vrijdag 5 juni 2026

De wereld verandert – Frans van Isacker (boekbespreking door Björn Roose)

De wereld verandert – Frans van Isacker (boekbespreking door Björn Roose)
Verschillen zijn belangrijk. Misschien niet zo belangrijk als gelijkenissen, maar toch. Zo is er een gelijkenis tussen Frans van Isacker en Karel van Isacker. Hun familienaam, inderdaad, maar ook hun afkomst: beiden waren zonen van Philip van Isacker. Beiden waren ook Vlaamsgezind (net als hun vader), en beiden ontplooiden enige activiteit als schrijver. Van Karel van Isacker heb ik Het land van de dwazen, De zaak Irma Laplasse – Stukken voor een dossier, Herderlijke brieven over politiek 1830/1966, en Ontwijding in mijn kasten zitten; van Frans van Isacker Posthume wandeling, Kortstondige onthoofding, Averechts verloop: Kroniek van een meedogenloze eeuw, Vijftig aan de wand, voorliggend De wereld verandert, en, ten slotte, Maar er is een uitweg.

Uit die titels zou u kunnen afleiden dat Frans van Isacker meer naar fictie neigde dan zijn broer, en die afleiding zou correct zijn, maar niet per se – als dat al zou kunnen – helemaal los van de werkelijkheid staande fictie. De wereld verandert inderdaad wel eens, maar zelden zo sterk als hij dat deed tijdens de Tweede Wereldoorlog. En daarna, zou ik zeggen, maar da’s voer voor een volgende boekbespreking: de veranderingen tijdens die Tweede Wereldoorlog zijn het onderwerp van De wereld verandert. Veranderingen die zich allemaal afspelen binnen en rond twee families: de Toorops (houtvesters en aanverwanten) en de Brands (een dokter op rust en zijn dochters). Twee families die in eenzelfde straat wonen, een straat aan de rand van het Zoniënwoud waar verder niemand anders woont. Twee families die niet alleen voortdurend elkaars deur platlopen, maar ook meer en meer familiaal met elkaar verbonden raken. Twee families ook die ondanks de wil om niet ‘uit mekaar te vallen’, de wil ook om zich niet te laten betrekken bij de oorlogshandelingen, toch geleidelijk uit mekaar vallen en betrokken raken bij die oorlogshandelingen (“Geen sterke familie, maar mensen met uiteenlopende gedachten”). Waar een aantal van de volwassen, nog thuis wonende kinderen aan het begin van de oorlog terugkeert uit Frankrijk, waar ze, zoals zovele Vlamingen en Walen, heen gegaan/gestuurd waren, en alles blijdschap is bij zowel de kinderen als de (groot)ouders, doen al snel de andere met de oorlog gepaard gaande keuzes hun intrede: attentisme, al dan niet gewapende collaboratie (“You are a patriot” – “Some people call me a Quisling” – “You are not, believe me, you are not” – “Believe me, believe me, dacht hij, nochtans als jullie winnen, word ik de kas ingedraaid”), een relatie aangaan met iemand die als ‘bezetter’ gebrandmerkt wordt, node ‘ja’ zeggen of moedwillig ‘nee’, actief of passief in verzet komen, enzovoort, enzoverder. Enfin, de gebruikelijke dingen dus, niets waar wie dan ook die zich ter zake een beetje ingelezen heeft nog verbaasd van staat, maar doordat het om zo’n grote gezinnen gaat, worden al de verschillende keuzes belichaamd bínnen die gezinnen. Die keuzes en een hoop andere zaken: overlijdens, huwelijken, geboortes, vrijages, feestelijkheden, rouw, angst, vreugde (“Drie februari, zes uur tweeëntwintig, toen stierf grootvader. Enkele uren voordien werd zijn eerste achterkleinzoon geboren, die zijn naam zal dragen. In hetzelfde huis. En weinig tijd nadien, niet zo heel ver van het lijk, knoopte Louise haar zwellende borsten bloot en voor het eerst zoog haar zoon”). Terwijl ik dit boek las, dacht ik erover na in mijn bespreking te vermelden dat het een beetje Tweede Wereldoorlog in Vlaanderen meets Het geslacht Björndal was, maar dat zou gelogen zijn: in De wereld verandert passeren de feiten aan een veel sneller tempo en er wordt veel meer gekletst. Plus: van Het geslacht Björndal kreeg ik zelden of nooit de indruk dat de auteur op tearjerken uit was, maar Frans van Isacker leek dat duidelijk wel (‘t is dat of ik was ‘in mijn bleiten’ toen ik dit boek las). Wat een beetje goedkoop is, maar misschien geen zeldzaamheid voor iemand die in 1948 met dit boek aan zijn debuutroman toe was. Een kleine tachtig jaar geleden werd er nog dramatischer gedaan over liefde en andere kwalen dan tegenwoordig het geval is, óók door schrijvers.

Nu goed, dat stoorde me een beetje. Bloedgetuigen van Johan de Boose, bijvoorbeeld, uitgegeven in 2011 bij De Bezige Bij, heeft eveneens gezinnen, buren en toevallige kennissen tijdens de Tweede Wereldoorlog tot onderwerp, is prachtig geschreven, laat ook ruimte voor persoonlijke levensgeschiedenissen, maar bij het lezen daarvan had ik nooit de indruk dat de auteur die persoonlijke levensgeschiedenissen als bladvulling gebruikte of dat die de ‘grote’ geschiedenis achteruit drukten. En dat heb ik dus wél bij De wereld verandert. Wat mij betreft had dit boek best (minstens) een derde korter mogen wezen, terwijl het toch werkelijk zélden over datgene gaat wat ergens op bladzijde 300 vermeld wordt: “Want hoeveel tragedies die oorlog ook veroorzaakt heeft, toch moeten wij telkens opnieuw het gewone dagelijkse werk hervatten en voortzetten. Zoveel dagelijkse sleur, terwijl zich over de hele aardbol de grootste som van rampen afspeelt of voorbereidt, die de wereld ooit gekend heeft. Moeder ging voort met haar huis te regeren. Denise bracht verder haar kinderen groot. Vader bekommerde zich alle dagen om het hoogste rechtsleven van zijn land. En ik studeerde”. Pakweg tweehonderd bladzijden in plaats van driehonderdvijfendertig hadden volstaan. Zoals het nu is, raakt immers de doelstelling wat ondergesneeuwd die Eric Toorop in zijn ‘inleiding’, ook al serieus langdradig, nu ik er zo even over nadenk, meegeeft: “Dit is het verhaal van ons. Van ons die het hebben beleefd, van ons die het hebben geschreven. Wij hebben het beleefd. Wij, de familie Toorop; wij, de familie Brand. Wij hebben het geschreven (…) Zo is het verhaal van ons. Omdat wij het schreven, omdat wij het beleefden. Wij schreven het, doch voor allen hebben wij het geleefd. Geleefd en geleden. Wij allen met ons leven; sommigen van ons met hun dood. Het is het verhaal van ons. Maar het is ook het verhaal van geheel Europa. Het is onze haat, ons bloed en onze dood. Het is onze liefde en ons hart. Maar het is ook de haat, het bloed en de dood; de liefde en het hart van allen die leefden en stierven in dit sombere Europa, waar het kabaal heeft gewoed. Het is het verhaal van ons, het verhaal van ons somber en nachtelijk Europa en wij sturen het tot hen, die leefden ver van ons en die deze bange nacht niet hebben gekend. Wij sturen het tot hen, de onzen nochtans, doch die jaren leefden in de zon van overzee. Tot hen, die ons zwarte Europa hebben verlaten en bij hun terugkeer, toen de nacht reeds voorbij was, ons zo smadelijk hebben beschimpt. Opdat ze weten zouden hoe onze handen werden afgehakt, hoe onze ogen werden uitgestoken en hoe ons hart heeft gebloed. Tot hen sturen wij het, opdat ze voelen zouden dat ze geen recht hebben tot schimpen en opdat ze zwijgen zouden voortaan, zij die gezeten hebben, jarenlang, met handen en ogen in het licht van de zon. Wij sturen het tot hen die vochten aan de fronten, opdat ze weten zouden, dat ook hier bij ons de oorlog heeft gewoed, dat hij mensen heeft gedood en harten heeft vernield. Dat hij voortschreed en sloeg, niet met de snelheid van het vuur en de wapens, doch met de traagheid van de twijfel en de haat. Het is het verhaal van ons en wij sturen het tot geheel de wereld, opdat de wereld weten zou wat het was, dit kabaal in Europa.”

Kabaal dat bijvoorbeeld gemaakt werd door Paul Reynaud in Frankrijk, die sprak van “verraad” toen de belgische koning Leopold III zich samen met zijn troepen overgaf, en dat wat meer aandacht had mogen krijgen, maar al snel verloren gaat in het komen en gaan van familieleden en buren. Kabaal dat gepaard gaat met uitwisselingen van woorden die wél het onthouden waard zijn, maar al even snel verloren gaan in het belangeloze familiegekwetter: “Vóór de oorlog was jij Dinaso en je hebt de totaal onafhankelijke houding gepredikt, onverduits [sic] en onverfranst. België wordt in de oorlog gesleurd en het is natuurlijk normaal dat je partij kiest voor de bondgenoten. Het is je staatsburgerlijke plicht en ik doe het ook zo. Maar dan plots al je persoonlijkheid te verliezen en meer anglofiel te worden dan de Koning van Engeland! A priori, al wat de Engelsen doen is goed gedaan en ze hebben gelijk; en al wat de anderen doen, is slecht gedaan en ze hebben ongelijk. Nou, neen, dat is geen houding en ze sluit onlogisch aan bij je voorgaande gedrag. Neen, dat verwondert mij van een oud-Dinaso. – Dinaso is opgedoekt, man. Moreel ontbonden sinds de moord op Van Severen. Afgelopen. Daarbij, ‘t is oorlog. – Kijk, dat is nog zo een van je onlogische houdingen. Omdat Van Severen dood is en omdat het oorlog is, laat je plots al je vroegere ideeën varen. Ik ben nooit Dinaso geweest, om vele redenen. Omdat het, behalve in het laatste stadium van zijn evolutie, te grote neiging vertoonde tot militarisme en monocratie. En ook, omdat ik nou eenmaal niet graag tot een partij behoor. Doch de disciplinaire hervorming die het voorstelde, zijn realistisch inzicht in buitenlandse politiek, in de grenzenpolitiek en vóóral zijn aristocratische zin heb ik steeds goed gevonden en vind ik nog goed. Ik, die nooit Dinaso was, ik blijf het; meer dan jij, die het geweest bent.”

Kabaal dat, zoals dat ‘vroeger’ gebruikelijk was, in dit boek ook wel eens in het Frans neergeschreven staat of in het Duits, zonder dat een vertaling voorzien is. De mensen die nu door de jeugd verweten worden toch zo achterlijk te zijn, konden immers nog wel andere talen dan die van hun moeder en steenkoolengels. “Et comment vont les affaires? vraagt Alfred aan onze ome Ka, on devra bien se mettre d’accord avec eu, maintenant qu’ils ont gagné la guerre. En tout cas, ils sont bien corrects maintenant, les Boches… pardon, les Allemands, on ne les appelle plus Boches à présent”, was toen op z’n minst voor wie een béétje belezen was perfect verstaanbaar. Zeker als die lezer uit de duidelijk internationaal gerichte milieus komt waarin de Toorops en de Brands vertoeven, een situatie die Van Isacker wellicht van thuis uit gekend heeft.

Kabaal ook dat af en toe aan het begin van een hoofdstuk wordt samengevat langs twee lijnen, zijnde ‘Wat gebeurde er toen in de wereld?’ (“De Engelsen walsen de Italianen uit Noord-Afrika, de Engelsen nemen Tobroek in, de Engelsen nemen Bengasi in, maar dan verschijnt Rommel op het Afrikaans toneel. De Engelsen worden tegengehouden, de Engelsen vliegen achteruit en Rommel storm hen na. De Engelsen vluchten weg uit Bengasi. Rommel in Bengasi.”) en ‘Wat gebeurde er in belgië?’ (“De verschillende verradersgroepen verbinden zich tot een eenheidspartij. Het Verdinaso ligt uiteen met zijn onafhankelijkheidswaan. En de mensen hier lopen op straat. Ze worden aangehouden. Blijf stilstaan! Door een bende vagebonden in zwarte uniform. Waarom worden ze tegengehouden? Omdat hun gezicht die schoelies niet bevalt? Neen, daarom niet! Maar omdat die schoelies een bende rotzooi zijn, die graag de Feldgendarm uithangen.”), maar waarbij de helft van die samenvatting soms al achterhaald is door wat in een eerder hoofdstuk is geschreven. Niet meer nagelezen? Zou kunnen als ik het nawoord van de auteur lees: “Dit verhaal werd gebrouwd tijdens de bezetting zelf. In oktober 1942 kwam ik op het idee, en de maanden nadien ging mijn verbeelding haar gang. Slechts nu en dan nam ik enkele nota’s om mijn geheugen te helpen. Pas na de bevrijding stelde ik het definitieve plan op en begon onmiddellijk te schrijven. Toen ging het vlug, op zes maanden was ik klaar. Ik schreef het als student, tussen twee examens in, in de maanden december 1944 en januari-mei 1945.”

Maar eindigen wil ik deze bespreking toch met een zeer ware, maar tevens schitterend geformuleerde vaststelling: “Het kost veel last en pijn, oneindig veel pijn om een mens ter wereld en groot te brengen… en toch, alsof het een kleinigheid gold, stellen ze een decreet op, het wordt ondertekend en de man is dood. Begrijpen die mensen dan niet wat het gekost heeft, dat wat ze zo lichtzinnig vernietigen? Maar wààrom, om godswil, moeten wij dan kinderen geven aan onze vrouwen, die ze in zoveel pijn en angsten baren? Als er toch net om de twintig jaar een oorlog moet komen, om ze elkaar te laten uitmoorden?”

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !