maandag 19 oktober 2026

Baas en hond, een idylle – Thomas Mann (boekbespreking door Björn Roose)

Baas en hond, een idylle – Thomas Mann (boekbespreking door Björn Roose)
Vraag een lezer wat hij kent van Thomas Mann en u krijgt een antwoord met daarin De Buddenbrooks, De toverberg (oorspronkelijk Der Zauberberg), De dood in Venetië (Der Tod in Venedig), Felix Krull (voluit Bekentenissen van de oplichter Felix Krull), en daarna wellicht niks meer. Vraag een ‘fan’ van de auteur of hij nog méér boeken van hem kent en hij zal antwoorden dat (Char)Lotte in Weimar en Jozef en zijn broers (daterend uit 1933-1943, maar pas in 2014 in het Nederlands vertaald) eveneens de moeite waard zijn. Maar heeft hij wel eens Baas en hond, een idylle gelezen? Weinig kans. Nochtans trof ik, die van bovengenoemde boeken enkel Felix Krull gelezen heb en De Buddenbrooks en Dood in Venetië nog in mijn kasten zie staan, dit boekje (in de in 2013 bij Aspekt verschenen vertaling van Alfred Krans) aan in een kringwinkel en nam het – ondanks het feit dat mijn eigen teerbeminde viervoeter Burchard intussen al vele jaren dood is – daaruit mee en vervolgens op reis naar Italië, waar ik het las, en krijgt u er nu een boekbespreking van.

Op de Nederlandstalige Wikipedia wordt het boekje (in deze vertaling een kleine honderd bladzijden dik) genoemd in de bibliografie, maar meer ook niet. Op de Duitse versie is er een aparte pagina aan gewijd. Daaruit blijkt dat het verhaal, zo je het zo kan noemen, samen met Die vertauschten Köpfe (De verwisselde hoofden. Een Indische legende) de langste vertelling van Mann is, eerst (in november 1919) verscheen als privé-uitgave waarvan de opbrengst naar behoeftige schrijvers ging, geleid heeft tot een beeldengroep in Gmund am Tegernsee, en dat Bauschan, de hond waarvan sprake in de titel (en in de rest van het boek) het enige van schrijvers dieren is dat het tot protagonist in een van zijn verhalen heeft geschopt. Manns beide poedels, telkens voorzien van de naam Nico, die hij op hogere leeftijd hield, komen wel in zijn dagboeken voor, en minstens een van de twee verschijnt ook in een “Filmbericht” over de auteur, “literarisch sind sie aber nicht in Erscheinung getreten”. De bastaard die zo’n vier jaar in Manns villa in München woonde en in de winter van 1919-1920 overleed aan hondenziekte (CDV, iets waar tegenwoordig tegen gevaccineerd wordt) – ook in dit boek komt de hond in een dierenkliniek terecht, waar hij stante pede wegkwijnt, maar toch overleeft, ondanks het feit dat Mann hem er veel te lang in observatie laat terwijl de dierenarts niets vindt - werd dus vereeuwigd door de schrijver vóór hij het begaf (het boek was al ontstaan in 1918) en die schrijver deed dat goed. Meer nog, hij deed dat schitterend, zoals hij dat ook deed met de beschrijving van de mensen en de streek (het hoofdstuk Het jachtgebied, bijvoorbeeld, bestaat bijna uitsluitend uit een beschrijving van de omgeving en neemt toch zo’n drieëntwintig bladzijden in, zijnde een vierde van het geheel) waarin de idylle zich afspeelt: “Een innemend gedrongen vrouwtje met zwarte ogen, dat, bijgestaan door een stevig opgroeiende dochter, ook met zwarte ogen, in de buurt van Tölz een bergrestaurant bestiert, bracht voor ons de kennismaking met Bauschan tot stand en zijn aankoop. Dat is twee jaar geleden en hij was destijds een half jaar oud. Anastasia – zo heet de gastvrouw – wist wel, dat wij onze Percy, een Schotse herdershond en ongevaarlijk geesteszieke aristocraat, die op gevorderde leeftijd door een pijnlijke en misvormende huidziekte geteisterd werd, hadden moeten laten doodschieten en sinds jaar en dag een bewaker misten. Daarom deelde ze ons vanaf haar berg door de telefoon mee, dat er een hond, zoals we ons die slechts konden wensen, bij haar in de kost en in commissie was en te allen tijde was te bezichtigen.” De licht ironiserende stijl die Mann ook in Felix Krull hanteert, is meteen herkenbaar; dat de hond eigenlijk te laat van eigenaar gewisseld is, óók, als hij van bij de Manns op zijn eentje weer naar de “berg” is gaan lopen: “Er kwam een tijd, dat het duidelijk werd, dat hij de boerderij weliswaar uit zijn hoofd had gezet, maar bij ons ook nog niet helemaal wortel geschoten had, zodat hij in zijn ziel zonder baas en als een tuimelend blad in de wind was. Destijds moest men bij het wandelen scherp op hem letten, omdat hij er zeer toe neigde, de zwakke simpathetische band tussen hem en ons ongemerkt te verbreken en in de bossen te verdwijnen, waar hij zeker in een zelfstandig zwervend bestaan in de toestand van zijn wilde voorouders zou zijn teruggezonken. Onze zorg behoedde hem voor dit donkere noodlot, ze hield hem stevig op de hoge, door zijn geslacht in eeuwen bereikte trap van beschaving aan de zijde van de mensen en toen droeg een ingrijpende verandering van woonplaats, onze verhuizing naar de stad of voorstad, in één keer er veel toe bij, dat hij ondubbelzinnig op ons werd aangewezen en met onze huishouding stevig werd verbonden”. Dat is op een paar lijnen tijd aangeven hoe de hond ‘bestaat’, hoe zijn relatie tegenover mensen functioneert, wat ons als soorten van elkaar scheidt, en wat ons als soorten aan elkaar bindt. Dat is iets wat een schrijver als Mann zomaar uit zijn mouw lijkt te schudden, terwijl de gemiddelde gedragsbioloog er een half proefschrift voor nodig heeft. Dat is ook iets dat gevolgd wordt door hoe het leven verder verloopt voor de hond én voor zijn baas, want Bauschan wordt, een keer hij zich zo hecht aan de huishouding heeft verbonden duidelijk ook méér dan zomaar een vervanger van de vorige hond: “Zo werd hem dan het verblijf in de woonruimten van het huis en het samenzijn met mij, zo lang ik in huis was, principieel, hoewel er ook uitzonderingen waren, verboden; en hij begreep het verbod snel en voegde zich in het tegennatuurlijke, omdat dit nu eenmaal de ondoorgrondelijke wil van de baas en huisheer was. De verwijdering van mij, die vaak en vooral in de winter voor grote delen van de dag geldt, is slechts een verwijdering, geen echte scheiding en contactloosheid. Hij is niet bij me, op mijn bevel, maar dat is slechts de uitvoering van een bevel, een niet aanvaard bijmijzijn en van een zelfstandig leven van Bauschan, dat hij zonder mij tijdens deze uren voerde, kan niet worden gesproken. Ik zie wel door de glazen deur van mijn kamer, hoe hij op de kleine tuinweide voor het huis op een goedmoedige, onhandig boertige manier meedoet aan de spelletjes van de kinderen. Maar tussendoor komt hij voortdurend naar de deur, snuffelt, omdat hij mij door de vitrage aan de binnenkant niet kan zien, aan de kieren, om er zeker van te zijn, dat ik er ben en zit, met zijn rug naar de kamer gekeerd, op de trappen de wacht te houden. Ik zie hem ook wel vanaf mijn tafel op de verhoogde weg aan de overkant, tussen de oude espen, op een bedachtzaam sukkeldrafje zich voortbewegen, maar zulke promenades zijn slechts een lusteloos tijdverdrijf, zonder trots, geluk en leven en helemaal ondenkbaar blijft, dat Bauschan zich misschien op eigen gelegenheid aan het heerlijke jachtplezier zou kunnen overgeven, hoewel niemand hem daarin zou tegenhouden en mijn aanwezigheid, zoals zal blijken, daarvoor niet strikt noodzakelijk zou zijn.”

Schitterende observaties allemaal, de hond misschien enigszins verder verheffend dan hem als hond toekomt (maar daarmee niet anders doend dan zo goed als elke hondenbezitter), waar ook puur fysieke als de volgende niet voor moeten onderdoen: “Hij ligt een ogenblik met verdraaide ogen en als dood op zijn zij. Dan staat hij op, om zich uit te schudden. Hij schudt zich uit, zoals alleen hij zich kan uitschudden, zonder een hersenschudding te krijgen, hij schudt zich uit, dat het klapt en kletst, dat de oren hem onder zijn kin slaan en zijn lippen van de wit glanzende hoektanden vliegen.” Ik heb me tijdens het lezen niet echt een duidelijke fysieke voorstelling van Bauschan gemaakt, maar bij deze scène zie ik mijn golden retriever, alsof z’n vel gewoon los rond hem zat, exact diezelfde dingen doen, terwijl ik mijn retriever al sinds november 2017 niet meer in het echt iets heb zien doen (tenzij je pushing daisies als een activiteit post mortem zou willen beschouwen, natuurlijk).

En zo gaat dit boekje verder. Met dingen eigen aan Manns hond en dingen eigen aan elke hond. Het feit dat hij, omdat hij daartoe de vrijheid heeft gekregen, de schrijver afhaalt aan de tramhalte bijvoorbeeld, of het feit dat hij ook wel eens, zij het niet al te vaak, andere honden ontmoet: “Werkelijk hoort de ontmoeting buiten van twee honden, die elkaar niet kennen tot de pijnlijkste, spannendste en fataalste van alle denkbare gebeurtenissen; ze is van demonie en vreemdheid omgeven. Een gebondenheid heerst daar, die niet nader te omschrijven is; ze komen elkaar niet voorbij, het is een verschrikkelijke situatie.” Of het feit dat ze wel degelijk samen op jacht gaan, maar niet samen jagen: “De streek is rijk aan jaagbaar wild en wij jagen erop; dat wil zeggen: Bauschan jaagt erop en ik kijk toe. Op deze manier jagen wij: hazen, patrijzen, veldmuizen, mollen, eenden en meeuwen. Maar ook voor de hoge jacht schrikken we niet terug, we gaan ook op sluipjacht naar fazanten en zelfs naar een ree, als die, soms in de winter, wel eens in ons jachtgebied is verdwaald. Dat is dan een opwindend gezicht, als dat hoogbenige, licht gebouwde dier, geel tegen de sneeuw, met een hoog wippend wit achterste, voor de kleine, alle krachten verzamelende Bauschan weg vliegt – ik volg het voorval met de grootste deelneming en spanning. Niet, dat er daarbij iets zou uitkomen [alleen een muis heeft hij, zo blijkt later, wel eens opgegeten na hem gevangen te hebben, noot van mij]; dat is nog nooit gebeurd en zal ook nooit gebeuren. Maar het ontbreken van evidente resultaten vermindert noch Bauschans lust en hartstocht, noch doet het de geringste afbreuk aan mijn eigen plezier. We gaan op jacht om haar zelf, niet voor de buit, omwille van het nut en Bauschan is, zoals gezegd, het actieve deel. Van mij verwacht hij slechts morele bijstand, omdat hij een andere manier van samenwerken, een scherpere en zakelijker manier om de aangelegenheid aan te pakken, uit persoonlijke en directe ervaring niet kent.” Een “morele bijstand” die Mann uiteraard ook combineert met scherpe observatie: “(…) Bauschan zit de haas bijna op de hielen, hij is stil geworden, hij rent met op elkaar geklemde tanden, de directe geur drijft hem tot het uiterste op en – ‘nog eventjes, Bauschan!’ denk ik en zou ik willen roepen; ‘recht op je doel af en hou je kop erbij, let op de haak!’ Maar daar is de haak ook al, de tegenslag is er. De beslissende aanval gebeurde en op hetzelfde ogenblik is er ook een ruk, een kort, licht wegschieten van de haas, alsof je met je vingers knipt, in een rechte hoek op de looprichting en Bauschan schiet zijn achterste voorbij, schiet huilend, hulpeloos en remmend, zodat grind en stof omhoog vliegen, rechtuit en totdat hij tot stilstand gekomen is, van richting is veranderd, zich heeft omgekeerd en in de nieuwe richting op gang gekomen is, totdat, zeg ik, dit onder zielskwelling en jammerlijk gehuil is volbracht, heeft de haas een grote voorsprong in het kreupelhout gekregen, zijn vervolger heeft hem zelfs helemaal uit het oog verloren; want toen hij vertwijfeld remde kon hij niet zien, waar de ander naar toe ging. ‘Het is voor niets, het is mooi, maar tevergeefs,’ denk ik, terwijl de jacht in tegengestelde richting door het park verder gaat. ‘Er zouden verschillende honden moeten zijn, vijf of zes, een heel koppel. Andere honden zouden hem in de flank moeten lopen, hem van voren de weg afsnijden, hem tot staan brengen en hem de nekslag geven…’ En ik zie voor mijn opgewonden geestesoog een roedel bloedhonden verschijnen, die zich met de tongen uit de mond op de haas in hun midden storten.” En dan: “Ik denk en droom zo uit hartstocht voor de jacht, want wat heeft de haas mij gedaan, dat ik hem zo’n verschrikkelijk einde toewens? Weliswaar heb ik een nauwe relatie met Bauschan en is het vanzelfsprekend dat ik met hem mee voel en hem met mijn wensen begeleid; maar de haas is toch ook een warm levend wezen en heeft mijn jager niet uit kwaadwilligheid bedrogen, maar vanwege de dringende wens, nog een poosje aan zachte boomloten te kunnen knabbelen en zijns gelijken te verwekken.” Dat is eenvoudigweg mooi. Zelfs als dat de enige reden zou wezen, zou het nog steeds een goede zijn om dit boekje te lezen.

Björn Roose

vrijdag 16 oktober 2026

De misdaad van graaf Neville – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)

De misdaad van graaf Neville – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb er al bij verschillende besprekingen van werken van Amélie Nothomb op gewezen dat ze aan een dusdanig strak tempo schrijft dat ik, die alles tweedehands koop, nog niet meteen uitgekocht zal zijn wat háár boeken betreft (ik ben er helaas in tijden al geen meer tegengekomen), en dat ik ook nog geen enkel boek van haar heb gelezen dat aanleiding zou kunnen geven om te stoppen met dat aankopen. Van De hongerheldin (besproken in december 2020), over Zwavelzuur (augustus 2022), Met angst en beven (hérlezen en besproken in december 2022), Peplos (april 2024), De spiegel van Mercurius (november 2024), Antichrista (oktober 2025), tot Cosmetica van de vijand (april 2026): Nothomb heeft me telkens weer een ander thema voorgezet en me er (lezers kennen dat) bijna toe gedwongen het boek dat daaraan gewijd was in één trek uit te lezen. Iets wat ook nog kán omdat haar boeken zelden meer dan een goede honderd bladzijden dik zijn, maar dat ik nooit doe omdat het zo’n zonde is ze uit te hebben. Ter compensatie van dat feit probeer ik niet méér dan twee boeken van haar op een jaar te lezen (in het ene jaar lukt dat, zoals u uit bovenstaand rijtje kunt afleiden, makkelijker dan in het andere), waardoor ik met De misdaad van graaf Neville aan mijn rantsoen voor 2026 toe ben. Terwijl ook dit boek me weer honger heeft gegeven naar meer.

Het thema in het kort: verarmde graaf ziet geen andere oplossing meer dan zijn kasteel te verkopen en wil nog één keer een groot feest geven, maar komt vooraleer het zover is een waarzegster tegen die iets eigenaardigs voorspelt. Het thema zoals het op de achterflap staat, tussen de (wat mij betreft volkomen overbodige) aanbevelingen van Le Figaro, Lire, Elle, en (kennelijk bestaat dat) Madame Figaro (in Frankrijk kom je de boeken van Nothomb niet alleen in de boekhandels tegen, maar ook in elke supermarkt en elk tankstation, zo lijkt het): “Maak kennis met de tragiek van het gezin Neville: ze bezitten nog wel een adellijke titel, maar geen geld en moeten hun landgoed verkopen. Traditiegetrouw zullen ze nog eenmaal een tuinfeest geven. Maar als een waarzegster graaf Neville voorspelt dat hij op het feest een van zijn gasten zal vermoorden, komen de familieverhoudingen op scherp te staan. Zal de voorspelling uitkomen en de graaf als moordenaar de geschiedenis ingaan?”

Een thema dat wat betreft die adel (waarmee ze overigens een paar keer stevig de draak steekt in dit boek) de schrijfster ongetwijfeld bekend is. Ze komt zelf uit zo’n adel voort. Jean-Baptiste Nothomb (1805-1881) werd daardoor niet belet enig geweld te plegen tijdens de actieve dagen van de belgische opstand en vervolgens mee te schrijven aan de nieuwe grondwet; Alphonse Nothomb (1817-1898) ging van de katholieken naar de liberalen over ten gevolge van een standpunt voor meer algemeen kiesrecht; Pierre Nothomb, die in 1933 de erfelijke adelstand voor zijn familie binnen rijfde, raakte bevriend met Joris van Severen en pleitte na de Tweede Wereldoorlog voor een belgische aanhechting van Zeeuws-Vlaanderen, Nederlands Limburg, het Groothertogdom Luxemburg en (uiteraard) extra delen van Duitsland; Paul Nothomb (zoon van die laatste) werd communist, meldde zich voor de Internationale Brigades in de Spaanse Burgeroorlog, en ging tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet; Jean-François Nothomb (ook al een zoon van Pierre) ging óók in het verzet, maar na de oorlog in het dominicaner klooster van Saint-Maximin (Zuid-Frankrijk), van waaruit hij begin jaren 1960 uitgezonden werd naar Duisburg (waar hij behalve broeder ook arbeider in een fabriek werd), vervolgens naar Venezuela (waar hij onder de indianen actief was als missionaris), toen naar Michigan (waar hij werkte in een bejaardentehuis), en ten slotte, in 1974, naar Rome, waar hij als verbindingsman tussen de congregatie en de Romeinse Curie functioneerde, maar ook – op z’n zestigste – verliefd werd op een vijfentwintig jaar jongere Italiaanse, die hij bezwangerde, waarna hij z’n kap over de haag gooide en z’n brood ging verdienen met vertalingen; Charles-Ferdinand Nothomb volgde het hele politieke parcours, van gemeenteraadslid tot minister van Staat, en liep onderweg eigenlijk alleen maar enige averij op ten gevolge van een mislukte poging om crisis nummer zoveel rond bendeleider José Happart op te lossen; Patrick Nothomb, vader van Fabienne Claire (ofte Amélie) slaagde er in een hot topic te worden toen hij, tijdens de Congocrisis gevangen werd genomen door de rebellerende Simba’s, bewandelde vervolgens een diplomatiek pad in de luwte, maar trouwde wel met een Scheyven, een familie die sinds het overlopen van Jean Godefroid Hubert van Nederland naar belgië en de dankbaarheid die hij daarvoor langs belgische kant ondervond trouw de belgische staat heeft gediend en daarvoor ook al een erfelijke adellijke titel ontving; en Amélie, die mag zich behalve gevierd schrijfster ook jonkvrouw noemen, maar vertikte het toch maar mooi om de niet erfelijke titel ‘barones’ die ze in 2015 kreeg vanwege haar “verdiensten voor de Belgische literatuur” binnen de wettelijk voorziene termijn te aanvaarden (wat de vaderlandslievende pers kennelijk niet belet om haar toch als ‘barones’ aan te duiden).

Is dat alles, in het bijzonder het feit dat een groot deel van de genoemden toch iets gedaan heeft dat als ‘werken’ kan worden aangeduid, een teken dat de Nothombs ook als “verarmde adel” mogen beschouwd worden? Wel, de schrijfster aarzelt in ieder geval niet om dat fictief tot de mogelijkheden te laten behoren: “In die tijden van crisis deden bijna alle rechtschapen leden van de adelstand hun kasteel van de hand: de familie Kettenis had Merlemont verkocht, de familie Nothomb verkocht Pont d’Oye enzovoort.” Met dien verstande dat zulks in 2015, toen dit boek in het Frans (de oorspronkelijke taal) verscheen, nog niet gebeurd was en Amélie Nothomb ook over voorspellende gaven leek te beschikken: het kasteel dat Pierre Nothomb kocht in het jaar vóór hij geadeld werd, werd namelijk door kleinzoon Jean-Frédéric weer verkocht in 2019. Als troostprijs voor het feit dat er nu ‘chambres d’hôtes’ in zitten en het een evenementenlocatie is geworden, wordt zogenaamd het erfgoed van de Fondation Pierre Nothomb nog wel verdergezet in het kasteel, maar wetend dat de verkoop nodig was om belangrijke renovaties te kunnen financieren, maakt die verkoop wel duidelijk dat de familie in ieder geval niét meer rijk genoeg was om zich die te kunnen veroorloven.

En dan de rest van het thema: graaf Neville geeft ieder jaar op de eerste zondag van oktober een “befaamd tuinfeest” op het, wel degelijk fictieve, kasteel van Pluvier, “hét society-evenement van die uithoek van de Belgische Ardennen”, wat meteen ook de reden is dat hij – traditie, is het niet? – daar niet wil van afzien, zelfs als hij de voorspelling van de waarzegster serieus begint te nemen. Maar hoe komen die “familieverhoudingen op scherp te staan”? Wel, door het simpele feit dat de graaf dan wel niet al te sympathiek staat tegenover een aantal van de genodigden, maar toch niet de intentie heeft wie dan ook onder hen te doden. Tot zijn puberende dochter met een ideetje komt. Een ideetje waarrond de rest van het verhaal draait. Een ideetje dat ik u niet prijs ga geven omdat dat té veel van het verhaal zou onthullen, maar u mogelijk ook tot verkeerde, zeer voorbarige conclusies omtrent de uitkomst daarvan zou leiden, terwijl de lezer daarop toch moet wachten tot de allerlaatste bladzijde. Een allerlaatste bladzijde waaruit die lezer met wat ik eerder schreef eveneens zou kunnen afleiden dat de verkoop van Pont d’Oye ook al in 2015 besproken werd ten huize Nothomb.

Meer krijgt u van mij niet te horen, tenzij dan dat de titel van dit boek, De misdaad van graaf Neville, in het Frans Le crime du comte Neville (exact hetzelfde dus), gebaseerd is op een ander boek: “Plots herinnerde hij [graaf Neville dus, noot van mij] zich een verhaal van Oscar Wilde waarin een soortgelijke geschiedenis wordt verteld. In de bibliotheek van Pluvier was het zo’n bende dat het een wonder mocht heten als je er een boek terugvond. Neville ging liever naar de plaatselijke boekhandel. In de catalogus van de Folioreeks vond hij de titel van Oscar Wilde: Lord Arthur Savile’s Crime”, een titel die in het Nederlands door Siegfried van Malderen vertaald werd als De misdaad van lord Savile. In dát boek, dat u overigens hier online kan lezen (in een véél groter lettertype dan hetgeen dat gebruikt is in The Works of Oscar Wilde, de desondanks nog steeds meer dan negenhonderdvijftig bladzijden dik zijnde volledige werken uitgegeven bij Spring Books, die ik in mijn bezit heb), probeert de “lord” in kwestie vanwege een eendere voorspelling een paar keer een familielid te vermoorden. Iets wat graaf Neville als jongeman grappig had gevonden, maar “Nu drong de ernst van de zaak tot hem door”. Is dat een dwaalspoor dat Nothomb aanlegt voor de lezer? Een dwaalspoor inclusief het einde? Mogelijk. Waarschijnlijk zelfs. Want het einde dat Wilde aan zijn verhaal breidde, recycleren voor eigen gebruik is iets wat Nothomb zeker niet gedaan heeft. Waarmee wie het verhaal van Wilde heeft gelezen alvast weet hoe dat van Nothomb niét eindigt. En da’s toch ook al wat.

Björn Roose

maandag 12 oktober 2026

Tomate crevettes – Erik Vlaminck (boekbespreking door Björn Roose)

Tomate crevettes – Erik Vlaminck (boekbespreking door Björn Roose)
Nu de dunne boekjes van De Clauwaert v.z.w. in mijn bibliotheek allemaal gelezen zijn (of ik moest er ergens een gemist hebben) en voor het overgrote deel naar de zolder afgevoerd werden, iets waarvan mensen die mijn boekbesprekingen volgen doorheen de voorbije jaren van op afstand getuige geweest zijn, is het tijd geworden om op reis (want bij die gelegenheden lees ik die) andere dunne boekjes mee te nemen. Daarvan heb ik er namelijk ook nog wel, al zitten die dan voor de meerderheid in de non-fictie delen van mijn bibliotheek. Zo niet voorliggend Tomate crevettes van Erik Vlaminck. Dat zat wel degelijk in mijn kasten met fictie en verscheen in 1999 bij Wereldbibliotheek.

Wereldbibliotheek zijnde een uitgeverij waarbij ooit werk van onder andere Louis Couperus, Sigmund Freud, Johann Wolfgang von Goethe, Multatuli, Arthur Schopenhauer, Charles Dickens, en dergelijke auteurs meer is verschenen, dixit Wikipedia “een van de oudste uitgeverijen in Nederland (opgericht door Leo Simons in 1905)”, maar in 2014 overgenomen door Nieuw Amsterdam, in 2020 samen met uitgeverij Podium omgedoopt tot Park Uitgevers, en vervolgens als dusdanig deel geworden van de Lannoo Uitgevers Groep waarin onder andere ook Meulenhoff Boekerij en Unieboek/Het Spectrum opgenomen zijn. Wereldbibliotheek dat – zo vermeldt de uitleg vooraan in dit achtenveertig bladzijden dikke boekje – “een traditie [kent] van premie-uitgaven”, een “traditie” die in 1998 resulteerde in “de eenmalige uitgave van Alberto Moravia’s De villa van de vrijdag als geschenk voor bezoekers van Het andere boek” en in het jaar daarop in Tomate crevettes, een “traditie” die daarmee al vrij stevig uitgehold was aangezien de premie-uitgaven er oorspronkelijk waren voor de leden van de in 1925 ter ondersteuning van de uitgeverij opgerichte Wereldbibliotheek-Vereniging, mensen die uit dankbaarheid daarvoor korting kregen op uitgaven van de Wereldbibliotheek en een paar keer per jaar zo’n premie-uitgave, iets wat tweehonderddrieëndertig keer gebeurde (waarvan honderdzesenzeventig keer onder de vorm van een boekje) maar na 1986 ophield. Wat vooraan in dit boekje staat, is dus onzin, gezien de “traditie” bij het verschijnen ervan al dertien jaar wijlen was, maar goed, de auteur van het boekje, Erik Vlaminck, was in 1992 overgestapt naar Wereldbibliotheek als uitgever, wat ook verklaart waarom er achterin dit boekje samenvattingen van en stukken uit recensies over Quatertemperdagen (1992), Wolven huilen (1994), Stanny, een stil leven (1996), en De portrettentrekker (1998) staan en waarom de ‘wereld’ plotseling in Vlaanderen (Vlaminck is afkomstig uit Kapellen) te vinden was.

Nu doet dat er uiteraard niet zo heel erg veel toe, de ‘wereld’ is - al weet iedereen dat tomate crevettes, het gerecht dus, wel zeer typisch ‘belgisch’ is - ook wel een beetje te vinden in dit boekje. Erik Vlaminck lijkt namelijk sterk leentjebuur te hebben gespeeld bij enerzijds George Orwell, meer bepaald in diens Down and out in Paris and London (eigenaardig genoeg vertaald als Aan de grond in Londen en Parijs), en anderzijds Charles Bukowski (van wie ik eerder Warmwatermuziek en Kind onder kannibalen besprak). Een soort hard boiled verhaal over slapen in armenhuizen en op straat is daarvan het resultaat. Een resultaat dat absoluut niet slecht geschreven is, in tegendeel, maar waarvan ik, omdat ik voor de rest niks van Vlaminck gelezen heb, niet kan zeggen of de stijl eigen is aan de auteur of dat het een rip-off is die hij niet meer een veertigtal bladzijden weet vol te houden. Iets wat dan weer niet zo belangrijk zou zijn als ik geen weet had van de boeken van Orwell en Bukowski, maar dat nú dus wel is.

“Vroeger had ik mijn ogen maar te sluiten en ze waren er. Of ik het nu wilde of niet. Ik lag dan als verlamd op een bed en ze stonden naast me. Met spitse borsten. Of ze zaten in stoelen. Stoelen met leuningen en met kunstig gedraaide poten zoals er thuis in de beste kamer stonden. Op zulke stoelen zaten ze. Met de benen gespreid; hun knieholten rustten op de leuningen. Ze hadden steevast grijnzende, uitdagende gezichten. Met blinkende ogen. Met blinkende lippen. Ze streelden met lange vingers over hun geslacht. Openden het. Ze lachten mij uit omdat ik een stijve had”, kan dan als vrij choquerend overkomen als je niet veel gewoon bent, maar een keer je Bukowski gelezen hebt, komt dit over als het imitatieleder dat wellicht op die stoelen zit.

“Omdat ik geen schoenen meer had, heb ik bij het Community House aangeklopt. Een van de grootste problemen van een outcast zoals ik, is de schoenennood. Eten en kleren zijn in elke stad te vinden voor wie de stiel een beetje kent. Passende schoenen niet. En ik heb passende schoenen nodig want ik heb moeilijke voeten. Eelt, schimmels, kalknagels, eksterogen, over elkaar gegroeide tenen: ik heb het allemaal. Ik stond blijkbaar bij de laatsten in de rij toen God de voeten uitdeelde”, kan een stevige duik in de miserie lijken, maar het komt niet half zo echt over als wat Orwell over zijn jaren in de goot in Londen en Parijs geschreven heeft.

En bij Orwell noch Bukowski is er na vijfentwintig bladzijden in klein formaat zicht op een einde aan de ellende. Laat staan dat hun personages/zijzelf nog een paar bladzijden later weer thuis zijn, zij het dan nog niet helemaal uit de problemen. Een hebbedingetje om even snel te lezen, dit boekje, en dan weer door te schuiven naar iemand anders die een half uurtje vol te maken heeft. En dat wat op de achterflap staat, is dat dan slechts een lokkertje? Zegt “Bij de hoge schrijftafels likken lipstickwijven aan postzegels die ze met langenagelvingers op enveloppen kleven. Dear mother, dear father… Kerels met dassen en aktetassen lopen gejaagd door de hal. Alle postbeambten zijn grijs. Muisgrijs. En ik, ik heb dat prachtige repeteergeweer. Koel, glad en matglanzend. FN, made in Belgium.” dan niks over de inhoud? Nee. Tenzij dat het er ook toe behoort, natuurlijk. Een hardgekookt fantasietje in een verder ook al niet lichtgekookt wereldje.

Björn Roose

vrijdag 9 oktober 2026

Portret van Mary Sidney Herbert – Leen Kelchtermans (boekbespreking door Björn Roose)

Portret van Mary Sidney Herbert – Leen Kelchtermans (boekbespreking door Björn Roose)
Ik denk dat ik de intro ‘Wie mijn besprekingen volgt, hoef ik de reeks Phoebus Focus ongetwijfeld niet meer voor te stellen’ en variaties daarop al een flink aantal keren gebruikt heb aan het begin van een nieuwe boekbespreking, dus zal ik dat niet opnieuw doen, maar toch… Met Portret van Mary Sidney Herbert, ondertitel De kunst van het sterven, en het mooi oud worden, in de vroege zeventiende eeuw, ben ik al aan mijn – onvoorstelbaar, maar waar – veertigste bespreking van een in die serie verschenen boek toe. Een tweetal daarvan heb ik ooit langs een andere weg gekregen, maar alle andere, intussen achtendertig dus, bereikten me als bijlage bij OKV-magazine, iets wat, gezien het (voor mij toch) steeds minder interessant worden van dat blad, zo langzamerhand ook mijn belangrijkste reden geworden is om er op geabonneerd te blijven. Dat was zo vóór met nummer vier van de vierenzestigste jaargang het nummer XL van Phoebus Focus in mijn bus viel, dat zal wellicht ook volgend jaar zo blijven, en als dat niet zo zou zijn, dan zal dat liggen aan het feit dat er niet snel genoeg delen in de serie bijkomen om ze nog regelmatig als bijlage te kunnen geven, niet aan de kwaliteit van die bijlagen.

Ook het nummer veertig, van de hand van Leen Kelchtermans, die eerder al nummer drieëndertig (Portret van Johannes I Gansacker), nummer vijfentwintig (Heilige Begga), nummer achttien (Portret van Elisabeth Jordaens), nummer tien (Portret van een jonge vrouw – Minzame dames op hun mooist in de zeventiende eeuw), en nummer zeven (Overval op reizigers) voor haar rekening nam, is met zijn meer dan honderdveertig pagina’s immers weer om van te snoepen.

Vijfenzeventig bladzijden met foto’s, voor een niet onbelangrijk deel van het werk zelf uiteraard, maar dat laatste – in tegenstelling met wat ook in deze serie wel eens gebeurt – niet in die zin dat dat werk simpelweg telkens vanuit een andere hoek bekeken wordt, maar met de focus op de details waaraan ook in de tekst veel aandacht wordt besteed, details die niet zo hard opvallen als je een doek van bijna twee meter hoog op meer dan een meter breed gereproduceerd ziet op een formaat van eenentwintig op elf centimeter.

Op de tekstpagina’s is niet al te spaarzaam omgegaan met witruimte, maar het is toch wel duidelijk dat Leen Kelchtermans, niet voor niks - zoals de binnenflap aangeeft - “hoofd Onderzoek en Publicaties bij The Phoebus Foundation”, niet moest zoéken naar inspiratie, zelfs al is de schilder van het doek in kwestie onbekend gebleven. Behalve over het op het schilderij vereeuwigde onderwerp, Mary Sidney Herbert, “wife to Henry Earl of Pembrok / Daughter of Sr Henry Sydney” en nog zoveel meer, heeft ze het over haar “heldenbroer”, Royal Cupbearer, diplomaat, mecenas en schrijver Philip, over haar eigen mecenaat (gericht op het in leven houden van de gedachte aan genoemde broer, het verdedigen van de protestantse zaak, en vergroten van de naam en faam van haar dynastie), over de mate waarin vrouwen aan de bak kwamen als publicist (nauwelijks; “Mary [surfte] mee op de enorme golf van publieke waardering voor haar broer en kon zo naast zijn manuscripten ook haar eigen werk uitbrengen”), over troosttitels, over zeepbellen, maar ook over het Lege-nestsyndroom, Me-time in Spa (‘ons’ Spa, inderdaad), Bobelins, en een mogelijke liefdesaffaire (onder een titel waarvoor Kelchtermans teruggrijpt naar Roxy Music, Love is the drug, zoals ze met de titel van het eerste hoofdstuk, Something about Mary, verwijst naar de film There’s something about Mary), maar voornamelijk over alles wat te zien is op het schilderij (dat u hier zelf kan bekijken).

Laat ons immers wel wezen: wij gewone stervelingen kijken naar zo’n schilderij, zien een gezicht en een half décolleté te midden van een hoop kant en andersoortige kledij, letten misschien heel even op de achtergrond, maar missen het oog van een kenner om ons te wijzen op al die dingen in het schilderij die belangrijker zijn dan dat gezicht. Dingen die duidelijk maken dat Mary Sidney Herbert niet zomaar “de geschiedenis in [ging] als de belangrijkste, vrouwelijke literaire mecenas én schrijver van het vroegmoderne Engeland”, “iemand die de grenzen opzocht van wat het toen betekende om vrouw te zijn”, “maar ook iemand die doordrongen was van een thema dat echt speelde: de kunst van het sterven”: “Wat was een goede dood? Hoe kon je je daarop voorbereiden? En wat als je wel kon leven met de gedachte ooit te sterven, maar toch niet helemaal klaar was om oud te worden? Met alle rimpels, grijze haren en andere kwaaltjes die daarmee gepaard gaan?” Vragen die Mary zich wellicht echt stelde met ingang van haar Annus horribilis 1586: “Zelf was ze zwaar ziek en ei zo na dood geweest. Begin mei stierf haar vader en drie maanden later haar moeder. Nog geen twee maanden daarna overleed haar broer en literaire toeverlaat als een oorlogsheld. Ongetwijfeld deed dat Mary denken aan haar dochtertje Katherine. Het meisje stierf amper twee jaar eerder – overigens bijna dag op dag – op tragische wijze op 16 oktober 1584, een dag na haar derde verjaardag en enkele uren voordat Mary beviel van zoon Philip, die wellicht genoemd werd naar haar dierbare broer.” “De dood en de kunst van het goed sterven – ars moriendi in het Latijn – vormen dan ook een donkerrode draad doorheen haar werk”, onder andere haar vertaling van Excellent discours de la vie et de la mort van Philippe de Mornay, schrijft Kelchtermans, maar zijn ook alom tegenwoordig op haar portret (iets wat volgens Kelchtermans “nooit eerder werd opgemerkt”). Want laten zien wat je ‘waard’ was, was ook uitermate protestants: “Na een korte katholieke episode onder Queen Mary (1553-1558) herstelde Elisabeth I het protestantisme. Dat betekende: geen heiligen, geen relieken, geen vagevuur. De wachtkamer was immers niet nodig. God had vooraf al bepaald waar je ziel terecht zou komen: in heavenly heaven of horrible hell. Daardoor kon je je hemel niet verdienen, zoals de katholieken dachten, want God was niet op andere gedachten te brengen. Vroom leven én sterven was dus niet langer nodig om redding aan het einde van de rit te bekomen, maar om de ritwinst als het ware al te demonstreren.”

Een demonstratie die in dit geval door de houding van de geportretteerde naar een portret van Elisabeth I door Marcus I Gheeraerts zou verwijzen en door zijn achtergrond overduidelijk naar – en daar stappen we toch nog even weg van de kunst van het sterven – Antwerpen: “Aan de hand van het monumentale stadspanorama dat Jan Baptist Vrients in 1610 uitgaf in vier gravures, zijn” daarop namelijk “de karakteristieke torens van onder andere de Sint-Walburgis-, Onze-Lieve-Vrouwe- en Sint-Michielskerk gemakkelijk aan te wijzen”, en tevens “het Bierhoofd, de aanlegplaats met de voor zichzelf sprekende naam”. Maar zelfs de zeilschepen en roeiboten op die achtergrond kunnen al verwijzen naar “de aanvang van A Discourse of Life and Death, waarin ‘the Mariner rowes with all force to attayne the porte, and with a ioyfull crye salutes the descryed land: that the traveiler is never quiet nor content till he be at the ende of his voyage’”, aldus Kelchtermans. En da’s pas het begin. Mary Sidney Herbert wordt immers als weduwe geportretteerd, terwijl ze dat op het moment dat het schilderij gemaakt werd al meer dan een decennium was (en daar dus niet per se mee moest te koop lopen). “In tegenstelling [immers] tot het strikt zwart-witte kleurenpalet van de strenge Spaanse mode, was dat van de Engelse couturiers veel uitgebreider. De sobere tinten van Mary’s outfit – zwart, wit en grijs – verwijzen daarom wellicht naar rouw.” Of naar de trouw van de familie aan koningin Elisabeth I, natuurlijk, want zwart en wit waren toevallig ook haar lievelingskleuren.

Waarmee we het uiteraard nog maar over de basis hebben waarop al de decoratie te vinden is. Een “adembenemend lijfje”, bijvoorbeeld, waarop net zoals “op het kussen voor en op het gordijn achter haar gestileerde granaatappels werden aangebracht”, “een populair motief” dat “ook – naast vruchtbaarheid en schoonheid – het eeuwige leven door verrijzenis [symboliseerde]”. Of de parels die her en der te vinden zijn, “cadeautjes van de zee (…) [die] bovendien voor kuisheid [stonden], wat in het geval van een weduwe (normaliter) wel toepasselijk was”. Of de trouwring aan de “verkeerde” hand, mogelijk gegraveerd met niet alleen de initialen van het koppel, maar ook met een “motief dat verwijst naar de dood”. Als het al geen echte “memento mori-ring” was: “Doorgaans ging het om gouden ringen met motieven als zandlopers, schedels, skeletten en doodskisten in wit of zwart email. Aan de binnenzijde waren ze gegraveerd met al dan niet de naam of initialen van de overledene, de sterfdatum en steevast de tekst memento mori, Latijn voor ‘denk eraan dat je zal sterven’, of een variant daarop.” Minstens één zo’n ring draagt de geportretteerde in ieder geval aan haar linkerhand, waar “op de kanten boord over haar mouw met een vierkante diamanten speld een zwart touwtje in grote lussen bevestigd [is]. Hoewel het kostbare sieraad opvalt, steelt de opmerkelijke – ook door de schilder herwerkte – grillige vorm van het vastgespelde draadje de aandacht. De vele al aangehaalde connecties met rouw en dood op Mary’s portret maken het goed mogelijk dat het gaat om een lint van mensenhaar.” “Dat was niet uitzonderlijk”, dixit Kelchtermans, “Met dit bijzondere materiaal werden zelfs hele kantwerkjes vervaardigd”. En “Haar was de te gedenken persoon zelf, geen afbeelding. Hoewel ietwat luguber, is dat de kracht ervan. Het haar fungeerde als houvast, herinnering, talisman, kortom, als iets om te koesteren.”, in die mate zelfs dat juwelen en andere aandenkens gemaakt met of van het haar van een geliefde een regelrechte hype werden in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw. Of dat ook zo was in Vlaanderen, vermeldt de auteur niet, maar wel dat behalve het kant “rondom Mary’s hoofd, hals en polsen” wellicht ook het zakhorloge in haar rechterhand van bij ons kwam. En dat ook dit weer een memento mori is: “Mary’s horloge wijst kwart voor drie aan. Het kan bijna niet anders – gezien de vele betekenisvolle details die ze in haar portret liet verwerken – dat dit tijdstip verwijst naar Magere Heins doortocht bij een van haar familieleden.” Enfin – bad pun intended - Portret van Mary Sidney Herbert is een zeer interessant en leerzaam boekje. Ik denk niet dat ik na het lezen van dit nummer veertig in de serie Phoebus Focus nog zonder aandacht voor details langs een dergelijk portret zal lopen. Ook als die details niét noodzakelijk rond de dood draaien.

Björn Roose

maandag 5 oktober 2026

Het land van de dwazen – Karel Van Isacker (boekbespreking door Björn Roose)

Het land van de dwazen – Karel Van Isacker (boekbespreking door Björn Roose)
Het is uiteraard mogelijk dat de naam Karel Van Isacker u iets zegt, maar als u ze van mijn boekbesprekingen heeft, dan ligt dat aan zijn broer Frans. Van die laatste besprak ik namelijk in juni van dit jaar (2026, voor wie met een tram later arriveert) de boeken De wereld verandert en Maar er is een uitweg, en tijdens de bespreking van het eerste deel van dat tweeluik, De wereld verandert dus, viel ook de naam van Karel, met name in de eerste paragraaf:

“Verschillen zijn belangrijk. Misschien niet zo belangrijk als gelijkenissen, maar toch. Zo is er een gelijkenis tussen Frans van Isacker en Karel van Isacker. Hun familienaam, inderdaad, maar ook hun afkomst: beiden waren zonen van Philip van Isacker. Beiden waren ook Vlaamsgezind (net als hun vader), en beiden ontplooiden enige activiteit als schrijver. Van Karel van Isacker heb ik Het land van de dwazen, De zaak Irma Laplasse – Stukken voor een dossier, Herderlijke brieven over politiek 1830/1966, en Ontwijding in mijn kasten zitten; van Frans van Isacker Posthume wandeling, Kortstondige onthoofding, Averechts verloop: Kroniek van een meedogenloze eeuw, Vijftig aan de wand, voorliggend De wereld verandert, en, ten slotte, Maar er is een uitweg.”

Het genoemde Het land van de dwazen heb ik ‘nu’, ‘t is te zeggen tijdens mijn in augustus ondernomen reis naar en in Italië, dus gelezen. Het land van de dwazen zijnde technisch gesproken een boek, of toch boekje, maar eigenlijk een pamflet. Een pamflet in grote letter, op net iets meer dan dertig bladzijden, en minstens zes drukken (want mijn exemplaar maakt deel uit van de zesde druk) beleefd hebbende bij Uitgeverij De Nederlandsche Boekhandel. Zes drukken? Voor een pamflet? Dan moet dat toch razend interessant geweest zijn? Misschien wel, maar een druk zegt ter zake niets, tenzij je ook mag vernemen hoeveel boeken er in elke druk zaten. En dát is info die de koper/lezer van dit boekje niet meekrijgt, in tegenstelling tot de poging tot verkorte weergave op de achterflap: “Het land van de dwazen, dat is het land waar de natuur stelselmatig wordt vernield, waar schoonheid en oorspronkelijkheid worden opgeofferd aan de welvaart; het land met de vergiftigde lucht, met het lawaai en de stank van de steden, met het vernielde landschap… Het land van de dwazen, dat is het land waar men het normaal vindt acht uur per dag, vier vijfden van het leven, weg te gooien aan een zinloos werk dat de mensen leeg maakt en verstikt; het land waar men in ruil voor een salaris graag zijn ziel en zijn vrijheid prijsgeeft…”

Een uniek land, klaarblijkelijk, want dit boekje heeft per slot van rekening niet de titel ‘De landen van de dwazen’ of iets dergelijks meegekregen. Een land ook waarvan je zou kunnen vermoeden dat het bijna zevenenzestig jaar na publicatie van de eerste druk van dit boekje (gedateerd op december 1969) toch wel helemáál naar de vaantjes zou zijn. Een land dat het desondanks lang genoeg gered heeft om me toe te laten er op dit moment nog een boekbespreking in te schrijven.

Ja, goed, dit “essay” – dat is althans hoe dit pamflet op de achterflap genoemd wordt – is “niet bedoeld (…) als een bittere, negatieve kritiek” en het “richt [zich] tot de mensen van goede wil, die de dwaasheid nog kunnen zien en durven geloven dat het mogelijk is anders te leven”, maar “de vraag waarmee onvermijdelijk de jonge generatie”, die van mei ‘68 met andere woorden, “in haar rijpe jaren zal geconfronteerd worden, indien wij de weg der verdwazing blijven volgen”, zijnde of “er nog een ander perspectief over[blijft] dan het angstige dilemma: de ondergang van de wereld der techniek in de katastrofe van een atoomoorlog, of de verknechting van het totalitaire communisme”, die de auteur zich op de laatste bladzijde van het boek stelt, is inmiddels al door een paar generaties verder te beantwoorden, en hoewel de kans op een atoomoorlog en totalitair communisme nog steeds reëel blijft (in de eerste plaats in Europa en wel op instigatie van de ‘democraten’ – “door het bedrieglijke woord democratie blijft de schijn bewaard van een openbaar leven, geregeld met onze instemming en volgens onze wil”, dixit Van Isacker - die ons daar zogezegd tegen zouden willen beschermen), lijkt op z’n minst de keuze tussen beide van het menu verdwenen: geef eurocraten en Navo-zeloten een kans en ze schotelen u een, ons uiteraard door de hele wereld benijde, combinatie van beide voor. Een lichte hyperbool van mijnentwege, ik geef het toe, maar nog niet half zo hyperbolisch als wat Van Isacker allemaal in zijn “essay” neerschrijft.

Ja, er zijn jobs waarvan het enige doel lijkt te zijn de staat rijker te maken (doordat de staat zestig procent van het loon inpikt) of daar een min of meer aanvaardbare reden voor te hebben (ambtenaren waarvan het loon óók weer voor zestig procent door de staat wordt ingepikt), maar om nu te zeggen dat werkmensen “worden opgezogen door de kantoren en fabrieken”, om daar “zinloze dingen” te doen zoals “schrijven en rekenen, en (…) de papieren massa’s [vermenigvuldigen] waarmee de bureaucratie over het leven heerst”, “achter loketten [zitten]”, “stempels [slaan] (…) kaartjes [knippen]”, “bouwen en sjouwen en (…) als automaten aan de band [staan]”, is misschien net iets te deprimerend samengevat om nog correct te wezen. Iets wat allicht ook “de provo’s, de beatniks, de hippies en de hele fauna van de jeugd in verzet” die volgens Van Isacker toen gelijk hadden, intussen hebben ingezien: “Liever breken met een maatschappij die uitsluitend bedacht is op geld en prestige, dan zichzelf prijs te geven. Liever breken met het bourgeoisbestaan in appartementen zonder geest, te midden van bezittingen die de mens armer maken. Liever breken met een stelsel dat berust op de consumptie van de massa en tiert naarmate het publiek het smaken verleert en als vee naar de aankoop van het bestgeprezen standaardartikel wordt gedreven. Liever alles afwijzen en bezitloos zijn, maar vrij en waarachtig, werkend als het zin heeft en de zelfgekozen weg volgend, samen met al wie het prijsgeven van zichzelf als het ergste kwaad beschouwen. Liever in de ban leven, dan enig aandeel te hebben in de roofbouw op de zelfstandigheid”, klonk kennelijk goed zolang iedereen die naar de woorden luisterde (of ze las) high was, maar al snel daarna viel de klank weg, en nog een paar decennia later bestaat de hoogste ‘vrijheid’ er klaarblijkelijk in je zelf- of zelfs door een ander verzonnen gender te kunnen ‘beleven’ mét alle mogelijke luxe-artikelen bij de hand, waarbij het feit dat omstaanders constateren dat de koning in z’n blootje rondloopt uiteraard de fout van die omstaanders is, en het feit dat de wereld ook zevenenzestig jaar na het voor het eerst verschijnen van dit boekje nog steeds op den hond zijn ellebogen trekt de fout is van de volwassenen die het probleem nu ook maar moeten oplossen, wat toch weer eens wat anders is dan “breken met een stelsel” of “alles afwijzen en bezitloos zijn”.

En ja, “De mensen zijn ook aan zoveel gewoon geraakt. De bruutste beelden over de wereldnood, door de televisie in de woonkamer gebracht, bekijken zij met dezelfde onaandachtzaamheid als een toneel op de vismarkt of de drukdoenerij van ministers op reis naar een conferentie. Een jaar geleden kregen wij een uitzonderlijke kluif: het verhaal van een Nigeriaanse militair die een gevangene uit Biafra afslachtte. Een cameraman had de gebeurtenis rustig gefilmd, zodat men alles kon meeleven”, zal eind de jaren 1960 als heel wat geklonken hebben, maar intussen zijn we in een wereld terechtgekomen waarin iederéén cameraman kan spelen, waarin we zelfs de fase van het benoemen van geweld als ‘zinloos’ voorbij zijn, en waarin het nog nauwelijks mogelijk is een onderscheid te maken tussen kunstmatig gecreëerde beelden en echte (uiteraard veelal door degene die ze publiceert verknipte) beelden, waardoor we zélfs als we niet aan “zoveel gewoon geraakt” zouden zijn geen andere keuze meer hebben dan ofwel dat soort beelden negeren ofwel ze voor potentieel vals houden.

En ja, “Vlak buiten Antwerpen was de polder twintig jaar geleden nog ongerept”, maar het is er ondanks het gelamenteer van Van Isacker alleen maar gerepter op geworden. En waar het er niet gerepter uitziet, daar bedriegen je ogen je. ‘Containernatuur’, zoals Johan De Vriendt, auteur van Heimweeën, het zou noemen, is namelijk alles behalve natuurlijk en dient vooral contained te blijven.

En ja, nog steeds trekken “miljoenen vakantiegangers” naar allemaal dezelfde plekken op de wereld – tegenwoordig gelukkig (voor mij) vaker met het vliegtuig dan met de auto – en “zoeken zij [bezeten] de plaatsen waar de massa het dichtst opeenligt”, maar ik mag er niet aan denken dat ze met z’n allen, daar al dan niet toe aangezet door een of ander influencer die zelfs het eten van een gebakje met op de achtergrond een of andere berg tot een hype weet te maken, naar die plekken zouden trekken waar ik, niet echt bezeten door de drang te gaan waar iedereen gaat, mij heen begeef.

En ja, mogelijk “is de diepste eenzaamheid van de mens in deze tijd: het uitblijven van een antwoord op de vele vragen, het zwijgen of het verraad van de instituten die hem geloof en hoop moeten geven, en de onmogelijkheid, hierdoor, de lot- en geestgenoten terug te vinden”, maar wie daarnaar op zoek is, zou ik het lezen van boeken aanraden. Van véél boeken. Van veel onderling tegenstrijdige, en daardoor dikwijls bij mekaar aansluitende, boeken. Maar niet noodzakelijk van deze klaagzang van Karel Van Isacker.

Björn Roose

vrijdag 2 oktober 2026

Kind onder kannibalen – Charles Bukowski (boekbespreking door Björn Roose)

Kind onder kannibalen – Charles Bukowski (boekbespreking door Björn Roose)
In mijn bespreking van Warmwatermuziek, het vorige boek dat ik (al begin 2023) van Charles Bukowski las, wist ik al te vertellen dat ik eerder van de auteur Kind onder kannibalen had aangetroffen bij een of andere kringwinkel en dat Warmwatermuziek zeker een aanbeveling was om naar andere boeken van de auteur op zoek te gaan. Dat laatste is tot nog toe een mission failed geweest: ik ga voortdurend op zoek naar boeken (aan een zacht prijsje), maar heb er in de bijna vier jaar die intussen verstreken zijn geen meer aangetroffen van Bukowski. Maar ik heb nú dan toch, zoals u al kon afleiden uit het feit dat u deze bespreking aan het lezen bent, Kind onder kannibalen gelezen, en dat is me eveneens zeer goed bevallen.

U kon in wat ik eerder schreef over Warmwatermuziek al lezen dat Herman Brusselmans enige aanknopingspunten had bij Bukowski – voor het fijne daarvan leest u die bespreking maar eens (opnieuw) – en dat Bukowski bekend staat omwille van z’n harde, directe stijl en het feit dat hij schreef (hij overleed in 1994 op zijn 74ste) over de onderkant van de Amerikaanse maatschappij, een onderkant waar hij zelf grote delen van zijn leven doorbracht. En dat is ook wat hij doet in Kind onder kannibalen, met dat verschil dat Kind onder kannibalen helemáál autobiografisch is (hoofdpersoon Henry ‘Hank’ Chinaski ís Charles Bukowski) en dat het over zijn kinder- en jeugdjaren gaat: de hoofdstukken zijn titelloos, maar het hoofdstuk met nummer 1 begint met zijn eerste bewuste ervaring (of toch de eerste ervaring die hij zich herinnert, het bekijken van de wereld van onder een tafel toen hij een jaar of twee oud was), en het hoofdstuk met nummer 58 (het laatste dus) eindigt (bijna) met het vertrek van zijn vriend Robert Becker (werkelijke naam Robert Baun) – “Mijn verhalen waren somberder dan die van Becker, vreemder, maar ze hadden niets. Nou ja, een paar hadden wel wat – voor mij tenminste – maar het was eigenlijk alsof ze zelf de goede vorm gevonden hadden in plaats van dat ik ze daarin had gegoten. Becker was stukken beter. Misschien moest ik maar gaan schilderen.” - die na de Japanse aanval op Pearl Harbor (december 1941) opgeroepen wordt om ten strijde te trekken.

De lezer krijgt dus brokstukken uit het jonge leven van Bukowski voorgeschoteld, vanaf zijn ongeveer twee jaar tot zijn eenentwintigste, brokstukken die weliswaar óók in een ‘harde, directe stijl’ geschreven zijn en zich eveneens aan de onderkant van de maatschappij afspelen, geschreven door de volwassen Bukowski (het boek verscheen onder de titel Ham on Rye pas in 1982), maar toch is dit boek anders dan Warmwatermuziek. Minder grof, nog weemoediger, iets milder misschien voor zichzelf en voor de wereld, soit, het soort beeld dat een mens krijgt als hij kijkt naar zijn leven, hoe miserabel het ook geweest is, van op de afstand die meer dan veertig jaar tijd onvermijdelijk gecreëerd heeft.

Laat dat u echter niet tot de veronderstelling leiden dat Kind onder kannibalen (los van de eerste literaire verwijzingen, die je bij een schrijver uiteraard mag verwachten en ook van Bukowski krijgt) toch wel zo’n beetje jeugdherinneringen als andere zullen zijn, maar dan misschien nog wat armoediger dan andere. Ten eerste omdat de onderkant van de Amerikaanse maatschappij, toen en nu, nog een heel stuk onder de onderkant van de gemiddelde Europese maatschappij ligt (waarbij zulks geen waardeoordeel inhoudt, maar louter de bevestiging van het feit dat waar de bovenkant hoger kan liggen de onderkant dat óók kan). Ten tweede omdat arm zijn gepaard kán gaan met een hele hoop andere dingen, zoals criminaliteit, (familiaal) geweld, alcoholisme, schoolverlaten, of een slechte gezondheid, allemaal dingen die óók kunnen gepaard gaan met rijker zijn, maar door dat rijker zijn mogelijk in enige mate gecompenseerd worden, terwijl ze armoede erger maken. En bij Bukowski kwam het allemáál voor. Zijn vader dronk niet, maar “had twee broers. De jongste heette Ben en de oudste heette John. Het waren allebei alcoholisten en nietsnutten.” Wat van zijn vader niet kon gezegd worden. Die was wel heel lang werkloos, maar ook dan bleef hij iets zijn, met name gewelddadig: “Hij was één meter vijfentachtig, een boom van een vent. Alles verdween op slag, de stoel waarin ik zat, het behang, de muren, al mijn gedachten. Hij was de duisternis die de zon bedekte, het gewelddadige in hem deed alles in het niet verdwijnen. Hij was een en al neus, oor en mond, ik kon niet naar zijn ogen kijken, ik zag alleen zijn rode boze gezicht.” En de scheerriem waarmee hij hem sloeg. Tot de dag dat het effect van die om de haverklap gegeven ‘straf’ uitgewerkt was: “Hij sloeg me weer. Maar er kwamen geen tranen. Mijn ogen waren eigenaardig droog. Ik dacht over hem vermoorden. Dat er een manier moest zijn om hem te vermoorden. Over een paar jaar zou ik hem dood kunnen slaan. Maar ik wilde hem nu dood hebben. Hij was een nul. Ik was vast geadopteerd. Hij sloeg me weer. De pijn was er nog steeds maar de angst ervoor was weg. Weer kwam de riem neer. De kamer was niet langer wazig. Ik zag alles scherp. Mijn vader scheen de verandering in me te merken en hij begon harder te ranselen, keer op keer, maar hoe meer hij me sloeg, hoe minder ik voelde. Het leek haast of hij degene was die er hulpeloos bij stond. Er was iets gebeurd, iets was veranderd. Mijn vader hield op, buiten adem, en ik hoorde hem de riem ophangen. Hij liep naar de deur. Ik draaide me om. ‘Hé,’ zei ik. Mijn vader draaide zich om. ‘Geef me nog een paar van hetzelfde,’ zei ik tegen hem, ‘als je je daar beter bij voelt.’ ‘Heb het lef niet om zo tegen me te praten!’ zei hij. Ik bekeek hem. Ik zag de vleesplooien onder zijn kin en in zijn nek. Ik zag zielige rimpels en kloven. Zijn gezicht was dofroze stopverf. Hij had een hangbuik en was in zijn hemd, dat kreukte door zijn pens. De ogen waren niet langer fel. Zijn ogen keken weg en durfden de mijne niet te kruisen. Er was iets gebeurd. De handdoeken wisten het, de badkuip en de wc wisten het. Mijn vader draaide zich om en liep naar buiten. Hij wist het. Dit was mijn laatste pak ransel geweest. Van hem.” Hij zou hem alleen nog het huis uit gooien, maar toen was Bukowski al lang klaar om dat zelf te verlaten.

En dat alles te midden van een wereld die – we hebben het hier over de crisis van het einde van de jaren 1920 – helemaal de dieperik in leek te glijden: “Na de vijfde klas kwam de zesde en ik begon erover te denken om van huis weg te lopen maar ik bedacht dat de meesten van onze vaders geen werk konden krijgen, dus dat iemand van nog geen één meter vijftig een baan wel helemaal kon vergeten. John Dillinger was de held van iedereen, net zo goed van grote mensen als van kinderen. Hij beroofde banken. En je had Pretty Boy Floyd en Ma Barker en Machine Gun Kelly. De mensen begonnen braakliggende stukken grond op te zoeken waar onkruid groeide. Ze hadden gehoord dat je sommige soorten onkruid kon koken en eten. Er braken vechtpartijen tussen mannen uit op die braakliggende terreinen en op straathoeken. Iedereen was kwaad. De mannen rookten Bull Durham en lieten zich door niemand afbekken. Ze lieten het Bull Durham-loodje uit de borstzak van hun shirt hangen en allemaal konden ze met één hand een sjekkie draaien. Als je een man zag met een Bull Durham-loodje bungelend uit zijn zak, dan betekende dat: opgepast. Overal hadden de mensen het over tweede en derde hypotheken. Op een avond kwam mijn vader thuis met een gebroken arm en twee blauwe ogen. Mijn moeder had ergens een onderbetaald baantje. En elke jongen uit de buurt had één zondagse broek en één daagse broek. Als schoenen versleten raakten waren er geen nieuwe. De warenhuizen hadden zolen en hakken die ze met lijm voor 15 of 20 cent verkochten en die werden onder de versleten schoenen geplakt.” Wat niet belette dat er ook in de Verenigde Staten gepoogd werd het nationalisme aan te wakkeren: “De ouders van rijke kinderen waren meestal vaderlandslievender omdat ze meer te verliezen hadden als het land naar de knoppen ging. De arme ouders waren veel minder patriottisch en ze liepen vaak alleen maar te koop met hun patriottisme omdat dat werd verwacht of omdat ze zo waren opgevoed. Onbewust wisten ze dat zij niet beter of slechter af zouden zijn als de Russen of de Duitsers of de Chinezen of de Japanners het hier voor het zeggen hadden, vooral als ze een donkere huid hadden. Misschien gingen ze er zelfs wel op vooruit. Maar goed, een hoop ouders van Chelsey-scholieren waren rijk en daarom hadden we een van de grootste trainingskorpsen van de stad.” En later: “Het was onder intellectuelen populair en obligaat om voor een oorlogsverklaring aan Duitsland te zijn, om de verspreiding van het fascisme een halt toe te roepen. Ik voor mij had totaal geen trek om te gaan vechten voor de bescherming van het leven dat ik leidde of de toekomst die ik misschien zou krijgen. Ik had geen Vrijheid. Ik had niets. Onder Hitler zou ik misschien nu en dan zelfs een mokkel krijgen en meer dan een dollar zakgeld per week. Voor zover ik het kon beredeneren, had ik niets te beschermen. En omdat ik in Duitsland geboren was, voelde ik een natuurlijke loyaliteit en zag ik niet graag dat het hele Duitse volk, de mensen, overal werd afgeschilderd als een stel monsters en idioten. In de bioscopen draaiden ze het journaal sneller af om Hitler en Mussolini voor te stellen als dollemannen. Verder vond ik het persoonlijk onmogelijk om het klakkeloos met de docenten eens te zijn omdat ze allemaal anti-Duits waren. Uit pure vervreemding en ingeboren dwarsheid besloot ik recht tegen hun standpunt in te gaan. Ik had Mein Kampf nooit gelezen en ik had er ook geen behoefte aan. Hitler was voor mij gewoon de zoveelste dictator, alleen las hij me niet aan tafel de les maar zou hij waarschijnlijk mijn hersens of mijn ballen kapot schieten als ik ging vechten om hem tegen te houden.”

Om nog maar te zwijgen – of beter: om dat niet te doen – over het soort dingen dat alle kneusjes of halfkneusjes meemaken, een categorie waaronder Bukowski viel (zei het dat hij het op sommige vlakken aardig wist te compenseren, bijvoorbeeld door op zijn beurt gewelddadig te worden) en die ik vrij goed ken (omdat ik er óók een was; ik ben daar min of meer overheen, dank u). Nog érgere losers aantrekken, bijvoorbeeld: “Toen begreep ik dat ik niet welkom was. David en ik waren niet welkom. De anderen wilden me ‘uit’ hebben omdat ze vonden dat ik er niet bij hoorde. Ze wisten dat David en ik bevriend waren. Het kwam door David dat ze mij er niet bij wilden. Toen ik van het veld liep zag ik David in zijn kniebroek het derde honk bewaken. Zijn blauwgele kousen waren afgezakt tot op zijn voeten. Waarom had hij mij uitgekozen? Nu was ik ook een pispaal. Die middag na school haastte ik me het lokaal uit en liep in mijn eentje naar huis, zonder David. Ik wilde niet zien hoe hij weer een pak slaag kreeg van onze klasgenoten of van zijn moeder. Ik wilde niet naar zijn treurige viool luisteren. Maar toen hij de volgende dag in de middagpauze naast me kwam zitten, at ik van zijn chips.” En: “Ik zag al hoe het verder met me zou lopen. Ik was arm en arm zou ik blijven. Maar ik wilde ook niet per se geld. Ik wist niet wat ik wilde. Of toch wel. Ik wilde een plek waar ik me kon verstoppen, een plek waar je niets hoefde te doen. Het idee om iets te wezen vond ik niet alleen eng, ik vond het weerzinwekkend. Het idee om advocaat of wethouder of ingenieur of zo te worden leek me krankzinnig. Trouwen, kinderen krijgen, gevangen raken in de familiestructuur. Elke dag ergens heen gaan om te werken en dan weer naar huis. Dat was krankzinnig. Dingen doen, doodeenvoudige dingen, meedoen aan familiepicknicks, kerstmis, Onafhankelijkheidsdag, de Dag van de Arbeid, Moederdag… werd je alleen maar geboren om dat soort dingen uit te zitten en dan de pijp uit te gaan? Dan was ik nog liever bordenwasser. Dan zou ik na het werk in mijn eentje naar mijn piepkleine kamertje gaan om me in slaap te zuipen.”

Wat overigens niet wil zeggen dat de meeste jeugdervaringen specifiek voor kneusjes weggelegd waren of zijn en dat Bukowski daarover zwijgt. Er, als schijnbaar laatste van de buurt, achter komen hoe kinderen gemaakt worden. Masturbatie. Alcohol (“Ik had me nog nooit zo tof gevoeld. Het was lekkerder dan masturberen”). Meisjes met lange benen en korte rokjes. Leraressen met lange benen en korte rokjes. Moeders van andere pubers met lange benen en korte rokjes. Gestoef over geneukt hebben. Klasgenoten die zelfmoord plegen. Pukkels (in het geval van Bukowski steenpuisten, in zijn gezicht, over zijn hele lijf, met oneindige behandelingen die niet schenen te helpen). Graduation day (“Daar zat ik dan, Henry Chinaski, lichting 1939, die een stralende toekomst tegemoetreed”). De eerste job (al gingen de rijkeluiskinderen natuurlijk niet, zoals Bukowski, rekkenvuller spelen in een supermarkt), de eerste prikklok, het eerste vermoeden dat de firma niet echt uit is op mensen met persoonlijke ambitie, het er achter komen dat afhankelijk zijn van anderen je job niet makkelijker maakt: “Daar stond ik dan mooi in mijn stofjas. Zo ging het meestal. Je was gouverneur of vuilnisman, je was koorddanser of bankrover, je was tandarts of fruitplukker, je was dit of je was dat. Je wilde je werk goed doen. Je was op je post en dan moest je wachten op een of andere lul. Ik stond in mijn stofjas naast mijn groene karretje terwijl de liftbediende ging schijten. Toen drong goed tot me door waarom die rijke jongens en meisjes altijd lachten. Ze wisten hoe het in elkaar zat.”

Ten bate van de structuur van deze bespreking heb ik de chronologische lijn van het boek wat geweld aan gedaan, dat had u ongetwijfeld al gemerkt, maar ik moet mezelf zeker niet forceren om ook u de lezing van dit boek aan te raden.

Björn Roose

maandag 28 september 2026

Morgen wellicht – Leen Wuyts (boekbespreking door Björn Roose)

Morgen wellicht – Leen Wuyts (boekbespreking door Björn Roose)
‘Waarover ging dat boek ook alweer?’ Ik stel me niet zo héél vaak die vraag als ik aan een boekbespreking begin, maar met Morgen wellicht van Leen Wuyts was dat wél het geval. Omdat het bijna vier weken geleden was dat ik dat boekje, vijfenzestig bladzijden dik en uitgegeven bij De Clauwaert v.z.w. in 1983, gelezen had, natuurlijk. En omdat ik er sindsdien elf andere gelezen heb, uiteraard. Maar ook simpelweg omdat de inhoud niet van die aard is, dat hij bij mij bleef hangen.

Morgen wellicht is namelijk, zoals De belofte van dezelfde auteur en zoals het merendeel van de boekjes dat in de Novellenbibliotheek van genoemde uitgeverij verschenen is, de beschrijving van een tranche de vie, en het leven waaruit in dat soort gevallen dan een stukje gehaald wordt, is nooit van dien aard dat ik er enthousiast, gepassioneerd, zelfs maar simpelweg vrolijk van wordt, of – als dat dan toch buiten de mogelijkheden ligt – eventueel triest of kwaad. Het enige dat verhindert dat ik ergens onderweg het lezen staak omwille van een boreout is het eenvoudige feit dat dat lezen maar een uurtje of zo kost en dat ik een mens met (een slecht) karakter ben. Een karakter dat me ook nog toelaat een bespreking van het boek te schrijven. Al ga ik daar nu niet echt, om het met Gerrit Callewaert uit Bavikhove te zeggen, ‘ne meerderen effort’ voor doen.

Hier is wat u, desgewenst, ook kan lezen op de achterflap: “Een klein meisje gaat voor de eerste maal naar de grote school. Een jonge vrouw mag voor een halve dag de psychiatrische instelling verlaten. En beiden, Elsje en Greet, ontmoeten elkaar. Zonder echt weet te hebben van elkaars leven, terwijl ze toch eenzelfde weg volgen, die van het zoeken en tasten, falen en hopen, vinden en toch ook weer niet vinden. De weg van kleine en grote tragedies, verdriet en verlangen, verborgen, niet begrepen, of zichtbaar voor ieder en toch niet herkend. De weg van iedereen, gisteren en morgen. Zij raken elkaar, Elsje en Greet, in hun verleden en hun toekomst, in hun intense behoefte zich te uiten, lief te hebben met de zachtheid en de sterkte van hun lichaam. In hun verlangen naar geborgenheid, erkenning, aandacht. Allebei ontwikkelen ze zich via de mensen rondon [sic] hen: de mensen van elke dag. Via gebeurtenissen waarvan het tragische vooral ligt in het onvermogen van het kind of de vrouw om vrij en eerlijk te reageren. In het niet begrepen, niet opgevangen worden. In een isolement dat groeit bij Elsje, in een geremdheid die langzaam overwonnen wordt door Greet. Zij raken elkaar, Elsje en Greet, in de realiteit van angst, onzekerheid en hoop. In dezelfde droom.” Een flaptekst dus die ofwel geschreven is door de auteur zelf of door haar grootste fan, een flaptekst die nogal kort door de bocht gaat (veel meer dan elkaar hier en daar raken doen Elsje en Greet niet), een flaptekst die niet zo heel veel zegt, vooral niet over Elsje, die toch, zo leert de lezer tijdens het lezen van het boek, te maken krijgt met een kinderverkrachter. Dat op zich zou thema kunnen zijn voor een boek, en is dat wellicht ook al nu en dan geweest, maar lijkt in de constellatie van Morgen wellicht de ondergeschikte lijn te vormen. Maar meer analyse is dat nu ook weer niet waard.

Björn Roose