Mogelijk vergis ik mij – zelfs ík ben niet onfeilbaar -, maar na
enig zoeken in mijn eigen boekbesprekingen, ben ik tot de conclusie
gekomen dat het al van juli 2020 geleden is dat ik nog een boekje uit
de bij Desclée De Brouwer verschenen serie Ontmoetingen
heb besproken. Toén, in juli 2020 dus, besprak ik de biografie (want
het gaat telkens om een biografie) van Adriaan Roland Holst door Jan Elemans en die van Ernest Hemingway door Paul Vanderschaeghe,
en hield ik het verder voor gezien wat deze serie betreft. Wellicht
omdat ik die boekjes niet zo heel erg interessant vond, misschien ook
omdat ik mijn aandacht naar wat anders verlegde, maar hoe dan ook
niet voorgoed: tijdens een week verlof in Duitsland in mei van dit
jaar nam ik immers een in dezelfde serie verschenen exemplaar over
Paul van Ostaijen van de hand van Adriaan de Roover mee (bespreking
volgt nog) en het voorliggende over Knut Hamsun, geschreven door Piet
Schepens. Een exemplaar over André Demedts (van Anton van
Wilderode), een over Wies Moens (van Erik Verstraete), en een over
Stijn Streuvels (van Filip De Pillecyn) blijven daarmee nog te lezen,
maar dáár werk van maken zal voor volgende verlofperiodes zijn. Of…
voor als ik weer eens bewust combinaties wil gaan verwerken.
Want dat, bewust combinaties van boeken lezen en bespreken, deed ik in het
geval van de in deze serie verschenen biografieën van Adriaan Roland
Holst, van wie ik vervolgens In ballingschap las, en Ernest Hemingway, van wie ik hetzelfde deed met Mannen
zonder vrouwen.
Iets soortgelijks stond niet op mijn programma met betrekking tot
Knut Hamsun – omdat ik er simpelweg niet aan gedacht heb -, maar
gezien ik op dit moment even toe ben aan het lezen van een ‘dikker’
werk, heb ik inmiddels wel De ontwrichten uit mijn
boekenkasten gehaald, waardoor u dus een dezer ook dáárvan een
bespreking kan verwachten. Een keuze die overigens géén gevolg is
van het lezen van deze biografie. De ontwrichten (in het
Noors, de taal van Hamsun, Segelfoss by
getiteld) wordt daarin
Segelfoss genoemd, of De stad Segelfoss (afhankelijk
van het antwoord op de vraag of u gaat kijken in het hoofdstuk Het
werk van Knut Hamsun of in deel A, Werken van Knut Hamsun,
van de Bibliografie, wat toch wel op enige slordigheid lijkt
te wijzen), en is volgens Piet Schepens kennelijk slechts dit stukje
tekst waard: “De stad Segelfoss (1915), de geschiedenis van
het Noorse kuststadje, is een vervolg van Kinderen van hun tijd.
De hoofdpersoon is Holmengraa maar ook de andere inwoners nl. de
arbeiders, de hoteleigenaars, de handelaars, de intellectuelen –
allen ontwrichten in hun streven naar eer, macht en prestige; mensen
die zichzelf en elkander kwellen – spelen een belangrijke rol.
Stilaan ziet Holmengraa zijn ster tanen. Hij moet de handschoen
opnemen tegen de opkomende arbeidersstand, die in zich een opstandige
geest voelt opborrelen. Het enig Hamsunse type in deze roman, de
telegrafist Baardsen, gaat in dit midden van bekrompen mensen ten
gronde.” Erg natuurlijk dat iemand anders gaat bepalen wat de
‘types’ van een schrijver zijn, ondanks het feit dat de schrijver
ál zijn personages creëert en het dus allemáál zijn ‘types’
zijn, maar daarmee weet u ook dat ik het eerste deel van het
tweeluik, Kinderen van hun tijd, waarin Hamsun zich volgens
Schepens “niet op de stof wierp”, niet in bezit heb (want anders
had ik deze boekbespreking lichtelijk aangepast en aangekondigd dat
ik binnenkort Kinderen van hun tijd zou gaan bespreken).
Dat gezegd zijnde is er sowieso een kans dat ik het leven van Knut
Hamsun, zoals behoorlijk uitvoerig beschreven in het hoofdstuk – ik
verzin het niet – Het leven van Knut Hamsun, achteraf gezien
interessanter zal vinden dan De ontwrichten. Een leven waarin
hij onder andere Bjørnstjerne Bjørnson ging opzoeken, een schrijver
waarmee ik u, in een vertaling van reeds genoemde Stijn Streuvels,
liet kennismaken via diens Kleine verhalen,
maar waarin hijzelf niet weinig opgezocht werd door miserie of die
zich over zich afriep door zich steeds weer in een nieuw avontuur te
storten. Volgende passage moge daarvan voldoende getuigen: “In de
winter van 1882 reisde Knut Hamsun naar Amerika, het land der
onbegrensde mogelijkheden, waar hij op een beter bestaan hoopte. Een
rijke boerin uit het Gudbrandsdal had hem het geld voor de reis
verschaft. Moeilijke jaren volgden nu. Hij trok van de ene plaats
naar de andere, werkte op een farm, was varkenshoeder,
winkelbediende, metselaarsknecht en dreef handel in hout. Betere
dagen braken aan toen hij te Minneapolis in het predikantengezin van
Kristofer Janson terecht kwam, waar hij voor diens krant uit het
Engels in het Noors vertaalde (…) Na een zware ziekte moest Knut
Hamsun naar Noorwegen terug waar hij, min of meer hersteld, zijn
leven vol ontberingen voortzette, dat voor hem de leerschool geworden
is van zijn roman Honger. Toen poogde hij als voordrachtgever
aan de kost te komen. In enkele steden sprak hij over Kielland en
Strindberg. In het komisch verhaal Op rondreis vertelt Hamsun
ons dat deze voordrachten een schitterende mislukking geweest zijn.
Tijdens de zomer van 1886 werd Hamsun opnieuw in de gelegenheid
gesteld naar Amerika te vertrekken, waar hij achtereenvolgens werkman
in het vissersbedrijf op Newfoundland, tramconducteur in Chicago,
wegwerker aan de spoorwegen, oogstarbeider, leraar en voordrachtgever
geweest is. Ontgoocheld keerde hij, dank zij de hulp van anderen,
naar zijn vaderland terug, waar hij nu voorgoed bleef.” “Voorgoed”
als je niet meerekent dat hij klaarblijkelijk in de jaren daarop
opnieuw aan het zwerven ging en in de jaren 1894-1895 in Parijs
doorbracht, terwijl hij ook in Noorwegen nauwelijks op zijn gat kon
blijven zitten, en nóg wel eens een grote reis buiten het land
ondernam: “Tijdens deze reis belandde Knut Hamsun te Oostende, waar
hij een grote som in een Casino verloor”, lezen we daar nog over.
Wat inhoudelijk trouwens méér is dan wat Schepens weet te zeggen
over Hamsuns collaboratie met de nationaal-socialisten. Hij vertikt
het zelfs het woord te noemen: “Na de tweede wereldoorlog kwam Knut
Hamsun op ongelukkige wijze in de repressie terecht. In dit verband
schreef hij in 1948 zijn laatste werk Langs overwoekerde paden.
Het handelt over zijn belevenissen van 1945-1948, zijn internering,
zijn verblijf in het ziekenhuis, in het tehuis van ouden van dagen,
in de psychiatrische kliniek tot de uitspraak van het Opperste
Gerechtshof”. Waarop in de voetnoten nog volgt: “Noteren we
hierbij dat de Noren reeds lang hun vergissing hebben ingezien en uit
de talrijke boeken, bijdragen en heruitgaven spreekt hun dank voor
het levenswerk dat Knut Hamsun hen heeft geschonken.” Zeggen dat
Hamsun openlijk de regering van Quisling steunde, in mei 1943 een
bezoek bracht aan Joseph Goebbels en hem zijn Nobelprijs-medaille
gaf, en een maand later op de Berghof Adolf Hitler ontmoette (die hij
verzocht Josef Terboven af te zetten als Noors Reichskommissar),
kreeg Schepens kennelijk niet uit zijn pen gewrongen, zelfs niet met
de toevoeging dat het voor niemand echt duidelijk werd waaróm Hamsun
dat allemaal deed (de reden dat de naoorlogse regering hem in een
psychiatrische instelling stak, zoals bijvoorbeeld de Amerikaanse ook
deed met Ezra Pound, al zat die laatste daar véél langer).
‘Omdat je van een artiest niet altijd logica kan verwachten’, zou ik haast
durven zeggen. “Zijn optreden tegen de kunst en vooral tegen de
vrouwenemancipatie is bijzonder scherp in Nieuwe aarde”,
schrijft Schepens op pagina 23 van dit vijfenveertig bladzijden dikke
boekje: “Met nieuwe aarde bedoelt Knut Hamsun eigenlijk ‘een
krachteloze aarde zonder veel groei en zonder veel vruchtbaarheid nl.
Noorwegen waar teveel genieën krioelen, decadenten die kunstmatig
zingen van liefde en haat en voor wie de kunst niets anders is dan de
weg naar de budgetvreterij en naar het staatsstipendium, een weg die
langs de vrouwen en langs de pers leidt[’]”. Wat uiteraard kán,
maar wel een beetje lullig is vanwege iemand die samen met zijn
toenmalige vrouw Bergljot Göpfert “dank zij een stipendium van de
Noorse regering, einde 1899 over St.-Petersburg en Moskou naar de
Kaukasus, Perzië en Turkije [trok]”, een “reis die hij In het
sprookjesland (1903) en in een reeks artikels Onder de halve
maan (1905) heeft verteld.” Mogelijk was Hamsuns kunst geen
“weg naar de budgetvreterij en naar het staatsstipendium”, maar
hij heeft de subsidie toch niet geweigerd toen ze zijn richting
uitkwam en wist ze ook aan te wenden om er zijn loopbaan verder mee
uit te bouwen.
Maar goed, hij had uit die reis ook inspiratie kunnen putten voor een
tweede Victoria (1898),
een boek dat Schepens de ene keer een “erotische fantasie” noemt,
de andere keer een “weemoedige, enigszins verborgen, innige,
idyllische en zeker wat al te sentimentele liefdesgeschiedenis tussen
de jonge molenaarszoon Johannes en Victoria, een burchtfreule”. Een
boek ook waarover Gerard Walschap, zoals Schepens aangeeft, schreef:
“Is er een banaler, meer romantisch geval dan dat van de
kasteeldochter, die verliefd wordt op het zoontje van een der
pachters? (...) is het feitelijk niet hemeltergend dat wij nog
opgehouden worden voor zo’n tranerige geschiedenis”. Maar ook:
“En doe je nu toch maar eens het plezier Victoria te lezen.
Je zult verslagen staan, niet alleen over die geniale hoofdstukken,
maar nog meer over die ‘Victoriafiguur’ die heel het verhaal
beheerst zonder er in te verschijnen. En over het feit dat je op een
zeker ogenblik, misschien eerst als jij de laatste bladzijde voor de
tweede maal herlezen hebt, in een bliksemsnelle bewustheid ineens het
hele verhaal overziet en je ziel voelt huiveren en terugdeinzen voor
het mysterie van het leven dat je niet vermoed had en dat plotseling
je heel dicht is genaderd.”
Of Hamsun had meteen August (1930) kunnen schrijven, natuurlijk,
een boek waarbij geen aanbeveling van Gerard Walschap nodig is om het
na de beschrijving ervan die Schepens meegeeft voor mij interessant
genoeg te maken om het bij gelegenheid op de kop te tikken: “[August]
droomt ervan in Polden iets groots te verwezenlijken: er moeten een
bank, een postkantoor, een elektriciteitsfabriek enz. komen. Hiervoor
zamelt hij handtekeningen in, voegt er zelfs namen bij van mensen die
reeds lang overleden zijn of, jaren geleden, naar Amerika zijn
uitgeweken. Zijn dromen worden werkelijkheid. De mensen hebben hun
grondbezit prijsgegeven en ze helpen de stad stichten, waar het leven
gemakkelijker en aangenamer zal zijn. Ze verlaten het land en worden
naar de stad-in-wording gezogen. De bevoorrading gebeurt er niet meer
door de gewassen uit de streek zelf: de grond ligt onbebouwd. Een
misoogst in Rusland heeft een tekort aan graan voor gevolg. De
moeilijkheden stapelen zich op voor de inwoners en brengen onrust en
radeloosheid. Maar August blijft steeds met zijn wondere plannen
rondlopen. Hij is immers een man zonder zwaarte, licht als het geld,
als de werktuigkundige, de handel, de industrie en heel de zogenaamde
vooruitgang. Hij is de moderne tijdsgeest die maar steeds de
productie opdrijft van waardeloze genotsvoorwerpen, waardoor de
mensen elk contact verliezen met de innerlijke waarde van het leven:
de aarde die het brood schenkt.”
Ik ga, nú in ieder geval nog niet, niet zoals Schepens in het laatste
hoofdstuk De betekenis van Knut Hamsun met Hugo von
Hofmannsthal doet, beweren dat “Knut Hamsun ons de oneindigheid
[heeft] geschonken en ons opgetild uit de teneerdrukkende
alledaagsheid om ons te brengen in de wereld van het gemoed, van de
verbeelding en van de dromen en hun raadselachtig verband met de
stuwende krachten van het leven”, maar kom op basis van wat ik over
de verschillende werken van Hamsun in deze biografie lees wel tot de
conclusie die “een criticus” volgens Schepens trok, zijnde “dat
het werk van Knut Hamsun geen vruchten zijn die men afzonderlijk
plukt om afzonderlijk te genieten maar dat het een noors dennenwoud
is. Vel één enkele den en sleep deze naar huis, dan heb je één
enkele den in je kamer maar het woud, het uitgestrekte woud, staat
buiten.” Ondanks dat ga ik, zoals aangekondigd, wél beginnen met
die ene den, De ontwrichten, maar dit dennetje van Piet
Schepens, dit mini-biografietje, heeft me alvast duidelijk gemaakt
dat ik mogelijk mijn definitieve oordeel over het onderwerp van dat
biografietje, Knut Hamsun, moet opschorten tot ik ook Honger,
Langs overwoekerde paden, Rosa, en Zwervers I en
II, allemaal te vinden in mijn boekenkasten, heb gelezen, en
intussen de aankoop van andere werken van Hamsun zeker niet moet
nalaten. Bij de besprekingen daarvan zal ik zeker óók niet nalaten
om terug te grijpen naar dit werkje van Schepens.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !