Vraag een lezer wat hij kent van Thomas Mann en u krijgt een antwoord
met daarin De Buddenbrooks, De toverberg
(oorspronkelijk Der Zauberberg), De dood in Venetië
(Der Tod in Venedig), Felix Krull (voluit Bekentenissen van de oplichter Felix Krull), en
daarna wellicht niks meer. Vraag een ‘fan’ van de auteur of hij
nog méér boeken van hem kent en hij zal antwoorden dat (Char)Lotte
in Weimar en Jozef en zijn broers (daterend uit 1933-1943,
maar pas in 2014 in het Nederlands vertaald) eveneens de moeite waard
zijn. Maar heeft hij wel eens Baas en hond, een idylle
gelezen? Weinig kans. Nochtans trof ik, die van bovengenoemde boeken
enkel Felix Krull gelezen heb en De Buddenbrooks en
Dood in Venetië nog in mijn kasten zie staan, dit boekje (in
de in 2013 bij Aspekt verschenen vertaling van Alfred Krans)
aan in een kringwinkel en nam het – ondanks het feit dat mijn eigen
teerbeminde viervoeter Burchard intussen al vele jaren dood is –
daaruit mee en vervolgens op reis naar Italië, waar ik het las, en
krijgt u er nu een boekbespreking van.
Op de Nederlandstalige Wikipedia wordt het boekje (in deze
vertaling een kleine honderd bladzijden dik) genoemd in de
bibliografie, maar meer ook niet. Op de Duitse versie is er een
aparte pagina aan gewijd. Daaruit blijkt dat het verhaal, zo je het
zo kan noemen, samen met Die vertauschten Köpfe (De
verwisselde hoofden. Een Indische legende) de langste vertelling
van Mann is, eerst (in november 1919) verscheen als privé-uitgave
waarvan de opbrengst naar behoeftige schrijvers ging, geleid heeft
tot een beeldengroep in Gmund am Tegernsee, en dat Bauschan, de hond
waarvan sprake in de titel (en in de rest van het boek) het enige van
schrijvers dieren is dat het tot protagonist in een van zijn verhalen
heeft geschopt. Manns beide poedels, telkens voorzien van de naam
Nico, die hij op hogere leeftijd hield, komen wel in zijn dagboeken
voor, en minstens een van de twee verschijnt ook in een “Filmbericht”
over de auteur, “literarisch sind sie aber nicht in Erscheinung
getreten”. De bastaard die zo’n vier jaar in Manns villa in
München woonde en in de winter van 1919-1920 overleed aan
hondenziekte (CDV, iets waar tegenwoordig tegen gevaccineerd
wordt) – ook in dit boek komt de hond in een dierenkliniek terecht,
waar hij stante pede wegkwijnt, maar toch overleeft, ondanks het feit
dat Mann hem er veel te lang in observatie laat terwijl de dierenarts
niets vindt - werd dus vereeuwigd door de schrijver vóór hij het
begaf (het boek was al ontstaan in 1918) en die schrijver deed dat
goed. Meer nog, hij deed dat schitterend, zoals hij dat ook deed met
de beschrijving van de mensen en de streek (het hoofdstuk Het
jachtgebied, bijvoorbeeld, bestaat bijna uitsluitend uit een
beschrijving van de omgeving en neemt toch zo’n drieëntwintig
bladzijden in, zijnde een vierde van het geheel) waarin de idylle
zich afspeelt: “Een innemend gedrongen vrouwtje met zwarte ogen,
dat, bijgestaan door een stevig opgroeiende dochter, ook met zwarte
ogen, in de buurt van Tölz een bergrestaurant bestiert, bracht voor
ons de kennismaking met Bauschan tot stand en zijn aankoop. Dat is
twee jaar geleden en hij was destijds een half jaar oud. Anastasia –
zo heet de gastvrouw – wist wel, dat wij onze Percy, een Schotse
herdershond en ongevaarlijk geesteszieke aristocraat, die op
gevorderde leeftijd door een pijnlijke en misvormende huidziekte
geteisterd werd, hadden moeten laten doodschieten en sinds jaar en
dag een bewaker misten. Daarom deelde ze ons vanaf haar berg door de
telefoon mee, dat er een hond, zoals we ons die slechts konden
wensen, bij haar in de kost en in commissie was en te allen tijde was
te bezichtigen.” De licht ironiserende stijl die Mann ook in Felix
Krull hanteert, is meteen herkenbaar; dat de hond eigenlijk te
laat van eigenaar gewisseld is, óók, als hij van bij de Manns op
zijn eentje weer naar de “berg” is gaan lopen: “Er kwam een
tijd, dat het duidelijk werd, dat hij de boerderij weliswaar uit zijn
hoofd had gezet, maar bij ons ook nog niet helemaal wortel geschoten
had, zodat hij in zijn ziel zonder baas en als een tuimelend blad in
de wind was. Destijds moest men bij het wandelen scherp op hem
letten, omdat hij er zeer toe neigde, de zwakke simpathetische band
tussen hem en ons ongemerkt te verbreken en in de bossen te
verdwijnen, waar hij zeker in een zelfstandig zwervend bestaan in de
toestand van zijn wilde voorouders zou zijn teruggezonken. Onze zorg
behoedde hem voor dit donkere noodlot, ze hield hem stevig op de
hoge, door zijn geslacht in eeuwen bereikte trap van beschaving aan
de zijde van de mensen en toen droeg een ingrijpende verandering van
woonplaats, onze verhuizing naar de stad of voorstad, in één keer
er veel toe bij, dat hij ondubbelzinnig op ons werd aangewezen en met
onze huishouding stevig werd verbonden”. Dat is op een paar lijnen
tijd aangeven hoe de hond ‘bestaat’, hoe zijn relatie tegenover
mensen functioneert, wat ons als soorten van elkaar scheidt, en wat
ons als soorten aan elkaar bindt. Dat is iets wat een schrijver als
Mann zomaar uit zijn mouw lijkt te schudden, terwijl de gemiddelde
gedragsbioloog er een half proefschrift voor nodig heeft. Dat is ook
iets dat gevolgd wordt door hoe het leven verder verloopt voor de
hond én voor zijn baas, want Bauschan wordt, een keer hij zich zo
hecht aan de huishouding heeft verbonden duidelijk ook méér dan
zomaar een vervanger van de vorige hond: “Zo werd hem dan het
verblijf in de woonruimten van het huis en het samenzijn met mij, zo
lang ik in huis was, principieel, hoewel er ook uitzonderingen waren,
verboden; en hij begreep het verbod snel en voegde zich in het
tegennatuurlijke, omdat dit nu eenmaal de ondoorgrondelijke wil van
de baas en huisheer was. De verwijdering van mij, die vaak en vooral
in de winter voor grote delen van de dag geldt, is slechts een
verwijdering, geen echte scheiding en contactloosheid. Hij is niet
bij me, op mijn bevel, maar dat is slechts de uitvoering van een
bevel, een niet aanvaard bijmijzijn en van een zelfstandig leven van
Bauschan, dat hij zonder mij tijdens deze uren voerde, kan niet
worden gesproken. Ik zie wel door de glazen deur van mijn kamer, hoe
hij op de kleine tuinweide voor het huis op een goedmoedige, onhandig
boertige manier meedoet aan de spelletjes van de kinderen. Maar
tussendoor komt hij voortdurend naar de deur, snuffelt, omdat hij mij
door de vitrage aan de binnenkant niet kan zien, aan de kieren, om er
zeker van te zijn, dat ik er ben en zit, met zijn rug naar de kamer
gekeerd, op de trappen de wacht te houden. Ik zie hem ook wel vanaf
mijn tafel op de verhoogde weg aan de overkant, tussen de oude espen,
op een bedachtzaam sukkeldrafje zich voortbewegen, maar zulke
promenades zijn slechts een lusteloos tijdverdrijf, zonder trots,
geluk en leven en helemaal ondenkbaar blijft, dat Bauschan zich
misschien op eigen gelegenheid aan het heerlijke jachtplezier zou
kunnen overgeven, hoewel niemand hem daarin zou tegenhouden en mijn
aanwezigheid, zoals zal blijken, daarvoor niet strikt noodzakelijk
zou zijn.”
Schitterende observaties allemaal, de hond misschien enigszins verder
verheffend dan hem als hond toekomt (maar daarmee niet anders doend
dan zo goed als elke hondenbezitter), waar ook puur fysieke als de
volgende niet voor moeten onderdoen: “Hij ligt een ogenblik met
verdraaide ogen en als dood op zijn zij. Dan staat hij op, om zich
uit te schudden. Hij schudt zich uit, zoals alleen hij zich kan
uitschudden, zonder een hersenschudding te krijgen, hij schudt zich
uit, dat het klapt en kletst, dat de oren hem onder zijn kin slaan en
zijn lippen van de wit glanzende hoektanden vliegen.” Ik heb me
tijdens het lezen niet echt een duidelijke fysieke voorstelling van
Bauschan gemaakt, maar bij deze scène zie ik mijn golden
retriever, alsof z’n vel gewoon los rond hem zat, exact
diezelfde dingen doen, terwijl ik mijn retriever al sinds
november 2017 niet meer in het echt iets heb zien doen (tenzij je
pushing daisies als een activiteit post mortem zou
willen beschouwen, natuurlijk).
En zo gaat dit boekje verder. Met dingen eigen aan Manns hond en
dingen eigen aan elke hond. Het feit dat hij, omdat hij daartoe de
vrijheid heeft gekregen, de schrijver afhaalt aan de tramhalte
bijvoorbeeld, of het feit dat hij ook wel eens, zij het niet al te
vaak, andere honden ontmoet: “Werkelijk hoort de ontmoeting buiten
van twee honden, die elkaar niet kennen tot de pijnlijkste,
spannendste en fataalste van alle denkbare gebeurtenissen; ze is van
demonie en vreemdheid omgeven. Een gebondenheid heerst daar, die niet
nader te omschrijven is; ze komen elkaar niet voorbij, het is een
verschrikkelijke situatie.” Of het feit dat ze wel degelijk samen
op jacht gaan, maar niet samen jagen: “De streek is rijk aan
jaagbaar wild en wij jagen erop; dat wil zeggen: Bauschan jaagt erop
en ik kijk toe. Op deze manier jagen wij: hazen, patrijzen,
veldmuizen, mollen, eenden en meeuwen. Maar ook voor de hoge jacht
schrikken we niet terug, we gaan ook op sluipjacht naar fazanten en
zelfs naar een ree, als die, soms in de winter, wel eens in ons
jachtgebied is verdwaald. Dat is dan een opwindend gezicht, als dat
hoogbenige, licht gebouwde dier, geel tegen de sneeuw, met een hoog
wippend wit achterste, voor de kleine, alle krachten verzamelende
Bauschan weg vliegt – ik volg het voorval met de grootste
deelneming en spanning. Niet, dat er daarbij iets zou uitkomen
[alleen een muis heeft hij, zo blijkt later, wel eens opgegeten na
hem gevangen te hebben, noot van mij]; dat is nog nooit gebeurd en
zal ook nooit gebeuren. Maar het ontbreken van evidente resultaten
vermindert noch Bauschans lust en hartstocht, noch doet het de
geringste afbreuk aan mijn eigen plezier. We gaan op jacht om haar
zelf, niet voor de buit, omwille van het nut en Bauschan is, zoals
gezegd, het actieve deel. Van mij verwacht hij slechts morele
bijstand, omdat hij een andere manier van samenwerken, een scherpere
en zakelijker manier om de aangelegenheid aan te pakken, uit
persoonlijke en directe ervaring niet kent.” Een “morele
bijstand” die Mann uiteraard ook combineert met scherpe observatie:
“(…) Bauschan zit de haas bijna op de hielen, hij is stil
geworden, hij rent met op elkaar geklemde tanden, de directe geur
drijft hem tot het uiterste op en – ‘nog eventjes, Bauschan!’
denk ik en zou ik willen roepen; ‘recht op je doel af en hou je kop
erbij, let op de haak!’ Maar daar is de haak ook al, de tegenslag
is er. De beslissende aanval gebeurde en op hetzelfde ogenblik is er
ook een ruk, een kort, licht wegschieten van de haas, alsof je met je
vingers knipt, in een rechte hoek op de looprichting en Bauschan
schiet zijn achterste voorbij, schiet huilend, hulpeloos en remmend,
zodat grind en stof omhoog vliegen, rechtuit en totdat hij tot
stilstand gekomen is, van richting is veranderd, zich heeft omgekeerd
en in de nieuwe richting op gang gekomen is, totdat, zeg ik, dit
onder zielskwelling en jammerlijk gehuil is volbracht, heeft de haas
een grote voorsprong in het kreupelhout gekregen, zijn vervolger
heeft hem zelfs helemaal uit het oog verloren; want toen hij
vertwijfeld remde kon hij niet zien, waar de ander naar toe ging.
‘Het is voor niets, het is mooi, maar tevergeefs,’ denk ik,
terwijl de jacht in tegengestelde richting door het park verder gaat.
‘Er zouden verschillende honden moeten zijn, vijf of zes, een heel
koppel. Andere honden zouden hem in de flank moeten lopen, hem van
voren de weg afsnijden, hem tot staan brengen en hem de nekslag
geven…’ En ik zie voor mijn opgewonden geestesoog een roedel
bloedhonden verschijnen, die zich met de tongen uit de mond op de
haas in hun midden storten.” En dan: “Ik denk en droom zo uit
hartstocht voor de jacht, want wat heeft de haas mij gedaan, dat ik
hem zo’n verschrikkelijk einde toewens? Weliswaar heb ik een nauwe
relatie met Bauschan en is het vanzelfsprekend dat ik met hem mee
voel en hem met mijn wensen begeleid; maar de haas is toch ook een
warm levend wezen en heeft mijn jager niet uit kwaadwilligheid
bedrogen, maar vanwege de dringende wens, nog een poosje aan zachte
boomloten te kunnen knabbelen en zijns gelijken te verwekken.” Dat
is eenvoudigweg mooi. Zelfs als dat de enige reden zou wezen, zou het
nog steeds een goede zijn om dit boekje te lezen.
Björn Roose






