dinsdag 21 april 2026

Het veulen Wanfried – Jaak Stervelynck (boekbespreking door Björn Roose)

Het veulen Wanfried – Jaak Stervelynck (boekbespreking door Björn Roose)
Even dacht ik met Het veulen Wanfried het kortverhaal teruggevonden te hebben waarnaar ik al verwees in mijn besprekingen van Russische verhalen van deze tijd (meer bepaald dat van Michaïl Sjolochov daarin, Het veulen) en Hondehart van Michail Boelgakov, maar zulks bleek niet het geval. Evenmin had ik het – wat zou gekund hebben omdat ik het óók al meenam in mijn valies toen ik op reis ging naar Bretagne – al gelezen en eerder besproken, zoals het geval was met Dood in Arles van Axel Bouts en GIPSY van Paul Brondeel. Dat de titel me toch bekender voorkwam dan die van het gemiddelde kortverhaal in mijn boekenkasten, zal dus wellicht gelegen hebben aan het feit dat ik die al noemde in mijn bespreking van De harlekijn op de ruit, een ander, eveneens bij De Clauwaert vzw verschenen, kortverhaal van auteur Jaak Stervelynck, een kortverhaal waar ik werkelijk geen bal aan vond. Ook Het veulen Wanfried was dus in zekere zin, zoals Dood in Arles en Gipsy, een ‘herkansing’. Een geslaagde herkansing in dit geval. Want hoewel Het veulen Wanfried, typisch voor het werk dat bij deze uitgeverij verscheen, een zogenaamde tranche-de-vie is, is het geen melodramatische, of voelt ze toch niet zo aan, en getuigt ze van enige originaliteit.

“Dit is het verhaal van een merrie en van een veulen”, luidt het op de achterflap. “Maar ook van de rijke eigenares ervan, een kinderloze weduwe, die terwille van haar paarden heel wat verzaakt: een huwelijkskans, de opvolging in de zaak van haar vader. Het is vooral het verhaal van een grote eenzaamheid, die slechts om de week onderbroken wordt door een bridgenamiddag met vriendinnen. De kommentaren van die vriendinnen begeleiden het gebeuren, enigszins zoals de koren het deden in de oude Griekse tragediën.” Een lichtelijk, zeg maar sterk, overtrokken samenvatting van het verhaal waarvan ik graag het volgende maak: de “kinderloze weduwe” heeft haar leven voor een groot deel laten leven, of minstens laten beheersen, door haar man (over wie we verder zo goed als niks vernemen), haar vader, haar vriendinnen, maar slaagt erin, geconfronteerd met de kans weer een man te vinden (hij vindt haar eigenlijk), tot het besef te komen dat die “grote eenzaamheid” ook een deugd kan zijn. Dat je eigen koers varen dan wel tot enig verlies leidt, maar ook tot winst. Een gegeven dat niet – zo lomp is Stervelynck niet geweest – rechtstreeks verbonden wordt met de evolutie van het veulen, en daar in de zin dat er bij het veulen geen vrijwilligheid bij te pas komt ook niet rechtstreeks mee verbonden kan worden, maar in die evolutie toch duidelijk zijn parallel vindt: het beestje is oorspronkelijk nauwelijks levensvatbaar, moet voortdurend verzorgd worden door “de rijke eigenares”, wil vervolgens (zoals alle veulens, neem ik aan) vooral niet gescheiden worden van de merrie, wordt zelfs niet onafhankelijk als het op een zekere, schijnbaar nog overbrugbare, afstand van haar gezet wordt, maar leert toch op eigen benen staan als die afstand onoverbrugbaar wordt, als het ertoe gedwongen wordt met zijn “grote eenzaamheid” om te leren gaan. Waarbij “de rijke eigenares” dus tijdelijk in de rol zit van haar overleden man, haar vader, haar vriendinnen, enzovoort, maar van die rol net gebruik maakt om de onafhankelijkheid van dat wat van haar afhankelijk is te bewerkstelligen.

Of dat doet denken aan “de oude Griekse tragediën” weet ik niet, ik ben daar niet echt in thuis, maar Stervelynck heeft het wel mooi gebracht, zonder dat er evenwel veel het citeren waard is. Een slim in mekaar gestoken verhaal waarvan de ‘moraal’ je eigenlijk pas helemaal duidelijk wordt een keer je er weer wat afstand van genomen hebt, maar qua taal nauwelijks een verwezenlijking te noemen. Op een pareltje, een toevalligheid misschien, als dit na: “Hij grinnikte en staarde haar aan met een blik, die ondeugend wilde zijn. Hij was bepaald grof.” Bondig, maar net in zijn bondigheid nog krachtiger dan als Stervelynck er meer woorden zou aan vuil gemaakt hebben. Veel krachtiger dan bijvoorbeeld volgende passage: “Hij kuchte en schraapte de keel. Bescheiden geluiden, die haar door merg en been gingen. Nu zou het komen, nu zou ze de woorden horen, die haar leven overhoop moesten gooien. Haar hart ging hevig aan het bonzen. Plots keek ze onwillekeurig naar hem. Haar blik kruiste de zijne. Zijn ogen lachten, zijn mond vertrok in een grijns, een korte schater deed Wanfried opschrikken. ‘Ik stel me voor,’ zei hij met slepende stem, en onderwijl drukte zijn elleboog harder tegen de hare, ‘ik stel me voor dat jij elke avond naar dit paardejong staat te kijken, terwijl het eet. Vind je het niet een beetje belachelijk?’ Ze antwoordde niet. Ze had het gevoel dat er ineens iets stuk viel. Woede stak op, woede tegen zichzelf. Ze was onvergeeflijk naïef geweest.” Het veulen Wanfried kon dus nog korter en daarmee sterker geweest zijn, maar desalniettemin is het, ook omdat het met zijn vierenvijftig bladzijden sowieso niet te breed uitgemeten is, een blijvertje in mijn boekenkast.

Björn Roose

vrijdag 17 april 2026

Mensen in de oorlog – Andreas Latzko (boekbespreking door Björn Roose)

Mensen in de oorlog – Andreas Latzko (boekbespreking door Björn Roose)
Enigszins tot mijn verbazing vond ik op Wikipedia bijna méér informatie over de auteur van voorliggend Mensen in de oorlog, Andreas Latzko, dan in het Nawoord van vertaler Marcel Misset bij deze in 2025 bij Uitgeverij Jurgen Maas verschenen Nederlandstalige versie van het in 1917 voor het eerst in het Duits uitgegeven Menschen im Krieg. Minder verbazingwekkend was dan helaas weer dat het Wikipedia-artikel niet up-to-date was en dat ik bij het lezen ervan al meteen geconfronteerd werd met iets wat datzelfde Nawoord tegensprak. Niet up-to-date, want dit boek wordt niet vermeld in de Selectie van zijn werk; in tegenspraak met het Nawoord omdat de schrijvelaars van Wikipedia beweren dat “in 1915 (…) de overtuigde pacifist [Latzko] vrijwillig naar het front [ging] om met autoriteit tegen de oorlog te kunnen schrijven.” Terwijl Misset schrijft: “Latzko was geen pacifist. Hij had zijn dienstplicht vervuld, een opleiding tot reserveofficier gevolgd maar zich met doktersbriefjes aan vervelende herhalingsoefeningen weten te onttrekken en hij had een grondige afkeer van alle oorlogsretoriek en nationalisme”. Een parcours waaruit geen pacifistische instelling blijkt, een afkeer die er niet mee gelijk te stellen valt. En een gang naar het front die niet gemotiveerd werd door het idee dan “met autoriteit tegen de oorlog te kunnen schrijven”, maar gerechtigd te zijn er over te schrijven tout court: “Wanneer ik als onbruikbaar zou worden afgewezen, zou ik tot zwijgen gedoemd zijn; ook wanneer de macht van de oorlogscensuur reeds lang zou zijn gebroken, verloor ik voor mijn hele leven het recht, ooit tegen de oorlog te kunnen getuigen (…) Oorlogstegenstander uit angst? – Dat zou voldoende zijn, om mijn stem in een hoongelach te doen verstikken. (…) Voor dit visioen van ongeneeslijke morele verlamming verstomde iedere bedenking tegen het ingrijpen in het eigen noodlot. Vlug verklaarde ik de reeds half afgewende militaire arts, dat ik mij krachtig genoeg voelde voor de wapendienst.”

Krachtig genoeg ook om die “wapendienst” te overleven, maar – zoals de meeste van zijn ‘wapenbroeders’ en ‘tegenstanders’ aan het Oostenrijks-Italiaanse front – niet met zoveel geluk toegerust dat hij er niks aan overhield: “Precies veertien maanden later rest van hem een wrak in een rolstoel. Hij weegt nog maar negenendertig kilo; van puur afgrijzen kan hij al maanden geen hap voedsel meer binnenhouden. (…) ‘Uit noodweer waarschijnlijk, zonder een ogenblik te geloven dat de gloeiende lava zich tot zinnen zal vormen, neem ik een schrijfblok en een potlood in bed, mij door mijn innerlijke pijn plotseling herinnerend dat het eenmaal mijn zelfgekozen levenstaak was, lezers te werven voor mijn gedachten.’ (…) hij schrijft om de waanzin van de oorlog een halt toe te roepen. Op 3 juli 1917 verschijnt, nog steeds anoniem [één van de delen was ook al anoniem verschenen in een Duits tijdschrift dat noodgedwongen in Zwitserland werd uitgegeven, noot van mij], Menschen im Krieg.”

Het verscheen en… het sloeg in als een bom. “Mensen in de oorlog werd een groot internationaal succes. Met de grootst mogelijke moeite weet Latzko aan vervolging door het leger te ontkomen; uiteindelijk zal hij, schuw en blijvend gebroken, in de anonimiteit verdwijnen. Via zijn vriend Nico van Suchtelen, de directeur van Uitgeverij Wereldbibliotheek, belandde hij na vele omzwervingen in Nederland, zijn latere werk zou alleen nog in Nederlandse vertaling verschijnen.” Zijn latere én het voorliggende werk overigens, want Menschen im Krieg werd in 1918 al bij genoemde Wereldbibliotheek uitgegeven onder de titel Menschen in den oorlog. Wat niet belette dat de auteur na zijn overlijden in 1943 grotendeels vergeten raakte. “Al decennia is Andreas Latzko weer even onzichtbaar als hij was toen Stefan Zweig een stukgelezen exemplaar van Menschen im Krieg in handen kreeg”, schrijft de vertaler verwijzend naar het ook in deze nieuwe uitgave opgenomen Voorwoord van Zweig (al verscheen dat Voorwoord, aldus de voetnoot erbij, “oorspronkelijk in de Franse vertaling van Latzko’s novelle Der letzte Mann in 1920”). Wat kan kloppen als de Selectie van zijn werk van Wikipedia voor de rest enigszins strookt met de feiten: in 1946 verscheen postuum nog De achterhoede, waarin datzelfde voorwoord gebruikt werd (Zweig kon er geen nieuw meer schrijven, want hij had in 1942 zelfmoord gepleegd), in 1950 Levensreis (waarvan de Duitse versie uiteindelijk in 2017 onder de titel Lebensfahrt uitgegeven werd), en daarna niks meer.

Eeuwig zonde, voornamelijk wat betreft het klaarblijkelijk ook niet meer verschijnen van herdrukken van Mens(ch)en in de(n) oorlog. Want dit is een ongelooflijk aangrijpend boek. Ongelooflijk aangrijpend omdat wat de auteur er in verkondigt, wat hij er in uitbeeldt, niets aan werkelijkheid heeft ingeboet. Ja, Mensen in de oorlog gaat over de Eerste Wereldoorlog, over een front dat we in de Lage Landen niet echt kennen bovendien (ik wist bijvoorbeeld wel dat de Italianen ook betrokken waren bij de slachtpartij, maar had er nooit aan gedacht dat ze bijgevolg tegenover de Oostenrijkers moesten hebben gestaan en dat dat mogelijk óók in een loopgravenoorlog zoals die in Vlaanderen en Noord-Frankrijk geweest was), maar eigenlijk gaat het over élk front, élke oorlog, elk ‘spel’ waarbij mannen in uniform en politici pionnen over een kaart schuiven, pionnen die in hun menselijke vorm aan flarden worden geschoten zonder dat zij zelfs maar een kans maken te delen in de winsten die die mannen in uniform en politici tijdens en na dat spel oprapen. “Wie Latzko’s klassieker heden ten dage (her)leest”, schrijft Misset, “ontkomt niet aan de conclusie dat zijn aanklacht tegen de oorlog tevergeefs is gebleven, en dat Europa inmiddels weer één grote kazerne lijkt. Er woedt een oorlog aan zijn grenzen, maar in een vreedzame oplossing – hoe ver weg ook, lijkt hier niemand geïnteresseerd. Pacifisten, zelfs mensen die menen dat ‘een nadelige vrede beter is dan de meest rechtvaardige oorlog’ [een uitspraak van de toch niet dwaze Erasmus, noot van mij], worden in het ooit ‘neutrale’ Nederland [en evengoed in belgië, noot van mij] nog altijd beschouwd als idioten, die alleen de vijand in de kaart spelen.”

Wie, zoals ik, en met de jaren meer overtuigd - daar waar ik vroeger minstens geen grote problemen had met oorlogen die anderen elders voerden - inderdaad de kant tegenóver de oorlog gekozen heeft, wie zich niet laat meeslepen in de onnozele spelletjes van ‘Zij zijn begonnen’ en ‘Wij willen vrede, maar ze moeten ons die geven onder onze voorwaarden’, weet dat dat waar is. We zijn allemaal uitgemaakt voor, en ik grabbel maar even in de ton, ‘Poetinpijpers’, ‘roebelhoeren’, ‘landverraders’, en tutti quanti, door - vooral - mensen die net zomin als wij belang hebben bij oorlog, maar wel ‘denken’ dat ze dat hebben. We zijn bij het groot vuil gezet als ‘extreem-rechts’, ‘smerige communist’, of ‘Russische spion’ door mensen die effectief, politiek of economisch belang hebben bij oorlog, of – weerom – ‘denken’ dat te hebben. We zijn weg gesist door mensen die, zoals velen van ons, een stuk meegegaan zijn in de retoriek en nu niet meer weten hoe ze zonder gezichtsverlies op hun stappen kunnen terugkeren. En we hebben en masse geleerd dan maar onze grote bek te houden in het openbaar omdat we in zo’n behandeling geen zin hadden. Laat die ‘we’ waaronder ik in dit geval mezelf reken dit boek zeker lezen en laat de rest dat niet doen, dat geeft niet. Er komt nooit een dag waarop datgene uitkomt wat Latzko op de eerste bladzijde schreef, “Ik weet zeker dat eens de tijd zal komen, waarin iedereen net zo denkt als ik”, maar elke man (en in voorkomend geval vrouw) die zich niet laten reduceren tot “mensenmateriaal”, zich niet tot “mensenworst” laat vermalen voor “het Vaderland” (“Die dachten zeker dat voor een boerentrien een man met één oog en een halve neus nog goed genoeg zou zijn? Vaderland?… Zou ze dan met het vaderland aan de arm naar het altaar schrijden? Kon ze met het vaderland goede sier maken, als andere vrouwen haar vol medelijden zouden nakijken? Reed het vaderland soms met wapperende linten op de hoed door het dorp?”), voor “de vrijheid”, voor “de Europese waarden”, is er een gewonnen. Een die dan misschien niet in een hedendaagse versie van De afmars, tevens de titel van het eerste hoofdstuk, terechtkomt: “Dag en nacht floten locomotieven, rolden zwaarbeladen treinen met zingende, opgetuigde soldaten, met hoog opgestapelde hooibalen, loeiend slachtvee, zorgvuldig vergrendelde, sinistere munitiewagons richting front; andere kropen langzaam huiswaarts, gemarkeerd met een bloedig kruis dat de oorlog over de wanden en de inzittenden had geworpen.” “Je vertrekt, en dat ze je laten vertrekken, dat is verschrikkelijk!” “Dat vrouwen wreed zijn, dat was de verrassing! Dat ze kunnen glimlachen, rozen kunnen gooien, dat ze hun mannen afstaan, hun kinderen, hun jongens die ze duizend keer naar bed hebben gebracht, duizend keer hebben ingestopt, geaaid, die ze zelf hebben gedragen, dat was de verrassing! Dat ze ons hebben afgestaan – dat ze ons hebben uitgeleverd, weggestuurd! Omdat iedereen zich schaamde daar zonder helden te staan, dat was de grote teleurstelling, mijn beste! Of denk je dat wij waren gegaan als ze ons niet hadden gestuurd? Denk je dat echt? Vraag dan eens aan de domste boerenknecht aan het front waarom hij zo graag een medaille wil, voor hij op verlof gaat. Omdat zijn meisje dan meer van hem houdt, omdat de meiden dan in trossen achter hem aan lopen, omdat hij met zijn medaille de wijven voor ieders neus kan wegkapen. Daarom, alleen maar daarom. De vrouwen hebben ons gestuurd! Geen generaal had iets kunnen beginnen als de vrouwen ons niet in die treinen hadden laten proppen, als ze hadden geschreeuwd dat ze ons geen blik meer waardig zouden gunnen als we moordenaars werden. Niemand was vertrokken als ze hadden gezworen dat geen van hen nog het bed zou delen met een man die schedels had gespleten, mensen had neergeschoten, mensen had neergestoken.”

Onder bevel van een kapitein Marschner misschien, een man die zich al vóór hij aan het front komt afvraagt wat hij die “eerbiedwaardige gezinshoofden die nog maar een paar uur in het veld stonden en nu pas hun vuurdoop zouden beleven, die voor het eerst kruit zouden ruiken” aandoet, of onder dat van een luitenant Weixler, “die aan niets anders dacht dan aan het Kruis van Verdienste dat hij zo snel mogelijk wilde verdienen, (…) zo’n twintigjarige ijzervreter, voor wie de wereld alleen om zijn eigen uiterst gewichtige persoon draaide en die nog geen tijd had gehad om het leven te leren waarderen”. In ieder geval op weg om even grote sukkels naar het leven te staan: “Wat restte die simpele mannen nog, die metselaars, monteurs en landarbeiders die zonder enig dieper inzicht over hun werkdag gebogen hadden geleefd, als de hoge heren, de knappe koppen en de kapitein met die drie gouden sterren op zijn kraag hun verzekerden dat het hun plicht en uiterst eervol was om Italiaanse metselaars, monteurs en landarbeiders overhoop te schieten?” En dat alles op een slagveld, “troosteloos grijs. Geen boom, geen vlekje groen. Een steenwoestijn, verpulverd, uitgeput, omgewoeld, zonder een enkel teken van leven. De loopgraven, die vanuit de diepte van het dal omhoog slingerden naar de heuvelrand, waaruit het prikkeldraad klauwde, zagen eruit als vingers die zich spanden om iets te grijpen, boorden zich diep in de gewurgde bodem (…) Al dat leven ging ten onder, als neergebulderd door het geschut, het huilen en knallen, als de polsslag van een onvoorstelbaar hoge koorts, hamerend daar beneden, in het dal. De ene na de andere granaattrechter gaapte daar, dikke, zwarte zuilen aarde spoten her en der op, onttrokken even een deel van de tot as verbrande woestenij, waarin versplinterde boomstronken honend oprezen, als een uitdaging aan de machteloze fantasie: om in dit dodenlandschap vol puin het landschap te herkennen dat er was geweest voor de waanzin erlangs had gestreken en het met puin bezaaid had achtergelaten, als een dansvloer waarop twee werelden om een meisje hadden gevochten. En in die hel moest hij afdalen! Daar beneden leven, vijf dagen en vijf nachten lang, met een groepje verdoemden dat daar werd uitgespuugd, levend aan de haak van een hengel werd gespietst, als aas voor de vijand!”

Aas uitgeworpen door wie zelf niet zal riskeren aas te worden: “Wat was het voor waanzin, hier wegduiken en met een stompzinnig geduld de dood af te wachten – tussen vuilnis en bloed, als een beest op de naakte aarde te verrekken, terwijl anderen vrolijk, schoon, opgedirkt in hel verlichte zalen zaten, zich een muziekje lieten voorspelen, in hun zachte bedden kropen zonder angst, zonder gevaar, beschermd door een wereld die verontwaardigd over iedereen heen zou vallen die hen maar een haartje probeerde te krenken?” “De oorlog droeg in deze kringen de vermomming van de goedheiligman, met een zak vol gulle gaven op de rug en in de hand een aanbeveling voor een glansrijke carrière. Weliswaar droegen enkele heren een rouwband om de arm, voor een broer of zwager die als troepenofficier het andere, dood en verderf zaaiende gorgonengezicht van de oorlog had aanschouwd, maar dat gezicht bevond zich op zo’n grote afstand – hemelsbreed meer dan zestig kilometer – dat een enkel uitstapje die kant op een opwindend uitstapje was, een spannend avontuurtje. Binnen een uur snelde de auto weer terug naar veiliger oorden, naar een warm bad, en liep men weer op halfhoge laarzen over geasfalteerde straten.” “Niet alleen ‘tafeltje-dek-je’ was hier realiteit, was hier tastbare werkelijkheid geworden. De wonderen waren nog niet uitgeput nadat negenentwintig dagen lang alle voorraadkasten waren gevuld. Op de dertigste dag verscheen ook nog de ezel, die zich strekte en rijkdom bracht, en in plaats van vervelende rekeningen fladderden er bankbiljetten door het huis. In plaats van onmin, ruzie en gierigheid lijdzaam te ondergaan propte men verveeld zijn zakken vol met bankbiljetten, die toch overbodig waren in het luilekkerland dat de oorlog voor zijn vazallen had ontsloten.”

Een oorlog waarvan zijn vazallen bijgevolg hopen dat ie zal blíjven duren: “‘Wanneer denkt Uwe Excellentie dat wij op vrede mogen hopen?’ ‘Hopen?’ Dat was toch niet te geloven? Dat een mens, die vast wel iets beters te doen had, met zijn beroep – anders had hij nooit een aanbevelingsbrief van het hoofdkwartier meegekregen – met een dergelijk onbenul over militaire gevoeligheden sprak? Op vrede hopen? Wat had een veldheer voor goeds van de vrede te verwachten? Begreep zo’n burger dan niet dat een commanderende generaal alleen in de oorlog echt commandeerde en werkelijk generaal was, en in vredestijd hooguit een of andere strenge onderwijzer met goudgalon op zijn kraag; een leeghoofd die uit verveling zo nu en dan de longen uit zijn lijf brult? En naar die stomvervelende tredmolen moest hij terugverlangen? Moest hij, omwille van die geachte burger, ‘hopen’ op een tijd waarin de glorieuze leider van het ...ste leger alleen nog inspecties uitvoerde, moest hij als Jan en alleman uitzien naar het voeren van een uitzichtloze strijd tussen een te krappe wedde en een stralend opgepoetste levensstijl, waarin geldgebrek toch weer van maand tot maand zou zegevieren?”

Een militairenhoop voor de uitvoering waarvan ook in onze dagen de politici nog niet kunnen nalaten alle logica te laten vallen – de gelijkenis is sinds de opeenvolging van de zogenaamde corona-pandemie en het conflict in Oekraïne zelfs zéér opvallend: “‘Front’ – ‘vijand’ – ‘heldendood’ – ‘overwinning’ – met hun tong uit hun bek en met rollende ogen jagen die bloedhonden door de wereld. Miljoenen die uit voorzorg zijn ingeënt tegen tyfus, pokken en cholera worden tot razernij opgehitst! Miljoenen worden in treinen geperst – zowel hier als daar – rijden elkaar zingend tegemoet – en hakken, steken, schieten op elkaar in, blazen elkaar op en geven hun vlees en hun botten voor de bloederige brij waarvan vredeskoek wordt gebakken voor de gelukkigen, die hun kalfs- en runderhuid met honderd procent winst offeren voor het vaderland in plaats van hun eigen huid zelf op de markt aan te bieden voor vijftien cent per dag!” “De arme mensen moeten hun gezonde lijf en leden geven, zodat de vijand niets van de overvloed van de rijken afneemt!” Een opoffering waarvan ook ná de oorlog geen ‘return on investment’ te verwachten valt: “Dan mag u, voor zover u nog niet wegrot in de aarde of als bedelaar van deur tot deur strompelt, weer naar huis, naar uw half verhongerde gezin, en mag u – nee: moet u! – weer met verdubbelde ijver aan het werk, onvermoeibaarder en machtelozer dan ooit, om de schoenen die u in honderd dodenmarsen hebt versleten, de kleren die aan uw lijf beschimmelden met zweet en ontbering te kunnen betalen!” Wat toch een groot verschil is met ouderwetse oorlogen, het soort oorlogen zoals we die kenden vóór de twintigste eeuw: “Waren ‘oorlog’ en ‘buit’ niet ooit onverbrekelijk met elkaar verbonden? Werd de lansknecht niet gedreven door hoop op een teugelloos leven – hoop op vrouwen, dukaten en hengsten met leidsels van goud? Mag dit buigen voor een ijzeren tucht, dit bukken, dit passieve alles-of-nietsspel met monsters die vanuit de blauwe verten hun helse heksenketels over elkaar uitstorten – mag dat nog wel ‘oorlog’ heten? Oorlog was de gewelddadige botsing van overvloedige krachten – woestelingen aller landen, jeugd, voor wie het stadje te klein, het wambuis te nauw werd, trokken eropuit, beneveld door hun eigen spierkracht. En nu zou datzelfde woord ervoor moeten opdraaien dat mannen, die allang zijn verankerd aan huis en haard, worden losgescheurd, met de zweep naar het front worden gejaagd en uitgeleverd aan de vijand, om in machteloze gelatenheid, weerloos, als figuranten op te treden in deze krachtmeting tussen munitieconglomeraten?”

Een krachtmeting waarin hun lijden ook nog eens – en zelfs op dát vlak is er niks veranderd – volkomen genegeerd wordt door de pers: “Vriendelijke heren waren het, in hun sprookjesachtig elegante rijbroeken, met reispetten als uit een Sherlock Holmes-film! Ze waren bereid brieven mee te nemen, groeten over te brengen, vonden het geweldig bij mij, lachten uit volle borst om mijn matras van wilgentenen – en waren nog eens dubbel zo dankbaar toen de kar klaarstond vóór het dagelijkse bombardement van de Italianen zou beginnen. Bij het verlaten van het bos moesten ze toch nog een keer langs de man die met zijn afschuwelijk verwrongen gezicht roerloos in het gras lag. Maar ze zagen hem weer niet! Als op commando wendden ze hun hoofden af en bekeken ze de verwoestingen die een luchtaanval een dag eerder had aangericht, opgewonden gebarend, alsof ze alweer tussen de spiegels aan de wanden van een koffiehuis zaten.” “Niemand protesteert! Niemand ziet in donkere hoeken de geschonden, verminkte, opgedregde mensen liggen met opengescheurde lijven of met een blauw oplichtende wang. Ze lopen onder mijn raam door, druk gebarend, opgewonden: omdat de krijgshaftige taal dagelijks vers geslagen uit de Munt komt, iedereen zich geborgen en door instemming beneveld voelt als hij ze rondbazuint. Ik weet dat ze zwijgen, al zeggen ze dat ze zouden willen schreeuwen, brullen; dat ze jacht maken op ‘drossers’, maar geen scheldwoord hebben voor de duizendmaal ergere lafbekken die de totale zinloosheid van het uitmoorden van miljoenen helder beseffen maar toch hun mond niet opendoen. Dat ze jacht maken op mensen die zich proberen te drukken, maar geen scheldwoord hebben voor de duizend keer ergere lafaards die, niet bedwelmd door alle leuzen, de zinloosheid van dit uitmoorden van miljoenen duidelijk inzien en beseffen, maar toch hun mond niet opendoen, uit angst door de onnadenkenden te worden berispt.” Die “onnadenkenden” die ‘His masters voice’ verkondigen en misschien niet eens tot wat anders in staat zijn: “Maar de eerste luitenant Kadar hoorde hem niet. Voelde ook de zware hand niet die op zijn knieën lag, want tegenover hem zat nog steeds de cadet Meltzar, met op zijn nek zijn platte, zwarte ronde kop, waarin de Rákóczi-mars spiraalvormig was gegraveerd. Plotseling was het de eerste luitenant zonneklaar dat hij die arme Meltzar groot onrecht had aangedaan, zes maanden lang! Wat kon die arme duivel doen aan zijn domheid, aan die zouteloze patriottistische kletspraatjes van hem? Hoe had hij met een grammofoonplaat als hoofd helder kunnen nadenken? (…) Met die platte, ronde schijf die ze hem hadden opgezet kon hij natuurlijk nooit begrijpen dat de Italiaanse soldaten die gehavend en bebloed langs de batterij defileerden, natuurlijk ook veel liever thuis waren gebleven, als een aanplakbiljet op de straathoek ze niet had gedwongen om alles uit hun handen te laten vallen (…)”.

Beter is het het niet zo ver te laten komen, de oorlogshitsers te stoppen voor ‘het volk’ zijn hoofd vol marsmuziek heeft en even later vol shrapnel, als het tenminste nog een hoofd heeft. Maar áls ‘het volk’ al iets doorkrijgt, dan is dat pas ná de feiten, zoals Johann Bogdán in het laatste hoofdstuk, De thuiskomst. Wees niet zoals Johann Bogdán, laat je hoofd niet vervangen door een grammofoonplaat, kijk niet weg, laat je niet verblinden door de holle praatjes van politici en militairen, mensen horen niet in de oorlog. Maar dit boek hoort u wel gelezen te hebben.

Björn Roose

maandag 13 april 2026

Cosmetica van de vijand – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)

Cosmetica van de vijand – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)
Amélie Nothomb houdt er al sinds haar eerste boek, Hygiène de l’assassin (1992), in het Nederlands vertaald als Hygiëne van de moordenaar (1995), een dusdanig verschroeiend tempo op na wat haar publicaties betreft, dat het voor iemand als ik, die de meeste van zijn boeken tweedehands koopt, quasi onmogelijk wordt álles, of zelfs maar het meeste, van de auteur in huis te hebben. Als u weet dat ik, voorliggend Cosmetica van de vijand inbegrepen, op dit moment zeventien boeken van haar in mijn kast heb staan, maar dat ze er sinds 1992 ook ieder jaar minstens één gepubliceerd heeft, dan weet u ook dat ik best nog wat van Nothombs werk te verzamelen heb (en naar alle waarschijnlijkheid nog even te verzamelen zál hebben).

Desalniettemin, en dat gezegd zijnde, ben ik bij deze toch al aan mijn zevende bespreking van een van haar werken toe: De hongerheldin, Zwavelzuur, Met angst en beven, Peplos, De spiegel van Mercurius, en Antichrista gingen Cosmetica van de vijand vooraf. En weerom kan ik alleen maar vaststellen dat Nothomb er telkens weer in slaagt met iets ánders uit de hoek te komen. Geen herkauwen van wat ze eerder heeft gedaan, geen doorslagjes, geen variaties op een thema, maar telkens iets nieuws, iets origineels, iets waarvan je het spijtig vindt dat het uit is. Wat ook met dit een kleine honderd bladzijden tellende Cosmetica van de vijand weer veel te snel gebeurd was. De clou van het verhaal geef ik u natuurlijk niet mee, maar gezien u de achterflap toch zou lezen bij aankoop van het boek, krijgt u dié wel van me: “De zenuwen van zakenman Jérôme Angust waren al tot het uiterste gespannen toen hij in de vertrekhal van de luchthaven geconfronteerd werd met een aanzienlijke vertraging van zijn vliegtuig. Tot overmaat van ramp klampt een buitengewoon opdringerige medereiziger zich aan hem vast. Geen enkel argument van Jérôme, geen enkele woedeaanval of bedreiging kunnen de ongewenste indringer ervan afbrengen zijn levensverhaal tot in het kleinste detail uit de doeken te doen aan onze vermoeide protagonist. Dit walgelijke levensverhaal, dat begint met een onwaarschijnlijke verkrachting op een kerkhof en dat eindigt met een moord, wordt met een satanisch genoegen en een grote welsprekendheid verteld als was het een benijdenswaardig avontuur. Later blijkt dat het slachtoffer van de duivelse moord niemand minder was dan de teerbeminde echtgenote van Jérôme. Dan neemt de roman een verrassende wending. De vertelling van Textor Texel [“een heel gewoon patroniem, dat mijn Nederlandse origine verraadt”, aldus de eigenaar van de familienaam, noot van mij], zo heet de kwelgeest, fungeert als een eindeloze spiegel waarin het leven van Jérôme weerkaatst wordt, totdat de hallucinante waarheid tot hem doordringt en hij beseft dat zijn leven gevaar loopt. Een moderne parabel over waarheid en leugen, hypocrisie en geweten.”

Een uitleg die u met een korrel zout moet nemen, die af en toe wat kort door de bocht gaat (onder andere wat het begin van het levensverhaal van Textor Texel betreft), maar die nog net niet over het randje zit van té veel vertellen. Iets wat ik óók niet doe als ik u nog meegeef welke uitleg genoemde Texel geeft aan de in de titel genoemde cosmetica: “(…) de wetenschap van de universele orde, de hoogste moraal die de wereld regeert”. Iets wat niet de hele titel verklaart, maar als ik de hele titel zou verklaren, dan zou dat ook betekenen dat ik de clou van het verhaal (waarmee Texel overigens pas twintig bladzijden voor het einde op de proppen komt) weggaf, en dat is uiteraard niet de bedoeling.

De clou weggeven is iets wat al evenmin gebeurt als ik u zeg dat Nothomb zich bediend heeft van wat dichterlijke vrijheid als ze de ‘kwelgeest’ laat zeggen dat Textor “een van de vele voornamen van Goethe was”. Textor was namelijk de familienaam van diens moeder, Catharina Elisabeth Textor. Een detail zoals één moord dat wordt als je er honderden gepleegd hebt: “Alleen de eerste dode telt. Dat is de moeilijkheid met de schuldgevoelens van een moordenaar: het kan niet meer erger worden. Aan de moord op honderd mensen wordt even zwaar getild als aan de moord op één enkele. Dus als je er één hebt vermoord, kun je er evengoed meteen honderd ombrengen”. Wat dan weer een variant is op de vaak aan Stalin toegeschreven uitspraak (dit is dus geen citaat, voor wie dat zou willen gaan opzoeken, nog los van het feit dat ik me niet bedien van artificial intelligence voor het schrijven van mijn boekbesprekingen) dat “de dood van één man (…) een tragedie [is], de dood van een miljoen (…) een statistiek”.

Een theorie als een ander, zou ik zeggen, bijvoorbeeld als het jansenisme (of ‘jansénisme’, zoals de beweging in het Frans heette, zelfs al werd ze dan genoemd naar de Leuvense bisschop Cornelius Jansen), iets waar Texel regelmatig op terugkomt, zonder er evenwel grote theologische redeneringen aan op te hangen (net zomin als hij dat doet als hij, bijvoorbeeld, Max Stirner en diens De enige en zijn eigendom noemt). Ik zal dat dus óók niet doen, grote theologische redeneringen verkopen, maar weten dat de jansenisten van oordeel waren dat hun tegenstanders, de jezuïeten, veel te veel belang hechtten aan de menselijke vrijheid, terwijl ze zelf van oordeel waren dat de mens na de verdrijving uit de tuin van Eden geen invloed meer kon uitoefenen op zijn eigen verlossing, kan in het kader van dit verhaal nuttig zijn. Onder andere om het standpunt van Texel over een aantal van de fenomenen in zijn leven te begrijpen. “U wordt verteerd door schuldgevoelens omdat u het voer van de katten opeet, maar over een verkrachting hebt u in het geheel geen berouw?”, vraagt Jérôme hem op zeker moment, waarop Texel antwoordt: “Die verkrachting vond ik namelijk lekker, iets wat ik van het kattenvoer niet kon zeggen.”

Een uitspraak die zelfs als er niet ergens een theologische uitleg voor zou zijn (en er is, voor wie maar ver genoeg zoekt, voor zo ongeveer álles wel een theologische uitleg te vinden) natuurlijk nog steeds gewoon grappig is. Zoals volgende passage, deel van een stuk waarin Texel vertelt over al de jaren dat hij na de verkrachting op het kerkhof zijn toenmalige slachtoffer probeerde terug te vinden: “‘Tien jaar geleden, dat wil zeggen tien jaar na de verkrachting, liep ik in het tiende arrondissement van een overheerlijke hotdog te genieten. En wat zag mijn oog, op de boulevard de Ménilmontant? Mijn slachtoffer! Zij was het, zonder enige twijfel. Ik zou haar uit vier miljard anderen hebben herkend. Seksueel geweld schept nu eenmaal een band. In die tien jaar was ze alleen maar mooier, slanker en aangrijpender geworden. Ik ging haar achterna. Kunt u geloven hoe erg het is als je net een warme worst die druipt van de mosterd aan het verschalken bent, wanneer je na een tien jaar durende tocht door de woestijn de vrouw van je leven terugziet? Ik verslikte me voortdurend onder het lopen.’ ‘U had uw snack weg moeten gooien.’ ‘Bent u niet wijs? Ik kan wel merken dat u de hotdogs van de boulevard de Ménilmontant niet kent: die gooi je niet weg. Als ik dat had gedaan, zou ik het mijn aanbedene kwalijk hebben genomen, wat een smet op mijn liefde zou hebben geworpen. Onwillekeurig zou ik haar het verlies van mijn worst hebben aangerekend.’”

Zelfs zonder de ontegenzeggelijke dubbelzinnigheid daarvan zou dat nog enorm grappig zijn. Net zoals de rest van het verhaal eigenlijk, waarmee Amélie Nothomb (nog maar een keer) bewijst dat je zelfs “een moderne parabel over waarheid en leugen, hypocrisie en geweten”, een ernstig verhaal dus, met een portie humor op smaak kan brengen.

Björn Roose

vrijdag 10 april 2026

Zout, suiker, vet – Hoe de voedselindustrie ons in zijn greep houdt – Michael Moss (boekbespreking door Björn Roose)

Zout, suiker, vet – Hoe de voedselindustrie ons in zijn greep houdt – Michael Moss (boekbespreking door Björn Roose)
Sporten (of meer sporten), letten op alles wat je eet, iedereen die wel eens ‘aan de lijn’ gegaan is, weet dat die twee activiteiten de basis zijn van elke kans om enig overgewicht te verliezen. Maar wie graag leest, kan er daar nog eentje aan toevoegen: lezen. Kookboeken? Nee, niet echt. Boeken over de praktijken van de voedselindustrie zijn al zinniger. Boeken als Zout, suiker, vet, ondertitel Hoe de voedselindustrie ons in zijn greep houdt, van Michael Moss, bijvoorbeeld. Niet dat ik dat in 2013 in Nederlandse vertaling bij Uitgeverij Carrera verschenen boek (zo’n driehonderdvijftig bladzijden, euh, dik) speciaal met dat doel in huis gehaald hebt, maar wie het leest, zal in ieder geval weten dat het niet aan hem ligt dat hij zo moeilijk van al die lekkere dingen kan afblijven én waarom ze zo’n absolute ramp zijn voor ‘de lijn’ plus een hele hoop minder direct zichtbare aspecten van zijn gezondheid. En, niet onbelangrijk, hij zal ook weten dat de voedselindustrie zich daarvan bewust is, maar tegelijkertijd niet zo heel veel keuze heeft, al ligt dat laatste dan niet per se aan wat ook al op de achterflap aangehaald wordt: “Zij weerleggen de kritiek met het argument dat de consument de keuze maakt en zij enkel de markt bedienen.”

Iedere economist (die naam enigszins waardig) weet namelijk dat bedrijven (dito) markten creëren en niet zitten te wachten tot er eentje ontstaat. Als u dus in de supermarkt de keuze heeft tussen honderden soorten koekjes, dito hoeveelheden snoep, massa’s ‘verschillende’ pizza’s, hele rekken vol chips en andere zoutjes, diepvriesmaaltijden, bergen kaas, en – om het rijtje érgens mee af te sluiten – belachelijk veel soorten frisdrank, dan is dat niet omdat u daarnaar gevraagd heeft, maar omdat producenten en marketeers (marketing is, zoals de auteur terecht aangeeft, “zeker zo belangrijk” als de rommel die er in gedraaid wordt om eten en drinken te verkopen) ruimte gezien hebben om die, zoals dat heet, ‘in de markt te zetten’. “Hoe de voedselindustrie ons in zijn greep houdt”, is daarom ook een perfecte ondertitel voor dit werk van Michael Moss over wat ook Big Food genoemd wordt (naar analogie met Big Pharma), een werk dat hem naar eigen zeggen “drieënhalf jaar van rondsnuffelen in de werkwijze van de voedingsindustrie gekost [heeft]”, al had er als tweede ondertitel ook nog aan mogen toegevoegd worden: “Hoe de voedselindustrie zichzelf in zijn greep houdt”: “Het cruciaalst is natuurlijk wel de enorme afhankelijkheid van de industrie van zout, suiker en vet. Bijna iedereen van de honderden mensen die ik heb geïnterviewd in de tijd dat ik dit boek schreef – scheikundigen, voedingsdeskundigen, gedragsbiologen, directeuren, lobbyisten – wees me erop dat bedrijven deze drie ingrediënten niet zonder slag of stoot zullen opgeven, op welke manier dan ook. Zout, suiker en vet vormen het fundament van bewerkte voeding. Dé vraag die voedingsbedrijven zich steeds stellen bij het bepalen van de samenstelling van hun producten is hoeveel ze van elk van de drie nodig hebben voor maximale aantrekkelijkheid.” En niet óf ze ze nodig hebben, want het antwoord op die vraag is sowieso ‘ja’. Haal zelfs maar een paar procent van het vet, de suiker en het zout – vaak in combinatie met mekaar te vinden – uit ‘processed food’ en het valt niet meer te vreten (“Helemaal zonder zout verloren de crackers echter hun betovering. Ze voelden aan als stro, kauwden als karton en hadden geen smaak. Hetzelfde gebeurde met de soep, het vlees en het brood dat andere fabrikanten, onder meer Campbell, voor mij probeerden te maken”), als het al niet simpelweg uit mekaar valt, direct wak wordt, of simpelweg niet kan gemaakt worden. Dat zijn, behalve de effecten ervan op de consumenten (die, daar onder andere door de producten zelf toe aangezet worden, méér moeten gaan vreten, niet minder), inderdaad ook de feiten die naar voor komen uit dit boek, en het zijn diezelfde feiten die er voor zorgen dat een dieet voornamelijk bestaat uit het weglaten van datzelfde ‘processed food’ ofte bewerkt voedsel. Je hebt het pas door als je het door hebt, heet het dan met een boutade, maar je kan het behalve proefondervindelijk dus ook leren, onder andere aan de hand van beschrijving en resultaten van proeven (bijvoorbeeld inzake de honger die je krijgt door marihuanagebruik), uit Zout, suiker, vet. Een boek dat overigens begint met de beschrijving van één van de pogingen die in de voedselindustrie ondernomen zijn om iets te doen aan het gebruik van die drie ingrediënten, in de zin van dat te verminderen (want er is meer dan genoeg gedaan om het te vermeerderen), een poging die haast meteen opgegeven wordt omdat een van de belangrijke spelers niet meedoet en de anderen er, wellicht niet onterecht, van uitgaan dat zij, als ze die poging wel door zetten, concurrentieel verlies gaan lijden ten opzichte van die speler. Wie weet dat het dan om spelers gaat als Kraft, Nabisco, General Mills, Procter & Gamble, Coca-Cola, Mars (of naderhand en tijdelijk Philip Morris, dat op zeker moment tien procent van alle Amerikaanse bestedingen aan ‘levensmiddelenbedrijven’ binnenhaalde, maar waar intern ook een strijd woedde om het gehalte aan vet, vlees en zout naar beneden te halen vanwege de verwachting dat die vroeg of laat voor net zoveel controverse zouden gaan zorgen als… nicotine) en toeleveranciers als Cargill en Tate & Lyle, die weet ook dat dat verlies dan al snel miljarden euro’s bedraagt. Nog los van het feit dat je rommel dan ook effectief als dusdanig zal gepercipieerd worden, kan zo’n vooruitzicht nauwelijks een incentive genoemd worden om je leven, laat staan dat van anderen, te verbeteren. Anderen waarmee je je qua levensstijl nauwelijks verbonden voelt al helemaal niet: “Ter verduidelijking kregen ze te horen hoe ze obesitas konden berekenen met behulp van de body mass index, een eenvoudige verhouding tussen lengte en gewicht, en kregen ze enkele momenten om hun eigen BMI te bepalen met de formule die op het scherm verscheen. (Bij dit onderdeel hoefden de meeste mannen in de zaal zich geen zorgen te maken. Ze hadden een personal trainer, waren lid van een sportschool en hadden voldoende voedingskundig benul om voedsel te mijden dat rijk was aan de voedingsmiddelen die ze vervaardigden.)”

Een heel boek over zout, suiker en vet? Dat nu ook weer niet. Marketing is, zoals al gezegd, het vierde belangrijke ingrediënt in de voedselindustrie (er wordt dan ook minstens twee keer zoveel geld in geïnvesteerd als in de ingrediënten die ín de producten gaan), en daarover leer je ook wel wat onder weg van het begin naar het einde van dit werk. Wist u bijvoorbeeld dat lijnextensies, dat wil zeggen de uitbreiding van een product in horizontale richting, van pakweg Coca-Colaclassic’ naar de ‘light’ versie naar de ‘caffeine-free’ naar ‘cherry’, ‘lemon’, ‘vanilla’, enzovoort, enzoverder, als hoofddoel heeft “meer ruimte op het schap [te] bemachtigen”?: “Winkelmanagers zullen” immers “slechts een bepaalde ruimte aan een afzonderlijk product geven, ongeacht de verkoopcijfers. De toevoeging van nieuwe smaken en kleuren creëert nieuwe producten die hun eigen ruimte krijgen, en hoe groter de kans is dat winkelbezoekers een merk zien, hoe groter de kans is dat ze dat kopen.” Of wist u dat de voedselindustrie er – minstens in de Verenigde Staten, waarop dit boek wel enigszins geconcentreerd is, wat dan weer geen hinderpaal hoeft te zijn om het te lezen, want wat ze daar nu al doen, doen we binnen een jaar of tien ook hier – massa’s tijd en middelen tegen aan gesmeten heeft om cursussen huishoudkunde te kapen voor het uitdragen van de ‘convenience’-boodschap, het idee dat ‘ease’ het allerbelangrijkste is, en de mensen die ze gaven te doen ophouden met het verkondigen van boodschappen genre ‘Koop als dusdanig herkenbare voeding’? Of wist u dat niets verhindert dat bedrijven totaal uiteenlopende tactieken gebruiken op verschillende ‘nationale’ markten: bijvoorbeeld in de Verenigde Staten frisdranken in alsmaar grotere flessen verkopen en ondertussen kinderen in Brazilië aan het spul krijgen door het te verkopen in flesjes van twintig centiliter? Of dat het gewoon een verkoopstrategie van Coca-Cola was om McDonald’s zogenaamde menu’s inclusief hún frisdrank te laten aanbieden, een strategie die geenszins schijnt te vloeken met een dominante aanwezigheid op allerlei sportevenementen, of – om er iets aan toe te voegen dat niet uit dit boek komt – natuurverenigingen te sponsoren voor het aanleggen van waterrijke gebieden?

En als we het dan toch over weten en weetjes hebben: “John Harvey Kellogg had één ding voor ogen toen hij zijn uitgestrekte gezondheidscomplex eind negentiende eeuw op de prairie van Michigan inrichtte. Hij wilde mensen genezen van wat een waarnemer ‘americanitis’ had genoemd – de opgeblazen, gasachtige maagpijn die werd veroorzaakt door de kwaal die ook wel bekendstond als dyspepsie. Het hele land scheen eraan te lijden, voor een groot deel door wat mensen aten als ontbijt. Negentiende-eeuwse Amerikanen begonnen de ochtend doorgaans met worstjes, biefstuk, bacon en gebakken ham, waaraan ze in de loop van de dag zout varkensvlees en whisky toevoegden. Vet was in feite de nationale smaakmaker geworden. John Harvey Kellogg had, als student geneeskunde aan het New Yorkse Bellevue Hospital Medical College, van dichtbij gezien wat dit eetpatroon betekende voor de gezondheid van Amerika. Verontrust door de indigestie die hij overal zag, ging hij ten slotte ijlings terug naar zijn geboortestad Michigan, waar hij besloot dat Amerika – behalve de zoveelste dokter – iemand nodig had die betere voeding propageerde.” Betere voeding bestaande uit “pap van tarwegluten, havermoutcrackers, volkorenbroodjes en een thee die van een Zuid-Afrikaanse grassoort was gemaakt”. Dat alles zonder zout en suiker en met een minimum aan vet. Tot de dag dat z’n jongere broer van z’n afwezigheid gebruik maakte om met een bak suiker te experimenteren, wat “de sanatoriumpatiënten pas écht lekker” vonden en leidde tot het uit mekaar gaan van de twee broers en de geboorte van “het zoete ontbijt (…), evenals een basisstrategie van de industrie die levensmiddelentechnologen voortaan altijd zouden hanteren. Telkens wanneer men zich zorgen begon te maken over de gezondheid van een van hun fundamentele ingrediënten – zout, suiker of vet – kozen de voedingsfabrikanten voor de eenvoudigste oplossing: wissel het problematische bestanddeel om voor een ander dat op dat moment niet zo hoog op de ranglijst van zorgen staat.”

Om maar te zeggen dat de weg naar de hel, ook die van een ander, met goede voornemens geplaveid wordt. Of met dikke, vette oplichting natuurlijk, bijvoorbeeld die van Kool-Aid van Philip Morris: “(…) het echt geniale van hun marketingplan school in een vernuftigheid die zowel kinderen als moeders zou aanspreken. De dranken waren grotendeels gemaakt van suiker, kunstmatige smaakstoffen en conserveringsmiddelen. Aan elk plastic flesje voegde het bedrijf echter een scheutje echt vruchtensap toe. Het ging om nauwelijks een halve theelepel sap, slechts 5 procent van de hele samenstelling, zo onthullen bedrijfsdocumenten, maar de Kool-Aid-managers wisten al dat zelfs een snufje fruit zijn gewicht vele malen in marketinggoud waard was.” Maar goed, “vruchtensapconcentraat” had natuurlijk ook gekund: dat “wordt gemaakt in een sterk variërend industrieel proces, waarbij meestal de volgende stappen komen kijken: de vruchten schillen, waarmee veel van de heilzame vezels en vitaminen worden verwijderd; het sap onttrekken aan het vruchtvlees, dat nog meer van de vezel verliest; verwijdering van de bittere bestanddelen; afstelling van de zoetheid door het combineren van variëteiten; en het water laten verdampen uit het sap. In het extreme geval resulteert het proces in wat in de industrie bekendstaat als ‘diksap’, dat eigenlijk pure suiker is, bijna helemaal ontdaan van de vezel, smaken, aroma’s of welke andere eigenschappen ook die wij associëren met echt fruit. Het concentraat wordt, met andere woorden, gereduceerd tot de zoveelste vorm van suiker, zonder voedingsvoordeel boven dat van tafelsuiker of fructoserijke maïssiroop. Zijn waarde schuilt eerder in het gezonde imago van fruit dat het behoudt. Een bedrijf als General Foods kan deze substantie gebruiken en toch de troostende woorden ‘Bevat echt fruit’ op het pak zetten.”

Als daar ander bedrog zou aan te pas komen dan zelfbedrog, de basis van de meeste vormen van oplichting, dan zou dat trouwens nauwelijks bestreden kunnen worden: “De belangen van de consument worden behartigd door het Center for Nutrition Policy and Promotion. Dat het centrum laag in de pikorde staat, blijkt niet alleen uit het feit dat het niet in het hoofdkwartier van het ministerie van Landbouw is gevestigd, maar ook uit het bedrag dat het mag besteden aan de zoektocht naar gezonder eten. Het budget is een armzalige 6,5 miljoen dollar per jaar, wat neerkomt op 0,0045 procent van de totale uitgaven (146 miljard dollar) van het ministerie. Gegeven deze beperking steekt het centrum veel energie in één bescheiden project: het opstellen en verspreiden van een officiële handleiding voor gezonder eten.”

En dan hebben we het nog niet eens over vet gehad. Voor suiker bestaat er een ‘blisspoint’, het punt waarop de hoeveelheid suiker zogenaamd ‘perfect’ is en waarna nog meer toevoegen in eerste instantie niet meer helpt (om te verkopen) en in tweede instantie misschien consumenten wegjaagt, maar voor vet bestaat dat niet eens: “Als er al een breekpunt was, lag dat ergens na moddervette room”. En dan nog: “Drewnowski ontdekte dat de proefpersonen de vetste room nog lekkerder vonden als hij er een beetje suiker aan toevoegde. Iets in deze combinatie bleek een krachtige wisselwerking op gang te brengen. Vet en suiker verhogen elkaars aantrekkelijkheid. (…) En er was nog iets merkwaardigs: als er aan de vettere mengsels suiker werd toegevoegd, dachten de studenten dat de hoeveelheid vet was verláágd. Het vet had zich dus ‘verstopt’. Dit betekende dat voedselfabrikanten vet in hun producten konden stoppen zonder zich zorgen te hoeven maken over een mogelijke negatieve reactie van het menselijk brein. Ze gaan dan ook onbekommerd hun gang. Veel soepen, koekjes, chips, cakes, taarten en diepvriesmaaltijden leveren minstens de helft van hun calorische waarde door het vetaandeel, en toch herkennen consumenten ze niet als vette voedingswaren, wat ideaal is voor de omzet. Om de indruk dat deze producten vet zijn helemaal weg te nemen, hoeven de producenten er alleen maar wat suiker in te doen.” Waarna je binnen de kortste keren bij, pakweg, chocolade- en andere zoete kaassoorten bent (eigenlijk een hoop vet met een smaakje), en andere manieren om de vetberg om te zetten in ‘voedsel’, genre het in soep kappen van roomkaas, een ideetje van – als ik dat goed genoteerd heb – de marketeers van… Philadelphia.

Wat nog niet wil zeggen dat magerder per se beter, gezonder, laat staan natuurlijker is: “Een van de succesvolste methoden om mager rundvlees aan de man te brengen zou tevens de controversieelste worden. Er kwam geen mes aan te pas om randjes vet af te snijden. En ook geen naalden of pekel om het vlees malser te maken. Het ging met ammonia. Met dit goedje werd de magerste, de goedkoopste en de meest gegeten hamburger gemaakt. Deze materie, ook wel bekend als ‘roze slijm’, maar door het ministerie van Landbouw liever ‘mager rundvlees met een verfijnde structuur’ genoemd, wordt gecreëerd door stukken vlees van de vetste delen van de koe te nemen, met soms wel 70 procent vet, waarvan vroeger talk of honden- of kattenvoer werd gemaakt. Vervolgens wordt dit spul in een centrifuge gestopt die het meeste vet eruit slingert. Wat overblijft, is een brij, waaruit al het vet is gehaald, op 10 procent na. De vleesbrij gaat vervolgens in bevroren blokken van 13,5 kilo per stuk naar vleesfabrieken, waar er afsnijdsels van rundvlees aan worden toegevoegd om er hamburgers van te bakken. Ontvet rundvlees werd om een andere reden populair bij de bedrijven die hamburgers maken: het was 15 procent goedkoper dan het van nature magere vlees uit Zuid-Amerika, waar de veefokkers hun runderen gras laten eten en hun dieren dus niet voeden met het in Noord-Amerika gebruikelijke veevoer op maïsbasis, waar het vlees vetter van wordt. Er kon flink wat bespaard worden, wat niet alleen belangrijk was voor de winkeliers en voor restaurantketens als McDonald’s, die hamburgers van ontvet rundvlees kochten.”

Of daar zout in zit, in die “hamburgers van ontvet rundvlees”, zou ik niet weten, maar daarover moeten we het toch ook nog even hebben. Of toch over natrium: “Het probleem was niet zout op zich. Het probleem was natrium, een chemisch element in zout. Om de zaak nog ingewikkelder te maken, legden gezondheidsfunctionarissen uit: zelfs natrium was niet alleen maar slecht. Een klein beetje in onze voeding was noodzakelijk voor een goede gezondheid. Het probleem was dat Amerikanen zoveel zout aten dat ze tien, soms zelfs twintig keer de voor het lichaam benodigde hoeveelheid natrium binnenkregen. Dit was veel meer dan het lichaam aankon. In grote hoeveelheden onttrekt natrium vloeistoffen aan de lichaamsweefsels en brengt ze in het bloed, waardoor het bloedvolume toeneemt en het hart krachtiger moet pompen. Het resultaat: hoge bloeddruk.” Waarbij u rustig dat “Amerikanen” mag vergeten, trouwens: “Mensen houden niet gewoon van zout, ze hunkeren naar hartig eten. Afhankelijk van iemands standpunt is de supermarkt een goudmijn – of een mijnenveld – van zoute etenswaren. Om alles in het juiste perspectief te zien: de dagelijks aanbevolen hoeveelheid zout is volgens de Amerikaanse federale overheid 2300 milligram. In 2010 werd deze hoeveelheid voor mensen die gevoelig zijn voor de gevolgen van zout verlaagd: voor mensen van boven de vijftig, zwarten van alle leeftijden, suikerpatiënten, mensen met een hoge bloeddruk of een chronische nieraandoening. Hun werd dringend aangeraden dagelijks niet meer dan 1500 milligram, dus minder dan een theelepel te gebruiken. Als je deze cijfers kent, is het niet moeilijk te begrijpen waarom de meesten van ons veel meer natrium binnenkrijgen dan we zouden moeten. Tienerjongens en mannen consumeren gemiddeld zelfs twee keer zoveel. De ingrediëntenvermeldingen op de verpakkingen spreken voor zich. En natuurvoeding eten helpt niet bij zout: zelfs de fabrikanten daarvan voegen flink wat zou toe.” Als in die ingrediëntenlijst kijken al helpt: “In de ingrediëntenvermelding [van een diepvriesmaaltijd, noot van mij] kwam zout in negen verschillende gedaanten voor, meer dan enig ander ingrediënt. In het lijstje was een onderverdeling gemaakt van de verschillende bestanddelen. Zout verscheen niet alleen onder vlees, jus, vulling en aardappels, maar was ook het belangrijkste bestanddeel van iets met de naam ‘kalkoensmaak’ en stond hoog in het lijstje onder ‘aardappelsmaak’. Al met al zat er bijna 5400 milligram zout in deze magnetronmaaltijd, en dat is meer dan mensen in twee dagen zouden mogen eten.” Voor wie niets met diepvriesmaaltijden heeft: ik heb hier tijdens het schrijven van deze boekbespreking eens gekeken hoeveel zout er in de bouillonblokjes zit waarvan ik er – zoals aanbevolen op de doos – één per halve liter soep gebruik: bijna zes gram. Ofte 6000 milligram. En ik drink toch effectief zo’n halve liter soep per dag. Voor mij alvast reden genoeg om in eerste instantie het gebruik van dat spul – de bouillonblokjes, niet de soep – te reduceren, en in tweede instantie op zoek te gaan naar vervangingen zónder zout. Terwijl ik toch dacht gezond bezig te zijn. En vond dat mijn soep goed smaakte. Wat ook op meer dan één manier kan verklaard worden door zout: “Tot slot proefden we een groentesoep met rundvlees waarin het natriumgehalte was verlaagd en waarin het gebruik van specerijen niet was aangepast. De soep smaakte niet alleen flauw, hij was ronduit vies. De smaak schommelde tussen bitter en metalig. Deze ongewenste bijsmaken, in de voedingsindustrie ook wel ‘valse noten’ genoemd, zaten waarschijnlijk ook altijd in de gewone soep, maar daarin werden ze verbloemd door zout.” Maar goed, ik zou ook chips kunnen eten op elk moment van de dag, natuurlijk: “Tot slot – en dat is misschien nog wel het belangrijkst – adviseerde Dichter [een adviesbureau, noot van mij] Frito-Lay [onderdeel van PepsiCo en bij ons onder andere bekend van Cheetos, Doritos en Lay’s, noot van mij] zijn chips uit de sfeer van het tussendoortje te halen en ze in plaats daarvan tot een bestanddeel van het Amerikaanse menu te maken. ‘Het toegenomen gebruik van chips en andere snacks van Frito-Lay als onderdeel van restaurant- en lunchroomkost zou sterk moeten worden aangemoedigd,’ zei Dichter, waarbij hij een reeks voorbeelden opnoemde: ‘Chips als voorgerecht met soep, fruit of groentesap; chips als groente bij het hoofdgerecht; chips met salade; chips met eiergerechten bij het ontbijt; chips bij sandwiches.’”

A dream come true, zo blijkt, wat in de zin dat nachtmerries óók dromen zijn ook geldt voor de voedselindustrie en wat we ‘dankzij’ die voedselindustrie allemaal in ons lijf proppen. Zout, suiker, vet is niet echt een, wat dan heet, eye-opener – we weten door de band genomen wel dat die drie dingen, al helemaal in combinatie met stevige marketing, niet bijster goed voor ons zijn -, maar voor wie zijn ogen al (een beetje) open heeft, is het wel een stevige brok achtergrondinformatie om z’n goeie voornemens mee te funderen. Hoe dan ook het lezen waard dus.

Björn Roose

dinsdag 7 april 2026

De schoonmaker, de professor en de overspelige vrouw – Peter van Druenen (boekbespreking door Björn Roose)

De schoonmaker, de professor en de overspelige vrouw – Peter van Druenen (boekbespreking door Björn Roose)
Van De schoonmaker, de professor en de overspelige vrouw weet ik, in tegenstelling tot wat geldt voor veel van de boeken die ik in bezit heb, nog precies waarom ik het – voor een habbekrats – aangekocht heb: omdat ik meende Peter van Straaten als auteur op de cover vermeld gezien te hebben. Wat fout gezien was. Peter van Druenen is de auteur van deze “eindejaarsvertelling”, “een exclusieve uitgave van Exed Internet” uit 2004. En van Peter van Druenen, volgens de webstek van Uitgeverij Cossee “historicus, schrijver, uitgever en internetpionier”, onder andere verantwoordelijk voor “een standaardwerk over de geschiedenis van de zuivelcoöperatie in Nederland”, had ik nog nooit gehoord.

Nu wél dus, al heb ik na het lezen van dit dertig bladzijden dikke boekje op zoiets als A6-formaat niet meteen reden om dat ook nog te onthouden. Noch kan ik u meer vertellen over Exed Internet. Hét internet kan me daarover – niet eens via een webstek die beheerd zou worden door het bedrijf zelf – ook alleen maar vertellen dat het een “full service internetbedrijf” zou zijn (of geweest is), bezig met “het bouwen, hosten en onderhouden van uw website, internetportaal, database of maatwerkapplicatie” en gevestigd in Lelystad, waar ook Van Druenen een tijd gewoond heeft. Mogelijk is dit dus een verkapte uitgave in eigen beheer, wat toch méér beheer betekent dan wat één van de personages in dit boekje presteert. In het bijzonder wat zijn personal computer betreft, een desktop (in 2004 was het nog bijna een vanzelfsprekendheid dat een pc geen laptop was), die hij niet afzet als hij met vakantie gaat en die ook geen schermbeveiliging heeft. Een pc waar iedereen dus ongestoord op kan gaan tokkelen en waarop geen geheim bewaard blijft voor de toevallige geïnteresseerde omdat uiteraard ook (onder andere wellicht) de mailapplicatie open staat. Een “internetpionier” kon dat in 2004 nog als basis voor een kortverhaal nemen, tegenwoordig zou dat er al over zijn (al maak ik nog wel eens mee dat pc’s niet gelockt worden als hun baasje hen achterlaat).

Enfin, daarmee hebt u al kennis gemaakt met de professor, de intellectueel die zijn mails voor iedereen te grabbel gooit, én met de schoonmaker, de man die toevallig ziet dat de computer nog op staat, even toevallig kijkt naar het scherm, en nog toevalliger een mail ziet staan die hem biologeert. Een mail van een vrouw die de professor haar liefde verklaart. Geen overspelige vrouw echter, want ze is niet getrouwd, en dat in tegenstelling tot de professor, maar ze heeft hem wel een handje geholpen bij het overspel dat hij een tijdje eerder heeft gepleegd.

Maar wie is het overspelige exemplaar dan? Dat is er een die onder de noemer Christus en de overspelige vrouw op een paneel zou staan dat tijdelijk in de Gentse Sint-Baafskathedraal een tehuis gevonden heeft, oorspronkelijk aan Jheronimus Bosch werd toegeschreven, maar naderhand een vervalsing bleek te zijn (de naam Van Meegeren wordt niet genoemd als dader – hij creëerde een gelijknamig schilderij, maar dat werd toegewezen aan Johannes Vermeer – maar de verwijzing is duidelijk en wordt in de loop van dit boekje ook geëxpliciteerd). En hoe is ons olijke trio verbonden met dat schilderij? Dat zoekt u zelf maar uit. Per slot van rekening is dit boekje echt zeer dun (de harde kaft is volgens mij dikker dan wat er tussen zit) en… raakte ik zelf bij eerste lezing van de passage het verband kwijt. Nog los van het feit dat het achterhalen van dat verband interessanter is dan de ‘technische’ uitleg die je er van de “internetpionier” hier en daar bovenop krijgt. Bijvoorbeeld: “De professor bewoog geïrriteerd de muispijl naar het bericht om het weg te klikken toen hem opviel dat het een antwoord was op een antwoord. Re: Re: ik hou van je!!! Normaal gesproken krijg je dergelijke regels alleen te zien wanneer je in een wat langere e-maildiscussie bent verwikkeld over één bepaald onderwerp: Het aantal Re:’s kan dan flink toenemen, omdat je snel wilt reageren en niet de moeite neemt om de titel te veranderen. Het is bovendien wel makkelijk om de gang van zaken tijdens de betreffende discussie terug te halen”. Een voorbeeld dat misschien nog kon dienen op een of andere cursus Internet voor dummies in het begin van de jaren 2000, maar ongetwijfeld ook toen al redelijk overbodig zal geklonken hebben, al helemaal onder de klanten van een bedrijf à la Exed Internet.

Kortom, als dit boekje een mail was geweest, dan had ik het gedeletet. Gezien het dat niet is, verwijs ik het door naar mijn zolder.

Björn Roose

vrijdag 3 april 2026

Duitsers ongewenst – Hermann Eich (boekbespreking door Björn Roose)

Duitsers ongewenst – Hermann Eich (boekbespreking door Björn Roose)
Hermann Eich, auteur van voorliggend Duitsers ongewenst (oorspronkelijke titel: Die unheimlichen Deutschen), schreef behalve dit origineel in 1963 verschenen boek ook nog Die misshandelte Geschichte – Historische Schuld- und Freisprüche. Daarmee heb ik u echter zo ongeveer alles meegegeven wat zelfs het internet me pas na enig aandringen wist te melden over de man.

Ja, ik vind op Wikipedia een Hermann Eich, maar los van het feit dat die in 1963 al vierentachtig jaar oud was en begin februari van datzelfde jaar overleed, staat er in het betreffende lemma niks over enige publicatie. En ja, een aantal mensen hebben in 1963 of later, bij het verschijnen van de vertalingen, gereageerd op het werk, maar ook zij wisten kennelijk niet wie Hermann Eich was. De destijds in Nederland wonende, in Duitsland geboren jood Maurice Frankenhuis nam aan dat Eich behalve “a thinking man” ook “not a very young German” was, maar vond dat wellicht ook niet echt belangrijk. Hij wou voornamelijk duidelijk maken dat Eich beter gezwegen had, dat de Duitsers in plaats van “unloved” simpelweg “unlovable” waren, en massaal ‘heropgevoed’ moesten worden: “(…) if it is not already too late, might I suggest that the only thing left for Germans of good will is to undertake a program of re-education beginning with the youth before it becomes contaminated by the ideology of its fathers. Perhaps then the German people would have a chance to redeem themselves. Their history can claim no justification.

Niet iedere criticus was zo gebeten op Eich, zijn boek, of – zoals in het geval van Frankenhuis – de Duitsers in het algemeen, maar Frankenhuis toonde wel meteen voor de helft aan wat Eich al in zijn Woord vooraf schrijft, terwijl Frankenhuis’ kennis van het boek duidelijk gebaseerd was op niet meer dan één stelling die “many intelligent people” naar zijn zeggen ‘verrassend’ vonden, zijnde dat de Duitsers de misdaden van Hitler wel degelijk erkenden, maar dat velen van hen niks wisten van de uitroeiing van de joden, iets wat zo’n vier bladzijden lang tegengesproken wordt door Frankenhuis. “De auteur is zich ervan bewust”, schreef Eich, “dat hij tegen twee muren stormloopt: het nationalisme en de angst voor het nationalisme. Daarom zullen de vertegenwoordigers van twee karakteristieke denkrichtingen in dit boek niet aan hun trekken komen: [1)] Allen die Duitsland en het Duitse volk voor het hoogtepunt van de schepping houden (…) [en 2)] Allen die Duitsland als de hel op aarde en het Duitse volk als een satansgebroed beschouwen.” Eich verwachtte dus niet met dit boek medelijden op te wekken of een veralgemeend begrip voor ‘de’ Duitsers, “Dit boek kan weinig verontschuldigen, maar wellicht veel verklaren”, zo stelde hij. “Het dingt niet naar de gunst van het buitenland, noch wil het de ‘ongewenste Duitsers’ provoceren waar de auteur zelf toe behoort, hetgeen hij zonder trots, maar ook zonder schaamte bekent. Het is veeleer zaak tussen loftuiting en berisping, vooroordeel en berusting een middenweg te vinden, en de wezenstrekken te ontdekken van een volkskarakter dat zich laat onderkennen bij en gedragen wordt door zoveel mogelijk van onze landgenoten. Als daaraan een wens – of, zoals Hofmannsthal het zegt ‘een laatste geloof’ – kan worden verbonden, dan is het, dat het Duitse volk, hoe onwaarschijnlijk het op dit ogenblik ook klinken mag, eens tot die gematigde vorm van nationaal bewustzijn komt, waarmee andere, meer gelukkige volken, sinds eeuwen rustig hun weg gaan door de geschiedenis.”

Mij lijkt dat behalve een correcte inschatting van twee ‘nationalistische’ kampen – kampen die ik overigens niet als dusdanig zou betitelen -, kampen die óf zichzelf beschouwen als de meesters der schepping óf de ander als het ongedierte van diezelfde schepping en dus in essentie onderling inwisselbaar zijn, ook een captatio benevolentiae die niet al te ingewikkeld in mekaar is gestoken en volkomen duidelijk zou moeten maken waar Eich heen wil. Hij is geen “apologist”, zoals Frankenhuis hem verkiest te noemen, geen apologeet, niet “iemand die zijn geloof verdedigt dooriets anders tegen te spreken”, tenzij dan een volkomen gerechtvaardigd ‘geloof’ in het feit dat geen enkel volk – laat ons het dan maar zo noemen – minderwaardig is (en dus ook niet meerderwaardig), iets wat hij voor ‘de’ Duitsers niet aantoont door alleen ‘hun’ goede kanten te belichten, maar ook door ‘hun’ slechte kanten niet te miskennen en door die goede én slechte kanten te vergelijken met die van andere volkeren. In onze politiek correcte tijden zou de oefening op zich al, een oefening ten voordele van de objectieve behandeling van éénder welk Europees volk, op tegenkanting van een horde zogenaamde ‘antiracisten’ botsen, maar noch ‘racist’ noch ‘antiracist’ zijnde moet ik zeggen dat Eich die oefening met goed gevolg volbracht heeft. Ik had vóór ik dit boek las al geen hekel aan Duitsers, noch lag ik in aanbidding voor elk of een van hen, maar Duitsers ongewenst is zo’n – tsja, ik vind dat een mooi woord – Fundgrube aan historische feiten en feitjes over Duitsers en andere volkeren dat ik alleen maar kan besluiten dat élk volk zo’n objectieve verdediger verdient. Én dat een boek als dit eigenlijk heruitgegeven zou moeten worden. De kans dat lezers immers deze inmiddels meer dan zestig jaar geleden bij Nederlands Boekhuis in Tilburg verschenen vertaling van de hand van Jos. H. Schmitz ergens op de kop kunnen tikken is wel bijzonder klein, terwijl het aantal mensen dat, ondanks het feit dat ze net zo min als ik ooit een oorlog met Duitsland hebben meegemaakt en zelfs geen subjectieve basis hebben om tegen ‘de’ Duitsers te zijn, dezer dagen nog doet alsof elke Duitser Adolf Hitler in persoon is, belachelijk groot blijft (zij het niet zo groot als het aantal mensen dat denkt dat alles wat de zetelende Israëlische regering onderneemt gerechtvaardigd is omdat de leden ervan joods zijn).

Ik probeer – al is het maar omdat ik de jongste tijd al een paar ál te uitgebreide boekbesprekingen heb geschreven – van deze bespreking geen ellenlang epistel te maken (het zou eens wat anders zijn, nietwaar?), maar zeg me vooral waar Eich de Duitsers vereert als hij van een man als Friedrich Nietzsche, door velen toch beschouwd als zéér Duits en een zogenaamde inspiratiebron van de nationaal-socialisten, weet te melden dat die “al in 1885 in Jenseits von Gut und Böse de spot gedreven [had] met pogingen, door meting van hoofd en lichaam het ideale Duitse mensentype te willen vaststellen. Voor hem waren de Duitsers ‘een volk, waarin op de meest monsterachtige wijze allerlei rassen waren vermengd en door elkaar geroerd.’”, een mening die hij een paar jaar later in Ecce Homo bevestigde door te stellen dat Duitsers “helemaal geen voeten [hebben] – alleen benen (…) Naar zijn mening overtrof de armste gondelier van Venetië een Berlijnse Geheimrat in elegance van beweging – een uitspraak, die toendertijd waarschijnlijk zelfs bij Berlijners geen tegenspraak wekte, want de combinatie van elegance en beschaving was ook in de tweede helft van de vorige eeuw al een gelukkig toeval.”

Maar Eich laat die stelling al zeer snel volgen door een andere: “Er schijnt dus toch een algemeen geldend herkenningsteken voor de Duitsers te bestaan. Het bewijs wordt dagelijks geleverd door de souvenirverkopers in de zuidelijke vakantielanden. Zij spreken de Duitse toeristen met grote zekerheid in de juiste taal aan. Overigens zouden zij ook Skandinaviërs en Nederlanders in het Duits aanspreken en zij zouden waarschijnlijk geen ander onderscheid tussen de verschillende volken kunnen noemen dan dat de Duitsers nu eenmaal overal in de meerderheid zijn, waarmee eens te meer de merkwaardige logica bij de beoordeling van buitenlanders is aangetoond.” Zelf al in diverse landen als Frankrijk, Italië en Tsjechië aanzien geweest zijnde voor een Duitser – ik die zó elegant ben! – kan ik dat van die “merkwaardige logica” in ieder geval bevestigen. Maar dat is misschien een gevolg van “de vermenging (ambivalentie) van aan elkaar tegengestelde, elkaar eigenlijk uitsluitende gevoelens en eigenschappen” die, aldus Eich, de toegang tot het wezen van ‘de’ Duitser ontsluiten: “‘Een Duitser, dat is moord en muziek tegelijk,’ zo heette het in een Franse film der ‘nouvelle vague’, die zich schijnt te hebben gespecialiseerd in het ontmaskeren van de Duitsers. Deze definitie mag dan door een onoverwinnelijke afkeer zijn ingegeven, dit neemt niet weg, dat zij toch een kern van waarheid bevat, zij probeert namelijk de Duitser als een samenstel van kontrasten voor te stellen, als iemand die onzinnig handelt en zich ‘onmogelijk’ gedraagt.” Wat dan weer een teken kan zijn van zich aanpassen aan de eisen van de niet-Duitsers: “Buitenlandse bezoekers verbaasden zich tussen 1950 en 1960, hoe goed gehumeurd de gezichten van de Duitsers er al weer uitzagen, ondanks de splitsing van hun land en de nood der verdrevenen. Menigeen voelde de Duitse opgewektheid in die jaren als iets ongepasts. Na 1960 werd er in de reisverslagen steeds meer gewezen op de diepe ernst, die nu op het gezicht van de gemiddelde Duitser lag. De opgejaagde, droevige en onrustige Duitser temidden van zijn welvaart werd een geliefd fotomotief. In de onderschriften bij de foto’s verklaarde men zijn gelaatsuitdrukking uit een nooit bevredigde gewinzucht of een diepgewortelde levensangst. ‘Duitsland, het land waar het minste gelachen wordt’ – zo luidde de slotsom na uitgebreide reizen door Duitsland zelfs nog vóór de oprichting van de Berlijnse muur.”

Dat waarnemers elkaar beïnvloeden én hun kijk op het waargenomene blijkt ook met betrekking tot ‘de’ Duitsers dus, euh, waar. Een fenomeen dat ook nu nog steeds zijn nadelen heeft: “Kernachtige Beierse uitdrukkingen inclusief leren broeken en hertshoornen knopen versterken in combinatie met de gutturale spreekwijze wel eens de indruk van plompe grofheid van de Duitsers. De achter het animale liggende kunstzin van de Beieren blijft voor de oppervlakkige beschouwer verborgen. Een luidruchtige minderheid bepaalt het totale oordeel, dat eenzijdig moet uitvallen alleen al omdat de buitenlanders hun ervaringen bijna uitsluitend in het Opperbeierse toeristencentrum opdoen.” Een “toeristencentrum” dat, van 1945 tot 1990, dan weer nergens te pas kwam als het om Oost-Duitsland ging: “Volgens de grondwet was aan de Duitsers van de Oostzone de mogelijkheid onthouden, mee te werken bij de opbouw van een vrij Duitsland. De Bondsrepubliek handelde in hun naam. Zij vertegenwoordigt heel Duitsland ook bij de herstelbetalingen aan Israël en bij de betaling van de schulden van het voormalige Duitse Rijk. Nagenoeg alle verwijten die zich tegen Duitsers richten incasseert de Bondsrepubliek, als vertegenwoordiger van alle Duitsers, alléén. Het Westen heeft de andere Duitsers uit zijn kritiek geschrapt. Zij zijn op hun manier weliswaar ook angstaanjagend, maar meer als kommunisten dan als Duitsers. Daar zij armer zijn, kunnen zij op meer consideratie rekenen dan de in een zekere weelde levende Westduitsers. Menige westerse politicus heeft ook al te verstaan gegeven, dat de gekontroleerde en onderdrukte Duitsers aan de overkant van de Elbe voor het buitenland beslist minder moeite opleveren dan de vrije burgers van de Bondsrepubliek met hun pretentieuze eisen en hun intensieve deelname aan de ekonomische concurrentiestrijd.”

Wat nu uiteraard niet meer kan gezegd worden, maar wat wél bevestigt wat Eich even verder schrijft: “De verhouding tussen de volken is onafhankelijk van de mate waarin men elkaar kent; zij wordt veeleer bepaald door de politiek en het wereldgebeuren. Vandaag is zij nog broederlijk en morgen al vijandig. De wisseling van oorlogs- en vredestoestand tussen buurstaten is een treurig bewijs, hoe gemakkelijk de menselijke gevoelens kunnen worden beïnvloed; het staatsbelang heeft nog altijd de doorslag gegeven als de burger moest beslissen tussen zijn nationaal bewustzijn en zijn gevoelens van vriendschap voor een ander volk. De machthebbers zelf hebben nooit geaarzeld hun oordeel te herzien, zodra de politieke situatie het nodig maakte, van haat op verbroedering over te schakelen of de tegenovergestelde richting in te slaan. Daartoe is evenwel nodig, dat men kan vergeten of in elk geval doen alsof… De staatslieden uit onze tijd behoren in dit opzicht tot de grootste meesters in de kunst der vrijwillige bewustzijnssplitsing.”

“Staatslieden” en, bijvoorbeeld, schrijvers. “In elk land stonden de literaten op commando paraat, ook de besten onder hen [zie ter zake trouwens mijn bespreking van Ingenieurs van de ziel van Frank Westerman, noot van mij]. Dat een schrijver er toe besluit, zich ter beschikking te stellen van de staat en de eisen van de aktuele politiek, daarin ligt niets verwerpelijks. Het wordt pas pijnlijk, nadat het politieke lied zijn doel bereikt heeft. De oorlogsfurie heeft het niet weggevaagd, zoals een anoniem vlugschrift of een radiocommentaar. Het staat in de werken van een bepaalde dichter, ontsiert de zogenaamde schone literatuur er omheen en al heeft men het ook uit zijn oeuvre kunnen verwijderen, een snuffelaar zal het altijd weer te voorschijn halen. Het grootste aandeel van dergelijke stemmen in dit boek is niet zo zeer bedoeld om de auteurs te discrimineren als wel om te waarschuwen tegen de macht van het woord, dat hun in een – naar zij toch moesten aannemen – ‘ernstig’ ogenblik is ontvallen en waarvan zij later wensen, dat zij het toch maar nooit gesproken hadden. Thomas Mann, Ilja Ehrenburg en vele andere contemporaine representanten der wereldliteratuur zagen en zien zich gedwongen zich te verdedigen tegen het verwijt, hun volk te hebben opgehitst. De noodzakelijkheid, de beschrijving van het vreemde volk tendentieus te kleuren kan weliswaar worden aangetoond, maar de tendensleugen kan niet meer tot waarheid worden omgebogen.”

Wie daarvan, zowel wat die ‘schrijvers’ als die ‘staatslieden’ betreft, dezer dagen bewijzen wil verzamelen, heeft kans genoeg als hij de kranten even napluist op steekwoorden als ‘Oekraïne’, ‘Israël’, ‘Rusland’ of ‘Iran’. Een mens durft hopen dat ze vroeg of laat met hun dwaze woorden zullen geconfronteerd worden, maar slangenmensen als ze vaak zijn, ontsnappen zelfs als ze daarmee in een hoek gedwongen worden. Zoals die slangenmensen ook zullen weten te ontsnappen als je ze confronteert met “de naar links gerichte wereldsympathieën (…) [die] zo sterk [zijn], dat zich een eigenaardige theorie van rechtvaardige en ongerechtvaardigde oorlogen is gaan vormen. Volgens deze is de overval van Stalin op het zwakke Finland als een te verontschuldigen beschermingsmaatregel tegen de aanvalsplannen van Hitler te beschouwen, terwijl elke oorlog waaraan het ‘rechts’ geregeerde Duitsland deelnam als zuivere aanvalsoorlog wordt bestempeld.” Een theorietje waarvan tegenwoordig varianten te vinden zijn in het goedpraten van de aanvalsoorlog van Israël tegen zo goed als al zijn buurlanden en de Verenigde Staten tegen Iran met de naderhand ‘ontdekte’ mogelijkheid dat Iran, als vergeldingsmaatregel, doelwitten op een paar duizend kilometer afstand zóu kunnen raken.

Waarmee ik – zo ben ik nu eenmaal – alvast een aantal verbanden gelegd heb tussen wat in een boek uit 1963 over de Duitsers is geschreven en feiten die zich dezer weken, zonder enige betrokkenheid van Duitsers, afspelen in het Midden-Oosten. Op zich al reden genoeg om dat boek eens te gaan lezen (de gebruikte citaten komen allemaal uit de eerste dertig bladzijden, er schieten dus nog driehonderdtwintig bladzijden over waarvan u hier niks heeft gelezen) en het bewijs dat – althans voor wie dat zien wil – alles met alles samenhangt. Wat ook zo’n beetje de centrale stelling is van dit boek.

Björn Roose

dinsdag 31 maart 2026

Help, ik ga de pijp uit – Leo Derksen (boekbespreking door Björn Roose)

Help, ik ga de pijp uit – Leo Derksen (boekbespreking door Björn Roose)
De vorige twee boeken die ik van Leo Derksen besprak, Geef mijn portie maar aan fikkie en De kater van tante Agaath, waren bundelingen van cursiefjes, dus had ik voorliggend Help, ik ga de pijp uit (verschenen in 1976 bij Teleboek bv) in de boekenkasten met dat soort werkjes gezet, maar dat was ten onrechte: de delen een tot en met veertien, allemaal dus, zijn geen bijzonder getitelde cursiefjes, maar échte hoofdstukken. Hoofdstukken van een boek waarover op de achterflap, behalve met betrekking tot de auteur, alleen maar volgende uitleg te lezen is: “ ‘Ga maar naar huis,’ zei de dokter. ‘Je mankeert niets.’ ‘Maar ik ga dood,’ riep ik. ‘Dat is dan ook de enige zekerheid, die ik je kan geven,’ zei hij. Wie in dit boek dus zichzelf meent te herkennen, heeft dan ook onmiddellijk gelijk.”

Die uitleg kan enigszins treurig lijken, maar geeft ook meteen aan wat het hoofdpersonage van dit, door Nico Rolle (overleden in 1976) van een hele hoop illustraties voorziene, boek werkelijk mankeert: hypochrondrie. Voor wie geen daar aan lijdende lieden, hypochonders genaamd, zou kennen: ziektevrees. Ofte (en ik haal er voor het gemak even Wikipedia bij) “een stoornis waarbij een persoon ervan overtuigd is een ernstige ziekte te hebben. Allerlei gewone of onschuldige lichamelijke verschijnselen worden gezien als teken van een ernstige ziekte, zoals een steek, jeuk of kramp. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot uitgebreid zoeken op internet naar de vermeende ziekte of het dwangmatig checken van het eigen lichaam. Als een arts de patiënt heeft onderzocht en de patiënt probeert gerust te stellen, heeft dit vaak alleen kortdurend, of helemaal geen effect.”

Het hoofdpersonage krijgt dat pas op de voorlaatste pagina van dit honderdzesentwintig bladzijden dikke boekje te horen – niet dat dat wat helpt overigens, wat dan weer, zoals hierboven aangegeven, tot de verwachtingen behoort -, terwijl de lezer het (als ie een beetje bij zijn verstand is) al van bij de eerste hoofdstukken door heeft, en het bedient zich ook niet van het internet (wegens toen nog in zijn kinderschoenen) maar van Coëlho’s Zakwoordenboek der Geneeskunde, een naslagwerkje met daarin zo’n veertigduizend medische termen dat intussen ook als app bestaat (een handige tip voor mocht u zelf neigingen tot hypochondrie hebben), maar in de honderdvierentwintig pagina’s daarvóór (en in die ene pagina daarna) zijn de avonturen ervan meer dan eens ‘buikpijnwekkend’ hilarisch (om de terminologie te gebruiken die De Telegraaf, waarvoor hij van 1974 tot 1988 schreef, bezigde in zijn in memoriam).

Met een hypochonder leven zal dat ongetwijfeld niét zijn, maar zelfs van dát gegeven, samen met het feit dat de hele familie meegaat in het ziektebeeld (of beter: de opeenvolging van ziektebeelden), weet Derksen met de gortdroge stijl die hij doorheen het hele boek hanteert een aanleiding tot voortdurend schuddebuiken te maken. Passages die die bewering kunnen staven uit dit boek halen is verliezen, want kiezen is verliezen, maar ik neem er toch maar eentje uit hoofdstuk een om dat te doen: “De nutteloosheid van mijn bestaan had ik al enige tijd vermoed, en het thans gerijpte besef dat ik zou kunnen sterven deed een grote vreugde in mij ontstaan: hierdoor immers zou ik verlost worden van de gedwongenheid van het leven. Opgewekt ging ik dus een onderzoek instellen naar het aantal mogelijkheden waarop wij kunnen overlijden. Het resultaat was bemoedigend. Mijn lichaam bleek zo ingewikkeld geconstrueerd, dat het aantal ziekten met dodelijke afloop zelfs niet door een computer was vast te stellen. Ik kon dus gerust zijn. Alle pogingen in de wereld enig aanzien te verwerven kon ik opgewekt staken: ze waren zinloos.” Wat uiteraard de fase nog net vóór de hypochondrie is: “Wat ik echter niet besefte was, dat deze vreugde zich zelf zou torpederen. Sinds jaren had ik mij niet zo opgewekt gevoeld en het was derhalve onomkoombaar dat ik op een kwade dag het leven plezierig begon te vinden. De paradox in dit psychisch proces ontging mij, maar de wetenschap zelf was moordend. Ik had geleerd het leven lief te hebben vanuit de zekerheid dat er wel spoedig een eind aan zou komen; nu ik het liefhad wenste ik onder geen beding te sterven.” Waarna het nog een kleine stap is naar: “Mijn angst had nog geen enkele concrete rechtvaardiging gevonden. Dat ik iets mankeerde was zeker; het was alleen zaak een ziekte te zoeken die volkomen bij mijn verschijnselen paste.” Een ziekte die desnoods te zoeken is in de afwezigheid daarvan: “Vervolgens ging ik op bed liggen met beide handen aan de keel en viel in slaap. Ik werd evenwel ook weer wakker. Opnieuw viel ik in slaap en door een merkwaardige samenloop van omstandigheden ontwaakte ik eveneens opnieuw. De vanzelfsprekendheid van dit gebeuren maakte mij echter geheel van streek. Ik meende dat een thermometer wellicht een aanwijzing kon geven in welke richting ik mijn naspeuringen diende te richten. Ik riep dus om een thermometer; maar die was er niet. Alleen een barometer. Deze voorspelde enkel slecht weer.”

“(…) slecht weer” dat van een vermeend hartprobleem naar “Ik heb een hersentumor” leidt. Van tante Jeanne die “een schriftelijke cursus psychologie aan een vermaard instituut” volgt, “dat de diploma’s bij inschrijving reeds voor verzending gereedhoudt”, naar tante Cor die “een optrekje [bewoonde] in de villa van een oude dame, die zij met veel liefde de levensavond hielp verkorten”. Van een dokter die niet getrouwd was “en wellicht juist daardoor (…) met drie vrouwen tegelijk uit zijn auto [stapte], precies op het moment dat ik aan zijn deurbel trok” naar een apotheker met avonddienst die “een fles bromatum-natrium en een met bromatum-nog-wat en nog-wat [nam], zodat zij uiteindelijk drie soorten broom bijeen had waarna zij er nog wat valeriaan aan toevoegde”. Van “een soort epistolaire reünie” waaruit hij afleid dat hij “hierdoor vermocht (…) [zijn] gezondheid te herwinnen, maar [dat] tegelijk (…) [zijn] leven alle kleur [zou] verliezen, zodat de zinloosheid van deze adviezen al in de resultaten besloten lag”, naar een volkstuintje waarin hij “verbazingwekkende kuilen” graaft (en weer dichtgooit). Van de reeds genoemde Coëlho naar Koenen-Endepols, of toch het door hen in het leven geroepen Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal. Van neurasthenie naar neurasthenia sexualis. Van tic impulsif, over tic d’attitude en tic rotataire, naar torticollis. Van zijn woonplaats naar Vaals, met de fiets, omdat zijn dokter hem gezegd heeft zomaar ‘nergens heen’ te fietsen, en vervolgens “naar Rome en Madrid, naar Oslo en Parijs”. Van het “duivels misverstand” waardoor hij “nog steeds niet gestorven was” naar weer een nieuwe dokter (een getrouwde, dit keer), die hem duidelijk maakt dat hij niet zal doodgaan aan een ontstoken haarzakje. Van ziende blind zijn naar nóg een dokter (“die wel een eigen vrouw had gehad, maar nu nog slechts een huishoudster bezat, omdat zijn vrouw inmiddels aan zijn eigen adviezen was overleden”). Van een de huiskamer in geslingerd “diuretisch hormoon” naar “de snelheid waarmee een zenuw een prikkel naar de hersenen overbrengt” (volgens Coëlho “drieëndertig meter per seconde”). Van “kleine gele vlekjes in mijn keelholte” naar het piepen van het Wilhelmus. Van de menslievende communist Bitter naar een ijverige dokter (“want er hing een kapstokje vol met kleine jasjes”), en van weer een dokter (die hij niet kan omschrijven omdat hij “voornamelijk leefde in het schimmige donker van een ruimte, waar telkens weer het onderdrukt gegiechel van een meisje tussen de wanden opklonk” terug naar zijn eerste dokter (“de zelfde die in eerste instantie achter mijn oogleden had gekeken, terwijl zijn drie vrouwen giechelend hadden gewacht”). En ten slotte van zijn eigen divan naar die van psychiater Frick: “Het is niet duidelijk wat een psychiater precies beoogt. Ogenschijnlijk sluipt hij voortdurend als een krab om zijn slachtoffer heen, wachtend op het moment waarop hij het onverhoeds in de nek kan bijten. Dat moment komt nooit. Het is derhalve schijn. De psychiater is een beroepsluistervink, die niets anders kan dan wat laatdunkend lachen. Men hangt de vuile was op aan zijn vrije tijd. En daarover blijkt hij in ruime mate te beschikken.” “[Ik begon hem] te vertellen dat ik telkens dacht te zullen doodgaan, bang was blind te worden, hersentumor te hebben, angina pectoris en een maagzweer (…) Ik vertelde hem hoe ik als jongen musjes doodschoot met een kattepult door het wc-raampje en hoe mijn moeder mijn vader onder een autobus wenste of in de gracht; dat maakte weinig verschil, vond ze, als hij maar dood was (…) Ik vertelde hem hoe ik als kind in de kelder zat te huilen omdat het op zolder zo tochtte (…) Ik zei hem ook dat mijn broer soms bezeten raakte van een vreemde ijver en dan bordjes vol belegde broodjes door het huis begon te smijten (…) Ten slotte trof hij mij onder het middenrif: hij wenste te weten wat ik gewoonlijk met mijn vrouw deed.” Als u niet per se dát wil vernemen, maar toch hoe elk van die van-naars verloopt, dan raad ik u ten zeerste de lezing van dit boekje aan. Iets erger dan een lachkramp kan u er niet aan overhouden.

Björn Roose