Kossuth Lajos utca, Petőfi
Sándor utca, István Széchenyi utca… Vele jaren heb ik
iedere zomer (en soms lente) Hongarije bereisd en zelfs al zou ik
alles van dat prachtige land vergeten, de kans dat ik dat ook doe met
die in ieder dorp en in iedere stad weer opduikende straatnamen is
vrij klein. In Italië ben ik daarentegen nog maar één keer
geweest, maar het is me desondanks opgevallen dat daar nogal wat
straten Via Felice Orsini heten. Zoals die in Hongarije genoemd naar
een held van de nationale opstand tegen de Oostenrijkers dus, een
held die in de ondertitel van voorliggend boek, Bommen voor
Napoleon, aangeduid wordt als “patriot en terrorist”.
Om maar te beginnen met dat “terrorist”: dat was inderdaad de
laatste functie die hij vervulde. Als leider van een commando dat het
op zich had genomen bommen te gooien naar Napoleon. Niet de Napoleon
waar zo goed als iedereen dan aan denkt, maar diens neef, Karel
Lodewijk Napoleon Bonaparte, de man die als keizer Napoleon III vanaf
1852 op de Franse troon zou zitten. De man ook die daar na 1858, het
jaar waarin Orsini en zijn medeplichtigen de aanslag pleegden
waarnaar het boek in zijn titel verwijst, nog steeds op zat en wel
tot 1870, het jaar waarin hij door de Pruisen werd gevangengenomen,
waarna – let op dat u de tel niet kwijtraakt – de Derde Franse
Republiek werd uitgeroepen, de voormalige keizer werd vrijgelaten en
hij samen met zijn dynastie (al werd zijn zoon door zijn aanhangers
nog uitgeroepen tot Napoleon IV) begraven werd in Engeland.
Orsini mislukte dus (ook, mag ik wel zeggen) in het opblazen van
genoemde dictator, maar… niet echt in wat hij daarmee hoopte te
verwezenlijken, zijnde het forceren van een hernieuwde opstand in
Italië (dat er al enkele, niet altijd even geslaagde, achter de rug
had) en zo de Risorgimento tot een goed einde brengen. Een
fenomeen waarover Michael St. John Packe, kortweg Michael Packe,
behalve voor deze vlot geschreven en behoorlijk stevig
gedocumenteerde biografie van Orsini overigens ook verantwoordelijk
voor onder andere een exemplaar over John Stuart Mill, het heeft in
de delen IV, V en VI van het vijfde hoofdstuk (zoals het boek zelf
Bommen voor Napoleon getiteld). Napoleon (III dus) had
namelijk op het punt gestaan zijn eerdere beloften aan Italië, die
onder meer inhielden dat de Oostenrijkers er niet langer baas zouden
spelen, uiteindelijk na te komen en wou dat ook ná de aanslag door
Orsini en z’n bondgenoten nog steeds doen: “(…) de aanslag
vervulde Napoleon (...) met het vaste besluit om zijn pact met de
Revolutie te hernieuwen”, citeert Packe dan de Oostenrijkse
diplomaat Josef Hafenbredi, ofte Joseph Alexandre de Hübner. Een
voornemen waar hij uiteindelijk de voor de rechtbank staande Orsini
voor wist te winnen: “‘Bevrijd mijn land!’ De coup de
théâtre van de keizer was op schitterende wijze geslaagd. Het
proces was niets minder geweest dan de heiligverklaring van de
hoofdmisdadiger.” Een “hoofdmisdadiger” die het er, in
tegenstelling tot wat Napoleon en vooral diens vrouw gewild hadden,
niet levend van af bracht, maar die Napoleon wel toeliet zijn ‘goed
hart’ te laten zien en het volgende jaar “aan het hoofd van
tweehonderdduizend man de Alpen over [te steken]”, alwaar hij, met
zware verliezen, overwinningen bij Magenta en Solferino op zijn conto
wist te schrijven, “Lombardije voor Piémont te bemachtigen”,
maar Venetië in handen van de Oostenrijkers moest laten en de rest
van Italië in die van hun (pauselijke) vazallen. “Maar toch, de
gebeurtenissen die door de keizer aan het rollen waren gebracht
konden niet door zijn ontmoediging tot staan gebracht worden. De weg
lag open voor Garibaldi [naar wie er ongetwijfeld nog meer Italiaanse
straten genoemd zijn dan naar Orsini, noot van mij] om Pisacanes
noodlottige onderneming te herhalen, ditmaal met de steun van, en
niet tegen de uitdrukkelijke wens van Cavour in, en heel Zuid-Italië
was aan koning Victor Emmanuels kroon toegevoegd. In maart 1860 was
de inlijving van de Kerkelijke Staat en de overige centrale
provincies bij Piémont een voldongen feit; de keizer kon niet anders
doen dan Savoye en Nice cynisch als prijs voor zijn goedkeuring
aanvaarden. In 1866, na Sadowa, stond Oostenrijk Venetië af en was
het koninkrijk Italië compleet.” Of dat allemaal niet óók zo zou
gelopen zijn zonder Orsini’s aanslag? Misschien. Maar iedereen die
enigszins in geschiedenis geïnteresseerd is, weet dat die
uiteindelijk van toevalligheden aan mekaar hangt. Zoals dat in alle
eerlijkheid mínder het geval was met het leven van de, laat ons hem
maar zo noemen, held van deze biografie, Felice Orsini.
Ik heb u namelijk zo ongeveer meteen meegenomen naar het einde van
dat leven – in het boek volgen na voorgaand citaat alleen nog een
Aanhangsel over Het proces tegen Orsini en zijn
medeplichtigen, een lijst met Geraadpleegde werken
(ingedeeld in Biografische bronnen, Ter sprake gebrachte
personen, en Algemene historische achtergrond), een lijst
met Aantekeningen, en een Register -, maar Orsini, die
“nooit een proponent van sluipmoord [was] geweest”, “speelde
een jaar lang met de ontstellende suggestie eer hij eindelijk de rol
van Brutus aanvaardde”, een rol waarmee hij vooral Giuseppe Mazzini
een hak wou zetten, die jaren met dat plan had rondgelopen en
mogelijk nog langer Orsini’s geestelijke leider was geweest (wat
van Orsini een republikein maakte, die absoluut niet ingenomen zou
zijn geweest met het idee dat het verenigde Italië een koninkrijk
werd), en had daarvóór, terwijl hij toch maar negenendertig jaar is
geworden, al zoveel meegemaakt en gedaan (veelal in opdracht of op
instigatie van Mazzini) dat Packe beslist niet overdreven heeft door
aan hoofdstuk V tweehonderdvijftig bladzijden over de rest van
Orsini’s leven vooraf te laten gaan. “Orsini was een man van
daden en niet van woorden”, schrijft Packe ergens op pagina 271, en
ondanks het feit dat Orsini ook wel eens gebruik maakte van woorden
(een deel van de biografische gegevens in dit boek zijn dan ook
afkomstig uit door hem geschreven werken en hij hield gedurende enige
tijd regelmatig lezingen in Engeland, waar hij, zoals Ian Buruma
meegeeft in Anglomanie,
bijvoorbeeld ook wel eens op de gastenlijst van het Amerikaanse
consulaat stond bij een herdenking van George Washington, en wel
samen met, onder andere, de al genoemde Lajos Kossuth en de eveneens
eerder genoemde Mazzini en Garibaldi), weet je op dat moment
al lang dat dat geheel en al correct is. Dat Orsini, zoals hij
Mazzini antwoordde voor de twee definitief uit mekaar gingen, “altijd
bereid was om zich met iedere onderneming ten behoeve van Italië die
een goede kans van slagen had te belasten”, is dan ook
understatement (ook als die ondernemingen nauwelijks kans van
slagen hadden, deed hij mee), zelfs al voegde hij er aan toe “dat
hij weigerde nog langer deel te nemen aan halfbakken opstanden”,
wat het uiteindelijk bijna allemaal waren.
Maar ook de weg naar die “halfbakken opstanden” legde Orsini niet
meteen vanuit zijn wieg af. Net zomin als die naar zijn laatste
functie als “terrorist”, ondanks het feit dat – en dat zijn de
woorden waarmee Packe deze biografie begint – “volgens de
openbare aanklager tijdens zijn terechtzitting (…) Felice Orsini
een geboren samenzweerder [was]”. Iets waarop Packe zeer
humoristisch reageert met wat de rest van de eerste paragraaf
uitmaakt: “Of men dat geloven kan of niet, vast staat in ieder
geval dat zijn moeder er niet het flauwste idee van had. Zij was een
zachtaardig, beschaafd meisje van twintig; geboortig uit Florence,
bekoorlijk, vriendelijk en oprecht. Zij zoogde hem en zong versjes
voor hem op de normale manier. Zij behandelde hem zoals ze ongeveer
een jaar daarvoor zijn zusje Rosina had behandeld, zoals ze drie jaar
later zijn broertje Leonidas behandelen zou, in beide gevallen met de
beste resultaten. Zij besefte niet dat zijn kinderlijke gedachten een
verdrongen en heimelijke richting namen: dat hij, als hij met zijn
houten lepel zwaaide en een klokkend geluidje maakte, geheime legers
aanvoerde in steile rotsgebergten; of dat zijn verbaasd kijkende,
ondoorgrondelijke ogen, gitzwart en glanzend, een wereld voor haar
maskeerden van beginnende revolutie, waarin hij reeds keizers de
lucht in liet vliegen en pausen van de troon stootte.”
Niet het gezwam dus waarmee Ralph Korngold komt aandraven in zijn
biografie over Robespierre, niet het met fantasietjes opvullen van
biografische leemten, geen emotioneel gedoe, wel dit: “Felices
vader kwam uit Lugo, aan de andere zijde van de Via Emilia uit
Meldola. Toen de strijdkrachten van Bonaparte [de originele, noot van
mij] in hun eerste overwinningsroes zijn geboorteland onder de voet
liepen, was hij, met duizenden van zijn landgenoten, gedwongen dienst
te nemen in het leger van de vijand. Onder hun zogenaamde koning,
Eugène Beauharnais, stiefzoon van de keizer, staken zij later de
Alpen over om zich bij de hoofdmacht van het Grote Leger te voegen
dat langs de Njemen samengetrokken was voor de aanval op Rusland. Van
de zevenentwintigduizend Italianen die de tocht meegemaakt hadden,
keerden er minder dan vierhonderd behouden terug. Andrea Orsini, die
de rang van kapitein had verworven, werd ergens onderweg
krijgsgevangen gemaakt. Na de vrede keerde hij naar de Romagna
terug”, trouwde er, kreeg er kinderen, “joeg geheime afspraken na
waar hij met niemand over sprak”, “placht ‘s nachts plotseling
uit te gaan”, ontving mannen “die de indruk maakten alsof ze veel
haast en dringende boodschappen hadden”, en werd uiteindelijk
gearresteerd tijdens een bezoek met zijn gezin aan de opera van
Firenze: “Op deze wijze drongen politieke zaken reeds vroeg, toen
hij nog maar negen jaar was, het leven van Felice Orsini binnen.
Voortaan zou hij hun slaaf zijn.” Waarna een gedegen uitleg over
die “politieke zaken” volgt – de Risorgimento is per
slot van rekening niet uit de lucht komen vallen -, gaande van de
toestand vóór de inval van Napoleon the original, over de
gevolgen van die inval, naar de toestand erna, inclusief de Carbonari
(“de Adelfi van Parma, de Federali van Lombardije, de Welf Ridders
van Piémont”, enzovoort), de ambities van Lodewijk Napoleon (“zoon
van ‘s keizers broer Lodewijk, een tijdlang een gewetensvol koning
van Holland, een gemelijke, reumatiekerige, misprijzende man” en
vader van de Napoleon uit de titel van dit boek) en zijn zoon (de
Napoleon uit de titel van dit boek), plus de terugkeer van de Oostenrijkers.
Genoeg om je in te leiden in de feiten en je bezig te houden tot de
dag dat Orsini, wellicht per ongeluk, zijn eerste wapenfeit pleegde,
zijnde het omver schieten van de kok van zijn oom, Domenico Spada,
iets wat uiteindelijk leidt tot zijn toetreding tot een
augustijnenklooster nadat hij middels kerkelijke tussenkomst
vrijgesproken is van moord “doch schuldig aan onopzettelijke
doodslag” wordt bevonden, “en veroordeeld werd zes maanden in het
klooster te verblijven”. “Men stelde voor dat hij, om zijn berouw
te tonen, van de paus een definitieve ontheffing van zijn misdaad
moest zien te verkrijgen, zodat hij lid kon worden van een religieuze
orde.” Wat hij wel wou, maar wat niet echt wou lukken. In plaats
daarvan ging hij ten slotte rechten studeren, “verwierf hij zich
een ondergrond van kennis in al de militaire wetenschappen,
mechanica, scheikunde, fysica, aardrijkskunde, wiskunde, zonder welke
men niets kan doen vooral op het gebied van versterkingen”, las hij
“Livius en Tacitus; Macchiavelli; Thiers’ Franse Revolutie
en Napoleons Commentaren”, en zat hij tegen zijn
tweeëntwintigste “de ene nacht na de andere (…) over de romans
van Rousseau gebogen en te peinzen of hij door zelfmoord een eind aan
zijn leven zou maken”. “In plaats daarvan sloot hij zich op zijn
tweeëntwintigste jaar bij Jong Italië aan”, het geesteskind van
de reeds eerder genoemde Giuseppe Mazzini, mislukt als ‘actieve’
revolutionair, maar nadat hij ook nog een Jong Zwitserland had
gesticht (“omdat hij de Zwitsers afschuwelijk achterlijk vond in
hun smerige kleine kantons”) wel zeer actief als prediker van de
revolutie vanuit zijn zelf gekozen verbanningsoord Engeland. Een
ideale combinatie met Orsini dus: “De jezuïeten hadden de spijker
op de kop geslagen, in hun mening over Orsini. Hij was voor soldaat
in de wieg gelegd [en niet voor “samenzweerder”, noot van mij].
Als kind had hij ademloos geluisterd naar zijn vaders verhalen over
de veldtocht naar Moskou. Als jongen was hij weggelopen om zich in
Ancona bij de Fransen aan te sluiten. Als student had hij getracht
bij de Zwitserse lijfwacht van de paus te komen. Al zijn spelletjes,
zijn lichaamsoefeningen, waren van soldateske aard geweest. Een
dienstmeisje van zijn tante Lucrezia in Meldola herinnerde zich op
hoge leeftijd nog hoe hij aan tafel placht te zitten en legers van
vorken en messen tegen elkaar liet optrekken. Zelfs zijn afschuw van
de Oostenrijkse onderdrukkers was al gauw in bewondering omgeslagen
toen hij de flonkerende praal van hun militaire plechtigheden had
gezien. Hij had het typische wantrouwen van de soldaat voor de
politiek. Hij had nu het starre en agressieve eergevoel van een
soldaat. Alles wat hij nodig had om tot grimmige, onwankelbare trouw
in staat te zijn was onomwonden soldatengeloof. In Jong Italië vond
hij wat hij verlangde.”
Gevolg: in april 1844, nog geen vijfentwintig jaar oud, wordt hij
samen met zijn vader voor het eerst gearresteerd wegens
revolutionaire activiteiten, maar een jaar later komt hij vrij nadat
de heersende paus, Gregorius XVI, overleden is en de nieuwe paus,
Giovanni Maria Mastai-Ferretti, voormalig bisschop van Imola en nu
Pius IX geworden (ofte Pio Nono, zoals hij in Italië wordt
geheten), hem gratie heeft verleend op voorwaarde dat hij en z’n
kameraden “zich nooit meer tegen de paus (…) [zouden] verzetten”,
een verklaring die ze graag aflegden, maar waarvan de nieuwe paus had
kunnen weten dat Orsini zich daar niet noodzakelijk aan zou houden:
hij was immers ook degene die Orsini in een religieuze orde had
willen krijgen in ruil voor zijn onschuldigverklaring aan moord.
Orsini ging dus quasi direct weer aan de revolutionaire slag. “Hij
nam vol vuur deel aan de strijd om de vrijheid van drukpers, het
voornaamste strijdpunt op dat moment. In weerwil van de censuur
werden overal illegale geschriften verspreid, als confetti in de
schouwburgen omlaaggestrooid, in het rijtuig van de aartsbisschop
geworpen, zelfs per post verstuurd. Orsini vond dergelijke
constitutionele protesten veel te tam. In april 1847 werd een
douanebeambte in Terra del Sole vermoord, en ontplofte een bom in het
huis van een commissaris van de koning in Rocca San Casciano. Dat
leek er meer op; hij schreef een vurig artikel waarin hij deze twee
incidenten verdedigde (…)”. “In augustus 1847 publiceerde hij
een Rede tot de Jeugd van Italië, een anonieme lofzang op de
Bandiera’s, opgedragen aan Eusebio Barbetti en heimelijk in Livorno
gedrukt”, maar – ondanks de anonimiteit ervan – genoeg om hem
te verbannen uit Firenze. De tweede keer al, maar niet echt nuttig –
hij bleef “Toscane binnenkomen en verlaten zoals en wanneer hem dat
goeddunkte” -, zoals kan gezegd worden van elke maatregel die tegen
de “patriot en terrorist” genomen werd, ook toen hij definitief
het militaristische pad opging, iets wat gebeurde toen door de
regelrechte terreur van ‘Papa’ Radetzky, ofte Josef Radetzky von
Radetz, ter wiens ere om een of andere reden op het jaarlijkse
Neujahrskonzert van de Wiener Philharmoniker nog steeds
de Radetzkymars gespeeld wordt, Milaan in opstand kwam, al
snel gevolgd door Venetië en Bologna, waar Orsini terechtkwam nadat
hij dienst had genomen “in de 21ste sectie van de burgerwacht”
van Meldola. Van korporaal schopte hij het daar in geen tijd tot
kapitein, maar daarmee eindigde de opstand voor hem dan ook zo’n
beetje: de Oostenrijkers raakten de toestand terug meester en opnieuw
raakte Orsini, met zijn compagnie, slechts weg door een belofte aan
de vijand af te leggen: “gedurende een periode van drie maanden
niet meer te zullen vechten”. Een belofte waar hij zich – Wat
dacht u dan? – uiteraard niet aan hield.
Het begin van de militaire carrière van Orsini krijgt dus een
uitgebreid vervolg, al mag die carrière daarna eigenlijk niet meer
‘militair’ heten. Hij wordt, wat dan heet, paramilitair. In
dienst van de Pauselijke Staat soms, aan de zijde van Guglielmo Pepe
een andere keer, direct onder Mazzini bij de vestiging van de
Romeinse Republiek (die het toch volhield van 9 februari tot 3 juli
1849), en onder ‘leiding’ van diezelfde Mazzini in de jaren
daarna. Del modo di cospirare heet het derde hoofdstuk niet
voor niks, want vanaf halverwege 1849 wordt het inderdaad wel een
kwestie van samenzweren, op de vlucht zijn, “halfbakken opstanden”
organiseren, voortdurend falen, en ontsnappen uit onmogelijke
situaties (waaronder de gevangenis van Mantua). Het zou deze
boekbespreking veel te lang maken als ik dáár ook nog eens allemaal
op inging, maar Packe heeft dat uitgebreid en duidelijk gedaan (iets
wat overigens ook moet gezegd worden van de figuren waarmee Orsini al
dan niet rechtstreeks te maken krijgt, figuren waarvan Packe telkens
een soort van mini-biografie heeft opgenomen in dit boek) en met deze
biografie van Orsini meteen ook een vrij volledige geschiedenis van
de Risorgimento geschreven. Een opstand die bij momenten –
en dat zijn de momenten die de Italianen, zoals elk volk dat zich
heeft weten te bevrijden van binnen- en buitenlandse onderdrukkers,
graag in herinnering brengen – behoorlijk goed georganiseerd is
verlopen, maar het grootste deel van de tijd één grote chaos was.
Typisch Italiaans, heeft een mens de neiging daar aan toe te voegen,
maar da’s natuurlijk niet echt waar. Alhoewel… de volgende
passage is toch wel hilarisch en, zo lijkt het, erg, laat ons maar
zeggen, zuiders: “De volgende dag verschenen de twee
hoofdsamenzweerders weer: Orsini zag er kalm en om door een ringetje
te halen uit, Mathieu’s kleren hingen in flarden aan zijn lijf en
hij zat van top tot teen onder de modder. Er was een of andere
vergissing in het spel geweest, zie hij. Het overeengekomen
wachtwoord om de gendarmes te bedriegen was het loeien van een koe
geweest. Terwijl Orsini de wacht hield onder de berijpte bergen en de
sterren had hij, Mathieu, de hele nacht aan één stuk door lopen
loeien. Telkens als hij een antwoord had opgevangen, was hij de kant
van waaruit het geklonken had heengestrompeld door de moerassen en de
doornstruiken heen, om iedere keer tot de ontdekking te komen dat het
door een echte koe was voortgebracht.”
En wat te denken van de, minstens aan de exploten die Che Guevara in
De Afrikaanse droom heeft beschreven herinnerende, in
september 1853 door Mazzini ‘georganiseerde’ en door Orsini
uitgevoerde inval in Italië?: “Toen het tegen twee uur liep,
haalde Orsini zijn prachtige gouden horloge te voorschijn en schudde
verwijtend zijn hoofd. Zij hadden alles bij elkaar negenentwintig man
en veertien musketten, nu niet bepaald een indrukwekkende
strijdmacht. Op dat ogenblik evenwel kondigde een regelmatig gestamp
op de weg vanuit Sarzana de nadering van een flinke, georganiseerde
troepenmacht aan. Onder grote opwinding werden er gidsen uitgezonden
om de versterkingen op te vangen, doch de uitgelatenheid ging abrupt
in verslagenheid over toen zij bij hun terugkeer verklaarden dat een
compagnie Piémontesische beroepssoldaten met grimmige
vastberadenheid recht op het kamp afmarcheerde. Ze hadden nog maar
juist tijd om hun wapens te verbergen, een boodschap naar Carrara te
sturen en zich te verspreiden.”
En de poging om op 6 mei 1854 een invasie van op zee uit te voeren?:
“Het bleek dat Ricci niet over land met zijn versterkingen en
voorraden over de grens had kunnen komen ten gevolge van de
waakzaamheid van de Piémontesische politie. Hij had daarom besloten,
zonder Orsini of de mannen uit Carrara te waarschuwen, om Orsini en
de wapens op zee op te halen en op eigen initiatief een landing te
ondernemen. De veertien man die hij bij zich had, vormden zijn hele
leger. De hele invasievloot bestond uit twee schepen. Ricci zat
rillend van ellende aan boeg en ontkende alles.” Een feit dat kort
nadien gevolgd wordt door: “Er kwam een antwoord van de beeldhouwer
waarin deze de regelingen die Orsini voor de aanval op Massa
getroffen had bevestigde en beloofde dat er zich in elk geval zestig
van de tweeduizend Modenezen waarop oorspronkelijk gehoopt was op de
afgesproken plaats zouden bevinden.”
Of, ten slotte, de poging van half juli 1854: “Mazzini had zijn
hoop gevestigd op honderd vijftig bannelingen die hij geld voor de
reis had gegeven en opdracht zich in St. Moritz te verzamelen. Om hen
van de echte toeristen te onderscheiden – wat anders misschien nog
niet zo eenvoudig was geweest – had hij luchthartig en op typisch
Mazziniaanse wijze bepaald dat zijn ‘broeders’ bij hun aankomst
allen bloemen in hun haar moesten dragen en Conti werd daarom toen de
tijd daarvoor gekomen was op de Juliërweg geposteerd om iedereen die
zich zo opgesierd had op te vangen. Het toeval wilde dat het dat
seizoen de gewoonte was dat iedereen die naar St. Moritz ging zich
vrolijk uitdoste met alpenrozen die hij aan de kant van de weg had
geplukt. Zo ver het oog reikte was de Juliërweg één lachende,
luidruchtige zee van prachtige ruikers en Conti moest volkomen op
goed geluk zijn keuze doen. De eerste man die hij aanriep met het
esoterische wachtwoord was een bejaarde Duitse Zwitser die een
verschrikt Ich weiss nichts tussen zijn tanden door siste. De
volgende bleek een houten been te hebben. Een derde, die meer in
aanmerking leek te komen, deelde Conti bruusk mee dat hij zich met
zijn eigen zaken moest bemoeien. Mensen van allerlei nationaliteiten,
vrouwen en kinderen, rijken en armen, ouden en jongen, werden op de
proef gesteld, doch slechts twee jeugdige knapen reageerden: Carlo di
Rudio en Fumagalli, die uitgehongerd en afgemat aankwamen en door
Orsini doorgestuurd werden om op krachten te komen in het berggebied
waar hij zijn troepen zou concentreren. Toen Mazzini en Maurice
Quadrio een paar dagen voor de datum waarop de operatie zou beginnen
uit Genève arriveerden, bestond het expeditieleger waarover zij
beschikten uit negen man.”
Mislukkingen waarvan Mazzini geen last had: “Ondertussen was
Mazzini druk in de weer met plannen voor zijn volgende opstand. Dat
het een nadeel was dat de vorige telkenmale waren mislukt, scheen hem
niet op te vallen.” Mislukkingen echter ook die zelfs de immer
doorzettende Orsini uiteindelijk op zijn systeem begonnen te werken.
Mislukkingen die hem deden besluiten zijn geestelijke leider af te
vallen en met een knal te gaan. Hij had immers geen plan voorzien
voor ná de aanslag op Napoleon. Een aanslag die, zoals gezegd,
uiteindelijk wél tot het beoogde effect leidde. Eind goed, al goed
dus. Toch voor de onafhankelijkheid van Italië.
Björn Roose






