Posts tonen met het label F. Scott Fitzgerald. Alle posts tonen
Posts tonen met het label F. Scott Fitzgerald. Alle posts tonen

vrijdag 22 mei 2026

Het merkwaardige geval van Benjamin Button – F. Scott Fitzgerald (boekbespreking door Björn Roose)

Het merkwaardige geval van Benjamin Button – F. Scott Fitzgerald (boekbespreking door Björn Roose)
Vele jaren geleden zag ik de eind 2008 verschenen film The Curious Case of Benjamin Button. Ik herinnerde me er vooral van dat ik ‘m goed vond, dat ie over een man ging die oud geboren werd en steeds jonger begon te worden, en dat Brad Pitt, die ‘voortdurend’ pindakaas rechtstreeks uit de pot lepelde, er in zat. Wat ik niét meer wist, was dat de film honderdzesenzestig minuten lang was (2:46 uur dus). En wat ik nooit geweten had, was dat de film gebaseerd was op een boek van F. Scott Fitzgerald, de auteur van wie ik in mei 2024 De Grote Gatsby besprak.

Sinds ik in de openbare bibliotheek een Nederlandstalige heruitgave onder de nieuwst aangekochte boeken aantrof, is in dat laatste dus verandering gekomen. En met die verandering toch een aantal vragen. Bijvoorbeeld deze: hoe maak je een film van twee uur en zesenveertig minuten van een boek dat, in grote druk op klein formaat, nog geen zeventig bladzijden dik is? Wie of wat is Nordisk Menorah Press behalve de kennelijke uitgever van dit werkje? En waarom zet je achteraan in dat werkje een hele hoop uitleg over “geproduceerd in overeenstemming met de EU GPSR-richtlijnen over de veiligheid van producten”, een drukker die “veiligheidscertificaten [heeft] afgegeven voor de gebruikte materialen, zoals inkt, papier en lijm”, en een adres waar je terecht kan met “vragen over de veiligheid van het product”, terwijl je kennelijk te lomp bent om te weten dat een boek geen “product-ID” heeft maar een ISBN-nummer, de auteur van de inleidende stukjes Over de auteur en Over het werk naamloos laat, en zelfs de vertaler niet vermeldt?

Wel, wat dat laatste betreft, zit het antwoord misschien in het adres waar je moet zijn met “vragen over de veiligheid van het product”, zijnde Bookmundo in de Delftsestraat 33 te Rotterdam. Daar zit volgens deze webstek 24bookprint, “een jong, internationaal team van gemotiveerde mensen die het jou mogelijk maken om je boeken, tijdschriften, rapporten en nog veel meer te laten drukken” (vroeger heette zoiets gewoon een drukkerij), een onderdeel van “het Mybestseller-netwerk”, “een van de marktleiders in Europa op het gebied van het publiceren van boeken”, en volgens deze webstek het al eerder genoemde Bookmundo, “een onafhankelijke club mensen die iedereen in staat stelt zijn of haar verhaal te vertellen en te delen met de rest van de wereld”. Of, zoals het op de webstek van 24bookprint heet, “ons self-publishing platform, dat alle auteurs in staat stelt hun droom van een eigen boek waar te maken en geschikt is voor opkomende uitgevers die hun klanten self-publishingdiensten willen aanbieden”. Het soort bedrijfjes dus dat in plaats van zelf de risico’s te lopen die een uitgever loopt, dat risico overdraagt naar de auteur en er toch minstens evenveel aan verdient. Nog steeds geen idee van wat achter Nordisk Menorah Press zit, maar als uitgeverij zal het niet groter zijn dan dit pocketboekje.

Waarmee we ook nog niet weten hoe je van zo’n dun boekje zo’n lange film maakt, maar toegegeven: F. Scott Fitzgerald verspilt geen hele bladzijden aan secure beschrijvingen van zijn personages en hun omgeving, en maakt reusachtige sprongen in de tijd, maar weet op hetzelfde moment een sfeer te scheppen die een filmmaker als kader kan dienen terwijl hij het toch allemaal wat trager kan aanpakken. Trager dan de auteur, terwijl die, volgens de inleiding, “in dit korte verhaal (…) een fantastisch uitgangspunt [gebruikt] om fundamentele vragen te stellen over tijd, identiteit en menselijke verbondenheid”, waarmee “het verhaal (…) zijn speelse premisse [overstijgt] en (…) zich [ontwikkelt] tot een melancholische reflectie op vergankelijkheid en existentiële isolatie.” Een inleiding waarna ik me afvroeg of daar in dat kleine beetje tekst écht plaats genoeg voor was, en die inderdaad een beetje overdreven is. F. Scott Fitzgerald roept met dit verhaal inderdaad “fundamentele vragen” op en kan op die manier de tot (zelf)reflectie geneigde lezer misschien aanzetten tot nadenken over “vergankelijkheid en existentiële isolatie”, maar het is nu ook niet zo dat je uren aan de gang blijft met dat gefilosofeer. Zelfs een niet bijster snelle lezer leest dit boekje uit op nog geen uur tijd en dat lezen kan behalve tot filosoferen ook tot (glim)lachen leiden. Van zinnen als “Voor het eerst maakten zij kennis met de charmante oude gewoonte om een kind te krijgen – meneer Button was dan ook zeer nerveus”, “De dokter wreef zich de handen met dat typische wasgebaar dat alle artsen volgens een ongeschreven erecode moeten maken”, of “Er was geen vergissing mogelijk – hij staarde naar een man van zeventig – een baby van zeventig, wiens voeten over de rand van de wieg bungelden waarin hij lag”, word je in ieder geval eerder vrolijk dan bespiegelend. En dat geldt eigenlijk voor dit hele verhaal.

Nee, het personeel in het ziekenhuis is niet gelukkig met de toestand, het personeel op de verschillende scholen die Benjamin Button naderhand bezoekt al evenmin, zijn echtgenote blijft het maar tijdelijk, de militairen eveneens, en z’n eigen zoon wil hem uiteindelijk het liefst voor de buitenwereld verbergen, maar dat is ook precies wat je kan verwachten in een wereld waarin alles één richting uitgaat, die naar het einde, terwijl het hoofdpersonage de andere richting uitgaat, die naar het begin. Absurd is het, maar nooit triest. Daar schept de auteur ook geen gelegenheid toe. Van “‘Goed, vader’ – dit met een groteske nabootsing van kinderlijke gehoorzaamheid– ‘u hebt langer geleefd, u weet het het beste” ben je zo bij “Benjamin zat met een schuldig gezicht te proberen de peuk van een donkere havanna te verbergen”, en van “Toen hij vijf was, stuurden ze hem naar de kleuterschool, waar hij werd ingewijd in de kunst van het plakken van groen papier op oranje papier, het vlechten van gekleurde landkaarten en het maken van eeuwigdurende kartonnen kettingen” kom je via toch wel mooie beschrijvingen als “late oogstbloemen ademden in de windstille lucht geuren uit die klonken als zacht, half gehoord gelach” in een handomdraai (of bladomdraai) zo bij “de eerste liefde”, terwijl er toch niks ergers gebeurt dan wat geroddel: “Men beweerde dat Benjamin eigenlijk de vader van Roger Button was, dat hij zijn broer was die veertig jaar in de gevangenis had gezeten, dat hij John Wilkes Booth in vermomming was – en ten slotte dat er twee kleine conische hoorntjes uit zijn hoofd groeiden”. Geroddel en in de omgekeerde volgorde dingen leren kennen en er afscheid van nemen.

In de omgekeerde volgorde en toch weer niet altijd. Benjamin Button raakt zijn vrouw beu omdat ze “te vastgeroest geraakt [was], te kalm, te tevreden, te bloedarmoedig in haar opwinding, te bezadigd in haar smaak”, maar dat zijn sentimenten die niet noodzakelijk samenhangen met omgekeerd evolueren (al zal dat ook niet helpen om het proces in kwestie aanvaardbaarder te maken). En z’n vrouw verwijt hem dat hij “niet wil(…) lijken op wie dan ook”, maar dat is ook geen kwestie van steeds jonger worden. En hij slaagt er niet meer in om in het sportteam te komen omdat hij steeds jonger en minder krachtig wordt, maar wat is uiteindelijk het verschil met daarin niet meer slagen omdat je steeds ouder en minder krachtig wordt? Wat is het verschil tussen niet meer kunnen studeren omdat je hersenen niet meer ver genoeg ontwikkeld zijn en niet meer kunnen studeren omdat je hersenen al over hun hoogtepunt heen zijn? Wat maakt het uit of je kinderen je verbergen voor de wereld omdat je er op ‘achteruit’ gaat of omdat je er op ‘vooruit’ gaat? Met een béétje ‘slechte’ wil, maak je van dit merkwaardige geval een gewoon geval, een gewoon geval dat op een merkwaardige manier bekeken wordt om het merkwaardige ervan in de kijker te zetten. Ik zou niet durven beweren dat F. Scott Fitzgerald (ook) dat nastreefde, maar het idee alleen al zorgt voor extra leesplezier bij dit sowieso al plezierig om lezen zijnde verhaal.

Björn Roose

dinsdag 28 mei 2024

De Grote Gatsby – F. Scott Fitzgerald (boekbespreking door Björn Roose)

De Grote Gatsby – F. Scott Fitzgerald (boekbespreking door Björn Roose)
Na Tien kleine negertjes van Agatha Christie, De pest van Albert Camus, De trein der traagheid van Johan Daisne, Jurassic Park van Michael Crichton, De postbode belt altijd tweemaal van James M.Cain, De drie musketiers van Alexandre Dumas, Vrijdag van Hugo Claus, en Veel geluk, professor van Aster Berkhof, ben ik met De Grote Gatsby aan het negende boek in een ‘ouwe’ serie van Het Laatste Nieuws toe. Een serie die ik ooit, tijdens een ander leven, bij mekaar spaarde door iedere woensdag (meen ik me te herinneren) dat vod te kopen en voor een kleine meerprijs een boek erbij te krijgen. Een serie die ik ook weer kwijtspeelde toen ik ging scheiden (een mens moet er iéts voor over hebben). Een serie die eind vorig jaar toevallig en geheel gratis weer in mijn handen viel.

Een serie ook die nogal – dat kan u al afleiden uit voornoemd reeksje van titels daarin – verscheiden van aard is, maar waarbinnen De Grote Gatsby samen met De postbode belt altijd tweemaal toch wel het genre van de film noir vertegenwoordigt. Al is het criminele aspect een stuk minder aanwezig bij De Grote Gatsby dan bij De postbode belt altijd tweemaal, en kan je een boek natuurlijk geen film noemen, zélfs als dat boek vier keer verfilmd is (om van de tv-adaptaties maar te zwijgen). Wat op zich overigens verbazingwekkend is, want het boek verkocht aanvankelijk voor geen meter (in een half jaar tijd, van april tot oktober 1925, maar 20.000 exemplaren op de Amerikaanse markt) en de auteur ervan beschouwde zichzelf bij zijn overlijden in 1940 (op de leeftijd van vierenveertig jaar) als een mislukkeling waarvan de werken al bij zijn leven vergeten waren.

Jammer voor die auteur, F. Scott Fitzgerald, die overigens bevriend was met onder andere Ezra Pound en Ernest Hemingway en op wiens grafsteen een citaat uit voorliggend boek staat (“So we beat on, boats against the current, borne back ceaselessly into the past”), dat hij in die overtuiging gestorven is, maar goed voor de generaties die ná zijn overlijden zouden volgen dat die overtuiging uiteindelijk niet overeen bleek te komen met de feiten en The Great Gatsby zelfs tot de klassiekers van de Amerikaanse literatuur ging behoren. Meer nog dan de twee romans die hij eerder schreef, This Side of Paradise en The Beautiful and Damned, en de roman die nog zou volgen, Tender is the Night (The Last Tycoon, dat in 1941 verscheen, werd afgemaakt door zijn vriend Edmund Wilson). En ook in de eerste helft van de jaren 2000 nog genoeg tot de verbeelding sprekend om het in een Nederlandse vertaling in de eerder genoemde serie te laten verschijnen dus, al zijn ze bij Het Laatste Nieuws ook hier weer zo onvriendelijk geweest wel een Noot van de vertaler mee te geven, maar niet de naam van de vertaler in kwestie.

Enfin, dat doet er niet echt toe voor wie het boek (in deze uitgave of een andere) wil lezen, iets wat ik toch wel durf aanraden. Het speelt zich, zoals u kan lezen op Wikipedia, inderdaad af tijdens de zogenaamde Jazz Age (een term die trouwens gemunt werd door Fitzgerald zelf) en de hele setting ervan is die van het toen heersende hedonisme, maar het valt de met enig inlevingsvermogen behepte lezer absoluut niet moeilijk het in zijn geest te transponeren naar nu, al zijn de tijden intussen een stuk hypocrieter geworden: de rijken laten het nog steeds breed hangen, maar ze maken daar ofwel een reality show van (waarbij de minder rijken ook nog eens betalen om naar hen te kijken) ofwel een geheim; de feestjes in de filmwereld of bij de op een andere manier omhoog gevallenen komen in de boekskes van de armoezaaiers terecht; en elkaars lief/vrouw afpakken wordt nog steeds gedaan, maar tegenwoordig eindigt dat soort zaken voor rechtbanken in plaats van als literatuur. Spijtig allemaal, maar we hebben op zijn minst nog een boek (boekje eigenlijk, want het is maar zo’n honderdvijftig bladzijden dik) als dit om ons aan betere tijden te herinneren. Tijden die onzediger en zediger tegelijkertijd waren, op zijn minst in de literatuur: “Gedrag mag op harde rots of op nat drasland gegrond zijn, maar op een gegeven moment kan het mij niet meer schelen waarop het is gegrond. Toen ik afgelopen herfst van de oostkust terugkwam, had ik het gevoel dat ik de wereld voorgoed in uniform en in een soort morele geeft-acht houding wilde zien; ik wilde geen luidruchtige uitstapjes meer met een bevoorrecht kijkje in het hart van de mens. Alleen Gatsby, de man die zijn naam aan dit boek geeft, was vrijgesteld van mijn reactie – Gatsby, die alles symboliseerde waarvoor ik een oprechte minachting heb. Indien persoonlijkheid een onafgebroken reeks van geslaagde gebaren is, dan had hij iets magnifieks, een verhoogde gevoeligheid voor de beloften van het leven, alsof hij verwant was aan een van die gecompliceerde machines die op tienduizend mijl afstand aardbevingen registreren. Deze ontvankelijkheid had niets van doen met die slappe vatbaarheid voor indrukken die met de weidse naam ‘scheppend temperament’ aangeduid wordt – het was een ongemene aanleg om te blijven hopen, een bereidheid tot romantiek zoals ik nog nooit bij iemand anders tegengekomen ben en waarvan het niet waarschijnlijk is dat ik die ooit opnieuw zal tegenkomen. Nee – Gatsby bleek uiteindelijk een beste vent; het is wat aan Gatsby knaagde, het smerige stof dat in het kielzog van zijn dromen dreef dat tijdelijk een halt toeriep aan mijn belangstelling in het onvoldragen leed en de kortademige uitgelatenheid der mensen.”

“(…) het onvoldragen leed en de kortademige uitgelatenheid der mensen”… Ja, zo kan je wat daarna volgt wel noemen. Een leed en een uitgelatenheid die zich beiden tonen in de show die ze ophangen naar buiten toe. Een show tegenover vrienden (of mensen die op hun beurt die rol spelen of af en toe moéten spelen), niet tegenover het grote publiek, maar desalniettemin een show. Een show waarin een echtgenoot de lakens deelt met een ander, maar door het lint gaat als zijn echtgenote zelfs maar lijkt hetzelfde te doen. Een show waarin een andere man zijn leven deelt met heel de beau monde, maar dat eigenlijk alleen maar doet in de hoop ooit zijn leven te kunnen delen met genoemde echtgenote. Een show waarin de echtgenoot en de man in het bijzijn van de echtgenote mekaar confronteren en de man het pleit verliest. Een show waarin die man na het verliezen van dat pleit uiteindelijk ook zijn leven verliest. Een show waaraan de verteller deelneemt, waarin hij verbindingsman speelt, waarin hij de verbinding ís tussen echtgenoot, man en echtgenote. Een show echter ook waarin hij nooit helemaal geïntegreerd wordt en waarvan hij aan het einde de droeve taak heeft het doek te laten vallen, zónder dat boontje om zijn loontje komt, en waarin de enige die zijn ‘verdiende loon’ krijgt dat in zijn geheel niet verdiend heeft. In tegendeel: de man krijgt het ‘verdiende loon’ van de echtgenoot en de echtgenote, beiden schuldig aan het kapot maken van niet alleen de droom van de man, maar ook aan die van nog een andere man: “Het waren onachtzame mensen, Tom en Daisy – ze maakten dingen en mensen kapot en trokken zich dan weer terug in hun geld of in hun onmetelijke onachtzaamheid, of wat het dan ook mocht zijn dat hen bij elkaar deed blijven, en lieten andere mensen de troep opruimen die ze hadden gemaakt...”

Klinkt allemaal heel serieus – en wellicht ook alsof ik het hele verhaal verklapt heb, maar wees gerust: dat is niet zo -, maar Fitzgerald schreef ook goéd. Zeer Amerikaans ook (of toch zoals ik me voorstel wat zeer Amerikaans is). “(…) we gingen aan een tafeltje zitten met de twee meisjes in het geel en drie mannen, die zich ieder aan ons voorstelden als meneer Mompel.” en “Minstens een dozijn mannen, sommigen er iets beter aan toe dan hij, legde hem uit dat wiel en wagen niet langer door enige materiële band verbonden waren.” mogen daarvan een paar voorbeelden zijn. “(…) ik ben een van de weinige eerlijke mensen die ik ooit heb gekend” een ander. Terwijl hij toch zeer ón-Amerikaans is als hij madame de Maintenon of Trimalchio op laat treden, en buitengewoon literair in passages als deze: “(…) met ieder woord keerde ze meer en meer in zichzelf, zodat hij het opgaf, en slechts de dode droom vocht door terwijl de middag voorbij gleed, in een poging om wat niet langer tastbaar was aan te raken, zich ongelukkig maar onverdroten een weg banend naar die verloren stem aan de andere kant van de kamer.”

O ja, nog één dingetje: wie op Wikipedia gaat zoeken, vindt daar ongetwijfeld ook iets over het zogenaamde antisemitisme in dit boek (dat overigens ook het enige zou zijn van vóór 1945 waarin het woord ‘holocaust’ voorkomt) en toegegeven, het als joods beschreven personage Meyer Wolfsheim (waarnaar de Duitse gelijknamige groep zich in 1987 trouwens noemde) is op generlei vlak sympathiek, maar wat mij het meest aan dat personage opviel is de naam van zijn firma: The Swastika Holding Company. Een feit dat zo intrigerend is dat er op zijn beurt behalve een aantal artikels ook een film aan werd gewijd (het plot ervan staat tenminste op dezepagina), maar dat niét wordt vermeld op Wikipedia… Raar toch?

Björn Roose