Laat ons wel wezen: als u één boek kent van Aldous Huxley, dan is
het niet voorliggend De ogen uitgestoken, maar het – vaak in
één adem met George Orwells 1984 genoemde – Brave New
World. De voornaamste reden daarvoor is ongetwijfeld dat ook
anderen vóór u (en mij) dat boek gelezen hadden en er op z’n
minst uit hadden onthouden dat het ‘belangrijk’ was. Lezen doet
immers lezen. Maar Brave New World heb ik, in tegenstelling
overigens tot Brave New World Revisited,
niet meer gelezen sinds ik boekbesprekingen schrijf, dus kan ik u dát
niet aanbevelen (wat uiteraard een leugen is, ik beveel het u aan),
wat ik met De ogen uitgestoken wél zou kunnen doen. Maar niet
zal doen. En daar zijn een aantal, naar uw eigen oordeel,
goede of slechte redenen voor.
Een reden die noch goed noch slecht is, is het feit dat dit in 1936
voor het eerst verschenen boek in het Engels Eyeless in Gaza
heet, wat in tijden waarin – ondanks het feit dat er de jongste
maanden van alles gedaan is om er de aandacht van af te leiden –
vele ogen op Gaza gericht zijn, enigszins misleidend kan wezen. Dit
boek heeft namelijk niets te maken met Gaza, “de titel van deze
roman”, aldus de tekst op de achterflap, is alleen maar “ontleend
aan Milton’s beschrijving van Simson als Eyeless in Gaza at the
Mill with slaves”. Dat zegt u wellicht zo weinig als het mij
zei (al kan ik onder mijn lezers best méér belezen mensen hebben
dan ik er zelf een ben), maar de beschrijving in kwestie is er een
van de Bijbelse Samson of Simson in John Miltons uit 1671 daterende
dramatisch gedicht Samson Agonistes.
Ik ga zelfs geen poging doen om het te vertalen (dramatische
gedichten van driehonderdvijftig jaar oud zijn geen forte van me),
maar Huxley verwijst dus hiernaar: “Promise was that I /
Should Israel from Philistian yoke deliver; / Ask for this great
Deliverer now, and find him / Eyeless in Gaza at the Mill with
slaves, / Himself in bonds under Philistian yoke”.
En – uiteraard – hiernaar: “Whom have I to complain
of but my self? / Who this high gift of strength committed to me, /
In what part lodg’d, how easily bereft me, / Under the Seal of
Silence could not keep, / But weakly to a woman must reveal it, /
O’recome with importunity and tears. / O impotence of mind, in body
strong! / But what is strength without a double share / Of wisdom,
vast, unwieldy, burdensom, / Proudly secure, yet liable to fall / By
weakest subtleties, not made to rule, / But to subserve where wisdom
bears command”.
Of ik denk tenminste, op basis van
wat ik gelezen heb in dit boek, dat dat tweede deel belangrijk is.
Een gedachte die ook al bij u kan opkomen bij het lezen van wat de
achterflap van de in 1973 bij Uitgeverij Contact
verschenen vertaling verder te vertellen heeft: “De hoofdpersoon,
Anthony Beavis, is intelligent genoeg om er een eigen mening op na te
houden. De omstandigheden hebben hem in staat gesteld een economisch
onafhankelijk leven te leiden. Emotionele banden met een familieleven
tomen evenmin zijn vrijheid in. Zonder enige morele strijd verovert
hij zich de objectiviteit van de filosoof en de zelfverloochening van
de religieuze mens. Het hoofdthema is zijn ontwikkeling van knaap tot
‘volwassene’, en zijn ontdekking op middelbare leeftijd dat zijn
zelfzuchtige vrijheid geen vrijheid is, dat de houding van
filosofische objectiviteit en van ‘heiligheid’ die hij zich heeft
aangemeten, op geen enkele manier overeenkomt met authentiek leven.”
Een achterflaptekst die me niét zou overtuigd hebben het boek te
lezen, laat staan te kopen, als het niet voor een prikje bij een of
andere kringwinkel had gelegen en ik geen hoge verwachtingen had
gehad van Aldous Huxley. Ik ben namelijk niet bijzonder gek op dit
soort dingen, al helemaal niet als de “ontwikkeling” in kwestie
zo’n vierhonderdzestig bladzijden moet duren.
De eerste dertig bladzijden of zo
dacht ik bovendien aan opgeven. Ja, werkelijk, opgeven. Ik heb dat
lang niet gehad met een boek en het kan aan – ik citeer wederom de
achterflap – de “monumentale vertaling van Pé Hawinkels”
liggen, die er “een in het Nederlands herschapen Eyeless
in Gaza” van gemaakt heeft,
maar ik zat er op te zwoegen. Na die dertig bladzijden stopte ik
echter met lezen voor die dag en toen ik ‘s anderendaags het boek
weer opnam, ging het beter. En bleef het beter gaan, ondanks het feit
dat ik tot op het einde de neiging had bepaalde passages diagonaal te
lezen. Misschien was ik die eerste avond moe, misschien moest ik aan
de stijl wennen, maar ik heb het hele boek gelezen. “Van knaap tot
‘volwassene’” dus. Alhoewel. Huxley vond die evolutie op zich
kennelijk te simpel. Het moest ingewikkelder. Dus hakte hij het
verhaal aan stukken en ging met de brokken schuiven. Een brok over
genoemde Anthony Beavis en de mensen in zijn omgeving in de derde
persoon dat zich afspeelt op 30 augustus 1933. Een brok “Uit het
dagboek van A.B.” daterend van 4 april 1934. Nog een brok over A.B.
op 30 augustus 1933. Een brok over de kleine A.B. op 6 november 1902.
Een brok over Helen Amberley, die we kennen van de eerste brok, en
haar zus Joyce, gedateerd op 8 december 1926. Je went geleidelijk aan
al dat heen en weer hobbelen door de tijd, maar je moet wel
voortdurend in de gaten blijven houden ‘wanneer’ je bent, en het
blijft overkomen als een truc van Huxley om het verhaal meer
‘literair’ te maken. En dan had ik ook nog soms de indruk dat hij
zélf ergens onderweg het zicht op de data kwijt was gespeeld.
Iets wat het gevolg kan zijn geweest
van het óók nog in dit boek willen stoppen van z’n eigen
overheersende ideologie, het pacifisme. Geen pacifisme als
levenswijze, al is geen van de personages werkelijk gewelddadig, toch
niet in fysieke zin, maar als uitgeschreven filosofie. Er zit een
béétje van in het hele boek - en de stukken die verwijzen naar
gebeurtenissen in (in het bijzonder) nationaal-socialistisch
Duitsland die toen nog niet de uitwerking hadden gekregen die ze
later zouden krijgen, zijn louter op zichzelf al interessant -, maar
er is niet echt iets aan het personage Anthony Beavis dat hem zou
doen uitgroeien tot een militante pacifist (of militante whatever,
for that matter), en
toch is dat wat Huxley in de laatste hoofdstukken van hem maakt. Wat
er toe leidt dat je je als lezer door hele bladzijden ideologische
theorie, door Beavis in zijn – doorheen het hele boek grotendeels
met hoogdravende filosofische beschouwingen gevulde - dagboek
genoteerd, heen moet slaan. Beavis moet immers ‘volwassen’ worden
en ‘volwassen’ was in de ogen van Huxley kennelijk vooral
strijdend pacifistisch, maar Beavis wordt daarmee ook heel erg vervelend.
En vervelend zijn eigenlijk álle
personages in dit boek. Vervelend en verveeld, want dat is hun
levensstijl. Op z’n best zijn ze hedonistisch, maar genieten van
het leven doen ze duidelijk nooit. “Toen ze dat zei dacht zij aan
die periode in het begin van hun verhouding toen zij, om zo te
zeggen, op de drempel had gestaan van een verliefdheid op hem – op
de drempel, wachtend tot haar gevraagd werd binnen te komen. Hoe
bruusk echter (bij al zijn terughouding en bestudeerde
lankmoedigheid), hoe onherroepelijk en resoluut had hij de deur in
haar gezicht dicht gedaan! Hij wilde niet dat er iemand van hem
hield. Eventjes had zij op het punt gestaan daartegen in opstand te
komen; toen aanvaardde zij, in die geest van verbitterde en
sarcastische berusting waarmee zij geleerd had de wereld tegemoet te
treden, zijn voorwaarden. Die waren des te aanvaardbaarder omdat er
geen zicht was op een beter alternatief; omdat hij, welbeschouwd, een
opmerkelijk man was en zij, welbeschouwd, erg op hem gesteld was;
omdat hij, verder, tenminste in staat was haar lichamelijke
bevrediging te schenken.” Vreugdeloosheid, liefdeloosheid, kilheid…
het kind moet een naam hebben, maar ik heb het er lastig mee als dat
kind meer dan vierhonderd bladzijden doorgaat en de hoofdpersoon geen
enkele werkelijke evolutie ondergaat tenzij die naar predikant van de
vrede, en onderweg, samen met een aantal anderen (zijn hele bubbel
schijnt gevuld te zijn me dat soort mensen), alles besmet wat in zijn
omgeving terechtkomt, alles aan de pest begint te lijden, en zelfs
een zeldzame goede ziel het slachtoffer wordt van zichzelf én die
anderen (“Hij zou best Bengers hand hebben willen aanraken, maar
zulke dingen deed je niet, dat wist iedereen”).
Een boek hoeft voor mij niet vrolijk
te zijn – ik lees er genoeg die dat niet zijn -, maar de mate aan
wrangheid die ik kan hebben, is beperkt. Nihilisme, tot daar aan toe.
Existentialisme, tot daar aan toe. Maar de personages van Huxley
maken elkaars leven en dat van anderen ook nog tot niet het leven
waard. Niet eens bewust, heb je de indruk, maar omdat ze opgetrokken
zijn uit het soort materiaal dat anderen kapot maakt. En niet mans
(of vrouws) genoeg zijn om zelfs als ze zich bewust worden van de
desastreuze gevolgen van hun handelingen actief in te grijpen om daar
een einde aan te stellen. Een fenomeen dat het duidelijkst tot uiting
komt als Anthony Beavis Joan verleidt, de vriendin van zijn
goedhartige, maar buitengewoon verlegen vriend Brian, een spelletje
waartoe hij zich, omdat hij zelf en ondanks zichzelf stapelverliefd
is op haar, laat aanzetten door Mary Amberley (moeder van eerder
genoemde Helen). Wie Les liaisons dangereuses van Choderlos de Laclos heeft gelezen – en het is moeilijk te
geloven dat Huxley niet bewust gaan kopiëren is uit dat boek -, ként
de scène en weet in wat voor psychische toestand Valmont
terechtkomt, maar Anthony Beavis weet zelfs de zelfmoord van zijn
vriend nog voor zichzelf recht te lullen. En hoezeer Huxley nadien
ook nog mag proberen zijn Beavis
tot meer dan een Butt-head
te doen uitgroeien, dat lukt voor mij niet meer. Het pacifisme
verdiende beter. Zelfs al kan ik het honderd procent eens zijn met
wat die Butt-head in
zijn dagboek de dato 10 augustus 1934 als nota bene noteert: “Wij
zijn allemaal voor negenennegentig procent pacifist. De Bergrede,
vooropgesteld dat we Tamerlan of Napoleon mogen blijven spelen in ons
ene procent van zelf uitgezochte gevallen. Resultaat: iedereen is
voorbestemd tot slachtoffer van iemand anders bij wijze van
uitzondering (sic) toelaatbare oorlog. Negenennegentig procent. Maar
zulk pacifisme is gewoon een andere naam voor militarisme. Wil er
vrede zijn, dan moet het pacifisme honderd procent zijn.” Misschien
is De ogen uitgestoken
deel van “een volledige uitdrukkingsvorm (in termen van de
verbeeldingsliteratuur) die zou leiden tot de volledige kennis (met
de geest in zijn geheel) van de volledige waarheid” geworden, iets
waar de dagboekschrijver in dit boek naar streeft, maar aan mij is
die “uitdrukkingsvorm” niet besteed.
Björn Roose
