Laat ons eerlijk zijn: de kans dat u nog nooit een boekbespreking van
mij heeft gelezen (terwijl ik er toch al jaren twee per week
publiceer), maar wel naar déze bent komen kijken, is verre van
onbestaande. Alleen al het woord ‘Israël’ noemen, is goed voor
een paar clicks extra, maar dat woord gebruiken in de zin Moet
Israël verdwijnen? kan leiden tot hordes schuimbekkende
reaguurders, een hoop gezeik over ‘antisemitisme’, de met
overslaande stem geuite bewering dat je een schoothond bent van de
nieuwste (en ongetwijfeld ook vorige) ayatollah(s), of – ik mag er
niet aan denken – een roepkoor georganiseerd door de fans van Sam
van Rooy. Een effect dat je zelfs bij die laatste groep, al is hun
leider dan ook nog eens zogenaamd Vlaams-nationalist, niet zou
bereiken als je de vraag zou stellen of Vlaanderen moet verdwijnen,
Rusland opgedeeld, of Canada in zijn geheel aangehecht bij de
Verenigde Staten. Het (voort)bestaan van de staat Israël is een
serieuze zaak (bijna had ik ‘kwestie’ geschreven, maar dat zou
inhouden dat er effectief vragen bij gesteld mogen worden), daar
wordt niet mee gelachen, joden over de hele wereld worden geacht zich
als verdedigers ervan op te werpen, en iedereen die bij dat alles
zelfs maar even met z’n ogen durft knipperen, is ‘de vijand’
(een fenomeen dat er voor heeft gezorgd dat mensen die mekaar tot in
het diepst van hun hart verafschuwen een eensluidende stempel op hun
voorhoofd gekregen hebben, wat dan weer aan een stoffen stempel uit
vroegere tijden doet denken, een stempel waarvan de uitdelers bijna
steevast als argument worden gebruikt door de uitdelers van de
huidige stempel).
Maar goed, ik had dit boekje van Paul van de Meerssche – als ik het goed
heb voormalig hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven
-, uitgegeven in 1968 bij de enigszins tamme, maar in ieder geval
deugdzame uitgeverij Davidsfonds, nu eenmaal in mijn kast
zitten. En doordat ik tijdens verlofperiodes graag wat ‘dunnere’
werkjes consumeer, had ik de kleine zeventig bladzijden die het telt
ook gelezen. En doordat ik het gelezen had, ‘moest’ ik het ook
bespreken. Zelfs als dat me op onaangenaamheden zou komen te staan.
Want zo ben ik nu eenmaal.
Zoals Israël er volgens nogal wat mensen nu eenmaal is. Een idee dat in
aanmerking kan komen voor een ereplaats in de galerij der
allergrootste idiotieën. In 1830 heeft het er nu eenmaal zijn van
het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden niet belet dat belgië er
kwam, in 1945 het er nu eenmaal zijn van nationaal-socialistisch
Duitsland niet dat daar een einde aan gemaakt werd, in onze tijden
het er nu eenmaal zijn van een kind in de moederschoot niet dat dat
kind (samen met vele miljoenen andere) afgemaakt wordt. ‘Er nu
eenmaal zijn’, is een argument van nul en generlei waarde, zo
blijkt telkens weer. Vragen of iets nog verder moet bestaan is dus de
normaalste zaak van de wereld. Zeker als dat vragen in Vlaanderen
wordt gedaan. ‘De tijd verslindt de steden, geen tronen blijven
staan’, staat immers zelfs in ons volkslied geschreven. Net zoals
‘een volk zal nooit vergaan’. Dat begint twijfelachtig te worden
met betrekking tot het Vlaamse/Nederlandse volk, maar da’s een feit
dat niet samenhangt met een hypothetisch verdwijnen van de politieke
entiteit Vlaanderen of het Koninkrijk der Nederlanden, net zomin als
het eventueel verdwijnen van Israël samenhangt met het voortbestaan
van het joodse volk. Het feit dat van dat joodse volk amper 46
procent in Israël woont, moge daarvoor garant staan. Dat er nog zo’n
10.000 (regeringsschattingen) tot 20.000 (‘onafhankelijke’
schattingen) joden in Iran wonen, heeft Israël overigens niet belet
bombardementen uit te voeren in steden als Isfahan en Hamedan, waar
het grootste deel van die mensen woont. Wie aanneemt dat Israël niet
de wens heeft die uit te moorden maar toch rücksichtslos
bommen boven hen kan droppen, moet ook aannemen dat wie Israël als
staat wil zien verdwijnen niet de uitroeiing van zo’n 46 procent
van de joden tot doel heeft.
Dat gezegd zijnde: het is niet mijn bedoeling de bespreking van Moet
Israël verdwijnen? te kapen om er de bespreking van een aantal
van m’n eigen standpunten ter zake van te maken. Te meer omdat ook
bijna zestig jaar na het verschijnen van dit boekje nog steeds geldt
wat Van de Meerssche in zijn inleiding schrijft: “Complexer dan de
meeste internationale problemen is het Israëlisch-Arabische geschil,
omdat inderdaad zowel ten voor- als ten nadele van de Israëlische of
van de Arabische tesis op feiten en op principes een beroep kan
worden gedaan om de diametraal tegengestelde standpunten niet zonder
enig succes te verdedigen.” Een stelling waaruit trouwens mag
blijken dat de auteur de vraag Moet Israël verdwijnen? vooral
vanuit staatkundige hoek bekijkt, de enige hoek waarin de vraag
uiteindelijk thuishoort, al is hij zich er ook van bewust dat dat een
moeilijke oefening is: “Uiteraard zijn aangrijpende, tragische en
complexe problemen niet zo erg vatbaar voor een objektief betoog. De
vraag kan gesteld of een louter relaas van gebeurtenissen en feiten
betreffende een zo passioneel geladen en omstreden probleem als het
Israëlisch-Arabisch konflikt makkelijk objektief zal heten te zijn.
A fortiori mag aanvaard, dat wie zich niet wil beperken tot het
louter katalogeren van feiten en gegevens, maar werkelijk wil
doordringen tot de kern van het probleem, het risico op zich neemt
door een van beide partijen als voor- of tegenstander te worden
beschouwd. Dit risico werd hier dan ook bewust genomen, omdat de
opzet van dit essay is en blijft: een over- en inzicht betrachten van
de evolutie en de fundamentele problemen van het Israëlisch-Arabisch
konflikt.” “Fundamentele problemen”, aldus Van de Meerssche,
“die zich koncentreren rond de kernvraag: heeft Israël recht op
bestaan? Zo ja, waarom wordt dit recht op bestaan door de Arabische
landen betwist? In welke mate heeft men sedert de oprichting van
Israël op 15 mei 1948 getracht het bestaan van Israël ongedaan te
maken? Welke houding hebben de grote mogendheden in dit verband
aangenomen en welke rol hebben de Verenigde Naties gespeeld in dit nu
twintig jaar durende konflikt?”
‘In dit nu bijna tachtig jaar durende conflict’, zou daar inmiddels van
mogen gemaakt worden, maar wat Van de Meerssche vaststelde in dit
“essay” is nu niet minder waar dan toen. “De eerste
onafhankelijkheidsdag van Israël, 15 mei 1948, was meteen de eerste
dag van een gewapende strijd om het bestaan tegen de Arabische
nabuurstaten” en al is de ‘Zesdaagse Oorlog’ intussen bijna
kattepis in vergelijking met de oorlogen die de Israëlische regering
nu voortdurend tegen zijn buren voert (oorlogen waarvoor die regering
overigens genoeg heeft aan wat kattepis om ze te voeren en te blijven
voeren of toch daarvoor een excuus te hebben), daaraan is niks
veranderd. Daaraan en aan Theodor Herzls Der Judenstaat, Lord
Balfours Declaration, David Ben Goerions
Biltmore-programma, het terrorisme van de Haganah, Stern
en Irgoen, de VN-resolutie van 20 november 1947 (waarin
– toen al, ja – gepleit werd voor een tweestatenoplossing op het
“voormalig Palestijnse grondgebied”), of de – laat ons het dan
maar zo noemen – zionistische moordpartijen die ook zoveel jaar
later bij de islamitische buren nog maagkrampen opleveren: “Onderwijl
nam de terroristische aktiviteit van Joodse en van Arabische geheime
groeperingen nog toe en werd de Arabische bevolking onder druk gezet
door de Irgoen. Zo werden in de nacht van 9 op 10 april 1948 254
mannen, vrouwen en kinderen van het Arabisch dorp Deir Yassin
uitgemoord.” Ik heb het bij het lezen van zo’n dingen altijd weer
een beetje moeilijk om mezelf voor te houden wie in dit hele verhaal
per definitie de good guys zijn en wie de bad guys,
maar het moet een genoegen zijn een dusdanig gebrek aan
inlevingsvermogen en hersencellen te hebben daarvan géén last te ondervinden.
Nu,
dat is dus ‘oude’ geschiedenis (al kennen we allemaal wel mensen
die ouder zijn dan dat), maar de gevolgen zijn nog steeds zichtbaar.
“Vooreerst werd op expliciete wijze verklaard, dat de grenzen van
Israël met zijn naburen overeenkomstig de bestaande frontlinies
waren bepaald in afwachting dat de definitieve grenzen in een
vredesverdrag zouden worden omschreven” (na de Groene Lijn zou
onder andere nog een Blauwe Linie ontstaan en beide zouden met
evenveel gemak door Israël telkens weer overschreden worden). “In
tweede instantie is sedert deze eerste militaire konfrontatie tussen
Israël en de Arabische staten het vluchtelingenprobleem van de
Palestijnse Arabieren aan de orde” (een probleem dat ook de huidige
Israëlische regering zonder enige aarzeling nog stukken erger
maakt). En – en dat was voor mij het leerzaamste uit dit boekje -
“In derde instantie hebben de door Israël in 1948-49 afgedwongen
wapenstilstandsverdragen in niet geringe mate bijgedragen tot de
versnelling van het nationaal Arabisch bewustwordingsproces.” We
hebben met z’n allen, of ik had in ieder geval, de neiging in
onze/mijn beoordeling van het hele Israëlisch-Arabische conflict te
sterk te focussen op Israël, dat na de Tweede Wereldoorlog begon te
koloniseren, en vergeten daarbij dat de Arabische landen rond dat
zelfde moment volop gedekoloniseerd werden en zichzelf ook een
plaatsje onder de zon moesten veroveren. Tegen Israël in, dat toch
vrij algemeen gezien werd als een laatste ‘cadeautje’ van de
voormalige koloniserende landen, maar ook tegen mekaar in. Het zou me
te ver voeren om het daar uitgebreid over te hebben in deze
boekbespreking, maar de auteur wijdt daar vanaf pagina 17 een kleine
twintig bladzijden aan en verklaart daarmee heel wat. Een passage als
deze moge daarvan getuigen: “In die omstandigheden kon president
Nasser niet langer blijven toezien en het initiatief aan de Syrische
regering laten. De ware bedoeling van Nassers troependemonstratie in
de Sinaï-woestijn en zijn eis de UNO-ordestrijdmacht uit het
Israëlisch-Egyptisch grensgebied terug te trekken, is dan ook
geweest: zelf het initiatief nemen van het revolutionaire Arabische
kamp in de strijd tegen Israël en zich in geen geval in ijver laten
voorbijstreven door de Syrische regering.”
Het stuk over De internationaal-politieke achtergrond vond ik
minder interessant, al is het maar omdat het Rusland van nu –
ondanks de propaganda die westerse wapenfabrikanten en hun acolieten
in de politiek daarover gaarne maken – écht niet de Sovjet-Unie
van toen is, terwijl de Verenigde Staten telkens weer aantonen dat ze
zelfs een regime dat financieel op hun kosten leeft, de Israëlische
regering van Netanyahu, geenszins onder controle kunnen houden (in
tegendeel: de enige reden waarom de Verenigde Staten aan de oorlog
met Iran zijn gaan meedoen, is omdat ze een proxy van Israël
geworden zijn), maar Het Israëlisch-Arabisch dossier met
daarin De Arabische tesis en De israëlische tesis weer
wél. Israël is een produkt van het kolonialisme, Israël
is een bruggehoofd van het imperialisme, je hoeft niet echt een
Arabier te zijn om daar in te kunnen komen. Dat iemand als voormalig
eerste minister van het land David Ben Goerion in 1950 nog zei dat
“Israël zal worden opgebouwd door een aktief optreden op het
militaire en op het diplomatieke vlak” en “de territoria [zal]
omvatten tussen Nijl en Eufraat”, met andere woorden behalve het
huidige Israël ook wat resteert van Palestina, Jordanië, Libanon en
grote delen van Egypte, Syrië en Irak, laat dan ook aan
duidelijkheid niets te wensen over en maakt, mijns inziens, van het
From the river to the sea van de pro-Palestijnse activisten
klein bier. Wat De Israëlische tesis tegenover
De Arabische tesis mijns inziens óók is. “Ten slotte laat
men opmerken, dat niet alle Israëlische partijen het eens zijn met
de pro-westerse, of beter pro-Amerikaanse optie van de Israëlische
regering op het stuk van het buitenlands beleid”, klinkt nogal
zoutloos, “In het dossier betreffende het Israëlisch-Arabisch
geschil is het vluchtelingenprobleem het enige konkrete en reële
stuk” als het dooreen halen van oorzaak en gevolg, en dat “Israël
(…) door de Verenigde Naties gewild [is] als een tehuis voor de
Joodse slachtoffers van het racisme” is al langer dan sinds 1968 achterhaald.
Maarreuh…
moet Israël nu, volgens de auteur, verdwijnen? Awel, het antwoord
daarop staat in zijn Besluit. Dat kan u zelf lezen als u het
boekje op de kop weet te tikken.
Björn Roose
