren.”), over vliegende schotels, over – uiteraard – robots (en golems, bronzen reuzen en Mary Shelleys Frankenstein), of zelfs de praktische realiseerbaarheid van tijdmachines.

En ze gaan ook over hoe je een verhaal schrijft. Met uitleg over Het maken van een plot, Metaforen, Spanning, waar je Ideeën vandaan haalt, nut en onnut van Series, Voor jonge mensen schrijven, Namen (van karakters) en Pseudoniemen, Originaliteit, Correcties, Ironie (met als voorbeeld The Mysterious Stranger van Mark Twain en A Modest Proposal for Preventing the Children of Poor People in Ireland from being a Burden to their Parents or Country and for Making them Beneficial to the Public van Jonathan Swift), Plagiaat, Symboliek, bestsellers, dialogen en vuilbekkerij, en zelfs … Boekbesprekingen. Met een citaat uit dat laatste stuk wil ik deze boekbespreking eindigen:

“Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat ik niet van boekbesprekingen houd, nog van het bespreken van boeken. Dat is een zuiver emotionele reactie want, om redenen die duidelijk zullen zijn, heb ik er vreselijk de pest aan dat iemand mijn werk negatief beoordeelt.

Ik denk niet dat ik daarin alleen sta. Als ik schrijvers goed bekijk (bijna al mijn vrienden schrijven) zijn ze in twee groepen te verdelen. 1) Degenen die zichtbaar gegriefd zijn als er een slechte kritiek over hen verschijnt. 2) Degenen die diep gegriefd zijn als er een slechte kritiek over hen verschijnt, maar er niets van laten blijken.

Ik behoor tot de eerste groep. De meeste van mijn vrienden proberen zich als de tweede groep te gedragen, maar dat lukt hen niet altijd helemaal. Overigens zonder dat ze zich daar altijd bewust van zijn.

Helaas kun je op geen enkele manier je recht halen bij een criticus. Soms kreeg ik de neiging om iemand er eens flink van langs te geven in de vorm van een scherpe brief, met de bedoeling de idioot levend te villen, maar ik heb me altijd kunnen beheersen, op enkele keren in mijn begintijd na. Dat doe ik niet uit idealisme, maar omdat ik weet dat de schrijver altijd verliest bij zo’n confrontatie.

In plaats daarvan schrijf ik mopperende, geringschattende commentaren over boekbesprekingen en besprekers in het algemeen.

Maar ik sta ik [sic] hier op een foute plaats. Dit tijdschrift (dat een oogappel van mij is) heeft niet alleen een vaste rubriek waarin boeken worden besproken, maar ook andere rubrieken, die een minder vaste plaats hebben, waarin bepaalde facetten van het science-fictiongenre worden besproken. Als ik dan zo de pest heb aan besprekingen, waarom sta ik dan besprekingen in het tijdschrift toe?

Omdat ik eigenlijk helemaal niet de pest heb aan besprekingen en besprekers. Dat is een emotionele reactie, die ik ook als zodanig herken, en doet daarom niet ter zake. Ik ben een rationeel mens, ik denk graag; wanneer er onenigheid tussen mijn emoties en mijn rationaliteit ontstaat, hoop ik dat de rationaliteit elke keer weer wint.”

Waarna Asimov verder gaat met het opnoemen van de voorwaarden waaraan een goede criticus zou moeten voldoen. Kort samengevat: 1) “Een criticus moet een boek zorgvuldig lezen – elk woord, zo mogelijk zelfs als het heel slecht lijkt te zijn.”; 2) “Een criticus moet aandachtig lezen, misschien passages aankruisen en aantekeningen maken, zodat hij bij het schrijven van zijn bespreking niet helemaal op zijn geheugen hoeft te vertrouwen.”; 3) “Een criticus moet onbevooroordeeld lezen en zijn oordeel van het boek niet laten beïnvloeden door zijn kennis over de schrijver.”; 4) “Een criticus moet niet alleen een geletterd persoon zijn, hij moet ook een brede kennis van het genre hebben”; 5) “Een criticus moet zelf ook goed kunnen schrijven”; 6) “Het doel van de bespreking is niet de superieure kennis van de criticus te tonen of het erop te laten lijken dat de criticus, als hij er de moeite voor zou nemen, het boek zelf beter zou kunnen schrijven dan de auteur”.

Nu ga ik niet beweren dat ik op al die punten even goed scoor, maar ik heb sowieso geen problemen wat punt 1 en 2 betreft. Aangaande punt 3: ik heb ooit wel eens een schrijver ontmoet en er zelf eens vijf minuten mee gesproken, maar van die ene schrijver nooit een boek gelezen. Voor de rest interesseert het privéleven van schrijvers me nauwelijks, tenzij ze aan dat privéleven hun werk wijden. In dat geval wil ik het een al wel eens afzetten tegen het ander. Wat punt 4 betreft: ik ben niet meteen ongeletterd, maar kan ook niet zeggen dat ik alles weet van bepaalde genres. Ik lees elk boek op zich en voel eigenlijk niet de essentie een boek te gaan vergelijken met dat van een ander binnen hetzelfde genre. Punt 5: of ik goed schrijf, kan u eventueel zelf beoordelen aan de hand van mijn boekbesprekingen, maar ook op basis van mijn artikels voor TeKoS. Waarmee ik vanzelf op punt 6 kom: ik heb me in mijn jeugd wel eens bezondigd aan een aantal kortverhalen, maar zou me eerlijk gezegd verzetten tegen publicatie van de meeste daarvan nú. Ik heb dus zeker niet de pretentie zelf beter boeken te kunnen schrijven dan de auteur van welk boek ik dan ook bespreek.

Los daarvan is het uiteraard zo dat de meeste boeken die ik bespreek al jaren niet meer in de boekhandel te vinden zijn (tenzij tweedehands) en dat mijn boekbesprekingen niet door zoveel mensen gelezen worden dat ze in staat zouden zijn de verkoop van welk nieuw boek van een auteur dan ook te verminderen (of vermeerderen). Ik bespreek boeken dan ook vanuit een louter persoonlijk standpunt (ik heb er geen ander) en zelfs als ik zeg dat ik een boek heb afgevoerd naar de zolder, dan is dat nog steeds omdat ík het boek maar niks vond, terwijl ik boeken ook alleen maar aanraad om redenen die voor mij persoonlijk belangrijk zijn. De gustibus et coloribus, nietwaar?

Hoe dan ook: Goud is voor mij een blijver, een boek waarnaar ik allicht nog regelmatig zal teruggrijpen, een boek dat ik de liefhebbers van science-fiction ook zou aanraden, minstens omwille van de talloze referenties naar andere (waarschijnlijk) lezenswaardige werken.

Björn Roose

vrijdag 17 september 2021

Foundation / Foundation en Keizerrijk / Tweede Foundation – Isaac Asimov (boekbespreking door Björn Roose)

Foundation / Foundation en Keizerrijk / Tweede Foundation – Isaac Asimov (boekbespreking door Björn Roose)
Tot nog toe was de bespreking van de zogenaamde Foundation-trilogie een kwestie van aankondigingspolitiek (zowel hier als hier), maar in tegenstelling tot wat voor regeringen geldt, zet ik positieve aankondigingen ook om in feiten en duurt de tijdsspanne tussen beide gegevens niet al te lang.

De tijd die ik nog besteed aan het voorstellen van de auteur óók niet, trouwens. Intussen heb ik al zes boeken van hem besproken en bij niet één ervan gezegd dat ik het zou van de hand doen (wat ik met de werken van sommige andere auteurs wél doe), dus lijkt het mij duidelijk dat ik de werken van Isaac Asimov zéér aangenaam om lezen vind. Dat was (ondanks het feit dat ik ze al voor minstens de derde keer las) niet anders met Foundation, Foundation en Keizerrijk en Tweede Foundation, de boeken opgenomen in deze Foundation-trilogie en ook genoegzaam als de Foundation-trilogie bekend.

Waarom voeg ik dat laatste er aan toe? Heel eenvoudig, omdat Asimov nog méér boeken over de Foundation heeft geschreven, zij het véél later. Zoals de auteur zelf aangeeft in het hoofdstukje Science-fictionseries in zijn boek Goud (dat ik op dit moment aan het lezen ben): “De eerste drie boeken van de Foundation-serie zijn een compilatie van verschillende stukken die ik tussen 1942 en 1950 voor Astounding Science Fiction heb geschreven. Ze waren geschreven op verzoek van de uitgever, maar ik voldeed een tijdlang graag aan dat verzoek. Na acht jaar kreeg ik er echter genoeg van en in 1950 wilde ik er niet meer over schrijven. Ik weerstond tweeëndertig jaar lang alle smeekbeden om nog meer verhalen in de Foundation-serie en negeerde alle dreigementen. Maar toen Doubleday schuimbekkend begon te foeteren, ging ik dan eindelijk akkoord om Foundation’s Edge en Foundation and Earth te schrijven, het vierde en vijfde boek van de serie.”

Op het moment dat Asimov bovengenoemde tekst schreef, moesten er echter nog twee delen komen: Prelude op de Foundation en De Foundation voorwaarts. Beide prequels op de trilogie, maar wel geschreven respectievelijk 37 jaar en 42 jaar ná het eerste boek uit die trilogie, Foundation. Ik ben vrij zeker dat ik de héle serie gelezen heb, maar toen ik nog jonger was (en vooral minder te besteden had) leende ik vooral boeken uit de bibliotheek en met uitzondering van de oorspronkelijke trilogie zijn de Foundation-boeken niet meer in mijn collectie terechtgekomen. Tot nu toe althans, want hoe meer ik weer lees van Asimov, hoe meer goesting ik krijg om z’n andere boeken in huis te halen en ook die te (her)lezen.

Even terug naar het citaat hierboven: Asimov zegt daarin dat “de eerste drie boeken van de Foundation-serie (…) een compilatie [zijn] van verschillende stukken die (…) [hij] tussen 1942 en 1950 voor Astounding Science Fiction (…) [heeft] geschreven”. Een mens zou daar eventueel kunnen uit afleiden dat die serie, zoals het eerder door mij besproken De totale robot, De sprekende steen, en De dreiging van Callisto een bundeling van kortverhalen is, maar dat is niet zo. Astounding Science Fiction was dan wel wat het Internet Archivean American pulp magazine that published original science fiction storiesnoemt, maar die “stories” hoefden niet op zichzelf te staan. De in het “pulp magazine” gepubliceerde serie lijkt op een of andere manier organisch gegroeid, maar Asimov was werkelijk een meester wat het bedenken van een plot betreft en nergens in de “compilatie” valt ook maar iets te ontdekken dat er op zou wijzen dat hij tussen verschillende afleveringen in het magazine door iets zou gewijzigd hebben wat de plot van het geheel betreft: de Foundation-trilogie lijkt in één keer geschreven en elk stukje ervan, elke “beweging” zoals dat dan in de klassieke muziek heet, past naadloos in het geheel.

En dat … terwijl de kern van dat geheel, de “psychohistorie”, niet van bij de aanvang voorzien was. Asimov zelf daarover in het stuk Psychohistorie in het al eerder genoemde Goud: “Ik kwam met het woord omdat John Campbell en ik de richting bespraken waarin ik de Foundation-serie zou ontwikkelen, toen ik voor het eerst met het idee bij hem kwam. Ik was heel eerlijk en was van plan Edward Gibbons Decline and Fall of the Roman Empire als voorbeeld en leidraad te gebruiken voor de plots, maar ik had iets nodig wat er science fiction van zou maken. Ik kon het niet gewoon het heelal noemen en het dan behandelen als een opgesmukt Romeins Rijk. Daarom stelde ik voor het feit toe te voegen dat er een wiskundige berekening bestond waarmee de toekomst op bevredigende wijze kon worden voorspeld, en die noemde ik ‘psychohistorie’. Eigenlijk was het een slecht woord, dat niet helemaal duidelijk maakte wat het eigenlijk betekende. Ik had het ‘psychosociologie’ moeten noemen, dat volgens de O.E.D. [Oxford English Dictionary, noot van mij] voor het eerst in 1928 is gebruikt. Maar ik was door Gibbons zo gefixeerd op geschiedenis, dat ik alleen maar op ‘psychohistorie’ kon komen. In elk geval was Campbell enthousiast, waarna we aan de slag gingen. Ik baseerde mijn concept van de psychohistorie op de kinetische theorie van gassen, waarmee ik tijdens mijn scheikundelessen om de oren was geslagen. De moleculen waaruit een gas bestaan, bewegen geheel willekeurig, driedimensionaal alle kanten op en met allerlei verschillende snelheden. Toch kon je goed beschrijven hoe die bewegingen zich gemiddeld gedroegen en uit die gemiddelden kon je gaswetten berekenen die een enorme mate van nauwkeurigheid bezaten.” In datzelfde stuk in Goud heeft de auteur het ook nog over een aantal voorwaarden die hij “had opgesteld om het te laten werken”: “Ten eerste moest het om een groot aantal menselijke wezens gaan”, ten tweede moest hij “de ‘willekeurige factor’ in het oog houden”, waardoor het “noodzakelijk [was] te veronderstellen dat de mens in het algemeen niet wist wat de voorspellingen van de psychohistorie waren, zodat ze hun gedrag er niet op konden aanpassen”, ten derde kon de theorie alleen maar werken “als de intelligente wezens alléén uit mensen bestaan”. Waarmee ook de grote lijnen van deze trilogie vast kwamen te liggen, zelfs wat het “ten derde” betreft al was Asimov ten tijde van het schrijven van het stuk waaruit ik bovenstaande citeer van oordeel dat dat dan echt “niet-menselijke intelligentie” moest wezen en negeerde hij daarmee het feit dat hij in het deel Foundation en Keizerrijk een hoofdfiguur introduceerde wiens intelligentie op zijn minst als bovenmenselijk te beoordelen valt.

Omdat hij in een ander in Goud opgenomen stuk, Spanning 1, toch vertelt over die hoofdfiguur, ben ik zo vrij daar ook nog even uit te citeren: “Zal de kleine wereld uit de Eerste Foundation het uithouden tegen de omringende, machtige koninkrijken, en zo ja: hoe? Zal de wereld de woeste aanvallen van het Imperium, van een gemuteerde emotie-beheerser en van de Tweede Foundation overleven? (…) Moet de Eerste Foundation wel overleven? Moet er een Tweede Imperium komen? Zal het Tweede Imperium gewoon een herhaling zijn van alle ellende uit het Eerste? Hebben de Handelaren of de Burgemeesters gelijk met hun denkbeelden over wat de Eerste Foundation zou moeten doen?”

Met die portie copy/paste weet u eigenlijk wel voldoende over de achtergrond van wat ik dan gemakshalve maar verder de Foundation-trilogie noem, maar ik voeg er nog graag de uitleg op de achterflap aan toe om aan te geven “wanneer” een en ander plaatsvindt: “Het galactisch keizerrijk raakte in verval. Het was een kolossaal rijk dat zich over miljoenen werelden uitstrekte, van het ene eind van de machtige, dubbele spiraal van de Melkweg tot het andere. De ondergang ervan was ook groots – en langzaam – want er moest een lange weg worden afgelegd. Die ondergang was al eeuwenlang gaande, voordat één man zich bewust werd van wat er aan de hand was: Hari Seldon, een eenzame vonk van creatieve energie te midden van de steeds verder om zich heen grijpende chaos. Hij was het die de wetenschap der psychohistorie wist te vervolmaken” en, voeg ik er dan aan toe, daarmee déze historie, deze decline van het galactisch keizerrijk en de rise van de Foundation (ik laat in het midden van welke van de twee), in gang trapte.

Een historie overigens die wel rechtlijnig, maar niet ononderbroken verteld wordt. Tussen Gaal Dornick, geïntroduceerd op de eerste pagina van Deel een – De psychohistorici van het eerste boek, Foundation, en Arcadia ‘Arcady’ Darell, meespelend tot op de laatste pagina van hoofdstuk 22, Het antwoord dat juist was, van het laatste boek, Tweede Foundation, gapen niet alleen een kleine zeshonderd bladzijden, maar ook een kleine 450 jaar. Van die 450 jaar zijn er hoogstens een paar maanden onderwerp van deze serie en die 450 jaar maken eigenlijk nog niet de helft uit van de periode waarover deze serie handelt (Seldon sticht de Eerste en Tweede Foundation om een voorziene periode van 20,000 jaar chaos en anarchie in te korten tot 1000 jaar), maar Asimov past van op de eerste bladzijde een literair geniale truc toe: hij citeert uit de Encyclopedia Galactica, meer bepaald uit “de 116de druk, in 1020 n.d.F. [na de stichting van de Foundation, noot van mij] gepubliceerd door Uitgeverij Encyclopedia Galactica, Terminus, en overgenomen met toestemming van de uitgever.”. We verplaatsen ons dus héél ver in de toekomst, maar de wetenschappelijke bron van het verhaal zit nog verder in de toekomst (en wel twintig jaar nadat de “korte” duizendjarige periode van chaos en anarchie helemaal voorbij zou moeten zijn), wat – onder andere omdat naar de Foundation verwezen wordt in de jaartelling – toch wel meteen het vermoeden doet rijzen dat Seldons opzet geslaagd is. In Spanning 1 stelt Asimov dan ook terecht dat het slagen van dat opzet zorgt voor spanning “op beperkte schaal”, terwijl de werkelijke spanning hem dus zit in de vraag of de Eerste Foundation wel moét overleven en of het te verwachten Tweede Imperium niet opnieuw gaat uitdraaien op kut met peren.

Over dat laatste gesproken en van het overzichtsniveau afdalend naar de details: plastic was duidelijk in opkomst in de tijd dat Asimov zijn eerste Foundation-verhalen schreef en hij haalt het dan ook regelmatig aan als een materiaal dat ook in de toekomst nog zal dienen voor van alles en nog wat, van sigarendozen tot kledij (“een zwarte, leerachtige plastic jekker”). Intussen hebben we, in onze tijd, al een heuse plastic soup in de oceanen drijven en een mens durft toch hopen dat dat probleem nooit zal geëxporteerd worden naar andere planeten.

Van andere zaken kan je dan weer verwachten dat ze zullen blijven wat ze altijd geweest zijn: politici bijvoorbeeld. Op de uitspraken van één daarvan gedurende een aantal dagen past iemand een analyse toe en dan krijg je dit: “Na twee dagen hard werken, was Holk erin geslaagd alle zinloze uitspraken, en alle vage en verwarde onzin – kortom al het gelul en gezever – uit de tekst te verwijderen. En wat was het geval? Er bleef niéts over. Alles was geschrapt. Graaf Dorwin, mijne heren, blijkt tijdens de volle vijf dagen van de besprekingen geen éne rotmoer gezegd te hebben, maar hij deed het zo dat geen van u het in de gaten had.” Of schijnbare democratieën: “De situatie op Korell is een veel voorkomend fenomeen in de geschiedenis: een republiek waarvan het regeringshoofd alle kenmerken van een absolute vorst vertoont, maar niet die titel draagt. Korell ging dan ook gebukt onder het gebruikelijke despotisme – een despotisme dat zelfs niet in toom werd gehouden door verzachtende invloeden zoals ‘vorstelijke eer’ en ‘hofetiquette’ die in de legitieme monarchieën in ere werden gehouden.” Of, ten slotte, het voorspelbare falen van systemen, van dogma’s, van ideologieën, of dat er nu zijn gebaseerd op religie, handel, het idee dat er niks beters mogelijk is (“the end of history”, zoals Francis Fukuyama het omschreef), of wat dan ook, al is niet gezegd dat dat veel verandert: “‘Luister goed,’ ging de koopman ernstig verder, ‘meestal wordt een planeet bestuurd door vijf of zes vetzakken die de sigaar zijn als ze de oorlog verliezen, maar daar maak ik me niet druk over. En de kleine man? Een deel ervan wordt gedood en de rest moet een tijdlang meer belasting betalen, maar dat komt op den duur vanzelf in orde. En wat krijg je dan? Dezelfde situatie met vijf of zes nieuwe vetzakken die de touwtjes in handen hebben.’”

Maar verwacht zeker, net zomin als in z’n andere boeken, alleen maar bloedige ernst van Asimov. Een citaat als dit moge van z’n humor getuigen: “Cleon II was Heer van het Universum. Cleon II leed bovendien aan een pijnlijke ziekte, waarvan de aard niet vast te stellen was. Vreemd genoeg sluiten deze twee dingen elkaar niet uit. De geschiedenis onthult er voorbeelden te over van.” (Voor wie zou zoeken naar zo’n voorbeelden: Julius Caesar leed, afhankelijk van de bron, aan epilepsie – “de ziekte van de goden” –, migraine of was het slachtoffer van meerdere “mini-beroertes”; Adolf Hitler kampte met de ziekte van Parkinson; Lenin had syfilis – “wat verdomd vervelend is”, zou een oud-collega van mij daaraan toevoegen -; Alexander de Grote zou overleden zijn aan het syndroom van Guillain-Barré…). Net zoals dit citaat over mensen die wegsnellen van de plaats van een misdaad als het er écht heet aan toe begint te gaan: “De menigte die nu bijna niet meer te overzien was, had voor dit laatste incident maar weinig belangstelling en er ontstond een middelpuntvliedende beweging alsof velen hadden besloten om de afstand tot het middelpunt van actie te vergroten.” Of dit citaat over het aan de macht komen van dictator nummer zoveel: “De huidige heerser van Kalgan had deze positie nu vijf maanden weten te behouden en hem in feite verkregen dankzij zijn functie als hoofd van de Kalgaanse marine en door een betreurenswaardig gebrek aan voorzichtigheid van zijn voorganger.” En ten slotte nog dit, iets wat ik uitermate vermakelijk vond omdat in onze tijden de indruk schijnt te bestaan dat kunnen schrijven niet meer zo belangrijk is gezien je alles ook “gewoon” kan zeggen en dat je desnoods de omzetting van gesproken naar geschreven kan doen mits gebruikmaking van “spraaktechnologie”: “‘Er bestaat geen ander model dat tegelijk zo compact is en zo veel mogelijkheden biedt,’ had de verkoper gezegd. ‘Het print de juiste letters en zorgt voor de juiste interpunctie, afhankelijk van het zinsverband. Uiteraard is het een hulp bij de opvoeding daar het de gebruiker ervan stimuleert de juiste uitspraak en ademtechniek te gebruiken om een correcte spelling te krijgen, om nog maar te zwijgen van een juiste en veeleisende spreektrant om de leestekens daar te krijgen waar ze horen.’” Ga er maar aan staan met je gewauwel door je muilkorf heen, gewauwel waar ik, tussen haakjes, nauwelijks aandacht aan kan besteden gezien ik de neiging heb te kijken naar mensen hun gezicht als ze tegen me spreken en ik in dat geval meteen gefixeerd geraak door dat lapje totaal onnuttige stof dat de hele tijd half naar binnen gezogen en weer uitgeblazen wordt …

Nu goed, ik had nog wel een páár citaten meer aangeduid, maar ook niet zo heel veel. De Foundation-trilogie is een echte page-turner (een “bladeraar” zoals dat in Goud genoemd wordt) en ondanks het feit dat ik die trilogie inmiddels, zoals gezegd, toch al voor de derde of vierde keer gelezen heb en wist waar de Tweede Foundation zich bevond (iets wat pas onthuld wordt op de voorlaatste pagina van het laatste boek), ging ik er ook deze keer zodanig in op dat ik nauwelijks dacht aan het aanduiden van passages. Een werkelijk héérlijk boek (de trilogie verscheen in Nederlandse vertaling in één band bij J.M. Meulenhoff in 2001) dat ik, als ik niet zoveel andere boeken te lezen had, wellicht binnen een jaar of zo wéér ter hand zou nemen. Als u ooit maar één science-fictionboek zou lezen, zou ik u dít boek dus zeker durven aanraden.

Björn Roose

dinsdag 31 augustus 2021

Een oceaan van sterren – Isaac Asimov (boekbespreking door Björn Roose)

Een oceaan van sterren – Isaac Asimov (boekbespreking door Björn Roose)
Ik schreef in mijn vorige bespreking van een boek van Asimov, die van De totale robot, nog dat ik inmiddels de Foundation-trilogie weer ter hand genomen had, maar daar heb ik nog even “werk” aan. ‘t Is te zeggen: ik verwacht dat het boek uitgelezen is tegen het einde van deze week, maar aangezien ik weer wat vaart in mijn boekbesprekingen aan het steken ben, schrijf ik intussen al de bespreking van een boek dat ik vorige week van dezelfde auteur gelezen heb: Een oceaan van sterren.

Als u niet meer helemaal mee bent, wees daar dan maar niet ongerust over: niet (meer) helemaal mee zijn, is namelijk zowat het Leitmotiv voor een groot aantal karakters in deze science-fiction roman. Ook voor hoofdpersonage Biron Farril, maar da’s niet echt onlogisch. Leest u immers even mee wat op de achterflap staat: “Van de ene dag op de andere verandert Biron Farril van een doodgewone student, die voor een tentamen zit op de Universiteit van de Aarde, in een angstige vluchteling, die zijn onbekende moordenaar probeert te ontwijken. Bij de aanslag is hem duidelijk gemaakt, dat vele lichtjaren terug in de inktzwarte duisternis van de Paardekopnevel ook zijn vader vermoord is. Birons vlucht en zijn wens het moordmysterie op te lossen brengen hem ver in de ruimte, waar hij verwikkeld raakt in de machtsstrijd tussen vreemde, maar soms ook bijzonder gevaarlijke despoten …”

In één woord: actie! En grotendeels niet op de Aarde, want daar heeft voorbije actie – het soort actie dat een schrijver van science fiction in 1951 (het jaar waarin dit boek in het Engels werd gepubliceerd) zich op korte termijn het best kon inbeelden – al meer dan genoeg schade aangericht: “Oorlogen met atoomwapens hadden de Aarde zwaar geteisterd. Het grootste deel ervan was hopeloos radioactief en onbruikbaar. Er was dus niets meer te verliezen, maar de architectuur was nog altijd ingesteld op de oude vrees (…)”. Wat niet wil zeggen dat de Aarde (“‘Waar is dat?’ ‘Dat is een kleine planeet in de sector van Sirius, hoogheid.’”) volkomen uit beeld verdwijnt een keer de actie zich in de ruimte gaat afspelen overigens, maar het fijne daarvan verklap ik u lekker niet.

Net zomin als het geheim achter de naam van het volk van één van de “bijzonder gevaarlijke despoten”: de Tyranniërs. Daar valt immers niks aan te verklappen, die naam is geheel duidelijk. Veel duidelijker dan de motieven van Sander Jonti, de man die Biron Farril “helpt” na de mislukte aanslag. Waarom stuur hij Biron naar de met de Tyranniërs collaborerende gouverneur Hinrik van de planeet Rhodia? Hoezo stuurt hij hem mee met een schip waarop hij nog voor hij op die planeet komt gearresteerd wordt? Is het echt onverwacht dat hij in handen valt van de Tyranniër Simon Aratap?

En wat dan met het vervolg van het verhaal? Aratap die hem laat gaan; Gillbret die meteen sympathie voor hem opvat (en, sterker nog, Artemisia op wie hij zo snel verliefd wordt als hij haar ziet); Hinrik die hem zonder blikken of blozen overlevert aan de Tyranniërs; toch kunnen ontsnappen en op zoek gaan naar de rebellenwereld, de planeet die niet bang is voor de Tyranniërs, die die Tyranniërs zelfs zal vernietigen een keer de rebellen er klaar voor zijn, maar dan wel even een tussenstop moeten maken bij degene die volgens Gillbret weet waar die planeet zich bevindt, de autark van Lingane. En dan in die autark van Lingane meteen een oude kennis herkennen (u leest het boek zelf maar om uit te vinden over welke oude kennis het gaat), die voor geen haar vertrouwen en daar uiteindelijk ook nog gelijk in krijgen, maar … te laat. Of toch niet? Is er effectief een uitweg Uit de kaken van de nederlaag, zoals hoofdstuk 18 heet?

Dat zoekt u zelf maar uit. Meer ga ik echt niet prijsgeven. Het lijkt trouwens al alsof ik dat gedaan heb, maar de plot van dit verhaal swingt echt, hij draait en keert en de clue krijg je pas helemaal op het einde geserveerd. Zoals het hoort in een moordverhaal, in een thriller, ook als die galactische dimensies aanneemt. Pas helemaal op het einde verneem je dus ook wat dat geheime wapen is waarnaar een aantal van de personnages in het begin van het boek op zoek is. Pas helemaal op het einde kan je dan ook enigszins cynisch je schouders ophalen over dat geheime wapen. Intussen weten wij, in het hier en nu, immers dat dat geheime wapen gedoemd is te falen, zelfs tegen de Tyranniërs van onze eigen tijd. Maar misschien was Asimov in het begin van de jaren 1950 nog enigszins naïef, dacht hij dat er een echte dageraad zou kiemen aan het einde van de Koude Oorlog.

Laat die enigszins cryptische opmerking u er echter zeker niet van weerhouden dit boek te lezen: het is de moeite meer dan waard.

Björn Roose