maandag 6 juli 2026

August Vermeylen – Jan Venstermans (boekbespreking door Björn Roose)

August Vermeylen – Jan Venstermans (boekbespreking door Björn Roose)
Lichtelijk arrogant, en duidelijk behept met een lui oog, kijkt het onderwerp van voorliggend boekje me aan van op de cover ervan: August Vermeylen was mogelijk gewoon een man die zich gráág vanuit kikvorsperspectief liet fotograferen, maar gezien het aantal verschillende portretten van hem dat aldus gemaakt is, ben ik geneigd te denken dat hij ook effectief graag op mensen neerkeek. Uit de werken van hem die ik in mijn kasten zitten heb – ééntje: De Vlaamse letteren van Gezelle tot heden – kan ik dat niet afleiden (wegens nog niet gelezen), maar na het (wél) lezen van deze korte biografie van de hand van Jan Venstermans, heb ik in ieder geval de indruk dat ik er wat dat betreft niet helemaal naast zit.

Al twijfelde ik bij het lezen van het Woord vooraf in deze, overigens van de uitstekende titel August Vermeylen voorziene, biografie toch even aan of Venstermans op zijn beurt opkeek naar Vermeylen: “Het is eigenaardig dat de vernieuwing van onze literatuur is uitgegaan van figuren wier zuiver creatief werk zeer beperkt is. Buiten enkele gedichten en prozastukjes zonder veel waarde, heeft Vermeylen slechts twee romans geschreven: De Wandelende Jood, in de bruisende periode van zijn jeugd en Twee Vrienden, waarvan het ontwerp reeds ontstond toen de eerste roman werd ontworpen (1897), maar ongeveer veertig jaar later, op het einde van zijn leven slechts, werd uitgewerkt.”

“Op het einde van zijn leven”, zijnde in 1943 (hij overleed in 1945), in volle oorlogstijd, zonder dat hij daarin werd gehinderd door de Duitse bezetter, terwijl die Duitse bezetter toch “bij het uitbreken van de oorlog (…) besliste (…) dat Vermeylen zijn ambt niet verder mocht waarnemen. De toegang tot de senaatsgebouwen en zelfs tot de universiteitsbibliotheek werd hem ontzegd en hij mocht nergens in het openbaar optreden.” Eigenaardig, maar het kan nog eigenaardiger: Vermeylen was gecoöpteerd senator voor de socialisten, wat enige aversie vanwege de nationaal-socialisten kan verklaren, maar de universiteit waarvan sprake, was die van Gent. Een universiteit waarvan hij van 1930 tot 1933 rector was geweest en “voor de volledige vernederlandsing” waarvan hij “tientallen jaren had (…) geijverd”. Een vernederlandsing die, pro memoriam, tijdens de Eerste Wereldoorlog ook een eis was van de Activisten, die daartoe op de toénmalige Duitse bezetter rekenden, maar waartoe Vermeylen niet behoorde: “Hij speelt een rol in het Vlaamse passivisme [afwachten dus, noot van mij] en hij acht het noodzakelijk sommige van zijn vrienden, die het activisme verkozen hadden, te bestrijden, maar na de oorlog zocht hij onmiddellijk wat de Vlamingen verenigt.”

Op z’n minst schijnbare tegenstrijdigheden wat dat betreft, maar dat kwam bij Vermeylen wel vaker voor (en dat los van het feit dat de reden voor zijn “passivisme” de volgende was: “omdat hij, overtuigd van een Duitse nederlaag, na de wapenstilstand in Vlaanderen zelf een reactie verwachtte die veel kwaad zou berokkenen aan de Vlaamse zaak”). Hoewel hij bijvoorbeeld Pjotr Kropotkin (door Venstermans aangeduid als “Kropotkine”), prins-annex-theoreticus-van-het-anarch(ocommun)isme, bij momenten bijna plagieerde, verdedigde hij, minstens volgens Venstermans, “geenszins (…) een anarchistisch communisme”. Wat meer is: “Wij kunnen niet bewijzen of zijn individualisme reeds beïnvloed was geworden door de lezing van Stirner en Nietzsche”, maar “Vele opvattingen komen reeds met de hunne overeen”. Trouwens, schrijft Venstermans, die opvattingen “zijn zo algemeen en trouwens ook bij Wagner, Emerson e.a. weer te vinden”. Bij Wagner, stel je voor. Uitgerekend bij Wagner. Moet er nog iemand een open deur hebben? Waarlangs dan misschien ook de volgende paragraaf kan binnen gestoken worden?: “Tijdens zijn verblijf te Berlijn en te Wenen heeft Vermeylen alleszins Stirner en Nietzsche gelezen of herlezen. Deze twee Duitse filosofen hebben meer op hem ingewerkt dan Kropotkine en Élisée Reclus.” Maar Stirner dan toch meer dan Nietzsche, volgt al meteen daarna: Vermeylen “worstelde immers met het probleem individu-gemeenschap, en dit laatste element ontbreekt volledig bij Nietzsche.” Beetje kort verteld misschien om de marsrichtingen van Vermeylen goed te kunnen volgen, maar Vermeylen zat er in zijn jeugd in ieder geval niet mee om van marsrichting te wisselen, zei het dat hij niet altijd het lef had om dat openlijk te doen: “Dat Vermeylen zich stilaan verwijderde van het anarchisme bewijst zijn artikel Anarchie geen leer (Ontwaking, 1896, nr. 8, blz. 57-59) waarin hij vinnig, alhoewel onder een pseudoniem, tegen het anarchisme reageerde. Wellicht durfde hij er niet openlijk voor uitkomen, op een ogenblik dat zijn omgeving de anarchistische opvattingen nog verdedigde.” Ga met zo’n ‘individualisten’ naar de oorlog, nietwaar? Of ga met zo’n ‘individualisten’ helemaal nergens heen: “1896 [het jaar waarin hij vierentwintig werd, noot van mij] beschouwen we [ook Venstermans heeft het, zoals Adriaan de Roover in zijn biografie van Paul van Ostaijen, over zichzelf als “we”, noot van mij] als het einde van de ontwikkeling van Vermeylens levensbeschouwing. Al wat hij later geschreven heeft zijn herhalingen of aanvullingen.” “Het opstel Eene Jeugd (V.N.S., N.R., 1e jrg., nr. 4, 1896, blz. 233-244) [waarbij “V.N.S.” overigens staat voor Van Nu en Straks, noot van mij] mag”, aldus nog Venstermans, “beschouwd worden als een afrekening met het verleden en tevens als een berusting in de onmacht de geheimenis van het leven te doorgronden en een positieve norm te vinden, waarop het leven kan gevestigd worden. In Eene Jeugd wordt het zoeken naar een wereldbeschouwing beschreven, zoals trouwens ook symbolisch in De Wandelende Jood en Twee Vrienden, met een tussenruimte van zesendertig jaar, maar beide opgevat in 1897.” Op een leeftijd waarop ik nog een verleden moest beginnen opbouwen, ging Vermeylen dus het zijne al te lijf. Op een leeftijd waarop ik, eerlijk is eerlijk, geleidelijk van anarchisme naar nationalisme overstapte (een beweging die ik nooit helemaal afgemaakt heb), vond hij al dat hij genoeg stappen had gezet. Op een leeftijd waarop ik nog steeds mezelf bijstuur wat mijn ideeën betreft (en daar nooit spijt van heb), zijnde de leeftijd die ik nu heb, was Vermeylen al jaren lid van bezadigde verenigingen als de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde en de Vlaamse Club voor Kunsten, Wetenschappen en Letteren. Mij lijkt dat wel héél lang aanmodderen, maar Venstermans omschrijft het anders: “Uit de overvloed van filosofische systemen en sociale stromingen had Vermeylen omstreeks 1896 een eigen houding tegenover het leven opgebouwd, die in haar bijzonderheden niet oorspronkelijk was, maar als geheel wel een persoonlijke stellingneming was, niet tegenover het universum, zodat hij een hele wereldbeschouwing of een filosofie zouden [sic] hebben uitgewerkt, maar veeleer een praktische levensbeschouwing.” “Dat is berusting, maar geen rust”, voegt Venstermans daar verder aan toe: “En wordt het zelfs geen onrust in de zin die Vermeylen juist voor zijn dood in zijn laatste artikel De Taak schreef? ‘Alles wankelt, twijfel omprangt hart en geest voor de groote vraagstukken die ons bedreigen, en vooral die vraag, die feitelijk alle andere in zich sluit: waarom leven wij? Waartoe moet het leven ons richten?’” Helaas, pindakaas, beetje laat om je na jaren “praktische levensbeschouwing” nog zo’n vragen te gaan stellen.

Maar goed, na het Woord vooraf, de Levensbeschrijving en het eerste deel van het hoofdstuk Vermeylens levensbeschouwing, getiteld Op zoek naar een levensbeschouwing – 1887-1896, volgt een hoofdstuk over de zogenaamde Hoofdproblemen van die levensbeschouwing, en in dat hoofdstuk heeft Venstermans het ten eerste over datgene waar we het al over gehad hebben, Anarchisme en het vrije individu in de gemeenschap, ten tweede over Mysterie, synthese, godsgedachte (iets waar ik niet te veel energie ga insteken, al is het maar omdat Venstermans schrijft dat “niet [blijkt] dat Vermeylen zich actief zou ingespannen hebben om een filosofische verklaring te vinden voor het mysterie”), en ten derde over Religieus gevoel, christendom en ethiek, wat me van het ‘ten tweede’ voornamelijk een gevolg lijkt en waar ik ook niet verder op in zal gaan. Net zomin trouwens als op het daarop volgende hoofdstuk, Vermeylens esthetische opvattingen. Daarin heeft Venstermans het over 1. Esthetische vorming, 2. Hoofdproblemen van Vermeylens esthetische opvattingen (die mens had volgens Venstermans kennelijk nauwelijks wat anders dan ‘problemen’) - met daaronder: a. Het scheppingsproces, b. Vorm en inhoud, c. De synthese van het kunstwerk, d. Gemeenschapskunst, en e. Kunst en moraal en de ethische waarde van de kunst -, en ten slotte 3. Literairhistorische en kunsthistorische problemen (nog méér “problemen”, inderdaad) – met als deeltjes: a. De literaire geschiedschrijving, en b. Methode inzake kunstgeschiedenis -, maar ik vond dat alles kennelijk zó interessant dat ik in de in totaal dertien bladzijden van dat hoofdstuk niet één regel aanduidde. Wat eveneens geldt voor hoofdstuk IV, Vermeylens zuiver scheppend werk, en V, De Vlaming, met uitzondering van één passage die ik ongetwijfeld heb onderstreept om ze in deze boekbespreking te gebruiken: “Het eerste deel [van Twee Vrienden, noot van mij] is te cerebraal en wie niet grondig vertrouwd is met de Van-Nu-en Straksideeën, zal het langdradig en saai vinden.” Geen idee of het ligt aan het feit dat ik ook niet meteen enorm vertrouwd ben met de “Van-Nu-en-Straksideeën”, maar ik vond deze biografie van August Vermeylen, ondanks het feit dat ze, Bibliografie en Inhoudstafel inbegrepen, amper vijfenvijftig bedrukte bladzijden telt, óók langdradig en saai.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !