vrijdag 30 oktober 2026

Christine Lafontaine / Mevrouw Pilatus - Jean du Parc (boekbespreking door Björn Roose)

Christine Lafontaine / Mevrouw Pilatus - Jean du Parc (boekbespreking door Björn Roose)
Jean du Parc, Jean du Parc… de naam doet bij u geen belletje rinkelen? Geloof me, bij mij was dat ook niet het geval, maar met enige omwegen kwam ik er ten slotte achter dat Jean du Parc de ‘nom de plume’ was van Willem Putman. En dié, die kent u ongetwijfeld wél.

Nee, ook niet? Da’s raar… Alhoewel… Nee, ik ben flauwekul aan het verkopen, ik kende Putman ook niet bij zijn echte naam, al heeft ie dan tussen 1918, het jaar waarin hij achttien werd, en 1954, het jaar waarin hij overleed, meer dan vijftig toneelstukken, romans, oratoria en novelles bij mekaar geschreven. Vanaf 1946 onder de naam Jean du Parc: tijdens de oorlog was hij immers medewerker van een tweetal ‘collaboratiebladen’ geweest, werd een stuk van hem opgevoerd in Hamburg, gaf hij lezingen op verschillende ‘Kultuurdagen’, en was hij actief bij de Deutsch-Vlämische Arbeitsgemeinschaft, allemaal dingen waar de belgische staat na afloop van die oorlog niet echt goed mee om kon. Gevolg: Berufsverbot, zijn burgerrechten kwijt, niet meer kunnen publiceren onder z’n eigen naam, maar toch een gezin met zes kinderen te onderhouden hebben, dus schrijven onder schuilnaam. Tevergeefs overigens, al snel wist zo goed als iedereen dat Jean du Parc Willem Putman was (toen nog wel). Wat er niet echt toe deed, klaarblijkelijk, want de belgische staat liet hem verder met rust.

Genoeg met rust zelfs om een boek als Christine Lafontaine (voor het eerst gepubliceerd in 1946) te kunnen schrijven, dat toch handelt over de Duitse bezetting en waarin de Duitsers niet als beesten worden neergezet, en z’n in 1940 gepubliceerde toneelstuk Mevrouw Pilatus te herwerken tot een in 1949 gepubliceerde “tragedie der gerechtigheid”, waarin een niet onbelangrijk aantal joden niet op z’n gunstigst geschilderd worden. Of die romans ook zijn beste werken waren, weet ik niet (meer van Putman heb ik niet gelezen), maar ze werden in ieder geval meer dan twintig jaar na zijn overlijden gebundeld in een Jean du Parc omnibus (met name in nummer 2), en die omnibus, verschenen bij D.A.P. Reinaert Uitgaven, stond in mijn boekenkast.

Stond, inderdaad. Om meerdere redenen. Christine Lafontaine, of toch het verhaal onder die titel, mag dan al zo’n driehonderd bladzijden dik zijn, voor mij was het een zéér lang uitgesponnen, met een overvloed van woorden, en enigszins blasé gebrachte stationsroman (al heeft Putman behalve met enige dikdoenerij over de klassieke stukken die het hoofdpersonage speelt – en waar hij ongetwijfeld zelf van hield, hij speelde kennelijk zelf niet onverdienstelijk - dan met een truc, het regelmatig wisselen van point of view, geprobeerd dat idee te temperen). Okee, dat een vrouw met haar kind alleen komt te staan omdat haar man krijgsgevangen genomen is door de Duitsers, dat begrijp ik. Dat die vrouw, ondanks het feit dat haar man toch ook maar een officier is en zij kennelijk niks moet doen voor de kost, in een betrekkelijke weelde leeft, tot daar aan toe (een lezer hoeft ook niet alles te weten). Dat het huis waarin die vrouw, met haar kind én dienstmeisje, woont groot genoeg is om op de ‘zolder’ een Duitse officier ingekwartierd te krijgen, goed, er moet een beetje spanning zijn. Dat die Duitse officier stapelverliefd op haar wordt, dat kan gebeuren. Dat zij zo trouw is aan haar ergens in Beieren verblijvende man dat ze dat in eerste instantie nauwelijks door heeft ook. Maar dat er ná die Duitse officier ook nog een broer van haar man langs komt om haar ‘binnen te doen’ en na hem een collega van haar man die nota bene mét hem krijgsgevangen gezeten heeft, dat is er meer dan over (al helemaal omdat die laatste twee allebei enig geweld niet schuwen om hun goesting te krijgen of tenminste dat te proberen). Dat die man dan bij zijn terugkomst een jaloeziecrisis krijgt terwijl er niks is om jaloers over te zijn, nog méér. Dat zij dan op haar beurt een flauwte krijgt terwijl ze naar een vijver loopt in plaats van zich te verdrinken, dat is belachelijk. En dat (bijna) alles op het einde toch nog goed komt al helemaal. En wat te zeggen van Mevrouw Pilatus? Awel, dat heeft een aantal van de nadelen van Christine Lafontaine – ook hier is het duidelijk dat de ideale vrouwen voor de auteur een soort idool maken van hun man, een idool dat als het van zijn voetstuk valt, riskeert in gruzelementen te breken -, maar ook het potentieel van een goed verhaal. Mevrouw Pilatus is, u had de naam ongetwijfeld al herkend, de vrouw van de man die de geschiedenis ingegaan is als degene die zijn handen in onschuld waste nadat hij de joodse bevolking van Jeruzalem de keuze tussen de moordenaar Barabbas en Jezus Christus heeft laten beslechten in het nadeel van die laatste. En het naar haar genoemde verhaal is het verhaal van Jezus Christus vanaf zijn opsluiting in de gevangenis tot kort na zijn dood, maar dan gezien vanaf de Romeinse kant. Meneer Pilatus speelt daarin, naast zijn ‘madam’, uiteraard een grote rol, maar ook een aantal van zijn officieren, de courtisane Maria Magdalena (een niet alleen vanwege het feit dat ze joods is onwaarschijnlijke vriendin van mevrouw Pilatus), Jozef van Arimathea, de ‘heren’ van het Sanhedrin, Barabbas zelf (en niet in een bijrol), en nog wat volk daar tussenin. Een onbekende kant van de medaille, een verwaarloosde kant in ieder geval, met het potentieel van een alternatieve geschiedenis, iets waar het verhaal lange tijd naartoe lijkt te evolueren, totdat aan die evolutie abrupt een einde komt. Met een volkomen onlogische hersenkronkel van meneer Pilatus: op de ene bladzijde zegt hij nog dat de ‘heren’ van het Sanhedrin de pot op kunnen met hun vraag om Jezus te veroordelen en voegt hij daar aan toe dat hij lak heeft aan wat ‘het volk’ volgens hen wil, want dat dat volk een brede rug heeft (waarop de elite dus eender wat kan schuiven), maar op de volgende denkt hij een geniale truc gevonden te hebben door datzelfde volk te laten kiezen tussen de moordenaar Barabbas en de vooral met zijn tong (althans volgens de Romeinen) indrukwekkende Jezus. Alsof de heren van het Sanhedrin geen campagne zullen voeren tégen Jezus, alsof ze dat volk niet zullen manipuleren. Tot op het moment dat meneer Pilatus besliste dat die keuze een geniale zet van hem was, had ik goede hoop dat dit verhaal me Christine Lafontaine helemaal zou doen vergeten, maar daarna was dat wel gedaan, temeer omdat mevrouw Pilatus gewoon Christine Lafontaine maar in overdrive is. Met een evenzeer overdrivende meneer Pilatus als tegenspeler.

Dat gezegd zijnde, ook de stijl van – vooral – Christine Lafontaine werkte me op de zenuwen. Het kán een stijl geweest zijn waarvoor zwijmelende vrouwen, het soort waar Putman kennelijk van hield, vielen, maar ik voelde al kriebels opkomen bij de eerste paragrafen van het eerste hoofdstuk: “Het huis zingt. Het schijnt in wellustige overdadigheid muziek uit te wasemen als een bloemtuil die te fel geurt, terwijl de lentezon lichtkladden werpt op de keurige draperieën en de veelal rumoerige straat geleidelijk verstomt in een angstvallig, haast huiverig zwijgen. Er hangt een tedere wazigheid over het stadje, waarin als het ware de schim van een schuchter verlangen naar betere tijden hangt – want het is de meimaand van het oorlogsjaar negentienhonderdeenenveertig. En het is de eerste maal dat het huis zingt, sinds een heel jaar – het statige patriciërshuis, dat min of meer de straat beheerst, en twaalf maanden gehuld lag in een weigerige stugge stilte.” Of bij deze: “Men begrijpt niet hoe het eerste sprietje groen onvoorzien opduikt in een barre kleurloosheid. Men begrijpt niet hoe de eerste rimpel de vlakheid van een waterspiegel beroert. Men begrijpt het wonder niet. Geen mens peilt in de diepte van een gemoed, dat des te grondelozer schijnt naarmate het rijk is. En zo is er schroom in de verrukking waarmede de ziel van Christine Lafontaine haar omgeving toespreekt.” Of bij deze: “Er zijn veel kussen geweest in mijn leven. Het is eigenaardig dat vooral sommige kussen blijven leven in je verbeelding. Het is mij genoeg ze mij te herinneren om een rilling door mijn leden te voelen varen. In het bijzonder heb ik toen gedacht aan die kus in een donkere bioscooploge, waar ik mij langzaam achterover neeg, mijn hoofd lei in de plooi van zijn arm, en dan verging onder zijn adem, gewoon verging, wegsmolt, wegdoezelde in een beklemmend genot, zonder bodem en zonder einder…” Noem mij onromantisch, maar nadat ik m’n best gedaan heb om een tiental van die passages in ernst te lezen, houdt het voor mij wel zo’n beetje op. Ik ga dan diagonaal lezen omdat ik te veel karakter heb om het boek gewoon dicht te slaan en nooit meer te openen, en hopen dat het snel beter wordt, maar dat doet het niet: ook Putman was een volhouder, Christine Lafontaine is een kelk vol blabla, van begin tot einde.

Wat een stuk minder is in Mevrouw Pilatus – op de passages na dan waarin we meegenomen worden in de ‘gedachtenwereld’ van die mevrouw Pilatus -, maar als ik de toevallige bezitters van deze omnibus een tip zou mogen geven: vergeet Christine Lafontaine en lees enkel Mevrouw Pilatus. Dat die geschiedenis op een zeker moment niét meer alternatief blijkt te zijn, of toch niet in die mate waarin je dat zou hopen, is misschien iets waar u minder zwaar aan tilt dan ik.

Björn Roose

maandag 26 oktober 2026

De avonturen van Baron von Münchhausen – Rudolf Erich Raspe (boekbespreking door Björn Roose)

De avonturen van Baron von Münchhausen – Rudolf Erich Raspe (boekbespreking door Björn Roose)
Baron von Münchhausen… wie kent hem niet? Op zijn minst van naam en faam. Wat telkens weer volstaat om nieuwe edities van zijn avonturen op de markt te brengen. Dat moeten ze ook gedacht hebben bij de Vlaamse Uitgevers Maatschappij die ergens in het eerste decennium van het jongste millennium een aantal boekjes ‘weggaf’ (voor een licht prijsje, neem ik aan, ik heb destijds de serie niet gevolgd) bij zijn kranten Het Nieuwsblad, De Gentenaar en Het Volk, boekjes waaronder dus ook voorliggend De avonturen van Baron von Münchhausen te vinden was. Avonturen die ik in mijn vroege jeugd zeker al eens gelezen had in ik weet niet welke vertaling, maar die niet in mijn bibliotheek zaten tot ik deze editie ergens in een kringwinkel op de kop tikte en meenam naar huis. Avonturen die ik – u hebt dit intussen in een aantal variaties al in meerdere boekbesprekingen van dit najaar (2026) vernomen – gelezen heb op reis in Italië. Avonturen waaraan in alle eerlijkheid het interessantste voor mij was dat ze vertaald werden door Godfried Bomans, die er ook een inleiding bij voorzag, en geïllustreerd door Gustave Doré (over wie achteraan in het boek ook Enkele gegevens zijn opgenomen).

Het kleine formaat van de versie in mijn bezit doet niet echt recht aan die illustraties – ik zou ze dus graag eens in grotere editie zien -, maar de Inleiding van Bomans (wiens vertaling uiteraard óók dik in orde is) maakte herlezing van dit werk de moeite waard. Alleen al omwille van het begin daarvan: “Wanneer ik psychiater was, zou ik de mensen niet van hun fouten afhelpen. Ik zou zeggen: goed, dit zijn uw gebreken en nu: wat doet u ermee? Er zijn maar weinig vormen van creativiteit, die op een surplus berusten. De meeste wortelen in tekortkomingen. Wie zich werkelijk verdiept in de levens van hen, die op deze aarde iets gepresteerd hebben, wordt telkens getroffen door het verschijnsel, dat de eigenlijke kracht van die mensen een gebrek geweest is, dat tot een kwaliteit werd omgebogen. En hoe dieper men kan zinken, des te hoger men stijgen kan. ‘Ik heb nog nooit van een misdaad gehoord,’ zegt Goethe, ‘die ik niet zelf had kunnen begaan.’ Niettemin werd hij Goethe. De ontstellende veelzijdigheid van zijn criminele mogelijkheden wist hij om te toveren in de pauwenstaart van zijn geweldige oeuvre.”

Was baron von Münchhausen dan een soort van een Goethe, is dat wat Bomans wil zeggen? Nee, al heeft hij wel degelijk bestaan: “Hij heette Hieronymus Karl Friedrich, Freiherr von Münchhausen en leefde, toen het boek verscheen, in otio cum dignitate [Bomans verwijst naar ‘otium cum dignitate’, rust in waardigheid, noot van mij] op zijn landgoed aan de Weser te Bodenwerder, waar hij zich, na als kapitein enige Russische veldtochten tegen de Turken te hebben meegemaakt, reeds in 1760 op veertigjarige leeftijd had teruggetrokken.” “Als gastheer”, vervolgt Bomans, “genoot hij een zekere vermaardheid, minder om wat zijn keuken en kelder te bieden hadden, als wel om de wijze waarop hij zijn gasten wist bezig te houden. Hij vertelde de dolste geschiedenissen met een stalen gezicht en het was deze combinatie van een fantastische inhoud met een volstrekt zakelijke toon van mededeling, die zijn verhalen allengs een lokale roep bezorgden”. Een “lokale roep” die onder andere tot bij degene leidde waarover Bomans het aan het begin van zijn Inleiding had als hij sprak over talenten wortelend in tekortkomingen, Rudolf Erich Raspe, die de baron persoonlijk kende en dus wel eens bij hem te gast was. Hij was het die anoniem een achttiental anekdoten “zonder enig onderling verband” publiceerde in het Berlijns tijdschrift Vade Mecum für Lustige Leute en vervolgens in boekvorm én in het Engels als Baron Münchhausen’s Narrative of his marvellous Travels and Campaigns in Russia. Dat alles zonder medeweten van de baron zelf, “die zich plotseling tot een legendarisch leugenaar getransformeerd zag”, zijn huis (te laat) sloot voor elk bezoek, en in 1797 (toch nog twaalf jaar na het verschijnen van het originele boek) “als een verbitterd man” stierf.

In tegenstelling tot Raspe, zou je dan kunnen denken. Immers: “Het boek sloeg in als een bom. In enkele jaren tijds was het in tientallen talen vertaald en de ene herdruk volgde op de andere (…)”. “(…) telkens met nieuwe toevoegingen verrijkt”, voegt Bomans daar echter aan toe, toevoegingen die niet altijd van Raspe zelf kwamen, en die Bomans enkel overgenomen heeft “waar de pen van Raspe nog duidelijk bespeurbaar is”. Een pen waarnaar gezocht moet worden, want Raspe had ook het boek anoniem gepubliceerd. Pas toen namelijk in 1847 een biografie van Gottfried August Bürger, de Duitser die het anoniem gepubliceerde boek van Raspe (terug) naar het Duits vertaalde en daarom zélf lange tijd voor de auteur werd gehouden (temeer omdat hij wel degelijk hele stukken toevoegde aan het origineel), verscheen, werd daarin onthuld dat Raspe de oorspronkelijke auteur was, Raspe die toen al meer dan een halve eeuw dood was: “Raspe werd”, aldus weer Bomans, “geboren in 1737 te Hannover en stierf in 1794 ergens in Engeland, waar hij de laatste twintig jaar van zijn mislukt leven heeft doorgebracht.” Een mislukking die zijn reden vond in “een grenzeloze megalomanie”, “want Baron von Münchhausen is Raspe zelf, maar dan opererend in een bijna volstrekte luchtledigheid. Hij is wat Old Shatterhand voor die andere mislukte Duitser werd: de revanche van een gedwarsboomd begaafde op de maatschappij. Er is één verschil: Karl May was trots op zijn gesublimeerd ego, Raspe echter heeft het vaderschap van de Baron nooit erkend.”

Wat eigenaardig is gezien dat vaderschap het enige is waarvoor hij nu – ondanks zichzelf – nog bekend is. Wie hecht er nog enig belang aan het feit dat hij filologie, natuurwetenschappen en rechten ging studeren aan de universiteiten van Göttingen en Leipzig? Wie is er nog geïnteresseerd in zijn werk als conservator van het munten- en edelstenenkabinet van de landgraaf van Hessen-Kassel? Wie heeft nog een hoge dunk van het feit dat hij in 1769 vanwege zijn wetenschappelijke reputatie lid kon worden van de Britse Royal Society? Wie zou nu nog, als het niet was vanwege zijn belang als auteur van De avonturen van Baron von Münchhausen, weten dat hij al van in zijn studententijd het geld over de balk gooide, de edelstenen van de landgraaf stal, moest vluchten uit Hessen-Kassel, na gevangen genomen te zijn ontkwam naar Engeland, en daar, toen ze van zijn avonturen op de hoogte werden gesteld, uit de Royal Society werd gezet? Wie zou ooit gehoord hebben van zijn poging om een satire te publiceren op wat dat eerbiedwaardige gezelschap allemaal uitstak? Wie zou zijn vertalingen van publicaties over mineralogie waarvoor de uitgever wél bereid was te betalen nu nog lezen? Wie zou er enig belang aan hechten dat kapitein Cook hem niet wou meenemen naar Tahiti, en dat zijn vrouw, die hij niet had willen meenemen toen hij Hessen-Kassel met spoed moest verlaten, van hem gescheiden was? Wie zou zich zodanig in zijn geschiedenis verdiept hebben dat hij te weten kwam dat hij zich met de geschiedenis van olieverfschilderijen ging bezighouden, in 1784 een opdracht wist te krijgen om in Cornwall bodemonderzoek te doen, zich daar in de plaats al snel bezig zou houden met het catalogiseren van edelstenen, voor mineralogisch onderzoek verkaste naar Schotland, vervolgens naar Wales, en ten slotte stierf in Ierland, alwaar hij in 1793 gearriveerd was om koper te zoeken? Het antwoord op elk van die vragen is: niemand. “Men moet natuurlijk wat zijn om de kolossale concepties, die Raspe afwisselend aanvatte en weer vallen liet, alleen maar te bedenken en in veel van zijn ideeën was hij zijn tijd ook verre vooruit”, schrijft Bomans, maar “Wat de man (…) miste was zelfkritiek. Zijn mateloosheid in alles wat hij ondernam, zijn volstrekt onvermogen om het wenselijke van het uitvoerbare te onderscheiden, de totale afwezigheid van enige introspectie en daardoor kennis van zijn medemensen, dit alles gepaard aan een uitzonderlijke begaafdheid in wat hij ook ondernam, maar zonder het geduld, de concentratie en de wetenschappelijke ootmoed om telkens de hoogste sporten van zijn vele ladders te beklimmen, al die fouten bestemden hem tot wat hij ten slotte is geworden: een charlatan.” Waarna de inleider terugkomt op die tekortkomingen en die creativiteit waarover hij het in het begin van de Inleiding had: “Vanaf het ogenblik dat hij, in die paar heldere dagen van een verregend leven, zijn eigen gebreken wist te projecteren in een gestalte op papier, schiep hij een onvergankelijk figuur. Voor één keer hoefde Raspe niet te simuleren. Hij moest vorm geven aan juist datgene, waarop hij overal elders zijn nek gebroken had: de overdrijving. Hij kon eindelijk zichzelf zijn. Door de mateloosheid centraal te stellen, zonder enige concessie aan geloofwaardigheid, zette hij een man in de wereld die helemaal van hem was en sindsdien ook is blijven leven.”

Dat alles gezegd zijnde, blijft dit natuurlijk wel een bespreking van wat De avonturen van Baron von Münchhausen inhouden. Mateloze overdrijving, inderdaad, totaal ongeloofwaardige verhalen, geen enkele poging om het verschil tussen Dichtung und Wahrheit te verdoezelen. Ik begrijp dat Bomans destijds de opdracht heeft aangenomen om voor de “eerste authentieke weergave in het Nederlands van de Engelse first edition” te zorgen (met dien verstande dat hij daarvan af en toe moest afwijken omdat de uitgever er ook de illustraties van Doré in wou hebben en dat die illustraties soms gebaseerd zijn op de Franse bewerking van de Duitse vertaling), maar z’n eigen verhalen over Pa PinkelmanenTante Pollewop steken wat dat betreft mijlenver boven die van Raspe uit. Ook wat het effect op de lachspieren betreft. Misschien was dat toen de verhalen over von Münchhausen voor het eerst verschenen anders, mensen in die tijden zullen zich allicht in de serieuze achtergronden kunnen herkend hebben, maar nu zijn ze helaas verworden tot flauwiteiten. Blazing Saddles voor wie niet bekend is met de clichés van westerns, zeg maar. Wat niet belet dat er af en toe een op zich écht humoristische passage in zit. Bijvoorbeeld de eerste lijn van het eerste verhaal, de Reis naar Rusland en Sint-Petersburg: “Ik vertrok naar Rusland in het hartje van de winter, omdat de wegen door Noord-Duitsland, Polen, Koerland en Letland, die anders onbegaanbaarder zijn dan het pad der deugd, in dat jaargetijde door sneeuw en ijs nog enige hardheid krijgen”. Of die over zijn trouwe hond in Over honden en paarden van de Baron von Münchhausen: “Hij liep zo ijverig en langdurig in mijn dienst, dat zijn poten bijna volledig waren afgesleten en ik mij gedwongen zag hem als terriër te gebruiken”. Of die over de onbetrouwbaarheid van de Fransen in Avontuur van de Baron von Münchhausen tijdens zijn gevangenschap bij de Turken: “Spoedig hierop werd er met de Turken een vredesverdrag gesloten, dat in weerwil van de Franse diplomatie voor Rusland niet ongunstig uitviel”. Of die over de dapperheid van generaals in Nog enige verrassende gebeurtenissen: “Het zal ongeveer twee maanden later geweest zijn dat ik op een ochtend met generaal Elliot aan het ontbijt zat en een granaat (want hun mortieren had ik verzuimd te vernietigen) door het plafond naar beneden kwam en midden op tafel belandde. De generaal deed, wat de meeste mensen in zulke omstandigheden doen: hij verliet terstond de kamer (…)”. Of, ten slotte, die over de gepaste bescheidenheid van kanonnenvoer in de Avonturen van de Baron von Münchhausen in de oorlog tegen de Turken: “De bescheidenheid verbiedt ons, gewone stervelingen, van enig persoonlijk aandeel te gewagen in de roemrijke gebeurtenissen te velde, die immers aan de verdiensten van de commandant worden toegeschreven, zo niet, wat nog neteliger is, aan vorstelijke personen die, behalve bij parades en militaire oefeningen, nog nimmer een vijandelijke krijgsmacht in slagorde zich ontplooien zagen”. Allemaal mooie, in bijvoorbeeld dat laatste geval zelfs nog buiten hun context citeerbare, zinnen, maar gevat in een uit los zand bestaand ‘verhaal’ dat voor de rest eigenlijk alleen nog kinderen tot kortstondig amusement kan dienen.

Björn Roose

vrijdag 23 oktober 2026

De blikken trommel – Günter Grass (boekbespreking door Björn Roose)

De blikken trommel – Günter Grass (boekbespreking door Björn Roose)
Zoek Günter Grass op, op Wikipedia en de derde zin die je krijgt, is deze: “Volgens eerdere berichten werd hij tijdens de Tweede Wereldoorlog opgeroepen voor de hulptroepen van de Duitse luchtmacht. Dit bleek echter onjuist, in augustus 2006 maakte hij zelf bekend dat hij zich op 15-jarige leeftijd vrijwillig aanmeldde voor dienst op een U-boot. Daarvoor werd echter niemand meer aangenomen, waarna hij in dienst moest bij de Reichsarbeitsdienst. Op 17-jarige leeftijd (1944) werd hij als dienstplichtige opgeroepen door de Waffen-SS, waar hij dienstdeed bij de 10e SS-Pantserdivisie ‘Frundsberg’”.

Een aardig staaltje van toning down is dat. Grass beweerde zélf namelijk steeds weer dat hij opgeroepen was als Flakhelfer, het was niet iemand anders die daar “eerdere berichten” over verspreidde. En zelfs nádat hij in z’n uit 2006 daterende boek Beim Häuten der Zwiebel, meer dan zestig jaar na datum, bekend had bij de Waffen-SS gezeten te hebben, hield hij vol dat hij zulks nooit ontkend had, maar er alleen over zweeg. Terwijl hij wel naam gemaakt had door zijn landgenoten er voortdurend toe aan te zetten zich dingen te ‘herinneren’, eerlijk te zijn, omdat de naoorlogse kinderen recht hadden te weten wat hun ‘onschuldige ouders’ hadden uitgevreten tussen 1939 en 1945.

Ik had van Grass nooit wat gelezen vóór 2006, maar dat nieuws, dat toen de wereld rondging, was voldoende om me nog gedurende vele jaren verder te onthouden van lezing van zijn boeken. Misschien een beetje een overreactie van me – niks menselijks is me vreemd -, maar ik heb nu eenmaal meer respect voor een nationaal-socialist of communist die daarvoor uitkomt, ook en zeker nadat het spel verloren is, dan voor een exemplaar dat dat niet doet, al helemaal niet als dat exemplaar van een ander vraagt het wél te doen.

En toch ben ik een paar weken geleden (tegen dat deze boekbespreking gepubliceerd wordt zelfs een paar maanden geleden) begonnen aan het toen al even in mijn kast staande Die Blechtrommel, Grass’ romandebuut uit 1959, door Koos Schuur vertaald als De blikken trommel en ín die vertaling voor het eerst verschenen in 1964. Waarom? Omdat het boek daar (in mijn boekenkasten dus) stond tussen zijn Kat en muis en het eerder genoemde Beim Häuten der Zwiebel. Omdat het er toch eens van moest komen. Omdat ik dacht dat het me niet zou bevallen en ik door het te lezen wat ruimte zou scheppen in mijn boekenkasten. Waarmee ik volkomen verkeerd zat: De blikken trommel beviel me zeer en zal dus na deze bespreking zijn plaats in mijn boekenkasten terugkrijgen.

Nu, wat is De blikken trommel niét? Een anti-oorlogsroman. Iets wat er vaak van gemaakt wordt omdat de film die in 1979 werd geproduceerd op basis van het boek zich grotendeels beperkte tot de oorlogstijd – die is altijd vol gebeurtenissen en foto/filmgeniek, is het niet? -, en het verhaal niet pró oorlog is. ‘Beperkte’ inderdaad, want zelfs in een director’s cut van honderdtweeënzestig minuten kan je geen boek van meer dan vijfhonderd bladzijden kwijt dat zich grotendeels afspeelt in de gedachten van het hoofdpersonage. Al helemaal niet als de actie en de gedachten zich op hun beurt afspelen in twee tijden en op meerdere plaatsen, zijnde de psychiatrische instelling waar de verteller verblijft (al in de eerste zin van de roman lees je dat: “Ik geef toe: ik ben patiënt in een zenuwinrichting”) en het Danzig/Normandië/Düsseldorf/Parijs waar zijn voorgeschiedenis zich heeft afgespeeld. Filmmakers houden van actie, het filmpubliek ook, en van duidelijkheid (of hoogstens van de onduidelijkheid die ze zelf scheppen), het filmpubliek idem: een boek als De blikken trommel verfilmen zoals het hoort, kan eigenlijk alleen maar door dat na te laten.

Waarmee u nog niet weet waarover het boek dan eigenlijk wél gaat. Wel, over het leven van ene Oskar Matzerath (ik geef hem voor het gemak die familienaam, al wenst hij zichzelf in grote delen van het boek niet als een Matzerath te beschouwen), zogezegd geboren met het verstand van een volwassene (voor wat dat waard is, en uiteraard alleen een ‘feit’ omdat de volwassen Oskar Matzerath zulks beweert) en op z’n drie jaar – ook al zogezegd - besloten hebbend niet meer te groeien (omdat hij, volwassen als hij is, vreest zich niet meer als een kind te zullen mogen gedragen als hij fysiek groter wordt). Hij groeit ook letterlijk niet meer, iets wat voor de buitenwereld het gevolg is van een val van een keldertrap, maar ook iets waarvan de hoofdpersoon beweert dat hij die val geënsceneerd heeft. Oskar doet dus wat hij wil, Oskar wordt nooit het slachtoffer van de omstandigheden; als de omstandigheden – die Oskar nooit helemaal schijnt te vatten - een beetje vervelend worden, weet Oskar zich daar zonder grote moeite en zonder zich veel aan te trekken van het lot van z’n naasten uit te redden. Iets waar pas een einde aan komt als hij, ik zal het maar zo noemen, uiteindelijk wél eens met de vinger gewezen wordt, door een dode dan nog, na enig prakkezeren op de vlucht gaat, veroordeeld wordt door een rechtbank (op basis waarvan is niet echt duidelijk), en in een nieuwe ontsnapping aan de werkelijkheid in genoemde psychiatrische instelling terechtkomt. Waar hij dan meteen ook weer van maakt dat zulks zijn doel was: “Mijn witgelakte metalen gestichtsbed is dus een maatstaf. Voor mij is het zelfs nog meer: mijn bed is het uiteindelijk bereikte doel, het is mijn troost en het zou mij tot geloof kunnen worden, wanneer de gestichtsleiding mij toestond enkele veranderingen aan te brengen; ik zou het traliewerk wat hoger willen laten maken zodat niemand mij ooit meer te dicht benadert”. Oskar wil dus heersen in zijn wereld, Oskar wil het ritme bepalen, Oskar wil dat anderen zijn ritme volgen, en Oskar realiseert dat op twee manieren: hij schreeuwt en hij trommelt. Als hij schreeuwt, een vermogen dat hij naderhand (gedeeltelijk) lijkt kwijt te spelen, maakt hij dingen kapot. Dingen bestaand uit glas. Brillen, vensters, lampen, etalages, whatever. In het begin ongecontroleerd, zodat iedereen voortdurend op z’n tenen moet lopen om hem geen woedeaanvallen te doen krijgen, want als hij die krijgt, schreeuwt hij. Later bewust; omdat hij wil testen wat hij met zijn schreeuwen kan bereiken, omdat hij geen zin heeft in school, omdat hij anderen wil aanzetten tot criminaliteit, omdat hij de leiding wil overnemen van een bende criminelen. En als hij trommelt, op de ene blikken trommel na de andere, want hij slaat die dingen in de vernieling door er zo veelvuldig mee bezig te zijn, brengt hij zijn verhaal over aan de wereld, een wereld die geacht wordt dat verhaal uit de door hem gespeelde ritmes te halen, een wereld waarvan hij uiteindelijk leert de emoties te controleren: hij wordt professioneel muzikant en weet hele zalen, overal in Europa, aan het lachen of huilen te krijgen door zijn getrommel. Hij beheerst uiteindelijk dus z’n eigen emoties, hij schreeuwt alleen nog als het hem uitkomt, en ook die van de massa, in die zin dat die emoties toont die hij wil zien en op het moment dat hij die wil zien. Oskar is dus – in mijn ogen, ik zit wat ik hier schrijf per slot van rekening zelf te verzinnen – een psychopaat: egocentrisch tot en met, manipulerend, emotioneel zonder diepgang, zelden berouw tonend, en impulsief. Allemaal ‘diagnoses’ die ik hier verder zou kunnen uitwerken, maar die ik voor de rest van deze bespreking zal laten liggen waar ze liggen: voor uw neus. Dat Oskar een psychopaat is, is namelijk precies wat dit boek – samen met de stijl van Grass, maar daar komen we straks nog op terug – zo, tsja, leuk maakt. Oskar doet gewoon zijn zin, Oskar trekt de wijde wereld in, Oskar beleeft het ene avontuur na het andere, Oskar wordt nauwelijks geconfronteerd met ballast, en als hij daarmee geconfronteerd wordt, dan is dat alleen maar omdat hij er zélf last van heeft. De voorgeschiedenis van zijn familie is belangrijk waar hij daar zelf verklaringen voor zijn zijn kan uithalen, de huidige (en intussen vroegere) geschiedenis van zijn familie is vervelend als hij daar niks meer aan heeft. Mensen buiten zijn familie zijn belangrijk als hij hen nodig heeft voor zijn persoonlijke ontwikkeling, voor het nastreven van zijn doelen, desnoods voor het wegwerken van het occasionele trauma, maar nooit omwille van hen zelf. Polen is belangrijk omdat de man die hem volgens hem verwekt heeft daarvandaan komt; andere dwergen zijn belangrijk omdat hij in hun gezelschap wél beschouwd wordt als volwaardig, maar zij zelf dan weer niet; de nationaal-socialisten worden belangrijk als hij dankzij hen op tournee kan gaan; Danzig is belangrijk omdat hij de stad kent; maar er wordt niet getreurd als Danzig net als Polen onder de voet gelopen wordt, als de nationaal-socialisten het pleit verliezen, als de dwergen sterven (ach, misschien een beetje), want altijd weer heeft Oskar één doel voor ogen: zichzelf.

En waarom maakt dat dit boek ‘leuk’? Omdat het er, weerom samen met de stijl van Grass (waarmee ik, dat ziet u nog wel, voor de duidelijkheid niet, bijvoorbeeld, het in het hoofdstuk Beton bezichtigen of mystiek barbaars verveeld postmodernistisch inlassen van een toneelstuk bedoel), vooral een schelmenroman van maakt. Ja, het ís natuurlijk ook een historische roman – de feiten over de gevechten om Danzig, de bunkers in Normandië, de wederopbouw, de inflatie, enzovoort, zijn gewoon, inderdaad, feiten - én wat dan in het Duits een ‘Entwicklungsroman’ heet (de psychologische kant waarover ik het hierboven heb gehad), maar doordat Oskar overal brokken maakt en zich daar niks aan gelegen laat, daar ook nauwelijks voor ter verantwoording wordt geroepen (omdat zo goed als iedereen hem als een kind blijft zien), en zichzelf ook niet verantwoordelijk vindt, krijg je als lezer ook de toelating hetzelfde te doen. Als je dit werk van Grass combineert met het gegeven dat hij gedurende zestig jaar ‘zweeg’ over zijn dienst bij de Waffen-SS en van de Duitsers tegelijkertijd vroeg dat ze zich dingen zouden ‘herinneren’ zoals ze waren, dan vraag je je voornamelijk af wát hij dan het ‘herinneren’ waard vond of hoe de dingen er volgens hem werkelijk uitzagen. Of zoals Hans Magnus Enzensberger in zijn recensie voor de Süddeutscher Rundfunk zei op 18 november 1959: “Zijn blindheid voor alles wat ideologisch is, behoedt hem voor een verleiding waaraan zo veel schrijvers bezwijken: namelijk die om de nazi’s te demoniseren. Grass schildert hen in hun ware aura, een aura dat vrij is van iets Luciferiaans: het aura van muffe middelmatigheid.” Een “middelmatigheid”, een ‘normaliteit’, die dus ook te vinden is in hoe Oskar zichzelf ziet en hoe Grass dat weergeeft. Een “middelmatigheid” die er in het geval van Oskar niet ís, en daardoor dus voortdurend komisch wordt. Waarvan ik u massa’s voorbeelden kan geven omdat in dit boek zo goed als élke zin an sich het lezen waard is, iets wat er voor zorgde dat ik De blikken trommel aan een naar mijn doen ontzettend traag tempo heb gelezen en veel passages heb aangeduid. Een gegeven waarvan ik u, geduldige lezer, niet het slachtoffer zal laten worden: ik houd het bij een aantal korte citaten. Bijvoorbeeld het volgende, aan het begin van het hoofdstuk Onder het vlot: “Het is helemaal niet zo eenvoudig om hier, liggend in het met zeepsop afgeboende metalen bed van een zenuwinrichting en in het gezichtsveld van een van glas voorzien en met Bruno’s oog gewapend kijkgat, de rooksluiers van een kasjoebeis aardappelloofvuur en de arcering van een oktoberregen na te tekenen. Indien ik mijn trommel niet had gehad die, wanneer met bekwaamheid en geduld gebruikt, alles invalt wat er aan bijkomstigheden nodig is om de hoofdzaak op het papier te kunnen zetten, en wanneer ik van het gesticht niet de toestemming had om drie tot vier uren per dag mijn trommel te laten spreken, dan was ik een arme man geweest zonder aanwijsbare grootouders”. Of dit uit het hoofdstuk Het Poolse postkantoor: “De klok in de lokettenhal vertelde mij dat het twintig na vier was. Toen het eenentwintig na vier was, kon ik aannemen, dat de eerste gevechtshandelingen het uurwerk niet hadden beschadigd. De klok liep en ik wist niet of ik deze gelijkmoedigheid der tijd als een goed of een slecht teken moest uitleggen”. Of dit in Hij ligt in Saspe: “De dertig mannen evenwel – waaraan Jan nog toegevoegd kan worden – met hun opgeheven armen en de handen achter hun nek, die bracht men, nadat het filmnieuws zijn opnamen had gemaakt, eerst naar de ontruimde Viktoriaschool, daarna naar de gevangenis Schiessstange en tenslotte, begin oktober, naar het losse zand achter de muur van het vervallen en buiten gebruik geraakte kerkhof van Saspe”. Of dit helemaal aan het begin van Vijfenzeventig kilo: “Vjazma en Brjansk; toen begon de modderperiode. Ook Oskar begon midden oktober eenenveertig hevig in de modder te woelen. Hopelijk vergeeft men mij dat ik de moddersuccessen van de centrale legergroep stel tegenover mijn successen in het onbegaanbare en eveneens echt modderige terrein van mevrouw Lina Greff. Even als daarginds, vlak voor Moskou, tanks en vrachtwagens zich vastreden, zo reed ik mij vast; wel draaiden de wielen nog en wroetten de modder om, maar ook ik gaf niet op – het gelukte mij letterlijk in de Greffse modder schuim te slaan – maar van terreinwinst kon noch vlak voor Moskou noch in de slaapkamer van de Greffse woning worden gesproken”. Of dit uit De Stoffers: “In die tijd echter, toen ik midden in augustus het grafkille katholicisme op mij liet inwerken, viel er aan toerisme en aan het bezichtigen van kerken in vreemde landen alleen maar te denken als men als geüniformeerde aan de volgens plan verlopende terugtochten deelnam en misschien in zijn dagboek schreef: ‘Vandaag Orvieto ontruimd, fantastische kerkgevel, na de oorlog er met Monika heengaan en ietwat nauwkeuriger bekijken.’” Of dit uit Groei in de goederenwagon: “De trein werd gerangeerd en reed daarna naar het westen in de richting Stolp. De reis tot Stolp moet vier dagen hebben geduurd omdat de trein op open trajecten voortdurend door voormalige partizanen en Poolse jeugdbendes werd aangehouden. De jongens openden de schuifdeuren van de wagons, lieten wat frisse lucht binnen en namen met de verbruikte lucht een deel van de bagage uit de wagons. Telkens wanneer de jongens de wagen van meneer Matzerath binnenkwamen, stonden de vier nonnen op en hielden de crucifixen omhoog, die aan hun kleed hingen. De vier crucifixen maakten grote indruk op de jonge knapen en zij sloegen een kruis eer zij de rugzakken en koffers van de reizigers op de spoorbaan gooiden”. Enfin, ik kan zo nog wel een tijdje doorgaan, zou het ook wel willen, ben zelfs nog heel eventjes nadat ik het begin van deze zin had neergeschreven doorgegaan met door het boek te bladeren om te beslissen of ik er niet tóch nog een citaat zou bijgooien, maar doe het niet. Nee, echt niet. Ik blader de rest van het boek alleen nog door om de gum te halen over wat ik verder gemarkeerd had, en beperk me tot het uitdrukkelijk aanbevelen der lezing van De blikken trommel.

Björn Roose

maandag 19 oktober 2026

Baas en hond, een idylle – Thomas Mann (boekbespreking door Björn Roose)

Baas en hond, een idylle – Thomas Mann (boekbespreking door Björn Roose)
Vraag een lezer wat hij kent van Thomas Mann en u krijgt een antwoord met daarin De Buddenbrooks, De toverberg (oorspronkelijk Der Zauberberg), De dood in Venetië (Der Tod in Venedig), Felix Krull (voluit Bekentenissen van de oplichter Felix Krull), en daarna wellicht niks meer. Vraag een ‘fan’ van de auteur of hij nog méér boeken van hem kent en hij zal antwoorden dat (Char)Lotte in Weimar en Jozef en zijn broers (daterend uit 1933-1943, maar pas in 2014 in het Nederlands vertaald) eveneens de moeite waard zijn. Maar heeft hij wel eens Baas en hond, een idylle gelezen? Weinig kans. Nochtans trof ik, die van bovengenoemde boeken enkel Felix Krull gelezen heb en De Buddenbrooks en Dood in Venetië nog in mijn kasten zie staan, dit boekje (in de in 2013 bij Aspekt verschenen vertaling van Alfred Krans) aan in een kringwinkel en nam het – ondanks het feit dat mijn eigen teerbeminde viervoeter Burchard intussen al vele jaren dood is – daaruit mee en vervolgens op reis naar Italië, waar ik het las, en krijgt u er nu een boekbespreking van.

Op de Nederlandstalige Wikipedia wordt het boekje (in deze vertaling een kleine honderd bladzijden dik) genoemd in de bibliografie, maar meer ook niet. Op de Duitse versie is er een aparte pagina aan gewijd. Daaruit blijkt dat het verhaal, zo je het zo kan noemen, samen met Die vertauschten Köpfe (De verwisselde hoofden. Een Indische legende) de langste vertelling van Mann is, eerst (in november 1919) verscheen als privé-uitgave waarvan de opbrengst naar behoeftige schrijvers ging, geleid heeft tot een beeldengroep in Gmund am Tegernsee, en dat Bauschan, de hond waarvan sprake in de titel (en in de rest van het boek) het enige van schrijvers dieren is dat het tot protagonist in een van zijn verhalen heeft geschopt. Manns beide poedels, telkens voorzien van de naam Nico, die hij op hogere leeftijd hield, komen wel in zijn dagboeken voor, en minstens een van de twee verschijnt ook in een “Filmbericht” over de auteur, “literarisch sind sie aber nicht in Erscheinung getreten”. De bastaard die zo’n vier jaar in Manns villa in München woonde en in de winter van 1919-1920 overleed aan hondenziekte (CDV, iets waar tegenwoordig tegen gevaccineerd wordt) – ook in dit boek komt de hond in een dierenkliniek terecht, waar hij stante pede wegkwijnt, maar toch overleeft, ondanks het feit dat Mann hem er veel te lang in observatie laat terwijl de dierenarts niets vindt - werd dus vereeuwigd door de schrijver vóór hij het begaf (het boek was al ontstaan in 1918) en die schrijver deed dat goed. Meer nog, hij deed dat schitterend, zoals hij dat ook deed met de beschrijving van de mensen en de streek (het hoofdstuk Het jachtgebied, bijvoorbeeld, bestaat bijna uitsluitend uit een beschrijving van de omgeving en neemt toch zo’n drieëntwintig bladzijden in, zijnde een vierde van het geheel) waarin de idylle zich afspeelt: “Een innemend gedrongen vrouwtje met zwarte ogen, dat, bijgestaan door een stevig opgroeiende dochter, ook met zwarte ogen, in de buurt van Tölz een bergrestaurant bestiert, bracht voor ons de kennismaking met Bauschan tot stand en zijn aankoop. Dat is twee jaar geleden en hij was destijds een half jaar oud. Anastasia – zo heet de gastvrouw – wist wel, dat wij onze Percy, een Schotse herdershond en ongevaarlijk geesteszieke aristocraat, die op gevorderde leeftijd door een pijnlijke en misvormende huidziekte geteisterd werd, hadden moeten laten doodschieten en sinds jaar en dag een bewaker misten. Daarom deelde ze ons vanaf haar berg door de telefoon mee, dat er een hond, zoals we ons die slechts konden wensen, bij haar in de kost en in commissie was en te allen tijde was te bezichtigen.” De licht ironiserende stijl die Mann ook in Felix Krull hanteert, is meteen herkenbaar; dat de hond eigenlijk te laat van eigenaar gewisseld is, óók, als hij van bij de Manns op zijn eentje weer naar de “berg” is gaan lopen: “Er kwam een tijd, dat het duidelijk werd, dat hij de boerderij weliswaar uit zijn hoofd had gezet, maar bij ons ook nog niet helemaal wortel geschoten had, zodat hij in zijn ziel zonder baas en als een tuimelend blad in de wind was. Destijds moest men bij het wandelen scherp op hem letten, omdat hij er zeer toe neigde, de zwakke simpathetische band tussen hem en ons ongemerkt te verbreken en in de bossen te verdwijnen, waar hij zeker in een zelfstandig zwervend bestaan in de toestand van zijn wilde voorouders zou zijn teruggezonken. Onze zorg behoedde hem voor dit donkere noodlot, ze hield hem stevig op de hoge, door zijn geslacht in eeuwen bereikte trap van beschaving aan de zijde van de mensen en toen droeg een ingrijpende verandering van woonplaats, onze verhuizing naar de stad of voorstad, in één keer er veel toe bij, dat hij ondubbelzinnig op ons werd aangewezen en met onze huishouding stevig werd verbonden”. Dat is op een paar lijnen tijd aangeven hoe de hond ‘bestaat’, hoe zijn relatie tegenover mensen functioneert, wat ons als soorten van elkaar scheidt, en wat ons als soorten aan elkaar bindt. Dat is iets wat een schrijver als Mann zomaar uit zijn mouw lijkt te schudden, terwijl de gemiddelde gedragsbioloog er een half proefschrift voor nodig heeft. Dat is ook iets dat gevolgd wordt door hoe het leven verder verloopt voor de hond én voor zijn baas, want Bauschan wordt, een keer hij zich zo hecht aan de huishouding heeft verbonden duidelijk ook méér dan zomaar een vervanger van de vorige hond: “Zo werd hem dan het verblijf in de woonruimten van het huis en het samenzijn met mij, zo lang ik in huis was, principieel, hoewel er ook uitzonderingen waren, verboden; en hij begreep het verbod snel en voegde zich in het tegennatuurlijke, omdat dit nu eenmaal de ondoorgrondelijke wil van de baas en huisheer was. De verwijdering van mij, die vaak en vooral in de winter voor grote delen van de dag geldt, is slechts een verwijdering, geen echte scheiding en contactloosheid. Hij is niet bij me, op mijn bevel, maar dat is slechts de uitvoering van een bevel, een niet aanvaard bijmijzijn en van een zelfstandig leven van Bauschan, dat hij zonder mij tijdens deze uren voerde, kan niet worden gesproken. Ik zie wel door de glazen deur van mijn kamer, hoe hij op de kleine tuinweide voor het huis op een goedmoedige, onhandig boertige manier meedoet aan de spelletjes van de kinderen. Maar tussendoor komt hij voortdurend naar de deur, snuffelt, omdat hij mij door de vitrage aan de binnenkant niet kan zien, aan de kieren, om er zeker van te zijn, dat ik er ben en zit, met zijn rug naar de kamer gekeerd, op de trappen de wacht te houden. Ik zie hem ook wel vanaf mijn tafel op de verhoogde weg aan de overkant, tussen de oude espen, op een bedachtzaam sukkeldrafje zich voortbewegen, maar zulke promenades zijn slechts een lusteloos tijdverdrijf, zonder trots, geluk en leven en helemaal ondenkbaar blijft, dat Bauschan zich misschien op eigen gelegenheid aan het heerlijke jachtplezier zou kunnen overgeven, hoewel niemand hem daarin zou tegenhouden en mijn aanwezigheid, zoals zal blijken, daarvoor niet strikt noodzakelijk zou zijn.”

Schitterende observaties allemaal, de hond misschien enigszins verder verheffend dan hem als hond toekomt (maar daarmee niet anders doend dan zo goed als elke hondenbezitter), waar ook puur fysieke als de volgende niet voor moeten onderdoen: “Hij ligt een ogenblik met verdraaide ogen en als dood op zijn zij. Dan staat hij op, om zich uit te schudden. Hij schudt zich uit, zoals alleen hij zich kan uitschudden, zonder een hersenschudding te krijgen, hij schudt zich uit, dat het klapt en kletst, dat de oren hem onder zijn kin slaan en zijn lippen van de wit glanzende hoektanden vliegen.” Ik heb me tijdens het lezen niet echt een duidelijke fysieke voorstelling van Bauschan gemaakt, maar bij deze scène zie ik mijn golden retriever, alsof z’n vel gewoon los rond hem zat, exact diezelfde dingen doen, terwijl ik mijn retriever al sinds november 2017 niet meer in het echt iets heb zien doen (tenzij je pushing daisies als een activiteit post mortem zou willen beschouwen, natuurlijk).

En zo gaat dit boekje verder. Met dingen eigen aan Manns hond en dingen eigen aan elke hond. Het feit dat hij, omdat hij daartoe de vrijheid heeft gekregen, de schrijver afhaalt aan de tramhalte bijvoorbeeld, of het feit dat hij ook wel eens, zij het niet al te vaak, andere honden ontmoet: “Werkelijk hoort de ontmoeting buiten van twee honden, die elkaar niet kennen tot de pijnlijkste, spannendste en fataalste van alle denkbare gebeurtenissen; ze is van demonie en vreemdheid omgeven. Een gebondenheid heerst daar, die niet nader te omschrijven is; ze komen elkaar niet voorbij, het is een verschrikkelijke situatie.” Of het feit dat ze wel degelijk samen op jacht gaan, maar niet samen jagen: “De streek is rijk aan jaagbaar wild en wij jagen erop; dat wil zeggen: Bauschan jaagt erop en ik kijk toe. Op deze manier jagen wij: hazen, patrijzen, veldmuizen, mollen, eenden en meeuwen. Maar ook voor de hoge jacht schrikken we niet terug, we gaan ook op sluipjacht naar fazanten en zelfs naar een ree, als die, soms in de winter, wel eens in ons jachtgebied is verdwaald. Dat is dan een opwindend gezicht, als dat hoogbenige, licht gebouwde dier, geel tegen de sneeuw, met een hoog wippend wit achterste, voor de kleine, alle krachten verzamelende Bauschan weg vliegt – ik volg het voorval met de grootste deelneming en spanning. Niet, dat er daarbij iets zou uitkomen [alleen een muis heeft hij, zo blijkt later, wel eens opgegeten na hem gevangen te hebben, noot van mij]; dat is nog nooit gebeurd en zal ook nooit gebeuren. Maar het ontbreken van evidente resultaten vermindert noch Bauschans lust en hartstocht, noch doet het de geringste afbreuk aan mijn eigen plezier. We gaan op jacht om haar zelf, niet voor de buit, omwille van het nut en Bauschan is, zoals gezegd, het actieve deel. Van mij verwacht hij slechts morele bijstand, omdat hij een andere manier van samenwerken, een scherpere en zakelijker manier om de aangelegenheid aan te pakken, uit persoonlijke en directe ervaring niet kent.” Een “morele bijstand” die Mann uiteraard ook combineert met scherpe observatie: “(…) Bauschan zit de haas bijna op de hielen, hij is stil geworden, hij rent met op elkaar geklemde tanden, de directe geur drijft hem tot het uiterste op en – ‘nog eventjes, Bauschan!’ denk ik en zou ik willen roepen; ‘recht op je doel af en hou je kop erbij, let op de haak!’ Maar daar is de haak ook al, de tegenslag is er. De beslissende aanval gebeurde en op hetzelfde ogenblik is er ook een ruk, een kort, licht wegschieten van de haas, alsof je met je vingers knipt, in een rechte hoek op de looprichting en Bauschan schiet zijn achterste voorbij, schiet huilend, hulpeloos en remmend, zodat grind en stof omhoog vliegen, rechtuit en totdat hij tot stilstand gekomen is, van richting is veranderd, zich heeft omgekeerd en in de nieuwe richting op gang gekomen is, totdat, zeg ik, dit onder zielskwelling en jammerlijk gehuil is volbracht, heeft de haas een grote voorsprong in het kreupelhout gekregen, zijn vervolger heeft hem zelfs helemaal uit het oog verloren; want toen hij vertwijfeld remde kon hij niet zien, waar de ander naar toe ging. ‘Het is voor niets, het is mooi, maar tevergeefs,’ denk ik, terwijl de jacht in tegengestelde richting door het park verder gaat. ‘Er zouden verschillende honden moeten zijn, vijf of zes, een heel koppel. Andere honden zouden hem in de flank moeten lopen, hem van voren de weg afsnijden, hem tot staan brengen en hem de nekslag geven…’ En ik zie voor mijn opgewonden geestesoog een roedel bloedhonden verschijnen, die zich met de tongen uit de mond op de haas in hun midden storten.” En dan: “Ik denk en droom zo uit hartstocht voor de jacht, want wat heeft de haas mij gedaan, dat ik hem zo’n verschrikkelijk einde toewens? Weliswaar heb ik een nauwe relatie met Bauschan en is het vanzelfsprekend dat ik met hem mee voel en hem met mijn wensen begeleid; maar de haas is toch ook een warm levend wezen en heeft mijn jager niet uit kwaadwilligheid bedrogen, maar vanwege de dringende wens, nog een poosje aan zachte boomloten te kunnen knabbelen en zijns gelijken te verwekken.” Dat is eenvoudigweg mooi. Zelfs als dat de enige reden zou wezen, zou het nog steeds een goede zijn om dit boekje te lezen.

Björn Roose

vrijdag 16 oktober 2026

De misdaad van graaf Neville – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)

De misdaad van graaf Neville – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb er al bij verschillende besprekingen van werken van Amélie Nothomb op gewezen dat ze aan een dusdanig strak tempo schrijft dat ik, die alles tweedehands koop, nog niet meteen uitgekocht zal zijn wat háár boeken betreft (ik ben er helaas in tijden al geen meer tegengekomen), en dat ik ook nog geen enkel boek van haar heb gelezen dat aanleiding zou kunnen geven om te stoppen met dat aankopen. Van De hongerheldin (besproken in december 2020), over Zwavelzuur (augustus 2022), Met angst en beven (hérlezen en besproken in december 2022), Peplos (april 2024), De spiegel van Mercurius (november 2024), Antichrista (oktober 2025), tot Cosmetica van de vijand (april 2026): Nothomb heeft me telkens weer een ander thema voorgezet en me er (lezers kennen dat) bijna toe gedwongen het boek dat daaraan gewijd was in één trek uit te lezen. Iets wat ook nog kán omdat haar boeken zelden meer dan een goede honderd bladzijden dik zijn, maar dat ik nooit doe omdat het zo’n zonde is ze uit te hebben. Ter compensatie van dat feit probeer ik niet méér dan twee boeken van haar op een jaar te lezen (in het ene jaar lukt dat, zoals u uit bovenstaand rijtje kunt afleiden, makkelijker dan in het andere), waardoor ik met De misdaad van graaf Neville aan mijn rantsoen voor 2026 toe ben. Terwijl ook dit boek me weer honger heeft gegeven naar meer.

Het thema in het kort: verarmde graaf ziet geen andere oplossing meer dan zijn kasteel te verkopen en wil nog één keer een groot feest geven, maar komt vooraleer het zover is een waarzegster tegen die iets eigenaardigs voorspelt. Het thema zoals het op de achterflap staat, tussen de (wat mij betreft volkomen overbodige) aanbevelingen van Le Figaro, Lire, Elle, en (kennelijk bestaat dat) Madame Figaro (in Frankrijk kom je de boeken van Nothomb niet alleen in de boekhandels tegen, maar ook in elke supermarkt en elk tankstation, zo lijkt het): “Maak kennis met de tragiek van het gezin Neville: ze bezitten nog wel een adellijke titel, maar geen geld en moeten hun landgoed verkopen. Traditiegetrouw zullen ze nog eenmaal een tuinfeest geven. Maar als een waarzegster graaf Neville voorspelt dat hij op het feest een van zijn gasten zal vermoorden, komen de familieverhoudingen op scherp te staan. Zal de voorspelling uitkomen en de graaf als moordenaar de geschiedenis ingaan?”

Een thema dat wat betreft die adel (waarmee ze overigens een paar keer stevig de draak steekt in dit boek) de schrijfster ongetwijfeld bekend is. Ze komt zelf uit zo’n adel voort. Jean-Baptiste Nothomb (1805-1881) werd daardoor niet belet enig geweld te plegen tijdens de actieve dagen van de belgische opstand en vervolgens mee te schrijven aan de nieuwe grondwet; Alphonse Nothomb (1817-1898) ging van de katholieken naar de liberalen over ten gevolge van een standpunt voor meer algemeen kiesrecht; Pierre Nothomb, die in 1933 de erfelijke adelstand voor zijn familie binnen rijfde, raakte bevriend met Joris van Severen en pleitte na de Tweede Wereldoorlog voor een belgische aanhechting van Zeeuws-Vlaanderen, Nederlands Limburg, het Groothertogdom Luxemburg en (uiteraard) extra delen van Duitsland; Paul Nothomb (zoon van die laatste) werd communist, meldde zich voor de Internationale Brigades in de Spaanse Burgeroorlog, en ging tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet; Jean-François Nothomb (ook al een zoon van Pierre) ging óók in het verzet, maar na de oorlog in het dominicaner klooster van Saint-Maximin (Zuid-Frankrijk), van waaruit hij begin jaren 1960 uitgezonden werd naar Duisburg (waar hij behalve broeder ook arbeider in een fabriek werd), vervolgens naar Venezuela (waar hij onder de indianen actief was als missionaris), toen naar Michigan (waar hij werkte in een bejaardentehuis), en ten slotte, in 1974, naar Rome, waar hij als verbindingsman tussen de congregatie en de Romeinse Curie functioneerde, maar ook – op z’n zestigste – verliefd werd op een vijfentwintig jaar jongere Italiaanse, die hij bezwangerde, waarna hij z’n kap over de haag gooide en z’n brood ging verdienen met vertalingen; Charles-Ferdinand Nothomb volgde het hele politieke parcours, van gemeenteraadslid tot minister van Staat, en liep onderweg eigenlijk alleen maar enige averij op ten gevolge van een mislukte poging om crisis nummer zoveel rond bendeleider José Happart op te lossen; Patrick Nothomb, vader van Fabienne Claire (ofte Amélie) slaagde er in een hot topic te worden toen hij, tijdens de Congocrisis gevangen werd genomen door de rebellerende Simba’s, bewandelde vervolgens een diplomatiek pad in de luwte, maar trouwde wel met een Scheyven, een familie die sinds het overlopen van Jean Godefroid Hubert van Nederland naar belgië en de dankbaarheid die hij daarvoor langs belgische kant ondervond trouw de belgische staat heeft gediend en daarvoor ook al een erfelijke adellijke titel ontving; en Amélie, die mag zich behalve gevierd schrijfster ook jonkvrouw noemen, maar vertikte het toch maar mooi om de niet erfelijke titel ‘barones’ die ze in 2015 kreeg vanwege haar “verdiensten voor de Belgische literatuur” binnen de wettelijk voorziene termijn te aanvaarden (wat de vaderlandslievende pers kennelijk niet belet om haar toch als ‘barones’ aan te duiden).

Is dat alles, in het bijzonder het feit dat een groot deel van de genoemden toch iets gedaan heeft dat als ‘werken’ kan worden aangeduid, een teken dat de Nothombs ook als “verarmde adel” mogen beschouwd worden? Wel, de schrijfster aarzelt in ieder geval niet om dat fictief tot de mogelijkheden te laten behoren: “In die tijden van crisis deden bijna alle rechtschapen leden van de adelstand hun kasteel van de hand: de familie Kettenis had Merlemont verkocht, de familie Nothomb verkocht Pont d’Oye enzovoort.” Met dien verstande dat zulks in 2015, toen dit boek in het Frans (de oorspronkelijke taal) verscheen, nog niet gebeurd was en Amélie Nothomb ook over voorspellende gaven leek te beschikken: het kasteel dat Pierre Nothomb kocht in het jaar vóór hij geadeld werd, werd namelijk door kleinzoon Jean-Frédéric weer verkocht in 2019. Als troostprijs voor het feit dat er nu ‘chambres d’hôtes’ in zitten en het een evenementenlocatie is geworden, wordt zogenaamd het erfgoed van de Fondation Pierre Nothomb nog wel verdergezet in het kasteel, maar wetend dat de verkoop nodig was om belangrijke renovaties te kunnen financieren, maakt die verkoop wel duidelijk dat de familie in ieder geval niét meer rijk genoeg was om zich die te kunnen veroorloven.

En dan de rest van het thema: graaf Neville geeft ieder jaar op de eerste zondag van oktober een “befaamd tuinfeest” op het, wel degelijk fictieve, kasteel van Pluvier, “hét society-evenement van die uithoek van de Belgische Ardennen”, wat meteen ook de reden is dat hij – traditie, is het niet? – daar niet wil van afzien, zelfs als hij de voorspelling van de waarzegster serieus begint te nemen. Maar hoe komen die “familieverhoudingen op scherp te staan”? Wel, door het simpele feit dat de graaf dan wel niet al te sympathiek staat tegenover een aantal van de genodigden, maar toch niet de intentie heeft wie dan ook onder hen te doden. Tot zijn puberende dochter met een ideetje komt. Een ideetje waarrond de rest van het verhaal draait. Een ideetje dat ik u niet prijs ga geven omdat dat té veel van het verhaal zou onthullen, maar u mogelijk ook tot verkeerde, zeer voorbarige conclusies omtrent de uitkomst daarvan zou leiden, terwijl de lezer daarop toch moet wachten tot de allerlaatste bladzijde. Een allerlaatste bladzijde waaruit die lezer met wat ik eerder schreef eveneens zou kunnen afleiden dat de verkoop van Pont d’Oye ook al in 2015 besproken werd ten huize Nothomb.

Meer krijgt u van mij niet te horen, tenzij dan dat de titel van dit boek, De misdaad van graaf Neville, in het Frans Le crime du comte Neville (exact hetzelfde dus), gebaseerd is op een ander boek: “Plots herinnerde hij [graaf Neville dus, noot van mij] zich een verhaal van Oscar Wilde waarin een soortgelijke geschiedenis wordt verteld. In de bibliotheek van Pluvier was het zo’n bende dat het een wonder mocht heten als je er een boek terugvond. Neville ging liever naar de plaatselijke boekhandel. In de catalogus van de Folioreeks vond hij de titel van Oscar Wilde: Lord Arthur Savile’s Crime”, een titel die in het Nederlands door Siegfried van Malderen vertaald werd als De misdaad van lord Savile. In dát boek, dat u overigens hier online kan lezen (in een véél groter lettertype dan hetgeen dat gebruikt is in The Works of Oscar Wilde, de desondanks nog steeds meer dan negenhonderdvijftig bladzijden dik zijnde volledige werken uitgegeven bij Spring Books, die ik in mijn bezit heb), probeert de “lord” in kwestie vanwege een eendere voorspelling een paar keer een familielid te vermoorden. Iets wat graaf Neville als jongeman grappig had gevonden, maar “Nu drong de ernst van de zaak tot hem door”. Is dat een dwaalspoor dat Nothomb aanlegt voor de lezer? Een dwaalspoor inclusief het einde? Mogelijk. Waarschijnlijk zelfs. Want het einde dat Wilde aan zijn verhaal breidde, recycleren voor eigen gebruik is iets wat Nothomb zeker niet gedaan heeft. Waarmee wie het verhaal van Wilde heeft gelezen alvast weet hoe dat van Nothomb niét eindigt. En da’s toch ook al wat.

Björn Roose

maandag 12 oktober 2026

Tomate crevettes – Erik Vlaminck (boekbespreking door Björn Roose)

Tomate crevettes – Erik Vlaminck (boekbespreking door Björn Roose)
Nu de dunne boekjes van De Clauwaert v.z.w. in mijn bibliotheek allemaal gelezen zijn (of ik moest er ergens een gemist hebben) en voor het overgrote deel naar de zolder afgevoerd werden, iets waarvan mensen die mijn boekbesprekingen volgen doorheen de voorbije jaren van op afstand getuige geweest zijn, is het tijd geworden om op reis (want bij die gelegenheden lees ik die) andere dunne boekjes mee te nemen. Daarvan heb ik er namelijk ook nog wel, al zitten die dan voor de meerderheid in de non-fictie delen van mijn bibliotheek. Zo niet voorliggend Tomate crevettes van Erik Vlaminck. Dat zat wel degelijk in mijn kasten met fictie en verscheen in 1999 bij Wereldbibliotheek.

Wereldbibliotheek zijnde een uitgeverij waarbij ooit werk van onder andere Louis Couperus, Sigmund Freud, Johann Wolfgang von Goethe, Multatuli, Arthur Schopenhauer, Charles Dickens, en dergelijke auteurs meer is verschenen, dixit Wikipedia “een van de oudste uitgeverijen in Nederland (opgericht door Leo Simons in 1905)”, maar in 2014 overgenomen door Nieuw Amsterdam, in 2020 samen met uitgeverij Podium omgedoopt tot Park Uitgevers, en vervolgens als dusdanig deel geworden van de Lannoo Uitgevers Groep waarin onder andere ook Meulenhoff Boekerij en Unieboek/Het Spectrum opgenomen zijn. Wereldbibliotheek dat – zo vermeldt de uitleg vooraan in dit achtenveertig bladzijden dikke boekje – “een traditie [kent] van premie-uitgaven”, een “traditie” die in 1998 resulteerde in “de eenmalige uitgave van Alberto Moravia’s De villa van de vrijdag als geschenk voor bezoekers van Het andere boek” en in het jaar daarop in Tomate crevettes, een “traditie” die daarmee al vrij stevig uitgehold was aangezien de premie-uitgaven er oorspronkelijk waren voor de leden van de in 1925 ter ondersteuning van de uitgeverij opgerichte Wereldbibliotheek-Vereniging, mensen die uit dankbaarheid daarvoor korting kregen op uitgaven van de Wereldbibliotheek en een paar keer per jaar zo’n premie-uitgave, iets wat tweehonderddrieëndertig keer gebeurde (waarvan honderdzesenzeventig keer onder de vorm van een boekje) maar na 1986 ophield. Wat vooraan in dit boekje staat, is dus onzin, gezien de “traditie” bij het verschijnen ervan al dertien jaar wijlen was, maar goed, de auteur van het boekje, Erik Vlaminck, was in 1992 overgestapt naar Wereldbibliotheek als uitgever, wat ook verklaart waarom er achterin dit boekje samenvattingen van en stukken uit recensies over Quatertemperdagen (1992), Wolven huilen (1994), Stanny, een stil leven (1996), en De portrettentrekker (1998) staan en waarom de ‘wereld’ plotseling in Vlaanderen (Vlaminck is afkomstig uit Kapellen) te vinden was.

Nu doet dat er uiteraard niet zo heel erg veel toe, de ‘wereld’ is - al weet iedereen dat tomate crevettes, het gerecht dus, wel zeer typisch ‘belgisch’ is - ook wel een beetje te vinden in dit boekje. Erik Vlaminck lijkt namelijk sterk leentjebuur te hebben gespeeld bij enerzijds George Orwell, meer bepaald in diens Down and out in Paris and London (eigenaardig genoeg vertaald als Aan de grond in Londen en Parijs), en anderzijds Charles Bukowski (van wie ik eerder Warmwatermuziek en Kind onder kannibalen besprak). Een soort hard boiled verhaal over slapen in armenhuizen en op straat is daarvan het resultaat. Een resultaat dat absoluut niet slecht geschreven is, in tegendeel, maar waarvan ik, omdat ik voor de rest niks van Vlaminck gelezen heb, niet kan zeggen of de stijl eigen is aan de auteur of dat het een rip-off is die hij niet meer een veertigtal bladzijden weet vol te houden. Iets wat dan weer niet zo belangrijk zou zijn als ik geen weet had van de boeken van Orwell en Bukowski, maar dat nú dus wel is.

“Vroeger had ik mijn ogen maar te sluiten en ze waren er. Of ik het nu wilde of niet. Ik lag dan als verlamd op een bed en ze stonden naast me. Met spitse borsten. Of ze zaten in stoelen. Stoelen met leuningen en met kunstig gedraaide poten zoals er thuis in de beste kamer stonden. Op zulke stoelen zaten ze. Met de benen gespreid; hun knieholten rustten op de leuningen. Ze hadden steevast grijnzende, uitdagende gezichten. Met blinkende ogen. Met blinkende lippen. Ze streelden met lange vingers over hun geslacht. Openden het. Ze lachten mij uit omdat ik een stijve had”, kan dan als vrij choquerend overkomen als je niet veel gewoon bent, maar een keer je Bukowski gelezen hebt, komt dit over als het imitatieleder dat wellicht op die stoelen zit.

“Omdat ik geen schoenen meer had, heb ik bij het Community House aangeklopt. Een van de grootste problemen van een outcast zoals ik, is de schoenennood. Eten en kleren zijn in elke stad te vinden voor wie de stiel een beetje kent. Passende schoenen niet. En ik heb passende schoenen nodig want ik heb moeilijke voeten. Eelt, schimmels, kalknagels, eksterogen, over elkaar gegroeide tenen: ik heb het allemaal. Ik stond blijkbaar bij de laatsten in de rij toen God de voeten uitdeelde”, kan een stevige duik in de miserie lijken, maar het komt niet half zo echt over als wat Orwell over zijn jaren in de goot in Londen en Parijs geschreven heeft.

En bij Orwell noch Bukowski is er na vijfentwintig bladzijden in klein formaat zicht op een einde aan de ellende. Laat staan dat hun personages/zijzelf nog een paar bladzijden later weer thuis zijn, zij het dan nog niet helemaal uit de problemen. Een hebbedingetje om even snel te lezen, dit boekje, en dan weer door te schuiven naar iemand anders die een half uurtje vol te maken heeft. En dat wat op de achterflap staat, is dat dan slechts een lokkertje? Zegt “Bij de hoge schrijftafels likken lipstickwijven aan postzegels die ze met langenagelvingers op enveloppen kleven. Dear mother, dear father… Kerels met dassen en aktetassen lopen gejaagd door de hal. Alle postbeambten zijn grijs. Muisgrijs. En ik, ik heb dat prachtige repeteergeweer. Koel, glad en matglanzend. FN, made in Belgium.” dan niks over de inhoud? Nee. Tenzij dat het er ook toe behoort, natuurlijk. Een hardgekookt fantasietje in een verder ook al niet lichtgekookt wereldje.

Björn Roose

vrijdag 9 oktober 2026

Portret van Mary Sidney Herbert – Leen Kelchtermans (boekbespreking door Björn Roose)

Portret van Mary Sidney Herbert – Leen Kelchtermans (boekbespreking door Björn Roose)
Ik denk dat ik de intro ‘Wie mijn besprekingen volgt, hoef ik de reeks Phoebus Focus ongetwijfeld niet meer voor te stellen’ en variaties daarop al een flink aantal keren gebruikt heb aan het begin van een nieuwe boekbespreking, dus zal ik dat niet opnieuw doen, maar toch… Met Portret van Mary Sidney Herbert, ondertitel De kunst van het sterven, en het mooi oud worden, in de vroege zeventiende eeuw, ben ik al aan mijn – onvoorstelbaar, maar waar – veertigste bespreking van een in die serie verschenen boek toe. Een tweetal daarvan heb ik ooit langs een andere weg gekregen, maar alle andere, intussen achtendertig dus, bereikten me als bijlage bij OKV-magazine, iets wat, gezien het (voor mij toch) steeds minder interessant worden van dat blad, zo langzamerhand ook mijn belangrijkste reden geworden is om er op geabonneerd te blijven. Dat was zo vóór met nummer vier van de vierenzestigste jaargang het nummer XL van Phoebus Focus in mijn bus viel, dat zal wellicht ook volgend jaar zo blijven, en als dat niet zo zou zijn, dan zal dat liggen aan het feit dat er niet snel genoeg delen in de serie bijkomen om ze nog regelmatig als bijlage te kunnen geven, niet aan de kwaliteit van die bijlagen.

Ook het nummer veertig, van de hand van Leen Kelchtermans, die eerder al nummer drieëndertig (Portret van Johannes I Gansacker), nummer vijfentwintig (Heilige Begga), nummer achttien (Portret van Elisabeth Jordaens), nummer tien (Portret van een jonge vrouw – Minzame dames op hun mooist in de zeventiende eeuw), en nummer zeven (Overval op reizigers) voor haar rekening nam, is met zijn meer dan honderdveertig pagina’s immers weer om van te snoepen.

Vijfenzeventig bladzijden met foto’s, voor een niet onbelangrijk deel van het werk zelf uiteraard, maar dat laatste – in tegenstelling met wat ook in deze serie wel eens gebeurt – niet in die zin dat dat werk simpelweg telkens vanuit een andere hoek bekeken wordt, maar met de focus op de details waaraan ook in de tekst veel aandacht wordt besteed, details die niet zo hard opvallen als je een doek van bijna twee meter hoog op meer dan een meter breed gereproduceerd ziet op een formaat van eenentwintig op elf centimeter.

Op de tekstpagina’s is niet al te spaarzaam omgegaan met witruimte, maar het is toch wel duidelijk dat Leen Kelchtermans, niet voor niks - zoals de binnenflap aangeeft - “hoofd Onderzoek en Publicaties bij The Phoebus Foundation”, niet moest zoéken naar inspiratie, zelfs al is de schilder van het doek in kwestie onbekend gebleven. Behalve over het op het schilderij vereeuwigde onderwerp, Mary Sidney Herbert, “wife to Henry Earl of Pembrok / Daughter of Sr Henry Sydney” en nog zoveel meer, heeft ze het over haar “heldenbroer”, Royal Cupbearer, diplomaat, mecenas en schrijver Philip, over haar eigen mecenaat (gericht op het in leven houden van de gedachte aan genoemde broer, het verdedigen van de protestantse zaak, en vergroten van de naam en faam van haar dynastie), over de mate waarin vrouwen aan de bak kwamen als publicist (nauwelijks; “Mary [surfte] mee op de enorme golf van publieke waardering voor haar broer en kon zo naast zijn manuscripten ook haar eigen werk uitbrengen”), over troosttitels, over zeepbellen, maar ook over het Lege-nestsyndroom, Me-time in Spa (‘ons’ Spa, inderdaad), Bobelins, en een mogelijke liefdesaffaire (onder een titel waarvoor Kelchtermans teruggrijpt naar Roxy Music, Love is the drug, zoals ze met de titel van het eerste hoofdstuk, Something about Mary, verwijst naar de film There’s something about Mary), maar voornamelijk over alles wat te zien is op het schilderij (dat u hier zelf kan bekijken).

Laat ons immers wel wezen: wij gewone stervelingen kijken naar zo’n schilderij, zien een gezicht en een half décolleté te midden van een hoop kant en andersoortige kledij, letten misschien heel even op de achtergrond, maar missen het oog van een kenner om ons te wijzen op al die dingen in het schilderij die belangrijker zijn dan dat gezicht. Dingen die duidelijk maken dat Mary Sidney Herbert niet zomaar “de geschiedenis in [ging] als de belangrijkste, vrouwelijke literaire mecenas én schrijver van het vroegmoderne Engeland”, “iemand die de grenzen opzocht van wat het toen betekende om vrouw te zijn”, “maar ook iemand die doordrongen was van een thema dat echt speelde: de kunst van het sterven”: “Wat was een goede dood? Hoe kon je je daarop voorbereiden? En wat als je wel kon leven met de gedachte ooit te sterven, maar toch niet helemaal klaar was om oud te worden? Met alle rimpels, grijze haren en andere kwaaltjes die daarmee gepaard gaan?” Vragen die Mary zich wellicht echt stelde met ingang van haar Annus horribilis 1586: “Zelf was ze zwaar ziek en ei zo na dood geweest. Begin mei stierf haar vader en drie maanden later haar moeder. Nog geen twee maanden daarna overleed haar broer en literaire toeverlaat als een oorlogsheld. Ongetwijfeld deed dat Mary denken aan haar dochtertje Katherine. Het meisje stierf amper twee jaar eerder – overigens bijna dag op dag – op tragische wijze op 16 oktober 1584, een dag na haar derde verjaardag en enkele uren voordat Mary beviel van zoon Philip, die wellicht genoemd werd naar haar dierbare broer.” “De dood en de kunst van het goed sterven – ars moriendi in het Latijn – vormen dan ook een donkerrode draad doorheen haar werk”, onder andere haar vertaling van Excellent discours de la vie et de la mort van Philippe de Mornay, schrijft Kelchtermans, maar zijn ook alom tegenwoordig op haar portret (iets wat volgens Kelchtermans “nooit eerder werd opgemerkt”). Want laten zien wat je ‘waard’ was, was ook uitermate protestants: “Na een korte katholieke episode onder Queen Mary (1553-1558) herstelde Elisabeth I het protestantisme. Dat betekende: geen heiligen, geen relieken, geen vagevuur. De wachtkamer was immers niet nodig. God had vooraf al bepaald waar je ziel terecht zou komen: in heavenly heaven of horrible hell. Daardoor kon je je hemel niet verdienen, zoals de katholieken dachten, want God was niet op andere gedachten te brengen. Vroom leven én sterven was dus niet langer nodig om redding aan het einde van de rit te bekomen, maar om de ritwinst als het ware al te demonstreren.”

Een demonstratie die in dit geval door de houding van de geportretteerde naar een portret van Elisabeth I door Marcus I Gheeraerts zou verwijzen en door zijn achtergrond overduidelijk naar – en daar stappen we toch nog even weg van de kunst van het sterven – Antwerpen: “Aan de hand van het monumentale stadspanorama dat Jan Baptist Vrients in 1610 uitgaf in vier gravures, zijn” daarop namelijk “de karakteristieke torens van onder andere de Sint-Walburgis-, Onze-Lieve-Vrouwe- en Sint-Michielskerk gemakkelijk aan te wijzen”, en tevens “het Bierhoofd, de aanlegplaats met de voor zichzelf sprekende naam”. Maar zelfs de zeilschepen en roeiboten op die achtergrond kunnen al verwijzen naar “de aanvang van A Discourse of Life and Death, waarin ‘the Mariner rowes with all force to attayne the porte, and with a ioyfull crye salutes the descryed land: that the traveiler is never quiet nor content till he be at the ende of his voyage’”, aldus Kelchtermans. En da’s pas het begin. Mary Sidney Herbert wordt immers als weduwe geportretteerd, terwijl ze dat op het moment dat het schilderij gemaakt werd al meer dan een decennium was (en daar dus niet per se mee moest te koop lopen). “In tegenstelling [immers] tot het strikt zwart-witte kleurenpalet van de strenge Spaanse mode, was dat van de Engelse couturiers veel uitgebreider. De sobere tinten van Mary’s outfit – zwart, wit en grijs – verwijzen daarom wellicht naar rouw.” Of naar de trouw van de familie aan koningin Elisabeth I, natuurlijk, want zwart en wit waren toevallig ook haar lievelingskleuren.

Waarmee we het uiteraard nog maar over de basis hebben waarop al de decoratie te vinden is. Een “adembenemend lijfje”, bijvoorbeeld, waarop net zoals “op het kussen voor en op het gordijn achter haar gestileerde granaatappels werden aangebracht”, “een populair motief” dat “ook – naast vruchtbaarheid en schoonheid – het eeuwige leven door verrijzenis [symboliseerde]”. Of de parels die her en der te vinden zijn, “cadeautjes van de zee (…) [die] bovendien voor kuisheid [stonden], wat in het geval van een weduwe (normaliter) wel toepasselijk was”. Of de trouwring aan de “verkeerde” hand, mogelijk gegraveerd met niet alleen de initialen van het koppel, maar ook met een “motief dat verwijst naar de dood”. Als het al geen echte “memento mori-ring” was: “Doorgaans ging het om gouden ringen met motieven als zandlopers, schedels, skeletten en doodskisten in wit of zwart email. Aan de binnenzijde waren ze gegraveerd met al dan niet de naam of initialen van de overledene, de sterfdatum en steevast de tekst memento mori, Latijn voor ‘denk eraan dat je zal sterven’, of een variant daarop.” Minstens één zo’n ring draagt de geportretteerde in ieder geval aan haar linkerhand, waar “op de kanten boord over haar mouw met een vierkante diamanten speld een zwart touwtje in grote lussen bevestigd [is]. Hoewel het kostbare sieraad opvalt, steelt de opmerkelijke – ook door de schilder herwerkte – grillige vorm van het vastgespelde draadje de aandacht. De vele al aangehaalde connecties met rouw en dood op Mary’s portret maken het goed mogelijk dat het gaat om een lint van mensenhaar.” “Dat was niet uitzonderlijk”, dixit Kelchtermans, “Met dit bijzondere materiaal werden zelfs hele kantwerkjes vervaardigd”. En “Haar was de te gedenken persoon zelf, geen afbeelding. Hoewel ietwat luguber, is dat de kracht ervan. Het haar fungeerde als houvast, herinnering, talisman, kortom, als iets om te koesteren.”, in die mate zelfs dat juwelen en andere aandenkens gemaakt met of van het haar van een geliefde een regelrechte hype werden in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw. Of dat ook zo was in Vlaanderen, vermeldt de auteur niet, maar wel dat behalve het kant “rondom Mary’s hoofd, hals en polsen” wellicht ook het zakhorloge in haar rechterhand van bij ons kwam. En dat ook dit weer een memento mori is: “Mary’s horloge wijst kwart voor drie aan. Het kan bijna niet anders – gezien de vele betekenisvolle details die ze in haar portret liet verwerken – dat dit tijdstip verwijst naar Magere Heins doortocht bij een van haar familieleden.” Enfin – bad pun intended - Portret van Mary Sidney Herbert is een zeer interessant en leerzaam boekje. Ik denk niet dat ik na het lezen van dit nummer veertig in de serie Phoebus Focus nog zonder aandacht voor details langs een dergelijk portret zal lopen. Ook als die details niét noodzakelijk rond de dood draaien.

Björn Roose