Posts tonen met het label Graham Greene. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Graham Greene. Alle posts tonen

dinsdag 4 maart 2025

De stille Amerikaan – Graham Greene (boekbespreking door Björn Roose)

De stille Amerikaan – Graham Greene (boekbespreking door Björn Roose)

Tegen dat u deze boekbespreking leest, zijn we wellicht al een paar maanden gevorderd in 2025, maar De stille Amerikaan van Graham Greene was het eerste van een serie van acht boeken die ik las tussen 23 december 2024 en 3 januari 2025, daarmee wellicht een persoonlijk record vestigend, zij het dan niet wat het totaal aantal bladzijden van die acht boeken betreft. Er was er eentje bij van honderdentien bladzijden, eentje van vierennegentig, twee van negentig, eentje van achtenzeventig, eentje van tweeënzestig, en zelfs eentje van amper vierenvijftig bladzijden, waardoor voorliggend boek, hoewel het zoals die andere in pocketformaat verscheen, met zijn net geen tweehonderd bladzijden nog het dikste was van het hoopje.

Tweehonderd welbestede bladzijden, dien ik daar aan toe te voegen inzake deze uit de jaren 1990 daterende bij Sijthoff verschenen heruitgave van een in 1956 bij Contact uitgegeven Nederlandse vertaling van de hand van H.J. Scheepmaker van het een jaar daarvoor op de markt gekomen Engelstalige origineel The quiet American. Op de voorpagina wordt het boek aangeprezen als “Zijn fascinerende Vietnam-roman” (waarbij “zijn” uiteraard slaat op ‘van Graham Greene’), en die roman speelt zich inderdaad af in Vietnam – het Vietnam dat toen nog door Frankrijk bezet werd gehouden (of toch het Vietnam dat Frankrijk bezet probeerde te blijven houden) -, maar de achterflap maakt al duidelijk dat De stille Amerikaan, net zoals De tiende man en Onze man in Havana, de boeken die ik eerder van Greene las en besprak, méér is dan een boek over een aantal historische feiten, zelfs al grijpt Greene ook voor dit verhaal terug op zijn ervaringen als medewerker van MI6 (de Britse Military Intelligence, Section 6 ofte Secret Intelligence Service) en journalist. In The New York Times werd in het naar aanleiding van zijn overlijden begin april 1991 verschenen artikel Graham Greene, 86, Dies: Novelist of the Soul, dan ook terecht over hem gesproken als “a superb storyteller with a gift for provoking controversy by writing topical novels in political settings”, al werd er meteen aan toegevoegd: “Spiritual problems, however, were frequently overshadowed, especially for readers in this country [‘t is te zeggen, de Verenigde Staten, noot van mij], by Mr. Greene’s distaste for what he regarded as American hypocrisy and materialism. ‘The Quiet American’ (1956) and ‘The Comedians’ (1966), for example, offended some readers because of their criticism of United States policies in Vietnam and Haiti.

“(…) offended”, inderdaad, ‘beledigde’. Wat natuurlijk ieders goed recht is, zich beledigd voelen. En wat een ander nooit mag verhinderen te schrijven, te zeggen, te verbeelden wat voor iemand ‘beledigend’ is. Al helemaal niet als het ook nog eens zo heel erg waar is, of minstens waarachtig, als wat de Engelsman Greene meegaf over dat Amerikaanse beleid (beleid dus van een overheid die toen nog niet officieel tot de belligerente partijen te rekenen was) en dat uiteindelijk een minstens even grote rol speelt in de verhoudingen tussen de hoofdpersonages als de liefde die de achterflapschrijvelaar kennelijk geneigd was aan te duiden als terzake beslissend: “Een Engelse oorlogscorrespondent die al jaren in Saigon woont, wordt door de politie ondervraagd over de moord op de jonge Amerikaanse diplomaat Pyle, van wie men vermoedt dat hij voor de inlichtingendienst werkte. De cynische Fowler heeft Pyle goed gekend en door zijn ogen krijgt de lezer een beeld van de gedode Amerikaan. Dat beeld is echter niet altijd even zuiver, want Pyle stond op het punt te trouwen met Fowlers Vietnamese vriendin.” Een mening die ik niet deel om meerdere redenen: 1) Fowler is hard, maar hij is dat eerder voor zichzelf dan voor anderen (inclusief Pyle en hun gemeenschappelijke liefde); 2) Fowler blijkt in de loop van het verhaal bereid zijn verlies te accepteren wat de liefde betreft, vooral omdat hij zo hard is voor zichzelf, maar wil dat niet waar het zijn liefde aangaat voor de gewone mensen, de burgers, de kinderen, de moeders van het land waar Frankrijk één oorlog vecht en de Amerikanen er een tweede aan het organiseren zijn; 3) Fowler wil zélfs wetende dat zijn Vietnamese vriendin opportunistisch genoeg is om desnoods een andere westerling aan de haak te slaan als ze er economisch maar op vooruitgaat en, bij voorkeur, weg kan komen uit het land, nog weg uit z’n kapotte huwelijk, maar doet, ondanks andere voornemens, niet de voor de hand liggende poging Pyle van die vriendin weg te houden door hem echt duidelijk te maken hoe opportunistisch ze wel is. “Ik sta er buiten. Ik sta er helemaal buiten”, is zo’n beetje het Leitmotiv dat Fowler zich aanmeet, maar zoals anderen rondom hem meerdere malen vaststellen, is dat echt niet het geval. Iets wat hij zelf eigenlijk ook best weet: “Het bezit van een lichaam scheen die nacht iets heel onbelangrijks – misschien had ik overdag te veel lichamen gezien die aan niemand toebehoorden, niet eens aan zichzelf.” Of: “Ik ben in India geweest, Pyle, en ik weet hoeveel kwaad liberalen doen. Wij hebben geen liberale partij meer – het liberalisme heeft alle andere partijen aangestoken. We zijn allemaal óf liberale conservatieven óf liberale socialisten: we hebben allemaal een goed geweten. Ik zou liever een uitbuiter zijn die vecht voor wat hij uitbuit en ermee ten onder gaat. Neem de geschiedenis van Birma. Wij komen het land binnenvallen; de inheemse stammen steunen ons; wij overwinnen; maar net zomin als jullie Amerikanen, ware wij kolonisten in die tijd. O nee, we sloten vrede met de koning en gaven hem zijn rijk terug en lieten onze bondgenoten aan hun lot over met het gevolg dat ze gekruisigd en doormidden gehakt werden. Ze waren onschuldig. Ze dachten dat wij zouden blijven. Maar wij waren liberalen en we hadden het land aan een slecht geweten.” Zelfs al laat Fowler die laatste woorden quasi meteen volgen door: “Ik weet niet waarom ik over politiek praat. Politiek interesseert me niet en ik ben verslaggever. Ik ben niet geëngageerd.”

Veel meer kan ik u ook niet meegeven zonder de roman voor u te bederven, maar ik wil hier toch wel aan toevoegen dat De stille Amerikaan wel degelijk óók een “Vietnam-roman” is. Er wordt geschoten, er wordt gebombardeerd, er wordt samengewerkt door onwaarschijnlijke partijen, de waanzin is steeds dichtbij: “(…) ik haalde mijn dobbelsteen te voorschijn voor het rituele spelletje Quatre-vingt-et-un. Hoe roepen die cijfers en het zien van dobbelstenen de oorlogsjaren in Indo-China in mijn herinnering terug. Als ik waar ook ter wereld twee mannen zie dobbelen, loop ik weer door de straten van Hanoi of Saigon of tussen de platgeschoten huizen van Phat Diem, zie ik de parachutisten, als rupsen beschermd door hun vreemde schutkleuren, patrouilleren langs de kanalen, hoor ik het vuur van de granaatwerpers naderbijkomen, en zie ik misschien een dood kind.” Een dood kind in een sampan eventueel: “Weer doken we omlaag, weg van het knoestige en doorkloofde woud in de richting van de rivier, scheerden in glijvlucht over de verwaarloosde rijstvelden en schoten als een kogel op een kleine sampan af in de gele stroom. Het boordkanon gaf één enkele vuurstoot van lichtspoormunitie en de sampan spatte uiteen in een regen van vonken. We wachtten niet eens om onze slachtoffers voor hun leven te zien vechten, maar klommen snel en koersten op huis aan. Ik dacht weer, evenals toen ik in Phat Diem dat dode kind zag: ‘Ik haat oorlog.’ Er was zoiets stuitends geweest in de plotselinge, willekeurige manier waarop we ons een prooi hadden uitgekozen – we waren toevallig langsgekomen, één enkele vuurstoot was voldoende, er was niemand om ons vuur te beantwoorden, en weg waren we weer, na op onze bescheiden wijze iets te hebben bijgedragen tot het dodental van deze wereld. Ik zette mijn koptelefoon op zodat kapitein Trouin tegen me kon spreken. Hij zei: ‘We zullen een kleine omweg maken. De zonsondergang boven de calcaire is prachtig. Dat mag je niet missen,’ voegde hij er vriendelijk aan toe, als een gastheer die de mooie plekjes van zijn landgoed laat zien, en honderdvijftig kilometer lang vlogen we de zon achterna over de Baie d’Along. Het gehelmde Marsgezicht keek weemoedig naar buiten, op de gouden bosschages tussen de grote bulten en koepels van poreuze steen, en de wond van de moord hield op te bloeden.”

Vergelijk dat met wat Pyle zegt als de Amerikaanse bondgenoten een bomaanslag gepleegd hebben waarbij louter burgerslachtoffers zijn gevallen en je weet trouwens dat niet Fowler de cynicus is: “Het waren maar oorlogsslachtoffers (…) Het was jammer maar je kunt niet altijd raak mikken. In elk geval zijn ze voor de goede zaak gevallen (…) In zekere zin zou je kunnen zeggen dat ze voor de democratie zijn gevallen.” Zoals ‘leiders’ in de Verenigde Staten en Europa zichzelf en ons proberen wijs te maken dat ze al die jongens en meisjes in Oekraïne naar het front sturen om “de democratie” te verdedigen, nietwaar? Alleen al daarom de moeite van het lezen waard, dit boek van Graham Greene.

Björn Roose

dinsdag 21 juni 2022

Onze man in Havana – Graham Greene (boekbespreking door Björn Roose)

Onze man in Havana – Graham Greene (boekbespreking door Björn Roose)
Sta me toe ter inleiding van deze boekbespreking even terug te keren naar mijn bespreking van het boek De tiende man van dezelfde auteur, Graham Greene. In de inleiding daarvan had Greene het namelijk niet alleen over de ontstaansgeschiedenis van De tiende man, maar ook over drie filmscenario’s: dat van De derde man (dat verfilmd werd), dat van Jim Braddon en de oorlogsmisdadiger (niet verfilmd) en dat van Niemands schuld (dito). Ik schreef over dat laatste toen “(…) dat het beslist ofwel een zeer verwarrende film was geworden ofwel een ronduit hilarische (...). ‘(…) in vereenvoudigde, zij het mijns inziens niet noodzakelijk verbeterde vorm’, dixit Greene, zou het later weer opduiken ‘als een roman met de titel Onze man in Havanna’. Een roman die MI5 (de Britse Security Service of Military Intelligence, Section 5) stappen deed zetten bij MI6 (de Secret Intelligence Service of Military Intelligence, Section 6) ‘wegens schending van officiële geheimen’. MI6, waarvoor Greene zelf gewerkt had, zag dat echter niet zitten en er kwam niks van in huis (…)”.

Op het einde van die boekbespreking schreef ik dat ik “nóg een viertal boeken van Graham Greene in mijn kast staan [had] (waaronder het eerder genoemde Onze man in Havanna)” en van het lezen dáárvan is nog geen half jaar na mijn vorige Greene-bespreking toch wél het een en ander in huis gekomen. Te beginnen met het mezelf afvragen of de titel van het boek nu Onze man in Havana of Onze man in Havanna moest wezen. In de inleiding tot De tiende man heeft Greene het namelijk wel degelijk over Onze man in Havanna, maar de titel van voorliggend boek, uitgegeven bij Sijthoff in 1961, is dus Onze man in Havana. De oplossing van het raadsel ken ik niet, maar enig opzoekingswerk leert me wel dat Havana in nogal wat talen, waaronder in het Nederlands, wel eens als Havanna gespeld wordt, wat in die talen ook telkens tot titelvertalingen in die aard leidde. Voor zover ik weet niet in het Nederlands, maar vertaler Peter Bergsma was duidelijk niet de enige die daardoor in de war raakte.

En in vergelijking met de verwarring die in het verhaal zélf heerst, is het geharrewar met de titel ervan natuurlijk niks. Zelfs al lijkt de beschrijving op de achterflap nog behoorlijk straightforward: “‘Onze man in Havana’, de met vaart en humor vertelde avonturen van een Engelsman op Cuba die voor de inlichtingendienst gaat werken en zijn opdrachtgevers ervan overtuigt dat hij een van hun ster-agenten is, zonder dat hij ooit enige echte informatie doorgeeft. Maar om hem heen zijn wel degelijk mensen die zich op een serieuze manier met spionage bezighouden. En onder hen vallen slachtoffers.” De uitgever heeft, zoals u ziet, niet geaarzeld om het verhaal “weg te geven” op de achterflap, ik aarzel op mijn beurt niet, je voelt per slot van rekening al van bij de eerste bladzijden aan je water dat het met “onze man” helemaal mis gaat lopen, maar merkt aan de humoristische stijl (die helemaal ontbrak in het eerder genoemde De tiende man) ook dat het desondanks wel goed komt. Ja, er vallen enige slachtoffers, maar de hoofdpersonen redden het prima. Een beetje oneerbiedig zou ik Onze man in Havana dan ook een feelgoodroman durven noemen.

Ik zal mij bij de verdere bespreking van dit boek trachten te onthouden van het in detail weergeven van de plot, maar geef u gaarne mee wat Greene aan het begin van dit boek schrijft: “Bij een sprookje als dit, dat zich afspeelt in een slechts vaag aangeduid toekomstig tijdvak, mag het onnodig heten alle overeenkomst tussen mijn figuren en werkelijk bestaande personen te loochenen. Toch stel ik er prijs op te verklaren, dat geen van de figuren uit dit boek naar een levend model is getekend, dat er bij het tegenwoordige Cubaanse politiekorps geen enkele officier dient die op kapitein Segura lijkt en dat er zeer beslist geen Engelse gezant in Cuba is van de soort die ik heb geschetst. Ook kan ik me met geen mogelijkheid voorstellen, dat de Chef van de Geheime Dienst de geringste gelijkenis vertoont met het denkbeeldige type uit mijn verhaal.” Of dat laatste klopt, weet ik natuurlijk niet, en of hij dat zich niet kon voorstellen al evenmin (hij had per slot van rekening, zoals gezegd, wel voor de Britse geheime dienst gewerkt), maar Our man in Havana, zoals het boek in het Engels heet, verscheen in 1958 en de achtergrond van het “sprookje” is in ieder geval niet helemaal uit de duim gezogen: ergens in de Sierra Maestra, de bergketen ten westen van Santiago (de Cuba) zaten op dat moment de rebellen van Fidel en Raul Castro en de latere beul Ernesto ‘Che’ Guevara (Greene kon het weten, want hij vervoerde in 1957 als koerier warme kleren naar die rebellen). Het zou nog tot Nieuwjaar 1959 duren vooraleer de zetelende president Batista de benen zou nemen, maar 7 dagen later kon de baardigste van de Castro’s zich uitroepen tot eerste minister. En die wapenonderdelen die het regime naar een of andere geheime plek in de bergen aan het verslepen is om ze te richten op wie weet welk doel lijken natuurlijk een kijkje in de toekomst richting de Cubacrisis die zich in 1962 zou voordoen, maar zoiets kan niet meer dan een vermoeden van de auteur geweest zijn.

Los daarvan speelt in dit verhaal alles wat je kan verwachten van een spionageroman uit de jaren 1950-1960 in Zuid-Amerika: Russen, Amerikanen, Engelsen, Duitsers die enigszins twijfelachtig staan tegenover wat zich een paar decennia eerder in hun land heeft voorgedaan, katholieken en bijgelovigen, microfilms en kluizen, mensen die martelen en mensen die gemarteld zijn, en een langzaam vergaande westerse invloed tegenover een sterk toenemende verhitting van de omgangsvormen. En uiteraard “onze man” Wormold, z’n vriend dr. Hasselbacher (al dan niet met Pickelhaube op), z’n dochter Milly (officieel Seraphina), de man die hem werft als spion Hawthorne, de Chef, z’n (toekomstige) secretaresse en (nog toekomstiger) vriendin Beatrice, z’n bediende Lopez, voornoemde kapitein Segura, 59200/5/4 ofte de piloot Raul Dominguez en andere spionnen (een ingenieur, een professor, een hoofdmachinist, een naaktdanseres) ontsproten aan Wormolds verbeelding, stofzuigeronderdelen, onkostendeclaraties en – zonder de plot te verklappen; ik kan dat – citerenswaardige stukjes.

Dit bijvoorbeeld: “(…) als een land wordt omsingeld, zoals met Rusland het geval is, dan probeert het natuurlijk van binnen uit een gat te boren” (een inzicht dat sommige mensen, “leiders” vooral, in onze tijden nog steeds mankeren). Of dit: “Een van de redenen waarom het Westen zo’n hekel heeft aan de communistische staten is, dat die de klasseverschillen niet erkennen. Soms martelen ze de verkeerde mensen. Dat heeft Hitler ook gedaan en daarmee heeft hij de wereld tegen zich in het harnas gejaagd. Het kan niemand schelen wat er bij ons of in Lissabon of in Caracas in de gevangenissen gebeurt, maar Hitler koos zijn slachtoffers verkeerd. En dat vonden de mensen schandelijk (…)”. Of dit: “De Duitsers vormden een afzonderlijke groep; ze stonden bij de muur aan de westkant, een situatie die wel iets toepasselijks had. De superioriteit van de Deutschmark lag als een Mensur-litteken op hun gezicht. Hun nationale eer, die Bergen-Belsen had overleefd, hing nu af van de wisselkoers” (die eer zijn ze dan ook kwijt sinds de Deutschmark begraven is). Of dit: “Ze kunnen wel statistieken publiceren en bevolkingscijfers van honderdduizenden, maar voor ieder mens bestaat een stad slechts uit een paar straten, een paar huizen en een paar mensen. Als die verdwijnen, bestaat de stad voor hem nog slechts als een trieste herinnering, of als de pijn in een afgezet been.” Of, ten slotte, dit: “O ja, dat is waar ook. Er is iets nog belangrijkers dan je vaderland, nietwaar? Dat hebben jullie ons geleerd met de Verenigde Naties en het Atlantisch Pact en de NATO en de UNO en de SEATO. Maar die namen betekenen voor de meesten van ons niets meer dan alle mogelijke andere afkortingen: U.S.A. en U.S.S.R. En we geloven jullie niet meer, als je beweert, dat het je te doen is om vrede en rechtvaardigheid en vrijheid. Wat voor vrijheid? Het enige wat jullie interesseert, is je carrière.” Dat is er óók zo een waar mensen wat vaker zouden moeten aan denken als er weer eens een politicus komt aandraven met zijn of haar liefde voor de vrijheid, het “westen”, de NAVO, de Verenigde Naties of welk hoogdravend letterwoord dan ook. Ik schreef al in mijn bespreking van De tiende man dat Greene “behept was met een zekere bewondering voor de Líder Máximo”, maar hij was ook wat dat betreft niet te beroerd om een en ander in vraag te stellen. Zoals hij zei in een vraaggesprek met een Franse journalist in 1983: “Ik bewonder zijn moed en zijn efficiëntie, maar ik stel zijn autoritarisme in vraag. Alle succesvolle revoluties, hoe idealistisch ook, verraden zichzelf waarschijnlijk na verloop van tijd.” Da’s een inzicht waar “democratische” politici net als minder “democratische” een stuk moeilijker toe komen: ze zien zelden of nooit in dat je een eens ingeslagen pad ook weer kan verlaten. Liever liegen ze en draaien ze dan terug te keren op hun stappen.

Björn Roose

dinsdag 28 december 2021

De tiende man – Graham Greene (boekbespreking door Björn Roose)

De tiende man – Graham Greene (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb er echt geen idee van waarom, maar ik verwar Graham Greene wel eens met Ernest Hemingway (van wie ik eerder het boek Mannen zonder vrouwen besprak). Goed, Greene stond op de shortlist voor de Nobelprijs voor Literatuur in zowel 1966 als 1967 en Hemingway in 1954, maar die laatste wón hem ook. En ze hadden allebei iets met Cuba: bij Hemingway hield dat op toen Fidel Castro daar de macht overnam (in 1959 verliet hij het eiland na daar sinds 1939 bijna permanent gewoond te hebben), bij Greene (die behept was met een zekere bewondering voor de Líder Máximo) begon het pas toen Fidel Castro al bijna aan de macht was. Maar los daarvan… Geen reden om die twee te verwarren.

Of het zou het feit moeten zijn dat er van beide auteurs vrij veel boeken werden verfilmd. Van Hemingway A Farewell to Arms, For Whom the Bell Tolls, To Have and Have Not, The Killers, The Macomber Affair, The Snows of Kilimanjaro, The Sun Also Rises, The Old Man and the Sea, en Islands in the Stream. En van Greene onder andere Stamboul Train (verfilmd als Orient Express), Brighton Rock, The End of the Affair, The Quiet American, A Gun for Sale, The Honorary Consul en een hele hoop films waarvoor hij het scenario schreef. Dat laatste was onder andere het geval met The Third Man en het is met The Third Man dat ik de eigenlijke bespreking van De tiende man (The tenth man) begin. Waarom? Omdat Greene dat in zijn inleiding óók doet:

“In 1948, toen ik aan De derde man bezig was, schijn ik volledig het bestaan vergeten te zijn van een verhaal dat De tiende man heette en dat als een tikkende tijdbom ergens in de archieven van Metro-Goldwyn-Mayer in Amerika lag. In 1983 schreef een onbekende me vanuit de Verenigde Staten met de mededeling dat een verhaal van mijn hand, De tiende man getiteld, door MGM te koop werd aangeboden aan een Amerikaanse uitgever. Ik vatte de zaak niet ernstig op. Ik meende me – abusievelijk, naar zou blijken – een ruwe schets te herinneren die ik tegen het einde van de oorlog geschreven had ingevolge een contract met mijn vriend Ben Goetz, de vertegenwoordiger van MGM in Londen. Deze schets had misschien twee getypte velletjes beslagen, zodat er geen gevaar voor publikatie leek te bestaan, te meer daar het verhaal nooit verfilmd was. (…) Toen kwam kort geleden het verbazingwekkende en onrustbarende bericht dat de heer Anthony Blond een aanzienlijke som had neergeteld voor alle boek- en feuilletonrechten op dat mysterieuze verhaal, waarbij de schrijversroyalties uiteraard aan MGM zouden worden uitgekeerd. Hij was zo hoffelijk me het typoscript toe te zenden om daarin net zoveel veranderingen aan te brengen als ik maar wilde, en het bleek geen ruwe schets van twee pagina’s te zijn maar een complete novelle van zo’n dertigduizend woorden.”

Dat kán natuurlijk allemaal een verkoopspraatje zijn, maar dat word gecombineerd met nog twee filmscenario’s die dan weer niét verfilmd zijn (toch nog niet op het moment dat De tiende man verscheen bij Bert Bakker, in 1985), wat de inleiding tot het boek toch wel lezenswaardig maakt. Over Jim Braddon en de oorlogsmisdadiger, het eerste scenario, vertel ik u niks; over Niemands schuld geef ik u graag mee dat het beslist ofwel een zeer verwarrende film was geworden ofwel een ronduit hilarische (‘t is bijna zo’n toneelstuk met mensen die telkens weer in gezelschap van de ene langs de ene deur buiten gaan om al dan niet met vermomming en in gezelschap van iemand anders langs een andere weer binnen te komen). “(…) in vereenvoudigde, zij het mijns inziens niet noodzakelijk verbeterde vorm”, dixit Greene, zou het later weer opduiken “als een roman met de titel Onze man in Havanna”. Een roman die MI5 (de Britse Security Service of Military Intelligence, Section 5) stappen deed zetten bij MI6 (de Secret Intelligence Service of Military Intelligence, Section 6) “wegens schending van officiële geheimen”. MI6, waarvoor Greene zelf gewerkt had, zag dat echter niet zitten en er kwam niks van in huis, net zoals het geen zoden aan de dijk zal zetten als ik de mensen van Bert Bakker (intussen als “fonds” ondergebracht bij Uitgeverij Prometheus) er op wijs dat het dus niét “M15” (M Vijftien) en “M16” (M Zestien) zijn, wat de vertaler (Peter Bergsma) er kennelijk wél van gemaakt heeft.

Dat gezegd zijnde, De tiende man is ook los van die inleiding zeer het lezen waard. De plot, zoals weergegeven in korte lijnen op de achterflap (geen spoiler alert dus), is deze: “In een gevangenis moet als represaillemaatregel elke tiende man worden doodgeschoten. Tien mannen trekken strootjes. Een rijke man trekt het langste strootje. Biedt al zijn geld aan aan degene die zijn plaats wil innemen. Een man gaat akkoord, omdat zo in ieder geval voor zijn familie is gezorgd, en wordt geëxecuteerd. De rijke man gaat later, als hij is vrijgelaten, in vermomming op bezoek bij de familie die nu al zijn geld en bezittingen heeft, terwijl hijzelf niets anders heeft dan zijn leven.”

‘t Is te zeggen, dat was de oorspronkelijke plot: in de uiteindelijke versie zitten er dertig man in een Franse gevangenis onder Duits bevel en moeten er dus drie geëxecuteerd worden ten gevolge van een (verzets?)actie in de stad tegen de Duitse bezetter. En “de rijke man” is heus niet de enige die probeert het toeval te snel af te zijn: de ene vindt dat de oudsten minder te verliezen hebben, de andere dat vrijgezellen voor mogen gaan. Maar als ze tot het besluit komen te loten, komt “de rijke man” wél met een ideetje om zichzelf te redden: als de burgemeester voorstelt “in alfabetische volgorde [te] trekken”, duwt hij er door dat het dan “te beginnen met de Z” moet zijn. Hij heet immers Chavel, Louis Chavel, en de berekende gok is dat zo goed als iedereen aan de beurt zal geweest zijn vóór hem en dat er dus weinig kans is dat hij nog een met een x’je gemarkeerd briefje zal in handen krijgen. Wél dus… en da’s het moment waarop hij eerst “honderdduizend franc” biedt aan wie het lot van hem wil overnemen en vervolgens “geld, land, alles, St. Jean de Brinac”.

Ene Janvier hapt toe, alles wordt netjes op papier gezet in het bijzijn van twee getuigen, en Janvier verwisselt het tijdige met het eeuwige in plaats van Louis Chavel: “Filosofen zeggen dat verleden, heden en toekomst tegelijkertijd bestaan, en zeker is dat in deze dichte duisternis menig verleden tot leven kwam: een vrachtauto reed de Boulevard Montparnasse op, een meisje bood haar mond aan om gekust te worden en een gemeenteraad koos een burgemeester: en in de gedachten van drie mannen stond de toekomst even onwrikbaar vast als hun geboorte – vijftig meter sintelpad en een bakstenen muur vol blutsen en gaten.”

Alleen weet Chavel reeds vóór het zover is dat hij de moeilijke weg heeft gekozen: “Nu zijn hysterie voorbij was, scheen het Chavel toe dat dat simpele pad in feite oneindig veel aantrekkelijker was dan de lange, duistere weg die zijn eigen voeten hadden te gaan.” Wat ook klopt: hij mag zijn naam dan wel veranderd hebben naar Jean-Louis Charlot, maar zijn vrijlatingspapieren uit de gevangenis zijn geen hulp bij het opnieuw vinden van werk en van op de straat weer advocaat worden zit er niet in. Wie vroeger voor hem boog als een knipmes, negeert hem nu bovendien. Er was duidelijk respect voor zijn geld, niet voor hem.

Dus trekt hij als bedelaar naar zijn vroegere huis in St. Jean de Brinac, dat intussen effectief in bezit is genomen, zij het enigszins halfhartig, door de zus en moeder van Janvier. De moeder denkt dat Janvier ergens in het buitenland zit en goed geld verdient en daarmee die villa voor hen gekocht heeft, de zus laat zich door “Charlot” wijsmaken dat hij een van de mannen was die met Janvier in de cel gezeten heeft en neemt hem als een soort van “klusjesman” in dienst. Zij weet echter wél dat ze het huis en het geld te danken hebben aan het feit dat Janvier zich heeft laten kopen door Chavel… en ze is noch Janvier noch Chavel daar dankbaar voor. Als ze Chavel ooit voor de loop van haar geweer krijgt, zegt ze, knalt ze hem af.

Méér dan basis genoeg dus om ook nog de volgende zestig bladzijden te voorzien van een rijke intrige: haat en liefde komen wel zéér sterk bij mekaar te liggen en dan komt er ook nog een derde hond in het spel. Wie dát is, ga ik u lekker zelf laten uitzoeken, net zoals ik u niet aan uw neus ga hangen hoe een en ander uiteindelijk afloopt, maar ik geef nog graag dit citaat mee: “De dood is geen persoonlijke aangelegenheid: het is niet maar zo dat het lichaam ophoudt met ademhalen en dat het daarmee afgelopen is – gefluister, getinkel, het kraken van een plank, water dat in een gootsteen stroomt. De dood was als een operatie die inderhaast werd uitgevoerd zonder de juiste medische begeleiding – of als een geboorte. Men verwachtte elk moment het gehuil van de pasgeborene te zullen horen, maar al wat men uiteindelijk hoorde was stilte. De kraan werd dichtgedraaid, het glas verstomde, de planken hielden op met kraken.”

Ik heb hier nóg een viertal boeken van Graham Greene in mijn kast staan (waaronder het eerder genoemde Onze man in Havanna), maar dit De tiende man was alvast een mooie kennismaking met zijn werk. En dat voor een boek waarvan de auteur zelf het bestaan was vergeten...

Björn Roose