Een mens zou haast gaan denken dat Filip De Pillecyn, of minstens
zijn boeken en andere teksten, meer dan zestig jaar na zijn
overlijden weer of nog steeds goed in de markt ligt (of liggen): in
2020 verscheen (en ik houd het bij de uitgaves die ik in handen
kreeg, want er waren er nog meer) bij
Doorbraak een
ont-censureerde uitgave van
Mensen achter de dijk,
in 2024 bij
Manteau/
Standaard Uitgeverij het
driehonderdzesendertig bladzijden tellende
De dwarsligger,
een bundeling van een aantal tussen 1922 en 1928 in
Pallieter
verschenen teksten van zijn hand, en in november van 2025 een
heruitgave, eveneens
ont-censureerd, van
Aanvaard het
leven. De kans dat u dat laatste, tevens voorliggende boek ooit
in handen krijgt, is echter klein: het werd uitgegeven op amper 100
exemplaren en naar de opkomst op de boekvoorstelling te oordelen,
zijn de meeste daarvan intussen in goede handen.
Een boekvoorstelling? Inderdaad. Het was zéér lang geleden dat ik
er nog eens een had bijgewoond en het was mijn eerste van het
Filip De Pillecyn Genootschap (ook wel, zelfs intern, aangeduid als het
Filip De Pillecyn
Comité), al bestaat dat intussen al sinds 2003 en woon ik sinds
2010 in de thuishaven ervan (en van de in 1962, helaas in Gent,
overleden schrijver). Een
Genootschap dat allicht ook de
drijvende kracht is geweest achter de eerstgenoemde twee uitgaves,
want stichter en voorzitter (annex motor)
Emmanuel Waegemans (wiens
De Russische Krim – Geschiedenis van een betwist schiereiland ik eerder besprak) mocht er telkens het
Ten geleide bij
leveren. Zoals hij dat ook deed voor
Aanvaard het leven, al
heet het voorwoord daarin niet
Ten geleide, maar Aanvaard
het leven
in de Vlaamse pers,
wat een beetje een knullige titel is aangezien het over veel meer
gaat dan wat in die ‘Vlaamse’ pers bij het verschijnen van de
oorspronkelijke uitgave (in 1956) geschreven werd. Bijvoorbeeld over
de reden waarom er überhaupt een uitgeverij als
De
Clauwaert (ook bekend als
Boekengilde De Clauwaert,
al dan niet aangeduid als ‘vzw’), sinds 1999 opgegaan in
Davidsfonds en in 2009
na een goede zestig jaar bestaan te hebben ‘vereffend’, werd
gesticht: “In 1956 verscheen de roman
Aanvaard het leven
van Filip De Pillecyn bij De Clauwaert, de uitgeverij die in 1949 was
opgericht om het werk van de auteur te kunnen uitgeven, omdat de net
vrijgekomen schrijver taboe was voor Scriptores Catholici. Tussen
1949, het jaar van de vrijlating van De Pillecyn en de oprichting van
De Clauwaert, en 1956, het verschijnen van
Aanvaard het
leven, publiceerde deze
uitgeverij ook nog andere nieuwe werken van Filip De Pillecyn:
De
veerman en de jonkvrouw,
Rochus
en
Vaandrig Antoon Serjacobs.”
Wat mij altijd een raadsel was geweest, namelijk dat in 1998 bij
Davidsfonds/
Clauwaert
De Pillecyns novelle
De aanwezigheid verscheen terwijl
De Clauwaert
zich, naar mijn smaak, altijd bezig gehouden had met het uitgeven van
voornamelijk emo-rommel, werd daarmee afdoende verklaard, al had wat
meer rondkijken in mijn eigen boekenkasten me misschien ook al eerder
kunnen aanzetten tot speurwerk:
De veerman en de jonkvrouw in de uitgave van
De Clauwaert
zit daar namelijk ook in, net zoals
Elizabeth,
Face au mur,
Mensen
achter de dijk (waarvan ik
meerdere edities staan heb),
Monsieur Hawarden (in de bespreking waarvan ik nochtans opmerkte dat het uitgegeven was
bij
De Clauwaert), en
Rochus. Even had ik na
deze ‘ontdekking’ dan ook de neiging nooit meer een kwaad woord
te schrijven over
De Clauwaert,
maar het valt toch wel jammer te noemen dat er niet méér auteurs
van het kaliber van De Pillecyn in het fonds van de uitgeverij zaten.
Soit, we hadden het over Aanvaard
het leven, een verhaal dat ik
ook al in mijn boekenkasten had voor ik de uitgave van het Filip
De Pillecyn Genootschap kocht,
zijnde in een omnibus uitgegeven door het Davidsfonds
in 1985, maar dan niet helemaal. Zoals aangegeven is de versie van
het Filip De Pillecyn Genootschap
immers ont-censureerd,
wat wil zeggen dat er in vorige versies, ook als die als eerste
verschenen bij een uitgeverij die hij mee oprichtte kennelijk,
gecensureerd werd. Omdat Emmanuel Waegemans de oorspronkelijk weg
gecensureerde woorden en zinnen in deze uitgave schuin heeft laten
afdrukken (hij vertelde tijdens de boekvoorstelling dat het een helse
klus was het hele boek weer over te tikken vanaf het oorspronkelijke
manuscript) is ook makkelijk na te gaan of dat klopt, al viel het
aantal passages waarin dat zo was in dit geval toch wel zeer goed
mee. “Het was het verlies van zijn geloof in de mens,
grondslag van ieder geloof”
blijkt inderdaad veranderd geweest te zijn in “Het was het verlies
van zijn geloof”. “En heel deze bezettingstijd verliep zonder
onlusten met onderdrukte ontevredenheid”
werd inderdaad “En heel deze bezettingstijd verliep zonder
onlusten”. Maar “Zij was opgenomen in het misprijzen van de
mensen dat zijn avontuur
hem had geleerd” werd gelukkig niet vermassacreerd tot “Zij was
opgenomen in het misprijzen van de mensen dat zijn hem had geleerd”.
Het “avontuur”
werd in die zin vervangen door de “ervaring”. Muggenzifterij van
de censor, natuurlijk, en ook wel een beetje van mij, maar in dit
geval had behalve het schuin gedrukte, weg gecensureerde woord ook
het woord waardoor het vervangen werd mogen vermeld worden.
Waarna ik toekom aan een ander klein
gebrek aan dit boek: de er in opgenomen, voor zover ik begrepen heb,
speciaal voor dit boek door lokaal schilder Luc Verbist gemaakte
‘illustraties’, werden (op een drietal uitzonderingen na)
gefotografeerd op het doek waarop ze geschilderd werden, maar terwijl
dat doek tegen de muur hing. Ik besef dat croppen
een beetje meer werk was geweest, maar de schilderijen konden dan wel
groter afgebeeld worden en niet voorzien van de slagschaduwen die
doeken nu eenmaal op beige achtergronden werpen. Er valt voor de rest
ook nog wel wat te zeggen over het bronnenmateriaal dat Verbist in
sommige gevallen gebruikte – de foto van zijn met sigaar
toneelspelende vader als basis voor zijn schilderij van de ‘meester’,
bijvoorbeeld -, maar dat het in een formaat van soms nog geen derde
van een bladzijde niet helemaal tot zijn recht komt, is duidelijk.
Nu goed, het onderwerp: Paul
Danneels heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog aan het Oostfront
gevochten tegen de Russen - iets wat nu zou toegejuicht worden, maar
toen ze er daar echt nog een zeer mensonvriendelijk wereldbeeld op
nahielden fout geacht -, heeft daarvoor een tijdje in de gevangenis
gezeten, en moet bij zijn vrijlating terug aarden bij zijn familie
(vader, moeder, zus) en in zijn dorp (Hamme uiteraard, voor de
inboorlingen onder andere herkenbaar aan De Pillecyns beschrijving
van het café dat ooit De Koolputten
was of De Kroon waar
nu het Belfius-kantoor
zit, maar ook aan een zin als “deze verachterde fabrieksgemeente
die nog steeds de sporen vertoonde van tientallen jaren deemoedig
analfabetisme”). Terwijl hij daar nog mee bezig is en een job als
medisch vertegenwoordiger heeft aangenomen omdat hij als
‘collaborateur’ zijn studies niet terug mag aanvatten, ontmoet
hij het meisje waarmee hij samen was voor hij naar het oosten trok,
een meisje dat intussen getrouwd is en waarmee hij, ondanks het feit
dat hij de liefde niet meer voelt die hij voorheen voelde, een
geheime relatie begint. En dan komt in het dorp ook nog een ‘collega’
uit het kamp van Lokeren bij hem terecht die op de vlucht is voor de
arm der wet en even moet onderduiken alvorens verder te trekken naar
Antwerpen alwaar hij hoopt aan boord te gaan van een of andere
oceaanstomer. Tussen dat alles door: de gesprekken met zijn
oud-leraar, genoemde ‘meester’, die eveneens aangepakt is na de
oorlog, volkomen gebroodroofd zelfs, die ook als vertegenwoordiger
‘de baan doet’, maar zijn wijsheid niet is kwijtgespeeld. Ik ga
er wat kort door, korter dan Emmanuel Waegemans in zijn inleiding
ook, maar als u het hele verhaal wil, dan leest u dat maar zelf,
inclusief het einde dat door velen kennelijk bezien werd “als een
mislukking, dit einde zou ‘gans het evenwicht van het boek aan het
wankelen brengen’”. “Die ommekeer”, schrijft Waegemans
daarover, “maakte weliswaar geen deel uit van het oorspronkelijke
manuscript, pas later voegde De Pillecyn deze ‘hoopvolle
toekomstblik’ toe, omdat hij het niet over zijn hart kreeg zijn
‘lotgenoten’ uitsluitend met rancune te overstelpen.” Wat
natuurlijk een goede uitleg is, klaarblijkelijk ingegeven door De
Pillecyn zelf, maar van mij niet gehoeven had. Ik vind dat einde
zelfs essentieel. Ja, het boek had kunnen eindigen met de begrafenis
van de ‘meester’, maar aan die begrafenis gaat wel de in de titel
opgenomen boodschap “Aanvaard het leven”
vooraf (een titel die oorspronkelijk Legioensoldaat
Danneels had moeten worden,
trouwens) en ‘aanvaarden’ heeft meerdere betekenissen. Een
daarvan is kennelijk degene waartoe nogal wat mensen die willen
beperken: iets onaangenaams dulden, iets met tegenzin accepteren. Een
andere is echter: beginnen, ondernemen. En wat Danneels doet in het
laatste hoofdstuk is ondernemen: hij gaat terug studeren in plaats
van te blijven zitten in een job die hij niet graag doet, ook als dat
studeren nog niet helemaal officieel toegelaten is, en hij begint aan
een nieuwe liefde, in plaats van zinloos te blijven vasthangen aan de
oude (of zich te laten koppelen aan degene die zijn ouders en het
halve dorp wél zien zitten als zijn toekomstige). Ik zie dat laatste
hoofdstuk dus als essentieel, niet als iets dat wringt. “Hij had er
in zijn dagelijks leven veel ontmoet die zich hadden aangepast”,
klinkt het ergens halverwege het boek nog. “Het was of, na de
onderbreking, zij weer met het oude hadden aangeknoopt. Arbeiders
werkten of gingen stempelen met de massa. Het was alsof op hem de
vloek van de intellectueel woog. Hij kon niet aanknopen met het leven
van vroeger”, en hij besluit dat uiteindelijk ook wijselijk niet te doen.
Nu goed, los daarvan, en zelfs los
van de inhoud, bewijst De Pillecyn met dit boek eens te meer dat hij
prachtig kon schrijven. Wie over iemand die losgelaten wordt uit de
gevangenis het volgende schrijft, heeft een zeer ‘averechtse’
kijk op de wereld: “Het kleine deurtje van de grote poort van de
gevangenis was in de voormiddag gesloten.” Wie een paar pagina’s
later dit schrijft, bewijst dat hij er gezeten heeft: “Zijn hart
klopte in de onzekerheid van zijn gemoed, want hij wist dat die thuis
nooit meer dezelfde zou zijn omdat hij zelf anders was geworden.”
En wie dit schrijft, heeft volkomen gelijk: “Zoals het recht
dienaar is van de macht, zo wordt de moraal aan eigen voor- of afkeur
dienstbaar gemaakt.”
Ik wil u tot slot van deze
bespreking alleen nog een stuk van het gesprek dat Paul voert met de
onderpastoor, die toen het huis van Pauls ouders door het naoorlogse
‘verzet’ geplunderd werd stond te grinniken, meegeven:
“
- En zijt ge ‘t al gewoon thuis, vroeg hij.
- Wel ja, zei Paul, maar ik kan moeilijk wennen aan die nieuwe meubels, ik was met die oude, soliede meubels opgegroeid.
- Het zijn toch schone meubels, meende de onderpastoor, en dure ook, zoudt ge zeggen.
Het was Paul of hij een bittere smaak in de mond kreeg.
- Gij hebt de oude zien kapot slaan, gij moet weten welke van beide de schoonste waren.
De onderpastoor schrok even op.
Ja, dat waren allemaal verdrietige zaken geweest, maar dat was nu, Goddank, voorbij. Het werd tijd dat er meer vrede in de harten kwam. Hij dronk een slokje van zijn porto.
- Het schijnt niet zo verdrietig te zijn geweest, zei Paul, vermits gij er zoveel plezier bij hadt.
- Dat is allemaal fel overdreven, was het antwoord, en ge moogt ook niet alles geloven wat de mensen zeggen.
Het was zeker overdreven, meende Paul, de meubels van de ouders kapot slaan omdat de zoon volgens hen misdaan had.
- Misschien is dat wel bijbels, mijnheer de onderpastoor, maar wat het met rechtvaardigheid, laat staan met christelijke naastenliefde te maken heeft, dat begrijp ik niet. Misschien kunt gij mij dat uitleggen vermits gij aangesteld zijt om van op de predikstoel het ware woord te verkondigen.
De onderpastoor was geen welsprekend man. Hij stotterde een beetje toen hij antwoordde:
- Mijnheer Paul, de tijden waren moeilijk en het was onmogelijk tegen de volkswoede in te gaan en dan gebeuren er dingen die de mensen later betreuren.
- Volkswoede, viel Paul uit, de jonge snaken die gij maanden lang de rol geleerd hebt die zij moesten spelen, en die gij toegejuicht hebt toen zij hun handwerk verrichten. Waarom zoudt gij de betreurenswaardige dingen, zoals gij dat noemt, belet hebben vermits gij ze zelf hebt voorbereid.
- Abuus, abuus, riep de onderpastoor uit, de geestelijkheid mocht haar gezag niet riskeren om op te treden in zo’n moeilijke tijden.
- Als een priester maar priester is als het gemakkelijk gaat, waarom predikt gij dan over de belijders en de martelaars. Het is in moeilijke omstandigheden dat gij moet tonen dat gij priester zijt. Ik vraag aan u geen martelaarschap, maar rechtvaardigheid en naastenliefde. En ik vraag mij af wat priesterlijks er in u was als gij de gemeente rondliept en uw hart ging ophalen overal waar er geslagen, geplunderd en verwoest werd. Gij zegt nu: ‘Dat is allemaal voorbij,’ maar bij God, het is niet voorbij. Of meent gij dat gij dat alles kunt wegmoffelen in de mouw van uw soutane?”
Een stuk waarin De Pillecyn één van de frustraties meegaf van de Vlaamse Beweging na de repressie. Frustraties die hij ook voor de rest één voor één de revue laat passeren in dit boek. Frustraties waar hij desalniettemin een prachtig boek van wist te maken. Dat De Pillecyn desondanks of juist daarom voor zovele lezers een volslagen onbekende is en blijft, is daarom des te frustrerender.
Björn Roose