Lezers die bij het zien van de naam Frans van Isacker denken dat ik
met deze boekbespreking in herhaling val, hebben niet helemaal
ongelijk: Frans van Isacker was inderdaad ook de auteur van het boek
dat ik in mijn vorige bespreking tot onderwerp nam, De wereld verandert. En de titel Maar er is een uitweg lijkt niet
toevallig een vervolg op die titel: Maar er is een uitweg ís
het vervolg op De wereld verandert. Een vervolg dat op zeer
korte termijn na het verschijnen van het eerste boek werd
gepubliceerd, maar niet op even korte termijn na dat eerste boek werd
geschreven, aldus het Dagboek van de auteur aan het einde van
Maar er is een uitweg: “Hoewel er slechts weinig tijd is
verlopen tussen de publicatie van De Wereld Verandert en dit
boek, toch ligt er tussen het schrijven en beëindigen van beide
manuscripten een hele periode, bijna vier jaar.”
Een onvoorzien vervolg dus? Niet echt: “Tegelijkertijd met het
schrijven van De Wereld Verandert ontstond ook het plan voor
dit boek. Aanvankelijk bedoelde ik de kroniek van de oorlog en
na-oorlog in een trilogie te verwerken [waarbij het derde deel
allicht Elsie Brand, de verloofde van Eric Toorop, als ‘schrijver’
had moeten hebben, iets wat nu het geval is vanaf het derde deel van
het tweede boek, noot van mij] en het schema daartoe werd uitgebouwd
in oktober 1947. Doch spoedig, nog voor het eerste gedeelte
(Opgejaagd) [van dit tweede boek, noot van mij] af was, kwam
ik tot andere inzichten en reeds in januari 1948 werd de constructie
omgewerkt tot een diptiek. Door al deze perikelen heen werd dit boek
heel wat anders dan een record van stachanovisme. Ik schreef het te
Mechelen in november-december 1947, januari-juli, oktober-december
1948 en januari-februari 1949. Vrijwel gelijklopend werd de tekst
opnieuw ter hand genomen. De derde herziening had plaats tijdens de
maand maart 1949. Daarna kreeg Elsevier de kopij.”
Kopij bevattende een weliswaar omgewerkt verhaal dus, maar wel een verhaal
waarvan het schrijven al tijdens het schrijven van De wereld
verandert werd gepland. Een verhaal – waarover, hoe clever,
eerder genoemde Eric Toorop het ook heeft op pagina 262 van dit boek
- dat dus logischerwijs in de lijn ligt van dat eerste, zij het dat
het zich grotendeels afspeelt ná de Tweede Wereldoorlog, of minstens
na – wat dan heet – “de bevrijding” en tijdens de nadagen van
die oorlog. “Het hele leven, blij en beklemmend tevens, zoals het
zich in België na de bevrijding heeft afgespeeld, heb ik
willen weergeven”, schrijft Van Isacker daarover: “Opnieuw zijn
waan en werkelijkheid in dezelfde twee families geconcentreerd. Maar
welke de inspiratiebron ook zij, realiteit of verbeelding, toch
blijft dit verhaal echt en verhoudingsgetrouw.”
‘Ja en nee’, ben ik geneigd te antwoorden op die bewering. ‘Ja’ in
de zin dat Maar er is een uitweg minder een tearjerker
is geworden dan De wereld verandert, wat een vooruitgang is.
‘Nee’ in de zin dat “echt en verhoudingsgetrouw” toch geen
volkomen correcte beschrijving is voor wat in de plaats van het
tearjerken kwam: de hoeveelheid actie die in dit tweede deel
van de “diptiek” geperst werd, zou nog enigszins geloofwaardig
geweest zijn mits uitgesmeerd over twee delen, maar een deserteur uit
het Hongaarse leger uit de gevangenis bevrijden, een soldaat van het
Vlaams Legioen inzetten om dat te doen en vervolgens die soldaat
helpen ontsnappen aan het naoorlogse ‘gerecht’, hoofdrolspelers
laten trouwen met Amerikaanse soldaten en met Oostenrijkse, het
‘verzet’ trotseren bij het verzorgen van ‘vijanden’, uit huis
gezet worden door de bezetter, beschuldigd en vrijgesproken worden
van economische collaboratie, het ‘recht’ van de straat en het
onrecht van het officiële ‘gerecht’, de macht van de
(crypto-)communisten en de onmacht van de staat (“De minister van
landsverdediging beveelt de ontwapening van de verzetsbenden. Ze
lachen hem uit”), het voorziene opnieuw keren van de kazak mocht
het zogenaamde Von Rundstedt-offensief succes hebben gehad,
enzovoort, enzoverder… het is misschien een heel klein beetje veel
voor de tweehonderdtachtig bladzijden tekst die Maar er is een
uitweg telt (nota bene vijftig minder dan De wereld verandert)
en het is zeker niet “verhoudingsgetrouw”. Ja, die dingen zijn
ongetwijfeld allemaal gebeurd, de ene in grotere hoeveelheden dan de
andere, maar die allemaal op een dergelijke manier samenpersen kán
van het goede teveel zijn. “Het wordt een echte politieroman”,
zegt op een zeker moment een van de hoofdrolspelers, maar Maar er
is een uitweg slaat qua actie nog heel wat in dat genre.
“(…) hier in het park, Ferko, is de oorlog toch voorbij gebleven”,
blijkt ook tijden na de oorlog nog steeds niet het geval (en was ook
in de praktijk niet het geval). Zelfs de grote ideeënleverancier, de
in principe niet meer praktiserende dokter Brand, wordt er af en toe
een beetje moe van. En de eindredactie was dat duidelijk óók.
Zetfouten en zelfs verdwenen zinnen zijn daar de getuigen van:
“Gisteren vierde Hitler zijn tiende / jaar, maar meer en meer, dag
en nacht, dreunen de eska- / hij niet eens gesproken heeft”, is van
dat laatste een duidelijk voorbeeld. “Ze hebben hem nu aangehouden
zonder indentiteit!” eveneens. Maar goed, we zijn niet van de
spellingspolitie. En de maatschappijkritiek die Van Isacker in dit
boek gestoken heeft, mag er hoe dan ook wezen. Over het al eerder
genoemde ‘verzet’, bijvoorbeeld: “Al dat schieten en die
aanvallen, brandstichting, gewapende inbraak of overval… Ik weet
niet wat allemaal, tot moord zelfs… Net of ze daartoe het recht
krijgen, alleen maar omdat ze worden vervolgd en zich moeten
verstoppen. Al wat er gebeurt in de Ardennen maakt me al even razend
als de rest en ik vind het even crimineel… al was het dan alleen om
de represailles en het doodschieten van gijzelaars dat er steeds op
volgt. (…) Op doodslag volgt doodslag en op repressie represaille.
Dit wil ik schrijven: wee hen, die ons dit leren en ons wapens geven
om het te doen! Zij maken zich gelijk aan degenen die ze bestrijden
en ons zenden ze een leed dat groter is dan de oorlog zelf en dat
zich opstapelen zal, steeds maar opstapelen, een eindeloze toekomst
ver. En wie zegt dat wat ze nu leren, ze later zelf niet zullen
moeten ondergaan, van hen juist aan wie ze het leerden?” Of over de
‘precisiebombardementen’ van de Geallieerden, in de woorden van
kardinaal Jozef Van Roey: “Sinds omtrent één maand is België
dag en nacht het voorwerp van voortdurende luchtaanvallen, met het
doel, verklaart men, de stations, de knooppunten en de inrichtingen
van de spoorwegen te vernietigen. Wegens de wijze waarop zij
uitgevoerd worden, doen deze aanvallen ieder maal stroomen bloed
vloeien en veroorzaken zij ongehoorde en onherstelbare verwoestingen
in onze stedelijke en landelijke agglomeraties. Reeds duizenden onzer
landgenoten vonden een vreeselijken dood onder de puinen van hun
huizen of in de ingestorte schuilplaatsen waarin zij zich veilig
achtten. Reeds vertoonen de bijzonderste steden van ons land, te
beginnen met Brussel, Luik, Gent, Charleroi, in gansche wijken, nog
slechts puinhoopen. Aloude steden, bij voorbeeld Mechelen en Leuven
die ik rechtstreeksch onder het oog heb, zijn voor een derde of voor
de helft vernietigd, inbegrepen verschillende van hun kostbaarste
monumenten. Over bijna de gansche oppervlakte van het land, heerschen
dood en verslagenheid. Men zegt ons weliswaar: Deze uitwerksels zijn
ongetwijfeld ten zeerste betreurenswaardig, maar zij zijn een
onvermijdelijk gevolg van krijgsverrichtingen, die tot doel hebben de
door de vijand benuttigde verkeersmiddelen en fabrieken te vernielen.
De werkelijkheid, die wij met eigen oogen vaststellen, is deze:
buiten zeldzame gevallen, waarin enkele vliegtuigen, bij dagvlucht,
hun objectief treffen, zonder groote schade aan te richten in de
omgeving, worden spring- en zelfs brandbommen blindelings, lukraak,
zonder eenig onderscheid, op meerdere vierkante kilometers van
bebouwde agglomeraties uitgeworpen. Is het noodig om
spoorweg-installaties, gelegen aan de rand van een stad, te treffen,
dat luchtformaties, in dikke drommen, bijzonder ‘s nachts,
honderden, duizenden bommen van het zwaarste kaliber op gansch een
stad doen neerkomen? Is deze wijze van doen in verhouding tot het
beoogde doelwit? Hoe kunnen deze reusachtige en ongeregelde
inspanningen, zelfs van militair standpunt uit, verantwoord worden?
Het is klaarblijkelijk – we zien het en wij bevestigen het – dat
men de voorzorgen niet neemt, die onontbeerlijk zijn en die het
mogelijk is te nemen. Hoe kan dus deze handelswijze vóór de rede en
het menschelijk geweten gerechtvaardigd worden? Men zegt ons
nog: Verblijft niet in de nabijheid van vormingsstations en van
vertakkingspunten van de spoorwegen. Maar hoe ver reikt de
gevaarlijke zone, wanneer men vaststelt dat bommen slachtoffers maken
en woningen vernietigen tot op verschillende kilometers afstand van
deze objectieven? Bovendien, waar zou een zoo dicht op elkaar
gedrongen bevolking als de onze, in een land met spoorwegen bedekt,
kunnen naartoe vluchten?”
Elke vergelijking met hedendaagse toestanden is – uiteraard, ik zou niet
durven – denkbeeldig, maar ik wou deze, door de auteur
gecursiveerde, passage toch even meegeven. En dat in tegenstelling
tot de info die ik ook al neerpende in mijn bespreking van De
wereld verandert. Zoals het geval is met dat boek en het
voorliggende, mag u wat mij betreft ook de besprekingen daarvan als
een ‘diptiek’ beschouwen.
Björn Roose






