Lichtelijk arrogant, en duidelijk behept met een lui oog, kijkt het
onderwerp van voorliggend boekje me aan van op de cover ervan:
August Vermeylen was mogelijk gewoon een man die zich gráág vanuit
kikvorsperspectief liet fotograferen, maar gezien het aantal
verschillende portretten van hem dat aldus gemaakt is, ben ik geneigd
te denken dat hij ook effectief graag op mensen neerkeek. Uit de
werken van hem die ik in mijn kasten zitten heb – ééntje: De
Vlaamse letteren van Gezelle tot heden – kan ik dat niet
afleiden (wegens nog niet gelezen), maar na het (wél) lezen van deze
korte biografie van de hand van Jan Venstermans, heb ik in ieder
geval de indruk dat ik er wat dat betreft niet helemaal naast zit.
Al twijfelde ik bij het lezen van het Woord vooraf in deze,
overigens van de uitstekende titel August Vermeylen voorziene,
biografie toch even aan of Venstermans op zijn beurt opkeek naar
Vermeylen: “Het is eigenaardig dat de vernieuwing van onze
literatuur is uitgegaan van figuren wier zuiver creatief werk zeer
beperkt is. Buiten enkele gedichten en prozastukjes zonder veel
waarde, heeft Vermeylen slechts twee romans geschreven: De
Wandelende Jood, in de bruisende periode van zijn jeugd en Twee
Vrienden, waarvan het ontwerp reeds ontstond toen de eerste roman
werd ontworpen (1897), maar ongeveer veertig jaar later, op het einde
van zijn leven slechts, werd uitgewerkt.”
“Op het einde van zijn leven”, zijnde in 1943 (hij overleed in
1945), in volle oorlogstijd, zonder dat hij daarin werd gehinderd
door de Duitse bezetter, terwijl die Duitse bezetter toch “bij het
uitbreken van de oorlog (…) besliste (…) dat Vermeylen zijn ambt
niet verder mocht waarnemen. De toegang tot de senaatsgebouwen en
zelfs tot de universiteitsbibliotheek werd hem ontzegd en hij mocht
nergens in het openbaar optreden.” Eigenaardig, maar het kan nog
eigenaardiger: Vermeylen was gecoöpteerd senator voor de
socialisten, wat enige aversie vanwege de nationaal-socialisten kan
verklaren, maar de universiteit waarvan sprake, was die van Gent. Een
universiteit waarvan hij van 1930 tot 1933 rector was geweest en
“voor de volledige vernederlandsing” waarvan hij “tientallen
jaren had (…) geijverd”. Een vernederlandsing die, pro memoriam,
tijdens de Eerste Wereldoorlog ook een eis was van de Activisten, die
daartoe op de toénmalige Duitse bezetter rekenden, maar waartoe
Vermeylen niet behoorde: “Hij speelt een rol in het Vlaamse
passivisme [afwachten dus, noot van mij] en hij acht het noodzakelijk
sommige van zijn vrienden, die het activisme verkozen hadden, te
bestrijden, maar na de oorlog zocht hij onmiddellijk wat de Vlamingen verenigt.”
Op z’n minst schijnbare tegenstrijdigheden wat dat betreft, maar
dat kwam bij Vermeylen wel vaker voor (en dat los van het feit dat de
reden voor zijn “passivisme” de volgende was: “omdat hij,
overtuigd van een Duitse nederlaag, na de wapenstilstand in
Vlaanderen zelf een reactie verwachtte die veel kwaad zou berokkenen
aan de Vlaamse zaak”). Hoewel hij bijvoorbeeld Pjotr Kropotkin
(door Venstermans aangeduid als “Kropotkine”),
prins-annex-theoreticus-van-het-anarch(ocommun)isme, bij momenten
bijna plagieerde, verdedigde hij, minstens volgens Venstermans,
“geenszins (…) een anarchistisch communisme”. Wat meer is: “Wij
kunnen niet bewijzen of zijn individualisme reeds beïnvloed was
geworden door de lezing van Stirner en Nietzsche”, maar “Vele
opvattingen komen reeds met de hunne overeen”. Trouwens, schrijft
Venstermans, die opvattingen “zijn zo algemeen en trouwens ook bij
Wagner, Emerson e.a. weer te vinden”. Bij Wagner, stel je voor.
Uitgerekend bij Wagner. Moet er nog iemand een open deur hebben?
Waarlangs dan misschien ook de volgende paragraaf kan binnen gestoken
worden?: “Tijdens zijn verblijf te Berlijn en te Wenen heeft
Vermeylen alleszins Stirner en Nietzsche gelezen of herlezen. Deze
twee Duitse filosofen hebben meer op hem ingewerkt dan Kropotkine en
Élisée Reclus.” Maar Stirner dan toch meer dan Nietzsche, volgt
al meteen daarna: Vermeylen “worstelde immers met het probleem
individu-gemeenschap, en dit laatste element ontbreekt volledig bij
Nietzsche.” Beetje kort verteld misschien om de marsrichtingen van
Vermeylen goed te kunnen volgen, maar Vermeylen zat er in zijn jeugd
in ieder geval niet mee om van marsrichting te wisselen, zei het dat
hij niet altijd het lef had om dat openlijk te doen: “Dat Vermeylen
zich stilaan verwijderde van het anarchisme bewijst zijn artikel
Anarchie geen leer (Ontwaking, 1896, nr. 8, blz. 57-59)
waarin hij vinnig, alhoewel onder een pseudoniem, tegen het
anarchisme reageerde. Wellicht durfde hij er niet openlijk voor
uitkomen, op een ogenblik dat zijn omgeving de anarchistische
opvattingen nog verdedigde.” Ga met zo’n ‘individualisten’
naar de oorlog, nietwaar? Of ga met zo’n ‘individualisten’
helemaal nergens heen: “1896 [het jaar waarin hij vierentwintig
werd, noot van mij] beschouwen we [ook Venstermans heeft het, zoals
Adriaan de Roover in zijn biografie van Paul van Ostaijen, over
zichzelf als “we”, noot van mij] als het einde van de
ontwikkeling van Vermeylens levensbeschouwing. Al wat hij later
geschreven heeft zijn herhalingen of aanvullingen.” “Het opstel
Eene Jeugd (V.N.S., N.R., 1e jrg., nr. 4, 1896,
blz. 233-244) [waarbij “V.N.S.” overigens staat voor Van Nu en
Straks, noot van mij] mag”, aldus nog Venstermans, “beschouwd
worden als een afrekening met het verleden en tevens als een
berusting in de onmacht de geheimenis van het leven te doorgronden en
een positieve norm te vinden, waarop het leven kan gevestigd worden.
In Eene Jeugd wordt het zoeken naar een wereldbeschouwing
beschreven, zoals trouwens ook symbolisch in De Wandelende Jood
en Twee Vrienden, met een tussenruimte van zesendertig jaar,
maar beide opgevat in 1897.” Op een leeftijd waarop ik nog een
verleden moest beginnen opbouwen, ging Vermeylen dus het zijne al te
lijf. Op een leeftijd waarop ik, eerlijk is eerlijk, geleidelijk van
anarchisme naar nationalisme overstapte (een beweging die ik nooit
helemaal afgemaakt heb), vond hij al dat hij genoeg stappen had
gezet. Op een leeftijd waarop ik nog steeds mezelf bijstuur wat mijn
ideeën betreft (en daar nooit spijt van heb), zijnde de leeftijd die
ik nu heb, was Vermeylen al jaren lid van bezadigde verenigingen als
de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde en de
Vlaamse Club voor Kunsten, Wetenschappen en Letteren. Mij lijkt dat
wel héél lang aanmodderen, maar Venstermans omschrijft het anders:
“Uit de overvloed van filosofische systemen en sociale stromingen
had Vermeylen omstreeks 1896 een eigen houding tegenover het leven
opgebouwd, die in haar bijzonderheden niet oorspronkelijk was, maar
als geheel wel een persoonlijke stellingneming was, niet tegenover
het universum, zodat hij een hele wereldbeschouwing of een filosofie
zouden [sic] hebben uitgewerkt, maar veeleer een praktische
levensbeschouwing.” “Dat is berusting, maar geen rust”, voegt
Venstermans daar verder aan toe: “En wordt het zelfs geen onrust in
de zin die Vermeylen juist voor zijn dood in zijn laatste artikel De
Taak schreef? ‘Alles wankelt, twijfel omprangt hart en geest
voor de groote vraagstukken die ons bedreigen, en vooral die vraag,
die feitelijk alle andere in zich sluit: waarom leven wij? Waartoe
moet het leven ons richten?’” Helaas, pindakaas, beetje laat om
je na jaren “praktische levensbeschouwing” nog zo’n vragen te
gaan stellen.
Maar goed, na het Woord vooraf, de Levensbeschrijving
en het eerste deel van het hoofdstuk Vermeylens levensbeschouwing,
getiteld Op zoek naar een levensbeschouwing – 1887-1896,
volgt een hoofdstuk over de zogenaamde Hoofdproblemen van die
levensbeschouwing, en in dat hoofdstuk heeft Venstermans het ten
eerste over datgene waar we het al over gehad hebben, Anarchisme
en het vrije individu in de gemeenschap, ten tweede over
Mysterie, synthese, godsgedachte (iets waar ik niet te veel
energie ga insteken, al is het maar omdat Venstermans schrijft dat
“niet [blijkt] dat Vermeylen zich actief zou ingespannen hebben om
een filosofische verklaring te vinden voor het mysterie”), en ten
derde over Religieus gevoel, christendom en ethiek, wat me van
het ‘ten tweede’ voornamelijk een gevolg lijkt en waar ik ook
niet verder op in zal gaan. Net zomin trouwens als op het daarop
volgende hoofdstuk, Vermeylens esthetische opvattingen. Daarin
heeft Venstermans het over 1. Esthetische vorming, 2.
Hoofdproblemen van Vermeylens esthetische opvattingen (die mens
had volgens Venstermans kennelijk nauwelijks wat anders dan
‘problemen’) - met daaronder: a. Het scheppingsproces, b.
Vorm en inhoud, c. De synthese van het kunstwerk, d.
Gemeenschapskunst, en e. Kunst en moraal en de ethische waarde
van de kunst -, en ten slotte 3. Literairhistorische en
kunsthistorische problemen (nog méér “problemen”,
inderdaad) – met als deeltjes: a. De literaire
geschiedschrijving, en b. Methode inzake kunstgeschiedenis
-, maar ik vond dat alles kennelijk zó interessant dat ik in de in
totaal dertien bladzijden van dat hoofdstuk niet één regel
aanduidde. Wat eveneens geldt voor hoofdstuk IV, Vermeylens zuiver
scheppend werk, en V, De Vlaming, met uitzondering van één
passage die ik ongetwijfeld heb onderstreept om ze in deze
boekbespreking te gebruiken: “Het eerste deel [van Twee
Vrienden, noot van mij] is te cerebraal en wie niet grondig
vertrouwd is met de Van-Nu-en Straksideeën, zal het langdradig en
saai vinden.” Geen idee of het ligt aan het feit dat ik ook niet
meteen enorm vertrouwd ben met de “Van-Nu-en-Straksideeën”, maar
ik vond deze biografie van August Vermeylen, ondanks het feit dat ze,
Bibliografie en Inhoudstafel inbegrepen, amper
vijfenvijftig bedrukte bladzijden telt, óók langdradig en saai.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !