vrijdag 4 september 2026

Ieder voor zich en god tegen allen – Herinneringen – Werner Herzog (boekbespreking door Björn Roose)

Ieder voor zich en god tegen allen – Herinneringen – Werner Herzog (boekbespreking door Björn Roose)
Toen ik aan dit boek begon, of beter: toen ik het leende uit de openbare bibliotheek (een mens heeft zelfs met een uitgebreide persoonlijke bibliotheek nooit alle boeken in huis die hij op een zeker moment in huis zou wíllen hebben), had ik van de auteur ervan, filmmaker (of, zoals Wikipedia het met veel meer woorden beschrijft: “filmregisseur, -producent, scenarioschrijver en acteur”) Werner Herzog, slechts één film gezien (dacht ik toch, want ik kwam er pas tijdens het lezen van dit boek achter dat Bad Lieutenant: Port of Call – New Orleans óók van hem was) en dat al een hele tijd geleden: Fitzcarraldo. Die film – met als centraal punt het over een berg slepen van een stoomboot, iets wat voor de opnames écht gedaan is, dus zonder gebruik te maken van speciale effecten, zo leerde ik uit dit boek - op zich zou een goede reden geweest zijn om deze autobiografie, want dat is Ieder voor zich en god tegen allen – Herinneringen, te lezen, maar toen ik die film zag was dit boek nog niet verschenen. Dat gebeurde pas in 2022 bij uitgeverij Carl Hanser Verlag GmbH & Co, waarna in datzelfde jaar de (niet altijd even correcte) Nederlandse vertaling verscheen bij De Arbeiderspers. En bovendien ben ik – eerlijk is eerlijk – toen ook niet op zoek gegaan naar een al dan niet bestaande (auto)biografie. De reden dat ik dat dit jaar (2026 dus, voor de latere lezers) wél deed, was het vorige boek dat ik las (en besprak): Verzamelde verhalen van Maarten ‘t Hart. Daarin zit namelijk een, eveneens autobiografisch, verhaal, getiteld Ongewenste zeereis, waarin de auteur uitgebreid kond doet van zijn avonturen met, inderdaad, Werner Herzog, met wie hij samenwerkte aan de film Nosferatu: Phantom der Nacht, en met wie hij zijn ontmoeting als volgt beschreef: “In de gang naderde een man die mij, ofschoon hij niet langer was dan ik, duidelijk de indruk gaf dat hij van de ‘schouders opwaarts groter was dan al het volk’, een man met die onmiskenbare vleug Christus in zijn gezicht, iets wat je, hoewel niemand weet hoe Christus eruit heeft gezien, toch zonder aarzeling vaststelt. Hij werd aan mij voorgesteld, Werner Herzog, en begon onmiddellijk te vertellen dat de ratten [waarvoor ‘t Hart zou instaan, noot van mij] ‘ausserordentlich wichtig’ voor hem waren en er kwam iets dramatisch in zijn stem, iets wat je de overtuiging schonk dat je hem moest helpen omdat het bijna een kwestie van leven en dood voor hem was. Toen ik later met hem, omdat hij mij het steegje wilde laten zien waarin het allemaal moest gebeuren, over de Delftse grachten liep, zei hij me, wijzend op de bomen waarvan het eerste groen de takken jeugdig maakte: ‘Ik moet nu eerst om technische redenen de opnamen maken die in de film helemaal aan het eind komen maar het probleem is dat over drie weken de bomen helemaal groen zijn. Als ik nu ga filmen, komt de lente in de film omgekeerd op het doek.’ (…) Ik kon het Herzog niet vertellen want m’n Duits was niet toereikend maar het feit dat hij met zoiets rekening hield nam mij nog meer voor hem in.” En mij dus ook, in ieder geval in de mate dat ik Ieder voor zich en god tegen allen – Herinneringen opzocht in de openbare bibliotheek en er ook die ene dvd-box meenam die ze er van hem hadden: een exemplaar met daarin eerder genoemd Fitzcarraldo, Aguirre (der Zorn Gottes), Kaspar Hauser (met de ondertitel die Herzog vervolgens gebruikte voor deze autobiografie, Jeder für sich und Gott gegen alle), en een documentaire óver Herzog. Een documentaire waaraan ik nog niet toegekomen ben (‘bingewatchen’ is nu eenmaal verre van mijn ding), maar in ieder geval drie films waar ik zeer van genoten heb en nog wel een paar keer wil van genieten (in het geval van Fitzcarraldo is dat dus ook na een tweede keer kijken niet veranderd), temeer omdat ik dingen gelezen heb in deze autobiografie die daar aanleiding toe geven. Waarmee Ieder voor zich en god tegen allen – Herinneringen ondanks zijn gebreken – een zeker gebrek aan chronologie, een zekere selectiviteit (de samenwerking met Maarten ‘t Hart komt er niet in voor en van Nosferatu wordt met moeite gesproken, om maar iets te noemen), het ook binnen de hoofdstukken van de hak op de tak springen, zaken die inderdáád eigen zijn aan herinneringen, maar minder aan een autobiografisch werk – in ieder geval bij mij iets heeft veroorzaakt wat ik na het lezen van andere (auto)biografieën van schrijvers of (beeldende) kunstenaars niet altijd heb: méér interesse voor hun eigenlijke werken.

En dat begint al van bij het Woord vooraf, waarin Herzog het heeft over het einde dat hij oorspronkelijk voorzien had voor Aguirre, der Zorn Gottes, en over “een onbevestigd verhaal over het einde van de historische Aguirre” (voor wiens persona Herzog zich overigens niet op de historische figuur baseerde, maar op John Okello, leider van de Revolutie van Zanzibar en naderhand nog een tijdje in het gezelschap vertoevend van Idi Amin Dada), dat uiteraard weer een ander is: “Ik weet zeker dat van alle alternatieven de film het mooiste slot heeft gekregen met de apen, maar ik vraag mij af hoeveel mogelijkheden, hoeveel niet-geleefde alternatieven ikzelf voortdurend heb gehad, niet alleen bij het bedenken van verhalen, maar ook in mijn leven zelf, zonder dat ze werkelijkheid werden of pas vele jaren later. (…) Waar heeft het noodlot iemand – mij – doen belanden? Hoe geeft het een leven telkens nieuwe wendingen? Veel, zie ik, is echter ook constant: een visioen dat mij nooit verlaten heeft, en als bij een goede soldaat ook het gevoel voor plicht, loyaliteit en moed. Ik heb altijd buitenposten willen behouden die door alle anderen al haastig waren verlaten.” Of Herzog ooit de Foundation-trilogie van Isaac Asimov heeft gelezen, weet ik niet, maar wie dat wél gedaan heeft, zal begrijpen dat ik aan het lezen van wat ná dat Woord vooraf kwam alleen al omwille van die “niet-geleefde alternatieven” en dat “altijd buitenposten willen behouden die door alle anderen al haastig waren verlaten” met meer dan genoegen begonnen ben.

Waaraan ik meteen toe kan voegen dat dat genoegen niet afgenomen is na het lezen van de eerste hoofdstukken, Sterren, de zee, El Alamein, Mythische helden, hoofdstukken die, zoals ook een aantal latere, voornamelijk handelen over de jeugd van Herzog (zoon van twee “betrekkelijk vroeg overtuigde nationaalsocialisten”, die evenwel ook betrekkelijk vroeg tot inzicht kwamen dat het nationaal-socialisme een dwaalweg was, zij het dat zijn vader “jarenlang verbitterd [was] dat Duitsland verslagen was en zich in West-Duitsland een Amerikaanse levensstijl verspreidde”), een hongerige jeugd beleefd en geleefd in de Beierse bergen (in en rond Sachrang, nog net binnen Duitsland en zo’n tien kilometer rechtsboven het Oostenrijkse Kufstein, een van de laatste niet door de geallieerden bezette enclaves waar ook de Werwolfgroeperingen zich probeerden samen te trekken) en (na de Tweede Wereldoorlog) in München, maar ook als visser op Kreta, als nachtdiensten draaiende puntlasser, als rodeorijder en smokkelaar in Mexico, en… als inspiratiebron voor een aantal van zijn latere films. Dat hij in 1974 een documentaire maakte (veel van zijn niet-documentaire films lijken overigens óók documentaires, wat ze bijzonder maakt) over de Zwitserse schansspringer Walter Steiner, Die grosse Ekstase des Bildschnitzers Steiner, heeft bijvoorbeeld alles te maken met het skiën en schansspringen dat hij zelf in zijn jeugd deed; dat Klaus Kinski in München in hetzelfde huis woonde, zal (ondanks het feit dat hij hem toen al, op zijn dertien, leerde kennen als een behoorlijk gestoord figuur) ongetwijfeld hebben bijgedragen tot het feit dat die als hoofdacteur in onder andere Aguirre en Fitzcarraldo optrad; dat hij op zijn dertien gefascineerd raakte door “een boek over grotschilderingen” zorgde ervoor dat hij in 2009 toestemming ging vragen aan de Franse minister van Cultuur Frédéric Mitterrand (neef van de voormalige president van die naam) om een documentaire, La Grotte des rêves perdus genaamd, te mogen draaien in de niet voor het publiek toegankelijke grot van Chauvet en die ook kreeg; dat hij aan het einde van zijn gymnasiumtijd nog eens naar Kreta trok en daar per toeval in het Dal van de Tienduizend Windmolens (het Lassithi Plateau) terechtkwam, speelde een rol in het scenario van Lebenszeichen (waarbij een “soldaat (…) bij de aanblik van de windmolens krankzinnig [wordt]”; dat hij parkeerwachter speelde op het Oktoberfest in München zorgde naderhand voor de inspiratie voor “de lege, zelfrijdende auto” in Auch Zwerge haben klein angefangen; dat hij vanaf Kreta verder trok naar Alexandrië, daarna naar Zuid-Soedan, en vervolgens doodziek net niet tot in Congo raakte, veroorzaakte in eerste instantie bijna zijn dood, maar leidde er ook toe dat hij in 1992 de Poolse schrijver Ryszard Kapuściński uitnodigde op de Viennale in Wenen en met hem een film probeerde op poten te zetten; dat hij ervan overtuigd was dat hij niet lang zou leven, leidde tot film maken tout court: “In mijn diepste wezen was ik er vast van overtuigd dat ik mijn achttiende levensjaar niet zou halen. Daarna leek het mij, toen ik nog altijd in leven die leeftijd had bereikt, uitgesloten dat ik ouder dan 25 zou worden. Als gevolg daarvan begon ik films te maken, waarbij ik ervan uit kon gaan dat ik verder niets meer tot stand zou brengen. Waarom niet de moed hebben om vormen te vinden die nooit hadden bestaan: Letzte Worte uit 1967, een korte film in het Nieuwgrieks, met zijn eindeloze dwangmatige herhalingen; Fata Morgana uit 1969, waarbij ik luchtspiegelingen in de Sahara heb gefilmd; materiaal als Auch Zwerge haben klein angefangen, uit 1970, waarschijnlijk mijn radicaalste film, waarin alle acteurs lilliputters zijn. Ik was me er ook van bewust dat ik – gelet op mijn nagenoeg volledige onwetendheid omtrent film – op mijn eigen manier zelf moest uitvinden wat film was.” Iets waar hij wonderwel in slaagde, al is er natuurlijk een wereld van verschil tussen, bijvoorbeeld, Auch Zwerge haben klein angefangen (hier te zien) en Bad Lieutenant: Port of Call – New Orleans wat techniek én – uiteraard – budget betreft.

Het budget, zijnde een probleem dat bijvoorbeeld ook nog meespeelde bij Aguirre, waarvoor hij een budget had van welgeteld 380.000 dollar, “een schertsbedrag voor een grote film die zich in het midden van de jungle in de zestiende eeuw afspeelde, met kostuums, geweren, lama’s en vlotten, en bovendien nog aan het begin meer dan vierhonderd figuranten, indianen uit het hoogland, die Quechua spraken. Als je de film vandaag bekijkt in termen van zijn production value, denk ik dat niemand in de hele filmindustrie het project zou aandurven met een budget van minder dan vijftig miljoen dollar. Er werd gefilmd op drie moeilijk bereikbare bovenlopen van de Amazone, verder was er een dolende en razende hoofdrolspeler in de vorm van Klaus Kinski. We verkeerden voortdurend in geldnood, de cashflow uit Duitsland werkte niet, de overschrijvingen waren vaak weken onderweg.” En dat waren verre van de enige problemen waar Herzog en zijn ploeg mee vochten tijdens de opnames van die film en andere. Toen hij Into the Inferno opnam, kreeg hij wel een filmvergunning in Noord-Korea, maar werd hij voortdurend “in de gaten gehouden door agenten van de geheime dienst” en speelde hij door een toevallige opname van iets dat volgens de overheid niet bestond (een soldaat die zich in uniform aan het amuseren was met een eveneens in uniform gestoken soldate) bijna niet alleen zijn vergunning, maar ook alle film kwijt die hij gedurende vier dagen gemaakt had. Toen de opnames van Fitzcarraldo ongeveer halverwege waren, werd hoofdacteur Jason Robards ernstig ziek, moest de rol van Mick Jagger (die de co-hoofdrol speelde) er uit geschreven worden, en diende de film – “dit keer met Klaus Kinski” – van meet af aan opnieuw opgenomen te worden (wat nog de minste van de rampen was die gebeurde: Herzog kreeg ten onrechte de wind van voren vanwege internationale media en mensenrechtenorganisaties, twee Cessna’s crashten, ze kregen te maken met gewapende overvallen van Amehuaca-indianen, een hand van cameraman Thomas Mauch spleet “tussen zijn onderste twee vingers tot aan zijn pols”, ze kregen “het zwaarste regenseizoen in 65 jaar te verduren”, de waterstanden waren de ene keer veel te hoog en de andere keer quasi onbestaande,…). Toen alles in gereedheid gebracht was voor de opnames van Lebenszeichen pleegden de kolonels hun staatsgreep in Griekenland en toen hij ondanks het intrekken van de vergunningen toch bleef filmen (en alleen een verbod kreeg om de havenpromenade van Kos te beschieten met vuurwerk), brak hoofdacteur Peter Brogle zijn hielbeen en kon die zich ook na “zes maanden ziekenhuis en rehabilitatie (…) alleen maar voortbewegen met een gecompliceerd loopapparaat dat aan zijn heup was verankerd”, waardoor alleen nog shots van boven de heup konden worden gemaakt, wat niet echt handig is als een personage een helling moet beklimmen. Toen Herzog tijdens de opnames van Gasherbrum, der leuchtende Berg “een beginnende hoogteziekte” opdeed bij een snelle klim van 5000 naar 6500 meter hoogte lieten de Spanjaarden waarmee hij het traject had afgelegd hem alleen terugkeren en kwam hij louter door de snelheid waarmee hij dat deed heelhuids over een onzichtbare gletsjerspleet heen. Toen de opnames van Cerro Torre: Schrei aus Stein zich vanwege het perfecte weer uiteindelijk konden verplaatsen naar de top van de berg zelf, sloeg dat weer razendsnel om van zodra Herzog en cameraman Stefan Glowacz boven op de berg waren, stak “een storm van zo’n 200 kilometer per uur [op] bij een temperatuur van 20 graden onder nul”, moesten ze zich met één ijspriem ingraven in de sneeuw, en het verder met een proviand bestaand uit twee chocoladerepen weten te redden voor vijfenvijftig uur. En Klaus Kinski was altijd een gevaar voor zijn omgeving – tijdens de opnames van Aguirre was het louter toeval dat hij niemand doodschoot -, maar de wederzijdse moordplannen tussen hem en Herzog “waren eerder groteske gestes, pantomines”, dixit die laatste.

Maar daarnaast weet Herzog – die als acteur in Brennendes Herz overigens alleen door een moment van intuïtie zijn ogen niet verloor – ook boeiend te vertellen over zijn werk aan opera-ensceneringen (vooral Wagner, maar bijvoorbeeld ook Verdi, Mozart en Rossini), How Much Wood Would a Woodchuck Chuck (een film over “het wereldkampioenschap voor veeveilingmeesters), plannen om “in het plaatsje North Pole in Alaska een oratorium en danstheaterstuk voor elfen [te] schrijven en daar uit [te] voeren”, documentaires gedraaid op death row, het idee om “een requiem te schrijven over de ergste tsunami in Noord-Italië” (de ramp met het stuwmeer van de Vajontdam in 1963, waarbij zo’n 2400 mensen omkwamen), Mike Tyson als kenner van de Frankische geschiedenis, een mogelijke speelfilm “over de tweelingzussen Freda en Greta Chaplin”, z’n eigen acteerwerk in films als Geschichten vom Kübelkind, Die andere Heimat, Incident at Loch Ness, The Grand, Julien Donkey-Boy, z’n stemmenwerk voor The Simpsons, de discus van Phaistos (zie Harry Mulisch’ De ontdekking van de hemel) enzovoort, enzoverder. Of over (meer) filosofische dingen als dit: “De waarheid moet niet met de feiten overeenstemmen. Het telefoonboek van Manhattan zou anders het Boek der Boeken zijn. Vier miljoen regels, allemaal feitelijk correct, allemaal verifieerbaar. Maar dat vertelt ons niets over een van de tientallen James Millers die erin staan. Zijn nummer en zijn adres zijn correct. Maar waarom ligt hij iedere nacht op zijn kussen te huilen? Alleen poëzie, alleen de bedenksels van dichters kunnen een diepere laag, een soort waarheid zichtbaar maken. Ik heb daarvoor het begrip ‘extatische waarheid’ gemunt. Om dat uit te leggen zou een heel eigen boek nodig zijn, daarom zal ik hier slechts een paar schetsmatige opmerkingen maken. Over deze vraag heb ik tot op heden wel de openbare strijd gezocht met de vertegenwoordigers van de zogenaamde cinéma vérité, die de waarheid voor het hele genre van de documentaire voor zich opeisen. Als maker van een film moet je volledig verdwijnen, je moet een vlieg op de muur zijn. Volgens deze opvatting zouden de camera’s in bankfilialen het voorbeeld van filmmaken zijn. Ik wil geen vlieg zijn, ik wil een horzel zijn die steekt. Cinéma vérité was een idee uit de jaren zestig van de vorige eeuw, haar huidige vertegenwoordigers noem ik slechts ‘boekhouders van de waarheid’.”

Alles bij elkaar een meer dan interessante autobiografie. Als ik ze ooit eens tegenkom in een kringwinkel zal ik ze ook graag aan mijn eigen bibliotheek toevoegen.

Björn Roose

dinsdag 1 september 2026

Verzamelde verhalen – Maarten ‘t hart (boekbespreking door Björn Roose)

Verzamelde verhalen – Maarten ‘t hart (boekbespreking door Björn Roose)
Ik moet toegeven dat ik minder lang gelezen heb aan de Verzamelde verhalen van Maarten ‘t Hart (verschenen bij De Arbeiderspers in 2001) dan ik er over gedaan heb om aan de bespreking ervan te beginnen. Ten eerste omdat ik eindelijk werk moest maken van de voorbereiding van onze Italiaanse reis (al was die qua literair niveau uiteraard niet te vergelijken met de Italienische Reise van Johann Wolfgang von Goethe); ten tweede omdat ik nadat ik als vervolg op het boek in kwestie Werner Herzogs Ieder voor zich en god tegen allen had gelezen eerst dát boek moest bespreken (wegens geleend in de openbare bibliotheek en dus niet voor een eeuwigheid ter beschikking); ten derde omdat ik per slot van rekening maar één avondje werk had aan de bespreking van Steden doorkruisen het heelal van James Blish; ten vierde… ach wat, ik had in deze bespreking eigenlijk geen zin en uitstelgedrag was daarvan het gevolg.

Maar waaróm had ik in deze bespreking geen zin? Wel, alvast niet omdat Maarten ‘t Hart geen goede schrijver zou zijn, want dat is hij wel, en dat wist ik ook al van bij mijn bespreking van zijn Mozart en de anderen. En ook niet omdat de in deze bundel verzamelde verhalen van mindere kwaliteit zouden zijn dan zijn andere werk. Daarvan ken ik ten eerste alleen maar het voornoemde Mozart en de anderen en ten tweede moet ik het eens zijn met wat de op de achterflap geciteerde recensenten te vertellen hebben: “Ook als Maarten ‘t Hart geen romans had geschreven zou hij zijn meesterschap in onze literatuur hebben vastgelegd […] als verhalenschrijver”; “Deze bundel bewijst ten overvloede dat hij als een van de weinigen in staat is een op zichzelf niet opzienbarende anekdote om te werken tot een voortreffelijke vertelling”; en “Hij vertelt bevlogen waar dat moet, wordt ironisch waar dat passend is. De dialogen zijn pittig. De nostalgie waarmee hij terugblikt op zijn kindertijd heeft een warmte waaraan velen zich graag koesteren”. Maar misschien zag ik wél tegen het schrijven van deze bespreking op omdat meer dan duizend bladzijden met daarop zesenzeventig verhalen (ik kan er een naast zitten) nu eenmaal nauwelijks samen te vatten zijn en ik u niet wil lastig vallen met een bespreking van 30.000 tekens.

Laten we het dus maar systematisch aanpakken: “In deze verzamelbundel zijn”, zoals ‘t Hart zelf schrijft in de helemaal aan het einde opgenomen Verantwoording, “alle verhalen uit Het vrome volk, Mammoet op zondag, De zaterdagvliegers, De huismeester en De unster [waarvan ik het titelverhaal, me dunkt, al eens gelezen had, noot van mij] opgenomen, evenals drie verhalen die in de bundel Ongewenste zeereis waren verstopt”. Als u al die boeken dus gelezen heeft, kan u zich het lezen van de Verzamelde verhalen wel besparen, ware het niet dat “ten slotte (…) ook [zijn] opgenomen ‘Een treurige geschiedenis’, dat eerder verscheen in Tussen de vesten, dertien Leidse schrijvers (Bzztôh, Den Haag 1977), ‘De posthoornspion’, dat eerder verscheen in Intermagazine van december 1981, ‘De witte nacht’, dat eerder verscheen in het winternummer van De tweede ronde van 1981 en ‘Sex-appeal’, eerder verschenen in Liefde, anders niet (De Arbeiderspers, Amsterdam 1992)”.

Als u alléén al Een treurige geschiedenis niét zou gelezen hebben, dan moet u – zelfs als u alle eerder genoemde boeken wél gelezen heeft, uiteraard dit boek toch in huis halen, want het is – al zou ik de verhalen van ‘t Hart in doorsnee niet als humoristisch kenmerken – een hilarisch exemplaar. Terwijl het toch ook “sterk autobiografisch” is, zoals “alle in deze verzamelbundel opgenomen verhalen, behalve de verhalen ‘De beproeving’ en ‘De vogelbezorging’ uit De huismeester en de verhalen ‘Mijn vrouw’, ‘Bethesda’, ‘De veenmollenplaag’ en ‘De draagmoeder’ uit De unster [waarvan Mijn vrouw en Bethesda overigens beslist tot de minder goede in deze bundel horen, noot van mij] (…) of zoals in ‘Een principieel weekend’, ‘Huwelijk rijmt op gruwelijk’ en ‘De ruitenwissers’ aan (…) [de auteur] als ik-figuur verteld worden”. Voor wie al vele verhalen van ‘t Hart gelezen heeft, is dít misschien een extra motivatie om alsnog deze bundel ter hand te nemen: “(…) voor deze uitgave [heb ik ze] gerangschikt in chronologische volgorde naar de leeftijd van de ik- of hij-figuur. Een enkele maal leverde dat problemen op omdat sommige verhalen zich op verschillende tijdstippen in het leven van de ik-figuur afspelen. In die gevallen zijn de verhalen zo veel mogelijk in de meest passende context geplaatst”. En, als kers op de taart: “Aan deze herdruk”, want een eerste druk verscheen in 1992, “zijn vier nieuwe verhalen toegevoegd. Omdat zij, daar ze alle in een recent verleden spelen, geen specifieke problemen opleverden ten aanzien van de chronologie, zijn ze niet tussen de eerdere verhalen geplaatst, maar aan het eind van deze verhalenbundel.” Die verhalen heten De glazen toren (over hoe de auteur er voor het eerst op uittrekt verkleed als vrouw), De hockeystick (over sadomasochisme), Kramsvogels (over zijn hartstoornissen) en Het gouden kruisje (over het verdriet van een vriend om een hoer), en die moet u dus missen als u wél alle andere boeken van ‘t Hart heeft gelezen (tenzij er intussen weer een andere verzameling is verschenen, natuurlijk), maar Verzamelde verhalen niét.

Aan dat uitgebreide geciteer uit de Verantwoording – had ie die maar niet moeten schrijven – voeg ik graag nog een en ander toe dat Wikipedia weet te melden en dat ook als materiaal gebruikt is in deze (grotendeels) autobiografische verhalen: ‘t Hart werd geboren in een gereformeerd gezin (al zegt dat een gemiddelde Vlaming zo goed als niks) als zoon van een grafmaker en bezocht het Groen van Prinstererlyceum in Vlaardingen alvorens biologie te gaan studeren aan de Rijksuniversiteit Leiden. Hij werkte als etholoog en was de auteur van “populair-wetenschappelijke” publicaties als Ratten (1973) en De stekelbaars (1978). Hij brak met het christelijk geloof (en dat niet op de manier waarop katholieken dat doorgaans doen, zijnde door het ergens in een hoek te laten liggen omdat ze er sowieso geen last van hadden, maar vanuit een kwaadheid die hij ook al wist te verzamelen in Wie God verlaat heeft niets te vrezen en De bril van God), brak als romanschrijver door met Een vlucht regenwulpen (verfilmd met onder andere Jeroen Krabbé en Willeke van Ammelrooy, een film die het onderwerp is van het verhaal De witte nacht), kreeg vanwege De vrouw bestaat niet de wind van voren vanuit “feministische kringen”, en verkleedde zich – zoals hierboven reeds kort vermeld - wel eens als vrouw. En dat hij “een zeer hartstochtelijk liefhebber en kenner van klassieke muziek” is, iets wat onder andere te pas komt in de verhalen Hoogzomer in april en Het Russische Concert, dat wist u natuurlijk al, tenminste als u mijn bespreking van Mozart en de anderen heeft gelezen.

Ik ga u dus – ik lui, u blij – verder niet meer al te veel lastig vallen met het (auto)biografische aspect van deze verhalen. Het is voldoende dat u weet dat dat groot is en voor móói werk heeft gezorgd. Mooi werk dat in verhalen als Het dal van Hinnom, Het braakland, De bunzing, en Het paard ook enorm nostalgisch is en getuigt (of moet getuigen, ook autobiografieën worden nu eenmaal bijgekleurd vanuit het latere ik) van een vroege dierenliefde, een niet passen in het ruwe milieu dat de jonge ‘t Hart omringde, en een wel zeer premature twijfel aan het geloof dat ook al eigen is aan dat milieu. Het brandende braambos lijkt bij die verhalen aan te sluiten, het handelt per slot van rekening over het eerste – niet echt doorgegane – seksuele avontuur van de auteur, maar ‘t Hart weet het zo grappig te brengen, dat heen en weer geslingerd worden tussen hel (een ongelovig meisje) en hemel (waar hij en zij heen kunnen als hij haar kan bekeren), dat ik er een aantal keren strike van gelegen heb en dat het beslist aparte vermelding verdient.

Bij De aardbeving komt nauwelijks een aardbeving kijken, maar wel veel school, in De hond komt de hond er met de schrik vanaf, in Velasques Keurkorps Major is de man van de sigarenbandjes de sigaar, in Jaap Schaap mag het Schaap uiteindelijk eens de kudde toespreken, en bij De tegenspeler draait het om schaatsen en schaken en krijg je er deze prachtige beschrijving van kou en blauw bovenop: “De koude kreeg steeds meer vat op me, bevond zich al onder mijn muts en achter mijn oren, had, op twee fronten aanvallend, ook mijn knieën al bereikt, begon zich tussen mijn dijen te nestelen. Maar de wereld was blauw, diepblauw, enkel nog blauw – een kleur die geen kleur was, maar iets duurzamers, wezenlijkers en tegelijk onwerkelijkers.”

De vloekende dievegge is eigenlijk te kort om er wat over te vertellen, tenzij dan dat de dievegge in kwestie geen ekster is maar een kauw. Het stilleven roept toch wel een en ander wakker bij degene voor wie het bestemd is. In Derde liefde speelt de jonge Maarten een beetje buiten zijn leeftijdscategorie (met een gevoel dat iedere jongen kent die wel eens verliefd geweest is op, pakweg, die toch niet zo veel oudere juffrouw van tekenen). In Handel speelt diezelfde Maarten al orgel. En Concurrentie blijkt er ook in diens vaders business te zijn.

In Tijdelijk dienstverband maken we kennis met de vrijgezel tegen heug en meug Hendrik Boog. In De zaterdagvliegers vernemen we dat er ook zondagvliegers zijn van wie één zaterdagvlieger in het bijzonder verneemt wat vliegen op weduwschap is. In Een nachtgezicht compenseert een man voor zijn leven als quasi-weduwnaar. In Sintmichielszomer leert ‘t Hart waar kinderen vandaan komen. En in Mammoet op zondag komt een mammoet-droogdok voorbij het Maassluis waar ‘t Hart opgroeit en leert de lezer dat ‘hervormd’ iets anders is dan ‘gereformeerd’ en zélfs nog iets anders dan ‘hervormd op grote wielen’: “Zij zou niet in de kerk zitten, zij was hervormd op grote wielen, een groot gevaar dus voor elke geformeerde jongen. Erger dan hervormd op grote wielen bestond niet: dat het mogelijk zou zijn om iets met een meisje te hebben dat helemaal niets was, was zo ondenkbaar dat er niet eens over gesproken werd. Hervormd op grote wielen was de uiterste grens. Misschien was ik daarom wel verliefd op haar geworden”.

En in deze boekbespreking ga ik beslist niet élk verhaal op deze manier afhandelen. Ouderlingenbezoek deed me wat denken aan een bepaalde scène in Een vlucht regenwulpen. Die waarin de ouderlingen op bezoek komen, inderdaad. Maar in dat verhaal duidde ik ook deze ene zin aan: “Bij elke naam stokte hij even; sommige namen verlieten in brokstukken zijn mond.” Zoals ik in Microklimaat die ene zin helemaal aan het begin aanstreepte: “Het alfabet had ons samengebracht”. En in Het betegelde pad: “Ik nam een paar kroketten die zo goedkoop bleken te zijn dat ze wel voor driekwart uit subsidie moesten bestaan.” En in Rat op rum deze paar zinnen: “Hier zou zo dadelijk, daar kon vergif op worden ingenomen, het vreselijkste beginnen dat de schepping te bieden heeft: een vergadering. Ja, misschien zijn concentratiekampen nog veel erger maar aan de stichting daarvan liggen ongetwijfeld ook steeds vergaderingen ten grondslag”. En in De waterstaafwants deze: “Kennen jullie overigens, nu we het over kevers hebben, het mooie verhaal van Schrödinger die het prachtige boekje What is life schreef? Als je de hele schepping nu overziet, meneer Schrödinger, vroegen ze hem, wat kun je dan concluderen over God? Dat Hij een abnormale voorliefde voor kevers heeft, zei Schrödinger. Dat is goed gezien: veertig procent van alle insectensoorten zijn kevers, en er zijn op de hele wereld veel meer kevers dan enig ander soort dier”. En in De onbekenden wou ik de hele eerste paragraaf citeren, maar uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat de kennismaking van ‘t Hart met die andere Maarten, Biesheuvel (beter bekend als J.M.A. Biesheuvel, auteur van onder andere de verhalenbundel In de bovenkooi) als geheel zo grappig was dat het niet loont er één paragraaf uit te halen. Iets wat ook geldt voor De ziekte van Ménière, De huismeester, Engagement, Drempel, Zondagavondslang, Een principieel weekend, De eerste lichting, Onder de witte knop (over voortdurend gestoord worden door de telefoon in tijden waarin er nog niet eens sprake was van gsm’s), De glasplaat, en het al eerder vermelde Een treurige geschiedenis (een verre van treurige geschiedenis), maar in het geheel niet voor De versnijdenis en Het longvolume, waar de lezer vooral uit kan leren waar een leraar moet mee leven als hij, zoals ‘t Hart, absoluut niet geschikt is om dat vak uit te oefenen: “De eerste leerlingen betraden joelend het lokaal. Dat moment – het is niet te beschrijven. Het lijkt of er iets in je afsterft, of je spijsvertering tot stilstand komt, op de galblaas na. Vanaf de nek tot het staartbeentje kruipt er een schorpioen over je ruggenwervels en de tenen krommen zich als voor een noodsprong.”

Iets wat mijn tenen niet doen als ‘t Hart aan een van zijn verhalen over zijn liefdesperikelen begint (zie onder andere Paard jagend op buizerd en De beproeving), verhalen die zoals de andere mooi verteld zijn, verhalen waar ik niet van ga lopen, maar verhalen die voor mij ook niet hoeven. Andermans zieleroerselen interesseren me eigenlijk bitter weinig – van de mijne ben ik ook niet meteen bezeten –, evenmin als de pathetische afkeer die ‘t Hart voelt voor het Sinterklaasfeest (zie De oneindigheid), of z’n interesse voor hoeren (zie Wonen op de Wallen), maar ik eindig deze boekbespreking graag met het feit dat zijn beschrijving van zijn ontmoeting met Werner Herzog, die ik uiteraard niet zomaar noemde in het begin van deze bespreking, een ontmoeting waarvan de gevolgen beschreven worden in het meer dan dertig bladzijden lange verhaal Ongewenste zeereis (klaarblijkelijk echt een soortement gruwelavontuur voor ‘t Hart), me aanzette om me te verdiepen in werken van en over Herzog. Zeker geen ongewenst vervolg van een zeer graag gelezen verhalenbundel.

Björn Roose

vrijdag 14 augustus 2026

Steden doorkruisen het heelal – James Blish (boekbespreking door Björn Roose)

Steden doorkruisen het heelal – James Blish (boekbespreking door Björn Roose)
Ik héb er uiteraard netjes een boekje (misschien zelfs twee, zo nauwkeurig herinner ik me dat niet meer) voor in de plaats gelegd toen ik Steden doorkruisen het heelal van James Blish aantrof in een van die boekenkastjes die je sinds een aantal jaar her en der kan vinden langs straten en op pleinen in Vlaanderen en in, al dan niet verre, buitenlanden (in casu ergens in Zeeuws-Vlaanderen). Ik heb er zelfs bijna mijn passagiers (waaronder eentje uit Letland) voor laten koken terwijl ze zaten te wachten op mijn terugkeer vanaf dat boekenkastje, maar gelukkig waren ze toch zo slim om zelf even de deuren van de auto open te zetten. En ik heb de vier boeken waaruit Steden doorkruisen het heelal bestaat met minstens veel genoegen en voor het overgrote deel met veel genot gelezen.

En daarbij heb ik niet eens gemerkt dat die vier boeken (in het Engels gebundeld onder de titel Cities in flight) eigenlijk niet in die volgorde geschreven zijn waarin ze gebundeld werden. Het eerste boek, They shall have stars, in het Nederlands getiteld Zullen sterren hen tooien…, verscheen in 1957 onder de titel Year 2018! (jawel, we zitten intussen al verder in wat toen nog de toekomst was), en vormt het raamwerk van de serie. In dat raamwerk: hoe de mensheid zo goed als het eeuwige leven krijgt, hoe ze hele steden (en eigenlijk eender wat) aan enorme snelheden door het heelal leert verplaatsen, hoe de Aarde er aan toe is (gezien vanuit een tijd waarin de Koude Oorlog volop woedde), enzovoort. Het tweede boek, A life for the stars, ofte Een leven voor de sterren, verscheen in 1962, en volgt logisch op het eerste. Logisch, maar wel met een tijdssprong. Een tijdssprong waarin de hoofdpersonen uit het eerste boek uit beeld verdwenen zijn, nieuwe protagonisten opduiken, en de actie zich verplaatst van ons sterrenstelsel naar ver daarbuiten (met alle gevaren van dien). Een tijdssprong ook die, zoals de andere, Blish toelaat bepaalde verhaallijnen, of minstens lijnen aan de rand van het verhaal, te laten voor wat ze zijn als hij ze niet meer nodig heeft (wat nog niet wil zeggen dat er naderhand, zoals bijvoorbeeld met “de Vromen” het geval is, niet meer naar verwezen zou worden). Een tijdssprong trouwens ook die, weerom zoals de andere, niet verhindert dat het culturele referentiekader doorheen de serie, net zoals het wetenschappelijke, twintigste-eeuws en Aards blijft. Een stukje uit Wagners Tristan und Isolde zien opduiken, doet eerst nog raar aan, maar het is uiteindelijk niet méér bizar dan een verwijzing naar Herman Melville of Godfried van Bouillon (écht!), “Even uw gazonnetje maaien, mevrouw?” als slogan van een stad, het via “hypnopedie” leren over de theorieën van Oswald Spengler, “een dichtregel van de Aardse dichter Theodore Roethke (…) [die] over de vloer van zijn hersenen [kroop] als een salamander”, het vergelijken van een buitenaards vliegend fort met “een soort Beowolf, hun Cid, hun Sigurd, Gawaine, Roeland, Cuchulainn, Prometheus, Lemminkainen”, of nú (en dan bedoel ik: in het werkelijke 2026) lezen van wat bij het verschijnen van deze serie nog grotendeels een voorspelling was maar inmiddels (met zo’n eeuw voorsprong op de fictie) werkelijkheid is geworden: “Er had nooit een daadwerkelijke militaire verovering van het Westen door de Sovjets plaatsgevonden. Ja, in 2105, de datum die meestal wordt toegekend aan de val van het Westen, zou een dergelijke oorlog de Aarde van de ene dag op de andere vrijwel hebben ontvolkt. In plaats daarvan hielp het Westen grif mee zichzelf te veroveren, in een lang en pijnlijk proces, dat door vele mensen werd voorzien, maar dat onmogelijk te stuiten was. In zijn angst door de vijand te worden geïnfiltreerd, had het Westen zijn eigen denkpolitie in het leven geroepen, die gedurig strenger werd. Op het laatst was er tussen de twee tegenstanders geen verschil meer; en aangezien de Sovjets veel meer ervaring hadden met een dergelijke monolithische regering dan het Westen, werd zonder bloedvergieten de heerschappij der Sovjets een voldongen feit”. Earthman, come home, in het Nederlands Aardling, kom thuis, volgt daarop als derde boek, maar is dat in feite niet: het werd vóór het eerste gepubliceerd, en wel in 1955, en was op zijn beurt gebaseerd op vier andere verhalen van Blish: Okie (uit 1950), Bindlestiff (eveneens uit 1950), Sargasso of lost cities (gepubliceerd in 1952) en het gelijknamige Earthman, come home (verschenen in 1953). Of Blish kunstgrepen heeft moeten toepassen om de chronologie van They shall have stars en A life for the stars helemaal op orde te krijgen met de bundel die het derde boek eigenlijk was, weet ik niet, maar áls het zo is, is het me niet opgevallen: de chronologie lijkt in orde te zijn, een van de protagonisten uit het tweede deel heeft intussen het loodje gelegd, maar de andere hoofdpersoon, burgemeester Amalfi, leeft nog, en heeft alles onder controle of krijgt het er wel onder. Net zoals dat van die chronologie met het vierde boek in Steden doorkruisen het heelal, De overwinning van de Tijd ofte The triumph of Time het geval is: dat werd gepubliceerd in 1958, dus net ná het eerste in deze bij Meulenhoff verschenen bundel, dat dus eigenlijk het tweede was, en vóór het tweede in deze bundel, maar vormt chronologisch effectief het einde van de serie. Een einde dat Blish er, mijns inziens, moedwillig heeft willen aanbreien, al is daarna dus nog het tweede deel, Een leven voor de sterren verschenen. Ik neem bijgevolg aan dat Blish een aantal opzetten op hetzelfde moment had lopen, maar dat hij ook besloten had niet aan de vliegende steden en zijn hoofdpersonen te blíjven vastzitten: in De overwinning van de Tijd zit nog wel wat van de andere delen, maar het is onvermijdelijk het einde, en veel eerder psychologisch en filosofisch dan dat het op actie gericht is. Voor de serie als geheel wordt voortdurend de terminologie ‘space opera’ gebruikt, maar wie de definitie van Wikipedia, zijnde “er is een held, er zijn ruimteschepen, er is vaak militaire actie en het loopt goed af”, voor dit deel wil gebruiken, moet dat toch met enige ruimdenkendheid doen: burgemeester Amalfi is in De overwinning van de tijd een held op zijn retour, de ‘ruimteschepen’ van de drie andere delen zijn niet meer bruikbaar, de militaire actie (die in deze serie sowieso vooral een kwestie is van zo clever mogelijk zijn en dus niet vechten als het niet nodig is) speelt zich ergens op het tweede plan af, en of je het einde van het heelal zoals we dat ‘kennen’ nu werkelijk als een goede afloop moet beschouwen, hangt geheel af van het geloof van degene die het meemaakt, of degene die daarover leest, in het nieuwe begin dat daarna zou komen. Ik ga niet zeggen dat u bladzijde 447 tot en met 570 van deze in 1970 voor het eerst als dusdanig verschenen, en in 1980 eveneens als geheel (helaas niet zonder nogal wat typfouten te laten staan) vertaalde, bundel maar moet overslaan, maar voor mij had dat deel niet gemoeten.

Los daarvan, en van de strikt inhoudelijke kant, zijn er echter sowieso verschillen in de opzet van de delen. In Zullen sterren hen tooien… bijvoorbeeld wordt ieder hoofdstuk, waarvan overigens ook aangeduid wordt waar het zich afspeelt, ingeleid met een stukje uit een denkbeeldig boek De melkweg: vijf cultuurportretten van ene Acreff-Monales of een citaat van een ook al in de jaren 1950 bekend auteur als J. Robert Oppenheimer, Gerard Piel of Loren C. Eiseley. Dat eerste zijnde een truc die ook Frank Herbert later zou gaan gebruiken in zijn Duin-cyclus (besprekingen van Duin hier, van Duin Messias hier, en van Kinderen van Duin hier), maar die eerder al gebruikt was door Isaac Asimov in zijn Foundation-trilogie (die trouwens in een andere vorm lijkt op te duiken als er in de loop van Aardling, kom thuis sprake is van het ineenstorten van de Aardse heerschappij en het daaruit ontstaan van een “interregnum” dat eeuwen zou gaan duren). Dat tweede wellicht te kaderen in Blish’ achtergrond: Oppenheimer is tegenwoordig dankzij de in 2023 aan hem gewijde film zo’n beetje verworden van wetenschapper tot cultfiguur, maar Gerard Piel, Loren C. Eiseley, en anderen zoals Weston La Barre, Eric Temple Bell en de in Gent geboren George Sarton – kennelijk auteur van de uitspraak: “Soms wordt beweerd dat religieuze onverdraagzaamheid voortspruit uit geloof en overtuiging. Wanneer men er absoluut van overtuigd is dat het eigen geloof het juiste is, en alle andere verkeerd, dan zou het misdadig zijn de naaste zijn dwaling en uiteindelijke verdoemenis toe te staan. Ik ben echter geneigd te geloven dat godsdienstfanatisme vaak niet het gevolg is van overtuiging maar van twijfel en onzekerheid” - zijn nooit zover doorgedrongen in de publieke bekendheid dat ze van wetenschappers veranderden in wat anders, terwijl Blish ze (natuurlijk) wél kende. Blish – overigens ook degene die de term ‘gasreus’ bedacht, al gebruikte hij hem minder nauwkeurig dan anderen dat naderhand zouden doen - was immers bioloog van opleiding en vooral wetenschapsredacteur bij het toen ook al bekende farmaceuticabedrijf Pfizer (in het eerste boek nauwelijks vermomd opduikend als Pfitzner). Een wetenschapsredacteur die niet naliet – vooral in het eerste boek, maar ook (en soms op het randje van het ergerlijke af) in de andere – de lezers van zijn science fiction om de oren te slaan met zijn kennis, of op kennis gebaseerde fictie. Iets waar hij allicht buiten gekund had, maar wat hij kennelijk leuk vond. Moet kunnen, ‘t is per slot van rekening science fiction, ook met de nadruk op dat eerste woord. En als u zou vinden van niet, dan is dat uiteindelijk een kwestie van geloof, geloof ik: “Ik wilde zeggen dat het idee van de wiskundige, dat er een verband bestaat tussen wiskunde en de werkelijke wereld, een kwestie van geloof is; het valt niet te bewijzen maar hij is ervan overtuigd. Wat dat betreft valt trouwens de veronderstelling van een volslagen ongodsdienstig iemand, dat er een werkelijke wereld bestaat, die overeenkomt met wat zijn zintuigen hem laten zien, ook niet te bewijzen. Een kwestie van geloof, zowel voor de briljantste natuurkundige, als voor de eerste de beste voorbijganger”.

Maar het bij momenten overdreven wetenschappelijke – als de wetenschap in het boek trouwens échte wetenschap is, want dat kan ik als leek niet zeggen – wordt ook goedgemaakt door, bijvoorbeeld, bewust onwetenschappelijke passages als deze: “En toen kwam het vaker: psjioewiiii! psjioewiii! psjioewiii! Bij bijna elke gil bokte de kist en schudde woest heen en weer terwijl hij boven de toppen van het oerwoud zwenkte en zwaaide. Amalfi had zich nog nooit zo hulpeloos gevoeld. Hij wist zelfs niet wat het geluid te betekenen had, alleen dat het kwaad bedoeld was. Hij herkende het klaboem van zware explosieven toen het begon, want de stad had vaak ontploffingen teweeg moeten brengen tijdens opdrachten – maar er was hem absoluut niets bekend dat kedoekedoekedoekedoekedoekedoeke deed, als een soort dolgedraaide trilboor, en het onzichtbare ding dat onder het voortsuizen z’n eigen oorlogskreet voortbracht – ieiiiokerTSJAKketsjakketsjakketsjak – leek hem volslagen ongerijmd en onmogelijk”. Of zinnen als deze: “Hoewel hij van de Hevische spraak alleen de verknoeid verleden, opgewonden tegenwoordige en onherstelbaar toekomstige tijden beheerste, hoewel zijn woordenschat een volstrekt niet botanisch gefundeerd mengelmoes was van stammen en wortels, en zijn verbuigingen eerder de neiging hadden spontaan te barsten, had hij gemerkt dat hij een redelijke vaardigheid aan de dag begon te leggen om de taal te verstaan, tenminste wanneer er heel langzaam werd gesproken, zoals nu”. Of werkelijk mooie stukjes filosofie als dit: “‘Ze zeggen dat leven een voortdurend proces is van opnieuw geboren worden. Ik zal moeten leren, denk ik, om die cruciale overgang op te vangen zonder elke keer een geboortetrauma op te lopen. Het beste, John.’ (…) Hij bedacht dat wat ze zei, waarschijnlijk wel waar zou zijn; voor een vrouw. Voor een man, wist hij, is het leven een stervensproces, dat steeds wordt herhaald; en de kunst daarbij, dacht hij, is om het maar bij stukjes en beetjes te doen, en nooit van harte.” Of, ten slotte, dit: “(…) dat zelfs de vele regelmatigheden die sinds de eerste toepassing van de wetenschappelijke methode, ergens in de 17de eeuw, waren ontdekt, alleen maar langdurige statistische toevallen waren, een plaatselijke discontinuïteit in een alomvattend schema waarvan de enige continuïteit chaos was. Als je alleen op het gehoor het heelal zou rondgaan, zei Bonner vaak om zijn opvattingen te verduidelijken, dan hoorde je miljarden jaren lang niets anders dan een angstaanjagend gebulder zonder zin, dan drie minuten Bach, die heel de georganiseerde kennis en wetenschap voorstelden, en dan weer miljarden jaren lang geloei. En zelfs dat stukje Bach zou bij nadere beschouwing al gauw verworden tot John Cage, en versmelten met het heersende onblusbare geluidsgeweld.”

Dat er zo ver in de toekomst nog iemand zou weten wat John Cage voor muziek maakte, lijkt me vergezocht (je stukken titels genre HPSCHD geven, valt ook niet als een geniale zet in het kader van toekomstige roem te definiëren), al is het maar omdat zelfs de tijd die doorgebracht wordt met kennis opdoen via “hypnopedie” ongetwijfeld nuttiger kan gebruikt worden, maar met die verwijzing naar Bach beëindig ik graag deze boekbespreking. Als u ooit Steden doorkruisen het heelal van James Blish tegenkomt, in zo’n boekenkastje of elders, aarzel dan in ieder geval niet om het boek mee te nemen. De weinige contra’s ervan wegen zeker niet op tegen de pro’s.

Björn Roose

maandag 10 augustus 2026

De man zonder eigenschappen – Robert Musil (boekbespreking door Björn Roose)

De man zonder eigenschappen – Robert Musil (boekbespreking door Björn Roose)
“Op een mooie augustusdag in 1913 neemt Ulrich, de man zonder eigenschappen, het ferme besluit een man mét eigenschappen te worden – vooral als hij in de krant heeft gelezen dat zelfs een renpaard ‘geniaal’ kan zijn; daar wil hij niet bij achterblijven. Hij raakt betrokken bij de ‘Parallelactie’, de organisatie die de viering van het zeventigjarige regeringsjubileum van keizer Frans Josef I voorbereidt en tevens wil proberen het dertigjarig jubileum van de Duitse keizer de loef af te steken. Beide jubilea zijn gepland voor 1918, het jaar waarin de twee monarchieën ineen zullen blijken te storten.” Die uitleg kan u lezen op de hoes – sjiek, hoor – van de Nederlandse vertaling van Der Mann ohne Eigenschaften die in 2000 zijn tweede druk beleefde bij Uitgeverij Areopagus, en de drie zinnen ervan vatten ook behoorlijk goed samen wat er allemaal gebeurt in dit meer dan dertienhonderdvijftig bladzijden dikke boek.

Meer nog: die derde zin is puur informatief, want van dat ‘ineenstorten’ is nog helemaal geen sprake in De man zonder eigenschappen. Het begin van de Eerste Wereldoorlog gloort ergens in de verte, maar in dit boek valt zelfs niet het eerste schot (“Was er nu wel of geen Balkanoorlog? Er vond wel een of andere interventie plaats; maar of dat oorlog was, hij wist het niet precies”). En bij de “Parallelactie” moet u zich ook al geen actie voorstellen, want daar komt het niet van (tenzij u het instellen van commissies, speciale commissies en subcommissies als actie zou beschouwen, in welk geval u waarschijnlijk in de politiek zit), terwijl ook de betrokkenheid van Ulrich erbij hoogst twijfelachtig is, net zoals dat “ferme besluit”. Er zíjn een paar personen die werkelijk iets doen in dit boek, maar ook daarover wordt dan vooral bladzijden lang, excusez le mot, geëmmerd. “Met fijnzinnige ironie omringt Musil zijn hoofdpersoon Ulrich met een keur aan curieuze personages”, luidt het verder op de al eerder genoemde hoes, maar “de mooie ambitieuze Diotima, de met Nietzsche dwepende Clarisse, de denk- en geldmagnaat Arnheim, de brave generaal Stumm von Bordwehr, de ‘doorsneemens’ Walter, en de vrouwenmoordenaar Moosbrugger”, die overigens ook al zijn actie ondernomen heeft vóór dit boek begint, zijn in essentie bordkartonnen personages, net zoals Ulrich trouwens én z’n in het derde deel opduikende zus Agathe, die moeten dienen om de filosofieën en filosofietjes van de schrijver aan op te hangen. Waarmee ik niet gezegd heb dat schrijvers hun filosofieën en filosofietjes niet mogen ophangen aan hun personages – integendeel, dat kan van ze verwacht worden -, maar het kan niet de bedoeling zijn dat de personages opgehangen worden aan de filosofieën en filosofietjes. Als je personages volstrekt onbelangrijk zijn, schrijf dan een essay, of een hoop essays, maar geen ‘roman’.

Maar goed, als Musil zich beperkt had tot een essay, of een hoop essays, in plaats van een ‘roman’ te schrijven over een man die zich overgeeft aan het – I kid you not – ‘essayisme’, dan was De man zonder eigenschappen in 1999 nooit, zoals de tekst op de hoes verder vermeldt, “door Duitse schrijvers en critici uitgeroepen tot de Duitstalige roman van deze eeuw, voor Der Prozess van Franz Kafka en Der Zauberberg van Thomas Mann”. En dan had Uitgeverij Areopagus – waarover u op het internet quasi niks zal terugvinden omdat dat simpelweg een ‘imprint’ is van de vroegere ‘boekenclub’ ECI (in 2010 overgenomen door Bertelsmann en uiteindelijk, na nog een paar verdere overnames en al lang geen ‘boekenclub’ meer geweest te zijn, een stille dood gestorven onder de naam Bookspot) – het niet kunnen uitgeven in zijn “Bibliotheek van de Twintigste Eeuw”, want in dat soort dingen komt nooit ofte nimmer een bundel essays terecht. Enfin, ik doe een beetje lastig, maar ben over één ding met betrekking tot deze “bij leven van de auteur gepubliceerde delen van de roman, tussen 1988 en 1989 eerder in het Nederlands verschenen als onderdeel van een volledige, vierdelige editie” wel blij: dat ECI, in tegenstelling tot J.M. Meulenhoff (tegenwoordig onderdeel van Lannoo), bij wie die “volledige, vierdelige editie” klaarblijkelijk verscheen, niét de ambitie heeft gehad ook het niet “bij leven van de auteur” gepubliceerde vierde deel op te nemen in deze klepper. Zijn weduwe liet dat in 1943, een jaar na het overlijden van de auteur, nog wel publiceren, en het werd zoals de eerste drie delen – voor zover ik dat goed begrepen heb – ook nog “met financiële steun van de Deutsche Akademie Austauschdienst, de Europese Gemeenschap en de Stichting Amsterdams Fonds voor de Kunst” in het Nederlands vertaald door Ingeborg Lesener, maar die – dixit Wikipedia – “600 pagina’s sterk tegenstrijdige fragmenten (…) welke na publicatie aanleiding gaven tot veel gespeculeer hoe de roman zou zijn geëindigd als Musil was blijven leven”, zouden allicht teveel hebben gevergd van mijn moed en doorzettingsvermogen (ik ben per slot van rekening nú al een kleine vier weken aan het lezen geweest in dit boek). “Sommige critici menen”, aldus nog steeds Wikipedia, “(…) dat Musil zijn roman nooit had kunnen beëindigen: zijn project zou zijn vastgelopen”, maar dat gevoel had ik niet: dit is, zoals gezegd, simpelweg geen ‘roman’ en hij gaat op geen enkel moment ergens heen. En als er na het eerste deel, Een soort inleiding, het tweede deel, Insgelijks geschiedt, en het derde deel, Naar het Duizendjarige Rijk (De misdadigers), nog een afgewerkt vierde deel was gevolgd, dan was dat niet anders geweest. Ja, Musil “doorschouwt (…) een cultuur die haar einde nadert”, zoals het op de hoes staat, “en tast (…) mogelijkheden af voor een nieuwe toekomst”, maar een ‘roman’ zou dat ook na een afgewerkt vierde deel niet opgeleverd hebben.

Is er dan helemaal niéts goed aan dit boek? Toch wel, toch wel. Maar het had, zoals gezegd, een bundel essays moeten zijn. Essays waarin Musil zónder zich van personages te bedienen had kunnen kiezen voor – en als de schrijvelaars van Wikipedia goed werk gedaan hebben, mag dat ook geciteerd worden – “een houding van pure beschouwelijkheid” en “door de doordringing van het bestaande een toekomst voor het mogelijke” had kunnen ontwerpen. In véél minder bladzijden, alhoewel ongetwijfeld nog steeds in de stijl hem eigen, een stijl gekenmerkt door enorm lange zinnen waarin je als lezer buitengewoon veel moeite moet doen om niet te verdwalen en die je bij momenten, omdat je brein nu eenmaal af en toe afdwaalt, ‘diagonaal’ gaat lezen. De voorbeelden daarvan zijn legio, maar ik geef er toch even een mee dat op pagina 15 van deze uitgave te bewonderen valt: “Hij stond achter een van de ramen, keek door het zachtgroene filter van de tuinlucht op de bruinige straat en telde met zijn horloge al tien minuten lang de auto’s, de karren, de trams en de door de afstand uitgevloeide gezichten van de voetgangers, die het net van de blik met een wemelende haast vulden; hij schatte de snelheden, de hoeken, de vitale krachten van de voorbijbewegende massa’s, die het oog bliksemsnel naar zich toe trekken, vasthouden, loslaten, die gedurende een tijd waar geen maat voor bestaat, de aandacht dwingen zich er schrap tegen te zetten, zich los te rukken, naar de volgende te springen en daar weer achteraan te snellen; kortom, nadat hij zo een poosje had staan hoofdrekenen stak hij lachend zijn horloge in zijn zak en stelde vast dat het onzin was wat hij deed. – Als je de sprongen van de aandacht zou kunnen meten, de verrichtingen van de oogspieren, de pendelbewegingen van de ziel en al die inspanningen die een mens zich moet getroosten om in de rivier van een straat overeind te blijven, zou er vermoedelijk – aldus had hij gedacht en spelenderwijs het onmogelijke proberen te berekenen – een grootheid uitkomen waarbij vergeleken de kracht die Atlas nodig heeft om de wereld te torsen gering is, en je zou kunnen meten welk een enorme prestatie tegenwoordig al wordt geleverd door iemand die helemaal niets doet.” Respect voor de vertaalster, dát krijg je daarvan (en het aantal schrijffouten dat in dit boek blijven staan is, is echt zeer gering), en je begrijpt dat Musil te mooi schreef om geen ‘romans’ te schrijven, maar dertienhonderdvijftig bladzijden hiervan, is méér dan lastig te verwerken als lezer.

Terwijl je bij het eerste hoofdstuk, Waar opmerkelijk genoeg niets uit volgt (de titels vormen, zoals bijvoorbeeld ook bij Godfried Bomans’ Pa Pinkelman het geval is, een soort minisamenvatting van wat in het hoofdstuk staat en zijn soms op zich al buitengewoon grappig, bijvoorbeeld die van hoofdstuk 100, Generaal Stumm dringt de staatsbibliotheek binnen en verzamelt ervaringen over bibliothecarissen, bibliotheekbedienden en intellectuele orde), toch nog de indruk krijgt dat dat niét zo zal zijn. Met de volgende passage begint dat eerste hoofdstuk namelijk: “Boven de Atlantische Oceaan bevond zich een barometrisch minimum; het trok oostwaarts, in de richting van een boven Rusland gelegen maximum, en vertoonde nog niet de neiging hiervoor naar het noorden uit te wijken. De isothermen en isotheren vervulden hun plicht. De luchttemperatuur stond in de voorgeschreven verhouding tot de gemiddelde jaartemperatuur, tot de temperatuur van zowel de koudste als de warmste maand en tot de aperiodische maandelijkse temperatuurschommeling. De opkomst en ondergang van de zon, van de maan, de lichtvariaties van de maan, van Venus, van de ring van Saturnus en vele andere gewichtige verschijnselen stemden overeen met de voorspellingen daaromtrent in de astronomische jaarboeken. De waterdamp in de lucht had zijn hoogste spankracht en de luchtvochtigheid was gering. In één woord, dat de feitelijke situatie heel aardig weergeeft, ook al is het wat ouderwets: het was een mooie augustusdag in het jaar 1913.” Da’s ironisch, da’s volbloed humor, da’s voldoende om je op het verkeerde pad te zetten. De manier waarop een boek begint, is namelijk ook de manier waarop de gemiddelde lezer – en ik reken mezelf tot die categorie – de rest van het boek zal bekijken en hoewel die humor, die ironie meestal in enige mate aanwezig is in die hele dertienhonderdvijftig bladzijden, is dat niet voortdurend zo, waardoor het boek vaak tegenwringt. Misschien was dat ook wel een van de bedoelingen van Musil, maar ik vond het niet goed werken: veel passages die ik aanvankelijk met een ironisch oog bekeek, leken achteraf bloedernstig. In het begin nam ik dan de moeite die passages nóg eens te lezen, in de hoop de toon ervan correct te vatten, maar dat is niet iets wat je blíjft doen. Ook hier zouden essays de oplossing geweest zijn: niks verhindert dat je er eens eentje in een ironische vorm giet, maar de kans is groter dat je die ironische vorm dan ook volhoudt.

En dan zou ik nu, zoals andere boekbesprekers hebben gedaan, bijvoorbeeld dieper kunnen ingaan op, zoals de schrijvelaars van Wikipedia dat doen, de “minstens negen karakters” van een inwoner van een land, of dat wat, naast de relativiteit van ‘goed’ en ‘kwaad’ (“De mens geeft aan de daad het karakter, en het gaat niet omgekeerd! Wij scheiden goed van kwaad, maar in onszelf weten wij dat ze een geheel vormen!”), zo ongeveer de kernfilosofie van dit boek is en tevens de titel van hoofdstuk vier: Als werkelijkheidszin bestaat, moet mogelijkheidszin ook bestaan. Maar dat laat ik liever over aan ernstige mensen als Nico van der Sijde. Al schrijft die dan in het begin van zijn bespreking dat het boek “werkelijk bezopen ingewikkeld qua inhoud, structuur en stijl” is, hij heeft wel redelijk hard zijn best gedaan om de filosofie van Musil/Ulrich weer te geven, en ik voel me niet geroepen die oefening nog eens dunnetjes over te doen. Zeker niet als ik bijvoorbeeld ook een hilarisch stukje kan citeren waarin Musil het heeft over het Oostenrijks patriottisme (een patriottisme dat bijvoorbeeld ook weerspiegeld werd in het kaiserlich und königlich, of in de hele evenwichtsoefening tussen Oostenrijks, Oostenrijks-Hongaars, Hongaars, enzovoort, waar Musil, zoals met zovele andere dingen die typisch waren voor de tijd én de geografie, op voortreffelijke wijze de draak mee steekt) van die dagen: “Patriottisme was in Oostenrijk een heel speciaal onderwerp. Want Duitse kinderen werd eenvoudig geleerd op de oorlogen van de Oostenrijkse kinderen neer te zien en men bracht ze bij dat Franse kinderen de nazaten waren van decadente losbollen, die het met duizenden tegelijk op een lopen zetten zodra er een Duitse landweerman op ze afkomt die een flinke baard heeft. En met de rollen omgedraaid en de nodige wijzigingen leerden de Franse, Russische en Engelse kinderen, die ook dikwijls hebben gezegevierd, precies hetzelfde. Nu zijn kinderen opscheppers, dol op rovertje spelen en te allen tijde bereid om de familie Y uit de Grote X-straat, als ze daar toevallig toe behoren, als de grootste familie van de wereld te beschouwen. Ze zijn dus gemakkelijk te winnen voor het patriottisme. Maar in Oostenrijk lag dat wat ingewikkelder. Want de Oostenrijkers hadden weliswaar ook alle oorlogen uit hun geschiedenis gewonnen, maar na de meeste van die oorlogen hadden ze het een of ander moeten afstaan.” Dat is namelijk míjn soort filosofie, dat begrijp ik. Net zoals: “(…) sport was ruw. Je zou kunnen zeggen, de neerslag van een uiterst fijn verdeelde, collectieve haat, die in wedstrijden wordt afgeleid. Natuurlijk werd het tegendeel beweerd, sport zou saamhorigheid scheppen, verbroederen en zo meer; maar dat bewees in feite alleen dat ruwheid en liefde niet verder van elkaar verwijderd waren dan de ene vleugel van een grote kleurige stomme vogel van de andere.” Of: “Op een conferentie brengt iedereen naar voren wat hij zou willen bereiken en juist vindt, en uiteindelijk komt daar iets uit voort dat niemand echt heeft gewild: dat is dan het resultaat.” Of een pareltje van fijnzinnige humor als dit: “Moosbrugger was een timmerman”, met een paar lijnen daar achter “Als aan de grond genageld bleef men staan wanneer men dit door God met alle tekenen van goedheid gezegende gezicht voor het eerst tegenkwam (…)”. Of dingetjes als: “(…) het moment dus waarop hij zich zonder rekening te houden met zijn pantalon en zijn toekomst aan Diotima’s voeten wilde werpen”, “Van de wijde wereld had men zes vierkante meter uitgezocht, en daarop liep Moosbrugger heen en weer”, “(…) de mooie dame deelde haar gezelschap mee dat zij de behoefte voelde om te genieten van het zonlicht en het jaar 1914”, of, ten slotte, “een schaal die was gevuld met radijsjes, mandarijntjes, kraakamandelen, smeerkaas en grote Turkse pruimedanten” die op de ene bladzijde “dit kostelijke en gezonde avondmaal” wordt genoemd en op de volgende simpelweg “groenvoer”.

Ik ga deze boekbespreking niet afsluiten met de bewering dat u het lezen van dit boek best kan nalaten – een beetje naar analogie van de hoofdstuktitel Een hoofdstuk dat een ieder die geen al te hoge dunk heeft van het denken als bezigheid kan overslaan -, maar u bent op z’n minst gewaarschuwd dat u er véél tijd zal moeten insteken, nul actie kan verwachten, en waarschijnlijk óók wel van oordeel zal zijn dat het allemaal een stuk korter had gekund. Zelf heb ik nog even getwijfeld of ik het boek niet alsnog in mijn kasten zou houden om het later, met wat meer geduld, nog eens te lezen, maar de kans dat ik dat zal doen, is sowieso verwaarloosbaar klein, dus wordt er plaats geruimd voor wat anders.

Björn Roose

vrijdag 7 augustus 2026

Drie Vlaamse pioniers – Palmer Ruysschaert (boekbespreking door Björn Roose)

Drie Vlaamse pioniers – Palmer Ruysschaert (boekbespreking door Björn Roose)
Dat AI er wel vaker zomaar wat op los lult, wist u ongetwijfeld al, maar de eerste zin die het exemplaar van Google weet mee te geven in verband met Palmer Ruysschaert, auteur van voorliggend Drie Vlaamse pioniers, slaat werkelijk alles: “Palmer Ruysschaert (1905-2000) was a prominent Belgian Flemish activist, writer and member of the Algemeen Nederlands Verbond (ANV)”.

Een ‘prominent belgisch Vlaams activist’…Zoiets als iemand die belze voetbaltricolores uithangt, maar daar dan op 11 juli een Vlaamse Leeuw aan toevoegt, wellicht? Ik ben haast geneigd het even op Wikipedia te gaan opzoeken – vanwege het simpele feit dat de schrijvelaars van Wikipedia zelfs zónder gebruik van AI in staat zijn zo’n onzin uit hun botten te slaan – maar houdt het, ook al omdat er op Wikipedia niks te vinden is over deze “prominent Belgian Flemish activist”, verder maar bij wat de achterflap van dit in 1998 bij het Vlaams Verbond voor Gepensioneerden (VVVG), intussen omgedoopt tot Vlaamse Actieve Senioren (Vl@s), uitgegeven boekje over de van een strikje, mopsneus en stevige bril voorziene auteur weet te vermelden: “Palmer Ruysschaert is geboren in 1905 en behaalde na de Eerste Wereldoorlog het diploma van onderwijzer aan de normaalschool te Torhout. Na zijn legerdienst werd hij onderwijzer te Nieuwpoort, Wielsbeke, Menen en Desselgem. Ondertussen behaalde hij het diploma aan het Hoger Opvoedkundig Instituut te Gent. Hij werd taalinspecteur op de taalgrens Komen-Moeskroen. Hij publiceerde artikels in de tijdschriften Ons Erfdeel, Neerlandia, Contactblad van Marnixring en in het Vlaams Verbond voor Gepensioneerden. Daarin behandelde hij altijd Vlaamse problemen in de Belgische staat en onderwerpen i.v.m. Frans Vlaanderen, de Nederlandse taal en cultuur, de geschiedenis der Nederlanden en de Noord-Zuidintegratie. In 1992 publiceerde hij een boek ‘Standpunten. Stellingname tegenover Vlaamse en Groot-Nederlandse problemen in het licht van het nieuwe Europa.’”

De naam Palmer Ruysschaert zegt u nog steeds niks, zegt u? Mij ook niet, maar goed, anderen hebben hem toch gekend. Manu Ruys, bijvoorbeeld, wiens naam u uiteraard wél hoort te kennen en die voor dit boekje de Inleiding mocht schrijven: “Palmer Ruysschaert bewees in de loop van een lang leven (een) bruggenbouwer te zijn. Voorganger in het onderwijs, man van de taalstrijd, publicist van de Vlaamse Beweging en auteur van wetenschappelijke schriften, blijft hij nog steeds helder en nauwgezet informeren… Palmer Ruysschaert biedt geen afstandelijke academische boekenwijsheid aan. Hij ontmoette de mannen Alberic Decoene, Kamiel en Herman De Vleeschauwer waarover hij vertelt… (Dit) getuigenis is kostbaar en hartverwarmend. Dit boek moet ook de jeugd aanspreken en boeien.”

‘De jeugd’… U dus, beste lezer, want ik heb niet anders dan jeugdige lezers. U dus, die misschien nog nooit van “Alberic Decoene, Kamiel en Herman De Vleeschauwer” heeft gehoord. Net zoals ik, toen ik dit boekje nog niet gelezen had. Want, toegegeven, de namen van vader (Kamiel) en zoon (Herman, op zijn beurt vader van een Camiel) De Vleeschauwer leken me – in tegenstelling tot die van Alberic Decoene overigens – iets te zeggen, meer bepaald in verband met de Eerste Wereldoorlog, maar meer ook niet. En dat van die Eerste Wereldoorlog bleek dan ook nog niet te kloppen. Voor zover ik kan afleiden uit dit boek én uit het lemma over Kamiel in de (toen nog) Nieuwe (en tevens op papier te koop zijnde) Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (NEVB) was hij tijdens die Eerste Wereldoorlog niet of nauwelijks actief in de kringen waarin bijvoorbeeld wél Filip De Pillecyn actief was, terwijl zijn zoon Herman toen nog op school zat in Dendermonde (en vervolgens Maaseik). Maar over alle drie, ook over Decoene, is dus een lemma te vinden in die NEVB, en Ruysschaert heeft ze beschouwd als pioniers. Wat daar ongetwijfeld net zo goed een feit van maakt als van wat Ruys aan het begin van de al eerder genoemde Inleiding vertelt: “De Vlamingen hebben de strijd tegen de volksvreemde Belgische staat gewonnen.” Manu Ruys was een slimme mens, maar dat belette niet dat hij ook een naïeve mens was, zoveel is duidelijk. Een naïeve mens die daarom ongetwijfeld kon geloven dat wat hij schreef in die Inleiding ook een verkoopsargument was (want dat is de reden waarom inleidingen geschreven worden): “In dit boek vertelt hij [Palmer Ruysschaert dus, noot van mij] over een trio van pioniers dat niet weg te denken is uit de geestesgeschiedenis van de Vlaamse ontvoogdingsbeweging: de priester dr. Alberic Decoene; een van de meest actieve theoretici van het Vlaams-nationalisme, Kamiel De Vleeschauwer; en diens zoon, de wijsgeer prof. dr. Herman Jan De Vleeschauwer. Palmer Ruysschaert behandelt zo van elkaar verschillende themata als de houding van de Belgische kerk ten aanzien van de Vlaamse Beweging, de betekenis van het vak geschiedenis voor de vorming in het onderwijs, en de filosofische ontwikkelingen in het Vlaanderen van het Interbellum (…) De drie pioniers – de wijze kanunnik, de onverschrokken nationalist en de atheïstische Kantiaan – lijken soms tegenpolen te zijn. Maar zij droegen allen eenzelfde ideaal uit: de zorg om de kwaliteitsverbetering van het denken en van het Vlaming-zijn.” Iets waarvan u mogelijk sowieso al niet wild wordt, maar waaraan ik meteen ook nog dien toe te voegen dat dat gebeurt op een zodanige wijze dat daarin na lezing geen verandering is gekomen, in tegendeel.

Dat wil zeggen? Wel, in het geval van Kanunnik Dr. Alberic Decoene (1881-1958), zoals het eerste hoofdstuk heet, ondertitel Overtuigde Vlaming onder Belgicistische Roomskatholieke Hogere Geestelijkheid, bijvoorbeeld met niet over Decoene handelende delen over de Houding van de hogere roomskatholieke geestelijkheid van België, De Belgische hogere katholieke geestelijkheid en de politieke emancipatie van het Vlaamse volk, de Houding van de Belgische hogere katholieke geestelijkheid tegenover Vlaamsvoelende geestelijken en leken onder hun gezag, en de Groeiende kentering in de Anti-Vlaamse houding van de kerkelijke overheid in Vlaanderen. Ongetwijfeld allemaal – als Ruysschaert die delen niet óók nog eens in puntjes en details had opgedeeld en zo datgene wat de enigszins geïnformeerde lezer al wist, domweg vervelend had gemaakt – ook het weten waard, maar zo’n inleiding van negentien bladzijden bij een hoofdstuk dat verder ‘maar’ zevenentwintig bladzijden meer duurt, valt toch op z’n minst behoorlijk onevenwichtig te noemen. Sterker nog, de biografische uitleg over Decoene blijft zelfs in die zevenentwintig bladzijden uitermate beperkt. Én ongestructureerd: na het gehad te hebben over Zijn jeugdjaren, Decoene en het Activisme tijdens Wereldoorlog I, Decoene directeur van de normaalschool te Torhout, Het incident te Gistel van 15 juni 1920 (een incident waaraan tweeënhalve bladzijde gewijd wordt), en De pedagoog Decoene, springt Ruysschaert met het hoofdstuk Het AKVS in de normaalschool te Torhout namelijk terug naar de jeugdjaren van zijn onderwerp. Waarna nog twee weer chronologisch volgende biografische deeltjes komen, De Belgische bisschoppen veroordelen het Vlaams nationalisme (wat zelfs de niet eerder geïnformeerde lezer al wist uit de eerste negentien bladzijden van dit hoofdstuk) en Kanunnik Alberic Decoene en de repressie, maar die worden dan weer gevolgd door een deel genaamd Dr. Alberic Decoene schrijft zijn laatste boek, een nooit uitgegeven boek onder de titel De Vlaamse kwestie voor de Ethica dat Ruysschaert “dermate belangrijk [vindt]” (en ik heb het verder maar niet over de kanjer van een dt-fout in de zin beginnend met de woorden “Maar dit handschrift vindt ik dermate belangrijk”) dat hij het helemaal gaat samenvatten, hoofdstuk per hoofdstuk, Inleiding en Nabeschouwingen inbegrepen. Noem mij een beetje simpel, zo u wil, maar ik word tureluurs van zo’n dingen. Een boekbespreking? Okee. Biografische info? Okee. Een algemene uitleg over de houding van de kerk tegenover de Belgische staat en de Vlaams-nationalistische Beweging? Okee. Maar dat alles op zo’n manier gebracht in iets wat schijnbaar een biografie is? Dat is niet meer aangenaam om lezen, dat vlot niet, dat staat mij tegen als geheel (als je het al als een geheel kan beschouwen).

Waarna nóg twee ‘Vlaamse pioniers’ moeten volgen. In Kamiel De Vleeschauwer (1873-1975), ondertitel Pleimion Naibh: strijder voor zijn volk, begint Ruysschaert wél meteen aan de biografische informatie (daarbij ook volkomen oninteressante weetjes als dit delend: “De derde dochter, Mia, huwde met Jules Huyghe, stadssecretaris van Veurne, en overleed te Brugge op 30 juli 1979.”), maar heeft daarmee al gedaan na anderhalve bladzijde en gaat dan verder met Zijn rol als Vlaming en pedagoog en Zijn rol als geschiedkundige, om het vervolgens nog acht bladzijden te hebben over De Vleeschauwers opvattingen over de groei naar onafhankelijkheid van Vlaanderen aan de hand van de periode 1300-1328 (een opvatting waartoe kennelijk open deuren als Zwakheid van Vlaanderen door gebrek aan samenwerking en leiding behoorden). En in Prof. Dr. Herman Jan De Vleeschauwer (1899-1986), ondertitel filosoof, hoogleraar, historicus en bibliotheekkundige, gaat hij na drie bladzijden over Zijn leven over op zijn onderwerp als Kantkenner, waarna zes bladzijden ongelooflijke blabla volgen over De auteur van wijsgerige werken en zijn filosofische opvattingen, en ik al bijna geen zin meer had om me nog te verdiepen in In aanvaring met de Vlaamse katholiciteit, Wijsbegeerte en wetenschappen in de Nederlanden, In de collaboratie, Bibliotheekkunde, en zes bladzijden Nabeschouwingen over wat Ruysschaert dus al beschouwd hééft in zijn onderwerp. Ja, je kan je, in zoverre je er in geïnteresseerd bent, mét Ruysschaert afvragen “hoelang nog (…) het werk van prof. H.J. De Vleeschauwer doodgezwegen [wordt]?” En je kan daarvoor de volgende argumentatie gebruiken: “Hij heeft gedurende de tweede wereldoorlog gecollaboreerd. Dat feit valt niet te loochenen en is ongetwijfeld de grote reden waarom hij bij vele invloedrijke personen en organisaties nog steeds persona non grata is. Maar wordt het niet stilaan tijd dat hieraan een einde komt? De grote Duitse filosoof Martin Heidegger liet zich in 1933 benoemen tot rector van de universiteit van Freiburg en werkte samen met de nazi’s. In verband met deze houding merkte Alain Benoist op: ‘zelfs indien hij (Heidegger) met eigen handen tien miljoen mensen zou hebben omgebracht – quod non – zou dat nog niets veranderen aan de waarheidswaarde van zijn filosofie.” Maar ik twijfel er aan dat Palmer Ruysschaert welke van de Drie Vlaamse pioniers dan ook een postuum lezerspubliek heeft bezorgd door dit boekje over hen te schrijven.

Björn Roose

maandag 3 augustus 2026

Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit – Henri Leys (1815-1869) tussen heden en verleden – Jan Dirk Baetens (boekbespreking door Björn Roose)

Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit – Henri Leys (1815-1869) tussen heden en verleden – Jan Dirk Baetens (boekbespreking door Björn Roose)
Soms heb ik de indruk dat ik nog maar net het ene boekje uit de serie Phoebus Focus gelezen heb als het volgende alweer, samen met de nieuwste editie van OKV-magazine, in mijn bus ligt. Dat klopt natuurlijk niet, want tussen de ene editie van dat magazine en de andere zit telkens een tweetal maanden en zo traag lees ik niet. Al helemaal niet in het geval van de door The Phoebus Foundation uitgegeven ‘bijlagen’: die neem ik meestal in één lezing (dus in zoiets als een uur) tot me en dat vaak vóór ik het magazine uit heb. Maar als ik het schrijven en publiceren van mijn besprekingen méé in berekening neem, dan klopt de indruk al beter: op welke datum ik bijvoorbeeld mijn bespreking van Mercurius draagt Psychenaar de Olympus, het nummer XXXVIII in de serie, geschreven heb, weet ik niet precies meer, maar die bespreking heb ik pas op 12 juni 2026 gepubliceerd, terwijl op het moment dat ik de bespreking van nummer XXXIX schrijf de datum 26 juni 2026 is. Publicatie van deze bespreking valt pas te verwachten tegen eind juli, maar tegen dan zijn we dus weer minder dan een maand verwijderd van het moment dat het volgende exemplaar in mijn bus zit.

Vraag is dus of dat niet zo’n beetje gaat vervelen, die boekjes? En het antwoord is: als ze de kwaliteit halen van Mercurius draagt Psyche naar de Olympus of voorliggend Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit, ondertitel Henri Leys (1815-1869) tussen heden en verleden, zeker niet. Al had ik zulks bij het zien van de cover (hier) niet meteen verwacht. Wie die niet met het nodige oog voor detail bekijkt, zal misschien óók, zoals ik dat deed, denken dat de naam Henri Leys bij hem/haar niet voor niets geen belletje doet rinkelen. Een vooronderstelling die al op basis van de detailafbeeldingen van het schilderij in kwestie ín het boek (met honderdzesenzeventig bladzijden een van de dikkere in deze serie) onterecht blijkt, een feit waartoe ook (misschien zelfs vooral) de tekst van Jan Dirk Baetens - dixit de achterflap “universitair docent verbonden aan de opleiding kunstgeschiedenis van de Radboud Universiteit Nijmegen” - en de andere in het boek getoonde werken (van Leys, maar ook van vele anderen) het hunne bijdragen.

Maar eerst een woordje over die Henri Leys, een woordje dat ik aan Katharina Van Cauteren laat, “stafchef van de Kanselarij van The Phoebus Foundation”, die zoals gewoonlijk – tenzij ze zelf de auteur is van het boekje – het Voorwoord bij deze editie geschreven heeft: “Noem mij een Antwerpse schilder uit de negentiende eeuw en ik voel uw brein bijna automatisch een versnelling hoger slaan. Nee, het mag niet uit de zeventiende eeuw zijn. Nee, Emile Claus was van Gent. Denkt u aan Gustave Wappers, Nicaise De Keyser of Ferdinand De Braeckeleer? Het wordt al wat warmer, maar u bent er nog niet. Want deze editie van Phoebus Focus gaat over Henri Leys: ooit directeur van de Antwerpse Academie, schilder van menig tafereel in het stadhuis van de Scheldestad en zo gewaardeerd dat hij het voorwaar tot baron schopte. Maar dat was toen, en nu is nu – en nu blijkt baron Leys enigszins vergeten door de kunstgeschiedenis.” “Want ja,” zo gaat ze verder, “Leys’ historische taferelen waren weliswaar technisch meesterlijk, maar in de twintigste eeuw lag niemand nog wakker van artistieke virtuositeit. ‘Ouderwets,’ zo was de teneur, ‘sentimenteel.’ En ook: ‘niet origineel’. Want nee, Leys was geen Monet of Manet, en de kunstgeschiedenis was intussen een verhaal geworden van avant-gardes. Voor een schilder die zijn heil zocht in het verleden, bij de Vlaamse Primitieven, Dürer en Metsijs, was dat een probleem. Zeker omdat Henri Leys zichzelf en zijn publiek ook thematisch onderdompelde in het verleden.”

Nu ben ik zelf geen absolute fan van alles wat ‘avant-garde’ is, maar “ouderwets” was (naast ‘duister’, in die zin dat het schilderij misschien een ‘schoonmaakbeurt’ kan gebruiken) wel een van de woorden die bij me opkwam toen ik het werk Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit op de cover zag, en met “niet origineel” moest ik het na een paar tientallen bladzijden in dit boek gelezen te hebben ook wel eens zijn. Nog los van de motivatie achter dit werk en vele andere werken uit die periode, een motivatie die Van Cauteren ook nog meegeeft in haar Voorwoord: “In het prille België werd druk getimmerd aan een eigen, nationale identiteit. Een gedeeld verhaal had men nodig, helden, glorierijke vorsten van een land dat nog niet bestond. En welke figuur is op dat vlak mythischer dan de noodlottige Maria van Bourgondië? Erfdochter van hertog Karel de Stoute, echtgenote van de toekomstige keizer Maximiliaan van Oostenrijk, tragische jonge vrouw, die op haar vijfentwintigste van haar paard valt en sterft?” Dat laatste zijnde een feit waarnaar in mijn geboortestreek, waarin het kasteel van Wijnendale, plaats van de noodlottige val, lag, in ieder geval véél liever verwezen werd dan naar het gegeven dat Leopold III in datzelfde kasteel in mei 1940 zijn laatste gesprek met een aantal leden van zijn regering had, een gesprek waarin hij hen liet weten niet zoals zij de wijk te zullen nemen naar Engeland en er de voorkeur aan te geven ‘bij zijn troepen’ te blijven en in Duitse krijgsgevangenschap te gaan. Wat allemaal niet zo heel erg ter zake doet, ware het niet dat het kasteel van Wijnendale, na tussen 1837 en 1852 in opdracht van de nieuwe eigenaar, Josse-Pierre Matthieu, medeoprichter van de Société Générale, helemaal heropgebouwd te zijn, vanaf 1877 in opdracht van zijn zoon Joseph Louis een totale make-over onderging om er zo het – dixit Wikipedia – “geromantiseerde, middeleeuws aandoende waterslot” van te maken dat er nu nog staat. Iets wat merkwaardig genoeg past bij het thema van dit boek, zelfs al gebeurde het pas een klein decennium nadat Henri Leys (want met hem waren we bezig) het tijdelijke voor het eeuwige had verwisseld.

Want Leys’ Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit – een schilderij dat na 1858, het jaar waarin Leys het in Antwerpen en Gent exposeerde alvorens het naar Londen vertrok als eigendom van “een steenrijke verzamelaar”, nog slechts één keer in Vlaanderen te zien was (met name in 1905), en sinds 2022 in handen van The Phoebus Foundation is - werd in zijn tijd niet zomaar als “een meesterwerk” beschouwd, een gegeven dat Jan Dirk Baetens na dat Voorwoord van Van Cauteren uitgebreid motiveert. Om te beginnen met de stelling: “Een goed begrip van Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit veronderstelt (…) aandacht voor beide aspecten: de reconstructie van het verleden, maar ook het (toenmalige) heden dat daarachter schuilgaat”, een heden waarvan de beschouwers zich bewust waren en dat ze meenamen in hun kijk op het schilderij. Een heden ook dat Leys niet van bij zijn eerste schilderijen meenam in zijn “reconstructie van het verleden”: de hoofdstuktitel Van pasticheur tot resurrectionist zegt wat dat betreft misschien niet voldoende, maar Baetens wijst er toch mee op het feit dat Leys in het begin van zijn carrière inderdaad verre van origineel was, geen kopiist van oude meesters maar toch wel een navolger, een schilder die al evenmin naliet de markt te volgen (met onder andere een periode waarin hij zich ging baseren op werken van Jan Steen), tot het moment waarop hij zelf, zij het weer aan de hand van oudere voorbeelden, een stijl ontdekte die hem toeliet die markt te gaan leiden. “Een radicale ommekeer volgde een jaar later, in 1852. In de late zomer van dat jaar ondernamen Leys en zijn echtgenote een reis door de Duitse gebieden. Daar raakte hij sterk onder de indruk van Albrecht Dürer, Lucas I Cranach, Hans II Holbein en andere Duitse kunstenaars uit de late vijftiende en vroege zestiende eeuw, die hem zouden inspireren om een nieuwe weg in te slaan. Na zijn terugkeer legde Leys zich in zijn werk in toenemende mate toe op zestiende-eeuwse, en soms ook vijftiende-eeuwse, onderwerpen. Tegelijk leunde hij ook in stijl, kleur en compositie steeds meer aan bij het voorbeeld van zestiende-eeuwse schilders en prentkunstenaars uit Noord- en West-Europa, zoals Holbein, Pieter I Bruegel en Lucas van Leyden, van wie hij het werk ook begon te verzamelen. Het resultaat was dat Leys’ nieuwe werk, in de ogen van liefhebbers, critici en verzamelaars, het laatmiddeleeuwse verleden op een betoverende wijze weer tot leven wekte. Desalniettemin waren Leys’ taferelen ook herkenbaar voor het negentiende-eeuwse publiek, dat kon vaststellen dat het leven vroeger toch ook weer niet zo anders was dan dat van hun eigen tijd. Het publiek kon zo reizen in de tijd, naar het verleden, maar tegelijk toch zijn weg nog vinden in dat verleden.” “In de jaren die volgden op de wereldtentoonstelling [van 1855 in Parijs, noot van mij] werd Leys”, aldus Baetens, dan ook “een van de sterren van de Europese kunstwereld en wellicht de duurst betaalde Belgische kunstenaar van zijn tijd. Zijn werk werd verkocht aan prominente verzamelaars in binnen- en buitenland: van Jules van Praet (1806-1887), de rechterhand van koning Leopold I (1790-1865), tot Richard Seymour-Conway (1800-1870), de beruchte vierde markies van Hertford; van de Amerikaanse financier en diplomaat August Belmont (1813-1890) tot de Russische tsarenfamilie. Tal van kunstenaars volgden Leys’ voorbeeld ook na, met meer of minder succes. Daarnaast slaagden enkele jongere kunstenaars erin om bij hem in de leer te gaan en zo hun opleiding tot schilder te voltooien. Leys’ neef Henri De Braekeleer en de Nederlands-Britse kunstenaar Alma-Tadema (1836-1912) zijn de belangrijkste.”

Waarmee ik zo’n beetje gekomen ben waar ik wou zijn. Wie de werken van Lawrence Alma-Tadema ziet, bijvoorbeeld het ook in dit boek weergegeven Clothilde bij het graf van haar kleinkinderen of (dito) Una carita, zal daarin een stijl herkennen die wonderwel aansluit bij wat in de architectuur neogotiek heet, en dat is, al deed Leys niet aan godsdienstigheid in zijn schilderijen, ook wat ik persoonlijk knap vind aan de werken van diezelfde Leys en de mensen die hij beïnvloedde. Of ik eventueel vloek in een, al dan niet neogotische, kerk met die stelling, weet ik niet, maar laat ons zeggen dat het feit, waar ook Baetens het over heeft, dat Leys enige bewonderaars had onder de prerafaëlieten me een weinig sterkt in die overtuiging: die prerafaëlieten beoogden immers vanaf ongeveer het midden van de negentiende eeuw “een terugkeer naar de kunst van de late middeleeuwen, die volgens hen nog puur en ongekunsteld was”, iets wat niet noodzakelijk kon gezegd worden van wie die kunst probeerde her uit te vinden, een streven dat ook de neogotiek eigen was, zij het dat het in de architectuur al een eeuw eerder begon op te duiken. Trouwens – en was ik even blij dat ik die passage op pagina 153, toen ik al een tijdlang met die gedachte aan de neogotiek in mijn hoofd zat, tegenkwam -, Baetens zegt ook nog over Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit: “Eerder dan om politieke redenen het voortleven van een idee van vorstelijke liefdadigheid te willen uitdragen, lijkt het werk meer in het algemeen aan het eigentijds publiek een historisch voorbeeld te willen geven van medeleven en barmhartigheid. Dat brengt het enigszins in de buurt van Augustus Welby Pugins Contrasts, uit 1836, een publicatie waarin deze Engelse neogotische [jawel!, noot van mij] architect de middeleeuwse manier van samenleven en de bouwkunst die daar vorm aan gaf, vergeleek met de moderne samenleving en architectuur, in het nadeel van die laatste.”

“(…) in de buurt”, vind ik qua gelijk hebben al goed genoeg, ik ben per slot van rekening geen kunstkenner. Maar ik begin wél de algemene vorm van de boekjes in de serie Phoebus Focus te kennen en kan dus zeggen dat ook in dit boekje de klassieke kadertjes, met bijvoorbeeld uitleg over De salons en de wereldtentoonstellingen, de al genoemde Prerafaëlieten en prerubenisten, of Pieter I Bruegel in de negentiende eeuw, weer aanwezig zijn. Telkens zeer lezenswaardig, Jan Dirk Baetens heeft niet zomaar wat stukjes op een hoop gegooid, net zomin als Henri Leys dat deed bij het schilderen van Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit. Het hoofdstuk Het verleden bijeengepuzzeld, geïllustreerd met nogal wat schetsen, moge van dat laatste getuigen. Leys stak enorm veel tijd in het bijeenbrengen van documentatie, over bijvoorbeeld kledij, maar aarzelde ook niet met die documentatie een nieuw gegeven te creëren. Terwijl Maria van Bourgondië toch vooral activiteiten ontplooide rond Gent, situeert het tafereel op het schilderij zich bijvoorbeeld niet daar, maar in Brugge. “De stad is te herkennen aan de hoge halletoren met de vroegere spits erop links”, zij het dat er rechts in beeld een gebouw staat dat de, eveneens Brugse, Sint-Donaaskerk zou kunnen zijn, al stond die er ook in Leys’ tijd al niet meer. In tegenstelling tot de restanten van de Antwerpse Kipdorppoort, die Leys ook al aan Brugge heeft toegevoegd. Zelfs los van het feit dat Leys zelfs wat de personages betreft vaak leentjebuur ging spelen bij oudere, en vooral dode, collega’s, zou je dus kunnen zeggen dat “Leys’ werk (…) weliswaar [steunt] op talrijke citaten en verwijzingen, maar al die referenties zijn verwerkt tot iets nieuws, tot een type schilderij dat als dusdanig in de vijftiende eeuw nooit werd gemaakt.” “Er zijn”, voegt Baetens daar aan toe, “inderdaad slechts enkele vijftiende- en zestiende-eeuwse schilderijen die in de buurt komen van Leys’ tafereel: we kennen bijvoorbeeld enkele voorstellingen van de heilige Elisabeth van Hongarije en er is een luik van een zestiende-eeuws retabel met een vrouw die aalmoezen uitdeelt aan de rand van een stad, dat in 1873 vanuit de befaamde Arenbergverzameling in de collectie van de Koninklijke Musea van België terechtkwam. Er bestaat echter geen enkel werk dat naar onderwerp, formaat, genre en medium helemaal inwisselbaar is met Leys’ schilderij.” Leys was dus origineel in de manier waarop hij met originele bronnen omging. “Henri Leys (1815-1869) tussen heden en verleden” is dus geen slechte ondertitel. En Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit van Jan Dirk Baetens is een boek dat van voor tot achter boeit. Volgens mij ook voor wie niét echt iets heeft met de neogotiek.

Björn Roose

vrijdag 31 juli 2026

De ontwrichten – Knut Hamsun (boekbespreking door Björn Roose)

De ontwrichten – Knut Hamsun (boekbespreking door Björn Roose)
Ik kondigde het al aan in mijn bespreking van de korte biografie van Knut Hamsun, toepasselijk Knut Hamsun getiteld, door Piet Schepens: dat ik De ontwrichten van diezelfde Knut Hamsun zou gaan lezen. En wat boeken lezen betreft, kan ik iets wat me bij andere voornemens niet altijd lukt, zijnde die quasi onmiddellijk nakomen. Dus hier is ze, nog geen anderhalve maand later, de bespreking van De ontwrichten. Een boek, ook bekend onder de titel De stad Segelfoss, waar biograaf Piet Schepens – ter herinnering – slechts zoveel woorden voor over had: “De stad Segelfoss (1915), de geschiedenis van het Noorse kuststadje, is een vervolg van Kinderen van hun tijd. De hoofdpersoon is Holmengraa maar ook de andere inwoners nl. de arbeiders, de hoteleigenaars, de handelaars, de intellectuelen – allen ontwrichten in hun streven naar eer, macht en prestige; mensen die zichzelf en elkander kwellen – spelen een belangrijke rol. Stilaan ziet Holmengraa zijn ster tanen. Hij moet de handschoen opnemen tegen de opkomende arbeidersstand, die in zich een opstandige geest voelt opborrelen. Het enige Hamsunse type in deze roman, de telegrafist Baardsen, gaat in dit midden van bekrompen mensen ten gronde.”

Kinderen van hun tijd had ik niet, noch heb ik, zoals ik u in eerdergenoemde boekbespreking liet weten, in mijn bezit, en ik vreesde een beetje dat ik daardoor een deel van De ontwrichten zou missen, gezien het er toch een vervolg op is, maar ik had uiteindelijk niet de indruk dat dat effectief zo was. Wat waarschijnlijk voor een niet onbelangrijk deel aan de vertelstijl van Hamsun ligt. Om het filmisch uit te drukken: hij begint met een soort overzicht over het gebied, zoomt daarbij in op een niet echt belangrijk personage (“Een man op den nieuwen vlagheuvel, wat voert hij daar uit?”), legt verbanden tussen dat personage en een ander, zoomt weer uit, gaat naar dat ander personage, enzovoort, enzovoort. Op vrij korte termijn worden de meeste ‘spelers’ zo aan je voorgesteld en begrijp je ook min of meer de verbanden tussen hen, waarna Hamsun verder kan gaan met het iets langer volgen van elk van die ‘spelers’. Zonder dat hij dat evenwel hele hoofdstukken lang doet. Hamsun blijft nu eens met zijn schrijverscamera dié persoon volgen, dan weer de andere, en dat is zelfs niet anders waar het “de hoofdpersoon (…) Holmengraa” aangaat. Ja, die heeft een belangrijke rol in het geheel te spelen (en niet alleen als quasi gezagsloze “eigenaar van het molenbedrijf” en “koning op Segelfoss”), maar ik ben niet zeker dat ik hem zelf wel “de hoofdpersoon” zou noemen. Dat kan namelijk ook de ambitieuze winkelier Theodor Jensen (zoon van de “lam en kapot op zijn bed” liggende Per) zijn, of de (tijdelijk) teruggekeerde zoon Willatz van de jaren eerder overleden luitenant Holmsen, of de genoemde telegrafist Baardsen, al hebben de ándere personages (schoenmaker Nils, dienstmeid Florentine, Lars Manuelsen, “mijnheer” Diddriksen, advocaat Rasch, een toneelgezelschap, en noem maar op), inderdaad net iets minder belangrijke, zij het nooit louter blad vullende rollen.

Al wil dát dan weer niet noodzakelijk zeggen dat die laatste een betere intro krijgen dan, pakweg, genoemde Theodor “van den winkel”: “Die Theodor had een gelukkige hand bij alles wat hij uitdacht en op touw zette, hij stelde zijn vader in de schaduw, hij verdiende geld, terwijl zijn vader alleen maar geld gespaard had. Die jonge man was nog maar in de twintig en hij had het klaar gespeeld om al zijn concurrenten van de baan te duwen, pas nog had hij den bakker met zijn heele bakkerij opgeslokt vanwege de schulden, die deze bij hem had. Maar al had hij ook een taai hardnekkig karakter, toch was hij bekrompen, die kerel, die goudklomp. Wat kon men ook anders van hem verwachten? Als een geboren boer, als een uitgeslapen vos dreef hij zijn handelsaffaire op uitstekende wijze, maar buiten zijn bedrijf was hij niet meer dan de andere jongens van zijn stand, ja, hij was misschien nog een beetje ijdeler en onnoozeler. De menschen zagen hem met ringen aan zijn beide handen en soms liep hij met zijden strikken aan zijn schoenen over den afschuwelijken vloer van het magazijn. Zelfs de lui uit het dorp maakten zich vrolijk over hem. ‘Dat had zijn vader eens moeten zien.’” Een vader die trouwens niets te klagen heeft over het succes van zijn winkel in handen van zijn zoon, gezien iedereen in de stad zo niet boven zijn stand leeft, dat dan toch wíl doen: “En dan die vijfduizend kronen [een gift van Holmengraa aan de gemeenschap, noot van mij] – wat een treurige comedie kwam daaruit voort. De arbeiders stichtten daarmee een bank, een arbeidersbank, de ‘Segelfossche Spaar- en Leenkas’, en de advocaat en twee andere mannen werden tot directeuren benoemd. Die leenden gedurende enkele weken al het geld uit, de lui kregen voorschotten, ze verpandden hun woningen, hun meubels en hun vee. Als Jens geld kreeg, moest Jacob het ook hebben; dat werd een kleine epidemie, de een stond borg voor den ander. Theodor van den winkel kreeg in die dagen heel wat contant geld binnen; hij verkocht groote hoeveelheden stoffen, horlogekettingen en fijne kaas. Tenslotte was er geen geld meer in de ‘Segelfossche Spaar- en Leenkas’; de directie schraapte de laatste restjes bij elkaar om haar eigen salaris binnen te rijven. De directeuren zeiden tot elkaar: ‘Wat nu?’ Zij waren ten einde raad. Nu was het de beurt van advocaat Rasch. ‘Als ik vrijheid krijg, dan zal ik de bank redden,’ sprak hij. Hij kreeg de vrije hand, hij alleen bleef directeur met een dubbel salaris. En nu volgden de incasseeringen en advocaat Rasch verdiende daar goed geld mee. Hij stuurde den menschen dagvaardigingen, hun boel werd in beslag genomen en hij belegde veilingen. Theodor van den winkel kocht menigmaal groot slachtvee, dat hij met de vrachtboot naar het Zuiden stuurde, en de advocaat palmde een paar huisjes in, waar de bewoners hem huur voor moesten betalen. O, dat was een omwenteling, een aardbeving; goede God, niemand had van tevoren kunnen vermoeden, welke groote gevolgen deze goede gift van vijfduizend kronen met zich mee zou brengen.”

Waarmee ook duidelijk moge worden dat Hamsun niet verlegen zit om enig sarcasme. Een feit dat overal in dit boek opduikt, maar – louter om die stelling te illustreren – bijvoorbeeld ook in deze passage zit: “‘Ik zal je één ding zeggen,’ antwoordde Lars Manuelsen met nadruk. Lars Manuelsen was er toe overgegaan een heeleboel dingen met nadruk te zeggen, sinds hij de vader van een groot man was geworden, sinds hij een pruik droeg, sinds hij geld verdiende bij de handelsreizigers in het hotel. En bovendien was Lars Manuelsen nu eigengeërfde op zijn stukje grond, waar twee koeien graasden, hij kon nu zijn grooten zoon ontvangen, wanneer die zou komen (…) Er waren ook anderen dan de ekster [een vogel die Hamsun een paar hoofdstukken laat introduceren, noot van mij], die zich op de lente voorbereidden; daar had je bij voorbeeld advocaat Rasch. Hij liet alle sneeuwplekken op zijn stuk grond met zout bestrooien, om den dooi te bespoedigen. Advocaat Rasch had in een paar jaren van dit stuk grond een heelen tuin, een heel park gemaakt. Vroeger was het een armzalig grasland voor twee koebeesten geweest, maar nu graasden die er niet meer; overal waren struiken, boomen en gewassen geplant, die het huis versierden en waarop alle menschen en het heele Segelfoss trotsch waren. Advocaat Rasch had groote dingen tot stand gebracht, sinds hij de middelen in handen had. Wat moest hij met weideland en met koeien beginnen?” Een sarcasme dat een paar tientallen bladzijden verder een niet eens sarcastisch vervolg krijgt in de beschrijving van wat schoenmaker Nils overkomt als hij van Baardsen geld gekregen heeft om zijn zoon achterna te reizen naar de Verenigde Staten: “Nu het zoo geloopen was, kwam er niets van die reis naar Amerika; hij kocht alleen maar voedsel om wat merg in zijn beenderen te krijgen. De stakkerd kon dat goed gebruiken. Maar het ongeluk was, dat het bederf hem aangreep en dat hij een steeds grootere behoefte aan goede spijzen kreeg; het eene sleepte het andere met zich mee. Hij had nu ook trek in veel sterkere koffie, dan hij vroeger had gebruikt; de buitenlandsche kaas in den winkel lokte hem eveneens aan. Dat werd een echte krankzinnigheid. Hij werd door een wervelstorm meegesleurd, hij begreep niet, hoe hij vroeger zonder blikjes had kunnen leven. Nu kon men versche vischcroquetjes middenin den zomer krijgen. Je hadt tegenwoordig van die blinkende doosjes met visch. Nils, de schoenmaker, had zelf een paar honderd meter door de baai kunnen roeien om in zee schelvissen, botten en koolvisschen te vangen; maar waarom zou hij dat doen? In den winkel vond hij blikjes visch en allerlei delicatessen, die door het lange liggen nog smakelijker waren geworden. Het was alsof zij in die olie helemaal veranderd waren. Nils, de schoenmaker, had twee menschenleeftijden tevreden in ontbering doorgebracht, nu had de tijd hem met zijn nieuwe artikelen ingehaald en een caricatuur van hem gemaakt.” Of hoe ‘vooruitgang’ en ‘luxe’ in veel gevallen achteruitgang en armoede kunnen betekenen. Een vaststelling waarbij inderdaad geen sarcasme komt kijken. Net zomin als bij het feit dat stedelingen door de band genomen neerkijken op ‘plattelanders’, zelfs als dat ‘platteland’ voor een niet onbelangrijk deel uit stadjes bestaat en de stedelingen in kwestie dat alleen maar zijn omdat ze van buitenaf in die steden zijn gaan wonen: “Ik ben natuurlijk hier in het Noorden geboren, zooals wij, ambtenaarskinderen, bijna allemaal, maar daarna trok ik Zuidelijker en Zuidelijker en eindelijk belandden wij in het Osterdal. Elverum en Hamar waren onze provinciesteden, maar we hadden Christiana immers als onze hoofdstad. En later – dat weet u toch ook, mijnheer de advocaat – later brachten wij al onze studiejaren in Christiana door, is dat waar of niet? Zijn we daar niet, om zoo te zeggen, gedoopt? We hadden natuurlijk onze basis van ons ontwikkeld ouderlijk huis, maar de ontwikkeling van onze levensbeschouwing, van onze politiek, onze kennis van het theater, van de kunst, onze wetenschap – dat stamt alles uit het groote Christiana. Dat is dus eigenlijk ons geboorteland.”

Nu ja, ik kan nog wel even doorgaan met de citaten, al heb ik, merk ik, gaandeweg minder en minder als mee te nemen uit dit boek aangeduid. Uitzonderingen daar gelaten als een zeer humoristisch stuk zin genre “hij kon er aan denken zich uit zijn zaken terug te trekken om een onderkin te cultiveeren” of “Muis had wel degelijk een zwakke maag: een product van de verfijning van heele geslachten voorouders”. Minder en minder dus omdat de verwachting die je aan het begin hebt, zijnde dat uit de caleidoscoop van gebeurtenissen, uit de opeenvolging van al die kleinzieligheden (want zelfs de “opstandige geest” van de “opkomende arbeidersstand” waarover Piet Schepens het had, produceert nauwelijks meer dan dat) toch ergens een grote lijn zal voortkomen, wordt helaas niet positief beantwoord. De zich vormende lijnen lopen allemaal nog vóór het einde van het boek dood en het einde van dat ene personage, zijn eenzame dood in een zinloos opgetrokken gebouw, vormt finaal óók niet meer dan voer voor een al snel vergeten roddel: “De beide mannen loopen haastig naar de stad Segelfoss en naar den winkel. Zij komen de oplossing van een raadsel brengen – zij lossen het misschien niet op, maar zij zijn gezwollen van het nieuws. Zij kletsen en kletsen: ‘Hij zat in den kelder, hij was dood…’ Alle menschen komen het te weten; zij luisteren ernaar, zij denken erover na en zij hervatten hun dagelijksche werkzaamheden weer. Dan is het afgeloopen en buiten in het Zuiden zingen de zwanen.” Ik vermoed niét dat Knut Hamsun het belang van z’n eigen vertelling daarmee onderuit wou halen, maar hij lijkt dat wel degelijk te doen. Of hij wist voor het geheel ook geen beter einde te verzinnen dan dat. Ik kan daar als lezer mee leven, maar het zorgt er wél voor dat de positieve, stilistische kanten van dit bijna vijfhonderd bladzijden dikke boek, ‘gecompenseerd’ worden door de negatieve inhoudelijke.

Björn Roose