vrijdag 19 juni 2026

Knut Hamsun – Piet Schepens (boekbespreking door Björn Roose)

Knut Hamsun – Piet Schepens (boekbespreking door Björn Roose)
Mogelijk vergis ik mij – zelfs ík ben niet onfeilbaar -, maar na enig zoeken in mijn eigen boekbesprekingen, ben ik tot de conclusie gekomen dat het al van juli 2020 geleden is dat ik nog een boekje uit de bij Desclée De Brouwer verschenen serie Ontmoetingen heb besproken. Toén, in juli 2020 dus, besprak ik de biografie (want het gaat telkens om een biografie) van Adriaan Roland Holst door Jan Elemans en die van Ernest Hemingway door Paul Vanderschaeghe, en hield ik het verder voor gezien wat deze serie betreft. Wellicht omdat ik die boekjes niet zo heel erg interessant vond, misschien ook omdat ik mijn aandacht naar wat anders verlegde, maar hoe dan ook niet voorgoed: tijdens een week verlof in Duitsland in mei van dit jaar nam ik immers een in dezelfde serie verschenen exemplaar over Paul van Ostaijen van de hand van Adriaan de Roover mee (bespreking volgt nog) en het voorliggende over Knut Hamsun, geschreven door Piet Schepens. Een exemplaar over André Demedts (van Anton van Wilderode), een over Wies Moens (van Erik Verstraete), en een over Stijn Streuvels (van Filip De Pillecyn) blijven daarmee nog te lezen, maar dáár werk van maken zal voor volgende verlofperiodes zijn. Of… voor als ik weer eens bewust combinaties wil gaan verwerken.

Want dat, bewust combinaties van boeken lezen en bespreken, deed ik in het geval van de in deze serie verschenen biografieën van Adriaan Roland Holst, van wie ik vervolgens In ballingschap las, en Ernest Hemingway, van wie ik hetzelfde deed met Mannen zonder vrouwen. Iets soortgelijks stond niet op mijn programma met betrekking tot Knut Hamsun – omdat ik er simpelweg niet aan gedacht heb -, maar gezien ik op dit moment even toe ben aan het lezen van een ‘dikker’ werk, heb ik inmiddels wel De ontwrichten uit mijn boekenkasten gehaald, waardoor u dus een dezer ook dáárvan een bespreking kan verwachten. Een keuze die overigens géén gevolg is van het lezen van deze biografie. De ontwrichten (in het Noors, de taal van Hamsun, Segelfoss by getiteld) wordt daarin Segelfoss genoemd, of De stad Segelfoss (afhankelijk van het antwoord op de vraag of u gaat kijken in het hoofdstuk Het werk van Knut Hamsun of in deel A, Werken van Knut Hamsun, van de Bibliografie, wat toch wel op enige slordigheid lijkt te wijzen), en is volgens Piet Schepens kennelijk slechts dit stukje tekst waard: “De stad Segelfoss (1915), de geschiedenis van het Noorse kuststadje, is een vervolg van Kinderen van hun tijd. De hoofdpersoon is Holmengraa maar ook de andere inwoners nl. de arbeiders, de hoteleigenaars, de handelaars, de intellectuelen – allen ontwrichten in hun streven naar eer, macht en prestige; mensen die zichzelf en elkander kwellen – spelen een belangrijke rol. Stilaan ziet Holmengraa zijn ster tanen. Hij moet de handschoen opnemen tegen de opkomende arbeidersstand, die in zich een opstandige geest voelt opborrelen. Het enig Hamsunse type in deze roman, de telegrafist Baardsen, gaat in dit midden van bekrompen mensen ten gronde.” Erg natuurlijk dat iemand anders gaat bepalen wat de ‘types’ van een schrijver zijn, ondanks het feit dat de schrijver ál zijn personages creëert en het dus allemáál zijn ‘types’ zijn, maar daarmee weet u ook dat ik het eerste deel van het tweeluik, Kinderen van hun tijd, waarin Hamsun zich volgens Schepens “niet op de stof wierp”, niet in bezit heb (want anders had ik deze boekbespreking lichtelijk aangepast en aangekondigd dat ik binnenkort Kinderen van hun tijd zou gaan bespreken).

Dat gezegd zijnde is er sowieso een kans dat ik het leven van Knut Hamsun, zoals behoorlijk uitvoerig beschreven in het hoofdstuk – ik verzin het niet – Het leven van Knut Hamsun, achteraf gezien interessanter zal vinden dan De ontwrichten. Een leven waarin hij onder andere Bjørnstjerne Bjørnson ging opzoeken, een schrijver waarmee ik u, in een vertaling van reeds genoemde Stijn Streuvels, liet kennismaken via diens Kleine verhalen, maar waarin hijzelf niet weinig opgezocht werd door miserie of die zich over zich afriep door zich steeds weer in een nieuw avontuur te storten. Volgende passage moge daarvan voldoende getuigen: “In de winter van 1882 reisde Knut Hamsun naar Amerika, het land der onbegrensde mogelijkheden, waar hij op een beter bestaan hoopte. Een rijke boerin uit het Gudbrandsdal had hem het geld voor de reis verschaft. Moeilijke jaren volgden nu. Hij trok van de ene plaats naar de andere, werkte op een farm, was varkenshoeder, winkelbediende, metselaarsknecht en dreef handel in hout. Betere dagen braken aan toen hij te Minneapolis in het predikantengezin van Kristofer Janson terecht kwam, waar hij voor diens krant uit het Engels in het Noors vertaalde (…) Na een zware ziekte moest Knut Hamsun naar Noorwegen terug waar hij, min of meer hersteld, zijn leven vol ontberingen voortzette, dat voor hem de leerschool geworden is van zijn roman Honger. Toen poogde hij als voordrachtgever aan de kost te komen. In enkele steden sprak hij over Kielland en Strindberg. In het komisch verhaal Op rondreis vertelt Hamsun ons dat deze voordrachten een schitterende mislukking geweest zijn. Tijdens de zomer van 1886 werd Hamsun opnieuw in de gelegenheid gesteld naar Amerika te vertrekken, waar hij achtereenvolgens werkman in het vissersbedrijf op Newfoundland, tramconducteur in Chicago, wegwerker aan de spoorwegen, oogstarbeider, leraar en voordrachtgever geweest is. Ontgoocheld keerde hij, dank zij de hulp van anderen, naar zijn vaderland terug, waar hij nu voorgoed bleef.” “Voorgoed” als je niet meerekent dat hij klaarblijkelijk in de jaren daarop opnieuw aan het zwerven ging en in de jaren 1894-1895 in Parijs doorbracht, terwijl hij ook in Noorwegen nauwelijks op zijn gat kon blijven zitten, en nóg wel eens een grote reis buiten het land ondernam: “Tijdens deze reis belandde Knut Hamsun te Oostende, waar hij een grote som in een Casino verloor”, lezen we daar nog over. Wat inhoudelijk trouwens méér is dan wat Schepens weet te zeggen over Hamsuns collaboratie met de nationaal-socialisten. Hij vertikt het zelfs het woord te noemen: “Na de tweede wereldoorlog kwam Knut Hamsun op ongelukkige wijze in de repressie terecht. In dit verband schreef hij in 1948 zijn laatste werk Langs overwoekerde paden. Het handelt over zijn belevenissen van 1945-1948, zijn internering, zijn verblijf in het ziekenhuis, in het tehuis van ouden van dagen, in de psychiatrische kliniek tot de uitspraak van het Opperste Gerechtshof”. Waarop in de voetnoten nog volgt: “Noteren we hierbij dat de Noren reeds lang hun vergissing hebben ingezien en uit de talrijke boeken, bijdragen en heruitgaven spreekt hun dank voor het levenswerk dat Knut Hamsun hen heeft geschonken.” Zeggen dat Hamsun openlijk de regering van Quisling steunde, in mei 1943 een bezoek bracht aan Joseph Goebbels en hem zijn Nobelprijs-medaille gaf, en een maand later op de Berghof Adolf Hitler ontmoette (die hij verzocht Josef Terboven af te zetten als Noors Reichskommissar), kreeg Schepens kennelijk niet uit zijn pen gewrongen, zelfs niet met de toevoeging dat het voor niemand echt duidelijk werd waaróm Hamsun dat allemaal deed (de reden dat de naoorlogse regering hem in een psychiatrische instelling stak, zoals bijvoorbeeld de Amerikaanse ook deed met Ezra Pound, al zat die laatste daar véél langer).

‘Omdat je van een artiest niet altijd logica kan verwachten’, zou ik haast durven zeggen. “Zijn optreden tegen de kunst en vooral tegen de vrouwenemancipatie is bijzonder scherp in Nieuwe aarde”, schrijft Schepens op pagina 23 van dit vijfenveertig bladzijden dikke boekje: “Met nieuwe aarde bedoelt Knut Hamsun eigenlijk ‘een krachteloze aarde zonder veel groei en zonder veel vruchtbaarheid nl. Noorwegen waar teveel genieën krioelen, decadenten die kunstmatig zingen van liefde en haat en voor wie de kunst niets anders is dan de weg naar de budgetvreterij en naar het staatsstipendium, een weg die langs de vrouwen en langs de pers leidt[’]”. Wat uiteraard kán, maar wel een beetje lullig is vanwege iemand die samen met zijn toenmalige vrouw Bergljot Göpfert “dank zij een stipendium van de Noorse regering, einde 1899 over St.-Petersburg en Moskou naar de Kaukasus, Perzië en Turkije [trok]”, een “reis die hij In het sprookjesland (1903) en in een reeks artikels Onder de halve maan (1905) heeft verteld.” Mogelijk was Hamsuns kunst geen “weg naar de budgetvreterij en naar het staatsstipendium”, maar hij heeft de subsidie toch niet geweigerd toen ze zijn richting uitkwam en wist ze ook aan te wenden om er zijn loopbaan verder mee uit te bouwen.

Maar goed, hij had uit die reis ook inspiratie kunnen putten voor een tweede Victoria (1898), een boek dat Schepens de ene keer een “erotische fantasie” noemt, de andere keer een “weemoedige, enigszins verborgen, innige, idyllische en zeker wat al te sentimentele liefdesgeschiedenis tussen de jonge molenaarszoon Johannes en Victoria, een burchtfreule”. Een boek ook waarover Gerard Walschap, zoals Schepens aangeeft, schreef: “Is er een banaler, meer romantisch geval dan dat van de kasteeldochter, die verliefd wordt op het zoontje van een der pachters? (...) is het feitelijk niet hemeltergend dat wij nog opgehouden worden voor zo’n tranerige geschiedenis”. Maar ook: “En doe je nu toch maar eens het plezier Victoria te lezen. Je zult verslagen staan, niet alleen over die geniale hoofdstukken, maar nog meer over die ‘Victoriafiguur’ die heel het verhaal beheerst zonder er in te verschijnen. En over het feit dat je op een zeker ogenblik, misschien eerst als jij de laatste bladzijde voor de tweede maal herlezen hebt, in een bliksemsnelle bewustheid ineens het hele verhaal overziet en je ziel voelt huiveren en terugdeinzen voor het mysterie van het leven dat je niet vermoed had en dat plotseling je heel dicht is genaderd.”

Of Hamsun had meteen August (1930) kunnen schrijven, natuurlijk, een boek waarbij geen aanbeveling van Gerard Walschap nodig is om het na de beschrijving ervan die Schepens meegeeft voor mij interessant genoeg te maken om het bij gelegenheid op de kop te tikken: “[August] droomt ervan in Polden iets groots te verwezenlijken: er moeten een bank, een postkantoor, een elektriciteitsfabriek enz. komen. Hiervoor zamelt hij handtekeningen in, voegt er zelfs namen bij van mensen die reeds lang overleden zijn of, jaren geleden, naar Amerika zijn uitgeweken. Zijn dromen worden werkelijkheid. De mensen hebben hun grondbezit prijsgegeven en ze helpen de stad stichten, waar het leven gemakkelijker en aangenamer zal zijn. Ze verlaten het land en worden naar de stad-in-wording gezogen. De bevoorrading gebeurt er niet meer door de gewassen uit de streek zelf: de grond ligt onbebouwd. Een misoogst in Rusland heeft een tekort aan graan voor gevolg. De moeilijkheden stapelen zich op voor de inwoners en brengen onrust en radeloosheid. Maar August blijft steeds met zijn wondere plannen rondlopen. Hij is immers een man zonder zwaarte, licht als het geld, als de werktuigkundige, de handel, de industrie en heel de zogenaamde vooruitgang. Hij is de moderne tijdsgeest die maar steeds de productie opdrijft van waardeloze genotsvoorwerpen, waardoor de mensen elk contact verliezen met de innerlijke waarde van het leven: de aarde die het brood schenkt.”

Ik ga, nú in ieder geval nog niet, niet zoals Schepens in het laatste hoofdstuk De betekenis van Knut Hamsun met Hugo von Hofmannsthal doet, beweren dat “Knut Hamsun ons de oneindigheid [heeft] geschonken en ons opgetild uit de teneerdrukkende alledaagsheid om ons te brengen in de wereld van het gemoed, van de verbeelding en van de dromen en hun raadselachtig verband met de stuwende krachten van het leven”, maar kom op basis van wat ik over de verschillende werken van Hamsun in deze biografie lees wel tot de conclusie die “een criticus” volgens Schepens trok, zijnde “dat het werk van Knut Hamsun geen vruchten zijn die men afzonderlijk plukt om afzonderlijk te genieten maar dat het een noors dennenwoud is. Vel één enkele den en sleep deze naar huis, dan heb je één enkele den in je kamer maar het woud, het uitgestrekte woud, staat buiten.” Ondanks dat ga ik, zoals aangekondigd, wél beginnen met die ene den, De ontwrichten, maar dit dennetje van Piet Schepens, dit mini-biografietje, heeft me alvast duidelijk gemaakt dat ik mogelijk mijn definitieve oordeel over het onderwerp van dat biografietje, Knut Hamsun, moet opschorten tot ik ook Honger, Langs overwoekerde paden, Rosa, en Zwervers I en II, allemaal te vinden in mijn boekenkasten, heb gelezen, en intussen de aankoop van andere werken van Hamsun zeker niet moet nalaten. Bij de besprekingen daarvan zal ik zeker óók niet nalaten om terug te grijpen naar dit werkje van Schepens.

Björn Roose


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !