vrijdag 25 september 2026

Samizdat – Geschiedenis van de Russische ondergrondse – Emmanuel Waegemans (boekbespreking door Björn Roose)

Samizdat – Geschiedenis van de Russische ondergrondse – Emmanuel Waegemans (boekbespreking door Björn Roose)
Zelf ben ik net iets te jong om ooit nog samizdat uit de Sovjet-Unie of het Oostblok in het algemeen gesmokkeld te hebben – ik was per slot van rekening nog geen achttien toen de Muur viel -, maar ik heb wel een collega gehad die een tiental jaar ouder was dan ik en ook het illegaal over de grens brengen van beschreven papier tot zijn, sowieso al niet geringe, verdiensten mocht rekenen. Dát samen met het feit dat ik een niet onaardige hoeveelheid van oorsprong Russischtalige literatuur in mijn boekenkasten heb staan (hoewel bij lange niet voldoende) mocht dan ook al reden genoeg heten om bij mijn recentste bezoek aan de openbare bibliotheek een boekje mee te nemen dat daar speciaal gepresenteerd stond (wellicht omdat het nieuw in de collectie was), Samizdat – Geschiedenis van de Russische ondergrondse, uitgegeven bij Manteau in 2024 (dus toch alweer twee jaar geleden). Maar dat de auteur ervan Emmanuel Waegemans heet, was een extra aanbeveling. Waegemans, geboren (en voor zover ik weet, getogen) in Hamme en dus zo goed als een gemeentegenoot van me (al is Moerzeke natuurlijk niét Hamme, dat weet iedereen), ken ik namelijk ook als auteur van De Russische Krim – Geschiedenis van een betwist schiereiland, dat ik in juni 2023 besprak, en als stichter-voorzitter van het Filip De Pillecyn Genootschap, dat van De Pillecyn in recente jaren onder andere Mensen achter de dijk en Aanvaard het leven heruitbracht, waarvoor Waegemans, zoals hij dat ook deed voor het eveneens bij Manteau verschenen boek De dwarsligger – Filip De Pillecyn in Pallieter – 1922-1928, telkens het Ten geleide mocht leveren, allemaal teksten waaruit ik hem leerde kennen als een vlotte schrijver.

Onnodig daar op terug te komen (door te klikken op de koppelingen vindt u de boekbesprekingen in een handomdraai), maar misschien willen mensen die nog meer dan ik ‘né de la dernière pluie’ zijn in de eerste plaats weten wat samizdat dan wel is. Waegemans legt dat uit in zijn Woord vooraf: “Onder Stalin (1924-1953) bestond geen intellectuele vrijheid in de Sovjet-Unie. Aan de leer van het marxisme-leninisme kon en mocht niet getwijfeld worden. Met de dood van de dictator trad een lichte dooi op, die de mensen de moed gaf om wat openlijker te spreken en te schrijven over wat hun in de duistere jaren van Stalins alleenheerschappij overkomen was. Maar die vrijzinnige gedachten waren nauwelijks haalbaar voor de pers. De schrijvers gingen ondergronds. Dit was de samizdat – het circuit van afgekeurde of niet aan de autoriteiten voorgelegde geschriften die onderhands circuleerden. Meestal in enkele kopieën, primitief en niet-professioneel. Maar de intellectuele honger na dertig jaar winterslaap was groot, de samizdat sloeg aan en was in enkele jaren tijd in de hele Sovjet-Unie verspreid. Met de jaren vonden de auteurs van de samizdat contact met buitenlandse correspondenten, die hun geschriften het land uit smokkelden en in het Westen lieten publiceren. Dit heet de tamizdat [overigens een woord waarover mijn spellingscontrole wél valt, in tegenstelling tot wat het geval is met ‘samizdat’, noot van mij]. Veel van wat in de samizdat en tamizdat circuleerde, bereikte de Sovjetburgers ook via de uitzendingen van westerse radiostations die in het Russisch uitzonden naar de Sovjet-Unie”.

Een meer dan interessant onderwerp, waarover – zo blijkt uit dit boekje – ook meer dan genoeg te schrijven valt, maar ergens moet Waegemans het toch niet voldoende gevonden hebben. Dit boekje, zo’n tweehonderdvijftig bladzijden dik en uit te lezen op een paar uur, schetst namelijk niet alleen “de geschiedenis van de samizdat en de daaruit voortvloeiende tamizdat”, maar ook “de voorgeschiedenis van de censuur in Rusland (waarom had Rusland een ondergrondse pers nodig)”, een voorgeschiedenis waarmee de auteur zo’n veertig bladzijden zoet is (en het moet me even van het hart dat de paginanummers in dit boek zo goed als onleesbaar zijn) en die de lezer uiteindelijk niet zoveel leert over de censuur onder de Sovjets behalve dat die ook al bestond onder de tsaren. Onder Peter I (de Grote dus), die niet echt om kon met lieden die zijn moderniseringsplannen niet zagen zitten en daarover een briefje open deden of minstens achterlieten (“ondergeschoven brieven”); onder Catherina II, die in beginsel zeer liberaal was (en in die hoedanigheid bijvoorbeeld het publiceren van de in Frankrijk verbonden Encyclopédie toeliet), maar daarvan moest terugkomen onder druk van de omstandigheden; onder haar zoon Paul I, die zowaar een “Decreet over de Censuur” uitvaardigde, overal censuurkantoren liet openen, alle privédrukkerijen liet sluiten, en voor elk boek of tijdschrift vereiste dat het voorafgaandelijk op zijn inhoud werd gecontroleerd door zijn ambtenarij; onder diens zoon Alexander I, die wou regeren zoals Catherina II, maar daar ook al snel weer van afzag; onder Nicolaas I, die de aard van de censuur enigszins veranderde, maar ze zeker niet afschafte, en onder andere “privécensor” speelde voor de werken van Poesjkin; onder Alexander II, wiens ambtenaren van de censuur een potje maakten, en die na zes mislukte pogingen het slachtoffer werd van een geslaagde terroristische aanslag, waarna zijn zoon Alexander III het zaakje overnam en weer wat serieuzer werk maakte van de censuur (al “werd de Russische vertaling van Das Kapital van Marx door de censor goedgekeurd, omdat hij vond dat er in Rusland heel weinig mensen waren die er iets van zouden begrijpen”); onder Nicolaas II, wiens censuur er bij momenten heftig in hakte, maar met “meer dan 3000 tijdschriften en kranten, waarvan er een duizendtal politiek geïnspireerd waren” aan het begin van de communistische revolutie nauwelijks meer kon doen dan dweilen met de kraan open; en dus ook onder de nieuwe tsaren, Lenin, Stalin, Chroesjtsjov en hun opvolgers tot aan Gorbatsjov toe. De intellectuelen hadden zich daaraan mogen verwachten, maar stonden er klaarblijkelijk toch nog van te kijken: “Toen op 25 oktober 1917 de bolsjevieken een staatsgreep pleegden, stond intellectueel Rusland perplex. Nu had de meerderheid van de schrijvers weliswaar uitgekeken naar verandering – zo goed als alle schrijvers hadden kritiek op de tsaar en verfoeiden zijn regime – maar bijna niemand vond dat de revolutie verder moest gaan dan het inluiden van een democratisch regime. De intelligentsia moest zich nu serieus vragen gaan stellen over de rol die ze gespeeld had in het intellectuele leven van het land en of de idealen, de mystieke dromen of profetieën die ze jaren hadden gekoesterd geen illusies waren. De filosoof Vasili Rozanov beschuldigde de Russische literatuur ervan ‘de hoofdschuldige van de revolutie’ te zijn en hij stelde, al direct na de omwenteling, dat er nu een ‘ijzeren gordijn’ voor de Russische geschiedenis was neergelaten. Het bewind der bolsjevieken bracht honger, kou, ontbering, gevangenis, terreur en chaos” én… alles behalve dankbaarheid aan de schrijvelaars die, minstens volgens sommigen, de bolsjevieken in het zadel hadden geholpen: “Direct na de machtsovername begonnen de bolsjevieken in Petrograd (de nieuwe naam voor Petersburg van 1914 tot 1924) een hetze tegen de kranten. Roodgardisten drongen drukkerijen binnen, vernietigden de al klaargemaakte oplagen, gooiden het drukmateriaal op straat en verbrandden kranten. Een paar dagen later werden op bevel van het Militair-Revolutionair Comité de redacties gesloten, en dat terwijl daar nog geen echte aanleiding toe bestond zoals iets later tijden de burgeroorlog (begin 1918)”. “Op het vijfde Al-Russisch Congres der Sovjets van 20 juli 1918 werd een einde gemaakt aan ‘de afhankelijkheid van de pers van het kapitaal’ – de arbeiders en boeren zouden nu alle persorganen in handen krijgen. Hierna werden de ‘bourgeois’ kranten in heel Rusland verboden. Met de tijd kwam de hele literatuur en pers onder de controle van de communistische partij, als redacteuren werden alleen partijfunctionarissen aangesteld”, iets wat Lenin ook al in 1905 had aangekondigd. De Nieuwe Economische Politiek (niet zomaar NEP genoemd) na het einde van de burgeroorlog bracht nog even verandering, in de zin dat ook weer privé-initiatief in de uitgeverswereld werd toegelaten (iets wat eindigde in 1928, samen met de NEP), maar “alles wat in de Sovjet-Unie gepubliceerd werd, moest [wel] aan de censor voorgelegd worden en het officiële (partij)imprimatur krijgen”. Wat vervolgens, onder Stalin, al bijna overbodig werd, want toen hield de mogelijkheid om te denken simpelweg op: “In 1949 schreef de stalinistische auteur Vasili Iljenkov daarover in Bolsjaja doroga (De hoofdweg): ‘Rusland is zijn weg gegaan – die van algemene eensgezindheid. De mensen hebben duizenden jaren geleden onder verdeeldheid. Maar wij Sovjetmensen zijn het voor het eerst eens geworden, wij spreken een taal die voor ieder van ons verstaanbaar is, we denken eender over de belangrijke dingen in het leven. En die eensgezindheid is onze kracht, dat is het wat ons overwicht bezorgt ten aanzien van andere mensen ter wereld die geïsoleerd zijn, verscheurd door verdeeldheid.’ De roman kreeg de Stalinprijs. Soortgelijke geluiden waren te horen in nazi-Duitsland: ‘De nationaalsocialistische revolutie is een revolutie van de geest! Ze is groots omdat ze het individuele denken, dat eeuwenlang heeft geregeerd, van zijn troon heeft gestoten en vervangen door het gemeenschapsdenken.’ Die ‘eensgezindheid’ werd in leven gehouden door een uitgebreid net van verklikkers (seksot, stoekatsj, donotsjik), die op elk bedrijf, in elke koolmijn, in elke school, in elke militaire, gemeentelijke, culturele of wetenschappelijke instelling, kortom overal, de overheid inlichtten over wat er onder het volk leefde. In elk bedrijf of elke instellingen bestonden communistische cellen, samengesteld uit partijleden die het reilen en zeilen van het bedrijf en van alle personeelsleden in de gaten hielden. Die cellen stonden onder leiding van het districtscomité, dat op zijn beurt onder toezicht stond van het regionaal comité, dat weer afhankelijk was van het Centraal Comité, dat in handen was van één man: Stalin. Zonder het zelf te weten, werden deze verklikkers op hun beurt in de gaten gehouden door andere verklikkers. In de media, die nu volledig in handen waren en onder controle stonden van de staat, was slechts het geluid te horen van de partij en de regering. Het land was volledig geïsoleerd van de buitenwereld. Het ‘ijzeren gordijn’ was geen metafoor meer, maar een realiteit.”

En dat was zeker niet anders bij de schrijvers dan bij de andere “Sovjetmensen”: “Op het Eerste Congres van de Bond van Sovjetschrijvers (17 augustus – 1 september 1934) werd het principe van het ‘socialistisch realisme’ vastgelegd én opgelegd. Het congres werd beheerst door politici en niet zozeer door schrijvers. De vier programmatische redevoeringen die er werden gehouden, waren van Andrej Zjdanov (partijsecretaris van Leningrad), Karl Radek (als vertegenwoordiger van de Komintern), de partijtheoreticus Nikolaj Boecharin en van Gorki [over wiens collaboratie met het regime ik het ook al had in mijn bespreking van Ingenieurs van de ziel van Frank Westerman, noot van mij]. Op dit congres werd massaal de eed van trouw aan de partij afgelegd. De auteurs die dat niet deden, waren op één hand te tellen: Boelgakov, Platonov, Mandelstam en Achmatova.” “Voortaan zouden schrijvers, journalisten, fotografen en kunstenaars naar de communistische bouwwerken en vijfjarenplannen reizen om er kennis te maken met de levensomstandigheden en idealen van de bouwers van de nieuwe wereld. Schrijvers waren nu niet meer gewoon schrijvers, maar ‘strijders aan het literaire front’ die ‘op wacht stonden’ en een ‘ideologische strijd’ uitvochten tegen de vijanden.” Een “ideologische strijd” waarvan ze zelf ook elk moment het slachtoffer konden worden, want “in de uiteindelijk aangenomen term ‘socialistisch realisme’ zat heel het nieuwe literatuurconcept vervat”, maar “de term was vaag, zodat hij op elk ogenblik door de leiders aangepast kon worden”. “Het hoeft geen betoog”, schrijft Waegemans even verderop, “dat al deze voorschriften leidden tot de verabsolutering van de inhoud boven de vorm, die sterk verwaarloosd werd, zodat in artistiek opzicht middelmatige of minderwaardige werken werden verheven tot meesterwerken van de Sovjet- en zelfs wereldliteratuur, omdat ze inhoudelijk voldeden aan de canon van de officiële doctrine inzake literatuur.” Wat al evenmin noodzakelijk voldoende was om in leven te blijven: “Ook het lidmaatschap van de communistische partij of openlijke geloofsbelijdenissen en hymnen aan Stalin waren geen garantie om gespaard te blijven. Zelfs de gerenommeerde apologeten van het stalinisme Michail Koltsov en Sergej Tretjakov kwamen om door de hand van degene die ze hadden bezongen.” Iets waar de eigenaar van die hand allicht ook nog enigszins trots op was: “In het licht van de leiderscultus werden Peter de Grote en Ivan de Verschrikkelijke populaire thema’s (Catherina de Grote was evenwel taboe). In de behandeling van Peter de Grote werd de aandacht gevestigd op drie aspecten: hij hervormde Rusland van bovenaf, voerde een harde politiek en schiep een grote militaire macht. In Ivan de Verschrikkelijke (16de eeuw) zag men Peters voorloper die Rusland uitbreidde en een groot patriot en wijs staatsman was. Dat hij ook een wrede tiran was, was van ondergeschikt belang. Aleksej Tolstoj [niet te verwarren met Lev, noot van mij] voldeed aan de nieuwe behoefte met de historische werken Peter de Eerste (1929-1945) en Ivan de Verschrikkelijke (1941-1943), een drama waarin hij de geschiedenis ernstig geweld aandeed. In De grote heerser (1944) laat Vladimir Solovjov tsaar Ivan zijn macht misbruiken tegen zijn eigen volk – uit vaderlandsliefde. Men begrijpe de zedenles van deze historische projectie: de persoonlijkheidscultus rond Stalin en de massale offers zijn historisch gerechtvaardigd.”

Enfin, we schuiven wat door: na Stalin komt De dooi, een periode – genoemd naar een boek van Ilja Ehrenburg, “een korte roman die alleen interessant of sensationeel is te noemen vanuit het standpunt van de Sovjetlezer anno 1954” - “die ongeveer tien jaar geduurd heeft – midden jaren 1950 tot midden jaren 1960”, al zijn er ook historici die ze laten duren van de dood van Stalin (5 maart 1953) tot de Praagse Lente (augustus 1968). Vooral in de beginjaren van die periode “vonden gebeurtenissen plaats in de Sovjet-Unie die erop wezen dat men op een of andere manier wilde afrekenen met de Stalinperiode”, maar Waegemans laat duidelijk en terecht doorschemeren dat die afrekening geen einde van de partijdictatuur als doel had. Chroeststsjov liet Lavrenti Beria, hoofd van de geheime dienst, executeren om “een van zijn potentiële concurrenten in de strijd om de macht na Stalins dood” uit de weg te hebben; de mogelijkheid om in de literatuur aanklachten te formuleren tegen het regime van Stalin hield geen mogelijkheid in aanklachten te formuleren tegen het zetelende regime (dat uiteráárd niks te maken had met dat van Stalin); de dooi werd “gekenmerkt door nu en dan terugkerende vorst”, iets waar onder andere de “verscherping van de controle in de Sovjet-Unie” naar aanleiding van “de opstand in Hongarije van oktober 1956” “en de affaire-Pasternak” getuige van mogen zijn. Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj van Aleksandr Solzjenitsyn, “een verhaal over een van de miljoenen slachtoffers van Stalins terreur”, dat in 1962 verscheen, mag dan wel “het enige boek dat in de Sovjet-Unie verschenen is zonder voorafgaandelijke censuur” zijn (wat tijdschriften betreft gold dat ook voor Sovjetish heymland, een jiddischtalig blad waarvan de redacteur zelf censor mocht spelen omdat het regime vond dat joodse censors onbetrouwbaar waren, het teveel tijd zou kosten om een Rus Jiddisch te leren, en vertaling alleen maar “gevaarlijke nuances” zou kunnen doen verloren gaan), maar het “kon slechts met het persoonlijke fiat van Chroesjtsjov verschijnen”, een fiat dat ook, pakweg, Stalin had kunnen geven voor een boek in zíjn tijd.

Maar toen lag dus “de affaire-Pasternak” al vijf jaar in het verleden en bij die affaire gekomen, ben je ook bij het kernonderwerp van dit boek, zijnde de circuits die de “Sovjetschrijvers” vanaf “de dooi” gingen gebruiken om boeken waarvan ze wisten of vreesden dat die niet (ongeschonden) voorbij de – helaas niet afgeschafte - censuur zouden komen toch bij het publiek te krijgen: “In 1957 gebeurde iets wat het culturele leven in de Sovjet-Unie op zijn grondvesten deed schudden: in het Westen [met name in Italië, noot van mij] verscheen een roman van een Sovjetschrijver die de autoriteiten niet hadden goedgekeurd. De naam van de auteur – Boris Pasternak – was goed bekend in de Sovjet-Unie, hoewel hij bijna twintig jaar lang geen gedichten had kunnen publiceren. Aan de in Italië gepubliceerde roman Dokter Zjivago schreef Pasternak tien jaar lang – van 1945 tot 1955. Hij beschouwde het boek als de afronding van zijn schrijverscarrière (‘mijn grootste en belangrijkste werk, het enige waarvoor ik me niet schaam en waarvoor ik zonder bezwaren verantwoording afleg’) en ‘mijn laatste woord aan de beschaafde wereld’”. Vervolgens, ongelooflijk maar waar, kwam “het Russische manuscript van de roman bij de CIA terecht. Die zagen er brood in om het boek te gebruiken in de al hevig woedende ideologische strijd tussen de Sovjet-Unie en het Westen. De politieke oorlog tegen het Kremlin kon nu uitgebreid worden met een machtig literair wapen – het eerste werk van de Sovjetliteratuur geschreven door een groot talent en met een duidelijke anticommunistische boodschap (vrijheid van het individu, het verwerpen van steriele grote dromen). Maar om de Sovjets niet het argument in de hand te spelen dat het boek gedrukt was in de Verenigde Staten, het bolwerk van het anticommunisme, werd een hele constructie op touw gezet, zodat het gedrukt werd in Europa, door een kleine uitgeverij. De keuze viel op uitgeverij en drukkerij Mouton & Co in Den Haag, die zich gespecialiseerd had in wetenschappelijke slavistische studies waaraan gerenommeerde slavisten meewerkten (Roman Jakobson, Cees van Schooneveld). De Russische editie, die in de Sovjet-Unie niet mocht verschijnen, was klaar tegen de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel, waar de roman gratis uitgedeeld werd aan Sovjetburgers die toen in Brussel waren (de Belgische ambassade verstrekte 16.000 visa aan bezoekers uit de Sovjet-Unie). Later kwam er nog een dundruk op bijbelpapier uit in een handig zakformaat die toeristen en bezoekers nog gemakkelijker naar de Sovjet-Unie konden smokkelen. Ondertussen lobbyden fans bij de Zweedse Academie om Pasternak de Nobelprijs toe te kennen. Op 23 oktober 1958 kreeg Pasternak [die hem weigerde, wel moést weigeren eigenlijk, noot van mij] de prijs ‘vanwege zijn opmerkelijke prestaties in zowel de hedendaagse dichtkunst als op het gebied van de grote Russische verteltraditie’. De roman Dokter Zjivago werd niet vernoemd, maar zal zonder twijfel mee een rol hebben gespeeld in de (unanieme) toekenning.” Het Sovjet-regime kon daar niks meer aan veranderen, maar Pasternak werd in zijn thuisland, waar hij per slot van rekening nog woonde, “op alle mogelijke toonaarden [inclusief die van het antisemitisme, want hij was joods, noot van mij] door het slijk gehaald” en wist alleen door in 1960 aan longkanker te overlijden nog te verhinderen dat hij zijn staatsburgerschap ontnomen werd en naar het buitenland abgeschickt, het soort lot dat in vele variaties (veroordelingen wegens “klaploperij” na een Berufsverbot, binnenlandse verbanning, gekkenhuis,…) ook dat zou worden van andere schrijvers die het pad van de samizdat – niet door de autoriteiten goedgekeurde circulatie van hun werken in het binnenland – en/of de tamizdat – niet door de autoriteiten goedgekeurde circulatie van hun werken in het buitenland – na hem zouden kiezen, een drang die met de val van Chroesjtsjov (die uiteindelijk ook z’n eigen memoires naar buiten moest laten smokkelen) in 1964 en de ‘restalinisering’ onder Brezjnev alleen maar groter werd: “Kritiek op de Sovjetwerkelijkheid werd met het verdwijnen van de dooi onmogelijk in de officiële pers. Kritische geluiden konden vanaf nu alleen via niet-officiële kanalen naar buiten gebracht worden – met name via de samizdat”.

Waarbij u zich uiteraard afvraagt of ik die óók nog helemaal uit de doeken ga doen. Wat niet het geval is. Waegemans heeft dat zelf goed gedaan en het ligt niet in mijn bedoeling te blíjven citeren, zeker omdat ik dan aan het puzzelen moet gaan. Waar de auteur immers redelijk gestructureerd heeft gewerkt tot aan Het ontstaan van samizdat en tamizdat, gaat die structuur wat verloren in de daarna volgende hoofdstukken. Die lijken bij momenten eerder los van mekaar ontstaan te zijn dan logisch volgend op mekaar en de herhalingen en sprongen zijn dan ook legio vanaf pagina 107. Het ene moment worden zo’n beetje alle tijdschriften opgenoemd die tijdens “de dooi” ontstonden, in het volgende hoofdstuk krijgen we een heuse Kroniek van de dooi 1953-1968, dan wordt er weer een overzicht gegeven van Censuur in de Sovjet-Unie 1917-1990, inclusief de basis daarvan, dan volgt een hoofdstuk over De Beweging voor de Rechten van de Mens (geheel genegeerd door onder andere de Verenigde Naties), waarna Waegemans terugkeert naar De literatuur van de samizdat & tamizdat, met daarin bijvoorbeeld twee aparte stukjes gewijd aan Andrej Amalrik en, begrijpe wie kan, een apart hoofdstuk gewijd aan De literaire samizdat (Waegemans maakt kennelijk een onderscheid tussen niet alleen tekst en literatuur, wat ik kan begrijpen, maar ook tussen literatuur en literair, wat al wat moeilijker is), en helemaal op het einde gooit hij er dan ook nog een bladzijde of twee tegenaan over een onderwerp dat tot dat moment zo goed als onbesproken is gebleven, de lokale singer-songwriters en hun magnitizdat. Ik begrijp dat de auteur in de eerste plaats kenner van Russische literatuur en cultuur is, maar voor geschiedenisboeken, ook die over literatuur, verdient het toch aanbeveling niet te veel weg en weer te springen, de spaghetti niet te verwerken tot macaroni.

Maar goed, dat gezegd zijnde, het was wél een genoegen door Waegemans meegenomen te worden langs een hele hoop auteurs en titels die ik nog niet kende (of minstens niet in mijn bibliotheek heb staan) en een aantal auteurs en titels waarvan dat wél het geval is. In de Bibliografie is zelfs een koppeling opgenomen waarop de geïnteresseerde lezer een volledige bibliografie van vertaalde Russische literatuur van 1789 tot 2023 kan vinden (met een beetje moeite kan u die zelfs gratis downloaden), maar helaas géén overzicht van de door Waegemans genoemde in samizdat/tamizdat verschenen werken, wat toch wel jammer is, maar ik neem u dus op mijn beurt mee langs een aantal werken die hij vernoemt in de puzzelstukken waarover ik het hierboven had: Fabriek van nieuwe mensen (van Alja Rachmanova), Het ‘proletarische’ paradijs. Rusland, één concentratiekamp (van Boris Solonevitsj), Ik verkoos de vrijheid. Het persoonlijke en politieke leven van een Sovjet-functionaris (Viktor Kravtsjenko – in mijn boekenkasten, dus vroeg of laat krijgt u er een bespreking van te verwerken), Het onvoltooide lied (van Michael Naritza), Verhaal van de blauwe vlieg (van Valeri Tarsis), Bedenkingen over vooruitgang, vreedzame coëxistentie en intellectuele vrijheid (van Andrej Sacharov, van wie ik wél Mijn leven staan heb), De technologie van de macht (van Abdurakhman Avtorkhanov), De doodgezwegen Marx (van Nikolaj Oeljanov), De meester en Margarita in ongecensureerde versie (van Michail Boelgakov, bespreking hier), Wat ik zeggen wou (van Anatoli Martsjenko), De Goelag Archipel (van Aleksandr Solzjenitsyn, uiteraard in drie delen in mijn boekenkasten, net zoals Augustus Veertien, het al eerder genoemde Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj, Kankerpaviljoen, Het kalf stoot de eik, enzovoort), De raderen van de willekeur (van Jevgenia Ginzboerg), Kolyma – Verhalen uit de Goelag Archipel (van Varlam Sjalamov, bespreking hier), Voor eeuwig bewaren (van Lev Kopelev, bespreking hier), Dagboek van een provocateur (van Andrej Amalrik, bespreking hier), In quarantaine (van Vladimir Maksimov, bespreking hier), Drie minuten zwijgen (van Georgi Vladimov), De merkwaardige lotgevallen van soldaat Ivan Tsjonkin (van Vladimir Vojnovitsj – in mijn boekenkasten, samen met Moskou 2042, Monumentale propaganda, en De anti-sovjet Sovjetunie), enzovoort, enzoverder. Enfin, keuze genoeg. Maar hoe nuttig is dat “ondergrondse verzet” geweest of “de pogingen om met de autoriteiten tot een compromis te komen”?, vraagt Waegemans zich af in zijn Balans: “De hele periode na de dood van Stalin (1953) tot de perestrojka (1986) waren de Sovjets niet bereid toegevingen te doen, werden criticasters opgesloten of het land uitgezet. De Sovjetpers bleef tot in de jaren tachtig de USSR voorstellen als de beste der werelden. Die wereld vertoonde weliswaar tekorten en gebreken, maar die zouden met de tijd, dankzij de richtlijnen van de partij gebaseerd op de wijsheid van het marxisme-leninisme, uit de weg geruimd worden. Het communisme, de ideale maatschappij, was een kwestie van tijd.” Waegemans houdt het er op dat dankzij de inspanningen van de “zogenaamde dissidenten” “de schok in 1986, toen Gorbatsjov zijn politiek van perestrojka en glasnost (=vrijheid van pers) lanceerde” niet zo groot was, en dat de “civil society in Rusland (…) door hun activiteiten voorbereid [was] op de hervormingen die het land in sneltempo zouden veranderen”. En misschien is dat wel zo, al denk ik dat die “civil society” ook wel ogen in zijn kop had en de werkelijkheid niet enkel via de samizdat/tamizdat kon vernemen. Maar misschien is dat ook niet zo belangrijk. Misschien willen schrijvers hun werken simpelweg niet “voor de lade” schrijven. Misschien was ‘simpelweg’ gelezen worden wel dé drijfveer voor de “dissidenten”. Misschien zelfs post mortem. Laat dat een aanbeveling zijn om ná lezing van dit werk van Emmanuel Waegemans ook de werken te gaan lezen waar hij zijn werk aan besteed heeft.

Björn Roose

dinsdag 22 september 2026

Water – Jan Veulemans (boekbespreking door Björn Roose)

Water – Jan Veulemans (boekbespreking door Björn Roose)
Zoals u weet (of intussen toch al zou moeten weten) heb ik ooit – in een ver verleden, toen de dieren nog spraken en ik me nog in sociale kringen bewoog waar wel eens wat gelezen werd en waar boeken soms ook in groten getale mijn richting werden uitgestuurd – een grote partij boekjes van Boekengilde De Clauwaert (later De Clauwaert vzw) ontvangen van een vriend. De voorbije zoveel jaren heb ik er daar telkens een aantal van mee op reis genomen, ze ook daadwerkelijk gelezen, en ze na bespreking wegens te licht bevonden meestal verhuisd naar mijn zolder. Uitzonderingen zijn er echter altijd: sommige van die boekjes bleken tóch het behouden waard. Bijvoorbeeld De ziekte van Kahler en De leegte van Jan Veulemans. Een koppel waaraan ik na lezing ervan ook Veulemans’ Water mag toevoegen. Wat van de in 1928 geboren en, als Wikipedia het correct voor heeft, nog steeds in leven zijnde auteur van dergelijke verhalen een grote uitzondering in mijn bibliotheek maakt: drie boeken ervan gelezen, drie ervan bewaard.

Gezien het feit dat ik nauwelijks nog ongelezen boekjes van De Clauwaert over heb (al is het volgende dat op mijn bespreektafel ligt er óók nog een), zal hij ook die grote uitzondering blijven, maar belangrijker is allicht te weten waarom. Wel, nu ik het boekje opnieuw ter hand neem zelfs om méér redenen dan ik eerst dacht. Ten eerste het feit dat dit verhaal, zestig bladzijden lang (en verschenen in 1967), filmisch zo goed als een one shot zou vormen: een man zwemt een meer in, richting een abdij aan de overkant, en blijft in die richting zwemmen tot hij uiteindelijk verdrinkt (ja, ik geef daarmee het einde weg, maar dat voel je van mijlenver aankomen en is ook niet echt het punt). Ten tweede het voor iemand die ooit lange afstanden gesnelwandeld heeft volkomen aanneembare gegeven dat iemand die lange afstanden aflegt al zwemmen in een soort trance kan raken en daardoor op hetzelfde moment twee dingen kan doen: de repetitieve lichamelijke beweging uitvoeren en met zijn geest op een andere plaats en in een andere tijd zijn, iets wat Veulemans ook op zeer aannemelijke wijze weet te brengen, in die zin dat je als lezer nooit een moment hebt waarop je je afvraagt of de ‘verteller’, de ‘denker’ eigenlijk, niet toevallig vergeten is dat hij ligt te zwemmen. Ten derde, en dat was me dus niet in die zin opgevallen tijdens het lezen, het in lijn liggen van de tekststructuur met het verhaal, iets wat wellicht een nadere uitleg behoeft: op de cover staat nog wel een rimpelend meer, een lege horizon en voor de rest niks dan water, maar binnenin het boekje is de zetspiegel zó smal, nog geen drie vijfde van de bladspiegel lijkt het, dat de tekst de indruk geeft van een zwembaan. Misschien heeft Boekengilde De Clauwaert nóg boekjes uitgegeven waarin dat het geval was (dat kan ik me op dit ogenblik in ieder geval niet herinneren), maar daardoor ondersteunt de tekst de wereld van de ‘denker’, die op den duur alleen nog bestaat uit het ‘pad’ dat hij volgt door het water en het steeds smallere pad dat zijn gedachten volgen. Als dit geen bewuste, mogelijk door Veulemans zelf gekozen, manier van werken is geweest, is het in ieder geval een bizar toeval.

En dat pad dat de gedachten van de ‘denker’ volgen? Dat is natuurlijk het leven zelve. Een leven waarover hij niet echt tevreden is, een leven dat hijzelf niet in die mate in handen heeft gehad waarin hij het in handen had willen hebben, een leven zoals we dat allemaal wel eens hebben ingeschat op een minder momentje, een leven waar de ‘denker’ echter niet meer overheen komt in dat meer, omdat het water daar (het moet ergens gebeuren en voor het verhaal dus daar) ophoudt een “schuilplaats (…) tegen de wereld, (…) een pauze in een leven dat tergend op duizend andere levens” lijkt, te zijn: “Toen het kind zich aankondigde, voelde hij zich terzijde geschoven. Zij woonden toen in het smalle nieuwe huurhuis tussen de lage heuvels, bij de grens tussen twee dorpen. De grens was een waterloop waarin zoveel groen opschoot dat je het water niet meer zag, maar je hoorde hoe het praatte tussen het gewas. Daar zat hij met wat koppig verdriet naar te luisteren. Vaak ging hij tot de visvijver, waar de vissers zich enkel ‘s zondags aan de oever vastklampten. Het was water om naar te kijken, altijd was ergens op het watervlak beweging, alsof het daaronder wemelde van veelsoortig leven. Maar zwemmen kon je niet, niet in het beekje vol groen en niet in de visvijver. Pas toen zij verhuisd waren en dicht bij het kanaal woonden, had hij het water geheel weergevonden. Maar het was anders dan vroeger, het was bijna iemand waarmee je een diepgaand gesprek voerde. Als je, na jaren samenleven, de vrouw begon te kennen, vond je het misschien niet meer nodig dat ze mee het water indook. Haast was het alsof je in beider naam zwom. Alleen moest je verdragen dat ze zei: wees voorzichtig. Dat was dan liefde, dezelfde liefde die de maaltijden bereidde en verse lakens spreidde, de bloemen besproeide, raadde wanneer je een beroerde dag achter de rug had, zichzelf nemen liet als het bloed warm werd. Wees voorzichtig, je mag de eenheid niet scheuren, je moet gaaf blijven voor de liefde, je moet klankbord blijven, spil, steunende arm. Je hebt een verbond gesloten dat zo lang mogelijk moet duren, één vlees, één denken, één verdediging tegen onheil en dood.”

Geen vrolijk verhaal, nee, maar met voorgaand citaat wou ik u in ieder geval ook nog een laatste feit meegeven: dat de ‘denker’ aan het zwemmen is, is niet louter toevallig. Dat zwemmen is een metafoor voor het leven, iets wat je doet tot het einde of waar je mee ophoudt, waarna het leven zelf óók ophoudt. En dat zwemmen en Water, niet voor niks de titel van deze novelle, zijn door Veulemans ook tot in de kern van het verhaal gebracht, in die mate zelfs dat het niet meer duidelijk is waar de metafoor eindigt en de ‘werkelijkheid’ begint.

Een boek dus dat, wat mij betreft, het niet alleen verdient om zijn plaats in de boekenkast te houden, maar ook om vroeg of laat te herlezen. Al is de kans dan groot dat ik nog vele boekenwatertjes doorzwem vooraleer dáár weer aan toe te komen.

Björn Roose

vrijdag 18 september 2026

De herfst van de patriarch – Gabriel García Márquez (boekbespreking door Björn Roose)

De herfst van de patriarch – Gabriel García Márquez (boekbespreking door Björn Roose)
“Hij voelde zich zo veilig onder de hoede van generaal Rodrigo de Aguilar en de assistentie van Patricio Aragonés dat hij steeds minder aandacht schonk aan de voortekenen omtrent zijn lijfsbehoud en hij liet zich steeds vaker zien, hij durfde al alleen met een adjudant in een auto zonder ordetekenen door de stad te rijden en door de gordijntjes naar de arrogante kathedraal van vergulde steen te kijken die híj per decreet tot de mooiste van de wereld verklaard had, hij spiedde naar de oude herenhuizen met stucwerk en portieken uit ingeslapen tijden en zonnebloemen met hun hoofdje naar de zee, de betegelde straten in de onderkoningenbuurt waar het naar kaarsvet rook, de bleke dametjes die in het licht op de balkons onvermijdelijk decent zaten te kantklossen tussen de potten anjers en de slingers bougainvillea, het schaakbordachtige klooster van de Baskische nonnen met om drie uur ‘s middags dezelfde clavichordmuziek als waarmee ze de eerste keer dat de komeet voorbijkwam gevierd hadden, hij doorkruiste het Babylonische labyrint van de winkelstraatjes, hun dodelijke muziek, de vaandels van lootjes, de karretjes van de guarapo-verkoopsters, de snoeren leguaneëieren, de uitdragerijen van de Turken die gebleekt waren door de zon, het angstaanjagende schilderij van de vrouw die in een schorpioen veranderd was wegens ongehoorzaamheid aan haar ouders, de ellendige steeg van de vrouwen zonder man die ‘s middags naakt naar buiten kwamen om blauwe en roze vissen te kopen en samen met de groentevrouwen op hun moeder te schelden terwijl hun kleren hingen te drogen op de balkons van bewerkt hout, hij voelde de wind die rook naar verrotte schaaldieren, hij zag het dagelijkse licht van de pelikanen om de hoek van de straat, de kleurige chaos van sponsachtige planken, het oude pantserschip van de mariniers dat langer en somberder was dan de waarheid, de negerin die goederen inlaadde en te laat opzij ging om het angstige autootje te laten passeren en die het gevoel had alsof de dood haar met een vinger aanraakte toen ze de duistere oude man zag die met de droevigste blik van de wereld naar de haven zat te staren, daar heb je hém, riep ze hevig geschrokken, viva el macho, schreeuwde ze, hoera, riepen de mannen, de vrouwen en de kinderen die uit de kroegen en de Chinese eethuizen kwamen rennen, hoera, schreeuwden de mensen die de benen van hun paard met spantouwen vastbonden en de auto tegenhielden om de hand van de macht te kunnen schudden, en het was zo’n trefzekere en onverwachte manoeuvre dat híj nauwelijks tijd had om de gewapende arm van de adjudant opzij te duwen terwijl hij hem met ontroerde stem berispte, doe niet zo stom, luitenant, laat ze van me houden, hij was zo opgewonden door die ene woeste opwelling van liefde en nog veel meer de volgende dagen dat het generaal Rodrigo de Aguilar moeite kostte om hem van het idee af te brengen om in een open koets te gaan rondrijden zodat de goede vaderlanders in het land me helemaal van top tot teen kunnen zien, verdomme, want híj had er zelfs geen vermoeden van dat de overval bij de haven spontaan geweest was maar dat de volgende door zijn eigen veiligheidsdiensten georganiseerd waren om hem tevreden te stellen zonder risico’s te lopen, hij was zo verzot op de liefdesbetuigingen aan de vooravond van zijn herfst dat hij na jaren de stad weer in durfde, hij liet de oude trein weer rijden die met de kleuren van de vlag beschilderd was en die als een kat over de smalle paden van zijn uitgestrekte rijk van de droefheid reed, zich een weg banend door dichte bossen met orchideeën en springkomkommers, capucijnerapen en paradijsvogels, luipaarden opschrikkend die op de rails lagen te slapen, helemaal naar de ijskoude, verlaten dorpen op de páramo waar híj geboren was en waar ze op de stations op hem stonden te wachten met muziekcorpsen die lugubere muziek speelden, doodsklokken voor hem luidden, spandoeken voor hem ophielden met welkom voor de naamloze patriciër die aan de rechterzijde van de Heilige Drievuldigheid zit, ze rekruteerden werkeloze Indianen uit de gehuchten die naar het dorp gekomen waren om de verborgen macht te zien die in de doodse duisternis van de presidentiële wagen verborgen zat en degenen die erin slaagden om dichterbij te komen zagen niets anders dan de verbijsterde ogen achter de stoffige ramen, ze zagen de trillende lippen, de palm van een hand zonder oorsprong die naar hen zwaaide vanaf het voorgeborchte van de glorie, terwijl iemand van zijn lijfwacht hem van het raam probeerde weg te halen, past u toch op, generaal, het vaderland heeft u nodig, maar híj antwoordde half dromend, maak je geen zorgen, kolonel, deze mensen houden van me, zowel in de trein op de páramo als op de houten raderboot op de rivier die een spoor van walsen op de pianola achter zich liet in de zoete geur van gardenia’s en verrotte salamanders in de equatoriale rivieren terwijl hij om de karkassen van prehistorische draken, wonderbaarlijke eilanden waar de sirenes gingen baren en rampzalige middagen van enorme steden die verdwenen waren heen zeilde naar de brandend hete, eenzame nederzettingen waarvan de bewoners naar de oever kwamen om naar de houten boot te kijken die beschilderd was met de vaderlandse kleuren en ze zagen nog net een glimp van een niemandshand met een satijnen handschoen die achter het raampje van de presidentiële hut zat te wuiven, maar híj zag de groepjes op de oever heftig staan zwaaien met malanga-bladeren bij gebrek aan vlaggen, hij zag mannen met een levende tapir in het water springen, met een maniokwortel zo groot als een olifantspoot, een snoer bergkippen voor in de presidentiële stoofpot en hij zuchtte van ontroering in de kerkachtige halfschaduw van zijn hut, kijk eens hoe ze er allemaal aankomen, kapitein, kijk eens hoeveel ze van me houden.”

Bent u er nog? Heeft u die ene zin toevallig hardop gelezen? Bent u daar niet compleet ademloos van geworden? Of dacht u ergens halverwege: hier houdt het op, hier stap ik af? Ik heb in ieder geval met die gedachte gespeeld gedurende de eerste dertig of zo bladzijden van Gabriel García Márquez’ De herfst van de patriarch. “Het opvallendste stijlkenmerk van De herfst van de patriarch is dat de roman slechts uit een paar heel lange zinnen bestaat”, zegt de achterflap van de in 1982 bij Meulenhoff verschenen vierde druk van deze vertaling van de hand van Mariolein Sabarte Belacortu daarover met enige overdrijving (op die kleine tweehonderdvijftig bladzijden zijn heus wel méér dan een paar zinnen te vinden), maar die stijl ís toch wel een beetje een afknapper. Edoch, wie er in slaagt zich door die eerste tientallen bladzijden te bijten, en zo verstandig is eventuele onderbrekingen van de lezing bij de punten te laten gebeuren, houdt het ook wel vol tot het laatste hoofdstuk. Ik las in een of andere recensie dat dat hoofdstuk bestaat uit een enkele zin van zestig bladzijden lang, maar ook dát is overdreven: het bestaat uit een enkele zin van een kleine vijftig bladzijden lang. Even een pauze nemen voor u daaraan begint, is dus aan te raden, te meer omdat die zin, net zoals die hierboven, nog een aantal andere eigenaardigheden laat zien: wisseling van verteller, dialogen zonder aanhalingstekens, van beschrijving naar actie en weer terug, het soort dingen dat op de al eerder genoemde achterflap omschreven wordt als “barok taalgebruik, sprankelend door de razendsnelle verteltrant en de opeenhoping van anekdotes”.

Nu weet ik niet of Márquez dat taalgebruik, die stijl ook toegepast heeft in zijn bekendste boek, Honderd jaar eenzaamheid (ik heb verder van hem alleen nog De zee van mijn verloren verhalen en Liefde in tijden van cholera liggen, die ik allebei nog niet gelezen heb), maar ik lees en hoor van niet, en ik vind niét dat het hier om “de razendsnelle verteltrant” gaat. De herfst van de patriarch lijkt eerder een koortsdroom, het aan het oog van de genaamde patriarch, de macho, de dictator voorbijtrekkende leven van zichzelf en zijn land, een delirium van terugkerende beelden (“zijn linnen uniform zonder insignes”, “zijn beenkappen”, “de gouden spoor aan zijn linkerhiel”, de leprozen in de tuin, de koeien op de trappen, de Amerikaanse ambassadeurs,...), een opeenvolging van herinneringen zonder dat die noodzakelijk in de juiste volgorde staan. Een opeenvolging van herinneringen evenwel die, zoals de achterflap weerom aangeeft, van de dictator “een onvergetelijke figuur [maken], geen karikatuur maar een mens, met zijn goede en slechte kanten”, de (inmiddels toch ten dele voorbije) “Latijns-Amerikaanse werkelijkheid”, “een realiteit waarin haast lachwekkende operafiguren tot de meest gruwelijke dictators kunnen uitgroeien”, “de stokoude dictator die langzaam doodgaat in eenzaamheid, de ‘marionet’ die in de illusie verkeert dat de geschiedenis door zijn toedoen is veranderd”, en uiteindelijk zelfs die illusie moet laten varen. El macho, van wie Márquez naar eigen zeggen, “niet het prototype van een slechte man, maar van een man [wou] maken”, heeft een zeker gevoel voor het moment, voor wat op handen is, en reageert daarnaar, of heeft dat toch gedurende vele jaren gedaan, maar ageert nauwelijks. Hij melkt zijn koeien, ja, maar die koeien nemen zijn paleis over. Hij verleidt de meisjes van de school naast zijn paleis, inderdaad, maar komt er achter dat die daar geplaatst zijn om hem die illusie te verlenen. Hij neemt een aankomende non tot vrouw, maar die neemt zijn rijk over. Hij neemt iemand in dienst om de moordenaars van die vrouw en zijn kind (“gevierendeeld en verscheurd (…) door wilde honden op de markt, ze hebben hen levend opgegeten”) uit de weg te ruimen, maar die persoon heeft zelf zijn diensten aangeboden en die diensten bestaan wel uit het uit de weg ruimen, maar niet van die moordenaars (“we zijn klaar als zij op zijn”). Hij serveert “de voortreffelijke divisiegeneraal” Rodrigo de Aguilar “op een zilveren dienblad in zijn volle lengte uitgestrekt op een bed van bloemkolen en laurierbladeren, in kruiden gemarineerd, goudgeel gebakken in de oven, afgemaakt met een uniform van vijf gouden amandelen voor de plechtige gelegenheden en de koorden voor zijn grenzeloze moed op de korte mouw, veertien pond medailles op zijn borst en een bosje peterselie in zijn mond”, maar pas nadat die geprobeerd heeft hem af te zetten. Dat hij een zakbreuk heeft opgelopen, waardoor zijn scrotum wel groot is, maar eigenlijk alleen omdat zijn buikholte daar in leeggelopen is, staat ongetwijfeld symbool voor zijn hele leven: het ziet er als heel wat uit, maar het is het gevolg van een ongeluk (“[hij had] zich in het oorlogstumult gestort (…) met een rode doek om zijn hoofd terwijl hij in de pauzes tussen het ene koortsdelirium en het andere schreeuwde, leve de liberale partij, verdomme, leve het triomfantelijke federalisme, stront-Spanjolen, hoewel hij eigenlijk werd voortgesleurd door het voorvaderlijke verlangen om de zee te zien”) en het kan nauwelijks camoufleren dat er een leegte achter schuilgaat, een leegte die hem zélf ook steeds duidelijker wordt, al slaagt hij er ook wat dat betreft niet in een beslissing te nemen, net zomin als over de toekomst van ‘zijn’ land na hem (“de slaafsheid waardoor de ruimte van zijn autoriteit langzamerhand volliep”). Of zoals de eerder genoemde Patricio Aragonés hem op zeker moment, ergens halverwege een zin, zegt: “(…) u moet weten dat niemand u ooit verteld heeft wat hij echt denkt, iedereen zegt alleen dat waarvan ze weten dat u het wilt horen terwijl ze voor uw ogen buigingen maken maar achter uw rug schietgebaren, weest u maar dankbaar voor de gelukkige omstandigheid dat ik de man ben die het meeste medelijden met u heeft in deze wereld omdat ik de enige ben die op u lijkt, de enige die de eer te beurt valt om u te vertellen wat iedereen zegt, namelijk dat u de president van niemand bent en dat u niet op de troon zit dank zij uw eigen kanonnen maar omdat de Engelsen u erop gezet hebben en omdat die gringos u gesteund hebben met dat ene klotenpantserschip van ze, want ik heb u als een kakkerlak heen en weer zien lopen, van hier naar daar en van daar naar hier omdat u niet wist waar u zou beginnen te bevelen van angst toen de gringos tegen u schreeuwden en nou laten we je stikken met je negerbordeel, we zullen eens zien hoe je het zonder ons redt, en als u toen niet van uw stoel bent opgestaan en als u nooit van uw stoel bent opgestaan is dat natuurlijk niet omdat u niet wilt maar omdat u niet kunt (…)”. Omwille van zijn moeder misschien, Bendición Alvarado, die hij aanbidt ondanks het feit dat zelfs zij niet weet wie zijn vader is geweest (en die hij tot burgerlijk heilige laat verklaren als de katholieke kerk het vertikt om haar tot ‘religieus’ heilige te verklaren). Of omdat hij op den duur bijna zelf niet meer weet of hij nu híj is of dat die eer een van zijn dubbelgangers te beurt valt (“ik was het echt, moeder”). Of omdat de “gringos” zo goed als alles in zijn “uitgestrekte rijk van de droefheid” ingepikt hebben als aflossing van zijn schuld (“we waren leeggebloed door de eeuwige noodzaak om leningen te accepteren om de aflossing van de buitenlandse schuld te betalen sinds de onafhankelijkheidsoorlogen en toen nog weer andere leningen om de rente van de achterstallige aflossingen te betalen, altijd in ruil voor iets”) en ook nog ‘zijn’ zee willen. Of omdat de despoot vóór hem tenminste nog ‘verlicht’ was, terwijl hij – tot zijn vrouw hem dat leert – nauwelijks kan lezen en schrijven (“hij schreef op een stuk karton dat hij op de deur van een toilet prikte dat het verboden was viesighijt uit te halen op de twalette”). Of omdat hij zijn “burger-ministers” wel kan minachten, maar niet kan missen. Omdat hij zo heel erg de baas is, zo héél erg veel vertrouwen in zelfs zijn compadres kan hebben, dat hij zich iedere nacht moet opsluiten achter “de drie sluitbalken, de drie grendels en de drie knippen van zijn slaapkamerdeur”. Of omdat wie werkelijk van hem houdt automatisch, zoals hij, ook een gevangene wordt: “(…) want zij wilde niets van het leven weten sinds die zwarte zaterdag waarop ik tot mijn grote ongeluk koningin werd, op die middag is de wereld voor mij opgehouden te bestaan, haar vroegere vrijers waren de een na de ander overleden, plotseling getroffen door ongestrafte beroertes of onwaarschijnlijke ziektes, haar vriendinnen verdwenen spoorloos, ze hadden haar zonder haar uit haar huis te halen naar een vreemde buurt gebracht, ze was alleen, op alles wat ze deed werd tot in de kleinste details gelet, ze zat gevangen in een val van het lot en ze had niet de kracht om nee te zeggen en ze had ook niet voldoende kracht om ja te zeggen tegen een afstotelijke pretendent die met een oudenvandagenhuis-liefde naar haar zat te loeren, die haar met een soort eerbiedige verbijstering bekeek terwijl hij zich met zijn witte hoed koelte toewuifde, badend in het zweet, zó ver van zichzelf verwijderd dat zij zich had afgevraagd of hij haar wel echt zag of dat zij alleen een angstaanjagend visioen was (…)”. Of omdat hij een man is, niet meer dan een man.

Worstel u door die lange zinnen heen, zou ik zeggen, het is de moeite waard.

Björn Roose

maandag 14 september 2026

De drie koningen aan de kust / Kerstvertelsel – Stijn Streuvels (boekbespreking door Björn Roose)

De drie koningen aan de kust / Kerstvertelsel – Stijn Streuvels (boekbespreking door Björn Roose)
Goed, goed, augustus is misschien een rare tijd van het jaar om kerstverhalen te lezen, net zoals september wel erg vroeg is om de bespreking ervan te publiceren, maar De drie koningen aan de kust / Kerstvertelsel van Stijn Streuvels, een uitgave van de Standaard Boekhandel “ter gelegenheid van de SB-Kinderboekenweek” van 1982 paste nu eenmaal binnen de categorie boeken die ik graag meeneem op reis (wegens met zijn in totaal achtenzestig bladzijden aan de dunne kant), dus schotel ik u de bespreking van de verhalen in kwestie graag voor. Inclusief de melding in het colofon dat “de woordverklaringen werden overgenomen uit Stijn Streuvels, Volledig Werk, deel IV, Brugge, Uitgeverij Orion-n.v. Desclée de Brouwer, 1973”, want de zesenvijftig (in vrij grote letter gedrukte) bladzijden die het werk uiteindelijk telt aan tekst worden inderdaad vergezeld van een loszittende Verklaring van de door Streuvels gebruikte Westvlaamse woorden van nog eens negen bladzijden. Een Verklaring die wel handig kan zijn, want die Westvlaamse woorden blijven niet beperkt tot vanzelfsprekende exemplaren als ‘ongeduur’, ‘tijelijke’, ‘feestvertij’ of ‘kout’, en de betekenis van ‘sammelen’, ‘horken’, ‘verhemming’ of ‘korreboel’ is voor kinderen misschien niet altijd meteen afleidbaar uit de context.

‘Voor kinderen’, zeg ik inderdaad, want ook volwassenen die niét van West-Vlaamse afkomst zijn (wat spijtig is voor hen, maar niemand is perfect), zouden deze verhalen moeten kunnen lezen zónder in die Verklaring te duiken (al kan ik van mezelf ook niet zeggen dat ik bekend was met de visserstermen die Streuvels op pagina 18 losjes uit zijn mouw lijkt te schudden) en kúnnen dat ook zonder werkelijk de indruk te krijgen dat ze met De drie koningen aan de kust en Kerstvertelsel aan kinderverhalen bezig zijn. Ja, het zijn kerstverhalen en nee, ze zijn dus niet van een grote psychologische diepgang of enorm ingewikkeld, maar ze zijn eerder in het algeméén Streuveliaans, een beetje kinderlijk misschien, tonend dat Streuvels het kind in zichzelf nooit voor dood moest verklaren, dan specifiek voor kinderen bestemd.

Bovendien is De drie koningen aan de kust bijzonder wat de ‘setting’ betreft én de ‘casting’: we weten allemaal dat Nazareth zo’n beetje halverwege tussen de Jordaan en de Middellandse Zee ligt, op een goeie twintig kilometer van beide daar in het land dat from the river to the sea wenst free te zijn, maar een kerstverhaal dat zich afspeelt in de West-Vlaamse polders, een paar kilometer achter de vloedlijn van onze eigen Noordzee, met een drietal zeevissers in de hoofdrol, is toch weer eens wat anders, ook al omdat de heren koningen behalve zeer onkoninklijk ook niet zeer gelovig of gewillig zijn: “Kerstdag had geen de minste betekenis voor hen. Ze wisten het van elkaar: Pinkel in onenigheid met zijn wijf, Karkole, een duts die inwoonde bij zijn schoondochter waar hij niets te poeren had, Viane die zondagnacht in een vechtpartij een thoeveel makkers klop had gegeven – een ranseling verwachten mocht, en daarom liever van ‘t dorp wegbleef, - alle drie zonder verlangen of kans op verzet of vreugde, voelden zich buiten de gemeenschap met de maats, zagen nergens de mogelijkheid om aan ‘t vertij deel te nemen, dachten met mismoed aan de blijdschap der anderen, waarbij ‘t verdrietige van hun vereenzaming nu dubbel zwaar woog. De opgewekte stemming welke overal in de lucht hing, stak hen tegen – de feestroes in ieder huisgezin, al het paaigeld er aan verkletst – terwijl zij met de nood aan gezelligheid, niet eens wisten hoe de vrije dag besteden.”

Meer ga ik u van het verhaal in kwestie niet meegeven, maar weet dat het ook verder geen Nello en Patrasche is, geen tearjerker, ‘gewoon’ een schoon, niet-klassiek, en heel erg Vlaams kerstverhaal. Net zoals het Kerstvertelsel dat er achter komt, een ‘vertelsel’ dat al begint “op Sintemaartensavond, toen ze in bende met hun lanteerns uit pampoenen en beetwortels gesneden, door de straat liepen en liedjes zongen”, een gelegenheid die ik me uit mijn eigen jeugd nog herinner, toen we met een ‘bietenstoet’ door het centrum van Handzame wandelden, een traditie die kennelijk minstens in de hoofdgemeente nog steeds of weer in ere wordt gehouden, al volgden daarop niet het soort wilde plannen dat Maantje Vincke in dit verhaal van Streuvels uitbroedt en die op hun beurt een écht Kerstvertelsel tot gevolg hebben, een heerlijk ‘vertelsel’ waarin de kleine Jezus (“in de eerste of in de derde persoon”) het heeft over spelen op straat “met kozeke Sint-Janneke en de andere kleuters uit ‘t gebuurte”, over “een jood die het kind bezig zag en ging (…) zeggen aan Jozef de timmerman (…) [dat] zijn zoontje de zondag ontheiligde met werken in de klei”, over “een rijkemanskind” dat hij met verlamming slaat (of carrément doodmaakt, dat is me ontgaan), over schoolmeesters die hem niks kunnen leren, over zijn kwaliteiten als boer (“Terwijl Jozef koorn zaaide, nam Jezus een zaadje uit de zak en plantte het in zijn hovetje, in een hoek van de lochting, en wanneer de oogsttijd nu aanbrak, kwam er van dat éne zaadje honderd maten koorn”), over zijn wonderbare vaardigheden als assistent-timmerman (“Jezus ging aan ‘t ander uiteind, greep de kortste plank vast en rekte ze uit alsof ‘t een kous ware, tot ze even lang werd als de andere”), over de onderrichting in de tempel (“De derde dag eerst vonden zij hem in de tempel, midden de wetgeleerden en de hoogpriesters, volop met hen aan ‘t redekavelen, en een hele troep volk er rond die luisterden, verbaasd over de vreemde knaap die de wet uitlegde en de parabels, beter dan de ouderlingen”), enzovoort, enzoverder. Hoe het varkentje met de hele lange snuit er uitziet dat dáár achteraan komt, geef ik u uiteraard niet mee, maar nog minder als een traditioneel kerstverhaal dan dat van De drie koningen aan de kust in ieder geval.

Ik ga, om deze bespreking af te ronden, niet beweren dat De drie koningen aan de kust / Kerstvertelsel hoogstaande literatuur is, maar ‘t is wel een aangename reis door de tijd voor tijden waarin de dagen nóg wat korter zullen zijn dan in september.

Björn Roose

vrijdag 11 september 2026

De vis begint aan de kop te stinken – Fritz Wöss (boekbespreking door Björn Roose)

De vis begint aan de kop te stinken – Fritz Wöss (boekbespreking door Björn Roose)
Uit de titel van dit boek kon u al opmaken dat het in het Nederlands verschenen is, maar de naam van de auteur zou u – zelfs in politiek correcte tijden waarin u niet geacht wordt op zo’n dingen te letten – tot de gedachte kunnen brengen dat hij een Duitser is of was. Dat klopt en dat klopt niet: Fritz Wöss, eigenlijk Friedrich Weiss, overleden in 2004, was een in Wenen geboren Oostenrijker, maar nam na de Anschluss (wie niet weet wat dat is, gaat het maar opzoeken) op zijn achttiende als Fahnenjunker (een onderofficiersgraad, dat wil ik u wél meegeven, want dat moest ik óók gaan opzoeken) dienst in de Duitse Wehrmacht. Als frontofficier nam hij vervolgens deel aan de Slag om Duinkerke en de inname van Normandië, waarna hij met de Heeresgruppe Nord deelnam aan de invasie van de Sovjet-Unie. In december 1941 was hij, intussen gepromoveerd tot Batterieführer, betrokken bij de gevechten rond het Ladogameer, raakte gewond, werd weer opgelapt, en kon vervolgens deelnemen aan de Slag om Stalingrad als verbindingsofficier met de in Nariman gelegerde 20ste Roemeense Divisie. Hij overleefde de Slag (en wie gevechten als de Slag om Stalingrad een beetje bestudeerd heeft, weet opeens wel zeker waarom een Slag in het Duits ‘Schlacht’ heet), kwam op 29 januari 1943 in Sovjet-gevangenschap terecht, en kon pas in 1948 terugkeren naar Wenen. Daar schreef hij zich in aan de universiteit, haalde z’n doctoraat, werd beambte, schrijver (uiteraard), directeur van de Hochschule für Bodenkultur, richtte een denkgroep rond directe democratie op, stichtte de Union für Direkte Demokratie en een vijftal jaar later de eerste milieubeweging in Oostenrijk, de Österreichische Umweltschutzbewegung (later omgedoopt naar Wahlgemeinschaft für Bürgerinitiativen und Umweltschutz), deed vervolgens een jaar of dertig niks dat de gazetten haalde (of net wel, waardoor ‘het internet’, inclusief de aan de auteur gewijde pagina, het niet nodig vindt er aandacht aan te besteden), en ging toen dood.

Misschien zit er in die dertig stille jaren nog wel een verhaal, maar voor deze bespreking volstaat het dat u weet dat dit boek, De vis begint aan de kop te stinken (in het Duits: Der Fisch beginnt am Kopf zu Stinken), aanvangt nadat de Slag om Stalingrad verloren is, als centrale figuur ene Wisse heeft, ten tijde van de Slag verbindingsofficier met de 20ste Roemeense Divisie, en eindigt ergens bij het einde van de Tweede Wereldoorlog met het vertrek van diezelfde Wisse uit het ene krijgsgevangenenkamp naar een volgend. Maakt dat het boek autobiografisch? Wel, dat staat niet met zoveel woorden op de omslag vermeld: “Gedreven door een belofte aan zijn kameraden om te vertellen over de hel van Stalingrad, schreef Fritz Wöss een aangrijpende roman over het lijden en de ellende van de Duitse soldaten bij de strijd in Rusland”, dat wel, maar desalniettemin “een roman”. Net zoals de voorganger ervan, in het Nederlands getiteld Honden wilt ge eeuwig leven?… (wellicht eveneens in de jaren 1980 verschenen bij De Boekerij), in het Duits Hunde wollt ihr ewig leben?, het verhaal over de Slag zelf, en het er op volgende derde deel van wat dan een trilogie werd genoemd, Die Deutschen an die Front, dat zich afspeelt in het inmiddels in twee bezettingszones (eigenlijk vier, maar de westerse bezetters gooiden hun zones samen) opgedeelde Duitsland. Dat eerste deel en dat laatste deel van de trilogie heb ik niet gelezen, maar de stijl van het tweede maakt, net zoals het feit dat er op de al eerder genoemde aan de auteur gewijde pagina gewoon gezegd wordt dat het om “seinem autobiographischen Werk” gaat, wel degelijk duidelijk dat De vis begint aan de kop te stinken autobiografisch ís, zelfs al kunnen de belevenissen van Wisse/Wöss dan perfect als voorbeeld dienen van wat “die körperlichen und seelischen Qualen [waren], durch die die rund 90.000 deutschen überlebenden der Schlacht von Stalingrad gehen mussten und denen der Grossteil der Gefangenen erlag”. Wat goed is en ook weer niet: wie De vis begint aan de kop te stinken (waarvan de titel uiteraard verwijst naar het gedrag van de hogere rangen – de besluiteloze Paulus in de eerste plaats, maar ook de officieren die zelfs ná de slag twijfelen “of ze zich van een zekere heer Hitler en de hele zaak moeten distanciëren of de geliefde Führer onvoorwaardelijk trouw en gehoorzaam blijven” -, al is Wöss/Wisse zeker niet iemand die die per definitie veroordeelt of de lagere rangen per definitie goedpraat) leest als een verslag van de dodenmarsen (na de eerste in een serie van vele blijven er van de gevangenen nog zeventien van de honderdzevenentwintig over) en dodentreinen (“Ook tijdens het soms dagen en nachten durende oponthoud op zijsporen blijven de gevangenen in de wagons opgesloten en worden de schuifdeuren alleen opengemaakt om eten aan te geven, doden naar buiten te schuiven en ontlasting kwijt te raken.”), de kampen, de martelingen, de honger (“Omdat er behalve de snee brood alleen een halve liter watersoep te eten is, knaagt de honger langzaam het verstand weg”), de ziekten (met vlektyfus als de meest gevreesde daarvan, en de ondanks de beperkte middelen toch serieuze pogingen van het Russische verplegend personeel om de gevangenen weer op de been te brengen), het verraad (“De Roemenen (…) wachten niet meer tot de dragers van andere rugzakken ineenstorten, maar overvallen en beroven er een paar. Ze laten de bewakers in hun buit delen, want die missen toch de moed, zelf de gevangenen tijdens de mars met geweld te plunderen.”), het kamp binnen het kamp (met Duitse baasjes onder auspiciën van Sovjet-baasjes), de oorlog van allen tegen allen (“Wie een stuk hout heeft, een mes, een paar medicamenten, wie een paar woorden Russisch kent of op zijn minst nog wat meer lichaamskracht heeft dan de anderen, ziet zich verheven tot een machtspositie en wordt het middelpunt van een groep. In die groepen worden bepaalde figuren opgenomen, anderen worden er uitgestoten. Bondgenootschappen worden dikwijls voor de duur van dagen, soms uren gesloten, versterkt en dan weer uiteengeslagen. Geniepigheid en meedogenloosheid voeren de boventoon.”), de extreme weersomstandigheden, de pogingen om toch iets van cultuur te onderhouden een keer de krijgsgevangenen weer enigszins aan de betere hand zijn, systeem-overschrijdende liefdes, de valse beloftes van de gijzelnemers, enzovoort, zal door dit boek zeker niet teleurgesteld worden; wie het wil beschouwen als een roman, zal dat wél zijn. Omdat het eerste, korte hoofdstuk zich afspeelt in Münster, met een aantal soldatenmoeders in de hoofdrol, en het tweede “duizenden kilometers verder, aan de Wolga” met een aantal van hun zonen in de hoofdrol, heb je nog héél even het idee dat het wel degelijk een roman zou kunnen worden, maar die sprong in de tijd en die wisseling van hoofdrollen is ook de laatste, en je krijgt in de volgende driehonderd bladzijden ook nergens de indruk dat er een ontsnapping op til is (gezien de omstandigheden ook niet waarschijnlijk), een grootschalige opstand, een martelaarsdood, wat dan ook dat van dit boek – overigens gedrukt in een afgrijselijk lettertype - een roman zou kunnen maken.

Een roman die ook al snel als té melodramatisch zou afgedaan worden als je bijna aan het begin ervan al afkomt met feiten als deze: “Als ze de vijf Duitsers zien, die alleen onder bewaking van de oude, dronken Rus staan, stormen ze naar voren en vallen hen vloekend en met woedende dreigementen aan. Het zijn dezelfden, die het eerst met de Duitsers hielden; nu gooien zij ze met brokken ijs, worden dan brutaler, komen dichter bij, spuwen en slaan ze met vuisten en stokken. De bewaker gromt en vloekt wel, maar ziet geen kans, de mannen tegen het gepeupel te beschermen. De vijf gevangenen begrijpen eerst niets van deze behandeling, maar zijn al gauw dol van angst. Er komen zelfs nog Russische soldaten, die de mensen verder ophitsen. Enigszins klein uitgevallen leden van het Rode Leger. Jongens in Russische uniformen met machinepistolen, een soort hulppolitie blijkbaar. Ze schieten de gevangenen een beetje voor hun voeten en over hun hoofd, zodat Wisse steeds moet bukken om geen lading in zijn hersens te krijgen. Ze hebben veel plezier om de majoor, die bij ieder schot snotterend van angst door zijn knieën gaat.”

De werkelijkheid is sterker dan de fictie, maar niet als je die werkelijkheid probeert te lezen als een roman, zoveel is duidelijk. En dat verandert niet als de kleine groep naar een “balka” gebracht wordt, een soort loopgraaf, waarvan de bodem “vol donkere vlekken” is, “honderden Duitse soldaten, die afgemaakt zijn”. “Het is alsof ze aan een besmettelijke ziekte zijn gestorven”, schrijft Wöss, “En dat is ook zo; ze zijn het slachtoffer van de ergste ziekte die de mensheid bedreigt: de beestachtigheid”. Waarmee hij toch de naakte voorstelling van de feiten onderbreekt met een beetje filosofie, een filosofie die duidelijk eigen is aan de schrijver, aan de hoofdpersoon dus ook, maar daarmee dit verslag nog steeds niet optilt tot een literair niveau. Net zomin als: “Je bent een bekend type, jongeman, maar niet in mijn straatje. Blijkbaar zo een, die fiks gedresseerd is op de partijscholen, om bij de elite te komen. Precies hetzelfde soort als bij ons een afdelingsleider van de Hitlerjeugd of een napola-student. Een arrogante knaap, fanatiek, hersenloos, gevoelloos en onbarmhartig.” Of: “Gedachten? De kapitein kan er geen meer grijpen. Hij zoekt alleen nog naar iets bekends, vertrouwds. Zijn moeder, broers, zusters, zijn huis, Wenen, dat is allemaal te ver weg, onwezenlijk geworden, niet meer voor de geest te halen en al voorbij: daarvan kun je geen afscheid meer nemen.” Na de eerste hoofdstukken doet de auteur ook geen moeite meer om dat soort zaken te herhalen: een lezer die zich zelfs maar een héél klein beetje probeert in te leven in de omstandigheden waarin de krijgsgevangenen verkeren, moet óók geen moeite doen zich in te beelden dat het al een kunst is om niet geheel te verdierlijken.

Het interessantste – een oneindige opsomming van leed is helaas ook niet van aard om te blijven boeien – dat zich dan ook verderop in het verhaal nog afspeelt, zijn de pogingen van de Sovjets om van de Duitsers ‘anti-fascisten’ te maken, die ze vervolgens uiteraard willen gaan gebruiken als propagandamiddel, al maken ze ze bij gelegenheid ook wel eens wijs dat ze zich aan de zijde van de Russen gewapend een weg zullen mogen vechten naar Duitsland. Pogingen die met alle mogelijke middelen ondernomen worden: propagandavoorstellingen en -lezingen, extra voedsel, de beste ‘jobs’ in en buiten het kamp, minder voedsel voor wie dan nog niet wil, geen ‘job’ meer (en bijgevolg minder kansen om aan broodnodige extraatjes te komen), chantage, oplichting (‘die is er al bij, waarom kom jij er dan niet bij?’), en uiteraard de – ook binnen hedendaagse zogenaamd ‘antifascistische’ kringen nog steeds opgeld makende – stelling dat wie geen ‘antifascist’ is dan wel een ‘fascist’ moet zijn: “(…) aan het eind van de vergadering wordt met veel tamtam aangekondigd dat er die middag een feestmaal is voor de eerste nieuwe groep, ongeveer dertig gevangenen die al enkele dagen geleden hun toetreding tot de ‘Antifa’ (anti-fascistische organisatie) bekendgemaakt hebben en nu, officieel als anti-fascisten, voor het eerst in het openbaar treden. Op twee of drie echte anti-fascisten na zijn het mannen zonder overtuiging, een paar meelopers die bang zijn voor het verlies van hun functie, een stel baantjesjagers en vooral hongerlijders die graag eens een vol bord willen zien. (…) Grote en kleine partijgenoten van Adolf Hitler duiken vlug in de nieuwe beweging onder, uit angst voor vervolging. Diegenen, die werkelijk iets te vrezen hebben, omdat bepaalde ‘oorlogshandelingen’ van hen door de sowjets wel eens als misdaden uitgelegd konden worden, verdwijnen zo onopvallend mogelijk in de Antifa en brengen het daar tot een nog roemrijker bestaan dan onder Hitler. Geheel vrijwillig en openlijk komen de fanatieke liefhebbers van politiek in al haar vormen; met beide handen grijpen zij de kans aan, weer aan politiek te kunnen doen. Zij ontdekken ogenblikkelijk de verwantschap tussen nationaal-socialisme en communisme en worden in hun nieuwe clubverband even radicaal als in het oude.” En dat allemaal – wat ook de meest voor de hand liggende reden is waarom het hoofdpersonage niét meegaat in het verhaal (naast het feit dat de oorlog nog niet voorbij is en dat hij ook een eed als militair heeft afgelegd) – onder auspiciën van de Sovjets, die, wat niemand onbekend is, toch óók geen democraten zijn. Geen Freies Deutschland (de organisatie die van het naoorlogse Duitsland zogezegd een ‘antifascistische’ staat gaat maken) dus voor Wisse, maar ook geen Bund Deutscher Offiziere, zogezegd onafhankelijk van de Sovjets opgericht met de bedoeling een, uiteraard óók tegen Hitler zijnd, alternatief te vormen voor wie zich niet bij Freies Deutschland wil aansluiten. Een frontorganisatie dus, een gevel, zeg maar, die – al heeft Wöss het daar verder niet over – al zeer snel na de oprichting in de praktijk opgenomen werd ín dat Freies Deutschland.

Best een interessant deel van wat zonder meer een ooggetuigenverslag mag genoemd worden, zeker omdat dat een geschiedenis is waarover zelden verhaald wordt, maar om nu, mét de achterflap, te zeggen dat deze “roman (…) zo indringend is (…) dat men het relaas van Fritz Wöss nooit meer zal kunnen vergeten”, sterker nog, dat deze “roman (…) een bezit is voor het leven, waard om vele malen herlezen te worden”, nee, dat is overdreven. Als u hem ergens kan lenen, dan moet u dat beslist doen, maar één keer lezen zal wel genoeg zijn.

Björn Roose

maandag 7 september 2026

“Ik ben een gematigd man.” – Louis Tobback (boekbespreking door Björn Roose)

“Ik ben een gematigd man.” – Louis Tobback (boekbespreking door Björn Roose)
Mijn trouwe lezers – waaronder u (ja, u daar!) zich uiteraard bevindt of toch minstens wenst te bevinden – weten dat ik tijdens mijn buitenlandse reizen altijd een voorraad aan dunnere boekjes meesleep. Ten eerste omdat ik mínder lees tijdens mijn reizen dan als ik thuis ben, ten tweede omdat ik dan bij thuiskomst een hele hoop ‘makkelijkere’ besprekingen kan schrijven tussen het ‘zwaardere’ werk in. Die boekjes waren de voorbije jaren haast zonder uitzondering in het genre van de fictie te vinden en dat zou ook bij de Italiëreis van 2026 zo geweest zijn als ik op de laatste dag voor vertrek niet wat tijd over had gehad om nog aan een ander boek te beginnen. Een ander ‘dun’ boek dus. En als het eerste boekje in die categorie dat me in handen viel niet voorliggend “Ik ben een gematigd man.” van Louis Tobback was geweest. Louis Tobback, zijnde (dat meld ik even voor wie niet met ‘s mans kop op de tv is opgegroeid) de vader van Bruno, óók een socialist, nog steeds (op zijn 88) een euro bijverdienend als provincieraadslid in Vlaams-Brabant, en voormalig gemeenteraadslid, schepen, burgemeester, volksvertegenwoordiger, fractievoorzitter in de Kamer, senator, Minister van Binnenlandse Zaken, Minister van Ambtenarenzaken, Minister van nog een paar andere zaken, vice-eersteminister, en partijvoorzitter. Een politiek boekje dus, zij het géén exemplaar dat geschreven is door de zogenaamde auteur ervan.

Niet echt eigenaardig dat een socialist mensen probeert te bedriegen (overigens geen eigenschap die in de politiek beperkt blijft tot die soort), maar goed, op de achterflap wordt zulks ook al meteen toegegeven: “Al duizend keer gehoord: zonde dat Louis Tobback niet schrijft. Ja, maar spreken doet hij wel, al een politiek leven lang. Hoe, dat staat hier voor het eerst te boek.” En hoe dit in 1989, uiteraard bij Uitgeverij Kritak, verschenen boekje van zo’n tachtig bladzijden tot stand gekomen is, mag u van míj weten: met medewerking van ene Jacky Huys (als ‘journalist’ voor De Morgen uiteraard altijd bereid hand-en-spandiensten aan de sossen te verkopen), maar voornamelijk van degenen die op Wikipedia aangeduid worden als zijn politieke kinderen, Frank ‘Steek dat geld in brand’ Vandenbroucke (die het Woord vooraf leverde en bij een andere gelegenheid beweerde dat er, wat toch wel raar is als je het laat in brand steken, “te weinig geld” was) en Johan ‘De keizer van Oostende’ Vande Lanotte, die Willy Claes’, excuseer, ‘Uw sociale zekerheid’ Tobback het boekje, dixit het colofon, aanboden “ter gelegenheid van zijn 51ste verjaardag”. Ongetwijfeld op kosten van de belastingbetaler, want zo gaat dat bij socialisten (en bij politici in het algemeen, trouwens).

Enfin, ik ben niet echt vriendelijk voor de zogenaamde auteur van dit boek en zijn kameraden (want dat zijn ze toch), maar da’s gewoon omdat ik me ingeleefd heb in het onderwerp. Dat onderwerp stond (en staat misschien) namelijk óók niet bekend als vriendelijk voor anderen. Tobback had simpelweg een groot bakkes, een vulgaire kwek, het luidste smoelwerk van Vlaanderen (wat overigens doorgaans voortreffelijk werd weergegeven door de cartoonisten die hem of zijn omgeving op de hak namen en in dit ‘cadeautje’ ook ruim vertegenwoordigd zijn), en bij de sossen wisten ze dat dat niet alleen goed verkocht aan ‘de werkman’ (toen toch nog), maar ook en vooral aan de schrijvelaars van Humo en De Morgen, wier citaten dan ook ruim vertegenwoordigd zijn in dit werkje dat verscheen toen Tobback nog maar net minister van vanalles was. Vandenbroucke heeft het in het al genoemde Woord vooraf dan wel over “een onvervalste kroniek (…) van alle geladen politieke momenten van de voorbije tien jaar”, “vlijmscherpe analyses”, “blijvende morele verontwaardiging”, en een “kruising van inzicht en ergernis”, maar eigenlijk zat iedereen die keek naar Tobback of vraaggesprekken met hem las simpelweg te wachten op wat hij deze keer weer aan oneliners uit zijn botten zou slaan.

De (oudere) lezer die hoopt nog eens een paar van die bon mots terug te vinden, zal in de hoofdstukken Tobback tussen aanhalingstekens (twee exemplaren), Kamer- en andere debatten, en het door de reeds genoemde Jacky Huys met hem gepleegde interview, ter zake zeker zijn goesting vinden (de ‘serieuzere’ hoofdstukken krijgt u er zomaar bij). Ook van het soort waaraan Tobback nu wellicht niet meer herinnerd wil worden, bijvoorbeeld dít uit een SOM-interview uit 1988: “Ik ga niet langer dan mijn 60, 65 blijven zitten in het werkelijke mandatarissenleven. Daarna ga ik misschien op een andere manier aan politiek doen, maar binnen 10-15 jaar is er ruimte voor de volgende generatie.” Of waar hij zelfs al een jaar of drie later wellicht liever niet meer aan herinnerd werd: “(…) Martens (…) denkt werkelijk dat hij de strontvlieg is die de paarden doet vooruitgaan (…) Is die vent onbekwaam of is het een vulgaire, cynische leugenaar? (…) Martens is een kwakzalver (…) Martens betekent het einde van de rechtsstaat.” Wat hij in een vraaggesprek (of meerdere vraaggesprekken, dat is niet duidelijk) met De Morgen zei in 1986, maar hem niet belette in 1988 onder Martens in een regering te gaan zitten en dan nog wel op de allerbelangrijkste posten daarin. “Als Martens nu het boegbeeld wil zijn van een beleid dat ik kan goedkeuren, dan is dat een beetje een vervelende situatie, dat geef ik graag toe”, wist hij daarover in dat jaar met De Morgen nog net te verklaren.

Wat nog niet wil zeggen dat Tobback niet af en toe gelijk had.

Bijvoorbeeld in een vraaggesprek met het communistische vod De Rode Vaan in 1984: “Er is inderdaad sprake van een politieke verknechting door de Verenigde Staten, én een economische en tot op zekere hoogte ook een culturele verknechting”. Je moest noch moet een communist zijn om dat in te zien.

Of in een interview met, alweer, De Morgen in 1986: “Er zijn 58 vluchtelingenkampen aan de Israëlische grenzen met meer dan 700.000 Palestijnse vluchtelingen. Bij de vluchtelingenorganisatie van de UNO zijn er 1,2 miljoen Palestijnse vluchtelingen geregistreerd. Als ik in 1948 in zo’n kamp geboren was en ik zie er mijn kinderen en kleinkinderen noodgedwongen opgroeien, ik zie de onbekwaamheid van al wie zich met het Midden-Oosten bezighoudt, dan zou ik ook terrorist zijn.”

Maar om dáárvoor een centimeter plaats in mijn kasten te blijven reserveren, lijkt me wat overdreven. Ik ben immers óók een gematigd man.

Björn Roose

vrijdag 4 september 2026

Ieder voor zich en god tegen allen – Herinneringen – Werner Herzog (boekbespreking door Björn Roose)

Ieder voor zich en god tegen allen – Herinneringen – Werner Herzog (boekbespreking door Björn Roose)
Toen ik aan dit boek begon, of beter: toen ik het leende uit de openbare bibliotheek (een mens heeft zelfs met een uitgebreide persoonlijke bibliotheek nooit alle boeken in huis die hij op een zeker moment in huis zou wíllen hebben), had ik van de auteur ervan, filmmaker (of, zoals Wikipedia het met veel meer woorden beschrijft: “filmregisseur, -producent, scenarioschrijver en acteur”) Werner Herzog, slechts één film gezien (dacht ik toch, want ik kwam er pas tijdens het lezen van dit boek achter dat Bad Lieutenant: Port of Call – New Orleans óók van hem was) en dat al een hele tijd geleden: Fitzcarraldo. Die film – met als centraal punt het over een berg slepen van een stoomboot, iets wat voor de opnames écht gedaan is, dus zonder gebruik te maken van speciale effecten, zo leerde ik uit dit boek - op zich zou een goede reden geweest zijn om deze autobiografie, want dat is Ieder voor zich en god tegen allen – Herinneringen, te lezen, maar toen ik die film zag was dit boek nog niet verschenen. Dat gebeurde pas in 2022 bij uitgeverij Carl Hanser Verlag GmbH & Co, waarna in datzelfde jaar de (niet altijd even correcte) Nederlandse vertaling verscheen bij De Arbeiderspers. En bovendien ben ik – eerlijk is eerlijk – toen ook niet op zoek gegaan naar een al dan niet bestaande (auto)biografie. De reden dat ik dat dit jaar (2026 dus, voor de latere lezers) wél deed, was het vorige boek dat ik las (en besprak): Verzamelde verhalen van Maarten ‘t Hart. Daarin zit namelijk een, eveneens autobiografisch, verhaal, getiteld Ongewenste zeereis, waarin de auteur uitgebreid kond doet van zijn avonturen met, inderdaad, Werner Herzog, met wie hij samenwerkte aan de film Nosferatu: Phantom der Nacht, en met wie hij zijn ontmoeting als volgt beschreef: “In de gang naderde een man die mij, ofschoon hij niet langer was dan ik, duidelijk de indruk gaf dat hij van de ‘schouders opwaarts groter was dan al het volk’, een man met die onmiskenbare vleug Christus in zijn gezicht, iets wat je, hoewel niemand weet hoe Christus eruit heeft gezien, toch zonder aarzeling vaststelt. Hij werd aan mij voorgesteld, Werner Herzog, en begon onmiddellijk te vertellen dat de ratten [waarvoor ‘t Hart zou instaan, noot van mij] ‘ausserordentlich wichtig’ voor hem waren en er kwam iets dramatisch in zijn stem, iets wat je de overtuiging schonk dat je hem moest helpen omdat het bijna een kwestie van leven en dood voor hem was. Toen ik later met hem, omdat hij mij het steegje wilde laten zien waarin het allemaal moest gebeuren, over de Delftse grachten liep, zei hij me, wijzend op de bomen waarvan het eerste groen de takken jeugdig maakte: ‘Ik moet nu eerst om technische redenen de opnamen maken die in de film helemaal aan het eind komen maar het probleem is dat over drie weken de bomen helemaal groen zijn. Als ik nu ga filmen, komt de lente in de film omgekeerd op het doek.’ (…) Ik kon het Herzog niet vertellen want m’n Duits was niet toereikend maar het feit dat hij met zoiets rekening hield nam mij nog meer voor hem in.” En mij dus ook, in ieder geval in de mate dat ik Ieder voor zich en god tegen allen – Herinneringen opzocht in de openbare bibliotheek en er ook die ene dvd-box meenam die ze er van hem hadden: een exemplaar met daarin eerder genoemd Fitzcarraldo, Aguirre (der Zorn Gottes), Kaspar Hauser (met de ondertitel die Herzog vervolgens gebruikte voor deze autobiografie, Jeder für sich und Gott gegen alle), en een documentaire óver Herzog. Een documentaire waaraan ik nog niet toegekomen ben (‘bingewatchen’ is nu eenmaal verre van mijn ding), maar in ieder geval drie films waar ik zeer van genoten heb en nog wel een paar keer wil van genieten (in het geval van Fitzcarraldo is dat dus ook na een tweede keer kijken niet veranderd), temeer omdat ik dingen gelezen heb in deze autobiografie die daar aanleiding toe geven. Waarmee Ieder voor zich en god tegen allen – Herinneringen ondanks zijn gebreken – een zeker gebrek aan chronologie, een zekere selectiviteit (de samenwerking met Maarten ‘t Hart komt er niet in voor en van Nosferatu wordt met moeite gesproken, om maar iets te noemen), het ook binnen de hoofdstukken van de hak op de tak springen, zaken die inderdáád eigen zijn aan herinneringen, maar minder aan een autobiografisch werk – in ieder geval bij mij iets heeft veroorzaakt wat ik na het lezen van andere (auto)biografieën van schrijvers of (beeldende) kunstenaars niet altijd heb: méér interesse voor hun eigenlijke werken.

En dat begint al van bij het Woord vooraf, waarin Herzog het heeft over het einde dat hij oorspronkelijk voorzien had voor Aguirre, der Zorn Gottes, en over “een onbevestigd verhaal over het einde van de historische Aguirre” (voor wiens persona Herzog zich overigens niet op de historische figuur baseerde, maar op John Okello, leider van de Revolutie van Zanzibar en naderhand nog een tijdje in het gezelschap vertoevend van Idi Amin Dada), dat uiteraard weer een ander is: “Ik weet zeker dat van alle alternatieven de film het mooiste slot heeft gekregen met de apen, maar ik vraag mij af hoeveel mogelijkheden, hoeveel niet-geleefde alternatieven ikzelf voortdurend heb gehad, niet alleen bij het bedenken van verhalen, maar ook in mijn leven zelf, zonder dat ze werkelijkheid werden of pas vele jaren later. (…) Waar heeft het noodlot iemand – mij – doen belanden? Hoe geeft het een leven telkens nieuwe wendingen? Veel, zie ik, is echter ook constant: een visioen dat mij nooit verlaten heeft, en als bij een goede soldaat ook het gevoel voor plicht, loyaliteit en moed. Ik heb altijd buitenposten willen behouden die door alle anderen al haastig waren verlaten.” Of Herzog ooit de Foundation-trilogie van Isaac Asimov heeft gelezen, weet ik niet, maar wie dat wél gedaan heeft, zal begrijpen dat ik aan het lezen van wat ná dat Woord vooraf kwam alleen al omwille van die “niet-geleefde alternatieven” en dat “altijd buitenposten willen behouden die door alle anderen al haastig waren verlaten” met meer dan genoegen begonnen ben.

Waaraan ik meteen toe kan voegen dat dat genoegen niet afgenomen is na het lezen van de eerste hoofdstukken, Sterren, de zee, El Alamein, Mythische helden, hoofdstukken die, zoals ook een aantal latere, voornamelijk handelen over de jeugd van Herzog (zoon van twee “betrekkelijk vroeg overtuigde nationaalsocialisten”, die evenwel ook betrekkelijk vroeg tot inzicht kwamen dat het nationaal-socialisme een dwaalweg was, zij het dat zijn vader “jarenlang verbitterd [was] dat Duitsland verslagen was en zich in West-Duitsland een Amerikaanse levensstijl verspreidde”), een hongerige jeugd beleefd en geleefd in de Beierse bergen (in en rond Sachrang, nog net binnen Duitsland en zo’n tien kilometer rechtsboven het Oostenrijkse Kufstein, een van de laatste niet door de geallieerden bezette enclaves waar ook de Werwolfgroeperingen zich probeerden samen te trekken) en (na de Tweede Wereldoorlog) in München, maar ook als visser op Kreta, als nachtdiensten draaiende puntlasser, als rodeorijder en smokkelaar in Mexico, en… als inspiratiebron voor een aantal van zijn latere films. Dat hij in 1974 een documentaire maakte (veel van zijn niet-documentaire films lijken overigens óók documentaires, wat ze bijzonder maakt) over de Zwitserse schansspringer Walter Steiner, Die grosse Ekstase des Bildschnitzers Steiner, heeft bijvoorbeeld alles te maken met het skiën en schansspringen dat hij zelf in zijn jeugd deed; dat Klaus Kinski in München in hetzelfde huis woonde, zal (ondanks het feit dat hij hem toen al, op zijn dertien, leerde kennen als een behoorlijk gestoord figuur) ongetwijfeld hebben bijgedragen tot het feit dat die als hoofdacteur in onder andere Aguirre en Fitzcarraldo optrad; dat hij op zijn dertien gefascineerd raakte door “een boek over grotschilderingen” zorgde ervoor dat hij in 2009 toestemming ging vragen aan de Franse minister van Cultuur Frédéric Mitterrand (neef van de voormalige president van die naam) om een documentaire, La Grotte des rêves perdus genaamd, te mogen draaien in de niet voor het publiek toegankelijke grot van Chauvet en die ook kreeg; dat hij aan het einde van zijn gymnasiumtijd nog eens naar Kreta trok en daar per toeval in het Dal van de Tienduizend Windmolens (het Lassithi Plateau) terechtkwam, speelde een rol in het scenario van Lebenszeichen (waarbij een “soldaat (…) bij de aanblik van de windmolens krankzinnig [wordt]”; dat hij parkeerwachter speelde op het Oktoberfest in München zorgde naderhand voor de inspiratie voor “de lege, zelfrijdende auto” in Auch Zwerge haben klein angefangen; dat hij vanaf Kreta verder trok naar Alexandrië, daarna naar Zuid-Soedan, en vervolgens doodziek net niet tot in Congo raakte, veroorzaakte in eerste instantie bijna zijn dood, maar leidde er ook toe dat hij in 1992 de Poolse schrijver Ryszard Kapuściński uitnodigde op de Viennale in Wenen en met hem een film probeerde op poten te zetten; dat hij ervan overtuigd was dat hij niet lang zou leven, leidde tot film maken tout court: “In mijn diepste wezen was ik er vast van overtuigd dat ik mijn achttiende levensjaar niet zou halen. Daarna leek het mij, toen ik nog altijd in leven die leeftijd had bereikt, uitgesloten dat ik ouder dan 25 zou worden. Als gevolg daarvan begon ik films te maken, waarbij ik ervan uit kon gaan dat ik verder niets meer tot stand zou brengen. Waarom niet de moed hebben om vormen te vinden die nooit hadden bestaan: Letzte Worte uit 1967, een korte film in het Nieuwgrieks, met zijn eindeloze dwangmatige herhalingen; Fata Morgana uit 1969, waarbij ik luchtspiegelingen in de Sahara heb gefilmd; materiaal als Auch Zwerge haben klein angefangen, uit 1970, waarschijnlijk mijn radicaalste film, waarin alle acteurs lilliputters zijn. Ik was me er ook van bewust dat ik – gelet op mijn nagenoeg volledige onwetendheid omtrent film – op mijn eigen manier zelf moest uitvinden wat film was.” Iets waar hij wonderwel in slaagde, al is er natuurlijk een wereld van verschil tussen, bijvoorbeeld, Auch Zwerge haben klein angefangen (hier te zien) en Bad Lieutenant: Port of Call – New Orleans wat techniek én – uiteraard – budget betreft.

Het budget, zijnde een probleem dat bijvoorbeeld ook nog meespeelde bij Aguirre, waarvoor hij een budget had van welgeteld 380.000 dollar, “een schertsbedrag voor een grote film die zich in het midden van de jungle in de zestiende eeuw afspeelde, met kostuums, geweren, lama’s en vlotten, en bovendien nog aan het begin meer dan vierhonderd figuranten, indianen uit het hoogland, die Quechua spraken. Als je de film vandaag bekijkt in termen van zijn production value, denk ik dat niemand in de hele filmindustrie het project zou aandurven met een budget van minder dan vijftig miljoen dollar. Er werd gefilmd op drie moeilijk bereikbare bovenlopen van de Amazone, verder was er een dolende en razende hoofdrolspeler in de vorm van Klaus Kinski. We verkeerden voortdurend in geldnood, de cashflow uit Duitsland werkte niet, de overschrijvingen waren vaak weken onderweg.” En dat waren verre van de enige problemen waar Herzog en zijn ploeg mee vochten tijdens de opnames van die film en andere. Toen hij Into the Inferno opnam, kreeg hij wel een filmvergunning in Noord-Korea, maar werd hij voortdurend “in de gaten gehouden door agenten van de geheime dienst” en speelde hij door een toevallige opname van iets dat volgens de overheid niet bestond (een soldaat die zich in uniform aan het amuseren was met een eveneens in uniform gestoken soldate) bijna niet alleen zijn vergunning, maar ook alle film kwijt die hij gedurende vier dagen gemaakt had. Toen de opnames van Fitzcarraldo ongeveer halverwege waren, werd hoofdacteur Jason Robards ernstig ziek, moest de rol van Mick Jagger (die de co-hoofdrol speelde) er uit geschreven worden, en diende de film – “dit keer met Klaus Kinski” – van meet af aan opnieuw opgenomen te worden (wat nog de minste van de rampen was die gebeurde: Herzog kreeg ten onrechte de wind van voren vanwege internationale media en mensenrechtenorganisaties, twee Cessna’s crashten, ze kregen te maken met gewapende overvallen van Amehuaca-indianen, een hand van cameraman Thomas Mauch spleet “tussen zijn onderste twee vingers tot aan zijn pols”, ze kregen “het zwaarste regenseizoen in 65 jaar te verduren”, de waterstanden waren de ene keer veel te hoog en de andere keer quasi onbestaande,…). Toen alles in gereedheid gebracht was voor de opnames van Lebenszeichen pleegden de kolonels hun staatsgreep in Griekenland en toen hij ondanks het intrekken van de vergunningen toch bleef filmen (en alleen een verbod kreeg om de havenpromenade van Kos te beschieten met vuurwerk), brak hoofdacteur Peter Brogle zijn hielbeen en kon die zich ook na “zes maanden ziekenhuis en rehabilitatie (…) alleen maar voortbewegen met een gecompliceerd loopapparaat dat aan zijn heup was verankerd”, waardoor alleen nog shots van boven de heup konden worden gemaakt, wat niet echt handig is als een personage een helling moet beklimmen. Toen Herzog tijdens de opnames van Gasherbrum, der leuchtende Berg “een beginnende hoogteziekte” opdeed bij een snelle klim van 5000 naar 6500 meter hoogte lieten de Spanjaarden waarmee hij het traject had afgelegd hem alleen terugkeren en kwam hij louter door de snelheid waarmee hij dat deed heelhuids over een onzichtbare gletsjerspleet heen. Toen de opnames van Cerro Torre: Schrei aus Stein zich vanwege het perfecte weer uiteindelijk konden verplaatsen naar de top van de berg zelf, sloeg dat weer razendsnel om van zodra Herzog en cameraman Stefan Glowacz boven op de berg waren, stak “een storm van zo’n 200 kilometer per uur [op] bij een temperatuur van 20 graden onder nul”, moesten ze zich met één ijspriem ingraven in de sneeuw, en het verder met een proviand bestaand uit twee chocoladerepen weten te redden voor vijfenvijftig uur. En Klaus Kinski was altijd een gevaar voor zijn omgeving – tijdens de opnames van Aguirre was het louter toeval dat hij niemand doodschoot -, maar de wederzijdse moordplannen tussen hem en Herzog “waren eerder groteske gestes, pantomines”, dixit die laatste.

Maar daarnaast weet Herzog – die als acteur in Brennendes Herz overigens alleen door een moment van intuïtie zijn ogen niet verloor – ook boeiend te vertellen over zijn werk aan opera-ensceneringen (vooral Wagner, maar bijvoorbeeld ook Verdi, Mozart en Rossini), How Much Wood Would a Woodchuck Chuck (een film over “het wereldkampioenschap voor veeveilingmeesters), plannen om “in het plaatsje North Pole in Alaska een oratorium en danstheaterstuk voor elfen [te] schrijven en daar uit [te] voeren”, documentaires gedraaid op death row, het idee om “een requiem te schrijven over de ergste tsunami in Noord-Italië” (de ramp met het stuwmeer van de Vajontdam in 1963, waarbij zo’n 2400 mensen omkwamen), Mike Tyson als kenner van de Frankische geschiedenis, een mogelijke speelfilm “over de tweelingzussen Freda en Greta Chaplin”, z’n eigen acteerwerk in films als Geschichten vom Kübelkind, Die andere Heimat, Incident at Loch Ness, The Grand, Julien Donkey-Boy, z’n stemmenwerk voor The Simpsons, de discus van Phaistos (zie Harry Mulisch’ De ontdekking van de hemel) enzovoort, enzoverder. Of over (meer) filosofische dingen als dit: “De waarheid moet niet met de feiten overeenstemmen. Het telefoonboek van Manhattan zou anders het Boek der Boeken zijn. Vier miljoen regels, allemaal feitelijk correct, allemaal verifieerbaar. Maar dat vertelt ons niets over een van de tientallen James Millers die erin staan. Zijn nummer en zijn adres zijn correct. Maar waarom ligt hij iedere nacht op zijn kussen te huilen? Alleen poëzie, alleen de bedenksels van dichters kunnen een diepere laag, een soort waarheid zichtbaar maken. Ik heb daarvoor het begrip ‘extatische waarheid’ gemunt. Om dat uit te leggen zou een heel eigen boek nodig zijn, daarom zal ik hier slechts een paar schetsmatige opmerkingen maken. Over deze vraag heb ik tot op heden wel de openbare strijd gezocht met de vertegenwoordigers van de zogenaamde cinéma vérité, die de waarheid voor het hele genre van de documentaire voor zich opeisen. Als maker van een film moet je volledig verdwijnen, je moet een vlieg op de muur zijn. Volgens deze opvatting zouden de camera’s in bankfilialen het voorbeeld van filmmaken zijn. Ik wil geen vlieg zijn, ik wil een horzel zijn die steekt. Cinéma vérité was een idee uit de jaren zestig van de vorige eeuw, haar huidige vertegenwoordigers noem ik slechts ‘boekhouders van de waarheid’.”

Alles bij elkaar een meer dan interessante autobiografie. Als ik ze ooit eens tegenkom in een kringwinkel zal ik ze ook graag aan mijn eigen bibliotheek toevoegen.

Björn Roose