Van mens tot mens van Godfried Bomans zou het laatste boek
worden dat ik in 2025 las. Niet dus, ik blijk altijd nog wat tijd
over te hebben voor het lezen van boeken, maar dat is uiteraard geen
beletsel om het te bespreken. Zelfs al is die bespreking óók iets
dat ik me niet had voorgenomen: Steen op steen van Wiesław
Myśliwski zou de laatste bespreking worden die ik in 2025 schreef,
maar toen bleek ik op de ochtend van mijn laatste werkdag, 31
december (jawel), nog een uurtje tijd over te hebben, dus begon ik
vast aan wat mijn eerste kalenderjaaroverschrijdende boekbespreking
ooit is geworden (ik heb ze beëindigd op 2 januari 2026).
Passend eigenlijk voor een boek waar ik zo’n maand over gedaan heb.
Zo’n maand, omdat ik het in mijn bibliotheek bij de
cursiefjesbundels geplaatst had (waar ook het meeste werk van Bomans
te vinden is) en ik al vele jaren de gewoonte heb mijn vriendin na
het ontbijt op zondag lastig te vallen met het vóórlezen van
cursiefjes (ze doet daar niet moeilijk over, dus houd ik daar niet
mee op). En dat voorlezen, is dan weer iets wat ik nu ook weer niet
de hele zondag kan doen, dus kan het een tijdje duren voor zo’n
boek uit is, zelfs al is het, zoals in dit geval, slechts een
tweehonderdtal bladzijden dik. Maar... Van mens tot mens is
geen bundeling van cursiefjes, het is een bundeling van – zo geeft
de cover ook aan – “nagelaten werk”, de eerste bundeling
van die aard, uitgegeven door Elsevier in 1973. De volgende
bundelingen zouden Thomas Robert Spoon en Een mooie tijd
(oorspronkelijk voorzien onder de titel Een goede tijd) gaan
heten, maar de motivatie van de drie uitgaves staat ook al vooraan in
de eerste: “Talrijke korte stukken, essays en interviews van
Godfried Bomans, in kranten en tijdschriften verschenen tussen het
jaar 1945 en zijn overlijden op 22 december 1971, werden tijdens zijn
leven niet gebundeld [dat zou ook onmogelijk geweest zijn gezien hij
doorging met publiceren tot het einde van dat leven, noot van mij].
Het lag wel in zijn bedoeling zulks te doen en hij had, in die zin,
enkele plannen ontworpen”. Waarbij een van die plannen “een
bundel interviews en hier en daar verspreide stukken over markante
persoonlijkheden” was, een plan dat uiteindelijk uitdraaide op Van
mens tot mens, “interviews, verspreide stukken en een reeks
artikelen over Lodewijk van Deyssel”.
Die “reeks artikelen over Lodewijk van Deyssel”, waaronder een
vraaggesprek overigens, is (met hier en daar een duidelijk zichtbaar
wordende herhaling tot gevolg) samengebracht onder het hoofdstuk
Mijnheer Thijm, Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm being
de echte naam van schrijver Lodewijk van Deyssel, een van de
Tachtigers, en, net zoals Bomans dat lange tijd was, inwoner van
Haarlem. Die “reeks artikelen”, negen exemplaren in totaal, vormt
daarmee ook het thematische deel van het boek. Een thematisch deel
waaruit telkens weer blijkt dat Godfried Bomans Lodewijk Van Deyssel
werkelijk een warm hart toedroeg, zelfs al was hij verre van
kritiekloos wat de auteur in de mens betrof – iets wat zich onder
andere uit in Oratorio aan Lodewijk van Deyssel - en staan
niet al de verzamelde artikels in dit hoofdstuk op hetzelfde niveau.
Ik ben geneigd dat laatste op de bijna volstrekte afwezigheid van
humor in de, voor zover ik dat kan inschatten, oudste stukken te
steken, maar aan de andere kant ontbreekt die humor ook in veel van
de onder het hoofdstuk Ontmoetingen met mensen en boeken
verzamelde artikels en zijn die er niet minder boeiend om geworden.
Misschien is het dan ook niet die afwezigheid van humor, maar een té
groot respect voor het onderwerp, dat in de eerste artikels wat
wringt. Een probleem dat duidelijk volledig opgelost was toen Bomans
zich aan het schrijven van Herinnering aan Lodewijk van Deyssel
zette (misschien omdat die toen al overleden was), een artikel dat
samen met Anekdoten rond Thijm en Over de aandacht van
Thijm het beste in dit deel vormt en aantoont dat kunnen lachen
om iemand niet betekent dat men dat respect laat varen. Een citaat
als dit mag daar, zelfs los van het feit dat Bomans daarin in
hoofdzaak zichzelf op de hak neemt, getuige van zijn: “De indruk
was verpletterend. Niemand zei wat. Het geweldige hoofd met de
machtige kin voorwaarts gericht, de handen diep in de zakken van zijn
grijze jas, rukte Van Deyssel dwars tegen de regen op naar het
westen. Het aanduiden van de door hem gekozen richting met ‘het
westen’ komt mij bij zulk een reusachtige verschijning gepast voor,
al kan men ook zeggen dat hij naar Overveen liep om een sigaar te
kopen. Beide opvattingen zijn verdedigbaar, maar de eerste is de
meest juiste, omdat wij ons hier in de epische orde bevinden. In de
mythologie wordt niet gewinkeld. Ook Achilles had kunnen voorbijkomen
en dan had ook hij zich westwaarts voortbewogen. De bestemming van
dergelijke figuren kan alleen door het bepalen van hemelstreken
worden aangegeven.”
Omdat ook voor de rest de artikels Herinnering aan Lodewijk van
Deyssel, Anekdoten rond Thijm en Over de aandacht van
Thijm bijna volledig citerenswaardig zijn, houd ik het wat het
hoofdstuk Mijnheer Thijm betreft verder op nog één citaat
(in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, nietwaar?):
“Thijm zag scheel. Ik aarzel eigenlijk met dit te zeggen, niet
omdat zoiets verzwegen moet worden, maar omdat ik eraan twijfel of
een dergelijke graad van scheelheid nog onder het begrip loensen
valt. De gebruikelijke scheelheid is immers op te vatten als een min
of meer mislukte poging om recht te kijken, terwijl de onderlinge
afwijking van Thijms ogen elk streven in die richting bij voorbaat
uitsloot. Hij had eenvoudig twee gezichtsvelden, die slechts in een
gering segment samenvielen en voor het overige een volstrekt
gescheiden deel van de schepping bestreken. Hij zag hierdoor ook veel
meer dan andere mensen en men moest daar terdege rekening mee houden.
Knipoogjes van omstanders werden, ook als deze zich zijwaarts van
Thijm voltrokken, terstond opgemerkt en uitdrukkelijk gesignaleerd.
Hij zei dan, zonder zich tot de schuldige te wenden, recht voor zich
uit: ‘Ik neem u waar’, wat een spookachtige uitwerking had. Wie
tegenover Thijm zat, bevond zich echter niet in de noodzaak een keuze
te maken. Bij gewone scheelheid bestaat die moeilijkheid wel: men
dient dan te besluiten tot welk oog men zich richten zal. Bij Thijm
viel dit probleem weg. Het ene oog was op u gevestigd, terwijl het
andere door het raam naar buiten keek.” Tot dan toe een quasi
louter humoristisch vaststellen van een fysiek fenomeen, dit citaat,
maar dan komt iets wat ook tekenend is voor het volgende hoofdstuk,
Ontmoetingen met mensen en boeken, zijnde een tekststuk waarin
Bomans blijk geeft van het diepgaand schouwen in de mensen
waarover hij het heeft: “Ik geloof dat deze afwijking, die juist in
het centrum van zijn begaafdheid (hij was een ogenmens), gelegen was,
van beslissende betekenis moet zijn geweest voor de vorming van zijn
eigenaardige persoonlijkheid. Zijn wonderlijke maniërisme, het
voortdurend inwendig besturen van alles wat hij deed, de aanhoudende
bewustheid waarmee hij ook zijn geringste handelingen
begeleidde, men kan die niet verklaren als men dit centrale feit
buiten beschouwing laat. Nu kan men zeggen dat in het werk van Thijm
hiervan toch maar niets te bespeuren valt. Het is inderdaad waar dat
het opvalt. Het is moeilijk aan te nemen dat een auteur die als geen
ander zijn aandoeningen tot in de verste vertakkingen heeft
vastgelegd, juist deze bron van emoties in het midden van zijn
bestaan niet zou hebben opgemerkt. Dit is dan ook niet het geval.
Thijm schreef daaromheen en dit voortdurend ignoreren groeide
ook tot een houding in het dagelijks leven die door velen als
‘bestudeerd’ veroordeeld werd. Als vaststelling is dit juist, als
vonnis niet. Thijm moest iets doen met die vreemde zoeklichten, die
ieder hun eigen bundel de wereld inwierpen. Ik weet niet of het u is
opgevallen, maar in dit stuk [het hele artikel, noot van mij] heb ik
driemaal vermeld dat Thijm de blik neergeslagen hield ofwel de ogen
niet opsloeg, waarbij ik nog het gefingeerde ‘tranen’ beschreven
heb. Dit verhullen van een zo centraal gebrek gaf aan zijn optreden
die gesteven weloverwogenheid die zich ook in zijn stijl van
schrijven openbaarde, want werk en leven zijn één. Ik geloof
trouwens dat iedere kunstenaar, ook een zo uiterst mededeelzame als
Van Deyssel, creëert vanuit een verzwegen plek.”
En dan dus dat al twee keer genoemde volgende hoofdstuk, Ontmoetingen
met mensen en boeken. Mensen zijnde Maria Sibylla Merian,
Jan Klaassen, Herbert George Wells (van wie ik eerder De oorlog
der werelden besprak), Nicolas Beets (de auteur van de Camera
Obscura,
voor wie Bomans ook al een enorme fascinatie aan de dag legde),
Ignace Wils, Minus Oostrijk, Gilbert Keith Chesterton (wiens aan de
avonturen van Father Brown gewijde bundel ik in 2021 besprak), Willem Bilderdijk, Felix Rutten,
Simon Carmiggelt (van wie ik veel meer boeken gelezen heb dan ik er
besprak),
Wim Sonneveld, Johann Peter Eckermann, en Franz Kafka (van wie ik in
2022 de Kleine vertellingen heb besproken).
‘Maria Sibylla Merian?’, hoor ik u al vragen. ‘Ignace Wils?’
‘Minus Oostrijk?’ ‘Johann Peter Eckermann?’ Misschien zelfs:
‘Felix Rutten?’. En: ‘Jan Klaassen, is dat die van de poppenkast?’
Om met die laatste te beginnen: ‘Ja, dat is die van de poppenkast.’
En dat beantwoordt ook de centrale vragen in het stuk Jan Klaassen
en Katrijn, de poppenkast op de Dam: “Maar wie heeft dan die
oude geschiedenis het aller-, állereerst verzonnen? Wie bedacht de
figuur van Pierlala (de dood), van Jan Klaassen, de bedrogen
echtgenoot en lachende wijsgeer, en van Katrijntje, zijn kijvend
wijf? Wie stond hier het eerst op de Dam, vóór de grootvader van de
‘oude Kabalt’ en vóór zelfs diens vader geboren was?”
En Felix Rutten, over wie Bomans het heeft in het artikel De lege
stoel? Dat was een – op dezelfde dag als Bomans overleden –
(Nederlands-)Limburgse schrijver over wie de auteur het ook al had in
Wandelingen door Rome en over wie hij hier onder andere schrijft: “(…) Felix Rutten
woont in een tuinhuisje aan de Tiber. Door het ene raam ziet hij de
koepel van de Sint-Pieter, door het ander het ondergoed van enige
belendende religieuzen aan de drooglijn. Tussen beide aspecten van
kerkelijk leven staat zijn tafel en stoel. Hier schrijft hij zijn
gedichten, die niemand te lezen krijgt, omdat ze hemzelf genoeg zijn.
Hij doet dit al vijftig jaar en er mag geen dag verloren gaan.”
Johann Peter Eckermann dan, de ‘arme van geest’ uit het artikel
Zalig de armen van geest? Hij was de man die de Gespräche
mit Goethe neerpende, een boek waarvan Bomans schreef dat hij het
iedere zomer las, “omdat het ‘t ‘op de plaats rust’ als geen
ander markeert”, een man over wie in de Goethe-literatuur doorgaans
geschreven werd (en wordt, misschien, ik ben niet thuis in de
literatuur over Johann Wolfgang von Goethe en heb van hemzelf ook nog
niet meer gelezen dan Faust 1 en 2, al heb ik in het Duits wel
zijn verzameld werk staan) dat hij “een glasplaat [was], een schone
vensterruit en (…) het licht ongehinderd door[liet]”, dat hij
“zich niet weg [hoefde] te cijferen” omdat hij “niets [was]”,
een stelling die Bomans ten gronde betwist: “Afgezien nog van de
volharding en trouw, die er nodig zijn om een dergelijke notulering
negen jaar vol te houden, ziet men daarbij een gave over het hoofd,
die in het algemeen weinig wordt opgemerkt, juist omdat zij zo zelden
wordt aangetroffen en bovendien de schijn van negativiteit in zich
bergt: het vermogen om in een ander volledig te geloven. Men vergeet
dat deze faculteit, die wat laatdunkend met het woord ‘verering’
wordt aangeduid, in de bezitter ervan een geest veronderstelt, die
ontvankelijk is voor het hem gebodene en dus daarmee verwantschap
vertoont. Bewondering berust op affiniteit. Niemand ziet naar een
ander op, of hij moet, zij het slechts in kiem, de mogelijkheid
van die ander in zich dragen. En het is deze verwantschap, die
Eckermann siert en Goethe zag. Men komt er niet met Eckermann als een
nul te beschouwen. Hij was een potentieel getal, Goethe begreep dit.
Hij telde het cijfer op dat hij had kunnen worden, als het lot deze
misdeelde wat gunstiger had toegelachen, en behandelde de som als een
reële uitkomst. Hij las de onzichtbare inkt van diens mogelijkheden
en maakte deze ook voor Eckermann leesbaar.” Waaraan Bomans nog
toevoegt: “Had Goethe nu geleefd, hij zou geen Eckermann gevonden
hebben. Hij had louter genieën ontmoet en de stoel van Johann Peter
was onbezet gebleven, omdat ze allen in die van Goethe hadden
plaatsgenomen. Geen van hen had hij aangetroffen in de staat van
dienstbaarheid die voor dit boek een voorwaarde is, niemand hunner
was eenvoudig genoeg geweest om iets zo gecompliceerds te maken.”
En Ignace Wils? “(…) een late middeleeuwer”, “De
held van Igualada”, de beschrijvingen die Bomans gebruikt in de
titel van het aan hem gewijde artikel zullen u wellicht nog niet veel
verder helpen, maar Ignace Marie Petrus Wils schopte het tot “kolonel
van het bataljon der Carlistische zoeaven” en stierf in die
hoedanigheid bij de in 1873 tussen Carlisten en Republikeinen
gevoerde gevechten om Igualada (Catalonië). Een ook in Ravenstein,
zijn geboortestad, allicht grotendeels vergeten figuur, al loopt er
op het moment dat ik deze boekbespreking schrijf wél een
tentoonstelling (nog open tot eind januari 2026) rond hem en zijn
broer August onder de naam Zouaven Ravenstein,
daarmee (al gaat de geschiedenis rond Ignace Wils dus ook nadien nog
verder) aandacht bestedend aan het Pauselijk Zouavenkorps dat van
1861 tot 1870 vrijwilligers van overal ter wereld verenigde ter
verdediging van de onafhankelijke Kerkelijke Staat.
Minus Oostrijk? Een postbode die Vincent van Gogh nog persoonlijk zou
gekend hebben, maar waarvan ik op het internet geen spoor terug vind
en waarvan ik na lezing van het artikel Echte Van Gogh in jutezak?
ook niet zeker ben dat hij niet ontstaan is in de fantasie van
Bomans, een artikel waarvan ik u desalniettemin de conclusie niet wil
onthouden: “Wij weten nu, de ganse rivier van dit leven [dat van
Van Gogh dus, noot van mij] overziende, dat Etten niet meer dan een
schutsluis was, een voorbereiding tot hoger vaart, maar de
sluiswachters wisten dit niet en konden dit ook niet weten. Daarom is
het goed, één van hen te spreken. Wij zien een ogenblik de concrete
Van Gogh, vóór het abstracte, uit alle bekende bouwstenen
gecomponeerde en ons zo vertrouwde reuzenbeeld. En het stemt ons tot
behoedzaamheid in het beoordelen van hen, die onze tijdgenoten zijn
en die wij slechts kennen in een fase van hun ontwikkeling.”
En, ten slotte, voor we aan de bekendere figuren beginnen, Maria
Sibylla Merian? Een vrouw naar wie recent in Amsterdam een brug werd
genoemd, auteur van het in 1705 verschenen boek Metamorphosis
insectorum Surinamensium, een van zestig kopergravures voorzien
werk waarin ze de levenscycli beschrijft van insecten in Suriname
(waar ze daartoe twee jaar verbleef), maar waarvoor (nu, in tijden
waarin in het bijzonder aandacht besteed wordt aan vrouwen in de
kunst en de wetenschap, misschien meer) nauwelijks belangstelling was
(geweest) toen Bomans zijn artikel over haar schreef. En dat
terwijl, zoals het óók getiteld is, Over de Voort-teling en
Wonderbaerlyke Veranderingen der Surinaemsche Insecten. Beneffens de
Gewassen daer ze op gevonden zijn. Waer in ook de wonderbaere Padden,
Hagedissen, Slangen, Spinnen en andere seltsame Gediertens worden
vertoont en beschreeven. Alles in Amerika door M.S. Meiraen naar het
leeven en levensgrootte Geschildert en nu in ‘t Kooper overgebracht
“een schok door gans Europa [gaf]. En van buiten de grenzen reden
de karossen der rijke verzamelaars voor de onaanzienlijke woning in
de Kerkstraat (tussen Leidsestraat en Spiegelgracht) waar de vrouw,
die dit alles in stilte schiep, in een armstoel zat, verlamd en
uitgeput”. “Haar faam smeulde voort tot in de eerste helft der
negentiende eeuw,” schrijft Bomans nog, “en doofde toen. En ik
durf geloven dat het merendeel mijner lezers eerst door deze schets
haar naam vernomen heeft. Want in onze vaderlandse geschiedenis gaan
vlootvoogden en regenten vóór, en in de schaduw van hun roem
wachten nog tientallen op onze genegenheid.”
Is dit een behoorlijk lange boekbespreking aan het worden? Ja, dat is
het. Maar dat valt gezien de aard van het werk ook niet als…
eigenaardig te beschouwen. Over dus naar de bekendere figuren,
waarbij u alvast de sjans heeft dat ik in Een kampioen van het
menselijk geluk – In memoriam H.G. Wells, geschreven kort na
diens overlijden in augustus 1946 dus, niks als te citeren heb
aangeduid. Niet omdat er niks interessants in staat, maar omdat het
me allemaal al bekend was (wat dus allicht ook geldt voor al wie de
jongste jaren wat biografische gegevens over Wells gelezen heeft).
Wat Hildebrand betreft zou ik me er dan weer kunnen van af maken met
een verwijzing naar Merkwaardigheden rond de Camera
Obscura,
het boek waarin zeventien stukken van Bomans over dat boek en de
auteur ervan gebundeld werden, maar ik geef u toch even de conclusie
van Bomans’ gesprek met de dochter van Beets mee: “Het kon vader
niet veel schelen. Maar het verdroot hem wel eens, dat de mensen
altijd over zijn Camera spraken, alsof hij na zijn 25ste jaar niets
anders zou geschreven hebben. Men kent zijn preken, zijn
wetenschappelijke verhandelingen op het gebied van taal en letteren
en vooral zijn verzen niet. Daarmee doet men hem nochtans onrecht.
Hijzelf schreef eens: ‘Mijn leven is in mijn Camera, mijn hart in
mijn gedichten.’ Maar dat hart heeft voor velen vergeefs geklopt.”
En dan Simon Carmiggelt. Het ‘gesprek’ tussen hem en Bomans in
Simon Carmiggelt 50 jaar had ik, me dunkt, ook al eens ergens
gelezen en is duidelijk gefingeerd, maar het is hilarisch als Bomans
op zijn best. Ik beperk me bijgevolg tot het weergeven van een klein
stukje er uit: “Carmiggelt is dan, om met de deur in huis te
vallen, een goede vijftiger, nog vol geestkracht en plannen voor de
toekomst, met de levendige gelaatstrekken van iemand, die veel te
zeggen heeft, maar wel zo wijs is om dat niet te doen. Kin, neus en
oren verraden in hun krachtige snit een ondernemend karakter, maar de
melancholieke ogen hebben allang besloten daar geen gebruik van te
maken. De mond is delicaat gevormd en ook zijn maat schoenen blijft
beneden het nationaal gemiddelde. Opmerkelijk is ook het spel van
zijn handen. Ik kom daar misschien dadelijk op terug. Het breed
gewelfde voorhoofd schept verwachtingen, die in de loop van het
gesprek niet geheel worden ingelost, want Carmiggelt modelleert zijn
mededelingen naar het bevattingsvermogen van degene, die tegenover
hem zit. Het aan de slapen reeds grijzende haar wekt een vermoeden
van leed, dat eveneens ongegrond blijkt. Kwam je hem op straat tegen,
dan zou je denken: die jongen heeft het moeilijk, maar zie je hem
thuis, dan is het best uit te houden, ben je mal, we zijn allemaal
maar mensen en morgen komt er weer een dag.”
Een mening die Gilbert Keith Chesterton ongetwijfeld zou gedeeld
hebben. Uit Bomans’ stuk over hem, G.K. Chesterton – Over een
argeloze detective, waarin het overgrote deel van de aandacht dus
naar de eerdergenoemde Father Brown gaat, zou ik wel wíllen
citeren, maar ik kan het niet omdat ik dan tot mijn spijt de rest van
de tekst niet mag citeren en het hele stuk gewoon groots is. Een
mooie aanvulling op Gaston Durnez’ De lach van
Chesterton ook, al dateert het boek van Durnez uiteraard van later.
Wat dan weer De sleutel tot de figuur Bilderdijk – Bij de
herdenking van zijn geboortedag betreft, houd ik het bij twee
stukjes tekst en het feit dat de ‘sociëteit’ die Bomans samen
met een aantal anderen in Haarlem stichtte, Teisterbant
genaamd, werd vernoemd naar diezelfde Bilderijk, die zichzelf als
graaf van Teisterbant beschouwde: 1) “Men kan uitstekende wijn
drinken en toch slechte gedichten schrijven. Ook de omgekeerde
werkwijze is mogelijk en wordt hier herhaaldelijk toegepast”; 2)
“Bilderdijk was, ofschoon hij slechte verzen schreef, een groot en
waarachtig dichter. Hij dichtte de enorme gaten, die de realiteit
openliet en schiep aldus een dijk, die tot ver in de Helleense
oertijden doorliep: een Bilderdijk. Dit is: een dijk van beelden. Dat
wij daarmee niet wensen ingepolderd te worden en hem, vergeleken bij
onze eigen poëtische ingenieurs, als een Leeghwater beschouwen, doet
niets af aan het feit dat hij eens grote provincies van ons nationale
geestesleven heeft drooggelegd.”
Wat niet het soort bezigheid was waarmee Wim Sonneveld zich doorgaans
onledig hield. In tegendeel, de tranen stroomden soms door de zalen
waar hij optradt. Tranen van het lachen, wel te verstaan. Al waren er
ook, misschien vooral, bij zijn ‘frater Venantius’ droeftoeters
die het helemaal niet leuk vonden. Iets waarover Bomans schrijft: “Al
die mensen, die in paniek raken omdat er een religieus is belachelijk
gemaakt hebben niet begrepen, dat ‘frater Venantius’ in het ootje
is genomen, niet als religieus, maar als cabaretier. Sonneveld zal er
niet aan denken een kloosterling in zijn roeping aan te tasten; maar
zodra de man als artiest gaat optreden, wordt hij kwetsbaar.
Hij komt dan op het terrein van Wim Sonneveld, die volledig het recht
heeft hem als zodanig te beoordelen. Dit oordeel was
vernietigend. Wie nu meent, dat hiermee de kloosterstaat is beledigd
en het katholieke geloof besmeurd, heeft totaal niet begrepen in
welke functie frater Venantius is aangepakt. Dadelijk krijgen
we misschien voetballende broeders. Moeten we dan vol eerbied op de
tribune dat gelepel bekijken? Nee, zodra een kloosterling dat broekje
aantrekt verliest hij de bescherming van zijn habijt en wordt hij
naar zijn balcontrole beoordeeld. De mening dat fraters, wat ze ook
doen, altijd in de eredivisie thuishoren, berust op een misverstand.”
Waarna alleen nog De Weense ambtenaar overblijft, Franz Kafka
dus, of toch de Gespräche mit Kafka die Gustav Janouch in
1947, meer dan twee decennia na Kafka’s dood, optekende, Gespräche
waaruit Bomans citeert. Citaten citeren lijkt me echter net wat te
ver te gaan, dus laat ik dat maar achterwege. We moeten het immers
ook nog over het derde deel van dit boek hebben, Interviews.
Een “met de acteurs Paul Steenbergen en Myra Ward”, een “met
minister J. Luns” (Ten huize van het echtpaar Luns), een
“met prof. dr. Max Euwe”, en een “met Jan Foudraine” (De
psychiatrie op de helling).
Even dacht ik u te kunnen verblijden met het ‘nieuws’ dat u Paul
Steenbergen misschien kende als kapelaan De Goey uit Ciske de Rat,
maar de Ciske de Rat waarin Steenbergen speelde, dateert van
1955, dus die kans is vrij klein. Myra Ward was zijn vierde
echtgenote en zal wat het grote publiek betreft misschien nog het
bekendst geworden zijn als Tante Adèle Takma uit de tv-serie Van
oude mensen, de dingen die voorbijgaan (uiteraard gebaseerd op de
gelijknamige roman van Louis Couperus),
maar die ligt intussen ook al vijftig jaar achter ons, dus is ze u
wellicht even onbekend als Paul Steenbergen. Dat hoéft geen beletsel
te zijn om uit dat vraaggesprek te citeren, maar gezien er – mijns
inziens – niet echt iets van eeuwigheidswaarde in staat, doe ik dat
niet. Iets wat ook geldt voor het vraaggesprek met Joseph Luns, al
zou die kort nadien secretaris-generaal van de NAVO worden,
Max Euwe, wereldkampioen schaken van 1935 tot 1937, en psychiater Jan
Foudraine, destijds bevallen van zijn eerste boek Wie is van hout?
en nadien ook bekend geworden als Swami Deva Amrito. Ik ga
niet zeggen dat die vraaggesprekken niet hadden moeten opgenomen
worden in dit boek – de uitgever was per slot van rekening bezig
met het bundelen van nagelaten werk -, maar de werkelijkheid heeft
simpelweg de neiging vijftig jaar later minder interessant te zijn
dan de fictie, en vraaggesprekken verliezen zelfs nog sneller aan
belang. Ze zijn immers bij uitstek het soort momentopname waarop
Bomans ook alludeert in het eerder genoemde stuk Echte Van Gogh in
jutezak?.
Ondanks dat laatste deel echter zeker een aanrader, dit Van mens
tot mens.
Björn Roose






