Ik had het er al over in mijn bespreking van Knut Hamsun, een
biografie van de hand van Piet Schepens: bij Desclée De Brouwer,
een Brugse uitgeverij die in de jaren 1970 langzamerhand tot Orion
vervelde en in die vervelde gedaante in 1983 failliet ging (toch wat
de Vlaamse tak betreft, want in Parijs bestaat de uitgeverij nog steeds), werd ooit een serie schrijversbiografieën uitgegeven
onder de verzamelnaam Ontmoetingen. Uit die serie besprak ik
een aantal jaar geleden al de biografie van Adriaan Roland Holst door Jan Elemans en die van Ernest Hemingway door Paul Vanderschaeghe, maar op een recente reis naar Duitsland nam
ik behalve het eerder genoemde exemplaar over Knut Hamsun ook het
voorliggende over Paul van Ostaijen mee. In beide gevallen, en zoals
ook al aangegeven in mijn bespreking van dat over Knut Hamsun, niet
met de intentie lezing ervan te combineren met het lezen van een boek
van de besproken auteurs, zoals ik die wel had toen ik de biografieën
over Holst en Hemingway ging lezen. Een intentie die ná lezing van
de biografie niet staande bleef voor wat Hamsun betreft, van wie ik
inmiddels De ontwrichten heb gelezen, maar dat wél zal doen
voor wat Van Ostaijen betreft. Niet omdat ik Van Ostaijen niet graag
zou lezen, of omdat ik geen werken van hem in huis zou hebben
(behalve met Music-Hall en een bundel of drie duikt hij ook op
in een aantal poëzieverzamelingen in mijn boekenkasten), maar omdat
ik voorlopig even wat écht stevig werk ter hand genomen heb. Een
boek van zo’n dertienhonderdvijftig bladzijden waarover ik het
later nog wel heb, maar dat ook moet dienen om mijn voorraad te
bespreken boeken even een paar weken niet te laten aangroeien. Negen
boeken waarover ik nog een kort of lang verhaal heb te vertellen, is
meer dan een beproeving voor mijn geheugen genoeg.
Nu goed, Paul van Ostaijen door Adriaan de Roover dus (zelf
dichter en essayist, zij het intussen ook al tien jaar overleden).
Een biografie die begint met “Ik ben geboren”, zijnde de woorden
waarmee Van Ostaijens na zijn dood verschenen autobiografie óók
begon. “Het klinkt zelfbewust en uitdagend”, aldus De Roover,
“maar tegelijkertijd in [sic] het de feestelijke mare, dat er een
prins geboren werd. Een prins in de Nederlandse poëzie”.
“Nederlands” zoals in ‘Nederlandstalig’, voor de
duidelijkheid, want Van Ostaijen was – uit zijn bescheidenheid viel
het al af te leiden – een onvervalste Antwerpenaar.
Een gegeven dat er toe leidde dat Van Ostaijen, die u uiteraard kent
als dichter (ik hoop toch dat ik u dát niet moet uitleggen), als
bediende ging werken op het Antwerpse stadhuis én het spul snoof
waarvan het residu ook heden ten dage nog volop te vinden is in het
Antwerpse riolensysteem: “Peter Baeyens werd een boezemvriend van
Paul van Ostaijen; en naar M.E. Tralbaut mededeelt, was het vooral
deze rijkemanszoon, die de jonge dichter meetroonde naar de nachtbars
en café-chantants, en hem onder meer ook aanzette tot het nemen van
cocaïne. Een tijdlang is van Ostaijen narcoticus geweest, maar zoals
Burssens vertelt: ‘een liaison met een vrouw, waarvan hij veel
heeft gehouden, bracht alles weer terecht.’ Op het stadhuis,
onder zijn collega’s liet hij nochtans graag doorschemeren, dat hij
toxicomaan was. Wellicht stak hierin een deel grootspraak, die
volledig paste in de speciale sfeer, die hij rond zijn persoon
kultiveerde.” Zelfs in zijn drugsgebruik was hij dus een
Antwerpenaar, of, zoals die genoemd worden op de parking, een
dikke nek.
Maar dan wel een dikke nek die zijn nek bij tijd en wijlen durfde
uitsteken: “In november 1917 kwam de franskiljonse kardinaal
Mercier voor een bezoek naar Antwerpen. Paul van Ostaijen bevond zich
onder de Aktivistische jongeren, die de Primaat van België
uitfloten. Het kostte hem een proces, waarbij hij tot 3 maand
gevangenisstraf veroordeeld werd. Door toedoen van de Duitse overheid
werd het vonnis echter zonder gevolg geklasseerd”. Drie maanden
gevangenisstraf voor een fluitpartij, het zou tegenwoordig zelfs
Vlaams-nationalistische actievoerders niet meer overkomen. Je door
een Duitstalige laten helpen om aan de franskiljonse straffen te
ontkomen óók niet meer. Maar daarmee was de kous voor Van Ostaijen
niet af: na de wapenstilstand vreesde hij alsnog zijn straf te moeten
uitzitten en “vond het geraadzaam naar Berlijn uit te wijken”:
“In gezelschap van de vrouw van een vriend, vertrok van Ostaijen
naar Berlijn, waar ze als straatarme zwervers in een ware heksenketel
terechtkwamen. De Duitse hoofdstad was in die maanden ten prooi aan
de wanhoop en de geestelijke en materiële ellende van een verloren
Krieg. In deze ontreddering laaiden de politieke passies hoog op en
de meedogenloze strijd om de macht tussen de socialisten van Fritz
Ebert en de kommunistische Spartacusbonden – waarmee van Ostaijen
sympatizeerde – bracht het verslagen Duitsland op de rand van de
burgeroorlog”. Een rand waarop Van Ostaijen behalve communist ook
“onder meer liftboy was, boekhandelaar en verkoper van
damesschoenen” was. Plus uiteraard dichter: “De ongemeen felle
artistieke bedrijvigheid, die te Berlijn heerste, moet op het
geschokte gemoed van de dichter sterk ingewerkt hebben. De jaren te
Berlijn werden voor hem een literair zeer vruchtbare periode”.
“Vooreerst schreef hij er zijn poëzieboeken ‘Feesten van Angst
en Pijn’ en ‘Bezette Stad’”, illustreert De Roover die
stelling, maar hij leverde ook stof voor het in Vlaanderen
verschijnende “humanitair expressionistisch tijdschrift” Ruimte,
produceerde “twee inleidende manifesten” voor een tijdschrift dat
(weerom) Het Sienjaal zou gaan heten (maar niet van de grond
kwam), kreeg werk gepubliceerd in Opstanding (“het orgaan
van de kommunistisch getinte Vlaamse Clarté-groepen”), enzovoort,
maar dat belette hem niet naar huis te verlangen en in 1921 ook
effectief terug te keren: “Na een kort proces werd hem amnestie
verleend, maar op slag werd hij onder de wapens geroepen”. Enige
praktische vorm van cynisme was de belze staat toén ook al niet vreemd.
Zoals eigengereidheid wat publicaties in tijdschriften betreft Van
Ostaijen niet vreemd was en bleef. De Driehoek (waarin onder
andere Huldedicht aan Singer verscheen), Vlaamsche Arbeid
(waaraan hij toch de laatste vijf jaar van zijn leven regelmatig
bleef meewerken), Avontuur, het zijn slechts een paar van de
titels uit de verdere publicistencarrière van Van Ostaijen. Zoals
“Ensor, Magritte, Permeke, Brusselmans, Oskar en Floris Jespers,
Fritz van den Berghe, Gust De Smet, Picasso, Matisse, Derain, Braque,
Marie Laurencin, Kandinsky, Paul Klee, Campendonck, Kokoschka,
Archipenko, Brancusi” niet álle kunstenaars waren waarvan werk
tentoongesteld werd in La Vierge Poupine, de
galerij-annex-kunsthandel waarmee Van Ostaijen in oktober 1925 in
Brussel begon… en waaraan in 1926 al weer een einde kwam.
“Opgedoekt”, zoals De Roover het, wellicht zonder bad pun
intended, noemt. Van Ostaijen was nu eenmaal geen zakenman. Hij
rekende er ook op dat z’n talent vanzelf geld zou opbrengen. Graag
vanwege de overheid ook nog: “‘Daarom, Du Perron en Burssens,
indien het ons welkom is onze lof zwart op wit uit te lezen, laat ons
elkaar loven, want het is nutteloos op andere lof te wachten.’
Zulke uitspraak belicht van Ostaijen’s ressentiment tegenover de
onwil en de laatdunkendheid door de serieuze en officiële
literatoren ten overstaan van zijn werk gemanifesteerd. Van Ostaijen
vergat niet, dat mannen als Vermeylen, Buysse, Teirlinck en Streuvels
eenmaal geweigerd hadden hem een eenvoudige aanmoedigingspremie toe
te kennen. Het was ten slotte Minister C. Huysmans nog, die hem, dank
zij Jozef Muls, een premie van 2.000 fr. deed uitkeren”. “Maar
toen lag van Ostaijen”, dixit De Roover, “reeds op sterven”.
Iets wat hij, geboren in 1896, uiteindelijk deed in een
privé-sanatorium in Miavoye-Anthée in 1928. Waarna hij alsnog de zo
gewilde erkenning van hogerhand kreeg: “Vier jaar lag van Ostaijen
vergeten in een hoekje van het kerkhof te Anthée. Op 19 maart 1932
werd zijn stoffelijk overschot naar Antwerpen overgebracht en op het
Schoonselhof bijgezet. Nog eenmaal werd hij ontgraven, om op 8
november 1952 plechtig op het Erepark van het Antwerpse kerkhof onder
een gedenksteen van Oscar Jespers te worden gelegd. Daags vóór zijn
dood had van Ostaijen nog geschreven: ‘er zijn officiële mensen
genoeg die al lang weten dat ik ziek ben en hoe ziek ik ben nu en die
niet bewegen.’ Een kwarteeuw later op het Erepark stonden de
oficiële [sic] mensen rond zijn graf.”
Tot daar ook de info die een lezer in een ‘standaard’ biografie
verwacht. Maar in deze serie Ontmoetingen wordt die info
steeds gevolgd door een niet minder omvangrijk stuk over het werk van
de schrijver. Info die in dit exemplaar uit die serie voorzien is van
de titel De dichter Paul van Ostaijen of de tocht naar het
Absolute, wat ondanks het zeer lezenswaardige, bekijkenswaardige
ook, werk van Van Ostaijen toch wel een lichtelijk groteske titel is,
zelfs al duidt De Roover die met de volgende eerste paragraaf: “We
hebben deze studie, die de ontwikkelingsgang wil schetsen van Paul
van Ostaijen’s dichterlijke oeuvre, de titel gegeven ‘De tocht
naar het Absolute’, omdat dit wel het duidelijkst Paul van
Ostaijen’s poëtisch eindpunt beklemtoont en terzelfdertijd de
faktor aanduidt, die praktisch alle exponenten van het Europese
modernisme met elkaar gemeen hebben. We mogen daarbij vooropstellen,
dat Paul van Ostaijen in de beste lyrische momenten uit het
zogenaamde ‘Eerste Boek van Schmoll’ tot de uiterste limiet van
de poëtische mogelijkheden ging en in zekere zin het absolute
nulpunt in de poëzie benaderde”. Vertrouw nooit individuen die
zichzelf aanduiden met “we”, zou ik zeggen, al is het maar omdat
ook de rest van hun proza vervolgens opgeblazen zal zijn: “De
dichter werkt nog met nadrukkelijke alliteraties als ‘Linden
langs de laan’. En dit valt nog meer op in onderstaande strofe,
die niet alleen als een schoolvoorbeeld van obstinate stafrijmen kan
gelden, maar die tevens ontsierd wordt door gezochte
woordkombinaties, zoals de impressionistische woordkunstenaars die
bij voorkeur aanwendden om hun verzen te stofferen”. Niet erg
vriendelijk van De Roover, zou ik zeggen, en dat nog los van het feit
dat Van Ostaijen er nog bekaaider zou van af gekomen zijn als hij
uiteindelijk niet in de buurt van dat “absolute nulpunt” was
gekomen: “Even naïef noemen we een gedicht als ‘Fietstocht’.
Het is een vers, waaruit overigens op pijnlijke wijze de verbale
onmacht van de debutant blijkt om het weidse gevoel van zomerse
blijheid uit te drukken. In ‘Fietstocht’ tracht van
Ostaijen hoofdzakelijk bij middel van woordmuziek een stemming van
uitbundigheid en overmoed uit te drukken. Maar het klinkt bepaald
vals en ridikuul.” Of, omdat ik daarnet toch al Music Hall
noemde: “Vatten we ‘Music Hall’ samen, dan mogen we
besluiten dat noch in zijn dandyeske gedichten, noch in zijn verzen
van geluk veel te vinden is, dat van zuiver poëtisch standpunt
gezien, onvervangbaar mag genoemd worden.” Eat that, Paul
van Ostaijen, nietwaar?
En ja, De Roover is véél positiever over wat daarna zou volgen, dat
benaderen van het “nulpunt”, maar misschien moet een mens ook wel
niet gelezen hebben dat “de grondgedachte van (…) [Bezette
Stad en Feesten van Angst en Pijn] vrijwel identiek
[blijft]: nihilisme en afrekening met het verleden” om er van te
kunnen – oeps! – genieten. Welke lezer – en dan bedoel ik
beslist geen schriftgeleerde – boeit het of Bezette Stad “de
enige dadaïstische publikatie in de Nederlandse taal genoemd [mag]
worden”? En wat doet het ertoe als andere schriftgeleerden dan De
Roover “veronderstellen, dat van Ostaijen (…) niet de gelegenheid
had om zijn dichterschap ten volle uit te diepen”? Veel wellicht
voor De Roover: “Verdergaan was niet mogelijk. Hij had alleen op
zijn stappen kunnen terugkeren. De dood heeft hem voor zulke
terugtocht behoed. Maken we even de spekulatie, dat van Ostaijen toch
had blijven leven, dan was zijn enige poëtische konsekwente daad het
zwijgen geweest.” Goed dat Van Ostaijen crepeerde dus, want anders
had hij van De Roover zijn bek moeten houden. Goed dat De Roover nog
een peuter was toen Paul van Ostaijen al op zijn sterfbed lag, want
anders had hij hem misschien nog bij leven moeten afkraken. Heiligen
kunnen maar beter op tijd sterven, anders gaan hun aanbidders hen nog vervolgen.
Laat het feit dat De Roover kennelijk tot dat soort volk behoorde
reden genoeg zijn om dit boekje aan de kant te laten liggen als u het
ooit eens tegenkomt. Lees het werk van Van Ostaijen. Ook het vroege.
Daar zal u veel meer aan hebben.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !