donderdag 25 juni 2026

Paul van Ostaijen – Adriaan de Roover (boekbespreking door Björn Roose)

Paul van Ostaijen – Adriaan de Roover (boekbespreking door Björn Roose)
Ik had het er al over in mijn bespreking van Knut Hamsun, een biografie van de hand van Piet Schepens: bij Desclée De Brouwer, een Brugse uitgeverij die in de jaren 1970 langzamerhand tot Orion vervelde en in die vervelde gedaante in 1983 failliet ging (toch wat de Vlaamse tak betreft, want in Parijs bestaat de uitgeverij nog steeds), werd ooit een serie schrijversbiografieën uitgegeven onder de verzamelnaam Ontmoetingen. Uit die serie besprak ik een aantal jaar geleden al de biografie van Adriaan Roland Holst door Jan Elemans en die van Ernest Hemingway door Paul Vanderschaeghe, maar op een recente reis naar Duitsland nam ik behalve het eerder genoemde exemplaar over Knut Hamsun ook het voorliggende over Paul van Ostaijen mee. In beide gevallen, en zoals ook al aangegeven in mijn bespreking van dat over Knut Hamsun, niet met de intentie lezing ervan te combineren met het lezen van een boek van de besproken auteurs, zoals ik die wel had toen ik de biografieën over Holst en Hemingway ging lezen. Een intentie die ná lezing van de biografie niet staande bleef voor wat Hamsun betreft, van wie ik inmiddels De ontwrichten heb gelezen, maar dat wél zal doen voor wat Van Ostaijen betreft. Niet omdat ik Van Ostaijen niet graag zou lezen, of omdat ik geen werken van hem in huis zou hebben (behalve met Music-Hall en een bundel of drie duikt hij ook op in een aantal poëzieverzamelingen in mijn boekenkasten), maar omdat ik voorlopig even wat écht stevig werk ter hand genomen heb. Een boek van zo’n dertienhonderdvijftig bladzijden waarover ik het later nog wel heb, maar dat ook moet dienen om mijn voorraad te bespreken boeken even een paar weken niet te laten aangroeien. Negen boeken waarover ik nog een kort of lang verhaal heb te vertellen, is meer dan een beproeving voor mijn geheugen genoeg.

Nu goed, Paul van Ostaijen door Adriaan de Roover dus (zelf dichter en essayist, zij het intussen ook al tien jaar overleden). Een biografie die begint met “Ik ben geboren”, zijnde de woorden waarmee Van Ostaijens na zijn dood verschenen autobiografie óók begon. “Het klinkt zelfbewust en uitdagend”, aldus De Roover, “maar tegelijkertijd in [sic] het de feestelijke mare, dat er een prins geboren werd. Een prins in de Nederlandse poëzie”. “Nederlands” zoals in ‘Nederlandstalig’, voor de duidelijkheid, want Van Ostaijen was – uit zijn bescheidenheid viel het al af te leiden – een onvervalste Antwerpenaar.

Een gegeven dat er toe leidde dat Van Ostaijen, die u uiteraard kent als dichter (ik hoop toch dat ik u dát niet moet uitleggen), als bediende ging werken op het Antwerpse stadhuis én het spul snoof waarvan het residu ook heden ten dage nog volop te vinden is in het Antwerpse riolensysteem: “Peter Baeyens werd een boezemvriend van Paul van Ostaijen; en naar M.E. Tralbaut mededeelt, was het vooral deze rijkemanszoon, die de jonge dichter meetroonde naar de nachtbars en café-chantants, en hem onder meer ook aanzette tot het nemen van cocaïne. Een tijdlang is van Ostaijen narcoticus geweest, maar zoals Burssens vertelt: ‘een liaison met een vrouw, waarvan hij veel heeft gehouden, bracht alles weer terecht.’ Op het stadhuis, onder zijn collega’s liet hij nochtans graag doorschemeren, dat hij toxicomaan was. Wellicht stak hierin een deel grootspraak, die volledig paste in de speciale sfeer, die hij rond zijn persoon kultiveerde.” Zelfs in zijn drugsgebruik was hij dus een Antwerpenaar, of, zoals die genoemd worden op de parking, een dikke nek.

Maar dan wel een dikke nek die zijn nek bij tijd en wijlen durfde uitsteken: “In november 1917 kwam de franskiljonse kardinaal Mercier voor een bezoek naar Antwerpen. Paul van Ostaijen bevond zich onder de Aktivistische jongeren, die de Primaat van België uitfloten. Het kostte hem een proces, waarbij hij tot 3 maand gevangenisstraf veroordeeld werd. Door toedoen van de Duitse overheid werd het vonnis echter zonder gevolg geklasseerd”. Drie maanden gevangenisstraf voor een fluitpartij, het zou tegenwoordig zelfs Vlaams-nationalistische actievoerders niet meer overkomen. Je door een Duitstalige laten helpen om aan de franskiljonse straffen te ontkomen óók niet meer. Maar daarmee was de kous voor Van Ostaijen niet af: na de wapenstilstand vreesde hij alsnog zijn straf te moeten uitzitten en “vond het geraadzaam naar Berlijn uit te wijken”: “In gezelschap van de vrouw van een vriend, vertrok van Ostaijen naar Berlijn, waar ze als straatarme zwervers in een ware heksenketel terechtkwamen. De Duitse hoofdstad was in die maanden ten prooi aan de wanhoop en de geestelijke en materiële ellende van een verloren Krieg. In deze ontreddering laaiden de politieke passies hoog op en de meedogenloze strijd om de macht tussen de socialisten van Fritz Ebert en de kommunistische Spartacusbonden – waarmee van Ostaijen sympatizeerde – bracht het verslagen Duitsland op de rand van de burgeroorlog”. Een rand waarop Van Ostaijen behalve communist ook “onder meer liftboy was, boekhandelaar en verkoper van damesschoenen” was. Plus uiteraard dichter: “De ongemeen felle artistieke bedrijvigheid, die te Berlijn heerste, moet op het geschokte gemoed van de dichter sterk ingewerkt hebben. De jaren te Berlijn werden voor hem een literair zeer vruchtbare periode”. “Vooreerst schreef hij er zijn poëzieboeken ‘Feesten van Angst en Pijn’ en ‘Bezette Stad’”, illustreert De Roover die stelling, maar hij leverde ook stof voor het in Vlaanderen verschijnende “humanitair expressionistisch tijdschrift” Ruimte, produceerde “twee inleidende manifesten” voor een tijdschrift dat (weerom) Het Sienjaal zou gaan heten (maar niet van de grond kwam), kreeg werk gepubliceerd in Opstanding (“het orgaan van de kommunistisch getinte Vlaamse Clarté-groepen”), enzovoort, maar dat belette hem niet naar huis te verlangen en in 1921 ook effectief terug te keren: “Na een kort proces werd hem amnestie verleend, maar op slag werd hij onder de wapens geroepen”. Enige praktische vorm van cynisme was de belze staat toén ook al niet vreemd.

Zoals eigengereidheid wat publicaties in tijdschriften betreft Van Ostaijen niet vreemd was en bleef. De Driehoek (waarin onder andere Huldedicht aan Singer verscheen), Vlaamsche Arbeid (waaraan hij toch de laatste vijf jaar van zijn leven regelmatig bleef meewerken), Avontuur, het zijn slechts een paar van de titels uit de verdere publicistencarrière van Van Ostaijen. Zoals “Ensor, Magritte, Permeke, Brusselmans, Oskar en Floris Jespers, Fritz van den Berghe, Gust De Smet, Picasso, Matisse, Derain, Braque, Marie Laurencin, Kandinsky, Paul Klee, Campendonck, Kokoschka, Archipenko, Brancusi” niet álle kunstenaars waren waarvan werk tentoongesteld werd in La Vierge Poupine, de galerij-annex-kunsthandel waarmee Van Ostaijen in oktober 1925 in Brussel begon… en waaraan in 1926 al weer een einde kwam. “Opgedoekt”, zoals De Roover het, wellicht zonder bad pun intended, noemt. Van Ostaijen was nu eenmaal geen zakenman. Hij rekende er ook op dat z’n talent vanzelf geld zou opbrengen. Graag vanwege de overheid ook nog: “‘Daarom, Du Perron en Burssens, indien het ons welkom is onze lof zwart op wit uit te lezen, laat ons elkaar loven, want het is nutteloos op andere lof te wachten.’ Zulke uitspraak belicht van Ostaijen’s ressentiment tegenover de onwil en de laatdunkendheid door de serieuze en officiële literatoren ten overstaan van zijn werk gemanifesteerd. Van Ostaijen vergat niet, dat mannen als Vermeylen, Buysse, Teirlinck en Streuvels eenmaal geweigerd hadden hem een eenvoudige aanmoedigingspremie toe te kennen. Het was ten slotte Minister C. Huysmans nog, die hem, dank zij Jozef Muls, een premie van 2.000 fr. deed uitkeren”. “Maar toen lag van Ostaijen”, dixit De Roover, “reeds op sterven”. Iets wat hij, geboren in 1896, uiteindelijk deed in een privé-sanatorium in Miavoye-Anthée in 1928. Waarna hij alsnog de zo gewilde erkenning van hogerhand kreeg: “Vier jaar lag van Ostaijen vergeten in een hoekje van het kerkhof te Anthée. Op 19 maart 1932 werd zijn stoffelijk overschot naar Antwerpen overgebracht en op het Schoonselhof bijgezet. Nog eenmaal werd hij ontgraven, om op 8 november 1952 plechtig op het Erepark van het Antwerpse kerkhof onder een gedenksteen van Oscar Jespers te worden gelegd. Daags vóór zijn dood had van Ostaijen nog geschreven: ‘er zijn officiële mensen genoeg die al lang weten dat ik ziek ben en hoe ziek ik ben nu en die niet bewegen.’ Een kwarteeuw later op het Erepark stonden de oficiële [sic] mensen rond zijn graf.”

Tot daar ook de info die een lezer in een ‘standaard’ biografie verwacht. Maar in deze serie Ontmoetingen wordt die info steeds gevolgd door een niet minder omvangrijk stuk over het werk van de schrijver. Info die in dit exemplaar uit die serie voorzien is van de titel De dichter Paul van Ostaijen of de tocht naar het Absolute, wat ondanks het zeer lezenswaardige, bekijkenswaardige ook, werk van Van Ostaijen toch wel een lichtelijk groteske titel is, zelfs al duidt De Roover die met de volgende eerste paragraaf: “We hebben deze studie, die de ontwikkelingsgang wil schetsen van Paul van Ostaijen’s dichterlijke oeuvre, de titel gegeven ‘De tocht naar het Absolute’, omdat dit wel het duidelijkst Paul van Ostaijen’s poëtisch eindpunt beklemtoont en terzelfdertijd de faktor aanduidt, die praktisch alle exponenten van het Europese modernisme met elkaar gemeen hebben. We mogen daarbij vooropstellen, dat Paul van Ostaijen in de beste lyrische momenten uit het zogenaamde ‘Eerste Boek van Schmoll’ tot de uiterste limiet van de poëtische mogelijkheden ging en in zekere zin het absolute nulpunt in de poëzie benaderde”. Vertrouw nooit individuen die zichzelf aanduiden met “we”, zou ik zeggen, al is het maar omdat ook de rest van hun proza vervolgens opgeblazen zal zijn: “De dichter werkt nog met nadrukkelijke alliteraties als ‘Linden langs de laan’. En dit valt nog meer op in onderstaande strofe, die niet alleen als een schoolvoorbeeld van obstinate stafrijmen kan gelden, maar die tevens ontsierd wordt door gezochte woordkombinaties, zoals de impressionistische woordkunstenaars die bij voorkeur aanwendden om hun verzen te stofferen”. Niet erg vriendelijk van De Roover, zou ik zeggen, en dat nog los van het feit dat Van Ostaijen er nog bekaaider zou van af gekomen zijn als hij uiteindelijk niet in de buurt van dat “absolute nulpunt” was gekomen: “Even naïef noemen we een gedicht als ‘Fietstocht’. Het is een vers, waaruit overigens op pijnlijke wijze de verbale onmacht van de debutant blijkt om het weidse gevoel van zomerse blijheid uit te drukken. In ‘Fietstocht’ tracht van Ostaijen hoofdzakelijk bij middel van woordmuziek een stemming van uitbundigheid en overmoed uit te drukken. Maar het klinkt bepaald vals en ridikuul.” Of, omdat ik daarnet toch al Music Hall noemde: “Vatten we ‘Music Hall’ samen, dan mogen we besluiten dat noch in zijn dandyeske gedichten, noch in zijn verzen van geluk veel te vinden is, dat van zuiver poëtisch standpunt gezien, onvervangbaar mag genoemd worden.” Eat that, Paul van Ostaijen, nietwaar?

En ja, De Roover is véél positiever over wat daarna zou volgen, dat benaderen van het “nulpunt”, maar misschien moet een mens ook wel niet gelezen hebben dat “de grondgedachte van (…) [Bezette Stad en Feesten van Angst en Pijn] vrijwel identiek [blijft]: nihilisme en afrekening met het verleden” om er van te kunnen – oeps! – genieten. Welke lezer – en dan bedoel ik beslist geen schriftgeleerde – boeit het of Bezette Stad “de enige dadaïstische publikatie in de Nederlandse taal genoemd [mag] worden”? En wat doet het ertoe als andere schriftgeleerden dan De Roover “veronderstellen, dat van Ostaijen (…) niet de gelegenheid had om zijn dichterschap ten volle uit te diepen”? Veel wellicht voor De Roover: “Verdergaan was niet mogelijk. Hij had alleen op zijn stappen kunnen terugkeren. De dood heeft hem voor zulke terugtocht behoed. Maken we even de spekulatie, dat van Ostaijen toch had blijven leven, dan was zijn enige poëtische konsekwente daad het zwijgen geweest.” Goed dat Van Ostaijen crepeerde dus, want anders had hij van De Roover zijn bek moeten houden. Goed dat De Roover nog een peuter was toen Paul van Ostaijen al op zijn sterfbed lag, want anders had hij hem misschien nog bij leven moeten afkraken. Heiligen kunnen maar beter op tijd sterven, anders gaan hun aanbidders hen nog vervolgen.

Laat het feit dat De Roover kennelijk tot dat soort volk behoorde reden genoeg zijn om dit boekje aan de kant te laten liggen als u het ooit eens tegenkomt. Lees het werk van Van Ostaijen. Ook het vroege. Daar zal u veel meer aan hebben.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !