dinsdag 2 juni 2026

De ogen uitgestoken – Aldous Huxley (boekbespreking door Björn Roose)

De ogen uitgestoken – Aldous Huxley (boekbespreking door Björn Roose)
Laat ons wel wezen: als u één boek kent van Aldous Huxley, dan is het niet voorliggend De ogen uitgestoken, maar het – vaak in één adem met George Orwells 1984 genoemde – Brave New World. De voornaamste reden daarvoor is ongetwijfeld dat ook anderen vóór u (en mij) dat boek gelezen hadden en er op z’n minst uit hadden onthouden dat het ‘belangrijk’ was. Lezen doet immers lezen. Maar Brave New World heb ik, in tegenstelling overigens tot Brave New World Revisited, niet meer gelezen sinds ik boekbesprekingen schrijf, dus kan ik u dát niet aanbevelen (wat uiteraard een leugen is, ik beveel het u aan), wat ik met De ogen uitgestoken wél zou kunnen doen. Maar niet zal doen. En daar zijn een aantal, naar uw eigen oordeel, goede of slechte redenen voor.

Een reden die noch goed noch slecht is, is het feit dat dit in 1936 voor het eerst verschenen boek in het Engels Eyeless in Gaza heet, wat in tijden waarin – ondanks het feit dat er de jongste maanden van alles gedaan is om er de aandacht van af te leiden – vele ogen op Gaza gericht zijn, enigszins misleidend kan wezen. Dit boek heeft namelijk niets te maken met Gaza, “de titel van deze roman”, aldus de tekst op de achterflap, is alleen maar “ontleend aan Milton’s beschrijving van Simson als Eyeless in Gaza at the Mill with slaves”. Dat zegt u wellicht zo weinig als het mij zei (al kan ik onder mijn lezers best méér belezen mensen hebben dan ik er zelf een ben), maar de beschrijving in kwestie is er een van de Bijbelse Samson of Simson in John Miltons uit 1671 daterende dramatisch gedicht Samson Agonistes. Ik ga zelfs geen poging doen om het te vertalen (dramatische gedichten van driehonderdvijftig jaar oud zijn geen forte van me), maar Huxley verwijst dus hiernaar: “Promise was that I / Should Israel from Philistian yoke deliver; / Ask for this great Deliverer now, and find him / Eyeless in Gaza at the Mill with slaves, / Himself in bonds under Philistian yoke”. En – uiteraard – hiernaar: “Whom have I to complain of but my self? / Who this high gift of strength committed to me, / In what part lodg’d, how easily bereft me, / Under the Seal of Silence could not keep, / But weakly to a woman must reveal it, / O’recome with importunity and tears. / O impotence of mind, in body strong! / But what is strength without a double share / Of wisdom, vast, unwieldy, burdensom, / Proudly secure, yet liable to fall / By weakest subtleties, not made to rule, / But to subserve where wisdom bears command”.

Of ik denk tenminste, op basis van wat ik gelezen heb in dit boek, dat dat tweede deel belangrijk is. Een gedachte die ook al bij u kan opkomen bij het lezen van wat de achterflap van de in 1973 bij Uitgeverij Contact verschenen vertaling verder te vertellen heeft: “De hoofdpersoon, Anthony Beavis, is intelligent genoeg om er een eigen mening op na te houden. De omstandigheden hebben hem in staat gesteld een economisch onafhankelijk leven te leiden. Emotionele banden met een familieleven tomen evenmin zijn vrijheid in. Zonder enige morele strijd verovert hij zich de objectiviteit van de filosoof en de zelfverloochening van de religieuze mens. Het hoofdthema is zijn ontwikkeling van knaap tot ‘volwassene’, en zijn ontdekking op middelbare leeftijd dat zijn zelfzuchtige vrijheid geen vrijheid is, dat de houding van filosofische objectiviteit en van ‘heiligheid’ die hij zich heeft aangemeten, op geen enkele manier overeenkomt met authentiek leven.” Een achterflaptekst die me niét zou overtuigd hebben het boek te lezen, laat staan te kopen, als het niet voor een prikje bij een of andere kringwinkel had gelegen en ik geen hoge verwachtingen had gehad van Aldous Huxley. Ik ben namelijk niet bijzonder gek op dit soort dingen, al helemaal niet als de “ontwikkeling” in kwestie zo’n vierhonderdzestig bladzijden moet duren.

De eerste dertig bladzijden of zo dacht ik bovendien aan opgeven. Ja, werkelijk, opgeven. Ik heb dat lang niet gehad met een boek en het kan aan – ik citeer wederom de achterflap – de “monumentale vertaling van Pé Hawinkels” liggen, die er “een in het Nederlands herschapen Eyeless in Gaza” van gemaakt heeft, maar ik zat er op te zwoegen. Na die dertig bladzijden stopte ik echter met lezen voor die dag en toen ik ‘s anderendaags het boek weer opnam, ging het beter. En bleef het beter gaan, ondanks het feit dat ik tot op het einde de neiging had bepaalde passages diagonaal te lezen. Misschien was ik die eerste avond moe, misschien moest ik aan de stijl wennen, maar ik heb het hele boek gelezen. “Van knaap tot ‘volwassene’” dus. Alhoewel. Huxley vond die evolutie op zich kennelijk te simpel. Het moest ingewikkelder. Dus hakte hij het verhaal aan stukken en ging met de brokken schuiven. Een brok over genoemde Anthony Beavis en de mensen in zijn omgeving in de derde persoon dat zich afspeelt op 30 augustus 1933. Een brok “Uit het dagboek van A.B.” daterend van 4 april 1934. Nog een brok over A.B. op 30 augustus 1933. Een brok over de kleine A.B. op 6 november 1902. Een brok over Helen Amberley, die we kennen van de eerste brok, en haar zus Joyce, gedateerd op 8 december 1926. Je went geleidelijk aan al dat heen en weer hobbelen door de tijd, maar je moet wel voortdurend in de gaten blijven houden ‘wanneer’ je bent, en het blijft overkomen als een truc van Huxley om het verhaal meer ‘literair’ te maken. En dan had ik ook nog soms de indruk dat hij zélf ergens onderweg het zicht op de data kwijt was gespeeld.

Iets wat het gevolg kan zijn geweest van het óók nog in dit boek willen stoppen van z’n eigen overheersende ideologie, het pacifisme. Geen pacifisme als levenswijze, al is geen van de personages werkelijk gewelddadig, toch niet in fysieke zin, maar als uitgeschreven filosofie. Er zit een béétje van in het hele boek - en de stukken die verwijzen naar gebeurtenissen in (in het bijzonder) nationaal-socialistisch Duitsland die toen nog niet de uitwerking hadden gekregen die ze later zouden krijgen, zijn louter op zichzelf al interessant -, maar er is niet echt iets aan het personage Anthony Beavis dat hem zou doen uitgroeien tot een militante pacifist (of militante whatever, for that matter), en toch is dat wat Huxley in de laatste hoofdstukken van hem maakt. Wat er toe leidt dat je je als lezer door hele bladzijden ideologische theorie, door Beavis in zijn – doorheen het hele boek grotendeels met hoogdravende filosofische beschouwingen gevulde - dagboek genoteerd, heen moet slaan. Beavis moet immers ‘volwassen’ worden en ‘volwassen’ was in de ogen van Huxley kennelijk vooral strijdend pacifistisch, maar Beavis wordt daarmee ook heel erg vervelend.

En vervelend zijn eigenlijk álle personages in dit boek. Vervelend en verveeld, want dat is hun levensstijl. Op z’n best zijn ze hedonistisch, maar genieten van het leven doen ze duidelijk nooit. “Toen ze dat zei dacht zij aan die periode in het begin van hun verhouding toen zij, om zo te zeggen, op de drempel had gestaan van een verliefdheid op hem – op de drempel, wachtend tot haar gevraagd werd binnen te komen. Hoe bruusk echter (bij al zijn terughouding en bestudeerde lankmoedigheid), hoe onherroepelijk en resoluut had hij de deur in haar gezicht dicht gedaan! Hij wilde niet dat er iemand van hem hield. Eventjes had zij op het punt gestaan daartegen in opstand te komen; toen aanvaardde zij, in die geest van verbitterde en sarcastische berusting waarmee zij geleerd had de wereld tegemoet te treden, zijn voorwaarden. Die waren des te aanvaardbaarder omdat er geen zicht was op een beter alternatief; omdat hij, welbeschouwd, een opmerkelijk man was en zij, welbeschouwd, erg op hem gesteld was; omdat hij, verder, tenminste in staat was haar lichamelijke bevrediging te schenken.” Vreugdeloosheid, liefdeloosheid, kilheid… het kind moet een naam hebben, maar ik heb het er lastig mee als dat kind meer dan vierhonderd bladzijden doorgaat en de hoofdpersoon geen enkele werkelijke evolutie ondergaat tenzij die naar predikant van de vrede, en onderweg, samen met een aantal anderen (zijn hele bubbel schijnt gevuld te zijn me dat soort mensen), alles besmet wat in zijn omgeving terechtkomt, alles aan de pest begint te lijden, en zelfs een zeldzame goede ziel het slachtoffer wordt van zichzelf én die anderen (“Hij zou best Bengers hand hebben willen aanraken, maar zulke dingen deed je niet, dat wist iedereen”).

Een boek hoeft voor mij niet vrolijk te zijn – ik lees er genoeg die dat niet zijn -, maar de mate aan wrangheid die ik kan hebben, is beperkt. Nihilisme, tot daar aan toe. Existentialisme, tot daar aan toe. Maar de personages van Huxley maken elkaars leven en dat van anderen ook nog tot niet het leven waard. Niet eens bewust, heb je de indruk, maar omdat ze opgetrokken zijn uit het soort materiaal dat anderen kapot maakt. En niet mans (of vrouws) genoeg zijn om zelfs als ze zich bewust worden van de desastreuze gevolgen van hun handelingen actief in te grijpen om daar een einde aan te stellen. Een fenomeen dat het duidelijkst tot uiting komt als Anthony Beavis Joan verleidt, de vriendin van zijn goedhartige, maar buitengewoon verlegen vriend Brian, een spelletje waartoe hij zich, omdat hij zelf en ondanks zichzelf stapelverliefd is op haar, laat aanzetten door Mary Amberley (moeder van eerder genoemde Helen). Wie Les liaisons dangereuses van Choderlos de Laclos heeft gelezen – en het is moeilijk te geloven dat Huxley niet bewust gaan kopiëren is uit dat boek -, ként de scène en weet in wat voor psychische toestand Valmont terechtkomt, maar Anthony Beavis weet zelfs de zelfmoord van zijn vriend nog voor zichzelf recht te lullen. En hoezeer Huxley nadien ook nog mag proberen zijn Beavis tot meer dan een Butt-head te doen uitgroeien, dat lukt voor mij niet meer. Het pacifisme verdiende beter. Zelfs al kan ik het honderd procent eens zijn met wat die Butt-head in zijn dagboek de dato 10 augustus 1934 als nota bene noteert: “Wij zijn allemaal voor negenennegentig procent pacifist. De Bergrede, vooropgesteld dat we Tamerlan of Napoleon mogen blijven spelen in ons ene procent van zelf uitgezochte gevallen. Resultaat: iedereen is voorbestemd tot slachtoffer van iemand anders bij wijze van uitzondering (sic) toelaatbare oorlog. Negenennegentig procent. Maar zulk pacifisme is gewoon een andere naam voor militarisme. Wil er vrede zijn, dan moet het pacifisme honderd procent zijn.” Misschien is De ogen uitgestoken deel van “een volledige uitdrukkingsvorm (in termen van de verbeeldingsliteratuur) die zou leiden tot de volledige kennis (met de geest in zijn geheel) van de volledige waarheid” geworden, iets waar de dagboekschrijver in dit boek naar streeft, maar aan mij is die “uitdrukkingsvorm” niet besteed.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !