Posts tonen met het label Simon Carmiggelt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Simon Carmiggelt. Alle posts tonen

dinsdag 21 juli 2026

Simon Carmiggelt – Tussen twee stoelen (boekbespreking door Björn Roose)

Simon Carmiggelt – Tussen twee stoelen (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb niet zoveel boeken van Simon Carmiggelt besproken als ik er gelezen heb (omdat ik nu eenmaal al lang aan het lezen was vooraleer ik aan het bespreken begon), maar ben met mijn bespreking van voorliggend Tussen twee stoelen toch al aan mijn vijfde toe. En ik dacht na al dat lezen Carmiggelt toch wel een beetje te kennen: altijd wel goed voor een glimlach, heel soms voor een schaterlach, nog zeldener voor een lachbui, een opa, een sul van een vent, een man die in cafés de mensen zit te bekijken (en beschrijven), een bezoeker van Artis (ook in dít boek, trouwens – “Goed, goed – ga naar Artis. Als de zon schijnt, treft ge er uw soortgenoten bij duizenden aan. De directeur vindt dat prettig, maar ik ben er niet zeker van, dat de ijsbeer hem bijvalt.”), een aan-elkaar-plakker van willekeurige stukjes conversatie, een gezapige toerist, een gebruiker van het openbaar vervoer, van bankjes in parken, van al wat dagdagelijks is, maar dat alles vooral in een weinig opvallende stijl. Cursiefjes hoéven ook niet per se in een opvallende stijl geschreven te zijn, ze zijn een stijl van zichzelf, maar hoe dan ook zou ik u, desgevraagd, voor de stijl sowieso naar – wie anders? – Godfried Bomans hebben doorverwezen, niet naar Carmiggelt. En dat zou ik wellicht nóg doen, maar dan wel uitzondering makend voor Tussen twee stoelen. Of naar de aan deze bundel ten grondslag liggende twee bundels, Louter leugens (daterend uit 1951) en Tussen mal en dwaas (gepubliceerd in 1949). Aan die twee zijn de teksten in Tussen twee stoelen “ontleend” en ik ga er van uit – ik heb ze, wegens niet in bezit, nog niet gelezen – dat er daarin ook nog teksten staan van het niveau van taalkundige verfijning dat tekenend is voor de teksten die er uit gehaald werden. Of van de meeste toch, want hier en daar, voornamelijk in het mini-verzamelingetje Kroegen (uiteraard!), is Carmiggelt toch ‘gewoon’ de Carmiggelt die ik van vele andere bundels kende.

Iets wat dus niet geldt voor het overgrote deel van de ‘stukjes’ in Tussen twee stoelen, wat al meteen – en op dat moment nog tot mijn verrassing – bleek uit het eerste ervan, Een lachsucces, dat aldus begint: “Toen ik een jongmens van zeventien jaar was, placht ik vrijwel dagelijks in sonnetvorm uiting te geven aan mijn verlangen naar vaste verkering. Het was een vertrouwd werkje, dat meestal kort voor het inslapen zijn beslag kreeg, maar op den duur vond ik er toch geen bevrediging in. Ik begeerde niet alleen in poeticis, doch ook metterdaad meisjes te ontmoeten en nam, na lang aarzelen, de zaak op met een oudere vriend, die reeds verscheidene verlovingen had verbroken en een motorfiets bezat, zodat hij als een kenner te boek stond.” Wie de werken van Carmiggelt enigszins kent, zal het met me eens zijn dat dát niet echt klinkt als de ‘standaard’ Carmiggelt én ook inhoudelijk van die ‘standaard’ afwijkt.

Wat overigens nog niet wil zeggen dat die ‘standaard’ er een is die anders in iedere bundel van Carmiggelt aangehouden werd. Al is het maar omdat de stukjes van Carmiggelt in zovele bundels van wisselende samenstelling zijn opgenomen. Het eerste deel van de mini-verzameling In het publiek, bijvoorbeeld, ben ik honderd procent zeker in een ander boek van hem tegengekomen, al zou het mij té veel tijd kosten om nu even uit te zoeken in wélk. Meer tijd nog dan het zou kosten om Zéér sterk, dat als volgt eindigt, niét als een absurd stuk te beschouwen: “Ik liep de kamer uit. Toen ik de buitendeur opende, riep Willebrand mij op onzekere toon na: ‘En nog wel bedankt, hoor’. Bij mijn thuiskomst wachtte mij nòg een verrassing. De slaapkamer binnentredend, zag ik mezelf namelijk naast mijn vrouw in bed liggen. De lezer begrijpt, hoe ik opkeek toen ik mij had wakker gemaakt. Alleen mijn vrouw vond het, geloof ik, niet zo erg. ‘Als jullie maar niet een van beiden de hele dag thuis gaat zitten,’ riep ze, ‘want niets is erger dan een man over de vloer, die geen werk om handen heeft.’ Enfin – we hebben het nu voorlopig zó geregeld, dat we om de beurt een dagje werken. De ene dag schrijf ik het stukje en de andere dag ik. Dit is van mij. Kunt u het merken?”

Al had het natuurlijk ook nog van een ander kunnen zijn, zo blijkt uit het tweede deeltje van de mini-verzameling Een werkdag (in mini-verzamelingen zijn de meeste van de cursiefjes in dit in 1963 bij De Bezige Bij uitgegeven, honderdvijfenzestig bladzijden dikke boekje overigens ingedeeld): “Met dat al blijkt buiten, dat de dag geurt als een meisje van vijftien jaar. Bepaald veerkrachtig spring ik bij het Centraal Station uit de tram en snuif behaaglijk. Schuimende morgen! ‘Neen dief, dat is van Marsman,’ denk ik. Mijn beste beelden blijken, bij nader inzien, altijd van een ander.” Een lichte overdrijving ongetwijfeld, zoals die waarmee het eerste deeltje van de (weerom) mini-verzameling Geringe misslagen begint alvorens dat helemaal uit de hand loopt: “Nou, daar op het Damrak waren we die oude lijn zestien weer spitsuurlijk aan het volstouwen. Door op de rug van een oud moedertje te klimmen, kwam ik nog net mee, als kurk op de fles. Ik duwde krachtig, doch beschaafd en draaide mij moeizaam om, ten einde oog in oog te komen met de voorbijsnellende, frisse lucht, waaraan een mens tijdens zo’n ritje altijd sterke behoefte heeft.”

Wat toch weer eens wat anders is dan het bijna literaire begin van het eerste stukje uit (sorry!) mini-verzameling Een toontje lager: “Ruiende herfstbomen doen mij vaak denken aan Shakespeareaanse wouden, vol wrange narren en ranke minnaars en met een wijze Oberon vooral, die zijn vrouw doet ontwaken uit haar bespottelijke bevlieging voor een ezelskop, met milde hand ener indanthrene echtgenotelijke liefde. Want de herfst, vrienden, is een zéér geserreerd seizoen. ‘Wer jetzt kein Haus hat baut sich keines mehr’ en wie het wèl heeft staat aan het venster en ziet glazig toe, hoe het kokette zomergroen, dat al een tikje fané begon te worden, thans definitief verinnigt tot het goudbruin van een dame, die nog bèst mooie, rustige jaren met Piet tegemoet gaat.” Niet echt raar dat dat stukje bij Willem Kloos eindigt, wat misschien niet kan gezegd worden van hoe het derde stukje in (toch, toch) mini-verzameling Facetten van het huwelijksleven begint: “Aanvankelijk zaten we als een kneuterig echtpaar bij de leeslamp – zij met De Pest van Camus [zie mijn bespreking hier, noot van mij] en ik met De Walging van Sartre, maar tòch de thee gezellig op het lichtje, of we Willy Corsari op de knie hadden. Toen brak opeens alles stuk, doordat mijn vrouw uit haar stervende ratten opkeek om polemisch te zeggen: ‘Morgen heb ik tachtig gulden nodig’.”

Maar goed, ik kan blíjven citeren, en dat wil ik u nu ook weer niet aan doen. Alleen nog een paar korte dingetjes. Uit Opera: “De zaal verhief zich, applaudisserend en ook ‘t echtpaar enigszins bekruimeld”. Uit Een sprookje: “‘Ach vogeltje, laat ik jou eens even helpen!’ zei de conducteur, die een goed hart had en hij boog zich voorover en spalkte het pootje met zijn sigarettenpijpje. Toen hij klaar was, veranderde het vogeltje eensklaps in een fee en de fee sprak, met een fijn stemmetje: ‘Omdat je zo lief voor me bent geweest, mag je een wens doen’”. Wat het begin is van een verhaal dat me terug deed denken aan Idioten. 5 Sprookjes van Jakob Arjouni. Uit het derde deel van de mini-verzameling Herfstachtig: “De mistige middag maakte de gracht helemaal onduidelijk. Ik liep er vaagjes, want ik wilde mij iets herinneren en faalde telkens als ik het bijna had. Opeens zei iemand iets tegen mij, maar ik verstond het niet, door mijn schemerigheid”. En, ten slotte, uit het tweede deel van – laatste keer dat ik de term gebruik, beloofd – de mini-verzameling Mensen: “Ze wonen maar één straat ver en het zijn rustige mensen. Hij schreef opmerkelijke verzen en werkt dus op een reclamebureau, zij studeerde chemie en kookt daardoor slechter dan iemand, die geen chemie studeerde. Veel boeken, geen kinderen, tòch geen hond, maar een abonnement op ‘The New Yorker’ en ook verder ‘t complete ziektebeeld van intellectuelen, die het niet helpen kunnen en in twee kamers, fijntjes monkelend zitten te wachten tot hun leven om is. Want als u denkt, dat de happy few zich happy voelt, hebt u ze nooit aangekeken.”

Degene die de achterflap van deze uitgave vol pende, noemt Tussen twee stoelen – “een titel die de auteur illustratief acht voor de humor als levenshouding” – een samenvoeging en herziening van “twee van zijn talrijke microverhalen”, wat me onzin lijkt, cursiefjes zijn simpelweg cursiefjes, maar ook als Carmiggelt “er hier en daar, naar eigen smaak, in schrapte en enige later geschreven schetsen aan het boek toevoegde”, is het geheel in ieder geval zeer geslaagd. Ondanks de vermelding overigens dat de inhoud van dit boek er “mede oorzaak [van was] dat Carmiggelt, in 1961 de Constantijn Huygensprijs ontving voor zijn hele oeuvre”. Zo’n prijs uitdelen komt immers, mijns inziens, op zoveel neer als zeggen dat de auteur van dat “hele oeuvre” er zo zoetjes aan wel mee mag stoppen, terwijl het maar goed is dat hij er nadien nog zesentwintig jaar mee is doorgegaan (en daar ook nog wel een paar prijzen voor kreeg).

Björn Roose

P.S.: dat ik consequent ben in wat ik schrijf, blijkt overigens uit het feit dat ik het bij mijn bespreking van Lachen kost niks van Carmiggelt óók al had over het feit dat Een sprookje – blijkbaar eveneens in dié bundel opgenomen - me deed denken aan Idioten. 5 sprookjes van Arjouni.


vrijdag 28 juli 2023

Lachen kost niks – Simon Carmiggelt (boekbespreking door Björn Roose)

Lachen kost niks – Simon Carmiggelt (boekbespreking door Björn Roose)
“Ja, dat was heel erg. Vergeet niet, ik stond toen dagelijks in de krant! Als een romanschrijver zo’n prijs krijgt, dan kan hij lekker een feestje geven en er breeduit van genieten; die nieuwe roman laat hij gewoon even op de plank liggen. Maar bij mij was dat anders. Stond er op pagina 1 dat ik die prijs kreeg en op pagina 3 kon je zien of ik hem wel verdiende. Dat was vreselijk. Net of je lekker in bed ligt en ze trekken opeens de dekens van je af.” Dat was wat Simon Carmiggelt, auteur van voorliggend Lachen kost niks, volgens Peter ten Hoopen, auteur van het nawoord in datzelfde boek, te zeggen had over de hem in 1978 te beurt gevallen P.C. Hooftprijs, “de hoogste literaire onderscheiding die ons land [Nederland, noot van mij] kent”.

Zou kunnen natuurlijk, dat lezers op dát moment pas gaan oordelen of iemand die prijs waard is, maar wat kan zo’n prijs een lezer eigenlijk schelen? Misschien krijg je door zo’n prijs méér lezers – al lijkt me dat voor iemand die een rubriek in een krant schrijft sterk (lezers moeten daar immers dat hele ding voor kopen) -, maar minder in ieder geval niet. Mij heeft het dan ook nooit wat kunnen schelen of Carmiggelt (of welke schrijver dan ook) een prijswinnaar was: samen met Godfried Bomans behoort hij tot de auteurs van wie ik het meeste boeken in de kast heb staan, al is Lachen kost niks nog maar het vierde dat ik bespreek. Redenen daarvoor zijn dat ik vroeger van oordeel was dat cursiefjesbundels (want ook Lachen kost niks is er zo een) moeilijk te bespreken zijn, en vervolgens – toen ik besloten had dat dat eigenlijk niét zo was – dat ik geen niet gelezen boeken van de auteur meer in mijn kasten had staan. Na een bespreking van Ontmoetingen met Willem Elsschot, Duiven melken, en Gewoon maar doorgaan, kwam er dus bijna twee jaar geen nieuwe bespreking van een boek van Carmiggelt, maar met het in mijn handen vallen van Lachen kost niks is daar weer verandering in gekomen.

Terwijl ik dat boek, in tegenstelling wellicht tot een hele hoop Nederlandse lezers, niét gratis in diezelfde handen gekregen heb. Ik heb er, hoewel niet veel, voor moeten betalen, in tegenstelling tot de klanten van de Spaarbank: “Dit boek, dat ik op uitnodiging van de Spaarbank samenstelde, is een bloemlezing uit verhalen die ik schreef. Bij mijn keuze geholpen door mijn aandachtige lezer de auteur Peter ten Hoopen, maakte ik er een vrolijk boek van dat, als u het van de bank cadeau krijgt, hoop ik de juistheid van zijn titel Lachen kost niks bewijst”, schrijft Carmiggelt in het gelijknamige voorwoord.

Een voorwoord waarin hij het ook heeft over zijn inspiratie: “Ik ben geen verzinner van verhalen. Maar ik ben wel een schuiver met de waarheid.” Een schuiver die niet altijd even hard moet schuiven ook, want Hogerop, een hilarisch verhaal dat ik eerder las in een andere bundel van de auteur, is… “echt gebeurd. Wij waren pas getrouwd en zaten toen, ofschoon mijn vader enige panden bezat waarin hij ons graag had gehuisvest, heel bohémien-achtig op een kleine etage in een volksbuurt. Boven ons woonden mensen die heel vaak ruzie hadden. In de woonkamer hoorde je dat een beetje, in de gang al wat beter, maar klom je op die kast, dan verstond je ze woord voor woord.” Iets wat Carmiggelt en zijn vrouw in Hogerop dan ook doen. Iets wat dan weer niét van een illustratie is voorzien door Peter van Straaten (u wellicht onder andere bekend van de scheurkalenders, die ondanks het feit dat hij inmiddels al zo’n negen jaar overleden is nog steeds jaarlijks uitgegeven worden), die verder wel voor zestien tekeningen bij een aantal van de meer dan vijftig andere verhalen zorgde. De klanten van de Spaarbank werden destijds verwend, de lezer/kijker die dit boek naderhand op de kop tikte ook.

Met die tekeningen, met stukjes die soms hilarisch, soms gewoon grappig zijn, met oneliners als deze ook: “Dat gold de dame vóór mij – een lang mens, gekleed of zij zo juist uit een vliegende schotel was gestapt.” Niemand kan zich daar iets concreet bij voorstellen, maar humoristisch is het wel. Net zoals “een uit zijn heupen acterende zoon van Boris Karloff”, “een behang om keelpijn van te krijgen”, “een door de firma Serné geklede ruïne”, “Toen ik thuiskwam, lag een mij onbekend, dik meisje in de gang en schrobde de vloer”, of “Iedereen begreep dat Sartre en Satan deze man op aanraden van Strindberg als public relations officer in dienst genomen hadden”.

Maar Carmiggelt weet ook beesten meesterlijk neer te zetten: “Vrienden van mij hebben een hond, een jonge, rode setter, die mij telkens weer tot tranen toe ontroert. Want hij heeft een volkomen verkeerd beeld van het leven, dat hij, in flagrante strijd met de feiten, beschouwt als een pretje. Als je in de kamer zit, komt hij binnendraven met het gezicht van iemand, die verwacht dat het dol gezellig zal zijn. Hij gaat dan dribbelig voor je staan en zegt met zijn gevoelige, naïeve ogen: ‘Hè, laten we nou lol gaan maken.’ Want dat wil hij, dag in dag uit. Draven. Springen. Opgetild worden en weggesmeten. Pijnloos in je hand bijten. Of je doen kroelen op zijn mooie, terra borst. Maar mensen hebben daar niet altijd zin in – u weet hoe mensen zijn. Dan zie je ‘m denken: ‘Nou, dan ga ik alléén lol maken.’ En hij bijt eens in zijn eigen staart of hij rent een keer of acht alle trappen op en af, subtiele vermaken, die hem dan weer zó oppeppen, dat hij ten slotte helemaal glinsterend de kamer binnengaloppeert met zo’n gezicht van: ‘Maar nou gaan we dan toch lol maken.’”

Of moeilijkheden met simpele dingen als klapstoelen tot het voorwerp te maken van een verhaal waarvan je al bij aanvang weet dat het alleen maar érger zal worden: “Om zijn voordrachtsavond te kunnen houden in dat schoolgebouw had de declamator een gros kleine, houten vouwstoeltjes gehuurd, die een kwartier voor aanvang als een kudde eigenzinnige bokjes bijeengedreven stonden. Dat ze hard zaten vond ik op zichzelf niet zo erg: kunst eist nu eenmaal een worsteling des geestes en dan mag het lichaam niet achterblijven. Veel dieper groef het bezwaar tegen de kwaliteit van de stoelen. Ik voor mij zakte er tenminste onmiddellijk doorheen en behaalde, tussen de brokstukken op de vloer gezeten, het gemakkelijkste succes van mijn leven, want iedereen brulde van plezier eer ik een mond had opengedaan.”

En dan kom je als lezer ook nog verhalen tegen die je doen denken aan oud-collega’s (Het woord, dat over het woord ‘epibreren’ gaat, een woord dat gemunt werd door Carmiggelt zelf en waaraan Jan Huijbrechts, u bekend van De botten van Bach, ontzettend veel plezier beleefde) en aan andere verhalen die je recent gelezen hebt: Over kerstverhalen gesproken bijvoorbeeld dat me onmiddellijk aan het Kerstverhaal herinnerde dat Jos Brink opnam in Blij blijven (de thematiek is krek dezelfde), of Een sprookje waarbij ik meteen aan Idioten, het titelverhaal van Jakob Arjouni’s Idioten. 5 sprookjes, moest denken. Dat een fee een standje krijgt van een hoofdfee is een gegeven dat beide verhalen gemeen hebben.

Die fee, noch de “klant” die ze gelukkig maakt, zullen allicht autobiografisch zijn, en toch… “Ik heb heel vaak een verhaal geschreven over een wat dwaze man die mij een verhaal vertelt. Een meneer in een kroeg, een meneer bij een haringkar… Maar die meneer, dat ben ik zelf. Je gebruikt dan een echte problematiek uit je eigen leven en verschaft je door het gebruik van die ander een grotere vrijheid. Zo heb ik heel veel autobiografisch materiaal verwerkt. Dus als je vraagt: ‘Hoe verzint-ie het?’, dan moet ik zeggen dat er bijna geen verhaal is dat ik compleet uit mijn duim heb gezogen.” Misschien heeft Carmiggelt dus ooit wel een fee ontmoet. En misschien vindt u dit boek wel eens op een rommelmarkt of in een uitverkoop. In dat geval: kopen maar. En lezen uiteraard.

Björn Roose

vrijdag 23 oktober 2020

Gewoon maar doorgaan (Simon Carmiggelt)

Björn Roose bespreekt - Gewoon maar doorgaan (Simon Carmiggelt)
Allemaal onzin
, Alle orgels slapen, Bemoei je d’r niet mee, Beter bejaard dan dood, Bij nader omzien, Brood voor de vogeltjes, De rest van je leven, De vrolijke jaren, Drie van vroeger, Duiven melken, Een Hollander in Parijs, Een stoet van dwergen, Een toontje lager, Fluiten in het donker, Het klinkt soms wel aardig, Honderd dwaasheden, Kroeglopen, Kroeglopen – Tweede bundel, Mijn moeder had gelijk, Mooi kado, Mooi weer vandaag, Morgen zien we wel weer, Schemeren, Slenteren, Twijfelen is toegestaan, ‘Van u heb ik ook een heleboel gelezen …’, Vliegen vangen, Vroeger kon je lachen, Ze doen maar, Zelfportret in stukjes … Carmiggelt bleef, van 1936 tot 1983, maar stukjes schrijven en de beste daarvan werden keer op keer gebundeld en herbundeld. Ik zou dus ook nog wel een tijdje kunnen doorgaan met het bespreken van zijn boeken, ware het niet dat het voorliggende Gewoon maar doorgaan het laatste was in mijn collectie dat ik nog niet gelezen had. De eerder genoemde titels zijn de andere dertig boeken van hem op mijn planken, wat wil zeggen dat ik er nog meer dan honderd niét heb. En wellicht ook nog een hele tijd niet zal hebben, aangezien ik voor mijn verzameling graag rommelmarkten en bibliotheekverkopen afstruin en ik daar, zelfs als ze nog zouden doorgaan, geen zin in heb zolang ik een luier voor mijn gezicht moet binden.

Deze bespreking van Gewoon maar doorgaan is dus merkwaardig genoeg het voorlopige einde van mijn Carmiggelt-besprekingen. Waarmee het dus, eveneens voorlopig, bij drie besprekingen blijft. Geen ramp, want zoals ik bij de vorige (Duiven melken: https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2020/08/duiven-melken-simon-carmiggelt.html) schreef: “Een kwaadwillig lezer zou kunnen denken dat ik boeken verzamel van een schrijver die ik in essentie niet weet te waarderen, maar dat is benevens de waarheid: ik heb de cursiefjes van Carmiggelt altijd zeer wel kunnen pruimen. Dat het cursiefjes zijn, is echter het probleem: een bespreking schrijven van een boek dat is samengesteld uit dat soort uit het leven gegrepen columns (want zo heten cursiefjes tegenwoordig) is nauwelijks doenbaar. Ja, ik zou kunnen zeggen dat Carmiggelt “aangenaam” schrijft (grote literatuur is het natuurlijk niet, het zijn per slot van rekening dingetjes die in een krant zijn verschenen), dat hij bij tijd en wijle niet “gewoon” een glimlach op mijn lippen weet te krijgen maar ook een schaterlach aan mijn keel kan doen ontsnappen, dat het leuke stukjes zijn om voor te lezen, en dat de bundels natuurlijk een selectie van zijn betere krantenstukjes zijn, maar wat heeft u daar aan? Niets, inderdaad.”

Maar zoals ik een uitzondering maakte voor Duiven Melken “omdat ik hier het voorlezen een paar keer onderbroken heb om bepaalde passages aan te duiden, wat me toelaat die hier te citeren”, maak ik die nu weer voor Gewoon maar doorgaan. Bijvoorbeeld voor een stukje uit het helemaal hilarische deel III van Amsterdam in de zomer:

“Op de Weteringschans kwam een jongen van ‘n jaar of twintig met een fiets aan zijn hand naast me lopen. Hij was niet hip maar traditioneel gekleed en had zelfs geen bakkebaarden. Hij zei: ‘ ‘t is een rare boel hier, in Amsterdam …’ De stelling was algemeen en vrijblijvend genoeg om te beamen, dus ik knikte. ‘Als je nou rekent,’ zei hij, ‘zaterdagavond denk ik: kom, ik koop een pilsje. Ik maak een paar deuren open, ‘t is gezellig, nou ja, om kort te gaan – om één uur ben ik blut. En ik had ‘n pilsje te veel op, daar komt ik eerlijk voor uit.’ Met zijn bruine ogen keek hij mij trouwhartig aan. ‘Poen voor een taxi had ik niet meer,’ vervolgde hij. ‘Nou woon ik in de Noorderstraat. Dus ik denk – ik ga maar lopen. Maar nou had ik een pilsje te veel op, dus dat lopen ging niet zo best. Ik kom te vallen en ik denk: ik blijf hier maar even rustig liggen. Onder een lantaarn, toevallig. Mensen blijven stilstaan. Die zeggen: “Is u onwel?” Ik zeg: “Nee, ik heb een pilsje te veel op.” Toen wou’en ze me thuisbrengen, maar dat heb ik geweigerd, want ik bezorg een ander niet graag overlast. Trouwens – ik lag niemand in de weg. Ik lag daar best, onder die lantaarn. Goed, na ‘n poosje stopt er een politieauto en daar komen twee smerissen uit. Die ene zegt: “Wat doe je daar?” Ik zeg: “Gewoon – liggen. Dat ken je toch wel zien als je uit je doppen kijkt?” Toen wou hij weten waarom. Want ‘t zijn zuigers, hoor, die smerissen. Ik zeg: “Ik heb een pilsje te veel op. Mag dat soms, op een vrije avond?” Maar hij buigt zich zo naar me over en z’n pet valt af. Ik zeg: “Zet je pet maar gauw weer op, dan ben je nog een smeris, want zonder pet ben je helemáál niks.” Wat miszeg ik daar nou an?’ Weer zond hij mij die trouwhartige blik. Ik voelde naderend onheil. ‘Hij roept: “Nou ga jij als de sodemieter naar huis.” En ik zeg: “Ik heb ‘n pilsje te veel op, maar ik woon in de Noorderstraat, dat is vijf minuten met de wagen, dus als jullie me even wegbrengen is de zaak uit de wereld en dan heb ik nog wat terug van me belastingcenten.” Dat is toch redelijk, nietwaar? Maar hij schreeuwt: “Er zijn twee mogelijkheden. Of je loopt nou meteen naar huis, of we nemen je in de wagen mee naar het bureau”. Ik zeg: “Dan kies ik het eerste, maar je hoeft niet zo tegen me te schreeuwen, want bang ben ik alleen voor een vent, maar niet voor een gevulde koek.” Wat miszeg ik daar nou an?”

Of uit het nog hilarischer deel IV van Journaal, waarin Carmiggelt een klein meisje ontmoet op de bus: “Toen pakte ze de tas van haar moeder, die vol liefde op haar neerkeek, begon er in te rommelen en haalde een flesje te voorschijn. Het was parfum. Ze schroefde de dop er af, greep mijn rechterhand en stortte er een aanzienlijke plas van de vloeistof in. ‘Niet zo véél, schat,’ zei de moeder. Het parfum was getrokken uit het sperma van een oude muskusrat, die zich de laatste tijd niet zo wel voelde. Het verspreidde een zoete, paars aanslag op de tong veroorzakende stank met een enorme actieradius en was zo kleverig als appelstroop. Toen de bus stopte bij het station ging ik er uit, want ik moest naar de televisie in Bussum. Amsterdam heeft een zeer penetrante lijflucht, maar daar kwam ik nu makkelijk boven uit – dat merkte ik aan de voorbijgangers die mij geschokt of bevreemd nakeken. In het station begaf ik mij naar het toilet en waste lange tijd mijn hand. Maar dat hielp niet. De lucht kon er tegen. Ik zou er waarschijnlijk nog jaren mee behept blijven. ‘t Moest wegslijten, op de lange duur. Ik liep naar de trein en ging, in een lege coupé, eenzaam zitten stinken. Als mijn vrouw deze vuiligheid gebruikte zou ik ons huwelijk alleen met behulp van rubberen neusdopjes kunnen rekken. De deur van de coupé ging open en er trad een heer binnen die een boek vol tabellen met cijfers uit zijn tas haalde en er gretig in begon te lezen, of het fruitige pornografie was. Na een poosje hoorde ik hem een snuffelend geluid maken. Hij róók me, wierp me een wrevelige blik vol verachting toe en verliet de coupé, die daarna, even voor vertrek vol liep, omdat een echtbaar met zoon en dochter ook de kant van Bussum op moest. De bengel riep spontaan: ‘Verdomme, wat stinkt het hier.’ Ik keek uit het raam. Het viel me, toen we reden, op dat de koeien in de wei terugdeinsden. Maar misschien deden ze dat anders ook, als een trein voorbij ging.”

Of deze passage uit deel V van In Rome, een passage waarvoor je nu de politiek correcte goegemeente over je heen zou krijgen: “Des avonds om elf uur besluit mijn Romeinse Driestuiversopera met een gitzwarte zigeunerin, die bedelt met een kind van hoogstens een jaar op de arm. ‘t Is een blond jongetje, heel diep in slaap. Ze zal hem wel te leen hebben, want hij is veel te blond om van haar te zijn.”

Of dit maatschappijkritische deeltje uit het helemáál maatschappijkritische Winkeltje: “Toen Annie een poosje later riep: ‘Jongens, eet dat brood nou op, anders komen jullie te laat op school’ sprak Ernst: ‘Mevrouw, wilt u niet zo autoritair tegen mij praten.’ Nu tuimelt Annie daarvan niet uit haar stoel, want het woord ligt ook Hansje voor in de mond. Hij behoort tot de kritische clan van Ernst, die op school de zenuwinzinkingen der leerkrachten regelt door onophoudelijk protestacties te voeren, huiswerkstakingen uit te roepen, circulaires over druggebruik uit te delen, het ontslag te eisen van een juffrouw die verkeerd les geeft of een dag weg te blijven omdat de Kabouters hulp geboden moet worden bij het kraken van panden. Hansje kraakt dapper mee en komt, aan het einde van zo’n dag bij pa en moe, die een riant ingericht grachtenhuis met tien kamers bewonen. Maar het zou flauw zijn hem dat voor de voetjes te werpen, want de anarchist Peter Kropotkien, de heilige van Roel van Duyn, werd geboren in een kasteel omdat hij een prins was en dat kon die man ook niet helpen.”

En dan nóg zo een (eigenlijk een zeldzaamheid om zoveel maatschappijkritiek te lezen in de boekjes van Carmiggelt) uit deel V van Cinque Terre: “Maar revolutie komt neer op bloed en andere gezichten in de Alfa Romeo’s, een mutatie waarvoor ik, als principiële voetganger, weinig belangstelling heb. De gewone mensen blijven behoeftig, maar mogen er alleen niet langer hardop over spreken als ze in de rij staan voor levensmiddelen. Als de revolutie in Italië komt, zal de heer Antonini tijdig uitwijken naar Zwitserland, om daar op net zo’n terras te dromen van de divanpop. En in het huis met de twintig kamers zal dan de secretaris van de communistische partij weekeinds doorbrengen. Het personeel houdt hij wel aan. Want als u denkt dat mevrouw Brezjnew zélf de vloer dweilt is u een ongeneeslijke dromer.”

Over deel 1 van De stad uit heb ik het hier daarentegen niet. Wie dááruit een citaat wil lezen, kan altijd nummer 179 van TeKoS (https://www.deltastichting.be/tekos179.html) bestellen. Daarin heb ik, in mijn vaste (ecologische) rubriek, uitvoerig geciteerd uit dat deel 1. En wie weet besluit u na het lezen van dat nummer om abonnee te worden. Het is de moeite waard!

Na dat klein beetje reclame echter nog een zeer filosofische uitsmijter. Uit het stukje Zien: “Toen jaren geleden in Zeeland de dijken braken en de wrede stem van het water het doodvonnis velde over mens en dier, zag ik in de krant een luchtfoto van twee paarden. Ze stonden naast elkaar tot de borst in het wassende water, gelaten te wachten op de dood. Mensen trachten dan te vluchten. Maar zij niet. Zij voelden, denk ik, dat het onafwendbaar was. Zij wisten te sterven.” Mooi citaat om mee te eindigen in tijden waarin we massaal van onze vrijheid beroofd worden omdat angsthazen en angstaanjagers besloten hebben dat de dood van enkelen aan één specifieke ziekte het waard is om alle anderen in gijzeling te houden.

Los daarvan: als u boeken van Carmiggelt tegen komt: kopen. En lezen uiteraard.

Björn Roose

zaterdag 22 augustus 2020

Duiven melken (Simon Carmiggelt)

Björn Roose bespreekt - Duiven melken (Simon Carmiggelt)
Best eigenaardig eigenlijk: ik heb meer dan dertig boeken van Simon Carmiggelt in mijn boekenkasten staan en de meeste daarvan gelezen, maar slechts één daarvan ooit besproken en dat ging dan over … een andere schrijver, Willem Elsschot (zijnde de bespreking van Ontmoetingen met Willem Elsschot).

Een kwaadwillig lezer zou kunnen denken dat ik boeken verzamel van een schrijver die ik in essentie niet weet te waarderen, maar dat is benevens de waarheid: ik heb de cursiefjes van Carmiggelt altijd zeer wel kunnen pruimen. Dat het cursiefjes zijn, is echter het probleem: een bespreking schrijven van een boek dat is samengesteld uit dat soort uit het leven gegrepen columns (want zo heten cursiefjes tegenwoordig) is nauwelijks doenbaar.

Ja, ik zou kunnen zeggen dat Carmiggelt “aangenaam” schrijft (grote literatuur is het natuurlijk niet, het zijn per slot van rekening dingetjes die in een krant zijn verschenen), dat hij bij tijd en wijle niet “gewoon” een glimlach op mijn lippen weet te krijgen maar ook een schaterlach aan mijn keel kan doen ontsnappen, dat het leuke stukjes zijn om voor te lezen, en dat de bundels natuurlijk een selectie van zijn betere krantenstukjes zijn, maar wat heeft u daar aan? Niets, inderdaad.

Waarom dan een uitzondering maken voor dit Duiven melken? Wel, omdat ik hier het voorlezen een paar keer onderbroken heb om bepaalde passages aan te duiden, wat me toelaat die hier te citeren. En een welgekozen citaat kan soms meer zeggen over een boek dan een hele hoop commentaar. Bij deze dus.

Bijvoorbeeld dit uit het stukje Een dagje: “De tram reed in Oud-Amsterdam door een straat vol plaatsen des vertiers. Een roekeloos opgeschilderde juffrouw zat voor een raam met opengeschoven gordijnen naar buiten te kijken met een gezicht vol eventuele beloften. U en ik zouden zeggen: ‘Zij lonkt,’ maar de politie, die zich óók weer van vaktermen bedient, noemt dat: ‘De vrouw vigileert.’ Dat is écht waar. Vraag het maar na – bij wijze van spreken dan. U moet natuurlijk niet allemaal, op mijn gezag, de zedenpolitie gaan opbellen om het te verifiëren, want die heren hebben het druk genoeg. Als u het mij vraagt is Amsterdam één grote zwijnepan. Maar los daarvan – wat valt er uit het bovenstaande te leren? Dat een buitenman, langs zo’n venster lopend, het best even roepen kan: ‘Mevrouw, vigileert u?’ Voorzichtigheidshalve, bedoel ik, want er bestaat altijd een kans dat ze antwoordt: ‘Neen meneer, ik geniet van het uitzicht.’”

Of dit, uit Allerhande: “Hij stopte de zak in het boodschappennet en wees op de krant, die er ook in zat. ‘Hier – Afrika ontwaakt,’ vervolgde hij. ‘Voor mij mag Afrika ontwaken. Maar ik vind het wel beangstigend en ik slaap er slecht van. Plak nou niet meteen een etiket op mijn voorhoofd. Zeg nou niet: Die man is tegen een ras. Want ik ben niet tegen een ras. Zwart, geel of bruin – ze mogen van mij allemaal twee ons allerhande. Maar ik kan het niet overzien. Kan jij het overzien, beste man? Vroeger wel. Toen ging ik naar vergaderingen en dan stond daar zo’n man op het toneel, een beetje een gluiperig iemand, weet je wel, die in de Kamer wou komen en die man riep dan: Eéns zullen de onderdrukte volkeren het juk afschudden en zich bevrijden van hun uitbuiters. Of woorden van gelijke strekking. En dan klapte je in je handen. Want je vond dat het gebeuren moest. Vind ik nog. Maar toch slaap ik er slecht van. Want het afschudden van jukken door onderdrukte volkeren is een mooi iets om naar te streven, maar het is verdomd vervelend om het mee te maken. Nou kun je zeggen: Man, jij bent een bange sufferd. Vroeger was ik je aangevlogen. Maar nu zeg ik: Ja, dat ben ik, een bange sufferd. Want ik heb geen klare kijk meer op de wereld. Ik ben onnozel, maar niet helemáál onnozel. Mijn vrouw wel. Mijn vrouw is helemáál onnozel. Als ik je nou toch vertel – laatst liet ik per ongeluk een flesje inkt omvallen op het tafelkleed. Wat dacht je dat ze deed? Ze huilde. Om dat rotkleed. In deze wereld en terwijl Afrika ontwaakt. Nou jij weer. Dan moet je toch knáp onnozel wezen.”

En ten slotte dit stukje uit In de stad, passend in een boekbespreking: “’Weet u wat het bezwaar van dit boekje is, meneer?’ vroeg hij. ‘Ik heb niet het flauwste vermoeden,’ zei ik. ‘Dan zal ik het u vertellen,’ sprak hij. ‘In de eerste plaats is het een vrolijk werk. Nou houd ik niet van een vrolijk werk. Dat is niet naar het leven. Ik heb het toch maar half uitgelezen, want je hebt wel boeken, die beginnen vrolijk, over mensen die het goed gaat en niks te mopperen hebben maar na twintig, dertig bladzijden, begint de narigheid. En dat lees ik graag – narigheid van andere mensen. Maar hier, in Edna, de droomvrouw, daar blijft het maar vrolijk. Maar dát moet ik niet. Als ik voortdurend lees over mensen, die zo’n lol in hun leven hebben, dan word ik knorrig. Van afgunst.’”

Wat de boeken van Carmiggelt aangaat: die zijn niet per se vrolijk, maar wel altijd leuk – hoe inhoudsloos dat woord ook mag geworden zijn - om te lezen. Je zal er niet knorrig van afgunst van worden, of kwaad, of de hele dag in een lachbui blijven steken, maar je zal je het lezen van zijn cursiefjes nooit beklagen. Voor wie dus heden ten dage nog into dat genre is: nooit laten liggen als je er eentje tegenkomt.

Björn Roose

dinsdag 10 september 2019

Ontmoetingen met Willem Elsschot - Met brieven en een nagelaten manuscript van Willem Elsschot (Simon Carmiggelt)


Björn Roose bespreekt - Ontmoetingen met Willem Elsschot (Simon Carmiggelt)
Boeken van Simon Carmiggelt bespreek ik doorgaans niet. Niet omdat ik ze niet graag lees, in tegendeel, anders zou ik ze ook niet verzamelen (ik denk dat je, als je meer dan dertig boeken van een auteur in je kast hebt staan, wel van een verzameling mag spreken), maar omdat 's mans geschriften onder een genre vallen dat zich nauwelijks laat bespreken: cursiefjes.

Wikipedia omschrijft dit genre als "een deels verhalend, deels beschouwend prozastukje in een dag- of weekblad. Het gaat over een verschijnsel of voorval uit het alledaagse leven, dat scherp wordt geobserveerd en met humor wordt belicht. Het cursiefje dankt zijn naam aan de cursieve letter waarin het stukje in de krant verscheen. Later werd dit soort stukjes in een normaal lettertype (romein) in een kadertje gezet".

De "encyclopedie" beweert verder nog dat zich in de jaren 1970-1980 uit het cursiefje de column ontwikkelde, maar dat lijkt me - gezien de inhoud van veel columns - nogal kort door de bocht. Veel korter in ieder geval dan de stelling dat "de vader van het genre in het Nederlandse taalgebied (...) Simon Carmiggelt" is. Dat laatste kan namelijk zeer wel zijn, al gaat mijn absolute voorkeur in het genre uit naar Godfried Bomans. Maar dat is misschien omdat zijn cursiefjes nauwelijks onder de definitie van Wikipedia zijn thuis te brengen.

Hoe dan ook, ik vind boeken waarin cursiefjes verzameld zijn dus niet echt bespreekbaar. Inhoudelijk zijn ze een lappendeken, literair scheren ze ook niet echt hoge toppen, ze zijn "alleen maar" goed voor een glimlach, soms een weemoedige versie daarvan, en soms - eerlijk is eerlijk - ook een schaterexemplaar.

Dat was voor de duidelijkheid óók af en toe het geval met voorliggend boek, maar dat is ondanks het feit dat het door "de vader van het genre" is geschreven géén bundel cursiefjes. Ontmoetingen met Willem Elsschot - Met brieven en een nagelaten manuscript van Willem Elsschot is een behoorlijk ernstig werk, niet geschreven in de typische Carmiggelt-stijl en niet bestemd om de lezer een (glim)lach te ontlokken, maar om deze een blik te gunnen op de auteur en mens Willem Elsschot. Gezien van die laatste ook niet zomaar een tiental werken in mijn kasten te vinden is - niet weinig, want Elsschot was geen veelschrijver - twee aardigheidjes voor de prijs van één dus: een boek van Carmiggelt over een andere auteur die bij me in de smaak valt. En dat deed het boek zélf ook.

Toegegeven, ik had soms héél veel moeite om de ingevoegde handgeschreven brieven of kattebelletjes van Elsschot te lezen. Niet dat de man echt een ... "kattengeschrift" had, maar het kón beter. Desalniettemin zijn die brieven op zich ook de moeite van het lezen waard. Die aan Jan Greshoff bijvoorbeeld, naar aanleiding van diens voorgenomen emigratie naar Zuid-Afrika, met daarin volgende passage: "J. v. Nijlen [Jan van Nijlen, noot van mij] beweert dat je over een paar maanden naar Z-Afrika trekt. Om daar eens rond te kijken, soit. Maar met de bedoeling daar te blijven? Dat moet ik je ernstig ontraden want ik geloof dat het een naar land is, zonder bomen en vol negers. En dan de boeren zelf, dat is het ergste. In jou plaats zou ik hier blijf en nie gaan nie."

In tegenstelling tot Carmiggelt tot bij Elsschot dus. Want naar Elsschot gaan, deed hij een aantal keren. Terwijl hij hem toch leerde kennen via ... Een ontgoocheling. Daaruit citeert hij in het boek niet alleen de eerste alinea - "De Keizer was sigarenfabrikant. Veel geld verdiende hij niet want hij werkte slechts met enkele mensen, had te weinig kapitaal en maakte geen reclame zodat hij niet vooruit kwam in de wereld" -, ter illustratie van hoezeer Elsschot zijn geschriften wel uitzuiverde (de oorspronkelijke passage was een stuk langer en veel minder strak), maar ook het gedicht dat Jan Gresshoff (zijn vaste uitgever in Nederland) aanhaalde in zijn inleiding tot het boek: Het huwelijk. Ik beperk me hier zelf tot de bekendste passage, maar het gedicht blijft sowieso inderdaad een goede aanzet tot het lezen van Elsschot:

"Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
maar die des avonds komt, wanneer men slapen gaat."

Carmiggelt had met Elsschot een "volmaakt schrijver" gevonden, zo besloot hij, en ... "mijn literaire vader". Waarmee Elsschot dus langs een omweg als de grootvader van het cursiefje mag beschouwd worden, wat toch weer eigenaardig is. Het zou echter nog twaalf jaar duren tot Carmiggelt Elsschot ontmoette (in 1948), maar het verslag van die eerste ontmoeting is voor mij meteen ook het interessantste. Omwille van hoe die ontmoeting eindigt:

"Daarop viel er weer een lange stilte. Ik vond het hoog tijd worden hem van ons gezelschap te verlossen en stond op. Ook Elsschot verrees.

Bij de deur van de kamer gekomen zei hij echter opeens, bijna verlegen: 'Ik heb onlangs nog een vers geschreven. Wilt u het horen?'

'Graag,', antwoordde ik.

Terwijl we daar vreemd bij de deur tegenover elkaar stonden reciteerde hij zijn vers over de in 1945 wegens collaboratie terechtgestelde Vlaamse nationalist August Borms. Hij deed het simpel, met een zachte, telkens door ontroering verstikte stem. Toen hij de laatste regels had uitgesproken keek hij mij aan met de ogen vol tranen. Hij zei: 'Men heeft mij verzekerd dat ik, als ik dit vers publiceer, in Nederland onmogelijk zal zijn. Wat is uw oordeel?'

'Het is een mooi vers,' antwoordde ik, 'u moet het dus publiceren.'

Pas later heb ik begrepen waarom hij zei 'in Nederland onmogelijk zal zijn'. Wat Vlaanderen betrof was hij al op de hoogte, dat bleek zonneklaar uit een brief die hij op 26 juni 1947 had gestuurd aan dr. A.J.W. Kaas, een Nederlander met wie hij veel heeft gecorrespondeerd.

De heer Kaas was een veelzijdig begaafde man, die Elsschots werk bewonderde. Als psychiater genoot hij een grote faam, maar hij maakte ook gedichten die door Elsschot zo hoog werden aangeslagen, dat hij ze met een aanbevelend woord naar tijdschriften zond. In de oorlog had dr. Kaas lange tijd gevangen gezeten in Buchenwald. Over zijn ervaringen in dit kamp schreef hij een door Lochum Slaterus uitgegeven boek, dat door dr. L. de Jong die het inleidde, terecht werd geprezen als een 'bij uitstek persoonlijk en daardoor bij uitstek waardevol relaas'.

Ook na de oorlog bleef de vriendschappelijke relatie bestaan, ofschoon dr. Kaas, die zijn moedig gedrag in het kamp had moeten boeten, eigenlijk niet paste in het beeld dat Willem Elsschot van het verzet had.

Toen het eens ter sprake kwam zei hij tegen me: 'Er wáren wel goede. Maar die zijn allemaal dood.

Welnu - aan dr. Kaas, de levende uitzondering op deze sceptische regel, zond Elsschot de hierbij afgebeelde brief. [In die brief heeft hij het er over dat het gedicht hem in Vlaanderen volkomen gediscrediteerd had: de voorgenomen viering van zijn 65ste verjaardag werd geschrapt, het lidmaatschap van de Vlaamse Academie kon hij op zijn buik schrijven, maar erger, "ik heb niet kunnen voorzien dat bijna al mijn vrienden zich van mij zouden afkeeren voor een vers. En dan nog wel voor een goed vers", noot van mij]."

Er is over Aan Borms, het gedicht van Elsschot véél inkt gevloeid, maar niks maakt zo duidelijk wat er werkelijk "aan de hand was" als dit stuk van Carmiggelt. Elsschot méénde wat hij schreef, maar was zo naïef om te denken dat hij dat in naoorlogs belgië ook kon publiceren zonder er kleerscheuren aan over te houden.

En dat terwijl Elsschot, die niet leefde van zijn pen, maar er een druk professioneel leven ... in de reclame op nahield, sowieso, zoals gezegd, al geen veelschrijver was. Over Het been schreef hij aan Greshoff: "Je opporren heeft uitgewerkt dat ik begonnen ben. 't Gaat langzaam want 't is iets dat héél goed of helemaal niet moet zijn, maar het gaat ... Ik moet de stijl aan die van Lijmen trachten aan te passen, maar ik was toen bijna 20 jaar jonger". En: "Na Lijmen had ik het schrijven opgegeven."

Niet het schrijven van brieven echter, al zijn die door de band genomen héél sec. Carmiggelt heeft ongetwijfeld zijn best moeten doen om er een aantal minder zakelijke uit te halen. En hij heeft daarvoor netjes de schrijver en de ontvanger - in de meeste gevallen Jan Greshoff - om toelating gevraagd, terwijl die brieven al in het Letterkundig Museum in 's Gravenhage lagen. Die kwam er als volgt wat Greshoff betreft: "Wat mij betreft hebt u mijn zegen. Men mag alles van, over, tegen, voor, in verband met mij publiceren - behalve mededelingen over grove malversaties mijnerzijds. Ik kan niet tegelijk aan de weg en achter slot en grendel timmeren. Nederland is bezaaid met: bezwaren, lange tenen, spitsvondigheden, sjagrijn, achterdocht, naijver, eigengereidheid etc. (naar believen aan de vullen). Als Elsschots brieven de moeite waard zijn, waarom zou men ze dan niet openbaar maken?" En dan die van Elsschot, droger en korter kan niet: "Het is mij onverschillig wat gij met mijn brieven doet."

Ook op andere vlakken hanteerde hij die stijl trouwens. Toen hij in een brief aan dr. Kaas melding maakte van het feit dat zijn eerste kleinkind, de wereld bekend als Tsjip, door zijn vader in Polen niet meer teruggegeven wou worden aan zijn moeder bijvoorbeeld: "Mijn dochter gaat over enkele weken naar Danzig om te proberen de hand op het kind te leggen. Ik geef haar een prima browning mee."

Wat zijn humor overigens geenszins in de weg stond. Zo schrijft Carmiggelt, waar hij het er over heeft dat Elsschot niet graag over zijn eigen werk vertelde, maar dat toch een stuk vlotter deed "als het glas, dat hij ongaarne leeg zag staan, zijn tong wat losser had gemaakt":

"Elsschot kocht zijn sterke drank uit beginsel bij een kleine winkelier uit de buurt.

'Zo'n man bedient je beter,' zei hij eens, 'dat kan ik bewijzen.'

Hij stond op, liep naar de telefoon, draaide een nummer en sprak: 'Ik begin nù te tellen.'

Even later stond de winkelier, hijgend van de looppas, met de fles Bokma voor de deur.

'Ziet u wel?' zei Elsschot.

Het was een overtuigend bewijs."

Of deze, uit wat Walter de Ridder, zijn zoon, later aan Carmiggelt vertelde: "Aan wat Greshoff in een vers 'der Vlamen heil'ge taalstrijd' noemde nam Willem Elsschot zijn leven lang deel. Hij zat eens met Walter in een Belgische trein en las in Le Journal. De conducteur kwam, keek naar de krant, en vroeg hem in het Frans om zijn kaartje. Elsschot verroerde zich niet. De conducteur herhaalde het zinnetje wat luider. Elsschot keek uit Le Journal op en zei: 'Ik kan u niet verstaan.'"

En dan is er natuurlijk ook nog dat "nagelaten manuscript", waarvan de titel van het boek spreekt. Ik ben na lezing ervan van oordeel dat het doodzonde is dat dit geen afgewerkt verhaal is geworden, maar ben er tegelijkertijd van overtuigd dat dit helemaal de doodsteek voor Elsschots schrijverscarrière was geworden als het tijdens zijn leven gepubliceerd was. Meer nog immers dan zijn Aan Borms getuigt het van, zacht uitgedrukt, weinig "respect" voor de belgische staat (en staten in het algemeen, trouwens) en een totaal gebrek aan achting voor vader- en moederlanden aan wie men geacht wordt zijn trouw te tonen door te creperen aan een of ander front. Een gebrek aan achting dat hij overigens ook al gedemonstreerd had in Tsjip: "Langs de baan zal ik hem onderrichten: dat hij veel doen moet wat ik heb nagelaten en veel nalaten van wat ik heb gedaan; dat hij de gevulde hand moet afstoten, dat hij niet bukken mag voor het geweld, juichen noch rouwen op bevel van de machthebbers. Dat hij moet opstappen met de verdrukte scharen om vorsten en groten tot brij te vertrappen". Maar dan deze keer, in deze Brief aan Walter (zijn zoon dus), geplaatst binnen de context van het begin van de Tweede Wereldoorlog. Een paar korte citaten uit een helaas niet meer dan zeven bladzijden lang manuscript om deze bespreking te eindigen:

"Wij moeten pal staan meent hij. Maar de anderen staan óók pal, de Duitsers niet het minst. Zó pal dat zij eindelijk van zelf aan de slag geraken als ware het maar om aan die stijve houding een eind te maken."

"Als ik hem goed begrepen heb, want hij deed erg uitbundig, dan is hij 'attaché' bij iets als het 'économat' van het militair hospitaal en zijn geweldige moto gebruikt hij om dringende boodschappen te doen. Mocht het oorlog worden dan kon het nooit kwaad iets bij de hand te hebben waarmede je tegen honderdtwintig per uur de vijand tegemoet kan vliegen, meende hij ernstig, wat volkomen waar is. En toch dacht hij, geloof ik, aan de andere richting waarbij het luidruchtig ding nog meer diensten bewijzen kan. Daar hij altijd zo geweldig sportief is geweest, vroeg ik hem, op hoop van zegen, of hij niet liever aan de Duitse grens zou liggen waar misschien spoedig iets te doen zal zijn, in welk geval jij zijn baantje bij het économat misschien zoudt kunnen overnemen, doch hij was van mening dat je blijven moet waar je bent en maakte daarop alle verdere conversatie onmogelijk door zijn helse tuig in gang te zetten, zodat horen en zien verging."

"Er zijn mensen die bereid zijn op bevel te sterven zoals een hond op bevel in 't water springt, en anderen die liever toekijken, mensen die werkelijk sneuvelen en anderen die de hand gaan drukken van naastbestaanden. En ik vind nu eenmaal dat jij aangewezen bent om deel te maken van de laatste categorie, die eigenlijk even onmisbaar is en evenzeer haar plicht doet als de eerste. Je moet natuurlijk niet toekijken met een vrolijk gezicht, dat spreekt vanzelf, maar met gefronste wenkbrauwen en een uitdrukking van verbetenheid, toekijken als een minister, als één die voortdurend denkt 'wacht maar smeerlappen', maar toch buiten het veld blijft dat door het geschut bestreken wordt. Tijdig meeroepen leve deze en weg met die, maar niet al te luid, want zelfs onder het toekijken is het raadzaam de aandacht niet te trekken anders gaat men denken dat je tot grote dingen in staat bent en ook dat kan gevaarlijk zijn. Trouwens alle uitbundigheid geeft blijk van een minder verzorgde opvoeding. Een heer stelt zich tevreden met een minimum, met iets dat slechts een beaming is van wat anderen doende zijn met veel lawaai en woeste gebaren te verkondigen. Vermijd dan ook steeds nummer één te zijn wanneer tot manifesteren wordt overgegaan, want je weet nooit hoe het eigenlijk zal aflopen. Wacht veeleer tot de impulsieven losgebroken zijn en niet meer terug kunnen en voeg er dan pas je bescheiden gebaar aan toe. Blijkt naderhand dat men zich vergist heeft dan zijn vooral der schreeuwers gecompromitteerd, terwijl een gereserveerde houding achteraf verklaard kan worden als zijnde geboren uit louter wellevendheid en dieper inzicht."

En ten slotte: "Mocht het zover komen, dan hoop ik van harte dat ons leger al zijn geweren en kanonnen tegelijk afschiet en dadelijk daarop de witte vlag hijst, om dan verder als één man belangstellend en meevoelend toe te kijken hoe de Fransen en Engelsen dat zaakje zullen opknappen. Men heeft ons waarachtig lang genoeg aangewreven dat de Belgen de dappersten aller Galliërs zijn en het wordt dus hoog tijd dat wij, onder alle Galliërs en Germanen, eindelijk eens gaan uitblinken door omzichtigheid."

Misschien was het dat laatste wel dat Elsschot deed besluiten dit in 1939 begonnen werk nooit af te maken ...

Björn Roose