dinsdag 9 juni 2026

Maar er is een uitweg – Frans van Isacker (boekbespreking door Björn Roose)

Maar er is een uitweg – Frans van Isacker (boekbespreking door Björn Roose)
Lezers die bij het zien van de naam Frans van Isacker denken dat ik met deze boekbespreking in herhaling val, hebben niet helemaal ongelijk: Frans van Isacker was inderdaad ook de auteur van het boek dat ik in mijn vorige bespreking tot onderwerp nam, De wereld verandert. En de titel Maar er is een uitweg lijkt niet toevallig een vervolg op die titel: Maar er is een uitweg ís het vervolg op De wereld verandert. Een vervolg dat op zeer korte termijn na het verschijnen van het eerste boek werd gepubliceerd, maar niet op even korte termijn na dat eerste boek werd geschreven, aldus het Dagboek van de auteur aan het einde van Maar er is een uitweg: “Hoewel er slechts weinig tijd is verlopen tussen de publicatie van De Wereld Verandert en dit boek, toch ligt er tussen het schrijven en beëindigen van beide manuscripten een hele periode, bijna vier jaar.”

Een onvoorzien vervolg dus? Niet echt: “Tegelijkertijd met het schrijven van De Wereld Verandert ontstond ook het plan voor dit boek. Aanvankelijk bedoelde ik de kroniek van de oorlog en na-oorlog in een trilogie te verwerken [waarbij het derde deel allicht Elsie Brand, de verloofde van Eric Toorop, als ‘schrijver’ had moeten hebben, iets wat nu het geval is vanaf het derde deel van het tweede boek, noot van mij] en het schema daartoe werd uitgebouwd in oktober 1947. Doch spoedig, nog voor het eerste gedeelte (Opgejaagd) [van dit tweede boek, noot van mij] af was, kwam ik tot andere inzichten en reeds in januari 1948 werd de constructie omgewerkt tot een diptiek. Door al deze perikelen heen werd dit boek heel wat anders dan een record van stachanovisme. Ik schreef het te Mechelen in november-december 1947, januari-juli, oktober-december 1948 en januari-februari 1949. Vrijwel gelijklopend werd de tekst opnieuw ter hand genomen. De derde herziening had plaats tijdens de maand maart 1949. Daarna kreeg Elsevier de kopij.”

Kopij bevattende een weliswaar omgewerkt verhaal dus, maar wel een verhaal waarvan het schrijven al tijdens het schrijven van De wereld verandert werd gepland. Een verhaal – waarover, hoe clever, eerder genoemde Eric Toorop het ook heeft op pagina 262 van dit boek - dat dus logischerwijs in de lijn ligt van dat eerste, zij het dat het zich grotendeels afspeelt ná de Tweede Wereldoorlog, of minstens na – wat dan heet – “de bevrijding” en tijdens de nadagen van die oorlog. “Het hele leven, blij en beklemmend tevens, zoals het zich in België na de bevrijding heeft afgespeeld, heb ik willen weergeven”, schrijft Van Isacker daarover: “Opnieuw zijn waan en werkelijkheid in dezelfde twee families geconcentreerd. Maar welke de inspiratiebron ook zij, realiteit of verbeelding, toch blijft dit verhaal echt en verhoudingsgetrouw.”

‘Ja en nee’, ben ik geneigd te antwoorden op die bewering. ‘Ja’ in de zin dat Maar er is een uitweg minder een tearjerker is geworden dan De wereld verandert, wat een vooruitgang is. ‘Nee’ in de zin dat “echt en verhoudingsgetrouw” toch geen volkomen correcte beschrijving is voor wat in de plaats van het tearjerken kwam: de hoeveelheid actie die in dit tweede deel van de “diptiek” geperst werd, zou nog enigszins geloofwaardig geweest zijn mits uitgesmeerd over twee delen, maar een deserteur uit het Hongaarse leger uit de gevangenis bevrijden, een soldaat van het Vlaams Legioen inzetten om dat te doen en vervolgens die soldaat helpen ontsnappen aan het naoorlogse ‘gerecht’, hoofdrolspelers laten trouwen met Amerikaanse soldaten en met Oostenrijkse, het ‘verzet’ trotseren bij het verzorgen van ‘vijanden’, uit huis gezet worden door de bezetter, beschuldigd en vrijgesproken worden van economische collaboratie, het ‘recht’ van de straat en het onrecht van het officiële ‘gerecht’, de macht van de (crypto-)communisten en de onmacht van de staat (“De minister van landsverdediging beveelt de ontwapening van de verzetsbenden. Ze lachen hem uit”), het voorziene opnieuw keren van de kazak mocht het zogenaamde Von Rundstedt-offensief succes hebben gehad, enzovoort, enzoverder… het is misschien een heel klein beetje veel voor de tweehonderdtachtig bladzijden tekst die Maar er is een uitweg telt (nota bene vijftig minder dan De wereld verandert) en het is zeker niet “verhoudingsgetrouw”. Ja, die dingen zijn ongetwijfeld allemaal gebeurd, de ene in grotere hoeveelheden dan de andere, maar die allemaal op een dergelijke manier samenpersen kán van het goede teveel zijn. “Het wordt een echte politieroman”, zegt op een zeker moment een van de hoofdrolspelers, maar Maar er is een uitweg slaat qua actie nog heel wat in dat genre.

“(…) hier in het park, Ferko, is de oorlog toch voorbij gebleven”, blijkt ook tijden na de oorlog nog steeds niet het geval (en was ook in de praktijk niet het geval). Zelfs de grote ideeënleverancier, de in principe niet meer praktiserende dokter Brand, wordt er af en toe een beetje moe van. En de eindredactie was dat duidelijk óók. Zetfouten en zelfs verdwenen zinnen zijn daar de getuigen van: “Gisteren vierde Hitler zijn tiende / jaar, maar meer en meer, dag en nacht, dreunen de eska- / hij niet eens gesproken heeft”, is van dat laatste een duidelijk voorbeeld. “Ze hebben hem nu aangehouden zonder indentiteit!” eveneens. Maar goed, we zijn niet van de spellingspolitie. En de maatschappijkritiek die Van Isacker in dit boek gestoken heeft, mag er hoe dan ook wezen. Over het al eerder genoemde ‘verzet’, bijvoorbeeld: “Al dat schieten en die aanvallen, brandstichting, gewapende inbraak of overval… Ik weet niet wat allemaal, tot moord zelfs… Net of ze daartoe het recht krijgen, alleen maar omdat ze worden vervolgd en zich moeten verstoppen. Al wat er gebeurt in de Ardennen maakt me al even razend als de rest en ik vind het even crimineel… al was het dan alleen om de represailles en het doodschieten van gijzelaars dat er steeds op volgt. (…) Op doodslag volgt doodslag en op repressie represaille. Dit wil ik schrijven: wee hen, die ons dit leren en ons wapens geven om het te doen! Zij maken zich gelijk aan degenen die ze bestrijden en ons zenden ze een leed dat groter is dan de oorlog zelf en dat zich opstapelen zal, steeds maar opstapelen, een eindeloze toekomst ver. En wie zegt dat wat ze nu leren, ze later zelf niet zullen moeten ondergaan, van hen juist aan wie ze het leerden?” Of over de ‘precisiebombardementen’ van de Geallieerden, in de woorden van kardinaal Jozef Van Roey: “Sinds omtrent één maand is België dag en nacht het voorwerp van voortdurende luchtaanvallen, met het doel, verklaart men, de stations, de knooppunten en de inrichtingen van de spoorwegen te vernietigen. Wegens de wijze waarop zij uitgevoerd worden, doen deze aanvallen ieder maal stroomen bloed vloeien en veroorzaken zij ongehoorde en onherstelbare verwoestingen in onze stedelijke en landelijke agglomeraties. Reeds duizenden onzer landgenoten vonden een vreeselijken dood onder de puinen van hun huizen of in de ingestorte schuilplaatsen waarin zij zich veilig achtten. Reeds vertoonen de bijzonderste steden van ons land, te beginnen met Brussel, Luik, Gent, Charleroi, in gansche wijken, nog slechts puinhoopen. Aloude steden, bij voorbeeld Mechelen en Leuven die ik rechtstreeksch onder het oog heb, zijn voor een derde of voor de helft vernietigd, inbegrepen verschillende van hun kostbaarste monumenten. Over bijna de gansche oppervlakte van het land, heerschen dood en verslagenheid. Men zegt ons weliswaar: Deze uitwerksels zijn ongetwijfeld ten zeerste betreurenswaardig, maar zij zijn een onvermijdelijk gevolg van krijgsverrichtingen, die tot doel hebben de door de vijand benuttigde verkeersmiddelen en fabrieken te vernielen. De werkelijkheid, die wij met eigen oogen vaststellen, is deze: buiten zeldzame gevallen, waarin enkele vliegtuigen, bij dagvlucht, hun objectief treffen, zonder groote schade aan te richten in de omgeving, worden spring- en zelfs brandbommen blindelings, lukraak, zonder eenig onderscheid, op meerdere vierkante kilometers van bebouwde agglomeraties uitgeworpen. Is het noodig om spoorweg-installaties, gelegen aan de rand van een stad, te treffen, dat luchtformaties, in dikke drommen, bijzonder ‘s nachts, honderden, duizenden bommen van het zwaarste kaliber op gansch een stad doen neerkomen? Is deze wijze van doen in verhouding tot het beoogde doelwit? Hoe kunnen deze reusachtige en ongeregelde inspanningen, zelfs van militair standpunt uit, verantwoord worden? Het is klaarblijkelijk – we zien het en wij bevestigen het – dat men de voorzorgen niet neemt, die onontbeerlijk zijn en die het mogelijk is te nemen. Hoe kan dus deze handelswijze vóór de rede en het menschelijk geweten gerechtvaardigd worden? Men zegt ons nog: Verblijft niet in de nabijheid van vormingsstations en van vertakkingspunten van de spoorwegen. Maar hoe ver reikt de gevaarlijke zone, wanneer men vaststelt dat bommen slachtoffers maken en woningen vernietigen tot op verschillende kilometers afstand van deze objectieven? Bovendien, waar zou een zoo dicht op elkaar gedrongen bevolking als de onze, in een land met spoorwegen bedekt, kunnen naartoe vluchten?

Elke vergelijking met hedendaagse toestanden is – uiteraard, ik zou niet durven – denkbeeldig, maar ik wou deze, door de auteur gecursiveerde, passage toch even meegeven. En dat in tegenstelling tot de info die ik ook al neerpende in mijn bespreking van De wereld verandert. Zoals het geval is met dat boek en het voorliggende, mag u wat mij betreft ook de besprekingen daarvan als een ‘diptiek’ beschouwen.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !