Posts tonen met het label Frank Herbert. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Frank Herbert. Alle posts tonen

maandag 16 maart 2026

Kinderen van Duin – Frank Herbert (boekbespreking door Björn Roose)

Kinderen van Duin – Frank Herbert (boekbespreking door Björn Roose)
Kinderen van Duin
, ofte het derde deel van de oorspronkelijke, door Frank Herbert geschreven serie Duin. Gelezen zo’n vijf maanden nadat ik het tweede deel, zijnde Duin Messias, gelezen had, wat ik dan weer deed een viertal maanden nadat ik het eerste deel, Duin (zonder meer), las. Ik heb het dus deze keer iéts langer volgehouden vooraleer ik teruggreep naar de serie en dat ik deze, zoals ik in mijn bespreking van het tweede deel nog mogelijk achtte, als geheel zou gelezen hebben tegen pakweg eind augustus van dit jaar (2026), is daarmee minder waarschijnlijk geworden. Niet echter omdat dat niet zou kunnen: ik schrijf deze boekbespreking eind januari en kan zonder enig probleem de drie verdere boeken verslonden hebben tegen half februari. Wel omdat ik graag enige wilskracht aan de dag leg waar het het ‘consumeren’ van mooie dingen betreft (een wilskracht die ik graag ook zou hebben waar het het consumeren van lekkere dingen aangaat) en ook dit derde deel van de Duin-serie onder die noemer gevallen is, wat dus belooft voor de volgende drie delen.

“De leer van Muad’Dib”, ofte Paul Atreides, is, zoals aangegeven op de achterflap van dit derde deel, in 1977 voor het eerst in Nederlandse vertaling verschenen en in september 1996 reeds aan zijn twaalfde druk bij Meulenhoff toe zijnde, “de speelbal geworden van scholastiek, van bijgeloof en corruptie. Hij onderwees een evenwichtige levenswijze, een filosofie waarmee een mens problemen aankan die zich voordoen in een eeuwig-veranderlijk heelal. Hij zei dat de mensheid zich nog steeds ontwikkelt, in een proces waaraan nooit een eind komt. Hij zei dat deze ontwikkeling beweegt volgens veranderlijke uitgangspunten die alleen bekend zijn aan de eeuwigheid. Hoe kon ontaarde logica spelen met zo iets wezenlijks?” U leest de verleden tijd (“onderwees”, “zei”) waar het de acties van de zoon van hertog Leto Atreides I en vrouwe Jessica betreft, een gegeven waarover ik niet meer ga vertellen dan dat u om tot zover mee te zijn ook de eerste twee delen van de serie kan lezen. Maar achter die raadselachtige inleiding komt ook nog de volgende passage: “Met deze waarschuwende woorden van de Mentat Duncan Idaho begint Kinderen van Duin, het derde deel van de heelalsage, waarin na de verdwijning van Paul Muad’Dib zijn kinderen Leto en Ghanima de macht over het heelalrijk in handen nemen.” Een kernachtige zin waarin heel veel informatie zit: 1) er wordt in de vorige zinnen nog in de verleden tijd gesproken over Paul Atreides, maar in deze is hij slechts ‘verdwenen’; 2) Duncan Idaho speelt ook in dit derde deel nog een rol (net zoals Stilgar, vrouwe Jessica, Gurney Halleck, en prinses Irulan overigens, waarbij ik allicht een aantal van de – tot nog toe – vaste waarden vergeet op te noemen); 3) Leto (de kleinzoon van de oorspronkelijke hertog) en Ghanima nemen de macht in handen en hebben hem dus aan het begin van dit boek nog niet. Voeg daar het feit aan toe dat Alia, Pauls zuster, die wél in handen heeft en dus (minstens ten dele) mee verantwoordelijk is voor wat in de “waarschuwende woorden” van Duncan Idaho beschreven wordt, plus het vanzelfsprekende feit dat oude vijandschappen niet zomaar verdwijnen, en u hebt zo ongeveer de toestand op het speelveld bij mekaar aan het begin van dit zo’n vierhonderdvijftig bladzijden dikke boek. Een boek waarin, in tegenstelling tot wat gold voor het tweede deel, géén korte inleiding is voorzien, maar dat – zeker nu ik u die tóch bezorgd heb – zonder onoverkomelijke moeilijkheden ook op zichzelf te lezen valt en ook als dusdanig het lezen waard is.

Waarom? Omdat Kinderen van Duin dan wel op de actie en de omstandigheden van de vorige twee boeken voortbouwt, daarmee in lijn ligt, maar tegelijkertijd ‘nieuwe’ personages de hoofdrol laat spelen, ‘nieuwe’ personages met een andere – soms aan die van de personages in de voorgaande boeken tegenovergestelde – strategie, ‘nieuwe’ personages ook met een andere denkwijze, een denkwijze aangepast aan de intussen veranderde omstandigheden. Waar de planeet Arrakis in het begin van deze serie nog een grote zandbak is, die bijgevolg genoegzaam wordt aangeduid als Duin, is dat intussen door menselijk ingrijpen niet meer zo, wat een ecologisch wonder lijkt te zijn, een wonder dat tussen de acties in de vorige delen ook nagestreefd wordt, maar onvoorziene, absoluut niét nagestreefde gevolgen heeft. Gevolgen die niet ten goede komen van de ‘wormen’ (de wezens die voor de ‘specie’ zorgen) en daarmee ook niet van de mensen (die van het eigendom van en de handel in die ‘specie’ de sterkte van de planeet en het rijk daarrond gemaakt hebben). Een ingreep om de wereld te verbeteren heeft de wereld dus verslechterd op een manier die het spiegelbeeld lijkt van die waarop die wereld en het vanop die wereld bestuurde rijk geestelijk geëvolueerd is. Van een zandbak werd een groene oase gemaakt, wat achteraf een fout lijkt te zijn; uit een droom van voortdurende evolutie werd een woestenij van geestelijke (lees ook: priesterlijke) armoede gecreëerd. Twee fenomenen die verdedigd worden door de regentes, Pauls zus Alia, maar aangevallen door zijn kinderen, Leto en Ghanima, alle drie mensen die – en ook dat zal ik niet toelichten – nooit ‘alleen’ zijn, geestelijke (in de letterlijke zin van het woord) activiteiten ontwikkelen die niet tot het standaard repertorium behoren (en daarom ook een uitdaging vormen voor, bijvoorbeeld, de eerder genoemde ‘mentat’ Duncan Idaho en de orde van de Bene Gesserit, waartoe ook vrouwe Jessica behoort), en daarmee – vooral wat Leto en Ghanima betreft – een potje simultaanschaak spelen op een niveau dat ook de nieuw geïntroduceerde, maar daarom niet noodzakelijk nieuw zijnde, personages niet halen.

Actie genoeg dus, maar door het feit dat de geestelijke schaakborden aan belang toenemen ten opzichte van de fysieke ook een sterkere gelijkenis met, bijvoorbeeld, het ook in mijn vorige Duin-besprekingen genoemde meesterwerk van Isaac Asimov, de Foundation-trilogie. Met dien verstande, en da’s mijn grootste punt van kritiek op Kinderen van Duin, dat Asimov nooit zoals Herbert zo’n danige blabla begon te verkopen dat het leek alsof hij zelf aan de ‘specie’ had gezeten. Ik durf aannemen dat Herbert, zoals hij ook met zijn decor en een niet onbelangrijk deel van zijn personages gedaan heeft, zijn mosterd in een of andere woestijncultuur gaan halen is (een zin als “Deze djedida was aan de woestijn teruggegeven nadat zijn qanat voor de vijfde maal in elf maanden verwoest was”, zegt ter zake genoeg), dat zijn hoogdravende, ‘spirituele’ beschouwingen niet helemaal uit zijn eigen geest zijn gekomen, dat ze er voornamelijk zijn om een soort ingewijdencultus onder zijn lezers te laten ontstaan (een cultus die er voor Duin sowieso al was en nog steeds is), maar als ík diagonaal begin te lezen bij zo’n passages, dan duren ze op zijn minst te lang of erken ik ze voor wat ze zijn: overbodig. Iets wat ik, voor de duidelijkheid, niet vind van de brokjes filosofie die over het hele boek verspreid liggen. Zoiets als “Ambities hebben de neiging onberoerd te blijven door de werkelijkheid”, verdient bijvoorbeeld zonder meer in een citatenboek opgenomen te worden. Hetzelfde met: “Macht moet je gebruiken door hem losjes in de hand te houden. Als je steviger knijpt, betekent dat dat jij in de greep van de macht bent geraakt en dus zijn slachtoffer bent geworden”. Zoals het volgende een enigszins aangepaste richtlijn van Machiavelli zou kunnen zijn: “Een grote bevolking die door een kleine, maar machtige groep wordt bedwongen is in ons heelal een heel gewone situatie. En wij kennen de belangrijkste omstandigheden waarin deze grote bevolking zich tegen zijn onderdrukkers zal keren – Eén: Als ze een leider vinden. Dit is het ongrijpbare gevaar voor de machthebbers; zij moeten de leiders in bedwang houden. Twee: Als de bevolking zich bewust wordt van zijn ketenen. Houd het volk blind en ongeïnteresseerd. Drie: Als de bevolking hoop krijgt aan de dwang te kunnen ontkomen. Ze moeten nooit zelfs maar gaan geloven dat ontkomen mogelijk is!” Wie wil weten waarom onze parlementaire ‘democratie’ werkt, hoeft alleen maar te beseffen dat de bevolking aan geen van deze drie punten voldoet. Wat ook de bedoeling is van die parlementaire ‘democratie’: “Regeringen die stand houden, gaan in toenemende mate neigen naar aristocratische vormen. Er is in de geschiedenis geen regering bekend die aan dit patroon heeft kunnen ontkomen. En naarmate de aristocratie zich ontwikkelt, neigt de regering er steeds meer naar uitsluitend op te treden in het belang van de heersende klasse – of die klasse nu bestaat uit erfelijke vorsten, oligarchen van financiële machten of uit ingegraven bureaucraten”. Dat de poppetjes in de zogenaamd ‘volksvertegenwoordigende’ organen regelmatig wisselen, is daarbij overigens van nul en generlei belang.

Behoort de wijsheid “Als ik zwakker ben dan jij, vraag ik jou om vrijheid omdat dat bij jouw opvattingen hoort; ben ik sterker dan jij, dan neem ik jou je vrijheid af omdat dat bij mijn opvattingen hoort” ook tot die brokjes filosofie? Uiteraard wel. Én tot de keren dat Herbert verwijst naar planeet Aarde (wat hij bijvoorbeeld ook doet als hij Leto zich laat bezig houden met “een herbeschouwing van Chaucers tocht van Londen naar Canterbury waarbij hij vanaf Southwark alle plaatsen opnoemde” of diezelfde Leto iets laat opschrijven over “de gouden dagen (…) van voor Heisenberg, die de mensen liet zie door wat voor muren onze voorbeschikte redeneringen zijn ingesloten”), want van deze woorden zegt hij dat het “Woorden van een filosoof uit de oudheid”, zijn, “door Harq al-Ada toegeschreven aan ene Louis Veuillot”, een echt bestaand hebbende Franse ultramontaanse journalist uit de 19de eeuw. Maar “toegeschreven” staat kennelijk niet duidelijk uitgelegd in het woordenboek voor Wikipedia-schrijvelaars, want daar, in de ‘online encyclopedie’, wordt gezegd dat ze “misattributed” zijn, ten onrechte toegeschreven dus. Wat net het punt is van het genuanceerde woord ‘toeschrijven’. Al helemaal als je het ‘toeschrijven’ aan een ander, bijvoorbeeld ene Harq al-Ada overlaat.

Bij Wikipedia kunnen ze dus (zoals bekend) wel wat wijsheid gebruiken. En met die woorden ga ik deze boekbespreking eindigen. Kwestie van misschien ook ooit nog eens een Harq al-Ada te worden, een “Doorbreker van Gewoonte”, wat betreft het niet tot in het oneindige laten uitdijen van mijn boekbesprekingen. Gewoon lezen, dit Kinderen van Duin, zou ik zeggen, net zoals de vorige twee delen.

Björn Roose

vrijdag 10 oktober 2025

Duin Messias – Frank Herbert (boekbespreking door Björn Roose)

Duin Messias – Frank Herbert (boekbespreking door Björn Roose)
Het is nog maar van begin april (voor wie mijn boekbesprekingen met vertraging leest: 2025) geleden dat ik mijn bespreking van Duin, het eerste boek in de originele (van de hand van Frank Herbert zijnde dus, en niet van die van zijn zoon Brian Herbert in samenwerking met Kevin J. Anderson) serie publiceerde, en ik heb het tweede deel, voorliggend Duin Messias, toch al gelezen voor de maand augustus (nog eens: van 2025) om was. Dat wil drie dingen zeggen. Ten eerste: “even” is zeer relatief, ook als ik zoals in mijn bespreking van Duin schrijf “Ik laat voorlopig even de genoemde vervolgverhalen liggen waar ze liggen”. Ten tweede: ik voelde echt wel een drang om ook dit tweede deel te lezen, want het was (noch is, dat is het eigenlijk nooit) zo dat ik niks anders om lezen meer in mijn boekenkasten staan had (of heb). Ten derde: het derde deel, waarvan ik bij mijn vorige bespreking schreef dat ik het nog niet in mijn bezit had en niet van plan was “daar haast mee te maken”, is intussen wél in mijn bezit en ik heb er wél haast mee gemaakt. Ik kocht het tweedehands bij een winkeltje gespecialiseerd in science-fictionliteratuur in Nederland, waar ik meteen ook een ladinkje werken van J.G. Ballard op de kop tikte, omdat ik nu ook geen zin had om er zoveel voor te betalen als voor de rest van de serie samen, maar ik kocht het wel onmiddellijk na lezing van dit tweede deel.

Kortom, u raadt het al, ook dit tweede deel is me ten zeerste bevallen, en het zal mogelijk geen jaar meer duren vooraleer ik volledig door de serie heen ben. Zo ongeveer aan het tempo dat de iets minder verslaafde lezer zou aanhouden dus, al is het aanhouden van enig tempo bij het na mekaar lezen van de eerste twee boeken niet nodig: Duin Messias begint met een Voorwoord waarin in nog geen anderhalve bladzijde een korte samenvatting van het eerste boek wordt gegeven, iets wat ik wat betreft dit tweede boek niét zal doen, terwijl ik dat voor het eerste wél gedaan heb. Ik geef u qua korte inhoud alleen maar – citerend uit dat Voorwoord - mee dat keizer Paul na het vestigen van zijn macht over de planeet Duin “in de twaalf daaropvolgende jaren (…) zijn rijk [schiep]. Maar nu beginnen alle vroegere machtsgroeperingen zich te verenigen in een samenzwering tegen zijn persoon en tegen de legende van Muad’Dib, zoals hij wordt genoemd.” Wie aan de macht komt, moet zich vervolgens gaan bezig houden met aan de macht blijven, al dan niet langs genetische weg, iets wat zelfs ‘Vlaamse’ politici weten, een feit waardoor onze hedendaagse politiek een ronduit afgrijselijk aantal zonen en dochters ván telt. Iets wat dan weer net wat minder makkelijk is als het volk dat je aan de macht geholpen heeft in jouw naam en behoorlijk tegen je zin een universumwijde jihad begint, en jij, je zus en zo’n beetje alles wat het voor het zeggen heeft op je planeet voortdurend zo high als een kanarie rondloopt van de in sommige gevallen wel zeer geestverruimende “specie”, maar dat zijn natuurlijk de dingen die – samen met onder andere een eigenaardig soort moeder-oversten en uit dooie mensen gemaakte nieuwe mensen (ghola) - de Duinsaga zo apart maken. Dát en, bijvoorbeeld, stukjes filosofie als deze: “Grondwetten worden de ergst denkbare tirannie (…) Ze zijn georganiseerde macht van een dergelijke orde dat het volkomen overweldigend is. De grondwet is gemobiliseerde maatschappelijke macht en hij heeft geen geweten. Hij kan de hoogsten en de laagsten verpletteren en alle waardigheid en individualiteit uitbannen. Hij heeft een onstabiel evenwichtspunt en geen beperkingen.” Of: “De ingewikkelde bewoordingen van wettelijke bepalingen ontstonden vanuit de noodzaak voor onszelf het geweld te verbergen dat wij tegen elkaar in de zin hebben. Er bestaat slechts een gradueel verschil tussen iemand van een uur van zijn leven beroven en iemand van zijn leven beroven. Je hebt hem geweld aangedaan, zijn energie verteerd. Je moordplannen kunnen verscholen worden achter ingewikkelde eufemismen, maar achter elke machtsuitoefening over een ander zit toch uiteindelijk altijd de basisgedachte: ‘Ik voed me met jouw energie.’”

En dan zijn er natuurlijk ook nog de – als ik me dat goed kan herinneren – in het eerste deel niet of nauwelijks opduikende verwijzingen naar onze eigen planeet Aarde en een tijd tussen de huidige (of toch min of meer huidige) op die planeet en de gebeurtenissen rond Duin. Een tijd waarin de “Butlers” – kennelijk een soort supercomputers die vervolgens uitgebannen werden – een belangrijke rol speelden, maar ook tijden waarin Genghis Khan nog rond liep, of Hitler (“een keizer waar je in het voorbijgaan goed op moet letten”), of iemand “een wulkschelp uit de zee van Moeder Aarde” opraapte. Dingen die je de indruk geven dat Herbert al een spoor van kruimeltjes aan het leggen is naar het volgende boek, dingen die je al naar het lezen van dat volgende boek leiden.

“Duin is een van de zeldzame SF-boeken die unaniem geprezen worden”, lees ik op de achterflap, en ik kan me in ieder geval nu al aansluiten bij de loftuitingen in zoverre die betrekking hebben op deel één en deel twee van de serie geschreven door Frank Herbert, al hoorde ik vorige week van een, flink wat jonger zijnde, andere frequente lezer dat de meningen over de serie toch gemengd zijn. Maar diezelfde lezer zei me ook dat ze vooraleer de serie aan te vatten goed wou weten waar ze moest beginnen, dus ik neem aan dat ‘de serie’ intussen ook slaat op de boeken van de zoon, een vergissing die wellicht vlug gemaakt is door lezers die zich niet verdiept hebben in de ontstaansgeschiedenis ervan (van de serie, niet van de zoon). “Sindsdien wordt Duin tot de moderne klassieken van de science fiction gerekend, op één lijn met giganten als Asimovs Foundation-trilogie”, zie ik ten slotte ook nog op de achterflap. Dat zou ik nu niet meteen doen (in de science-fictionwereld is er weinig, zo niet helemaal niets, dat tegen Asimov op kan), maar ik heb tot nog toe in ieder geval geen enkele reden waarom ik lezing zou afraden.

Björn Roose

vrijdag 4 april 2025

Duin – Frank Herbert (boekbespreking door Björn Roose)

Duin – Frank Herbert (boekbespreking door Björn Roose)

Behalve dat Duin (of Dune, zoals het in het Engels heet) voor zover ik me kan herinneren het boek met de kortste titel is dat ik ooit besprak, moet ik aan het begin van deze – vermoed ik op dit moment – korte bespreking nog een paar dingen melden.

Ten eerste: ik heb noch Denis Villeuneuves Dune noch diens Dune: Part Two gezien en heb ook geen neiging daarin verandering te brengen. Niet omdat ik tegen het idee an sich ben, maar omdat er ná Duin, achteraf vaak Duin – Eerste boek genoemd, nog vijf sequels komen: Duin Messias, Kinderen van Duin, God-Keizer op Duin, Ketters van Duin en Duin Kapittel. Ik heb geen van die vervolgverhalen gelezen, maar wie dit eerste boek gelezen heeft – eventueel met inbegrip van de Aanhangsels over De ecologie van Duin, De godsdienst van Duin, de beweegredenen en doelstellingen van de Bene Gesserit, de bloemlezing uit de Edele Geslachten, en Termen van het keizerrijk -, weet ook dat dat boek niet het hele verhaal bevat. En als ik niet het hele verhaal gelezen heb, dan wil ik de film niet zien, om de eenvoudige reden dat de film vaak, op z’n zachtst gezegd, een ánder verhaal vertelt dan het boek en ik mijn lezing van het boek (of in casu de boeken) niet wil laten beïnvloeden door het zien van de film (in casu de films).

Ten tweede: ik laat voorlopig even de genoemde vervolgverhalen liggen waar ze liggen. Onder andere omdat ik het derde boek op dit moment nog niet in mijn bezit heb en niet van plan ben daar haast mee te maken. De andere vijf boeken zijn ergens in 2015, dus een aantal jaren vóór de hernieuwde hype (met behalve de reeds genoemde films ook strips en videospelletjes) rond het verhaal begon, samen in mijn bezit gekomen, dat ene boek zal er ook nog wel eens in komen. Voor u, als lezer van boekbesprekingen, heeft dat alvast het voordeel dat u niet overvoerd raakt met mijn vertelsels over deze zanderige verhalen.

Ten derde: ik heb géén plannen om, zelfs niet als ze toevallig op mijn weg zouden komen, de boeken van Brian Herbert, zoon van Frank, te kopen. Zoals ik ook al meegaf bij mijn bespreking van Reisdoel: menselijk brein van Isaac Asimov heeft zoon Brian immers een imperiumpje opgebouwd op de faam van zijn vader door samen met een andere science-fictionschrijver, Kevin J. Anderson, eerst drie prequels op diens Dune-serie te fabriceren, dan nóg eens drie die veel eerder in de tijd gesitueerd zijn, dan nog eens een stuk of zes boeken (ik ben de tel ergens kwijt geraakt) die zogezegd tussen de verschillende boeken van zijn vader in te situeren zijn, en dan opnieuw drie prequels, wat ‘s mans goed recht is, maar mij tot de – mogelijk voorbarige – conclusie leidt dat de ‘commerce’ het al lang overgenomen heeft van de kwaliteit. Ik volg in de stripwereld ook wel een paar series die overgegaan zijn naar andere tekenaars en/of andere scenaristen, maar ook daar haak ik van af als ik het sop niet meer de kolen waard vind, en strips nemen minder plaats in beslag dan boeken.

Ten slotte: ik lees wel eens vaker science fiction en kan, omdat het toch een beetje een niche is, niet nalaten om het werk van de ene te vergelijken of minstens in verband te brengen met het werk van de andere. Ik noemde hierboven al Isaac Asimov, toch wel mijn favoriet onder de science-fictionauteurs, wiens Foundation-trilogie ik eerder besprak, en vergelijken met zijn werk ligt eigenlijk voor de hand. Tim O’Reilly, onder andere bekend van het bedenken van de term ‘Web 2.0’, maar in 1981 ook schrijver van een monografie over Frank Herbert (zijn eerste boek, trouwens) vond dat in ieder geval óók. Hij zei dat Dune “duidelijk een commentaar op de Foundation-trilogie” was, waarbij “Herbert gekeken had naar dezelfde denkbeeldige situatie die Asimovs klassieker uitlokte – de ondergang van een galactisch imperium”, maar dan met “andere vooraannames” en “radicaal andere conclusies”. “The twist he has introduced into Dune is that the Mule, not the Foundation, is his hero”, voegt O’Reilly daar nog aan toe, waarmee kenners van de Foundation-serie (of zelfs alleen maar van de trilogie, want Asimov heeft zelf voor een hele serie prequels en sequels op die trilogie gezorgd) zich meteen een beeld kunnen vormen van het hoofdpersonage van dit eerste boek, Paul Atreides. Een hoofdpersonage dat mij dan weer deed denken aan bepaalde figuren uit Het veelkleurig land van Julian May (van wie ik altijd gedacht heb dat het een man was, maar die bij opzoekingswerk voor deze bespreking een vrouw bleek te zijn), ook al een science-fictionserie (bestaande uit vier delen, maar gevolgd door nog eens vijf onder een andere noemer), al was die laatste (als ik me dat goed herinner, want het is vele jaren geleden – van lang voor ik boekbesprekingen schreef – dat ik ze gelezen heb) volgens mij duisterder qua inslag dan Duin.

Waarmee ik toch zo’n beetje de langste inleiding tot een vermoedelijk korte boekbespreking ooit moet geschreven hebben. Wat niet erg is omdat ik over de inhoud van dit boek nauwelijks ga uitweiden. Met enige moeite zou ik die dan ook samen kunnen vatten als: ‘Hertog krijgt gebied van keizer, maar keizer spant op de achtergrond samen met de voormalige leenheer om hem dat gebied terug af te nemen, en slaagt daar ook in. De zoon van de hertog lukt het echter om samen met zijn moeder te ontsnappen, hij sluit zich aan bij een bende outlaws, en kan samen met hen zijn wettig erfgoed terug veroveren.’ Een beetje kort door de bocht uiteraard, maar het geeft toch aardig weer wat er in die ietsje meer dan vijfhonderd bladzijden gebeurt en het wijst ook op een duidelijk verschil met de verhalen van Asimov: hertogen en tutti quanti zijn wel degelijk spelers in dit verhaal, en ze gaan mekaar ook nog te lijf met zwaarden, pijlen, enzovoort. Wat niet belet dat ze - als het “Gilde” dat toestaat - zich met ruimteschepen verplaatsen van de ene planeet naar de andere, zichzelf, voertuigen en gebouwen kunnen uitrusten met een soort van elektronische schilden, machientjes hebben om, bijvoorbeeld, zichzelf een beetje te helpen leviteren, en vrij massaal aan de drugs zijn (het belang dat de keizer in de planeet Duin schept, is dan ook het daar kunnen vinden van die drugs, specie genaamd). Een beetje een eigenaardige mix dus, maar wel een die prima werkt.

Voeg daar de uit een halve bij mekaar gefantaseerde bibliotheek gehaalde citaten van Prinses Irulan (dochter van de reeds genoemde keizer) aan toe, mensen die met je gedachten kunnen knoeien, wat fraaie beelden van de woestijn, monsterlijke wormen, een stam die een godsdienst aanhangt die ergens het midden houdt tussen zen-boeddhisme en islam (inclusief sharia en shaitan), en een stukje wetenschap over ecologie-terravorming, en je hebt een werkzaam recept voor wat een pracht van een avonturenverhaal kan worden en dat ook simpelweg is. Bad guys zijn bij Frank Herbert echt bad, good guys zijn niet echt good, de filosofie zit minder over het verhaal verspreid dan bij elk van Asimovs verhalen het geval is (al was Frank Herbert filosofisch zeker een interessant figuur en zijn er zelfs critici te vinden die hem enig gedram op dat gebied verwijten), maar als een regisseur iets aannemelijks weet te maken van de gedachtenprocessen van de “mentats”, van Paul en van zijn moeder Jessica (en het aannemelijk verfilmen van gedachtenprocessen lijkt een van de moeilijkste zaken in de filmwereld), dan is alvast dit eerste boek uit de serie met de moderne technische middelen (en genoeg financiële middelen) perfect verfilmbaar (al kan het dan nog steeds een gedrocht worden als de tv-serie rond de Foundation).

Een boek dat goed is voor een vele uren durende ontsnapping naar een ander universum dus.

Björn Roose