Posts tonen met het label György Konrád. Alle posts tonen
Posts tonen met het label György Konrád. Alle posts tonen

zaterdag 11 januari 2025

Zonsverduistering – György Konrád (boekbespreking door Björn Roose)

Zonsverduistering - György Konrád (boekbespreking door Björn Roose)

In mei 2022 – toch nog maar zo lang geleden, ik had de indruk dat ik al langer niks meer van hem gelezen had – publiceerde ik mijn bespreking van György Konráds ook al met één woord betitelde boek, Tuinfeest. Vandaag krijgt u van mij die van Zonsverduistering. Twee boeken die in mekaars lijn zitten, twee boeken die voor een deel ook overlappen, want beide zeer autobiografisch. Al week Konrád van dat autobiografische vaker af in Tuinfeest , dat nog wél kan beschouwd worden als een roman, dan hij dat in Zonsverduistering doet. Zie daarvoor de eerder genoemde bespreking, waarin u ook uitgebreid zijn – tot een paar paragrafen ingekorte - levensloop van me meekreeg.

Konrád leefde nog tot zestien jaar na het publiceren van Zonsverduistering – hij stierf in 2019, dit boek verscheen onder zijn Hongaarse titel Fenn a hegyen napfogyatkozáskor (de vertaling bij De Bezige Bij in 2004) -, en schreef in de vijf jaren na Zonsverduistering ook nog twee boeken, Kakasok bánata (Het verdriet van de hanen) dat verscheen in 2005 en Inga (Slingerbeweging) dat het licht zag in 2008, maar Zonsverduistering voelt aan als een eindverslag. Niet als het ‘testament van een jeugd’, wat Tuinfeest wel grotendeels was, maar als de vertelling van een grootvader (of een oude vader; Konrád was beide) aan zijn (klein)kinderen. Als datgene wat iemand die net een hartaanval heeft gehad - iets wat Konrád aan het einde van de vorige eeuw inderdaad overkwam en wat als gebeurtenis zo ongeveer het laatste is dat in het boek voorkomt – nog kwijt wil aan de volgende generatie(s). Niet echt ter lering, want je krijgt nergens de indruk (in tegendeel) dat Konrád zijn visie probeert op te dringen aan een ander, maar ter verklaring van wat zijn leven heeft ingehouden. Als afsluiting van een eeuw ook, een eeuw die Konrád niet helemaal heeft meegemaakt (hij werd geboren in 1933), maar waarvan hij toch voldoénde heeft gezien om hem niet per se nog eens te willen uitzitten en – vooral - via het doorzicht in zijn vader, het begrip voor hem, het geleidelijk opduikende besef (zonder dat hij dat zo formuleert) dat hij wel heel erg op hem lijkt, ook de jaren voorafgaand aan zijn geboorte kan invullen. Een eeuw die hij, net zoals de huidige, wel zeer treffend omschrijft in dat paragraafje bijna helemaal op het einde van dit boek: “Binnenkort schrijven we 2000. Ik vind het jammer om al die negens, die slanke wezens met hun grote hoofden, om te ruilen voor die dikke nullen. De negen lijkt met zijn terugblikkende hoofd zo intelligent, en die drie nullen zijn een zelfvoldaan in vervulling gaan.” Intelligent lijken en zelfvoldaan zijn, vormen daarbij naar mijn oordeel de kernwoorden.

Maar Konrád doet, los van het feit dat hij niet meer uitgebreid ingaat op wat hij en zijn zus Éva meemaakten tijdens de Tweede Wereldoorlog, ‘avonturen’ waarover hij uitgebreid schreef in Tuinfeest, intussen geen moeite om volledigheid na te streven. Ook daarin lijkt dit boek de vertelling van een grootvader: bepaalde delen van zijn leven (bijvoorbeeld de Hongaarse Opstand van 1956 – “Het zou sterk overdreven zijn te beweren dat ik iets van een vastberaden vrijheidsstrijder ben geweest” - en de wordingsgeschiedenis van sommige van zijn boeken, waaronder Az értelmiség útja az osztályhatalomhoz, De intelligentsia op weg naar de klassenmacht, uit 1978) zijn beter blijven hangen, tot in details eigenlijk, dan andere, of vindt hij gewoonweg belangrijker om door te geven. “Uit het bijna oneindige, uit de bergstorting van de vergetelheid raap ik af en toe een steentje op. Door het raam zie ik eenden en konijnen door de afgevallen bladeren lopen”, schrijft hij daarover zelf in die typische stijl waarin – dat streefde hij ook na – bijna elke zin op zich kan gelezen worden, terwijl ik me (stout als ik ben en in het blijvende besef dat Konrád tot 1990 in een land woonde waar een communistische dictatuur het voor het zeggen had en hij zijn werken minstens in het binnenland niet vrij mocht publiceren) dan afvraag waarom hij bepaalde periodes in het duister houdt (al nam de staatsveiligheid bij een van haar bezoeken aan Konrád ook een aantal van zijn dagboeken mee, wat uiteraard ook tot gaten kan leiden, zeker gezien hele passages uit dit boek duidelijk nauwelijks omgewerkte dagboekfragmenten zijn), maar misschien heeft hij over die periodes nog geschreven in Het verdriet van de hanen of Inga (die ik helaas geen van beide staan heb) en misschien gleden die periodes ook gewoon voorbij zonder dat er iets gebeurde in zijn persoonlijke leven dat de moeite van het navertellen waard was, althans voor een schrijver, want die moet er toch ook een beetje voor zorgen dat zijn publiek niet wegloopt. Iets wat voor een man die er vooral naar streefde met rust gelaten te worden, een man zonder grote ambities, sowieso, met wat geluk, toch tot de mogelijkheden moet behoord hebben, zélfs (en dat is natuurlijk de hele kunst) onder een communistische dictatuur: “Dankbaar denk ik terug aan al die plaatsen waar ze me met rust lieten, de meeste plaatsen waren zo. Ik deed mijn best om elke dag te zorgen voor het dagelijks brood van mijn gezin. Laat ik zorgen dat iets heb om te geven. Dat heb ik van mijn grootvader geleerd en dat zal ik ook tegen mijn kleinkinderen zeggen, waarbij ik eraan toevoeg dat hun betovergrootvader slechts ‘s morgens van negen tot twaalf werkte, daarna kwamen er alleen nog maar het gezin, een boek, het café en de schouwburg. Als van de universiteit gestuurde student kon ik ook de macht onderzoeken, als werkloze freelancer, als voogdijambtenaar, als stadsonderzoeker, als dissident, als zwerver, als buiten staande innerlijke emigrant, als liberaal lid van de partijraad [iets waar hij het verder op geen enkel moment over heeft, trouwens, wat lijkt te duiden op de relatieve onbelangrijkheid ervan in zijn leven, noot van mij], als voorzitter van de internationale PEN-club, als initiatiefnemer van een civiele beweging, van de Democratische Charta en nu als president van de Berlijnse Academie voor Kunsten. Ik heb nooit ergens naar gesolliciteerd, ze hebben me gevraagd, ik ben erop ingegaan, ik luisterde naar de influisteringen van het toeval en ben er, als de tijd gekomen was, mee opgehouden.”

Een goede samenvatting van Konráds levensloop, inderdaad, én van de manier waarop die tot stand kwam. In vele gevallen leek hij maar wat zijn neus te volgen – en had hij geluk dat die neus hem niet in al te grote problemen bracht (“Als lijden een wedstrijditem is, word ik geen kampioen.”) -, ook als anderen druk aan het overwegen waren wat ze gingen doen en waarom precies. En dat zowel in zijn privéleven als in zijn professionele leven, in zoverre die voor dat deel van zijn leven dat zich onder communistisch regime afspeelde enigszins uit mekaar te houden waren. En duidelijk af en toe in tegenspraak met die “negen tot twaalf” die zijn grootvader voldoende vond om aan werk te besteden. Tenzij je, pakweg, zijn voorzitterschap van de Berlijnse Academie voor Kunsten, dat hem per slot van rekening noopte zéér veel van huis te zijn om “het dagelijks brood” voor zijn gezin en zichzelf te verdienen, niet onder de categorie ‘werken’ zou rekenen, natuurlijk. Terwijl het, als hij het er over heeft, toch wel écht als werken klinkt: “Ik moet presidentiële speeches schrijven en ze moeten allemaal nog origineel zijn ook. Nu moet ik minstens honderd belangrijke mensen de hand drukken, die me zullen herkennen. Ik herken er ook veel, maar nog meer niet.” Terwijl het ook, als hij het anderzijds over schrijven heeft, niét klinkt als werken: “In het gezin ben ik niet mijnheer de president, ik zit braaf te grijnzen in het rumoer aan de keukentafel. Wie weet hoe een getrouwe weergave van de gebeurtenissen datgene is wat ik vertel? Als ik over haar schrijf, is mijn moeder een product van de fantasie, als ik over mezelf schrijf ben ik dat ook. Wat uit woorden bestaat is geen werkelijkheid, maar een verhaal.”

Zoals die woorden voor mij af en toe een extra verhaal worden. Want hoewel ik de jongste jaren niet meer op reis gegaan ben naar Hongarije – wegens echt wel heel het land bezocht, van bij de grens met Oostenrijk tot bij die met Oekraïne, en van bij de grens met Slovakije tot bij die met Kroatië, om het maar niet uitgebreid te hebben over close calls met de grenzen van Servië, Roemenië en Slovenië -, gaat er geen jaar voorbij waarin ik niet denk dat als ik meer tijd en geld had ik de verkenning van andere landen toch weer zou afwisselen met verblijven in Boedapest en toeren door de rest van dat prachtige land, en onvermijdelijk doen ook Konráds verhalen over het Bakonygebergte, “het Balaton” (al is het aan de stranden inderdaad op vele plaatsen “waden door de lichamen heen”, de vulkanische omgeving is er wel van een grote schoonheid), Boedapest zelf (inclusief zijn “typische Boedapester binnenplaats met galerij”, het soort binnenplaatsen waarrond we verschillende keren een appartementje huurden, plus het parlementsgebouw waarvan intussen de rode ster niet alleen meer verbleekt is maar ook van het dak gehaald), en uiteraard zijn Berettyóújfalu (u vindt het op de kaart ongeveer halverwege tussen de universiteitssteden Debrecen – waar hotel Arany Bika, mij in eerste instantie bekend vanuit mijn lessen Hongaars, kennelijk ook al in de jeugd van Konrád bestond - en Nagyvárad, al wordt die laatste stad sinds enige decennia Oradea genoemd) me daarnaar terug verlangen. En ik voel aan mijn water dat ik als ik er langer zou blijven niét zoiets zou hebben als Konrád zelf in andere landen: “In veel steden kan ik warmlopen voor de plaats en mezelf voor altijd met gezin en al daar voorstellen. De eerste dag. De tweede al minder. De derde wil ik al graag naar huis.”

En zelfs al was terug “naar huis” ook terug naar wat niet anders dan een halve gevangenis kan genoemd worden (een hele misschien zelfs), Konrád wist er – op den duur weliswaar vooral door zijn inkomsten uit buitenlandse auteursrechten – op zijn manier vrij te blijven: “Toen ik eruit getrapt werd, stak een collega met dikke wenkbrauwen zijn hoofd naar binnen en fluisterde: Je bederft alles voor jezelf. Ik walgde bij voorbaat van de gedachten die me te binnen zouden schieten als ik zou vragen weer terug te mogen achter de omheining. Een toegestane normaliteit heeft alle kenmerken in zich van een neurose. Gezond is wie vrij is. Ziek is wie afhankelijk is. De gezonde bestiert zichzelf, de zieke wordt door anderen bestierd. De zieke kan niet voor zichzelf zorgen, hij kan niet op eigen benen staan, kan geen beslissingen nemen en ziet niet wat er is, maar wat hij graag zou willen zien of waar hij bang voor is.” Zowaar iets om over na te denken voor al die o zo vrije mensen in het ‘vrije Westen’ van vandaag. Zeker en vast ook voor die studenten waar Konrád op het einde van de twintigste eeuw nog jaloers op was, “want er komt geen politiek te staan tussen hen en de kennis, want zij hoeven al die onzinnige obstakels die zich brutaal in onze leven binnengedrongen hebben, niet te ervaren.”

Daarmee, en niet met een van de talloze andere citaten die ik verder nog aangeduid had, onder andere over de wonderbare ontsnapping van Konráds ouders aan een einde in Auschwitz, de mogelijkheid tot emigratie naar Israël, over het schrijven en verspreiden van samizdat, de afluisterapparatuur, de medewerkers van de staatsveiligheid die Konrád en andere schrijvers voortdurend in de gaten hielden, over een staat die mensen niet wou toestaan naar het buitenland te vertrekken maar hen soms ook duidelijk maakte dat hun vertrek zou gewaardeerd worden, over de al eerder genoemde Opstand van 1956, enzovoort, wil ik deze bespreking eindigen. Omdat vrijheid effectief kan bestaan uit van de nood een deugd maken, uit je eigen weg gaan omdat het moét, niet noodzakelijk omdat het kán: “Ik wenste noch te winnen, noch te verliezen, ik wilde hier blijven zolang dat kon en God verhoede dat ik de drager zou worden van iets van een eerste persoon meervoud. Dat was mijn hartstocht, ertussenuit knijpen, me terugtrekken in een geheime werkplaats en de zo begeerde hoogten vermijden.”

Björn Roose

vrijdag 13 mei 2022

Tuinfeest – György Konrád (boekbespreking door Björn Roose)

Tuinfeest – György Konrád (boekbespreking door Björn Roose)
Vele jaren lang is reizen naar Hongarije voor mij de aanleiding geweest om bepaalde zaken te doen. Een taal leren (Hongaars dus), niet uitkijken naar andere vakantiebestemmingen, films kijken (Hongaarse uiteraard), en – want anders zou ik het er niet over hebben in een boekbespreking – boeken lezen (weerom Hongaarse). Nu ik in de tweede helft van april (2022, voor wie deze boekbespreking binnen een aantal jaren toevallig zou lezen) m’n wellicht laatste reis naar Hongarije ondernomen heb, valt die aanleiding weg, maar ik vermoed dat de goesting niet helemaal zal volgen. Goesting om tóch nog eens terug te gaan – we hebben werkelijk het hele land bereisd, maar ik heb toch wel een beetje m’n hart aan Boedapest verloren en zoveel van de rest van het land is minstens een tweede bezoek waard – en goesting om ook in de toekomst toch nog eens m’n cursussen Hongaars boven te halen, een Hongaarse film te bekijken of een Hongaars boek te lezen. Want laat ons wel wezen: niet alleen het land is mooi, er werden en worden ook zeer knappe films gemaakt en boeken geschreven. Tuinfeest van György Konrád valt in die laatste categorie.

Een beetje een lastig boek om aan te beginnen, korte zinnen, een lastig tempo, “postmodernistisch”. Maar een keer ik er in vertrokken was, schoten die meer dan 400 pagina’s onder me door. Het lag in mijn bedoeling het boek te lezen terwijl ik op reis was. Er een weekje eerder aan beginnen, zou nog genoeg over laten, dacht ik, maar het was dus uit tegen dat ik vertrok.

Konrád wordt volgens de Nederlandstalige Wikipedia “gezien als een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw”, maar toch niet belangrijk genoeg voor Wikipedia om zijn biografie een béétje aan te vullen. Je zal er wel vernemen dat Konrád joods was (hij overleed in 2019) en uiteraard dat na de Duitse bezetting van Hongarije zijn ouders gedeporteerd werden, maar zelfs voor wat het overleven van de Holocaust betreft wordt de bal door de auteurs van het artikel maar half geraakt. Het is uiteraard wáár dat Konrád en Eva (zijn zus) en hun twee neven István en Pál Zádor de judeocide overleefden, maar in combinatie met de zin over de deportatie van zijn ouders lijkt het alsof die dat niét deden. Wat niet klopt. In februari 1945, na de Duitse aftocht uit Hongarije trokken György en zijn zus vanuit Boedapest, waar ze onderdak gevonden hadden bij hun tante, terug naar Berettyóújfalu (ongeveer halverwege Debrecen en Nagyvárad, tegenwoordig beter bekend als het Roemeense Oradea), waar ze vier maanden later weer gezelschap kregen van hun ouders na hun vrijlating uit een concentratiekamp bij Strasshof (zijn oom, daarentegen, beleefde de bevrijding van Mauthausen nog, maar overleed aan dysenterie omdat hij “altijd al een slokop geweest [was] met een bijna onbedwingbare eetlust (…) [en] toen (…) helemaal niet meer de zelfdiscipline [kon] opbrengen om voorzichtig met eten te zijn en de hoeveelheid voedsel geleidelijk op te voeren”). Ze waren daarmee een van de weinige joodse families in de stad die nog “intact” waren na de oorlog, maar lang kregen ze niet de tijd om daarvan te genieten. De “bevrijders” waren dan wel niet – op z’n minst niet officieel – antisemitisch, maar wel antikapitalistisch: zijn vaders zaak en hun huis werden in 1950 “genationaliseerd”, iets waarover je niks leest op de Nederlandstalige Wikipedia, maar wel op de Engelstalige.

In 1956 nam Konrád deel aan de Hongaarse Opstand als lid van de Nationale Garde: een groot deel van zijn familieleden nam de wijk, maar hij bleef. Hij leefde vervolgens een beetje van de hand in de tand, maar wist uiteindelijk inspecteur bij de kinderbescherming te worden, een ervaring van waaruit hij z’n eerste boek, A látogató (De bezoeker) zou schrijven, iets wat hem meteen de negatieve aandacht van de officiële kritiek opleverde.

Van 1960 tot 1965 was hij editor bij uitgeverij Magyar Helikon, in 1965 ging hij werken voor het Instituut voor Stedelijke Wetenschap en Planning. Samen met Iván Szelényi schreef hij daarover onder andere het essay Új lakótelepek szociológiai problémái.

Meer boeken volgden. A városalapító (De Stedenbouwer) was al niet meer onderhevig aan officiële kritiek, maar aan voorafgaande censuur. Het boek kon in Hongarije alleen in gecensureerde vorm verschijnen. In 1973 verloor hij, met dank aan de politieke politie, zijn job, maar dat belette hem niet manuscripten naar het buitenland te krijgen, waar bijvoorbeeld het weerom samen met Iván Szelényi geschreven Az értelmiség útja az osztályhatalomhoz (De intelligentsia op weg naar de klassenmacht) werd uitgegeven. Gevolg: de politieke politie plaatste afluisterapparatuur in zijn appartement en doorzocht het. Een groot deel van z’n dagboeken werd in beslag genomen en hij en Szelényi werden gearresteerd wegens oproer tegen de staat. Vervolgens werden ze op probatie vrijgelaten en geïnformeerd dat ze toelating zouden krijgen mét hun gezin te vertrekken. Szelényi ging in op het “aanbod”, Konrád bleef en koos voor de Innere Emigration. Alhoewel… tot 1989 was hij inderdaad een verboden auteur in Hongarije en beroofd van elk legaal inkomen, maar hij leefde van zijn honoraria uit het buitenland, waar hij nog verdere werken gepubliceerd kreeg. Z’n essays werden door critici vergeleken met onder andere de geschriften van Adam Michnik, Milan Kundera, Václav Havel, Danilo Kiš en Czesław Miłosz, van wie ik eerder De geknechte geest besprak. In de eerste helft van de jaren tachtig werkte hij aan Kerti mulatság of, zoals het in het Nederlands heet, Tuinfeest.

Over wat na dat Tuinfeest nog volgde hebben we het misschien later nog eens, als ik weer eens ergens een boek van Konrád op de kop tik, maar gezien dit boek minstens semi-autobiografisch is, kan ik u meegeven dat de hierboven beschreven ervaringen een grote rol spelen in Tuinfeest. De oorlogsjaren, Berettyóújfalu voor en na de oorlog, de ijzerhandel van zijn vader en hoe zijn vader verder ging nadat die hem afgenomen was (als slechtbetaalde ijzerhandelaar in dienst van een ander), de kloterijen van de politieke politie, het in beslag nemen van zijn geschriften (“HH. autoriteiten, zoudt u geen huisvredebreuk willen bedrijven, niet in mijn manuscripten willen gluren en mijn teksten niet aan een strafrechtelijk en staatsgodsdienstig onderzoek willen onderwerpen? Ik verzoek u bij mij uit de buurt te blijven”), het komt allemaal, in stukjes en beetjes, aan bod. Weinig geordend, waardoor je af en toe je weg kwijtraakt, maar misschien was dat ook de bedoeling.

Als de auteur van de achterflap het dus heeft over “een stoet van levende maar vooral ook dode verwanten en bekenden, tegenstanders en naamloze passanten” die “tegen het decor van de geschiedenis van Hongarije en de Hongaarse joden” “aan het geestesoog van de ik-figuur voorbij[trekken]”, verwacht dan niet dat ze dat netjes chronologisch doen.

Verwacht ook niet dat u altijd makkelijk het onderscheid zal kunnen maken tussen levende en dode “verwanten en bekenden”, de auteur kan dat ook niet altijd: “Ook mijn vader is hier, hij nodigt mij uit voor een diner in hotel De Kroon. Hij zegt dat ik van alles krijg: bouillon, asperges in boter, gebraden kalfsvlees met paddestoelen en diverse dranken. Meer heb je niet nodig op deze leeftijd. Ik heb er niets op tegen, zegt hij, dat je dit diner desnoods als galgemaal beschouwt. Je wou je altijd amuseren. Hier is een flesje, het bevat een bijzondere rode wijn. Hij biedt mij de wijn aan. Als ik de fles heb aangenomen, verdwijnt mijn vader. Een maalstroom van herinneringen, met dodelijke lichtzinnigheid gaan de geschiedenissen van het verleden over in het gewelddadige heden. Details zwellen op, zonovergoten bewustzijnsverschuiving, verblindende amnesie. Als je bedenkt hoe lang het geleden is dat mijn vader stierf, is het toch vreemd dat hij zoëven hier was.”

Verwacht vooral ook niet dat u ín het verhaal kan blijven: nog los van het geharrewar met doden en levenden en het door mekaar gooien van de chronologie, geeft de auteur af en toe zelfs uitleg over hoe zijn boek, dít boek dus, vordert: “Het boek schrijft zichzelf en richt zich naar geen van de personages die ik verzin.” “Wie deze regels schrijft, wordt zelf ook geboren, hier op dit papier. Hij is het verlengstuk van de auteur, zijn schimmige evenbeeld dat hem voortdurend lastig valt. Ik ben geboren, dus ik besta. Zijn lichaam voedt mij met bloed en omdat ik van hem afhankelijk ben, probeer ik hem te overheersen. De auteur is de bemeste grond, ik ben de oogst. Hij is de doordeweekse dag, ik ben de zondag, die hij natuurlijk heiligt. Wie hier wordt geboren, op dit papier, heeft op dit moment nog geen voorgeschiedenis. Pas later zal ik vernemen wat er met mij is gebeurd, zal ik mij alles met een koortsachtig verlangen naar actie herinneren. Met de auteur zijn de meeste dingen al gebeurd, ik daarentegen ben een volstrekt nieuwe ontdekking, ik hijg nog van nieuwsgierigheid.”

Verwacht niet eens dat u de ik-figuur uit de andere figuren zal kunnen houden, want de ik-figuur is telkens weer een andere: “Ik doe net alsof Klára mijn dochter is, en niet de jouwe, waarde Jeremiás” wordt al heel snel gevolgd door “Ik ben Zsuzsa, de echtgenote van deze woedende man, die al vijftien jaar dood was toen ik uit het raam sprong van het hoekatelier van onze woning op de vijfde verdieping.”

Verwacht ten slotte ook geen al te grote gestrengheid. De auteur is echt joods én Hongaars: “Ik radbraak een paar talen, alleen mijn Hongaars is behoorlijk. Niets zou mijn levensloop zo kunnen wijzigen dat ik in een vreemde taal ging schrijven. Ik ben jood én Hongaar. Als ik een van deze nationaliteiten loochende, zou ik mezelf verminken”. “Mijn grootvader heette Ignác Kohn, maar mijn vader nam na zijn eindexamen de Hongaars klinkende naam Konrád aan”. En hij heeft Pijlkruisers en nationaal-socialisten zien passeren op jonge leeftijd, maar ook communisten en meelopers op latere leeftijd. Veel grijs, weinig wit, weinig zwart: “In de nacht van de bevrijding zongen wij het ‘lied van de knuppel’ en de Internationale. We hadden deze liederen van een lange, blonde vrouw, een pantominespeelster, geleerd. Zij was communist en vond dat wij dat ook moesten worden omdat de communistische partij gedurende de oorlog de enige verboden partij was geweest en alle overige partijen in meerdere of mindere mate hadden samengewerkt met de regering, al was het alleen maar door legaal te blijven en de regels in acht te nemen. Tante Magda’s enthousiasme zou niet lang duren: in 1949 probeerde zij op dezelfde skischoenen als zij tijdens het beleg van Boedapest had gedragen, de grens over te vluchten. De grenspolitie vuurde een paar waarschuwingsschoten af, waarvan er één raak was; ze overleed in het ziekenhuis.”

Maar verwacht wél een massa potentiële oneliners. Ergens schrijft Konrád dat je eigenlijk iedere zin van een roman apart zou moeten kunnen lezen (“De gelezen zin vormt een zelfstandige eenheid, die niet de steun van de context nodig heeft”) en er zijn ook echt hoofdstukken in dit boek waar je de indruk hebt dat dat niet alleen kán maar ook moet (“Ik houd van boeken die de lezer in staat stellen tussen elke gelezen zin even te pauzeren”). Een paar voorbeelden:

– “Ik ben liever een eerlijk mens dan een deugdzaam mens. Als deugdzaamheid betekent de goedkeuring van je tijdgenoten oogsten omdat je net zo denkt als zij, dan geef ik de voorkeur aan eerlijkheid.”;

– “We kunnen alleen van aanvaarding spreken als er geen uitzonderingen worden gemaakt.”;

– “De volkeren van deze aarde brengen de tirannen niet ten val, maar overleven hen slechts.”;

– “De toestand is pas normaal, als je blij bent wanneer je een politieagent ziet en op zo’n ogenblik geen greintje angst voelt.”;

– “Probeer niet goed te zijn, maar probeer ook niet slecht te zijn, ga je eigen weg. Wat je ook doet, je medemensen zullen je in ieder geval veroordelen.”;

– “Hoe schakelt het nieuwe het oude uit? Door het aan te geven.”;

– “Ik schrijf niet over politiek omdat ik politicus zou willen zijn, maar omdat ik alle reden heb om bang te zijn voor het drijven der politici. Zij brengen mijn leven in gevaar, beperken mijn vrijheid en bedreigen mij met strafbepalingen. Weinig samenspraak, veel propaganda. Zij gebruiken de taal om de waakzaamheid van de burgers af te zwakken.”;

– “Noch de rechtse noch de linkse, noch de conservatieve noch de radicale, noch de autoritaire noch de toegeeflijke staat heeft mijn sympathie. Ik erken dat ze bestaan en misschien ook nodig zijn, maar ze beperken hoe dan ook mijn recht over mijn eigen leven te beslissen.”;

– “Ik ken geen enkel collectief doel waarvoor ik bereid zou zijn mijn medemensen te doden. Om te voorkomen dat ze ons bezetten? Daarvoor ben ik te bezet.”;

– “Als ik iemand het woord ‘gemeenschap’ hoor uitspreken, pak ik mijn hoed en ben meteen vertrokken.”;

– “Het was onze eigen schuld dat zes miljoen van onze mensen zo maar konden worden afgeslacht. Gehoorzaamheid is een morele fout.”;

– “Niets is zo erotisch als een vreemde boekenkast.”

Ik ga u ten slotte niet vervelen met, voor mij, kleine stukjes heimwee bij passages over ooievaars (daarvan zijn er massa’s in grote delen van Hongarije), de Grote Hongaarse Laagvlakte, “de verminkte provincie Bihar”, de bergen van Boeda, of met het thema Midden-Europa dat niet alleen mij, maar ook vele schrijvers uit wat in het “westen” dan aangeduid wordt als “Oost-Europa” lief is. Alleen nog met één citaat, een citaat dat voluit van toepassing mag heten in tijden waarin “we” in de Nederlanden met z’n allen worden geacht deel uit te maken van “ons” land, “onze” Europese Unie, “onze” NAVO, “wij”: “Je maakt als staatsburger deel uit van een militaire alliantie; je beschikt over je eigen waterstofbommen; anderen spreken in jouw naam en gebruiken daarbij het woordje ‘wij’. Knik je? Zwijg je? Durf je voor je mening uit te komen? Ik ben verantwoodelijk, zowel voor mijn zwijgen als voor mijn spreken. En natuurlijk voor mijn leefwijze. De machtigen der aarde beroepen zich altijd en overal op het ‘algemeen welzijn’, maar hinderlijke zwartkijkers vragen zich af wie eigenlijk gebaat is bij dit algemeen welzijn. De behartigers van het algemeen welzijn worden dan boos en noemen zulke lieden zwartkijkers”. Of ‘wappies’, natuurlijk. Of ‘roebelhoeren’. Of ‘virusfabriekjes’. Of ‘verspreiders van desinformatie’. Kies maar uit.

O ja, één tip nog in verband met Tuinfeest: “Het verhaal hoeft u niet te begrijpen, ik begrijp het zelf ook niet.”

Björn Roose