donderdag 30 april 2026

Bommen voor Napoleon – Het bewogen leven van Felice Orsini, patriot en terrorist – Michael St. John Packe (boekbespreking door Björn Roose)

Bommen voor Napoleon – Het bewogen leven van Felice Orsini, patriot en terrorist – Michael St. John Packe (boekbespreking door Björn Roose)
Kossuth Lajos utca, Petőfi Sándor utca,  István Széchenyi utca… Vele jaren heb ik iedere zomer (en soms lente) Hongarije bereisd en zelfs al zou ik alles van dat prachtige land vergeten, de kans dat ik dat ook doe met die in ieder dorp en in iedere stad weer opduikende straatnamen is vrij klein. In Italië ben ik daarentegen nog maar één keer geweest, maar het is me desondanks opgevallen dat daar nogal wat straten Via Felice Orsini heten. Zoals die in Hongarije genoemd naar een held van de nationale opstand tegen de Oostenrijkers dus, een held die in de ondertitel van voorliggend boek, Bommen voor Napoleon, aangeduid wordt als “patriot en terrorist”.

Om maar te beginnen met dat “terrorist”: dat was inderdaad de laatste functie die hij vervulde. Als leider van een commando dat het op zich had genomen bommen te gooien naar Napoleon. Niet de Napoleon waar zo goed als iedereen dan aan denkt, maar diens neef, Karel Lodewijk Napoleon Bonaparte, de man die als keizer Napoleon III vanaf 1852 op de Franse troon zou zitten. De man ook die daar na 1858, het jaar waarin Orsini en zijn medeplichtigen de aanslag pleegden waarnaar het boek in zijn titel verwijst, nog steeds op zat en wel tot 1870, het jaar waarin hij door de Pruisen werd gevangengenomen, waarna – let op dat u de tel niet kwijtraakt – de Derde Franse Republiek werd uitgeroepen, de voormalige keizer werd vrijgelaten en hij samen met zijn dynastie (al werd zijn zoon door zijn aanhangers nog uitgeroepen tot Napoleon IV) begraven werd in Engeland.

Orsini mislukte dus (ook, mag ik wel zeggen) in het opblazen van genoemde dictator, maar… niet echt in wat hij daarmee hoopte te verwezenlijken, zijnde het forceren van een hernieuwde opstand in Italië (dat er al enkele, niet altijd even geslaagde, achter de rug had) en zo de Risorgimento tot een goed einde brengen. Een fenomeen waarover Michael St. John Packe, kortweg Michael Packe, behalve voor deze vlot geschreven en behoorlijk stevig gedocumenteerde biografie van Orsini overigens ook verantwoordelijk voor onder andere een exemplaar over John Stuart Mill, het heeft in de delen IV, V en VI van het vijfde hoofdstuk (zoals het boek zelf Bommen voor Napoleon getiteld). Napoleon (III dus) had namelijk op het punt gestaan zijn eerdere beloften aan Italië, die onder meer inhielden dat de Oostenrijkers er niet langer baas zouden spelen, uiteindelijk na te komen en wou dat ook ná de aanslag door Orsini en z’n bondgenoten nog steeds doen: “(…) de aanslag vervulde Napoleon (...) met het vaste besluit om zijn pact met de Revolutie te hernieuwen”, citeert Packe dan de Oostenrijkse diplomaat Josef Hafenbredi, ofte Joseph Alexandre de Hübner. Een voornemen waar hij uiteindelijk de voor de rechtbank staande Orsini voor wist te winnen: “‘Bevrijd mijn land!’ De coup de théâtre van de keizer was op schitterende wijze geslaagd. Het proces was niets minder geweest dan de heiligverklaring van de hoofdmisdadiger.” Een “hoofdmisdadiger” die het er, in tegenstelling tot wat Napoleon en vooral diens vrouw gewild hadden, niet levend van af bracht, maar die Napoleon wel toeliet zijn ‘goed hart’ te laten zien en het volgende jaar “aan het hoofd van tweehonderdduizend man de Alpen over [te steken]”, alwaar hij, met zware verliezen, overwinningen bij Magenta en Solferino op zijn conto wist te schrijven, “Lombardije voor Piémont te bemachtigen”, maar Venetië in handen van de Oostenrijkers moest laten en de rest van Italië in die van hun (pauselijke) vazallen. “Maar toch, de gebeurtenissen die door de keizer aan het rollen waren gebracht konden niet door zijn ontmoediging tot staan gebracht worden. De weg lag open voor Garibaldi [naar wie er ongetwijfeld nog meer Italiaanse straten genoemd zijn dan naar Orsini, noot van mij] om Pisacanes noodlottige onderneming te herhalen, ditmaal met de steun van, en niet tegen de uitdrukkelijke wens van Cavour in, en heel Zuid-Italië was aan koning Victor Emmanuels kroon toegevoegd. In maart 1860 was de inlijving van de Kerkelijke Staat en de overige centrale provincies bij Piémont een voldongen feit; de keizer kon niet anders doen dan Savoye en Nice cynisch als prijs voor zijn goedkeuring aanvaarden. In 1866, na Sadowa, stond Oostenrijk Venetië af en was het koninkrijk Italië compleet.” Of dat allemaal niet óók zo zou gelopen zijn zonder Orsini’s aanslag? Misschien. Maar iedereen die enigszins in geschiedenis geïnteresseerd is, weet dat die uiteindelijk van toevalligheden aan mekaar hangt. Zoals dat in alle eerlijkheid mínder het geval was met het leven van de, laat ons hem maar zo noemen, held van deze biografie, Felice Orsini.

Ik heb u namelijk zo ongeveer meteen meegenomen naar het einde van dat leven – in het boek volgen na voorgaand citaat alleen nog een Aanhangsel over Het proces tegen Orsini en zijn medeplichtigen, een lijst met Geraadpleegde werken (ingedeeld in Biografische bronnen, Ter sprake gebrachte personen, en Algemene historische achtergrond), een lijst met Aantekeningen, en een Register -, maar Orsini, die “nooit een proponent van sluipmoord [was] geweest”, “speelde een jaar lang met de ontstellende suggestie eer hij eindelijk de rol van Brutus aanvaardde”, een rol waarmee hij vooral Giuseppe Mazzini een hak wou zetten, die jaren met dat plan had rondgelopen en mogelijk nog langer Orsini’s geestelijke leider was geweest (wat van Orsini een republikein maakte, die absoluut niet ingenomen zou zijn geweest met het idee dat het verenigde Italië een koninkrijk werd), en had daarvóór, terwijl hij toch maar negenendertig jaar is geworden, al zoveel meegemaakt en gedaan (veelal in opdracht of op instigatie van Mazzini) dat Packe beslist niet overdreven heeft door aan hoofdstuk V tweehonderdvijftig bladzijden over de rest van Orsini’s leven vooraf te laten gaan. “Orsini was een man van daden en niet van woorden”, schrijft Packe ergens op pagina 271, en ondanks het feit dat Orsini ook wel eens gebruik maakte van woorden (een deel van de biografische gegevens in dit boek zijn dan ook afkomstig uit door hem geschreven werken en hij hield gedurende enige tijd regelmatig lezingen in Engeland, waar hij, zoals Ian Buruma meegeeft in Anglomanie, bijvoorbeeld ook wel eens op de gastenlijst van het Amerikaanse consulaat stond bij een herdenking van George Washington, en wel samen met, onder andere, de al genoemde Lajos Kossuth en de eveneens eerder genoemde Mazzini en Garibaldi), weet je op dat moment al lang dat dat geheel en al correct is. Dat Orsini, zoals hij Mazzini antwoordde voor de twee definitief uit mekaar gingen, “altijd bereid was om zich met iedere onderneming ten behoeve van Italië die een goede kans van slagen had te belasten”, is dan ook understatement (ook als die ondernemingen nauwelijks kans van slagen hadden, deed hij mee), zelfs al voegde hij er aan toe “dat hij weigerde nog langer deel te nemen aan halfbakken opstanden”, wat het uiteindelijk bijna allemaal waren.

Maar ook de weg naar die “halfbakken opstanden” legde Orsini niet meteen vanuit zijn wieg af. Net zomin als die naar zijn laatste functie als “terrorist”, ondanks het feit dat – en dat zijn de woorden waarmee Packe deze biografie begint – “volgens de openbare aanklager tijdens zijn terechtzitting (…) Felice Orsini een geboren samenzweerder [was]”. Iets waarop Packe zeer humoristisch reageert met wat de rest van de eerste paragraaf uitmaakt: “Of men dat geloven kan of niet, vast staat in ieder geval dat zijn moeder er niet het flauwste idee van had. Zij was een zachtaardig, beschaafd meisje van twintig; geboortig uit Florence, bekoorlijk, vriendelijk en oprecht. Zij zoogde hem en zong versjes voor hem op de normale manier. Zij behandelde hem zoals ze ongeveer een jaar daarvoor zijn zusje Rosina had behandeld, zoals ze drie jaar later zijn broertje Leonidas behandelen zou, in beide gevallen met de beste resultaten. Zij besefte niet dat zijn kinderlijke gedachten een verdrongen en heimelijke richting namen: dat hij, als hij met zijn houten lepel zwaaide en een klokkend geluidje maakte, geheime legers aanvoerde in steile rotsgebergten; of dat zijn verbaasd kijkende, ondoorgrondelijke ogen, gitzwart en glanzend, een wereld voor haar maskeerden van beginnende revolutie, waarin hij reeds keizers de lucht in liet vliegen en pausen van de troon stootte.”

Niet het gezwam dus waarmee Ralph Korngold komt aandraven in zijn biografie over Robespierre, niet het met fantasietjes opvullen van biografische leemten, geen emotioneel gedoe, wel dit: “Felices vader kwam uit Lugo, aan de andere zijde van de Via Emilia uit Meldola. Toen de strijdkrachten van Bonaparte [de originele, noot van mij] in hun eerste overwinningsroes zijn geboorteland onder de voet liepen, was hij, met duizenden van zijn landgenoten, gedwongen dienst te nemen in het leger van de vijand. Onder hun zogenaamde koning, Eugène Beauharnais, stiefzoon van de keizer, staken zij later de Alpen over om zich bij de hoofdmacht van het Grote Leger te voegen dat langs de Njemen samengetrokken was voor de aanval op Rusland. Van de zevenentwintigduizend Italianen die de tocht meegemaakt hadden, keerden er minder dan vierhonderd behouden terug. Andrea Orsini, die de rang van kapitein had verworven, werd ergens onderweg krijgsgevangen gemaakt. Na de vrede keerde hij naar de Romagna terug”, trouwde er, kreeg er kinderen, “joeg geheime afspraken na waar hij met niemand over sprak”, “placht ‘s nachts plotseling uit te gaan”, ontving mannen “die de indruk maakten alsof ze veel haast en dringende boodschappen hadden”, en werd uiteindelijk gearresteerd tijdens een bezoek met zijn gezin aan de opera van Firenze: “Op deze wijze drongen politieke zaken reeds vroeg, toen hij nog maar negen jaar was, het leven van Felice Orsini binnen. Voortaan zou hij hun slaaf zijn.” Waarna een gedegen uitleg over die “politieke zaken” volgt – de Risorgimento is per slot van rekening niet uit de lucht komen vallen -, gaande van de toestand vóór de inval van Napoleon the original, over de gevolgen van die inval, naar de toestand erna, inclusief de Carbonari (“de Adelfi van Parma, de Federali van Lombardije, de Welf Ridders van Piémont”, enzovoort), de ambities van Lodewijk Napoleon (“zoon van ‘s keizers broer Lodewijk, een tijdlang een gewetensvol koning van Holland, een gemelijke, reumatiekerige, misprijzende man” en vader van de Napoleon uit de titel van dit boek) en zijn zoon (de Napoleon uit de titel van dit boek), plus de terugkeer van de Oostenrijkers.

Genoeg om je in te leiden in de feiten en je bezig te houden tot de dag dat Orsini, wellicht per ongeluk, zijn eerste wapenfeit pleegde, zijnde het omver schieten van de kok van zijn oom, Domenico Spada, iets wat uiteindelijk leidt tot zijn toetreding tot een augustijnenklooster nadat hij middels kerkelijke tussenkomst vrijgesproken is van moord “doch schuldig aan onopzettelijke doodslag” wordt bevonden, “en veroordeeld werd zes maanden in het klooster te verblijven”. “Men stelde voor dat hij, om zijn berouw te tonen, van de paus een definitieve ontheffing van zijn misdaad moest zien te verkrijgen, zodat hij lid kon worden van een religieuze orde.” Wat hij wel wou, maar wat niet echt wou lukken. In plaats daarvan ging hij ten slotte rechten studeren, “verwierf hij zich een ondergrond van kennis in al de militaire wetenschappen, mechanica, scheikunde, fysica, aardrijkskunde, wiskunde, zonder welke men niets kan doen vooral op het gebied van versterkingen”, las hij “Livius en Tacitus; Macchiavelli; Thiers’ Franse Revolutie en Napoleons Commentaren”, en zat hij tegen zijn tweeëntwintigste “de ene nacht na de andere (…) over de romans van Rousseau gebogen en te peinzen of hij door zelfmoord een eind aan zijn leven zou maken”. “In plaats daarvan sloot hij zich op zijn tweeëntwintigste jaar bij Jong Italië aan”, het geesteskind van de reeds eerder genoemde Giuseppe Mazzini, mislukt als ‘actieve’ revolutionair, maar nadat hij ook nog een Jong Zwitserland had gesticht (“omdat hij de Zwitsers afschuwelijk achterlijk vond in hun smerige kleine kantons”) wel zeer actief als prediker van de revolutie vanuit zijn zelf gekozen verbanningsoord Engeland. Een ideale combinatie met Orsini dus: “De jezuïeten hadden de spijker op de kop geslagen, in hun mening over Orsini. Hij was voor soldaat in de wieg gelegd [en niet voor “samenzweerder”, noot van mij]. Als kind had hij ademloos geluisterd naar zijn vaders verhalen over de veldtocht naar Moskou. Als jongen was hij weggelopen om zich in Ancona bij de Fransen aan te sluiten. Als student had hij getracht bij de Zwitserse lijfwacht van de paus te komen. Al zijn spelletjes, zijn lichaamsoefeningen, waren van soldateske aard geweest. Een dienstmeisje van zijn tante Lucrezia in Meldola herinnerde zich op hoge leeftijd nog hoe hij aan tafel placht te zitten en legers van vorken en messen tegen elkaar liet optrekken. Zelfs zijn afschuw van de Oostenrijkse onderdrukkers was al gauw in bewondering omgeslagen toen hij de flonkerende praal van hun militaire plechtigheden had gezien. Hij had het typische wantrouwen van de soldaat voor de politiek. Hij had nu het starre en agressieve eergevoel van een soldaat. Alles wat hij nodig had om tot grimmige, onwankelbare trouw in staat te zijn was onomwonden soldatengeloof. In Jong Italië vond hij wat hij verlangde.”

Gevolg: in april 1844, nog geen vijfentwintig jaar oud, wordt hij samen met zijn vader voor het eerst gearresteerd wegens revolutionaire activiteiten, maar een jaar later komt hij vrij nadat de heersende paus, Gregorius XVI, overleden is en de nieuwe paus, Giovanni Maria Mastai-Ferretti, voormalig bisschop van Imola en nu Pius IX geworden (ofte Pio Nono, zoals hij in Italië wordt geheten), hem gratie heeft verleend op voorwaarde dat hij en z’n kameraden “zich nooit meer tegen de paus (…) [zouden] verzetten”, een verklaring die ze graag aflegden, maar waarvan de nieuwe paus had kunnen weten dat Orsini zich daar niet noodzakelijk aan zou houden: hij was immers ook degene die Orsini in een religieuze orde had willen krijgen in ruil voor zijn onschuldigverklaring aan moord.

Orsini ging dus quasi direct weer aan de revolutionaire slag. “Hij nam vol vuur deel aan de strijd om de vrijheid van drukpers, het voornaamste strijdpunt op dat moment. In weerwil van de censuur werden overal illegale geschriften verspreid, als confetti in de schouwburgen omlaaggestrooid, in het rijtuig van de aartsbisschop geworpen, zelfs per post verstuurd. Orsini vond dergelijke constitutionele protesten veel te tam. In april 1847 werd een douanebeambte in Terra del Sole vermoord, en ontplofte een bom in het huis van een commissaris van de koning in Rocca San Casciano. Dat leek er meer op; hij schreef een vurig artikel waarin hij deze twee incidenten verdedigde (…)”. “In augustus 1847 publiceerde hij een Rede tot de Jeugd van Italië, een anonieme lofzang op de Bandiera’s, opgedragen aan Eusebio Barbetti en heimelijk in Livorno gedrukt”, maar – ondanks de anonimiteit ervan – genoeg om hem te verbannen uit Firenze. De tweede keer al, maar niet echt nuttig – hij bleef “Toscane binnenkomen en verlaten zoals en wanneer hem dat goeddunkte” -, zoals kan gezegd worden van elke maatregel die tegen de “patriot en terrorist” genomen werd, ook toen hij definitief het militaristische pad opging, iets wat gebeurde toen door de regelrechte terreur van ‘Papa’ Radetzky, ofte Josef Radetzky von Radetz, ter wiens ere om een of andere reden op het jaarlijkse Neujahrskonzert van de Wiener Philharmoniker nog steeds de Radetzkymars gespeeld wordt, Milaan in opstand kwam, al snel gevolgd door Venetië en Bologna, waar Orsini terechtkwam nadat hij dienst had genomen “in de 21ste sectie van de burgerwacht” van Meldola. Van korporaal schopte hij het daar in geen tijd tot kapitein, maar daarmee eindigde de opstand voor hem dan ook zo’n beetje: de Oostenrijkers raakten de toestand terug meester en opnieuw raakte Orsini, met zijn compagnie, slechts weg door een belofte aan de vijand af te leggen: “gedurende een periode van drie maanden niet meer te zullen vechten”. Een belofte waar hij zich – Wat dacht u dan? – uiteraard niet aan hield.

Het begin van de militaire carrière van Orsini krijgt dus een uitgebreid vervolg, al mag die carrière daarna eigenlijk niet meer ‘militair’ heten. Hij wordt, wat dan heet, paramilitair. In dienst van de Pauselijke Staat soms, aan de zijde van Guglielmo Pepe een andere keer, direct onder Mazzini bij de vestiging van de Romeinse Republiek (die het toch volhield van 9 februari tot 3 juli 1849), en onder ‘leiding’ van diezelfde Mazzini in de jaren daarna. Del modo di cospirare heet het derde hoofdstuk niet voor niks, want vanaf halverwege 1849 wordt het inderdaad wel een kwestie van samenzweren, op de vlucht zijn, “halfbakken opstanden” organiseren, voortdurend falen, en ontsnappen uit onmogelijke situaties (waaronder de gevangenis van Mantua). Het zou deze boekbespreking veel te lang maken als ik dáár ook nog eens allemaal op inging, maar Packe heeft dat uitgebreid en duidelijk gedaan (iets wat overigens ook moet gezegd worden van de figuren waarmee Orsini al dan niet rechtstreeks te maken krijgt, figuren waarvan Packe telkens een soort van mini-biografie heeft opgenomen in dit boek) en met deze biografie van Orsini meteen ook een vrij volledige geschiedenis van de Risorgimento geschreven. Een opstand die bij momenten – en dat zijn de momenten die de Italianen, zoals elk volk dat zich heeft weten te bevrijden van binnen- en buitenlandse onderdrukkers, graag in herinnering brengen – behoorlijk goed georganiseerd is verlopen, maar het grootste deel van de tijd één grote chaos was. Typisch Italiaans, heeft een mens de neiging daar aan toe te voegen, maar da’s natuurlijk niet echt waar. Alhoewel… de volgende passage is toch wel hilarisch en, zo lijkt het, erg, laat ons maar zeggen, zuiders: “De volgende dag verschenen de twee hoofdsamenzweerders weer: Orsini zag er kalm en om door een ringetje te halen uit, Mathieu’s kleren hingen in flarden aan zijn lijf en hij zat van top tot teen onder de modder. Er was een of andere vergissing in het spel geweest, zie hij. Het overeengekomen wachtwoord om de gendarmes te bedriegen was het loeien van een koe geweest. Terwijl Orsini de wacht hield onder de berijpte bergen en de sterren had hij, Mathieu, de hele nacht aan één stuk door lopen loeien. Telkens als hij een antwoord had opgevangen, was hij de kant van waaruit het geklonken had heengestrompeld door de moerassen en de doornstruiken heen, om iedere keer tot de ontdekking te komen dat het door een echte koe was voortgebracht.”

En wat te denken van de, minstens aan de exploten die Che Guevara in De Afrikaanse droom heeft beschreven herinnerende, in september 1853 door Mazzini ‘georganiseerde’ en door Orsini uitgevoerde inval in Italië?: “Toen het tegen twee uur liep, haalde Orsini zijn prachtige gouden horloge te voorschijn en schudde verwijtend zijn hoofd. Zij hadden alles bij elkaar negenentwintig man en veertien musketten, nu niet bepaald een indrukwekkende strijdmacht. Op dat ogenblik evenwel kondigde een regelmatig gestamp op de weg vanuit Sarzana de nadering van een flinke, georganiseerde troepenmacht aan. Onder grote opwinding werden er gidsen uitgezonden om de versterkingen op te vangen, doch de uitgelatenheid ging abrupt in verslagenheid over toen zij bij hun terugkeer verklaarden dat een compagnie Piémontesische beroepssoldaten met grimmige vastberadenheid recht op het kamp afmarcheerde. Ze hadden nog maar juist tijd om hun wapens te verbergen, een boodschap naar Carrara te sturen en zich te verspreiden.”

En de poging om op 6 mei 1854 een invasie van op zee uit te voeren?: “Het bleek dat Ricci niet over land met zijn versterkingen en voorraden over de grens had kunnen komen ten gevolge van de waakzaamheid van de Piémontesische politie. Hij had daarom besloten, zonder Orsini of de mannen uit Carrara te waarschuwen, om Orsini en de wapens op zee op te halen en op eigen initiatief een landing te ondernemen. De veertien man die hij bij zich had, vormden zijn hele leger. De hele invasievloot bestond uit twee schepen. Ricci zat rillend van ellende aan boeg en ontkende alles.” Een feit dat kort nadien gevolgd wordt door: “Er kwam een antwoord van de beeldhouwer waarin deze de regelingen die Orsini voor de aanval op Massa getroffen had bevestigde en beloofde dat er zich in elk geval zestig van de tweeduizend Modenezen waarop oorspronkelijk gehoopt was op de afgesproken plaats zouden bevinden.”

Of, ten slotte, de poging van half juli 1854: “Mazzini had zijn hoop gevestigd op honderd vijftig bannelingen die hij geld voor de reis had gegeven en opdracht zich in St. Moritz te verzamelen. Om hen van de echte toeristen te onderscheiden – wat anders misschien nog niet zo eenvoudig was geweest – had hij luchthartig en op typisch Mazziniaanse wijze bepaald dat zijn ‘broeders’ bij hun aankomst allen bloemen in hun haar moesten dragen en Conti werd daarom toen de tijd daarvoor gekomen was op de Juliërweg geposteerd om iedereen die zich zo opgesierd had op te vangen. Het toeval wilde dat het dat seizoen de gewoonte was dat iedereen die naar St. Moritz ging zich vrolijk uitdoste met alpenrozen die hij aan de kant van de weg had geplukt. Zo ver het oog reikte was de Juliërweg één lachende, luidruchtige zee van prachtige ruikers en Conti moest volkomen op goed geluk zijn keuze doen. De eerste man die hij aanriep met het esoterische wachtwoord was een bejaarde Duitse Zwitser die een verschrikt Ich weiss nichts tussen zijn tanden door siste. De volgende bleek een houten been te hebben. Een derde, die meer in aanmerking leek te komen, deelde Conti bruusk mee dat hij zich met zijn eigen zaken moest bemoeien. Mensen van allerlei nationaliteiten, vrouwen en kinderen, rijken en armen, ouden en jongen, werden op de proef gesteld, doch slechts twee jeugdige knapen reageerden: Carlo di Rudio en Fumagalli, die uitgehongerd en afgemat aankwamen en door Orsini doorgestuurd werden om op krachten te komen in het berggebied waar hij zijn troepen zou concentreren. Toen Mazzini en Maurice Quadrio een paar dagen voor de datum waarop de operatie zou beginnen uit Genève arriveerden, bestond het expeditieleger waarover zij beschikten uit negen man.”

Mislukkingen waarvan Mazzini geen last had: “Ondertussen was Mazzini druk in de weer met plannen voor zijn volgende opstand. Dat het een nadeel was dat de vorige telkenmale waren mislukt, scheen hem niet op te vallen.” Mislukkingen echter ook die zelfs de immer doorzettende Orsini uiteindelijk op zijn systeem begonnen te werken. Mislukkingen die hem deden besluiten zijn geestelijke leider af te vallen en met een knal te gaan. Hij had immers geen plan voorzien voor ná de aanslag op Napoleon. Een aanslag die, zoals gezegd, uiteindelijk wél tot het beoogde effect leidde. Eind goed, al goed dus. Toch voor de onafhankelijkheid van Italië.

Björn Roose

maandag 27 april 2026

De ziekte van Kahler – Jan Veulemans (boekbespreking door Björn Roose)

De ziekte van Kahler – Jan Veulemans (boekbespreking door Björn Roose)
In september 2024 besprak ik van Jan Veulemans De leegte, een, zoals voorliggend De ziekte van Kahler, bij De Clauwaert v.z.w. uitgegeven kortverhaal, en ook na het lezen van dat laatste (waarmee me van de auteur nu alleen nog De wapens als niet gelezen overblijft) kan ik niet anders dan vaststellen dat Veulemans (die intussen, tenzij het internet van niets weet en hij toch zou overleden zijn, bijna achtennegentig jaar oud moet wezen) over een zeer sterk inlevingsvermogen moet beschikken. Alleen gold dat in De leegte een werkloze (nee, geen ‘profiteur’), terwijl het in De ziekte van Kahler een ten dode opgeschreven docent betreft, een man op wie alle behandelingen geprobeerd zijn en die nu, iedere dag wat verder gedreven door de beendermergkanker die onder die voor leken weinig zeggende naam schuilgaat, op weg is naar die uitgang waar we uiteindelijk allemaal door moeten.

Op weg, onvermijdelijk alleen, maar toch niet echt. Een van zijn dochters bezoekt hem regelmatig, en steeds regelmatiger. Oud-collega’s proberen hem nog wijs te maken dat hij zal verrast worden door de evoluties op school als hij weer terugkomt. Een student wijdt zijn proefschrift en dus ook een groot deel van zijn aandacht en tijd aan de man en zijn ziekte. Dokter en verpleegster doen wat ze kunnen, inclusief hem blaasjes wijsmaken en uiteindelijk in het ziekenhuis proberen krijgen. Zijn vrouw, Britta, eerder overleden dan hij, wacht op hem, of dat hoopt hij toch. En met dat alles vult hij, laat ons het dan maar zo noemen, een soortement dagboek, dat dit boek vormt, en zo begint: “Over anderhalf uur komt de student weer. Net voor hij aanbelt, zal hij het sigarettepeukje wegknippen, in de kamer mag niet gerookt worden, maar zijn adem zegt telkens nog tabak. Het blauwe kunstlederen mapje met het alsmaar lijviger stel papieren onder de arm. Het proefschrift, waarvoor ik de grondstof ben.”

Veulemans heeft niet alleen een stevige portie inlevingsvermogen, hij weet ook met onze moedertaal om te gaan. En structuur te brengen in een verhaal dat, gezien het amper zestig bladzijden lang is, nauwelijks behoefte heeft aan structuur. Dat doet hij door op het einde van ieder hoofdstuk een schuingedrukt gedeelte in te lassen waarin hij uitleg geeft bij een foto die hij zogezegd vanop zijn ziekbed of vanuit zijn zetel aan het bekijken is. “Het kleine mannetje dat onbegrijpend naar de mensen kijkt, misschien pas gehuild heeft, niet weet wat er in de wereld te koop is. De wereld is begrensd door de beukenhaag, die het eigendomsrecht van twee buren regelt, de achtergevel van het veilige huis, het muurtje dat op zomerdagen lekker warm wordt. Een vergeeld prentje is het geworden, je zou het tussen de bladen van een oude bijbel kunnen stoppen, ter hoogte van het scheppingsverhaal. Want met zand en stokjes schept het mannetje de aarde. Als er een glimmende kever over de dwergheuveltjes kruipt, weet het mannetje dat dit leven is. Achter hem staat het kleine kruiwagentje, waarop hij de dromen laadt. Niets weet hij van de grote wereld, van de mensen die elkaar toelachen en elkaar opvreten, van de kleur van nutteloos bloed op eindeloze velden. Op onzekere, kromme pootjes staat hij, het is zijn geluk, de mensen kijken rakelings over hem heen. Dat zijn naam in het diepste blauw van de hemel geschreven staat, weet hij niet. Als ik heel lang naar het mannetje blijf kijken, komt er leven in het ronde gezichtje. Wij herkennen elkaar. Dag, zeg ik en lach stilletjes in een spiegel”. Zo klinkt het aan het einde van het achtste hoofdstuk, net voor het ik-personage afscheid van de wereld neemt en naar zijn vrouw gaat. En ik... ik vind dat zeer poëtisch.

Ik, de lezer, heb dat mannetje / de verteller in ieder geval wél gezien in dit verhaal. Al zal ik, de lezer, hem ook niet meer zien na zijn dood. Zoals hij zijn vrouw niet meer had mogen zien: “Had ik Britta zien sterven, dan zou ik alles misschien anders ondergaan. Eigenlijk stierf Britta niet, zij werd letterlijk door een dolle wegpiraat weggerukt. Ik heb haar niet meer mogen zien. De vrouw, met wie ik ruim een kwarteeuw veel gedeeld had en zonder wie het leven mij steeds minder denkbaar had geschenen, mocht ik na haar ruwe einde niet meer weerzien. De ziekenzuster, kennelijk voor dit soort berichten aangesteld, meende dat het mij enkel schade kon brengen. Het betekende dat Britta een afzichtelijk verminkt hoopje geworden was. Ik kon haar beter in herinnering bewaren, zoals zij voor het laatst van me was weggegaan, meende de zuster. Een kinderlijke wijsheid, ik drong niet aan, staarde verwezen naar de mooie , lichtbruine kist.” Iets wat we ons beslist niet moeten laten aandoen, zelfs al is de overledene toegetakeld.

Dat fysieke afscheid, dat is namelijk belangrijk. Al is het maar omdat je bij leven nooit écht afscheid van mekaar neemt. Omdat afscheid nemen bij leven iets voor helden is, het soort helden dat we met z’n allen niet zijn: “Telkens loop ik tegen dezelfde waarheid aan, het leven is zo effen verlopen, ik heb geen avonturen ondernomen, geen aanstoot gegeven, geen beweging voor of tegen iets op gang gebracht. Ik ben niet erg moedig geweest, dat is de waarheid die mij telkens weer voor ogen springt, het schuldgevoel kweekt (…) Ik heb tot vandaag eenvoudig geleefd, zeg ik, voor wijs gehouden dat ik de behoeften beperkt hield (…) Misschien heb ik vrijheid altijd boven alles verkozen, het recht om mijzelf te zijn, het recht op stilte (…) Ik heb niets méér verricht dan ontelbare enge burgers. Wat overblijft is leegte, moeheid, een vervloekt verdriet.” En dat is, dat geloof ik werkelijk, ook wat er zal overblijven voor wie wél een ‘held’ geweest is. Waarmee ook die zich moet bewijzen. Wie immers bij volle bewustzijn door die uitgang gaat, niet uit angst voor het leven maar omdat de dood als onderdeel van het leven onvermijdelijk is, als onderdeel van het éigen leven, die heeft moed nodig. Of hij nu gelooft dat er iets aan de andere kant van die deur is of niet. “De angst is weg”, schrijft Veulemans helemaal aan het einde, “is misschien enkel verbeelding geweest, alles is mysterie.”

Björn Roose

vrijdag 24 april 2026

Portret van Lady Dering – Marcus II Gheeraerts en het gezicht van het vroeg-zeventiende-eeuwse Engeland – Katharina Van Cauteren (boekbespreking door Björn Roose)

Portret van Lady Dering – Marcus II Gheeraerts en het gezicht van het vroeg-zeventiende-eeuwse Engeland – Katharina Van Cauteren (boekbespreking door Björn Roose)
Trouwe lezers van mijn boekbesprekingen – nee, laat ons mekaar maar niet voor de gek houden, die heb ik niet, maar ook af-en-toe-lezers kunnen het weten – zien intussen al voor de zevenendertigste keer een bespreking van een in de serie Phoebus Focus verschenen boekje bij mij opduiken en vragen zich misschien af wanneer dat ooit zal ophouden. Het antwoord luidt: voorlopig nog niet. Dit nummer XXXVII, voluit getiteld Portret van Lady Dering – Marcus II Gheeraerts en het gezicht van het vroeg-zeventiende-eeuwse Engeland, verscheen in 2024 en werd (naar een ook al enkele jaren oude traditie) meegestuurd met het nieuwste nummer van het tweemaandelijks verschijnende OKV-Magazine, en op dat magazine heb ik voor dit jaar weer een abonnement genomen. Wetende dat inmiddels in de serie Phoebus Focus ook nog de nummers XXXVIII (Mercurius draagt Psyche naar de Olympus), XXXIX (Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit), XL (Portret van Mary Sidney Herbert), en XLI (Twee vissersjongens) uitgegeven zijn, en hopend dat er toch nog minstens één nummer bij komt dit jaar, zou dat – al geeft het te denken voor volgend jaar – toch nog vijf besprekingen van deze aard in 2026 moeten betekenen.

Maar, één ding ineens, eerst dit honderdachtentwintig glanzende bladzijden dikke, van massa’s illustraties, en behoorlijk goed van tekst voorziene (wat niet met elk nummer zo is) boekje van de hand van “stafchef (…) van de Kanselarij van The Phoebus Foundation en (…) gedelegeerd bestuurder van The Phoebus Foundation Stichting van Openbaar Nut” Katharina Van Cauteren maar eens bekijken. Nog niet zo lang geleden kreeg u van mij de bespreking van Heilige Familie in Nazareth (het nummer XXXV in de serie), in april 2025 Suzanna en de ouderlingen (XXX), en in november 2020 Het meermonster van Tagua Tagua (V), telkens zeer lezenswaardige, goed geschreven boekjes, een oordeel dat ik ook zonder enig probleem kan uitspreken over het voorliggende.

Waarbij dat “goed geschreven” zeker niet als een gratuite commentaar moet beschouwd worden: Van Cauteren schrijft zéér goed en om die reden is het eigenlijk altijd een genoegen haar vaste vervanger Paul Huvenne het Voorwoord te zien afleveren. Hij het Voorwoord, zij de eigenlijke tekst, is vooral omwille van dat laatste een goede combinatie. Wat niet wil zeggen dat Huvenne – misschien voor het laatst: geen idee of er nog boekjes in deze serie met een voorwoord van hem gedrukt zijn, maar hij overleed eerder deze maand - een minderwaardige intro heeft afgeleverd: “Een goed portret betekent een ontmoeting. Je staat oog in oog met een onbekende die, om redenen waar je de vinger niet op kan leggen, toch bekend aanvoelt. De geportretteerde heeft dan ook zijn, of in dit geval: haar, best gedaan. Je gaat niet elke dag op de foto. En dus stelt de jongedame die centraal staat in deze Phoebus Focus zichzelf voor volgens de regel van de kunst. Haar gezicht is getooid met de edelste karaktertrekken en een laagje make-up. Ze is gehuld in haar paasbeste kostuum. De geborduurde bloemen en de ragfijne kant verbeelden de deugden die een dame hoog moet zien te houden.” Maar dan, aan het einde van zijn introductie, slaat hij de bal enigszins mis: “Meestal koestert dr. Katharina Van Cauteren een voorliefde voor de grote verhalen. Politieke propaganda is haar geliefkoosde thema, met alle dynastieke troebelen, allianties, gewonnen en verloren oorlogen, kortom toeters en bellen die daarbij horen. Ook kunsthistorisch cultiveert ze doorgaans een helikopteroverzicht, vol grote lijnen en patronen, zonder echter het herkenbare, menselijke element uit het oog te verliezen. Het Portret van Frances Bell, Lady Dering bleek voor de auteur echter het beklijvende voorwendsel om zich onder te dompelen in het leven van een schijnbaar gewone vrouw uit het laat-zestiende- en vroeg-zeventiende-eeuwse Engeland.” Iets waarvan we voelen dat het niet klopt. Nú kan iedereen, elke “schijnbaar gewone vrouw” en dito man, uiteraard dan wel een portret van zichzelf laten maken, een fotografisch exemplaar dan toch, maar rond de wisseling van de zestiende naar de zeventiende eeuw was dat helemaal niet het geval. Je moest toch wel wat bijzonders wezen om een schilder – voor mij tot het lezen van dit boek een onbekende, maar in werkelijkheid, zeker destijds, een bekende – genoeg te kunnen betalen om zoveel uren in het penselen van je tweedimensionale evenbeeld te steken. En dat was ze. Zoals ook Van Cauteren meteen al in haar eerste hoofdstuk Toeters en bellen aangeeft.

Frances Bell was namelijk de dochter van Robert Bell, parlementslid, Speaker of the House of Commons, ridder, “een van de toprechters” in het rijk van Queen Elizabeth I, en diens derde echtgenote Dorothy, “de enige erfgename van Sir Edmund Beaupré”. Een vader die machtig genoeg is om een beetje z’n eigen zin te doen: als hij overlijdt aan vlektyfus laat hij zijn rijkdom in z’n geheel achter aan zijn jongere zoon, John I Peyton, volkomen tegen de toenmalige geplogenheden in (alles ging toen naar de oudste). Een manoeuvre dat de jongere zoon vervolgens op geheel eigen wijze interpreteert: alles is alles, dus behalve het geld en het vastgoed neemt hij ook de titel van parlementslid over én zijn stiefmama, die zo zijn vrouw wordt en, een tijdje later, moeder van zijn zoon John II.

Over een gearrangeerd huwelijk valt John I dus niet (in zijn tijd deden weinigen dat) en hij arrangeert er, zoals Van Cauteren beschrijft in het hoofdstuk Sense zonder Sensibility (wie uitleg nodig heeft bij die titel, begrijpt de mop niet), ook een voor zijn zusje-annex-dochter-van-zijn-vrouw als hij “aan tafel schuift met Richard Dering (ca. 1530-1611) van Surrenden Dering, het naar de familie genoemde landgoed in het Kentse dorpje Pluckley. Richards zoon, de achtendertigjarige Anthony (ca. 1558-1636), is intussen acht jaar weduwnaar en dat is acht jaar te lang. Anthony’s dochtertje Jane kan wel een nieuwe moeder gebruiken, en Anthony’s carrière een zetje: de (relatief) jonge Dering is rechter, en Dering weliswaar een eerbiedwaardige familie, maar ook hier is de sociale honger groot.” En die sociale honger werkt: “de unie tussen Frances en Anthony lijkt een succesverhaal. Er zullen alvast volop kinderen worden gemaakt, en die krijgen ook weer kinderen, en kleinkinderen, en achterkleinkinderen, helemaal tot aan de geboorte van een zekere Camilla Parker Bowles, née Shand – alias Queen Camilla – in 1947.” Waarmee de “schijnbaar gewone vrouw” waarover Huvenne het in zijn Voorwoord heeft dus uitgegroeid is tot een vertrouweling van één koningin en de verre voorouder van een tweede. Mij dunkt dat je dan tóch wel te midden van “de grote verhalen” zit, de “politieke propaganda (…), met alle dynastieke troebelen, allianties, gewonnen en verloren oorlogen, kortom toeters en bellen die daarbij horen”.

Grote verhalen waarover we soms interessante details vernemen dankzij een Handgeschreven teletijdmachine als degene die Sir Edward Dering, de oudste zoon van Frances en Anthony bijhield toen hij tussen 1617 en 1628 “een minutieus overzicht bij[hield] van zijn uitgaven”. Een overzicht waarvan een detail me deed denken aan die aflevering van Blackadder the Third waarin prins-regent en latere koning George IV voortdurend nieuwe kousen moet kopen omdat Blackadder die buiten zijn weten verkoopt: “Het meeste koopt Sir Edward handschoenen, gigantische hoeveelheden handschoenen, want die verslijten blijkbaar snel.” Geen idee of Van Cauteren die link gezien heeft, misschien kent ze Blackadder wel helemaal niet, maar die tussen schilder Gheeraerts en zijn vader schetst ze op deze manier: “Marcus Gheeraerts de Jonge is, dat mag geen geweldige verrassing zijn, de zoon van Marcus Gheeraerts de Oude. Beide Marcussen werden geboren in Brugge – de vader zo ergens omstreeks 1520, de zoon in 1561/62. In 1568 duiken ze echter samen op in Londen: ‘Markus Gerott of Bridgis, painter, Ducheman, came for relygyon; Philippus de la Valla, his servant; Markus Gerott, his sonne; all theas goe to the Douche churche. Dutche perons iij (three).’ Ze zijn dus op de vlucht voor de door de hertog van Alva georganiseerde godsdienstige troebelen, maar hebben geen moeite gedaan moeder de vrouw mee te nemen: “Zijn echtgenote, Johanna Struve, laat Marcus Senior achter in Brugge. Hoopt hij later, wanneer alles weer wat rustiger is geworden, terug te keren naar huis? Of komt het echtpaar Gheeraerts overeen dat manlief eerst een leven zal uitbouwen in Londen, waarna Johanna zal overkomen? Wat ook de bedoeling is, er komt niets van: enkele jaren na het vertrek van haar man overlijdt mevrouw Gheeraerts alleen, in Brugge.”

Vrouwen waren duidelijk van niet zo heel veel tel, tenzij dan als springplank, zoals Van Cauteren ergens schrijft, met de belangrijke uitzondering van de reeds genoemde Queen Elizabeth I, die weigerde zich tot springplank te laten degraderen, maar het op een andere manier desondanks toch wel kon worden. Voor de – even gebruik maken van de teletijdmachine – intussen zo’n dertig jaar oude Marcus Gheeraerts de Jongere bijvoorbeeld: “(…) intussen is ook Marcus II meester-schilder. Vanaf de jaren 1590 rijgt hij de opdrachten aan elkaar. Het begint met het beschilderen van rijtuigen en zelfs trappen, maar dan maakt hij een portret van Queen Elizabeth, en prompt wordt hij omschreven als een kunstenaar die de schilders van de oudheid een poepje kan laten ruiken. Als het goed genoeg is voor de koningin, is het goed genoeg voor de rest van de upper class: prompt staan de opdrachtgevers in de rij voor die exotische modernist uit Brugge. Nooit eerder was er in Engeland een schilder op het idee gekomen om zijn modellen ten voeten uit te portretteren. Nooit eerder leken de geportretteerden in Engeland op zichzelf, en niet op een platgestreken icoon.” En dat in een tijd dat Vlamingen en Brabanders ook vorm gaven aan de rest van Engeland, noteert Van Cauteren in De Vlaamse making of England: “Al snel zijn er tienduizenden, nee, honderdduizenden mensen op de vlucht. Ze overspoelen de Engelse kusten in het zuiden: via de havens van Rye, Winchelsea of Sandwich trekken ze noordwaarts, naar Canterbury en Maidstone, richting Londen. Velen blijven echter onderweg plakken. Sandwich wordt er zowaar een ‘Vlaamse’ stad van. In 1596 stellen de voormalige Nederlanders het er zo goed dat ze de lokale overheid een lening kunnen geven. Want de Vlamingen en de Brabanders arriveren dan wel met (bijna) lege handen, maar ze hebben een hoofd vol kennis. Al snel bouwen ze in Engeland windmolens en weefgetouwen. In het landschap verschijnen hopvelden, want een café zonder bier klinkt misschien erg, maar wat heb je aan bier zonder hop? De Engelsen rijmelen: ‘Hops, Reformation, Bays and Beer / All came to England in a single year.’ Intussen worden zompige moerasgronden ingepolderd, en het land kundig opgemeten en in kaart gebracht – het is geen toeval dat Mercator in 1564 op vraag van de Engelsman William Camden een prent maakt met de Britsche Eilanden. Ze kopen massaal (zee)atlassen, en voor je het weet, staan ze in Noord-Amerika. Maar in de Vlaamse en Brabantse bagage zitten ook traktaten over wapenkunde (altijd handig in tijd van oorlog) en over geneeskunde (idem).” Geen idee of de Engelsen, wier kusten dezer jaren weer massaal overspoeld worden met ‘vluchtelingen’, nog steeds hopen op een nieuw mirakel van die aard, maar tot nog toe is van een dergelijk effect weinig te zien, terwijl de beschrijving van het zestiende-eeuwse wonder ons wel tot een volgende deel in dit boekje brengt: de kledij die genaamde Lady draagt op het schilderij. Ook “luxegoederen” zitten er namelijk in die Vlaamse bagage, “en de technologie om ze te maken (…): stijfsel, zodat de alsmaar groter wordende kragen netjes blijven zitten, en vooral nog groter kunnen worden. Kant en opengewerkte borduursels, om diezelfde kragen af te biezen, hoepels om de jurken volume te geven, en zijde om die jurken van te maken”. Plus de schilders die dat allemaal in beeld brachten: “Vader en zoon Gheeraerts, Lucas De Heere, maar ook Hans Eworth (wellicht Ewouts), Hiëronymus Custodis, Lievine Teerlinc en Susanna Horenbout, Livinus De Voogelaere en Cornelis II De Neve”.

Op de hoofdstukken Flowers are the new black, Schotse muis, en Bloempjes en bijtjes zal ik hier niet dieper ingaan – deze bespreking moet nu ook weer niet te lang worden -, maar het portret in kwestie gezien en de uitleg over allerlei borduursel dat daarop getoond wordt gelezen hebbende, denk ik wel dat Van Cauteren gelijk heeft als ze schrijft: “Met al die meer en minder expliciete amoureuze verwijzingen ruikt het portret van Lady Dering vaag naar een huwelijksportret, of toch naar een voorstelling die die bijzondere gebeurtenis in het leven van Frances moest gedenken. Misschien droeg ze deze jurk op de grote dag – (effen) wit wordt pas mode in de negentiende eeuw, dus het valt alvast op papier niet uit te sluiten. Al is haar bebloemde jurk ook gewoon geweldig modieus, en zijn alle bovenstaande symbolische verklaringen mogelijk ondergeschikt aan het feit dat je als vrouw niet uit de toon wilt vallen als al je vriendinnen bloemenjurken dragen.” Wat dan weer niet wil zeggen dat de vestimentaire keuze ook praktisch was: “Met zo’n molensteenkraag kun je je hoofd amper bewegen, en als je niet uitkijkt, raakt je haar erin verstrikt – zeker in het soort populaire kraagmodellen van omstreeks 1600, waarbij de achterzijde ook nog eens steil naar boven oploopt. Door die verticale kanteling lijkt het hoofd van Lady Dering haast gescheiden van haar lichaam.” Wat niet het geval was met het haar van het hoofd, maar dan ook alleen maar omdat vrouwen dat haar – vanwege “al die kant en gaas en metalen constructies” – wel moesten opsteken, “wat dan weer mogelijkheden biedt als het gaat om complexe knotten en vlechten. Maar ook de kleur is van belang, want koningin Elizabeth heeft de kenmerkende Tudor-haarkleur – een beetje tussen zanderig kastanjebruin en Venetiaans blond in” en “Wie de vorstin wil flatteren, verft het haar in diezelfde tint, met een mengeling van saffraan en solferpoeder, dat helaas even duur is als giftig”. “Voor je het weet, heb je géén haar meer om te verven”, al verloopt dat proces misschien iets trager dan als het constant verstrikt raakt in je kraag, wat dan weer geen probleem is omdat je, net zoals de koningin (die er meer dan tachtig had) uiteraard een pruik kan dragen. Trouwens, wie maalt er om wat extra vergif, als hij ook nog make-up gemaakt van geweldig materiaal als “kwik, antimoon, lood en vermiljoen” gebruikt. “Mooi zijn, is lijden”, schrijft Van Cauteren dan ook terecht.

Nu goed, ik ga een einde maken aan uw lijden in plaats van het ook nog te hebben over de hoofdstukken en hoofdstukjes Pluckley: het dorp van Lady Dering, Hostages to fortune, Paradijs van getrouwde vrouwen, Better than yours, De bovenlip van Cindy Crawford, Chique Saksisch, en De verdwenen landhuizen van Engeland, al zijn die elk op zich niet minder interessant dan de voorgaande. Een mens moet immers érgens eindigen. In het geval van dit boekje dus bij de vaststelling dat het zoals vele van zijn voorgangers in deze serie weerom de moeite van het hebben en lezen waard is.

Björn Roose

dinsdag 21 april 2026

Het veulen Wanfried – Jaak Stervelynck (boekbespreking door Björn Roose)

Het veulen Wanfried – Jaak Stervelynck (boekbespreking door Björn Roose)
Even dacht ik met Het veulen Wanfried het kortverhaal teruggevonden te hebben waarnaar ik al verwees in mijn besprekingen van Russische verhalen van deze tijd (meer bepaald dat van Michaïl Sjolochov daarin, Het veulen) en Hondehart van Michail Boelgakov, maar zulks bleek niet het geval. Evenmin had ik het – wat zou gekund hebben omdat ik het óók al meenam in mijn valies toen ik op reis ging naar Bretagne – al gelezen en eerder besproken, zoals het geval was met Dood in Arles van Axel Bouts en GIPSY van Paul Brondeel. Dat de titel me toch bekender voorkwam dan die van het gemiddelde kortverhaal in mijn boekenkasten, zal dus wellicht gelegen hebben aan het feit dat ik die al noemde in mijn bespreking van De harlekijn op de ruit, een ander, eveneens bij De Clauwaert vzw verschenen, kortverhaal van auteur Jaak Stervelynck, een kortverhaal waar ik werkelijk geen bal aan vond. Ook Het veulen Wanfried was dus in zekere zin, zoals Dood in Arles en Gipsy, een ‘herkansing’. Een geslaagde herkansing in dit geval. Want hoewel Het veulen Wanfried, typisch voor het werk dat bij deze uitgeverij verscheen, een zogenaamde tranche-de-vie is, is het geen melodramatische, of voelt ze toch niet zo aan, en getuigt ze van enige originaliteit.

“Dit is het verhaal van een merrie en van een veulen”, luidt het op de achterflap. “Maar ook van de rijke eigenares ervan, een kinderloze weduwe, die terwille van haar paarden heel wat verzaakt: een huwelijkskans, de opvolging in de zaak van haar vader. Het is vooral het verhaal van een grote eenzaamheid, die slechts om de week onderbroken wordt door een bridgenamiddag met vriendinnen. De kommentaren van die vriendinnen begeleiden het gebeuren, enigszins zoals de koren het deden in de oude Griekse tragediën.” Een lichtelijk, zeg maar sterk, overtrokken samenvatting van het verhaal waarvan ik graag het volgende maak: de “kinderloze weduwe” heeft haar leven voor een groot deel laten leven, of minstens laten beheersen, door haar man (over wie we verder zo goed als niks vernemen), haar vader, haar vriendinnen, maar slaagt erin, geconfronteerd met de kans weer een man te vinden (hij vindt haar eigenlijk), tot het besef te komen dat die “grote eenzaamheid” ook een deugd kan zijn. Dat je eigen koers varen dan wel tot enig verlies leidt, maar ook tot winst. Een gegeven dat niet – zo lomp is Stervelynck niet geweest – rechtstreeks verbonden wordt met de evolutie van het veulen, en daar in de zin dat er bij het veulen geen vrijwilligheid bij te pas komt ook niet rechtstreeks mee verbonden kan worden, maar in die evolutie toch duidelijk zijn parallel vindt: het beestje is oorspronkelijk nauwelijks levensvatbaar, moet voortdurend verzorgd worden door “de rijke eigenares”, wil vervolgens (zoals alle veulens, neem ik aan) vooral niet gescheiden worden van de merrie, wordt zelfs niet onafhankelijk als het op een zekere, schijnbaar nog overbrugbare, afstand van haar gezet wordt, maar leert toch op eigen benen staan als die afstand onoverbrugbaar wordt, als het ertoe gedwongen wordt met zijn “grote eenzaamheid” om te leren gaan. Waarbij “de rijke eigenares” dus tijdelijk in de rol zit van haar overleden man, haar vader, haar vriendinnen, enzovoort, maar van die rol net gebruik maakt om de onafhankelijkheid van dat wat van haar afhankelijk is te bewerkstelligen.

Of dat doet denken aan “de oude Griekse tragediën” weet ik niet, ik ben daar niet echt in thuis, maar Stervelynck heeft het wel mooi gebracht, zonder dat er evenwel veel het citeren waard is. Een slim in mekaar gestoken verhaal waarvan de ‘moraal’ je eigenlijk pas helemaal duidelijk wordt een keer je er weer wat afstand van genomen hebt, maar qua taal nauwelijks een verwezenlijking te noemen. Op een pareltje, een toevalligheid misschien, als dit na: “Hij grinnikte en staarde haar aan met een blik, die ondeugend wilde zijn. Hij was bepaald grof.” Bondig, maar net in zijn bondigheid nog krachtiger dan als Stervelynck er meer woorden zou aan vuil gemaakt hebben. Veel krachtiger dan bijvoorbeeld volgende passage: “Hij kuchte en schraapte de keel. Bescheiden geluiden, die haar door merg en been gingen. Nu zou het komen, nu zou ze de woorden horen, die haar leven overhoop moesten gooien. Haar hart ging hevig aan het bonzen. Plots keek ze onwillekeurig naar hem. Haar blik kruiste de zijne. Zijn ogen lachten, zijn mond vertrok in een grijns, een korte schater deed Wanfried opschrikken. ‘Ik stel me voor,’ zei hij met slepende stem, en onderwijl drukte zijn elleboog harder tegen de hare, ‘ik stel me voor dat jij elke avond naar dit paardejong staat te kijken, terwijl het eet. Vind je het niet een beetje belachelijk?’ Ze antwoordde niet. Ze had het gevoel dat er ineens iets stuk viel. Woede stak op, woede tegen zichzelf. Ze was onvergeeflijk naïef geweest.” Het veulen Wanfried kon dus nog korter en daarmee sterker geweest zijn, maar desalniettemin is het, ook omdat het met zijn vierenvijftig bladzijden sowieso niet te breed uitgemeten is, een blijvertje in mijn boekenkast.

Björn Roose

vrijdag 17 april 2026

Mensen in de oorlog – Andreas Latzko (boekbespreking door Björn Roose)

Mensen in de oorlog – Andreas Latzko (boekbespreking door Björn Roose)
Enigszins tot mijn verbazing vond ik op Wikipedia bijna méér informatie over de auteur van voorliggend Mensen in de oorlog, Andreas Latzko, dan in het Nawoord van vertaler Marcel Misset bij deze in 2025 bij Uitgeverij Jurgen Maas verschenen Nederlandstalige versie van het in 1917 voor het eerst in het Duits uitgegeven Menschen im Krieg. Minder verbazingwekkend was dan helaas weer dat het Wikipedia-artikel niet up-to-date was en dat ik bij het lezen ervan al meteen geconfronteerd werd met iets wat datzelfde Nawoord tegensprak. Niet up-to-date, want dit boek wordt niet vermeld in de Selectie van zijn werk; in tegenspraak met het Nawoord omdat de schrijvelaars van Wikipedia beweren dat “in 1915 (…) de overtuigde pacifist [Latzko] vrijwillig naar het front [ging] om met autoriteit tegen de oorlog te kunnen schrijven.” Terwijl Misset schrijft: “Latzko was geen pacifist. Hij had zijn dienstplicht vervuld, een opleiding tot reserveofficier gevolgd maar zich met doktersbriefjes aan vervelende herhalingsoefeningen weten te onttrekken en hij had een grondige afkeer van alle oorlogsretoriek en nationalisme”. Een parcours waaruit geen pacifistische instelling blijkt, een afkeer die er niet mee gelijk te stellen valt. En een gang naar het front die niet gemotiveerd werd door het idee dan “met autoriteit tegen de oorlog te kunnen schrijven”, maar gerechtigd te zijn er over te schrijven tout court: “Wanneer ik als onbruikbaar zou worden afgewezen, zou ik tot zwijgen gedoemd zijn; ook wanneer de macht van de oorlogscensuur reeds lang zou zijn gebroken, verloor ik voor mijn hele leven het recht, ooit tegen de oorlog te kunnen getuigen (…) Oorlogstegenstander uit angst? – Dat zou voldoende zijn, om mijn stem in een hoongelach te doen verstikken. (…) Voor dit visioen van ongeneeslijke morele verlamming verstomde iedere bedenking tegen het ingrijpen in het eigen noodlot. Vlug verklaarde ik de reeds half afgewende militaire arts, dat ik mij krachtig genoeg voelde voor de wapendienst.”

Krachtig genoeg ook om die “wapendienst” te overleven, maar – zoals de meeste van zijn ‘wapenbroeders’ en ‘tegenstanders’ aan het Oostenrijks-Italiaanse front – niet met zoveel geluk toegerust dat hij er niks aan overhield: “Precies veertien maanden later rest van hem een wrak in een rolstoel. Hij weegt nog maar negenendertig kilo; van puur afgrijzen kan hij al maanden geen hap voedsel meer binnenhouden. (…) ‘Uit noodweer waarschijnlijk, zonder een ogenblik te geloven dat de gloeiende lava zich tot zinnen zal vormen, neem ik een schrijfblok en een potlood in bed, mij door mijn innerlijke pijn plotseling herinnerend dat het eenmaal mijn zelfgekozen levenstaak was, lezers te werven voor mijn gedachten.’ (…) hij schrijft om de waanzin van de oorlog een halt toe te roepen. Op 3 juli 1917 verschijnt, nog steeds anoniem [één van de delen was ook al anoniem verschenen in een Duits tijdschrift dat noodgedwongen in Zwitserland werd uitgegeven, noot van mij], Menschen im Krieg.”

Het verscheen en… het sloeg in als een bom. “Mensen in de oorlog werd een groot internationaal succes. Met de grootst mogelijke moeite weet Latzko aan vervolging door het leger te ontkomen; uiteindelijk zal hij, schuw en blijvend gebroken, in de anonimiteit verdwijnen. Via zijn vriend Nico van Suchtelen, de directeur van Uitgeverij Wereldbibliotheek, belandde hij na vele omzwervingen in Nederland, zijn latere werk zou alleen nog in Nederlandse vertaling verschijnen.” Zijn latere én het voorliggende werk overigens, want Menschen im Krieg werd in 1918 al bij genoemde Wereldbibliotheek uitgegeven onder de titel Menschen in den oorlog. Wat niet belette dat de auteur na zijn overlijden in 1943 grotendeels vergeten raakte. “Al decennia is Andreas Latzko weer even onzichtbaar als hij was toen Stefan Zweig een stukgelezen exemplaar van Menschen im Krieg in handen kreeg”, schrijft de vertaler verwijzend naar het ook in deze nieuwe uitgave opgenomen Voorwoord van Zweig (al verscheen dat Voorwoord, aldus de voetnoot erbij, “oorspronkelijk in de Franse vertaling van Latzko’s novelle Der letzte Mann in 1920”). Wat kan kloppen als de Selectie van zijn werk van Wikipedia voor de rest enigszins strookt met de feiten: in 1946 verscheen postuum nog De achterhoede, waarin datzelfde voorwoord gebruikt werd (Zweig kon er geen nieuw meer schrijven, want hij had in 1942 zelfmoord gepleegd), in 1950 Levensreis (waarvan de Duitse versie uiteindelijk in 2017 onder de titel Lebensfahrt uitgegeven werd), en daarna niks meer.

Eeuwig zonde, voornamelijk wat betreft het klaarblijkelijk ook niet meer verschijnen van herdrukken van Mens(ch)en in de(n) oorlog. Want dit is een ongelooflijk aangrijpend boek. Ongelooflijk aangrijpend omdat wat de auteur er in verkondigt, wat hij er in uitbeeldt, niets aan werkelijkheid heeft ingeboet. Ja, Mensen in de oorlog gaat over de Eerste Wereldoorlog, over een front dat we in de Lage Landen niet echt kennen bovendien (ik wist bijvoorbeeld wel dat de Italianen ook betrokken waren bij de slachtpartij, maar had er nooit aan gedacht dat ze bijgevolg tegenover de Oostenrijkers moesten hebben gestaan en dat dat mogelijk óók in een loopgravenoorlog zoals die in Vlaanderen en Noord-Frankrijk geweest was), maar eigenlijk gaat het over élk front, élke oorlog, elk ‘spel’ waarbij mannen in uniform en politici pionnen over een kaart schuiven, pionnen die in hun menselijke vorm aan flarden worden geschoten zonder dat zij zelfs maar een kans maken te delen in de winsten die die mannen in uniform en politici tijdens en na dat spel oprapen. “Wie Latzko’s klassieker heden ten dage (her)leest”, schrijft Misset, “ontkomt niet aan de conclusie dat zijn aanklacht tegen de oorlog tevergeefs is gebleven, en dat Europa inmiddels weer één grote kazerne lijkt. Er woedt een oorlog aan zijn grenzen, maar in een vreedzame oplossing – hoe ver weg ook, lijkt hier niemand geïnteresseerd. Pacifisten, zelfs mensen die menen dat ‘een nadelige vrede beter is dan de meest rechtvaardige oorlog’ [een uitspraak van de toch niet dwaze Erasmus, noot van mij], worden in het ooit ‘neutrale’ Nederland [en evengoed in belgië, noot van mij] nog altijd beschouwd als idioten, die alleen de vijand in de kaart spelen.”

Wie, zoals ik, en met de jaren meer overtuigd - daar waar ik vroeger minstens geen grote problemen had met oorlogen die anderen elders voerden - inderdaad de kant tegenóver de oorlog gekozen heeft, wie zich niet laat meeslepen in de onnozele spelletjes van ‘Zij zijn begonnen’ en ‘Wij willen vrede, maar ze moeten ons die geven onder onze voorwaarden’, weet dat dat waar is. We zijn allemaal uitgemaakt voor, en ik grabbel maar even in de ton, ‘Poetinpijpers’, ‘roebelhoeren’, ‘landverraders’, en tutti quanti, door - vooral - mensen die net zomin als wij belang hebben bij oorlog, maar wel ‘denken’ dat ze dat hebben. We zijn bij het groot vuil gezet als ‘extreem-rechts’, ‘smerige communist’, of ‘Russische spion’ door mensen die effectief, politiek of economisch belang hebben bij oorlog, of – weerom – ‘denken’ dat te hebben. We zijn weg gesist door mensen die, zoals velen van ons, een stuk meegegaan zijn in de retoriek en nu niet meer weten hoe ze zonder gezichtsverlies op hun stappen kunnen terugkeren. En we hebben en masse geleerd dan maar onze grote bek te houden in het openbaar omdat we in zo’n behandeling geen zin hadden. Laat die ‘we’ waaronder ik in dit geval mezelf reken dit boek zeker lezen en laat de rest dat niet doen, dat geeft niet. Er komt nooit een dag waarop datgene uitkomt wat Latzko op de eerste bladzijde schreef, “Ik weet zeker dat eens de tijd zal komen, waarin iedereen net zo denkt als ik”, maar elke man (en in voorkomend geval vrouw) die zich niet laten reduceren tot “mensenmateriaal”, zich niet tot “mensenworst” laat vermalen voor “het Vaderland” (“Die dachten zeker dat voor een boerentrien een man met één oog en een halve neus nog goed genoeg zou zijn? Vaderland?… Zou ze dan met het vaderland aan de arm naar het altaar schrijden? Kon ze met het vaderland goede sier maken, als andere vrouwen haar vol medelijden zouden nakijken? Reed het vaderland soms met wapperende linten op de hoed door het dorp?”), voor “de vrijheid”, voor “de Europese waarden”, is er een gewonnen. Een die dan misschien niet in een hedendaagse versie van De afmars, tevens de titel van het eerste hoofdstuk, terechtkomt: “Dag en nacht floten locomotieven, rolden zwaarbeladen treinen met zingende, opgetuigde soldaten, met hoog opgestapelde hooibalen, loeiend slachtvee, zorgvuldig vergrendelde, sinistere munitiewagons richting front; andere kropen langzaam huiswaarts, gemarkeerd met een bloedig kruis dat de oorlog over de wanden en de inzittenden had geworpen.” “Je vertrekt, en dat ze je laten vertrekken, dat is verschrikkelijk!” “Dat vrouwen wreed zijn, dat was de verrassing! Dat ze kunnen glimlachen, rozen kunnen gooien, dat ze hun mannen afstaan, hun kinderen, hun jongens die ze duizend keer naar bed hebben gebracht, duizend keer hebben ingestopt, geaaid, die ze zelf hebben gedragen, dat was de verrassing! Dat ze ons hebben afgestaan – dat ze ons hebben uitgeleverd, weggestuurd! Omdat iedereen zich schaamde daar zonder helden te staan, dat was de grote teleurstelling, mijn beste! Of denk je dat wij waren gegaan als ze ons niet hadden gestuurd? Denk je dat echt? Vraag dan eens aan de domste boerenknecht aan het front waarom hij zo graag een medaille wil, voor hij op verlof gaat. Omdat zijn meisje dan meer van hem houdt, omdat de meiden dan in trossen achter hem aan lopen, omdat hij met zijn medaille de wijven voor ieders neus kan wegkapen. Daarom, alleen maar daarom. De vrouwen hebben ons gestuurd! Geen generaal had iets kunnen beginnen als de vrouwen ons niet in die treinen hadden laten proppen, als ze hadden geschreeuwd dat ze ons geen blik meer waardig zouden gunnen als we moordenaars werden. Niemand was vertrokken als ze hadden gezworen dat geen van hen nog het bed zou delen met een man die schedels had gespleten, mensen had neergeschoten, mensen had neergestoken.”

Onder bevel van een kapitein Marschner misschien, een man die zich al vóór hij aan het front komt afvraagt wat hij die “eerbiedwaardige gezinshoofden die nog maar een paar uur in het veld stonden en nu pas hun vuurdoop zouden beleven, die voor het eerst kruit zouden ruiken” aandoet, of onder dat van een luitenant Weixler, “die aan niets anders dacht dan aan het Kruis van Verdienste dat hij zo snel mogelijk wilde verdienen, (…) zo’n twintigjarige ijzervreter, voor wie de wereld alleen om zijn eigen uiterst gewichtige persoon draaide en die nog geen tijd had gehad om het leven te leren waarderen”. In ieder geval op weg om even grote sukkels naar het leven te staan: “Wat restte die simpele mannen nog, die metselaars, monteurs en landarbeiders die zonder enig dieper inzicht over hun werkdag gebogen hadden geleefd, als de hoge heren, de knappe koppen en de kapitein met die drie gouden sterren op zijn kraag hun verzekerden dat het hun plicht en uiterst eervol was om Italiaanse metselaars, monteurs en landarbeiders overhoop te schieten?” En dat alles op een slagveld, “troosteloos grijs. Geen boom, geen vlekje groen. Een steenwoestijn, verpulverd, uitgeput, omgewoeld, zonder een enkel teken van leven. De loopgraven, die vanuit de diepte van het dal omhoog slingerden naar de heuvelrand, waaruit het prikkeldraad klauwde, zagen eruit als vingers die zich spanden om iets te grijpen, boorden zich diep in de gewurgde bodem (…) Al dat leven ging ten onder, als neergebulderd door het geschut, het huilen en knallen, als de polsslag van een onvoorstelbaar hoge koorts, hamerend daar beneden, in het dal. De ene na de andere granaattrechter gaapte daar, dikke, zwarte zuilen aarde spoten her en der op, onttrokken even een deel van de tot as verbrande woestenij, waarin versplinterde boomstronken honend oprezen, als een uitdaging aan de machteloze fantasie: om in dit dodenlandschap vol puin het landschap te herkennen dat er was geweest voor de waanzin erlangs had gestreken en het met puin bezaaid had achtergelaten, als een dansvloer waarop twee werelden om een meisje hadden gevochten. En in die hel moest hij afdalen! Daar beneden leven, vijf dagen en vijf nachten lang, met een groepje verdoemden dat daar werd uitgespuugd, levend aan de haak van een hengel werd gespietst, als aas voor de vijand!”

Aas uitgeworpen door wie zelf niet zal riskeren aas te worden: “Wat was het voor waanzin, hier wegduiken en met een stompzinnig geduld de dood af te wachten – tussen vuilnis en bloed, als een beest op de naakte aarde te verrekken, terwijl anderen vrolijk, schoon, opgedirkt in hel verlichte zalen zaten, zich een muziekje lieten voorspelen, in hun zachte bedden kropen zonder angst, zonder gevaar, beschermd door een wereld die verontwaardigd over iedereen heen zou vallen die hen maar een haartje probeerde te krenken?” “De oorlog droeg in deze kringen de vermomming van de goedheiligman, met een zak vol gulle gaven op de rug en in de hand een aanbeveling voor een glansrijke carrière. Weliswaar droegen enkele heren een rouwband om de arm, voor een broer of zwager die als troepenofficier het andere, dood en verderf zaaiende gorgonengezicht van de oorlog had aanschouwd, maar dat gezicht bevond zich op zo’n grote afstand – hemelsbreed meer dan zestig kilometer – dat een enkel uitstapje die kant op een opwindend uitstapje was, een spannend avontuurtje. Binnen een uur snelde de auto weer terug naar veiliger oorden, naar een warm bad, en liep men weer op halfhoge laarzen over geasfalteerde straten.” “Niet alleen ‘tafeltje-dek-je’ was hier realiteit, was hier tastbare werkelijkheid geworden. De wonderen waren nog niet uitgeput nadat negenentwintig dagen lang alle voorraadkasten waren gevuld. Op de dertigste dag verscheen ook nog de ezel, die zich strekte en rijkdom bracht, en in plaats van vervelende rekeningen fladderden er bankbiljetten door het huis. In plaats van onmin, ruzie en gierigheid lijdzaam te ondergaan propte men verveeld zijn zakken vol met bankbiljetten, die toch overbodig waren in het luilekkerland dat de oorlog voor zijn vazallen had ontsloten.”

Een oorlog waarvan zijn vazallen bijgevolg hopen dat ie zal blíjven duren: “‘Wanneer denkt Uwe Excellentie dat wij op vrede mogen hopen?’ ‘Hopen?’ Dat was toch niet te geloven? Dat een mens, die vast wel iets beters te doen had, met zijn beroep – anders had hij nooit een aanbevelingsbrief van het hoofdkwartier meegekregen – met een dergelijk onbenul over militaire gevoeligheden sprak? Op vrede hopen? Wat had een veldheer voor goeds van de vrede te verwachten? Begreep zo’n burger dan niet dat een commanderende generaal alleen in de oorlog echt commandeerde en werkelijk generaal was, en in vredestijd hooguit een of andere strenge onderwijzer met goudgalon op zijn kraag; een leeghoofd die uit verveling zo nu en dan de longen uit zijn lijf brult? En naar die stomvervelende tredmolen moest hij terugverlangen? Moest hij, omwille van die geachte burger, ‘hopen’ op een tijd waarin de glorieuze leider van het ...ste leger alleen nog inspecties uitvoerde, moest hij als Jan en alleman uitzien naar het voeren van een uitzichtloze strijd tussen een te krappe wedde en een stralend opgepoetste levensstijl, waarin geldgebrek toch weer van maand tot maand zou zegevieren?”

Een militairenhoop voor de uitvoering waarvan ook in onze dagen de politici nog niet kunnen nalaten alle logica te laten vallen – de gelijkenis is sinds de opeenvolging van de zogenaamde corona-pandemie en het conflict in Oekraïne zelfs zéér opvallend: “‘Front’ – ‘vijand’ – ‘heldendood’ – ‘overwinning’ – met hun tong uit hun bek en met rollende ogen jagen die bloedhonden door de wereld. Miljoenen die uit voorzorg zijn ingeënt tegen tyfus, pokken en cholera worden tot razernij opgehitst! Miljoenen worden in treinen geperst – zowel hier als daar – rijden elkaar zingend tegemoet – en hakken, steken, schieten op elkaar in, blazen elkaar op en geven hun vlees en hun botten voor de bloederige brij waarvan vredeskoek wordt gebakken voor de gelukkigen, die hun kalfs- en runderhuid met honderd procent winst offeren voor het vaderland in plaats van hun eigen huid zelf op de markt aan te bieden voor vijftien cent per dag!” “De arme mensen moeten hun gezonde lijf en leden geven, zodat de vijand niets van de overvloed van de rijken afneemt!” Een opoffering waarvan ook ná de oorlog geen ‘return on investment’ te verwachten valt: “Dan mag u, voor zover u nog niet wegrot in de aarde of als bedelaar van deur tot deur strompelt, weer naar huis, naar uw half verhongerde gezin, en mag u – nee: moet u! – weer met verdubbelde ijver aan het werk, onvermoeibaarder en machtelozer dan ooit, om de schoenen die u in honderd dodenmarsen hebt versleten, de kleren die aan uw lijf beschimmelden met zweet en ontbering te kunnen betalen!” Wat toch een groot verschil is met ouderwetse oorlogen, het soort oorlogen zoals we die kenden vóór de twintigste eeuw: “Waren ‘oorlog’ en ‘buit’ niet ooit onverbrekelijk met elkaar verbonden? Werd de lansknecht niet gedreven door hoop op een teugelloos leven – hoop op vrouwen, dukaten en hengsten met leidsels van goud? Mag dit buigen voor een ijzeren tucht, dit bukken, dit passieve alles-of-nietsspel met monsters die vanuit de blauwe verten hun helse heksenketels over elkaar uitstorten – mag dat nog wel ‘oorlog’ heten? Oorlog was de gewelddadige botsing van overvloedige krachten – woestelingen aller landen, jeugd, voor wie het stadje te klein, het wambuis te nauw werd, trokken eropuit, beneveld door hun eigen spierkracht. En nu zou datzelfde woord ervoor moeten opdraaien dat mannen, die allang zijn verankerd aan huis en haard, worden losgescheurd, met de zweep naar het front worden gejaagd en uitgeleverd aan de vijand, om in machteloze gelatenheid, weerloos, als figuranten op te treden in deze krachtmeting tussen munitieconglomeraten?”

Een krachtmeting waarin hun lijden ook nog eens – en zelfs op dát vlak is er niks veranderd – volkomen genegeerd wordt door de pers: “Vriendelijke heren waren het, in hun sprookjesachtig elegante rijbroeken, met reispetten als uit een Sherlock Holmes-film! Ze waren bereid brieven mee te nemen, groeten over te brengen, vonden het geweldig bij mij, lachten uit volle borst om mijn matras van wilgentenen – en waren nog eens dubbel zo dankbaar toen de kar klaarstond vóór het dagelijkse bombardement van de Italianen zou beginnen. Bij het verlaten van het bos moesten ze toch nog een keer langs de man die met zijn afschuwelijk verwrongen gezicht roerloos in het gras lag. Maar ze zagen hem weer niet! Als op commando wendden ze hun hoofden af en bekeken ze de verwoestingen die een luchtaanval een dag eerder had aangericht, opgewonden gebarend, alsof ze alweer tussen de spiegels aan de wanden van een koffiehuis zaten.” “Niemand protesteert! Niemand ziet in donkere hoeken de geschonden, verminkte, opgedregde mensen liggen met opengescheurde lijven of met een blauw oplichtende wang. Ze lopen onder mijn raam door, druk gebarend, opgewonden: omdat de krijgshaftige taal dagelijks vers geslagen uit de Munt komt, iedereen zich geborgen en door instemming beneveld voelt als hij ze rondbazuint. Ik weet dat ze zwijgen, al zeggen ze dat ze zouden willen schreeuwen, brullen; dat ze jacht maken op ‘drossers’, maar geen scheldwoord hebben voor de duizendmaal ergere lafbekken die de totale zinloosheid van het uitmoorden van miljoenen helder beseffen maar toch hun mond niet opendoen. Dat ze jacht maken op mensen die zich proberen te drukken, maar geen scheldwoord hebben voor de duizend keer ergere lafaards die, niet bedwelmd door alle leuzen, de zinloosheid van dit uitmoorden van miljoenen duidelijk inzien en beseffen, maar toch hun mond niet opendoen, uit angst door de onnadenkenden te worden berispt.” Die “onnadenkenden” die ‘His masters voice’ verkondigen en misschien niet eens tot wat anders in staat zijn: “Maar de eerste luitenant Kadar hoorde hem niet. Voelde ook de zware hand niet die op zijn knieën lag, want tegenover hem zat nog steeds de cadet Meltzar, met op zijn nek zijn platte, zwarte ronde kop, waarin de Rákóczi-mars spiraalvormig was gegraveerd. Plotseling was het de eerste luitenant zonneklaar dat hij die arme Meltzar groot onrecht had aangedaan, zes maanden lang! Wat kon die arme duivel doen aan zijn domheid, aan die zouteloze patriottistische kletspraatjes van hem? Hoe had hij met een grammofoonplaat als hoofd helder kunnen nadenken? (…) Met die platte, ronde schijf die ze hem hadden opgezet kon hij natuurlijk nooit begrijpen dat de Italiaanse soldaten die gehavend en bebloed langs de batterij defileerden, natuurlijk ook veel liever thuis waren gebleven, als een aanplakbiljet op de straathoek ze niet had gedwongen om alles uit hun handen te laten vallen (…)”.

Beter is het het niet zo ver te laten komen, de oorlogshitsers te stoppen voor ‘het volk’ zijn hoofd vol marsmuziek heeft en even later vol shrapnel, als het tenminste nog een hoofd heeft. Maar áls ‘het volk’ al iets doorkrijgt, dan is dat pas ná de feiten, zoals Johann Bogdán in het laatste hoofdstuk, De thuiskomst. Wees niet zoals Johann Bogdán, laat je hoofd niet vervangen door een grammofoonplaat, kijk niet weg, laat je niet verblinden door de holle praatjes van politici en militairen, mensen horen niet in de oorlog. Maar dit boek hoort u wel gelezen te hebben.

Björn Roose

maandag 13 april 2026

Cosmetica van de vijand – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)

Cosmetica van de vijand – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)
Amélie Nothomb houdt er al sinds haar eerste boek, Hygiène de l’assassin (1992), in het Nederlands vertaald als Hygiëne van de moordenaar (1995), een dusdanig verschroeiend tempo op na wat haar publicaties betreft, dat het voor iemand als ik, die de meeste van zijn boeken tweedehands koopt, quasi onmogelijk wordt álles, of zelfs maar het meeste, van de auteur in huis te hebben. Als u weet dat ik, voorliggend Cosmetica van de vijand inbegrepen, op dit moment zeventien boeken van haar in mijn kast heb staan, maar dat ze er sinds 1992 ook ieder jaar minstens één gepubliceerd heeft, dan weet u ook dat ik best nog wat van Nothombs werk te verzamelen heb (en naar alle waarschijnlijkheid nog even te verzamelen zál hebben).

Desalniettemin, en dat gezegd zijnde, ben ik bij deze toch al aan mijn zevende bespreking van een van haar werken toe: De hongerheldin, Zwavelzuur, Met angst en beven, Peplos, De spiegel van Mercurius, en Antichrista gingen Cosmetica van de vijand vooraf. En weerom kan ik alleen maar vaststellen dat Nothomb er telkens weer in slaagt met iets ánders uit de hoek te komen. Geen herkauwen van wat ze eerder heeft gedaan, geen doorslagjes, geen variaties op een thema, maar telkens iets nieuws, iets origineels, iets waarvan je het spijtig vindt dat het uit is. Wat ook met dit een kleine honderd bladzijden tellende Cosmetica van de vijand weer veel te snel gebeurd was. De clou van het verhaal geef ik u natuurlijk niet mee, maar gezien u de achterflap toch zou lezen bij aankoop van het boek, krijgt u dié wel van me: “De zenuwen van zakenman Jérôme Angust waren al tot het uiterste gespannen toen hij in de vertrekhal van de luchthaven geconfronteerd werd met een aanzienlijke vertraging van zijn vliegtuig. Tot overmaat van ramp klampt een buitengewoon opdringerige medereiziger zich aan hem vast. Geen enkel argument van Jérôme, geen enkele woedeaanval of bedreiging kunnen de ongewenste indringer ervan afbrengen zijn levensverhaal tot in het kleinste detail uit de doeken te doen aan onze vermoeide protagonist. Dit walgelijke levensverhaal, dat begint met een onwaarschijnlijke verkrachting op een kerkhof en dat eindigt met een moord, wordt met een satanisch genoegen en een grote welsprekendheid verteld als was het een benijdenswaardig avontuur. Later blijkt dat het slachtoffer van de duivelse moord niemand minder was dan de teerbeminde echtgenote van Jérôme. Dan neemt de roman een verrassende wending. De vertelling van Textor Texel [“een heel gewoon patroniem, dat mijn Nederlandse origine verraadt”, aldus de eigenaar van de familienaam, noot van mij], zo heet de kwelgeest, fungeert als een eindeloze spiegel waarin het leven van Jérôme weerkaatst wordt, totdat de hallucinante waarheid tot hem doordringt en hij beseft dat zijn leven gevaar loopt. Een moderne parabel over waarheid en leugen, hypocrisie en geweten.”

Een uitleg die u met een korrel zout moet nemen, die af en toe wat kort door de bocht gaat (onder andere wat het begin van het levensverhaal van Textor Texel betreft), maar die nog net niet over het randje zit van té veel vertellen. Iets wat ik óók niet doe als ik u nog meegeef welke uitleg genoemde Texel geeft aan de in de titel genoemde cosmetica: “(…) de wetenschap van de universele orde, de hoogste moraal die de wereld regeert”. Iets wat niet de hele titel verklaart, maar als ik de hele titel zou verklaren, dan zou dat ook betekenen dat ik de clou van het verhaal (waarmee Texel overigens pas twintig bladzijden voor het einde op de proppen komt) weggaf, en dat is uiteraard niet de bedoeling.

De clou weggeven is iets wat al evenmin gebeurt als ik u zeg dat Nothomb zich bediend heeft van wat dichterlijke vrijheid als ze de ‘kwelgeest’ laat zeggen dat Textor “een van de vele voornamen van Goethe was”. Textor was namelijk de familienaam van diens moeder, Catharina Elisabeth Textor. Een detail zoals één moord dat wordt als je er honderden gepleegd hebt: “Alleen de eerste dode telt. Dat is de moeilijkheid met de schuldgevoelens van een moordenaar: het kan niet meer erger worden. Aan de moord op honderd mensen wordt even zwaar getild als aan de moord op één enkele. Dus als je er één hebt vermoord, kun je er evengoed meteen honderd ombrengen”. Wat dan weer een variant is op de vaak aan Stalin toegeschreven uitspraak (dit is dus geen citaat, voor wie dat zou willen gaan opzoeken, nog los van het feit dat ik me niet bedien van artificial intelligence voor het schrijven van mijn boekbesprekingen) dat “de dood van één man (…) een tragedie [is], de dood van een miljoen (…) een statistiek”.

Een theorie als een ander, zou ik zeggen, bijvoorbeeld als het jansenisme (of ‘jansénisme’, zoals de beweging in het Frans heette, zelfs al werd ze dan genoemd naar de Leuvense bisschop Cornelius Jansen), iets waar Texel regelmatig op terugkomt, zonder er evenwel grote theologische redeneringen aan op te hangen (net zomin als hij dat doet als hij, bijvoorbeeld, Max Stirner en diens De enige en zijn eigendom noemt). Ik zal dat dus óók niet doen, grote theologische redeneringen verkopen, maar weten dat de jansenisten van oordeel waren dat hun tegenstanders, de jezuïeten, veel te veel belang hechtten aan de menselijke vrijheid, terwijl ze zelf van oordeel waren dat de mens na de verdrijving uit de tuin van Eden geen invloed meer kon uitoefenen op zijn eigen verlossing, kan in het kader van dit verhaal nuttig zijn. Onder andere om het standpunt van Texel over een aantal van de fenomenen in zijn leven te begrijpen. “U wordt verteerd door schuldgevoelens omdat u het voer van de katten opeet, maar over een verkrachting hebt u in het geheel geen berouw?”, vraagt Jérôme hem op zeker moment, waarop Texel antwoordt: “Die verkrachting vond ik namelijk lekker, iets wat ik van het kattenvoer niet kon zeggen.”

Een uitspraak die zelfs als er niet ergens een theologische uitleg voor zou zijn (en er is, voor wie maar ver genoeg zoekt, voor zo ongeveer álles wel een theologische uitleg te vinden) natuurlijk nog steeds gewoon grappig is. Zoals volgende passage, deel van een stuk waarin Texel vertelt over al de jaren dat hij na de verkrachting op het kerkhof zijn toenmalige slachtoffer probeerde terug te vinden: “‘Tien jaar geleden, dat wil zeggen tien jaar na de verkrachting, liep ik in het tiende arrondissement van een overheerlijke hotdog te genieten. En wat zag mijn oog, op de boulevard de Ménilmontant? Mijn slachtoffer! Zij was het, zonder enige twijfel. Ik zou haar uit vier miljard anderen hebben herkend. Seksueel geweld schept nu eenmaal een band. In die tien jaar was ze alleen maar mooier, slanker en aangrijpender geworden. Ik ging haar achterna. Kunt u geloven hoe erg het is als je net een warme worst die druipt van de mosterd aan het verschalken bent, wanneer je na een tien jaar durende tocht door de woestijn de vrouw van je leven terugziet? Ik verslikte me voortdurend onder het lopen.’ ‘U had uw snack weg moeten gooien.’ ‘Bent u niet wijs? Ik kan wel merken dat u de hotdogs van de boulevard de Ménilmontant niet kent: die gooi je niet weg. Als ik dat had gedaan, zou ik het mijn aanbedene kwalijk hebben genomen, wat een smet op mijn liefde zou hebben geworpen. Onwillekeurig zou ik haar het verlies van mijn worst hebben aangerekend.’”

Zelfs zonder de ontegenzeggelijke dubbelzinnigheid daarvan zou dat nog enorm grappig zijn. Net zoals de rest van het verhaal eigenlijk, waarmee Amélie Nothomb (nog maar een keer) bewijst dat je zelfs “een moderne parabel over waarheid en leugen, hypocrisie en geweten”, een ernstig verhaal dus, met een portie humor op smaak kan brengen.

Björn Roose

vrijdag 10 april 2026

Zout, suiker, vet – Hoe de voedselindustrie ons in zijn greep houdt – Michael Moss (boekbespreking door Björn Roose)

Zout, suiker, vet – Hoe de voedselindustrie ons in zijn greep houdt – Michael Moss (boekbespreking door Björn Roose)
Sporten (of meer sporten), letten op alles wat je eet, iedereen die wel eens ‘aan de lijn’ gegaan is, weet dat die twee activiteiten de basis zijn van elke kans om enig overgewicht te verliezen. Maar wie graag leest, kan er daar nog eentje aan toevoegen: lezen. Kookboeken? Nee, niet echt. Boeken over de praktijken van de voedselindustrie zijn al zinniger. Boeken als Zout, suiker, vet, ondertitel Hoe de voedselindustrie ons in zijn greep houdt, van Michael Moss, bijvoorbeeld. Niet dat ik dat in 2013 in Nederlandse vertaling bij Uitgeverij Carrera verschenen boek (zo’n driehonderdvijftig bladzijden, euh, dik) speciaal met dat doel in huis gehaald hebt, maar wie het leest, zal in ieder geval weten dat het niet aan hem ligt dat hij zo moeilijk van al die lekkere dingen kan afblijven én waarom ze zo’n absolute ramp zijn voor ‘de lijn’ plus een hele hoop minder direct zichtbare aspecten van zijn gezondheid. En, niet onbelangrijk, hij zal ook weten dat de voedselindustrie zich daarvan bewust is, maar tegelijkertijd niet zo heel veel keuze heeft, al ligt dat laatste dan niet per se aan wat ook al op de achterflap aangehaald wordt: “Zij weerleggen de kritiek met het argument dat de consument de keuze maakt en zij enkel de markt bedienen.”

Iedere economist (die naam enigszins waardig) weet namelijk dat bedrijven (dito) markten creëren en niet zitten te wachten tot er eentje ontstaat. Als u dus in de supermarkt de keuze heeft tussen honderden soorten koekjes, dito hoeveelheden snoep, massa’s ‘verschillende’ pizza’s, hele rekken vol chips en andere zoutjes, diepvriesmaaltijden, bergen kaas, en – om het rijtje érgens mee af te sluiten – belachelijk veel soorten frisdrank, dan is dat niet omdat u daarnaar gevraagd heeft, maar omdat producenten en marketeers (marketing is, zoals de auteur terecht aangeeft, “zeker zo belangrijk” als de rommel die er in gedraaid wordt om eten en drinken te verkopen) ruimte gezien hebben om die, zoals dat heet, ‘in de markt te zetten’. “Hoe de voedselindustrie ons in zijn greep houdt”, is daarom ook een perfecte ondertitel voor dit werk van Michael Moss over wat ook Big Food genoemd wordt (naar analogie met Big Pharma), een werk dat hem naar eigen zeggen “drieënhalf jaar van rondsnuffelen in de werkwijze van de voedingsindustrie gekost [heeft]”, al had er als tweede ondertitel ook nog aan mogen toegevoegd worden: “Hoe de voedselindustrie zichzelf in zijn greep houdt”: “Het cruciaalst is natuurlijk wel de enorme afhankelijkheid van de industrie van zout, suiker en vet. Bijna iedereen van de honderden mensen die ik heb geïnterviewd in de tijd dat ik dit boek schreef – scheikundigen, voedingsdeskundigen, gedragsbiologen, directeuren, lobbyisten – wees me erop dat bedrijven deze drie ingrediënten niet zonder slag of stoot zullen opgeven, op welke manier dan ook. Zout, suiker en vet vormen het fundament van bewerkte voeding. Dé vraag die voedingsbedrijven zich steeds stellen bij het bepalen van de samenstelling van hun producten is hoeveel ze van elk van de drie nodig hebben voor maximale aantrekkelijkheid.” En niet óf ze ze nodig hebben, want het antwoord op die vraag is sowieso ‘ja’. Haal zelfs maar een paar procent van het vet, de suiker en het zout – vaak in combinatie met mekaar te vinden – uit ‘processed food’ en het valt niet meer te vreten (“Helemaal zonder zout verloren de crackers echter hun betovering. Ze voelden aan als stro, kauwden als karton en hadden geen smaak. Hetzelfde gebeurde met de soep, het vlees en het brood dat andere fabrikanten, onder meer Campbell, voor mij probeerden te maken”), als het al niet simpelweg uit mekaar valt, direct wak wordt, of simpelweg niet kan gemaakt worden. Dat zijn, behalve de effecten ervan op de consumenten (die, daar onder andere door de producten zelf toe aangezet worden, méér moeten gaan vreten, niet minder), inderdaad ook de feiten die naar voor komen uit dit boek, en het zijn diezelfde feiten die er voor zorgen dat een dieet voornamelijk bestaat uit het weglaten van datzelfde ‘processed food’ ofte bewerkt voedsel. Je hebt het pas door als je het door hebt, heet het dan met een boutade, maar je kan het behalve proefondervindelijk dus ook leren, onder andere aan de hand van beschrijving en resultaten van proeven (bijvoorbeeld inzake de honger die je krijgt door marihuanagebruik), uit Zout, suiker, vet. Een boek dat overigens begint met de beschrijving van één van de pogingen die in de voedselindustrie ondernomen zijn om iets te doen aan het gebruik van die drie ingrediënten, in de zin van dat te verminderen (want er is meer dan genoeg gedaan om het te vermeerderen), een poging die haast meteen opgegeven wordt omdat een van de belangrijke spelers niet meedoet en de anderen er, wellicht niet onterecht, van uitgaan dat zij, als ze die poging wel door zetten, concurrentieel verlies gaan lijden ten opzichte van die speler. Wie weet dat het dan om spelers gaat als Kraft, Nabisco, General Mills, Procter & Gamble, Coca-Cola, Mars (of naderhand en tijdelijk Philip Morris, dat op zeker moment tien procent van alle Amerikaanse bestedingen aan ‘levensmiddelenbedrijven’ binnenhaalde, maar waar intern ook een strijd woedde om het gehalte aan vet, vlees en zout naar beneden te halen vanwege de verwachting dat die vroeg of laat voor net zoveel controverse zouden gaan zorgen als… nicotine) en toeleveranciers als Cargill en Tate & Lyle, die weet ook dat dat verlies dan al snel miljarden euro’s bedraagt. Nog los van het feit dat je rommel dan ook effectief als dusdanig zal gepercipieerd worden, kan zo’n vooruitzicht nauwelijks een incentive genoemd worden om je leven, laat staan dat van anderen, te verbeteren. Anderen waarmee je je qua levensstijl nauwelijks verbonden voelt al helemaal niet: “Ter verduidelijking kregen ze te horen hoe ze obesitas konden berekenen met behulp van de body mass index, een eenvoudige verhouding tussen lengte en gewicht, en kregen ze enkele momenten om hun eigen BMI te bepalen met de formule die op het scherm verscheen. (Bij dit onderdeel hoefden de meeste mannen in de zaal zich geen zorgen te maken. Ze hadden een personal trainer, waren lid van een sportschool en hadden voldoende voedingskundig benul om voedsel te mijden dat rijk was aan de voedingsmiddelen die ze vervaardigden.)”

Een heel boek over zout, suiker en vet? Dat nu ook weer niet. Marketing is, zoals al gezegd, het vierde belangrijke ingrediënt in de voedselindustrie (er wordt dan ook minstens twee keer zoveel geld in geïnvesteerd als in de ingrediënten die ín de producten gaan), en daarover leer je ook wel wat onder weg van het begin naar het einde van dit werk. Wist u bijvoorbeeld dat lijnextensies, dat wil zeggen de uitbreiding van een product in horizontale richting, van pakweg Coca-Colaclassic’ naar de ‘light’ versie naar de ‘caffeine-free’ naar ‘cherry’, ‘lemon’, ‘vanilla’, enzovoort, enzoverder, als hoofddoel heeft “meer ruimte op het schap [te] bemachtigen”?: “Winkelmanagers zullen” immers “slechts een bepaalde ruimte aan een afzonderlijk product geven, ongeacht de verkoopcijfers. De toevoeging van nieuwe smaken en kleuren creëert nieuwe producten die hun eigen ruimte krijgen, en hoe groter de kans is dat winkelbezoekers een merk zien, hoe groter de kans is dat ze dat kopen.” Of wist u dat de voedselindustrie er – minstens in de Verenigde Staten, waarop dit boek wel enigszins geconcentreerd is, wat dan weer geen hinderpaal hoeft te zijn om het te lezen, want wat ze daar nu al doen, doen we binnen een jaar of tien ook hier – massa’s tijd en middelen tegen aan gesmeten heeft om cursussen huishoudkunde te kapen voor het uitdragen van de ‘convenience’-boodschap, het idee dat ‘ease’ het allerbelangrijkste is, en de mensen die ze gaven te doen ophouden met het verkondigen van boodschappen genre ‘Koop als dusdanig herkenbare voeding’? Of wist u dat niets verhindert dat bedrijven totaal uiteenlopende tactieken gebruiken op verschillende ‘nationale’ markten: bijvoorbeeld in de Verenigde Staten frisdranken in alsmaar grotere flessen verkopen en ondertussen kinderen in Brazilië aan het spul krijgen door het te verkopen in flesjes van twintig centiliter? Of dat het gewoon een verkoopstrategie van Coca-Cola was om McDonald’s zogenaamde menu’s inclusief hún frisdrank te laten aanbieden, een strategie die geenszins schijnt te vloeken met een dominante aanwezigheid op allerlei sportevenementen, of – om er iets aan toe te voegen dat niet uit dit boek komt – natuurverenigingen te sponsoren voor het aanleggen van waterrijke gebieden?

En als we het dan toch over weten en weetjes hebben: “John Harvey Kellogg had één ding voor ogen toen hij zijn uitgestrekte gezondheidscomplex eind negentiende eeuw op de prairie van Michigan inrichtte. Hij wilde mensen genezen van wat een waarnemer ‘americanitis’ had genoemd – de opgeblazen, gasachtige maagpijn die werd veroorzaakt door de kwaal die ook wel bekendstond als dyspepsie. Het hele land scheen eraan te lijden, voor een groot deel door wat mensen aten als ontbijt. Negentiende-eeuwse Amerikanen begonnen de ochtend doorgaans met worstjes, biefstuk, bacon en gebakken ham, waaraan ze in de loop van de dag zout varkensvlees en whisky toevoegden. Vet was in feite de nationale smaakmaker geworden. John Harvey Kellogg had, als student geneeskunde aan het New Yorkse Bellevue Hospital Medical College, van dichtbij gezien wat dit eetpatroon betekende voor de gezondheid van Amerika. Verontrust door de indigestie die hij overal zag, ging hij ten slotte ijlings terug naar zijn geboortestad Michigan, waar hij besloot dat Amerika – behalve de zoveelste dokter – iemand nodig had die betere voeding propageerde.” Betere voeding bestaande uit “pap van tarwegluten, havermoutcrackers, volkorenbroodjes en een thee die van een Zuid-Afrikaanse grassoort was gemaakt”. Dat alles zonder zout en suiker en met een minimum aan vet. Tot de dag dat z’n jongere broer van z’n afwezigheid gebruik maakte om met een bak suiker te experimenteren, wat “de sanatoriumpatiënten pas écht lekker” vonden en leidde tot het uit mekaar gaan van de twee broers en de geboorte van “het zoete ontbijt (…), evenals een basisstrategie van de industrie die levensmiddelentechnologen voortaan altijd zouden hanteren. Telkens wanneer men zich zorgen begon te maken over de gezondheid van een van hun fundamentele ingrediënten – zout, suiker of vet – kozen de voedingsfabrikanten voor de eenvoudigste oplossing: wissel het problematische bestanddeel om voor een ander dat op dat moment niet zo hoog op de ranglijst van zorgen staat.”

Om maar te zeggen dat de weg naar de hel, ook die van een ander, met goede voornemens geplaveid wordt. Of met dikke, vette oplichting natuurlijk, bijvoorbeeld die van Kool-Aid van Philip Morris: “(…) het echt geniale van hun marketingplan school in een vernuftigheid die zowel kinderen als moeders zou aanspreken. De dranken waren grotendeels gemaakt van suiker, kunstmatige smaakstoffen en conserveringsmiddelen. Aan elk plastic flesje voegde het bedrijf echter een scheutje echt vruchtensap toe. Het ging om nauwelijks een halve theelepel sap, slechts 5 procent van de hele samenstelling, zo onthullen bedrijfsdocumenten, maar de Kool-Aid-managers wisten al dat zelfs een snufje fruit zijn gewicht vele malen in marketinggoud waard was.” Maar goed, “vruchtensapconcentraat” had natuurlijk ook gekund: dat “wordt gemaakt in een sterk variërend industrieel proces, waarbij meestal de volgende stappen komen kijken: de vruchten schillen, waarmee veel van de heilzame vezels en vitaminen worden verwijderd; het sap onttrekken aan het vruchtvlees, dat nog meer van de vezel verliest; verwijdering van de bittere bestanddelen; afstelling van de zoetheid door het combineren van variëteiten; en het water laten verdampen uit het sap. In het extreme geval resulteert het proces in wat in de industrie bekendstaat als ‘diksap’, dat eigenlijk pure suiker is, bijna helemaal ontdaan van de vezel, smaken, aroma’s of welke andere eigenschappen ook die wij associëren met echt fruit. Het concentraat wordt, met andere woorden, gereduceerd tot de zoveelste vorm van suiker, zonder voedingsvoordeel boven dat van tafelsuiker of fructoserijke maïssiroop. Zijn waarde schuilt eerder in het gezonde imago van fruit dat het behoudt. Een bedrijf als General Foods kan deze substantie gebruiken en toch de troostende woorden ‘Bevat echt fruit’ op het pak zetten.”

Als daar ander bedrog zou aan te pas komen dan zelfbedrog, de basis van de meeste vormen van oplichting, dan zou dat trouwens nauwelijks bestreden kunnen worden: “De belangen van de consument worden behartigd door het Center for Nutrition Policy and Promotion. Dat het centrum laag in de pikorde staat, blijkt niet alleen uit het feit dat het niet in het hoofdkwartier van het ministerie van Landbouw is gevestigd, maar ook uit het bedrag dat het mag besteden aan de zoektocht naar gezonder eten. Het budget is een armzalige 6,5 miljoen dollar per jaar, wat neerkomt op 0,0045 procent van de totale uitgaven (146 miljard dollar) van het ministerie. Gegeven deze beperking steekt het centrum veel energie in één bescheiden project: het opstellen en verspreiden van een officiële handleiding voor gezonder eten.”

En dan hebben we het nog niet eens over vet gehad. Voor suiker bestaat er een ‘blisspoint’, het punt waarop de hoeveelheid suiker zogenaamd ‘perfect’ is en waarna nog meer toevoegen in eerste instantie niet meer helpt (om te verkopen) en in tweede instantie misschien consumenten wegjaagt, maar voor vet bestaat dat niet eens: “Als er al een breekpunt was, lag dat ergens na moddervette room”. En dan nog: “Drewnowski ontdekte dat de proefpersonen de vetste room nog lekkerder vonden als hij er een beetje suiker aan toevoegde. Iets in deze combinatie bleek een krachtige wisselwerking op gang te brengen. Vet en suiker verhogen elkaars aantrekkelijkheid. (…) En er was nog iets merkwaardigs: als er aan de vettere mengsels suiker werd toegevoegd, dachten de studenten dat de hoeveelheid vet was verláágd. Het vet had zich dus ‘verstopt’. Dit betekende dat voedselfabrikanten vet in hun producten konden stoppen zonder zich zorgen te hoeven maken over een mogelijke negatieve reactie van het menselijk brein. Ze gaan dan ook onbekommerd hun gang. Veel soepen, koekjes, chips, cakes, taarten en diepvriesmaaltijden leveren minstens de helft van hun calorische waarde door het vetaandeel, en toch herkennen consumenten ze niet als vette voedingswaren, wat ideaal is voor de omzet. Om de indruk dat deze producten vet zijn helemaal weg te nemen, hoeven de producenten er alleen maar wat suiker in te doen.” Waarna je binnen de kortste keren bij, pakweg, chocolade- en andere zoete kaassoorten bent (eigenlijk een hoop vet met een smaakje), en andere manieren om de vetberg om te zetten in ‘voedsel’, genre het in soep kappen van roomkaas, een ideetje van – als ik dat goed genoteerd heb – de marketeers van… Philadelphia.

Wat nog niet wil zeggen dat magerder per se beter, gezonder, laat staan natuurlijker is: “Een van de succesvolste methoden om mager rundvlees aan de man te brengen zou tevens de controversieelste worden. Er kwam geen mes aan te pas om randjes vet af te snijden. En ook geen naalden of pekel om het vlees malser te maken. Het ging met ammonia. Met dit goedje werd de magerste, de goedkoopste en de meest gegeten hamburger gemaakt. Deze materie, ook wel bekend als ‘roze slijm’, maar door het ministerie van Landbouw liever ‘mager rundvlees met een verfijnde structuur’ genoemd, wordt gecreëerd door stukken vlees van de vetste delen van de koe te nemen, met soms wel 70 procent vet, waarvan vroeger talk of honden- of kattenvoer werd gemaakt. Vervolgens wordt dit spul in een centrifuge gestopt die het meeste vet eruit slingert. Wat overblijft, is een brij, waaruit al het vet is gehaald, op 10 procent na. De vleesbrij gaat vervolgens in bevroren blokken van 13,5 kilo per stuk naar vleesfabrieken, waar er afsnijdsels van rundvlees aan worden toegevoegd om er hamburgers van te bakken. Ontvet rundvlees werd om een andere reden populair bij de bedrijven die hamburgers maken: het was 15 procent goedkoper dan het van nature magere vlees uit Zuid-Amerika, waar de veefokkers hun runderen gras laten eten en hun dieren dus niet voeden met het in Noord-Amerika gebruikelijke veevoer op maïsbasis, waar het vlees vetter van wordt. Er kon flink wat bespaard worden, wat niet alleen belangrijk was voor de winkeliers en voor restaurantketens als McDonald’s, die hamburgers van ontvet rundvlees kochten.”

Of daar zout in zit, in die “hamburgers van ontvet rundvlees”, zou ik niet weten, maar daarover moeten we het toch ook nog even hebben. Of toch over natrium: “Het probleem was niet zout op zich. Het probleem was natrium, een chemisch element in zout. Om de zaak nog ingewikkelder te maken, legden gezondheidsfunctionarissen uit: zelfs natrium was niet alleen maar slecht. Een klein beetje in onze voeding was noodzakelijk voor een goede gezondheid. Het probleem was dat Amerikanen zoveel zout aten dat ze tien, soms zelfs twintig keer de voor het lichaam benodigde hoeveelheid natrium binnenkregen. Dit was veel meer dan het lichaam aankon. In grote hoeveelheden onttrekt natrium vloeistoffen aan de lichaamsweefsels en brengt ze in het bloed, waardoor het bloedvolume toeneemt en het hart krachtiger moet pompen. Het resultaat: hoge bloeddruk.” Waarbij u rustig dat “Amerikanen” mag vergeten, trouwens: “Mensen houden niet gewoon van zout, ze hunkeren naar hartig eten. Afhankelijk van iemands standpunt is de supermarkt een goudmijn – of een mijnenveld – van zoute etenswaren. Om alles in het juiste perspectief te zien: de dagelijks aanbevolen hoeveelheid zout is volgens de Amerikaanse federale overheid 2300 milligram. In 2010 werd deze hoeveelheid voor mensen die gevoelig zijn voor de gevolgen van zout verlaagd: voor mensen van boven de vijftig, zwarten van alle leeftijden, suikerpatiënten, mensen met een hoge bloeddruk of een chronische nieraandoening. Hun werd dringend aangeraden dagelijks niet meer dan 1500 milligram, dus minder dan een theelepel te gebruiken. Als je deze cijfers kent, is het niet moeilijk te begrijpen waarom de meesten van ons veel meer natrium binnenkrijgen dan we zouden moeten. Tienerjongens en mannen consumeren gemiddeld zelfs twee keer zoveel. De ingrediëntenvermeldingen op de verpakkingen spreken voor zich. En natuurvoeding eten helpt niet bij zout: zelfs de fabrikanten daarvan voegen flink wat zou toe.” Als in die ingrediëntenlijst kijken al helpt: “In de ingrediëntenvermelding [van een diepvriesmaaltijd, noot van mij] kwam zout in negen verschillende gedaanten voor, meer dan enig ander ingrediënt. In het lijstje was een onderverdeling gemaakt van de verschillende bestanddelen. Zout verscheen niet alleen onder vlees, jus, vulling en aardappels, maar was ook het belangrijkste bestanddeel van iets met de naam ‘kalkoensmaak’ en stond hoog in het lijstje onder ‘aardappelsmaak’. Al met al zat er bijna 5400 milligram zout in deze magnetronmaaltijd, en dat is meer dan mensen in twee dagen zouden mogen eten.” Voor wie niets met diepvriesmaaltijden heeft: ik heb hier tijdens het schrijven van deze boekbespreking eens gekeken hoeveel zout er in de bouillonblokjes zit waarvan ik er – zoals aanbevolen op de doos – één per halve liter soep gebruik: bijna zes gram. Ofte 6000 milligram. En ik drink toch effectief zo’n halve liter soep per dag. Voor mij alvast reden genoeg om in eerste instantie het gebruik van dat spul – de bouillonblokjes, niet de soep – te reduceren, en in tweede instantie op zoek te gaan naar vervangingen zónder zout. Terwijl ik toch dacht gezond bezig te zijn. En vond dat mijn soep goed smaakte. Wat ook op meer dan één manier kan verklaard worden door zout: “Tot slot proefden we een groentesoep met rundvlees waarin het natriumgehalte was verlaagd en waarin het gebruik van specerijen niet was aangepast. De soep smaakte niet alleen flauw, hij was ronduit vies. De smaak schommelde tussen bitter en metalig. Deze ongewenste bijsmaken, in de voedingsindustrie ook wel ‘valse noten’ genoemd, zaten waarschijnlijk ook altijd in de gewone soep, maar daarin werden ze verbloemd door zout.” Maar goed, ik zou ook chips kunnen eten op elk moment van de dag, natuurlijk: “Tot slot – en dat is misschien nog wel het belangrijkst – adviseerde Dichter [een adviesbureau, noot van mij] Frito-Lay [onderdeel van PepsiCo en bij ons onder andere bekend van Cheetos, Doritos en Lay’s, noot van mij] zijn chips uit de sfeer van het tussendoortje te halen en ze in plaats daarvan tot een bestanddeel van het Amerikaanse menu te maken. ‘Het toegenomen gebruik van chips en andere snacks van Frito-Lay als onderdeel van restaurant- en lunchroomkost zou sterk moeten worden aangemoedigd,’ zei Dichter, waarbij hij een reeks voorbeelden opnoemde: ‘Chips als voorgerecht met soep, fruit of groentesap; chips als groente bij het hoofdgerecht; chips met salade; chips met eiergerechten bij het ontbijt; chips bij sandwiches.’”

A dream come true, zo blijkt, wat in de zin dat nachtmerries óók dromen zijn ook geldt voor de voedselindustrie en wat we ‘dankzij’ die voedselindustrie allemaal in ons lijf proppen. Zout, suiker, vet is niet echt een, wat dan heet, eye-opener – we weten door de band genomen wel dat die drie dingen, al helemaal in combinatie met stevige marketing, niet bijster goed voor ons zijn -, maar voor wie zijn ogen al (een beetje) open heeft, is het wel een stevige brok achtergrondinformatie om z’n goeie voornemens mee te funderen. Hoe dan ook het lezen waard dus.

Björn Roose