vrijdag 24 juli 2026

Waterloo, Einde van een droom – Frederick E. Smith (boekbespreking door Björn Roose)

Waterloo, Einde van een droom – Frederick E. Smith (boekbespreking door Björn Roose)
Ik neem aan dat je al héél weinig uit de geschiedenislessen moet onthouden hebben om bij het lezen van een titel als Waterloo, Einde van een droom niet meteen door te hebben dat de droom in kwestie er eentje van Napoleon en zijn aanhangers moet geweest zijn. Als je dan ook nog de fries met kanonnen op de omslag van dit in een niet vermeld jaar (dat na enig onderzoek 1970 blijkt te moeten zijn) bij Ad. M. C. Stok Zuid-Hollandsche Uitgevers Maatschappij uitgegeven boek ziet staan, dan ben je daar wel definitief van overtuigd.

Waarmee je echter nog niet zeker weet wat voor vlees je in de kuip hebt. Iets wat verandert vanaf de titelpagina. Daarop staat namelijk te lezen: “Met talrijke foto’s, ontleend aan de gelijknamige film”. Een “gelijknamige film” die, zoals dit boek in zijn oorspronkelijke Engelstalige versie, in zijn titel geen vermelding maakt van dat Einde van een droom, maar slechts Waterloo heet, een “filmproduktie” (ook uit 1970) van ene Dino de Laurentiis. Eigenaardig, denk je dan, maar goed, foto’s zijn wellicht leuker dan schilderijen en andere voorstellingen van het slagveld.

Een paar bladzijden verder krijg je dan te lezen dat “de schrijver (…) gaarne zijn dank [betuigt] voor de waardevolle gegevens die hij aan de volgende biografieën en standaardwerken mocht ontlenen”, waarop die “biografieën en standaardwerken” volgen, maar dan komt de toch nog enigszins verrassende melding “WATERLOO, Een roman gebaseerd op de film van Dino De Laurentiis”. Met daaronder: “Frederick E. Smith, de schrijver van ‘633 squadron’ en ‘A Killing for the Hawks’, wiens negen andere romans voortdurend worden gevraagd, en een auteur, bekend wegens zijn belangstelling voor militaire aangelegenheden, heeft een voortreffelijke roman gecreëerd, gebaseerd op Dino de Laurentiis’ spectaculaire film ‘Waterloo’ – een van de veelbetekenendste veldslagen van de geschiedenis – met in de hoofdrollen Rod Steiger als Napoleon en Christoffer Plummer als Wellington.” Plummer (overleden in 2021) is kennelijk het bekendst vanwege zijn rol als kapitein Von Trapp in de uit 1965 daterende film The Sound of Music (die van Doe a Deer, inderdaad), Rod Steiger (overleden in 2002) vanwege onder andere zijn acteerwerk als Viktor Koramovski in Doctor Zhivago, Dino (eigenlijk Agostino) De Laurentiis (klaarblijkelijk tóch met een grote ‘D’ geschreven)… vanwege het produceren van zo’n honderdvijftig films, waaronder exemplaren van Federico Fellini (voor diens La Strada kreeg hij in 1957 de Oscar voor beste buitenlandse film), Ingmar Bergman, David Lynch, Stephen King en Ridley Scott. Dat laatste - toch niet slecht voor iemand die zijn studies gevolgd heeft aan het Centro Sperimentale di Cinematografia (ofte Scuola Nazionale di Cinema), de filmschool die opgericht werd door Luigi Freddi, cinemaverantwoordelijke van Benito Mussolini, en Vittorio Mussolini (zoon van), als deel van de Cinecittà Studios - being een enorm gat in mijn cultuur, maar ik moet dan ook toegeven dat films als Barbarella, King Kong, Flash Gordon, Red Sonja, en Evil Dead II nooit zo hoog op mijn lijstje hebben gestaan dat ik er de producer van zou kennen, terwijl die me ook bij Hannibal (het vervolg op The Silence of the Lambs, ofte De schreeuw van het lam), Red Dragon (de prequel op diezelfde film) en Hannibal rising (een naar mijn mening volstrekt overbodige vroege prequel op de hele serie) volkomen ontgaan was. Maar Frederick E. Smith (waarbij de ‘E.’ kennelijk voor ‘Escreet’ staat)? Ja, die is inderdaad de in 2012 overleden auteur van een boek dat 633 squadron heet, dat negen vervolgen kreeg en op zijn beurt verfilmd werd, en van nog een hele serie andere boeken waarvan ik nog nooit gehoord heb en die ik gebaseerd op hun titel ook nooit in huis zou halen, maar da’s dan ook het enige wat ik over de man weet te zeggen, wat dan weer niet zo heel veel minder is dan de Engelstalige Wikipedia vermeldt (wat op zijn beurt meer is dan wat de Nederlandstalige versie meegeeft, want da’s helemaal niks). Wat – de ‘wat’ten volgen mekaar snel op – dan weer niet noodzakelijk wil zeggen dat dit een slecht boek zou zijn, zelfs al is het verboeken van een film volgens mij sowieso de omgekeerde wereld.

Maar goed, Waterloo en wat daar rond gebeurde bood weinig filosofie en veel drama, dus wie graag een film met véél volk draait en daar de middelen toe ter beschikking gesteld wordt, die kan daar wat mee. “De loop der gebeurtenissen die tot de sensationele en bloedige ontmoeting tussen Napoleon en Wellington bij Waterloo leidde, zal de mensheid blijven boeien zolang zij haar gevoel voor dramatiek behoudt. Evenals Duitsland honderdvijftig jaar later, had Frankrijk Europa veroverd. Alleen Engeland, beschermd door de smalle strook zee, was nog niet verslagen. Vanuit zijn geïsoleerde positie trachtte het met geld en door het gebruik van zijn zeestrijdkrachten, de naties die aan de voeten van de briljante Napoleon lagen, bij te staan en te doen herrijzen. Terwijl Napoleon elk verzet onderdrukte, begreep hij dat alleen de nederlaag van Engeland, zijn onverzoenlijke vijand, de duurzaamheid van zijn Europese rijk kon verzekeren. Daarom lag het voor de hand dat toen hij, Frankrijks grootste generaal, ten slotte van aangezicht tot aangezicht kwam te staan met een Brits leger, dit door Engelands grootste soldaat van die dagen, Wellington, werd aangevoerd. Ze wisten beiden dat het erop of eronder was, dat het lot van Europa op het spel stond. En in één ongelooflijk bloedige middag werd het pleit beslecht. Er is in de gescheidenis [sic] geen dramatischer ogenblik aan te wijzen.”, schrijft Smith in zijn Epiloog, waarna hij in kort bestek aan de voorgeschiedenis van de slag begint, er af en toe nóg een vergelijking met Hitler doordraaiend, om in zijn Hoofdstuk I bij de aankomst van Napoleon in Frankrijk te beginnen, de aankomst met een “nietig legertje van nog geen 1.000 man” vanaf het ook al “nietige eilandje Elba”.

Die aankomst is ook het moment waarop de film van De Laurentiis begint mee te spelen in dit verhaal, of toch minstens de filmische manier van werken (ik heb de film niet gezien, dus weet ik niet hoe dicht daartegen Smith gebleven is). Het grote ‘plan’ wordt in de steek gelaten om bij een “jonge Oostenrijkse gezant die voor Lodewijk XVIII stond” terecht te komen, een koning die “verstijfde” bij het nieuws dat “het monster (…) van Elba [is] ontsnapt”; “Napoleon knikte en reed zijn stilstaande afdeling cavalerie een eindje voorbij”; “De baardige wangen van (…) [een] veteraan bloosden onder zijn sjako”; “Verschrikte duiven die boven het plein cirkelden, droegen het hunne bij tot het lawaai”; soldaten in Napoleons troepen en die van Wellington krijgen een naam, een gedragswijze, een specifieke rol. Nauwelijks het soort dingen dat je in een biografie tegenkomt, wél typisch voor films, omdat films nu eenmaal niet genoeg boeien als je je als producer alleen met ‘de grote mannen’ bezighoudt. Of als je je in diezelfde functie bijvoorbeeld alleen maar zou houden aan wat op papier is overgeleverd aan primaire literatuur, want dan krijg je bijvoorbeeld niet van die sappige dialogen tussen Ney en Napoleon tíjdens een speech van die laatste van op het stadhuis van Grenoble.

Dat zijn allemaal zaken die behalve in een film ook goed werken in een, wat dan heet, ‘historische roman’, en dat is nu net wat een beetje ergerlijk is aan Waterloo, Einde van een droom. Op pagina 7 staat dan wel vermeld dat het een “roman” is, maar Smith heeft, ongetwijfeld op basis van de “biografieën en standaardwerken” die hij op de pagina daarvóór vermeldt, een hele hoop historische details in dit boek gestoken, die van dit boek méér maken dan een “roman”. Het zoú omwille van die historische details een biografie kunnen zijn, maar doordat je weet dat het boek “gebaseerd” is op een film en het ook filmisch geschreven is, worden die details simpelweg minder historisch. In plaats van de film op te trekken tot het niveau van geschiedenis, wordt geschiedenis hier eigenlijk neergehaald tot het niveau van film. Een probleem dat er vooral een van theorie is, dat weet ik, een probleem ongetwijfeld ook dat zich vooral in mijn hoofd bevindt, maar dat mij desondanks belet in het waarderen van dit boek.

Een probleem dat alleen maar erger wordt overigens door – zoals gezegd, weet ik niet of dat ook in de film voorkomt – de historische leugen die in dít stukje dialoog (en elders in het boek) zit: “Als de oorlog uitbreekt, Davout, vallen we België binnen.” Ik ben het voor de zekerheid nog eens gaan opzoeken – je weet maar nooit of ik ergens een belangrijke geschiedenisles gemist heb -, maar “België” bestond helemaal niet toen Napoleon in 1815 naar Waterloo trok. België is zelfs pas vijftien jaar ná de slag bij Waterloo ontstaan, als onrechtstreeks gevolg daarvan. Als Smith zo’n onzin in zijn boek heeft gestoken, heeft hij die mogelijk uit de genaamde “biografieën en standaardwerken”, maar dan horen die op de stortplaats, niet in een serieuze bibliotheek. Iets wat ik niet ga beweren over deze “roman”, maar als meer dan ‘historiserend’, in plaats van ‘historisch’, kan ik die dan toch niet meer beschouwen. Smith heeft de spanning in zijn “roman” bijna tot het einde toe weten te bewaren (en het zal er beslist ook in het echt, en niet alleen omwille van de afwezig/aanwezige Grouchy, om gespannen hebben), maar wie op méér dan een roman uit is, zou ik toch een ernstiger werk aanraden.

Björn Roose

dinsdag 21 juli 2026

Simon Carmiggelt – Tussen twee stoelen (boekbespreking door Björn Roose)

Simon Carmiggelt – Tussen twee stoelen (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb niet zoveel boeken van Simon Carmiggelt besproken als ik er gelezen heb (omdat ik nu eenmaal al lang aan het lezen was vooraleer ik aan het bespreken begon), maar ben met mijn bespreking van voorliggend Tussen twee stoelen toch al aan mijn vijfde toe. En ik dacht na al dat lezen Carmiggelt toch wel een beetje te kennen: altijd wel goed voor een glimlach, heel soms voor een schaterlach, nog zeldener voor een lachbui, een opa, een sul van een vent, een man die in cafés de mensen zit te bekijken (en beschrijven), een bezoeker van Artis (ook in dít boek, trouwens – “Goed, goed – ga naar Artis. Als de zon schijnt, treft ge er uw soortgenoten bij duizenden aan. De directeur vindt dat prettig, maar ik ben er niet zeker van, dat de ijsbeer hem bijvalt.”), een aan-elkaar-plakker van willekeurige stukjes conversatie, een gezapige toerist, een gebruiker van het openbaar vervoer, van bankjes in parken, van al wat dagdagelijks is, maar dat alles vooral in een weinig opvallende stijl. Cursiefjes hoéven ook niet per se in een opvallende stijl geschreven te zijn, ze zijn een stijl van zichzelf, maar hoe dan ook zou ik u, desgevraagd, voor de stijl sowieso naar – wie anders? – Godfried Bomans hebben doorverwezen, niet naar Carmiggelt. En dat zou ik wellicht nóg doen, maar dan wel uitzondering makend voor Tussen twee stoelen. Of naar de aan deze bundel ten grondslag liggende twee bundels, Louter leugens (daterend uit 1951) en Tussen mal en dwaas (gepubliceerd in 1949). Aan die twee zijn de teksten in Tussen twee stoelen “ontleend” en ik ga er van uit – ik heb ze, wegens niet in bezit, nog niet gelezen – dat er daarin ook nog teksten staan van het niveau van taalkundige verfijning dat tekenend is voor de teksten die er uit gehaald werden. Of van de meeste toch, want hier en daar, voornamelijk in het mini-verzamelingetje Kroegen (uiteraard!), is Carmiggelt toch ‘gewoon’ de Carmiggelt die ik van vele andere bundels kende.

Iets wat dus niet geldt voor het overgrote deel van de ‘stukjes’ in Tussen twee stoelen, wat al meteen – en op dat moment nog tot mijn verrassing – bleek uit het eerste ervan, Een lachsucces, dat aldus begint: “Toen ik een jongmens van zeventien jaar was, placht ik vrijwel dagelijks in sonnetvorm uiting te geven aan mijn verlangen naar vaste verkering. Het was een vertrouwd werkje, dat meestal kort voor het inslapen zijn beslag kreeg, maar op den duur vond ik er toch geen bevrediging in. Ik begeerde niet alleen in poeticis, doch ook metterdaad meisjes te ontmoeten en nam, na lang aarzelen, de zaak op met een oudere vriend, die reeds verscheidene verlovingen had verbroken en een motorfiets bezat, zodat hij als een kenner te boek stond.” Wie de werken van Carmiggelt enigszins kent, zal het met me eens zijn dat dát niet echt klinkt als de ‘standaard’ Carmiggelt én ook inhoudelijk van die ‘standaard’ afwijkt.

Wat overigens nog niet wil zeggen dat die ‘standaard’ er een is die anders in iedere bundel van Carmiggelt aangehouden werd. Al is het maar omdat de stukjes van Carmiggelt in zovele bundels van wisselende samenstelling zijn opgenomen. Het eerste deel van de mini-verzameling In het publiek, bijvoorbeeld, ben ik honderd procent zeker in een ander boek van hem tegengekomen, al zou het mij té veel tijd kosten om nu even uit te zoeken in wélk. Meer tijd nog dan het zou kosten om Zéér sterk, dat als volgt eindigt, niét als een absurd stuk te beschouwen: “Ik liep de kamer uit. Toen ik de buitendeur opende, riep Willebrand mij op onzekere toon na: ‘En nog wel bedankt, hoor’. Bij mijn thuiskomst wachtte mij nòg een verrassing. De slaapkamer binnentredend, zag ik mezelf namelijk naast mijn vrouw in bed liggen. De lezer begrijpt, hoe ik opkeek toen ik mij had wakker gemaakt. Alleen mijn vrouw vond het, geloof ik, niet zo erg. ‘Als jullie maar niet een van beiden de hele dag thuis gaat zitten,’ riep ze, ‘want niets is erger dan een man over de vloer, die geen werk om handen heeft.’ Enfin – we hebben het nu voorlopig zó geregeld, dat we om de beurt een dagje werken. De ene dag schrijf ik het stukje en de andere dag ik. Dit is van mij. Kunt u het merken?”

Al had het natuurlijk ook nog van een ander kunnen zijn, zo blijkt uit het tweede deeltje van de mini-verzameling Een werkdag (in mini-verzamelingen zijn de meeste van de cursiefjes in dit in 1963 bij De Bezige Bij uitgegeven, honderdvijfenzestig bladzijden dikke boekje overigens ingedeeld): “Met dat al blijkt buiten, dat de dag geurt als een meisje van vijftien jaar. Bepaald veerkrachtig spring ik bij het Centraal Station uit de tram en snuif behaaglijk. Schuimende morgen! ‘Neen dief, dat is van Marsman,’ denk ik. Mijn beste beelden blijken, bij nader inzien, altijd van een ander.” Een lichte overdrijving ongetwijfeld, zoals die waarmee het eerste deeltje van de (weerom) mini-verzameling Geringe misslagen begint alvorens dat helemaal uit de hand loopt: “Nou, daar op het Damrak waren we die oude lijn zestien weer spitsuurlijk aan het volstouwen. Door op de rug van een oud moedertje te klimmen, kwam ik nog net mee, als kurk op de fles. Ik duwde krachtig, doch beschaafd en draaide mij moeizaam om, ten einde oog in oog te komen met de voorbijsnellende, frisse lucht, waaraan een mens tijdens zo’n ritje altijd sterke behoefte heeft.”

Wat toch weer eens wat anders is dan het bijna literaire begin van het eerste stukje uit (sorry!) mini-verzameling Een toontje lager: “Ruiende herfstbomen doen mij vaak denken aan Shakespeareaanse wouden, vol wrange narren en ranke minnaars en met een wijze Oberon vooral, die zijn vrouw doet ontwaken uit haar bespottelijke bevlieging voor een ezelskop, met milde hand ener indanthrene echtgenotelijke liefde. Want de herfst, vrienden, is een zéér geserreerd seizoen. ‘Wer jetzt kein Haus hat baut sich keines mehr’ en wie het wèl heeft staat aan het venster en ziet glazig toe, hoe het kokette zomergroen, dat al een tikje fané begon te worden, thans definitief verinnigt tot het goudbruin van een dame, die nog bèst mooie, rustige jaren met Piet tegemoet gaat.” Niet echt raar dat dat stukje bij Willem Kloos eindigt, wat misschien niet kan gezegd worden van hoe het derde stukje in (toch, toch) mini-verzameling Facetten van het huwelijksleven begint: “Aanvankelijk zaten we als een kneuterig echtpaar bij de leeslamp – zij met De Pest van Camus [zie mijn bespreking hier, noot van mij] en ik met De Walging van Sartre, maar tòch de thee gezellig op het lichtje, of we Willy Corsari op de knie hadden. Toen brak opeens alles stuk, doordat mijn vrouw uit haar stervende ratten opkeek om polemisch te zeggen: ‘Morgen heb ik tachtig gulden nodig’.”

Maar goed, ik kan blíjven citeren, en dat wil ik u nu ook weer niet aan doen. Alleen nog een paar korte dingetjes. Uit Opera: “De zaal verhief zich, applaudisserend en ook ‘t echtpaar enigszins bekruimeld”. Uit Een sprookje: “‘Ach vogeltje, laat ik jou eens even helpen!’ zei de conducteur, die een goed hart had en hij boog zich voorover en spalkte het pootje met zijn sigarettenpijpje. Toen hij klaar was, veranderde het vogeltje eensklaps in een fee en de fee sprak, met een fijn stemmetje: ‘Omdat je zo lief voor me bent geweest, mag je een wens doen’”. Wat het begin is van een verhaal dat me terug deed denken aan Idioten. 5 Sprookjes van Jakob Arjouni. Uit het derde deel van de mini-verzameling Herfstachtig: “De mistige middag maakte de gracht helemaal onduidelijk. Ik liep er vaagjes, want ik wilde mij iets herinneren en faalde telkens als ik het bijna had. Opeens zei iemand iets tegen mij, maar ik verstond het niet, door mijn schemerigheid”. En, ten slotte, uit het tweede deel van – laatste keer dat ik de term gebruik, beloofd – de mini-verzameling Mensen: “Ze wonen maar één straat ver en het zijn rustige mensen. Hij schreef opmerkelijke verzen en werkt dus op een reclamebureau, zij studeerde chemie en kookt daardoor slechter dan iemand, die geen chemie studeerde. Veel boeken, geen kinderen, tòch geen hond, maar een abonnement op ‘The New Yorker’ en ook verder ‘t complete ziektebeeld van intellectuelen, die het niet helpen kunnen en in twee kamers, fijntjes monkelend zitten te wachten tot hun leven om is. Want als u denkt, dat de happy few zich happy voelt, hebt u ze nooit aangekeken.”

Degene die de achterflap van deze uitgave vol pende, noemt Tussen twee stoelen – “een titel die de auteur illustratief acht voor de humor als levenshouding” – een samenvoeging en herziening van “twee van zijn talrijke microverhalen”, wat me onzin lijkt, cursiefjes zijn simpelweg cursiefjes, maar ook als Carmiggelt “er hier en daar, naar eigen smaak, in schrapte en enige later geschreven schetsen aan het boek toevoegde”, is het geheel in ieder geval zeer geslaagd. Ondanks de vermelding overigens dat de inhoud van dit boek er “mede oorzaak [van was] dat Carmiggelt, in 1961 de Constantijn Huygensprijs ontving voor zijn hele oeuvre”. Zo’n prijs uitdelen komt immers, mijns inziens, op zoveel neer als zeggen dat de auteur van dat “hele oeuvre” er zo zoetjes aan wel mee mag stoppen, terwijl het maar goed is dat hij er nadien nog zesentwintig jaar mee is doorgegaan (en daar ook nog wel een paar prijzen voor kreeg).

Björn Roose

P.S.: dat ik consequent ben in wat ik schrijf, blijkt overigens uit het feit dat ik het bij mijn bespreking van Lachen kost niks van Carmiggelt óók al had over het feit dat Een sprookje – blijkbaar eveneens in dié bundel opgenomen - me deed denken aan Idioten. 5 sprookjes van Arjouni.


vrijdag 17 juli 2026

Wierook en tranen – Ward Ruyslinck (boekbespreking door Björn Roose)

Wierook en tranen – Ward Ruyslinck (boekbespreking door Björn Roose)
Ik vermoed dat De schreeuw van het lam van Thomas Harris het ‘laatste’ boek uitgegeven in een ooit voor een appel en een ei bij Het Laatste Nieuws verdeelde serie is geweest dat ik besprak. Hier en daar heb ik er nog wel zo eentje in mijn boekenkasten staan, maar van minstens november 2025 was het dus al geleden dat ik nog een boek uit die reeks ter hand genomen had en met Wierook en tranen van Ward Ruyslinck (als Raymond Charles Marie De Belser geboren in Berchem op 17 juni 1929, als auteur van – ruwe schatting – zo’n vijftig werken overleden in Meise op 3 oktober 2014) had dat ook nog wel even kunnen duren als ik niet op zoek was geweest naar een paar dunne boekjes om mee te nemen op reis.

Met zijn honderdtwintig bladzijden valt dit boekje immers niet meteen bij de fysieke kanjers in te delen. Over de vraag of het dan wél bij de – laat ons ze dan maar even zo noemen – geestelijke kanjers te rekenen valt, zijn de meningen verdeeld. Ongeveer drie vierde van de internetpagina’s gewijd aan het verhaal brabbelen Wikipedia na en beweren dat het “een existentialistisch boek” is, terwijl ík me afvraag waar dat existentialisme dan precies in zit. Een verschil van mening dat er niet is wat de stelling betreft dat “het verhaal (…) zich af[speelt] in Vlaanderen bij het begin van de Tweede Wereldoorlog” en al evenmin aangaande de korte inhoud: “Waldo Havermans vertelt zelf zijn verhaal als negenjarige jongen, die samen met zijn ouders per fiets op de vlucht gaat voor de Duitsers. Bij een vliegtuigaanval op de vluchtelingenkaravaan vlak vóór de Franse grens raakt Waldo gewond en komen zijn beide ouders om het leven. Hij wordt opgevangen door het Belgische leger dat ook westwaarts vlucht. Onderweg ontmoet hij Vera, een veertienjarig buurmeisje, en samen vluchten ze verder. Als het Duitse leger hen inhaalt, besluiten ze terug naar huis te gaan. Waldo is verliefd op het katholieke meisje. Ze komen aan een kapotgeschoten kerk en Waldo ruikt de zoete geur van wierook. In zijn jeugdige romantiek liggen ze samen in het gras, in een lege fabriek, in een hooischuur, in een bootje. Daar worden de kinderen door vier Duitse soldaten opgemerkt, die hen meenemen. Ze voeren hen dronken en uiteindelijk wordt Vera door drie van hen verkracht. Ze wordt naar een ziekenhuis in Gent gebracht waar ze overlijdt. In de kapel van het ziekenhuis wordt hij opnieuw ontroerd door geur van wierook.”

Die korte inhoud klinkt een beetje alsof hij uit een schoolopstel komt, en misschien is dat ook zo (Wikipedia kiest zijn bronnen niet altijd even voorzichtig), maar meer valt er over de feiten in dit boekje inderdaad niet mee te geven. Terwijl misschien ook de stijl waarin het meegegeven wordt passend is. Per slot van rekening is het boek zelf in nogal kinderachtige taal geschreven (bewust, neem ik aan). De eerste paragraaf, “‘Willen we hier maar uitspannen?’ stelde pa voor. ‘We bereiken vandaag toch de grens niet meer en het wordt al donker.’ Hij stapte van zijn fiets. De fiets met de overladen bagagedrager steigerde plotseling en pa ging zwaar op het stuur liggen om het evenwicht te herstellen. Hij zag er als een afgebeuld trekpaard uit en ma ook en ik waarschijnlijk ook”, mag daarbij als voorbeeld gelden.

Existentialistisch? Naïef vooral, wat je van een zogenaamd negen jaar oude verteller ook mag verwachten, en wat slechts heel af en toe doorbroken wordt: “‘Dat is het werk van Duitse spionnen,’ merkte hij grimmig op, ‘die hebben die dingen over de wegen uitgestrooid om onze legerwagens te saboteren.’ In die dagen was àlles het werk van Duitse spionnen, tot zelfs een door een dronken chauffeur omvergeramde wegwijzer.” Een enkele keer deed Wierook en tranen me zelfs aan L.H. Cotvooghels ‘t Belgiksken in Gaskonje denken: “Ik dacht aan het gedicht dat meester Bosch ons op school had geleerd en dat ‘Het Vaderland’ heette; ik had de indruk dat het vaderland in het vers van meester Bosch er heel anders uitzag dan het vaderland onder de hoede waarvan ik naar een verzamelkamp aan de kust gebracht werd.” Het soort “verzamelkamp” waar ook Cotvooghel naartoe gebracht werd dus, maar met dat verschil dat diens boek, met als ondertitel Vakantie voor het Vaderland, hilarisch is, wat Ruyslincks boek nooit wordt. Misschien omdat Ruyslinck een serieuze mens was. Of omdat een hoofdpersonage van negen jaar oud nauwelijks hilarisch kan wezen. Of omdat dit boekje in werkelijkheid eerder een coming-of-ageverhaal bevat dan een oorlogsverhaal. Iets puberaal eigenlijk.

Goed, de negenjarige wordt nu niet meteen ingewijd in de liefde door de veertienjarige, maar haar zedige kus, een kus die er wellicht nooit zou geweest zijn als de omstandigheden de twee niet bevrijd hadden van ouderlijk toezicht, geeft hem toch een raar gevoel. Zoals moeten toekijken hoe de genaamde Duitse soldaten haar opvrijen dat doet. Zoals hij ook de verkrachting niet kan vatten. Of de halve hoerenkast bij “oom Andreas”. Of de professionele liefde van verpleegsters. Allemaal zaken waarmee hij allicht nooit, of toch pas veel later kennis zou gemaakt hebben als de oorlog er niet was geweest. Allemaal zaken waar het volgens mij Ruyslinck werkelijk om te doen was. Allemaal zaken die van dit “existentialistisch boek” voor mij ook een exemplaar maken dat niet per se in mijn boekenkasten hoeft te blijven, zelfs al is het volgens de achterflap een “ontroerende klassieker over een Vlaanderen dat kreunt onder Duitse soldatenlaarzen”, “een hoogtepunt in het werk van Ward Ruyslinck, en een must voor uw boekenkast”.

Ik heb me om tot die beoordeling te komen overigens in ieder geval meer ingespannen dan Stijn Streuvels, van wie ik eerder De oogst, De teleurgang van de Waterhoek, De rampzalige kaproen, en Reynaert de vos besprak. Die stuurde toen hij vanwege de vader van Ruyslinck diens op zijn twaalf jaar geschreven eersteling Vaargeulen toegestuurd kreeg het werk “ongelezen terug, weliswaar vergezeld van een brief vol raadgevingen”. Ik weet niet of Ruyslinck die zelf gelezen heeft, maar ze zullen wellicht pijnlijker geweest zijn dan mijn post mortem ‘kritiek’.

Björn Roose

maandag 13 juli 2026

De taal van het jaar – Ewoud Sanders (boekbespreking door Björn Roose)

De taal van het jaar – Ewoud Sanders (boekbespreking door Björn Roose)
Los van het feit dat ik toch wel een héél klein beetje geïnteresseerd ben in taal, is De taal van het jaar van Ewoud Sanders (“taalhistoricus en journalist”, dixit Wikipedia) weer eens een van die boekjes waarvan ik me afvraag hoe ze in mijn bibliotheek gesukkeld zijn. Vooral omdat de ondertitel me duidelijk had moeten maken dat de scope van dit boekje, een kleine tachtig bladzijden dik en in 2002 verschenen bij Uitgeverij L.J. Veen, effectief slechts één jaar beslaat: Tweehonderdvijftig woorden die het aanzien van 2001 bepaalden. Een goede reden misschien om op zoek te gaan naar de rest van de serie – want dat het om een serie gaat, nam ik toch meteen aan -, maar dat zou onzinnig zijn: er was een editie 2000, voorafgaand aan de voorliggende, een editie 2002, een editie 2003, en daarna niks meer behalve in 2009 een verzameling genaamd Van asotaks tot zedenpleger. Tien jaar nieuwe woorden. Het feit dat de eerste editie bij Contact verscheen, de tweede bij L.J. Veen, de derde bij Prometheus/NRC Handelsblad, de vierde bij Prometheus alleen, en die van 2009 bij NRC alleen, duidt er misschien simpelweg op dat uitgevers er niet echt brood in zien, maar Sanders had ongetwijfeld ook werk genoeg met onder andere Eerste Hulp Bij e-Onderzoek, “een boekje over slimmer zoeken (op internet) en over slimmer documenteren” (weerom dixit Wikipedia) dat, ongetwijfeld met de nodige financiële hulp, “door diverse hogescholen en universiteiten gratis onder studenten verspreid [wordt]” (want zelfs fatsoenlijk opzoekwerk doen, leren ze kennelijk niet meer aan die instellingen).

Edoch, niet getreurd, behalve een héél klein beetje geïnteresseerd in taal, ben ik dat ook in geschiedenis, en wat in 2001 nog nieuw was, is nu geschiedenis. Zelfs het vinden van de woorden waarmee dit boekje gestoffeerd is wellicht. Waar Wikipedia immers schrijft dat Sanders “voor zijn onderzoek (…) gebruik [maakt] van een grote, digitale bronnencollectie, deels in eigen beheer”, was dat zeker in 2001 nog niet helemaal het geval, zo blijkt uit zijn Woord vooraf: “Hoe verzamel je nieuwe woorden? Je zou denken dat daar allang perfecte computerprogramma’s voor bestaan. Een programma dat bijvoorbeeld een jaargang van enkele dagbladen vergelijkt met een interne woordenlijst. En dat dan aan het eind van het jaar een keurige, op frequentie gesorteerde woordenlijst uitspuugt. Weliswaar wordt er met dergelijke programma’s geëxperimenteerd, maar ze zijn nog lang niet perfect, dus vooralsnog kunnen we niet zonder het ouderwetse handwerk. Dat is lezen met een pen in de aanslag.”

Een Woord vooraf waaruit meteen ook blijkt – iets wat doorheen de jaren niet veranderd is – dat de nieuwe woorden behalve tijdgevoelig (wat ze uiteraard zijn, maar waardoor ze na geen tijd ook wel weer eens wegdeemsteren) ook grensgevoelig zijn. Of mediagevoelig. Zelfs wie, zoals ik, een aantal contacten heeft in Nederland en zo ook de media aldaar soms volgt, zal ongetwijfeld regelmatig en ook nog bij het doornemen van de “Toptwintig” (een ‘woord’ dat ik overigens als “Top twintig” zou schrijven, wat mijn spellingcorrector ook weet te waarderen) vaststellen dat wat in het noorden, “in de doorzochte dagbladen en op de Nederlandse webpagina’s”, “het vaakst voor [komt]” niet noodzakelijk ooit of minstens niet in die mate in het zuiden doorgebroken is: 1. 9/11, 2. MKZ-crisis, 3. poederbrief, 4. GSM-bom, 5. adware, 6. Balkansyndroom, 7. mobimeter, 8. make no mistake, 9. powerplate, 10. topmaster, 11. bioterreur, 12. antiglobalist, 13. m-bankieren, 14. kleptocratentaks, 15. belparkeren, 16. jokerbeurs, 17. Máximatour, 18. tophopper, 19. leefloon, 20. antiterreurtoeslag. Op “9/11” na, een ‘leenwoord’ dan nog, waarvan het feit dat het in dit lijstje opduikt ons er even aan herinnert dat de aanslagen in kwestie al dateren van vijfentwintig jaar geleden, zal het woord ‘leefloon’ daar wellicht het enige in het zuiden nog frequent gebruikte van zijn, en dat is eenvoudigweg zo omdat het ook in het zuiden ontstaan is: “Het woord leefloon – dat inmiddels volledig is ingeburgerd in de Vlaamse politiek – dankt zijn bestaan aan een prijsvraag, en dat is in de Nederlandse taalgeschiedenis heel uitzonderlijk. Op 12 maart 2001 kondigde minister Vande Lanotte aan op zoek te gaan naar een nieuw en rechtvaardig begrip ter vervanging van het negatief geworden bestaansminimumtrekker”, een onzinnig idee waar de VRT uiteraard graag op in ging, en waarmee ene Alex Van Goethem zijn fifteen minutes of fame verdiende: “Natuurlijk ging de Vlaamse pers op zoek naar de bedenker van dit succesvolle woord, dat al snel gezelschap kreeg van onder meer leefloners, leefloongerechtigde en leefloontrekker. Het bleek om Alex Van Goethem uit Antwerpen te gaan, ‘chauffeur-leverancier bij een industriële wasserij’. Op 19 juni zei Van Goethem tegen de Gazet van Antwerpen: ‘Er bestaat de kans dat mijn woord later ook in Van Dale’s Woordenboek wordt opgenomen. Dat geeft me toch een gevoel van onsterfelijkheid.’” En mij de kans om te wijzen op hoe dit boekje na het Woord vooraf in mekaar zit. Ik heb niet nageteld of er effectief Tweehonderdvijftig woorden behandeld worden (het helemaal achteraan opgenomen Alfabetisch register er op natellen, zou uiteraard kunnen), maar in alfabetische volgorde en af en toe onderbroken door een Fokke-en-Sukkecartoon wordt per woord wel meegegeven wat het betekent, waar en in welke context het opdook, en wat er aan woorden achteraan kwam denderen. Plus hier en daar een fait diversje, zoals bij 9/11: “Voor autofabrikant Porsche was er onverwachte collaterale schade: sinds de aanslagen in de Verenigde Staten verkoopt de Porsche 911 minder goed.”

Maar ik had het een paar paragrafen geleden over het feit dat wat in 2001 nog nieuw was, nu geschiedenis is. Althans wat de oorsprong betreft. Adware is er nog steeds, maar je kan er meer tegen doen. Als antiglobalist ben ik zelf nog opgetreden in mijn activistische jaren (al beschouwden wij de door de media gepromote ‘antiglobalisten’ van toen simpelweg als ‘andersglobalisten’, een woord dat pas later doorbrak), maar ze zijn er nog steeds (vooral in die ‘andersglobalistische’ vorm, bij mijn weten). De BOB-campagnes, ontstaan in belgië, bestaan ook nog steeds en zijn na 2001 nog verder uitgebreid dan naar Griekenland, Luxemburg en Nederland. Bunkerkrakers werden in 2025 nog even hot news toen ze door de immer vreedzame Amerikaanse regering werden ingezet om atoomverrijkingsinstallaties in Iran mee aan te vallen, al werden ze toen, voor zover ik me dat kan herinneren, bijna altijd aangeduid als bunker busters. Documercials hebben het gezelschap gekregen van (of hadden dat al, ik ben geen taalhistoricus) advertorials. Geocaching is niet meer weggeweest sinds zijn ontstaan, maar wordt nu niet precies door een grotere groep van mensen beoefend. Muisklikactivisten lijken grotendeels over hun hoogtepunt heen, behalve in de Vlaamse Beweging. Van poederbrieven horen we nog heel zelden: de “massapsychose” omtrent voor ‘anthrax’ doorgaand waspoeder ligt nu wel zo’n beetje achter ons, in tegendeel tot – zo bleek toen de Amerikanen vreesden ze wakker gemaakt te hebben met hun aanvallen op Iran – slapers of zelfs hele sleeper cells (want het klinkt natuurlijk indrukwekkender in het Engels). De tijd dat je ringtone (een woord dat overigens al sinds 1998 circuleerde op het internet, maar pas in 2001 debuteerde in de kranten) per se zeer persoonlijk moest wezen duidelijk ook. Een fenomeen dat ook moet doorgedrongen zijn tot het ‘daten’: speeddaten dateert klaarblijkelijk uit 2001 en mensen zijn er nog steeds niet achter dat het niet werkt. Alhoewel, onlangs zag ik – hoe bizar – op mijn werk een affiche hangen voor speeddaten, maar dan offline. Vroeger noemden we dat gewoon ‘uitgaan’, maar goed: achteruitgang is in dit geval vooruitgang.

En dan zijn er de woorden die bij voorbaat al geen kans maakten bekend te worden in het hele taalgebied. Het in de “Toptwintig” genoemde Máximatour, bijvoorbeeld: “Máxima maakte als geen ander duidelijk dat het wel degelijk mogelijk is om in korte tijd goed Nederlands te leren spreken, wat slecht nieuws is voor prins Bernhard, prins Claus en duizenden allochtonen en asielzoekers”, schreef Sanders daar toen onder andere over. Maar dat kan ook een beetje aan de Beaconstrictor gelegen hebben: “Hare [toen nog, noot van mij] Majesteit de Koningin heeft de naam een controlefreak te zijn. Omgang met controlefreaks kan erg beklemmend zijn, en daarom is Bea’s nieuwe bijnaam – Beaconstrictor – goed gevonden, want de boa constrictor is een slang die zijn prooi door verstikking doodt. Beaconstrictor is een vondst van Paul de Leeuw. Op 10 februari 2001 schreef De Leeuw in NRC Handelsblad: ‘Ons land is in de greep van de Beaconstrictor. Máxima wordt, listig, als opium voor het volk, in kleine doseringen toegediend.’ De bijnaam dook later op in Het Parool en is ook diverse malen op het internet te vinden.” Zoals ‘Prins Pils’ en ‘Prins Willem Bier’ voor, intussen, koning Willem-Alexander dus.

Moet ik het nog over fietsflat en fietspoolpunt hebben? Misschien dringen die woorden ooit nog eens door in – uiteraard – Gent, maar voor de rest is de kans dat Vlaanderen zo massaal gaat fietsen dat er een eigen woordenschat uit ontstaat quasi onbestaande. Over kaasslaaf dan, een “buitenlander die op onderdanige wijze wetten, normen en waarden van de Nederlanders overneemt”, waarvoor bij belgische mocros allicht een eigen woord bestaat, als er nog ergens iets van onze “wetten, normen en waarden” te onderscheiden zou zijn? Over kijken of je gras in de ArenA ziet groeien, een zin eigenlijk, waarvan ik niet direct een variant zie ontstaan rond de Ghelamco Arena, excuseer, Planet Group Arena, en die kennelijk een eigentijdse variant van ‘kijken of je het in Keulen hoort donderen’ vormt? Of over melkdubbeltjes (de euro werd pas bij de overgang van 2001 naar 2002 als fysieke munt ingevoerd), over prepromo’s, probeerbonnen, de schoensmeersurinaamse Tara Singh Varma (een term uitgevonden door Youp van ‘t Hek, die kennelijk van oordeel was dat genaamde behalve leugenachtig ook niet kleurvast was), of verleefbarisering, zijnde “de opmars van lokale politieke partijtjes die zich ‘Leefbaar X’ noemen, van ‘Leefbaar Alblasserdam’ tot ‘Leefbaar Zaandam’”, een fenomeen dat ontstond naar aanleiding van de furore die Pim Fortuyn toen maakte met Leefbaar Nederland? Ewoud Sanders noémt Fortuyn niet eens in het ‘lemma’ rond verleefbarisering. Dat zou misschien anders geweest zijn in de editie 2002, het jaar waarin hij vermoord werd. Om maar te zeggen dat taalgeschiedenis ook wel eens aan andere geschiedenissen doet denken.

Een niet geheel onnuttig boekje dus, dit De taal van het jaar, maar wegens nogal eenzaam in zijn soort ook geen houdertje.

Björn Roose

vrijdag 10 juli 2026

De Koning van Tahoua – Herman Vos (boekbespreking door Björn Roose)

De Koning van Tahoua – Herman Vos (boekbespreking door Björn Roose)
Wie mijn boekbesprekingen wel vaker leest, is er van op de hoogte dat ik nogal wat boekjes van De Clauwaert (vzw) in mijn bibliotheek zitten heb. Of beter: had, want de meeste van die dingetjes doe ik weg na lezing. Niet eens omdat ze afschuwelijk slecht zijn, dat niet, maar omdat ze niet de moeite van het houden waard zijn en zelfs al zijn ze maar een halve centimeter dik, elke halve centimeter plaatswinst in mijn boekenkasten nuttig kan gebruikt worden voor nieuw aangekochte boeken of voor boeken die ik wél wil behouden na lezing. De weg naar de zolder – waar ik de boeken bewaar die ik ooit eens denk te verkopen of te wisselen voor andere - werd in 2023 ook afgelegd door Capitán Maria van Herman Vos. Of die weg ook zal afgelegd worden door de door dezelfde auteur geschreven Senso Unico, Petar en Het Zonnerad, dat eerste uitgegeven door De Roerdomp, die laatste twee door De Clauwaert, weet ik nog niet: ze zijn allemaal (iets) dikker dan wat ik doorgaans van De Clauwaert in mijn kasten had staan en ik kan ze niet beoordelen zonder dat ik ze gelezen heb. Maar wat voorliggend De koning van Tahoua betreft: ja, dat gaat ook richting zolder.

En wel om dezelfde redenen waarom zovele andere verhalen uitgegeven in de Novellenbibliotheek van De Clauwaert die weg zijn gegaan: het is lief, het is ‘schoon’, het is zelfs zeer Vlaams van karakter (al gaat het dan over Afrika), maar het handelt niet over iets uitzonderlijks, het is niet bijzonder mooi geschreven, het is gewoon een zoveelste tranche de vie. En Herman Vos brengt het dan wel met een zekere afstandelijkheid, het blijft toch een verhaal dat je in een paar zinnen kan samenvatten: belgische troepen ‘helpen’ een streek in de Sahel waar semi-permanent honger heerst. Ze hebben daarbij als uitvalsbasis een stadje uitgekozen, Tahoua (in Niger), waar ze ook een jaar eerder al geweest zijn, en waar “het jongetje Ibrahim” achter hen aan beginnen lopen is en zo een ‘job’ in de keuken en de vriendschap van de Vlaamse “chef” heeft veroverd. Bij hun terugkomst krijgt “het jongetje Ibrahim” die job opnieuw en ook de Vlaamse “chef” Tack sluit hem terug in z’n armen, maar de familie van “het jongetje Ibrahim” en de stad zijn er intussen niet dommer op geworden en “het jongetje Ibrahim” leert samen met de militairen daardoor ook wat bij. Eind slecht, al slecht. De “Koning van Tahoua” is terug koning af; de leeslessen kunnen weer ophouden; of de belgen nog ooit terugkomen, is onzeker; al hun werk blijft het effect hebben van een druppel op een gloeiende plaat.

Dat van dat “jongetje Ibrahim”, ook “51” genoemd (vanwege een voetbalhemdje met dat cijfer op dat hij gekregen heeft van “de chef”), gaat overigens door van begin tot einde. “Het jongetje Ibrahim, het zoontje van Salidou en Falamatou, werd door Allahs bliksem getroffen. Dat gebeurde vlak vóór de nieuwe moskee van Tahoua. Daar stond Ibrahim vele sekonden lang als versteend. Twee blauwwitte Touaregs keken toe en lachten met hun ogen. Ze zagen het kereltje luisteren als een gazelle die onraad ruikt, en dan wegschieten alsof het werkelijk door een leeuw werd opgejaagd. Het jongetje rende en rende. Eerst naar huis, en de mensen hoorden mama Falamatou die hem met schrille stem wat nariep. Dan ging het dwars door het stadje, en dat is voor een klein jongetje toch een hele afstand”, heet het aan het begin. “Hij zag het jongetje boven op de Landrover en mama Falamatou die wuifde. Toen sloot zich de deur achter hem en hij hoorde dat de motoren werden gestart. Hij gespte zich in en sloot de ogen. In de lege vliegtuigromp was hij alleen met de korporaal.”, luidt het helemaal aan het einde. Dat “alleen” slaat dan natuurlijk op het feit dat “het jongetje Ibrahim” niet mee kan naar belgenland – toen dit boekje in 1976 uitgegeven werd, waren de volksverhuizingen richting Europa nog niet op gang gekomen; als dat wél zo geweest was, had dat einde op niks geslagen -, maar het als met een camera registreren van de ‘feiten’ is dus de manier waarop Vos de eerder genoemde afstand bewaart of toch minstens doet alsof hij afstand bewaart. Iets wat hij gezien de opdracht in het begin van dit boekje sowieso niet hoefde te proberen: “51 bestaat. En de mensen die hem een betere kans wilden geven. Aan hen, en aan allen die zich hebben ingezet voor de Operatie Sahel is dit boek opgedragen”.

Sympathiek van Herman Vos ongetwijfeld, misschien heeft een van de bij die operatie betrokken militairen dit boekje zelfs wel gelezen, maar dat maakt van dit vijftig jaar geleden uitgegeven verhaaltje nog geen literatuur.

Björn Roose

maandag 6 juli 2026

August Vermeylen – Jan Venstermans (boekbespreking door Björn Roose)

August Vermeylen – Jan Venstermans (boekbespreking door Björn Roose)
Lichtelijk arrogant, en duidelijk behept met een lui oog, kijkt het onderwerp van voorliggend boekje me aan van op de cover ervan: August Vermeylen was mogelijk gewoon een man die zich gráág vanuit kikvorsperspectief liet fotograferen, maar gezien het aantal verschillende portretten van hem dat aldus gemaakt is, ben ik geneigd te denken dat hij ook effectief graag op mensen neerkeek. Uit de werken van hem die ik in mijn kasten zitten heb – ééntje: De Vlaamse letteren van Gezelle tot heden – kan ik dat niet afleiden (wegens nog niet gelezen), maar na het (wél) lezen van deze korte biografie van de hand van Jan Venstermans, heb ik in ieder geval de indruk dat ik er wat dat betreft niet helemaal naast zit.

Al twijfelde ik bij het lezen van het Woord vooraf in deze, overigens van de uitstekende titel August Vermeylen voorziene, biografie toch even aan of Venstermans op zijn beurt opkeek naar Vermeylen: “Het is eigenaardig dat de vernieuwing van onze literatuur is uitgegaan van figuren wier zuiver creatief werk zeer beperkt is. Buiten enkele gedichten en prozastukjes zonder veel waarde, heeft Vermeylen slechts twee romans geschreven: De Wandelende Jood, in de bruisende periode van zijn jeugd en Twee Vrienden, waarvan het ontwerp reeds ontstond toen de eerste roman werd ontworpen (1897), maar ongeveer veertig jaar later, op het einde van zijn leven slechts, werd uitgewerkt.”

“Op het einde van zijn leven”, zijnde in 1943 (hij overleed in 1945), in volle oorlogstijd, zonder dat hij daarin werd gehinderd door de Duitse bezetter, terwijl die Duitse bezetter toch “bij het uitbreken van de oorlog (…) besliste (…) dat Vermeylen zijn ambt niet verder mocht waarnemen. De toegang tot de senaatsgebouwen en zelfs tot de universiteitsbibliotheek werd hem ontzegd en hij mocht nergens in het openbaar optreden.” Eigenaardig, maar het kan nog eigenaardiger: Vermeylen was gecoöpteerd senator voor de socialisten, wat enige aversie vanwege de nationaal-socialisten kan verklaren, maar de universiteit waarvan sprake, was die van Gent. Een universiteit waarvan hij van 1930 tot 1933 rector was geweest en “voor de volledige vernederlandsing” waarvan hij “tientallen jaren had (…) geijverd”. Een vernederlandsing die, pro memoriam, tijdens de Eerste Wereldoorlog ook een eis was van de Activisten, die daartoe op de toénmalige Duitse bezetter rekenden, maar waartoe Vermeylen niet behoorde: “Hij speelt een rol in het Vlaamse passivisme [afwachten dus, noot van mij] en hij acht het noodzakelijk sommige van zijn vrienden, die het activisme verkozen hadden, te bestrijden, maar na de oorlog zocht hij onmiddellijk wat de Vlamingen verenigt.”

Op z’n minst schijnbare tegenstrijdigheden wat dat betreft, maar dat kwam bij Vermeylen wel vaker voor (en dat los van het feit dat de reden voor zijn “passivisme” de volgende was: “omdat hij, overtuigd van een Duitse nederlaag, na de wapenstilstand in Vlaanderen zelf een reactie verwachtte die veel kwaad zou berokkenen aan de Vlaamse zaak”). Hoewel hij bijvoorbeeld Pjotr Kropotkin (door Venstermans aangeduid als “Kropotkine”), prins-annex-theoreticus-van-het-anarch(ocommun)isme, bij momenten bijna plagieerde, verdedigde hij, minstens volgens Venstermans, “geenszins (…) een anarchistisch communisme”. Wat meer is: “Wij kunnen niet bewijzen of zijn individualisme reeds beïnvloed was geworden door de lezing van Stirner en Nietzsche”, maar “Vele opvattingen komen reeds met de hunne overeen”. Trouwens, schrijft Venstermans, die opvattingen “zijn zo algemeen en trouwens ook bij Wagner, Emerson e.a. weer te vinden”. Bij Wagner, stel je voor. Uitgerekend bij Wagner. Moet er nog iemand een open deur hebben? Waarlangs dan misschien ook de volgende paragraaf kan binnen gestoken worden?: “Tijdens zijn verblijf te Berlijn en te Wenen heeft Vermeylen alleszins Stirner en Nietzsche gelezen of herlezen. Deze twee Duitse filosofen hebben meer op hem ingewerkt dan Kropotkine en Élisée Reclus.” Maar Stirner dan toch meer dan Nietzsche, volgt al meteen daarna: Vermeylen “worstelde immers met het probleem individu-gemeenschap, en dit laatste element ontbreekt volledig bij Nietzsche.” Beetje kort verteld misschien om de marsrichtingen van Vermeylen goed te kunnen volgen, maar Vermeylen zat er in zijn jeugd in ieder geval niet mee om van marsrichting te wisselen, zei het dat hij niet altijd het lef had om dat openlijk te doen: “Dat Vermeylen zich stilaan verwijderde van het anarchisme bewijst zijn artikel Anarchie geen leer (Ontwaking, 1896, nr. 8, blz. 57-59) waarin hij vinnig, alhoewel onder een pseudoniem, tegen het anarchisme reageerde. Wellicht durfde hij er niet openlijk voor uitkomen, op een ogenblik dat zijn omgeving de anarchistische opvattingen nog verdedigde.” Ga met zo’n ‘individualisten’ naar de oorlog, nietwaar? Of ga met zo’n ‘individualisten’ helemaal nergens heen: “1896 [het jaar waarin hij vierentwintig werd, noot van mij] beschouwen we [ook Venstermans heeft het, zoals Adriaan de Roover in zijn biografie van Paul van Ostaijen, over zichzelf als “we”, noot van mij] als het einde van de ontwikkeling van Vermeylens levensbeschouwing. Al wat hij later geschreven heeft zijn herhalingen of aanvullingen.” “Het opstel Eene Jeugd (V.N.S., N.R., 1e jrg., nr. 4, 1896, blz. 233-244) [waarbij “V.N.S.” overigens staat voor Van Nu en Straks, noot van mij] mag”, aldus nog Venstermans, “beschouwd worden als een afrekening met het verleden en tevens als een berusting in de onmacht de geheimenis van het leven te doorgronden en een positieve norm te vinden, waarop het leven kan gevestigd worden. In Eene Jeugd wordt het zoeken naar een wereldbeschouwing beschreven, zoals trouwens ook symbolisch in De Wandelende Jood en Twee Vrienden, met een tussenruimte van zesendertig jaar, maar beide opgevat in 1897.” Op een leeftijd waarop ik nog een verleden moest beginnen opbouwen, ging Vermeylen dus het zijne al te lijf. Op een leeftijd waarop ik, eerlijk is eerlijk, geleidelijk van anarchisme naar nationalisme overstapte (een beweging die ik nooit helemaal afgemaakt heb), vond hij al dat hij genoeg stappen had gezet. Op een leeftijd waarop ik nog steeds mezelf bijstuur wat mijn ideeën betreft (en daar nooit spijt van heb), zijnde de leeftijd die ik nu heb, was Vermeylen al jaren lid van bezadigde verenigingen als de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde en de Vlaamse Club voor Kunsten, Wetenschappen en Letteren. Mij lijkt dat wel héél lang aanmodderen, maar Venstermans omschrijft het anders: “Uit de overvloed van filosofische systemen en sociale stromingen had Vermeylen omstreeks 1896 een eigen houding tegenover het leven opgebouwd, die in haar bijzonderheden niet oorspronkelijk was, maar als geheel wel een persoonlijke stellingneming was, niet tegenover het universum, zodat hij een hele wereldbeschouwing of een filosofie zouden [sic] hebben uitgewerkt, maar veeleer een praktische levensbeschouwing.” “Dat is berusting, maar geen rust”, voegt Venstermans daar verder aan toe: “En wordt het zelfs geen onrust in de zin die Vermeylen juist voor zijn dood in zijn laatste artikel De Taak schreef? ‘Alles wankelt, twijfel omprangt hart en geest voor de groote vraagstukken die ons bedreigen, en vooral die vraag, die feitelijk alle andere in zich sluit: waarom leven wij? Waartoe moet het leven ons richten?’” Helaas, pindakaas, beetje laat om je na jaren “praktische levensbeschouwing” nog zo’n vragen te gaan stellen.

Maar goed, na het Woord vooraf, de Levensbeschrijving en het eerste deel van het hoofdstuk Vermeylens levensbeschouwing, getiteld Op zoek naar een levensbeschouwing – 1887-1896, volgt een hoofdstuk over de zogenaamde Hoofdproblemen van die levensbeschouwing, en in dat hoofdstuk heeft Venstermans het ten eerste over datgene waar we het al over gehad hebben, Anarchisme en het vrije individu in de gemeenschap, ten tweede over Mysterie, synthese, godsgedachte (iets waar ik niet te veel energie ga insteken, al is het maar omdat Venstermans schrijft dat “niet [blijkt] dat Vermeylen zich actief zou ingespannen hebben om een filosofische verklaring te vinden voor het mysterie”), en ten derde over Religieus gevoel, christendom en ethiek, wat me van het ‘ten tweede’ voornamelijk een gevolg lijkt en waar ik ook niet verder op in zal gaan. Net zomin trouwens als op het daarop volgende hoofdstuk, Vermeylens esthetische opvattingen. Daarin heeft Venstermans het over 1. Esthetische vorming, 2. Hoofdproblemen van Vermeylens esthetische opvattingen (die mens had volgens Venstermans kennelijk nauwelijks wat anders dan ‘problemen’) - met daaronder: a. Het scheppingsproces, b. Vorm en inhoud, c. De synthese van het kunstwerk, d. Gemeenschapskunst, en e. Kunst en moraal en de ethische waarde van de kunst -, en ten slotte 3. Literairhistorische en kunsthistorische problemen (nog méér “problemen”, inderdaad) – met als deeltjes: a. De literaire geschiedschrijving, en b. Methode inzake kunstgeschiedenis -, maar ik vond dat alles kennelijk zó interessant dat ik in de in totaal dertien bladzijden van dat hoofdstuk niet één regel aanduidde. Wat eveneens geldt voor hoofdstuk IV, Vermeylens zuiver scheppend werk, en V, De Vlaming, met uitzondering van één passage die ik ongetwijfeld heb onderstreept om ze in deze boekbespreking te gebruiken: “Het eerste deel [van Twee Vrienden, noot van mij] is te cerebraal en wie niet grondig vertrouwd is met de Van-Nu-en Straksideeën, zal het langdradig en saai vinden.” Geen idee of het ligt aan het feit dat ik ook niet meteen enorm vertrouwd ben met de “Van-Nu-en-Straksideeën”, maar ik vond deze biografie van August Vermeylen, ondanks het feit dat ze, Bibliografie en Inhoudstafel inbegrepen, amper vijfenvijftig bedrukte bladzijden telt, óók langdradig en saai.

Björn Roose

vrijdag 3 juli 2026

Moet Israël verdwijnen? – Paul van de Meerssche (boekbespreking door Björn Roose)

Moet Israël verdwijnen? – Paul van de Meerssche (boekbespreking door Björn Roose)
Laat ons eerlijk zijn: de kans dat u nog nooit een boekbespreking van mij heeft gelezen (terwijl ik er toch al jaren twee per week publiceer), maar wel naar déze bent komen kijken, is verre van onbestaande. Alleen al het woord ‘Israël’ noemen, is goed voor een paar clicks extra, maar dat woord gebruiken in de zin Moet Israël verdwijnen? kan leiden tot hordes schuimbekkende reaguurders, een hoop gezeik over ‘antisemitisme’, de met overslaande stem geuite bewering dat je een schoothond bent van de nieuwste (en ongetwijfeld ook vorige) ayatollah(s), of – ik mag er niet aan denken – een roepkoor georganiseerd door de fans van Sam van Rooy. Een effect dat je zelfs bij die laatste groep, al is hun leider dan ook nog eens zogenaamd Vlaams-nationalist, niet zou bereiken als je de vraag zou stellen of Vlaanderen moet verdwijnen, Rusland opgedeeld, of Canada in zijn geheel aangehecht bij de Verenigde Staten. Het (voort)bestaan van de staat Israël is een serieuze zaak (bijna had ik ‘kwestie’ geschreven, maar dat zou inhouden dat er effectief vragen bij gesteld mogen worden), daar wordt niet mee gelachen, joden over de hele wereld worden geacht zich als verdedigers ervan op te werpen, en iedereen die bij dat alles zelfs maar even met z’n ogen durft knipperen, is ‘de vijand’ (een fenomeen dat er voor heeft gezorgd dat mensen die mekaar tot in het diepst van hun hart verafschuwen een eensluidende stempel op hun voorhoofd gekregen hebben, wat dan weer aan een stoffen stempel uit vroegere tijden doet denken, een stempel waarvan de uitdelers bijna steevast als argument worden gebruikt door de uitdelers van de huidige stempel).

Maar goed, ik had dit boekje van Paul van de Meerssche – als ik het goed heb voormalig hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven -, uitgegeven in 1968 bij de enigszins tamme, maar in ieder geval deugdzame uitgeverij Davidsfonds, nu eenmaal in mijn kast zitten. En doordat ik tijdens verlofperiodes graag wat ‘dunnere’ werkjes consumeer, had ik de kleine zeventig bladzijden die het telt ook gelezen. En doordat ik het gelezen had, ‘moest’ ik het ook bespreken. Zelfs als dat me op onaangenaamheden zou komen te staan. Want zo ben ik nu eenmaal.

Zoals Israël er volgens nogal wat mensen nu eenmaal is. Een idee dat in aanmerking kan komen voor een ereplaats in de galerij der allergrootste idiotieën. In 1830 heeft het er nu eenmaal zijn van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden niet belet dat belgië er kwam, in 1945 het er nu eenmaal zijn van nationaal-socialistisch Duitsland niet dat daar een einde aan gemaakt werd, in onze tijden het er nu eenmaal zijn van een kind in de moederschoot niet dat dat kind (samen met vele miljoenen andere) afgemaakt wordt. ‘Er nu eenmaal zijn’, is een argument van nul en generlei waarde, zo blijkt telkens weer. Vragen of iets nog verder moet bestaan is dus de normaalste zaak van de wereld. Zeker als dat vragen in Vlaanderen wordt gedaan. ‘De tijd verslindt de steden, geen tronen blijven staan’, staat immers zelfs in ons volkslied geschreven. Net zoals ‘een volk zal nooit vergaan’. Dat begint twijfelachtig te worden met betrekking tot het Vlaamse/Nederlandse volk, maar da’s een feit dat niet samenhangt met een hypothetisch verdwijnen van de politieke entiteit Vlaanderen of het Koninkrijk der Nederlanden, net zomin als het eventueel verdwijnen van Israël samenhangt met het voortbestaan van het joodse volk. Het feit dat van dat joodse volk amper 46 procent in Israël woont, moge daarvoor garant staan. Dat er nog zo’n 10.000 (regeringsschattingen) tot 20.000 (‘onafhankelijke’ schattingen) joden in Iran wonen, heeft Israël overigens niet belet bombardementen uit te voeren in steden als Isfahan en Hamedan, waar het grootste deel van die mensen woont. Wie aanneemt dat Israël niet de wens heeft die uit te moorden maar toch rücksichtslos bommen boven hen kan droppen, moet ook aannemen dat wie Israël als staat wil zien verdwijnen niet de uitroeiing van zo’n 46 procent van de joden tot doel heeft.

Dat gezegd zijnde: het is niet mijn bedoeling de bespreking van Moet Israël verdwijnen? te kapen om er de bespreking van een aantal van m’n eigen standpunten ter zake van te maken. Te meer omdat ook bijna zestig jaar na het verschijnen van dit boekje nog steeds geldt wat Van de Meerssche in zijn inleiding schrijft: “Complexer dan de meeste internationale problemen is het Israëlisch-Arabische geschil, omdat inderdaad zowel ten voor- als ten nadele van de Israëlische of van de Arabische tesis op feiten en op principes een beroep kan worden gedaan om de diametraal tegengestelde standpunten niet zonder enig succes te verdedigen.” Een stelling waaruit trouwens mag blijken dat de auteur de vraag Moet Israël verdwijnen? vooral vanuit staatkundige hoek bekijkt, de enige hoek waarin de vraag uiteindelijk thuishoort, al is hij zich er ook van bewust dat dat een moeilijke oefening is: “Uiteraard zijn aangrijpende, tragische en complexe problemen niet zo erg vatbaar voor een objektief betoog. De vraag kan gesteld of een louter relaas van gebeurtenissen en feiten betreffende een zo passioneel geladen en omstreden probleem als het Israëlisch-Arabisch konflikt makkelijk objektief zal heten te zijn. A fortiori mag aanvaard, dat wie zich niet wil beperken tot het louter katalogeren van feiten en gegevens, maar werkelijk wil doordringen tot de kern van het probleem, het risico op zich neemt door een van beide partijen als voor- of tegenstander te worden beschouwd. Dit risico werd hier dan ook bewust genomen, omdat de opzet van dit essay is en blijft: een over- en inzicht betrachten van de evolutie en de fundamentele problemen van het Israëlisch-Arabisch konflikt.” “Fundamentele problemen”, aldus Van de Meerssche, “die zich koncentreren rond de kernvraag: heeft Israël recht op bestaan? Zo ja, waarom wordt dit recht op bestaan door de Arabische landen betwist? In welke mate heeft men sedert de oprichting van Israël op 15 mei 1948 getracht het bestaan van Israël ongedaan te maken? Welke houding hebben de grote mogendheden in dit verband aangenomen en welke rol hebben de Verenigde Naties gespeeld in dit nu twintig jaar durende konflikt?”

‘In dit nu bijna tachtig jaar durende conflict’, zou daar inmiddels van mogen gemaakt worden, maar wat Van de Meerssche vaststelde in dit “essay” is nu niet minder waar dan toen. “De eerste onafhankelijkheidsdag van Israël, 15 mei 1948, was meteen de eerste dag van een gewapende strijd om het bestaan tegen de Arabische nabuurstaten” en al is de ‘Zesdaagse Oorlog’ intussen bijna kattepis in vergelijking met de oorlogen die de Israëlische regering nu voortdurend tegen zijn buren voert (oorlogen waarvoor die regering overigens genoeg heeft aan wat kattepis om ze te voeren en te blijven voeren of toch daarvoor een excuus te hebben), daaraan is niks veranderd. Daaraan en aan Theodor Herzls Der Judenstaat, Lord Balfours Declaration, David Ben Goerions Biltmore-programma, het terrorisme van de Haganah, Stern en Irgoen, de VN-resolutie van 20 november 1947 (waarin – toen al, ja – gepleit werd voor een tweestatenoplossing op het “voormalig Palestijnse grondgebied”), of de – laat ons het dan maar zo noemen – zionistische moordpartijen die ook zoveel jaar later bij de islamitische buren nog maagkrampen opleveren: “Onderwijl nam de terroristische aktiviteit van Joodse en van Arabische geheime groeperingen nog toe en werd de Arabische bevolking onder druk gezet door de Irgoen. Zo werden in de nacht van 9 op 10 april 1948 254 mannen, vrouwen en kinderen van het Arabisch dorp Deir Yassin uitgemoord.” Ik heb het bij het lezen van zo’n dingen altijd weer een beetje moeilijk om mezelf voor te houden wie in dit hele verhaal per definitie de good guys zijn en wie de bad guys, maar het moet een genoegen zijn een dusdanig gebrek aan inlevingsvermogen en hersencellen te hebben daarvan géén last te ondervinden.

Nu, dat is dus ‘oude’ geschiedenis (al kennen we allemaal wel mensen die ouder zijn dan dat), maar de gevolgen zijn nog steeds zichtbaar. “Vooreerst werd op expliciete wijze verklaard, dat de grenzen van Israël met zijn naburen overeenkomstig de bestaande frontlinies waren bepaald in afwachting dat de definitieve grenzen in een vredesverdrag zouden worden omschreven” (na de Groene Lijn zou onder andere nog een Blauwe Linie ontstaan en beide zouden met evenveel gemak door Israël telkens weer overschreden worden). “In tweede instantie is sedert deze eerste militaire konfrontatie tussen Israël en de Arabische staten het vluchtelingenprobleem van de Palestijnse Arabieren aan de orde” (een probleem dat ook de huidige Israëlische regering zonder enige aarzeling nog stukken erger maakt). En – en dat was voor mij het leerzaamste uit dit boekje - “In derde instantie hebben de door Israël in 1948-49 afgedwongen wapenstilstandsverdragen in niet geringe mate bijgedragen tot de versnelling van het nationaal Arabisch bewustwordingsproces.” We hebben met z’n allen, of ik had in ieder geval, de neiging in onze/mijn beoordeling van het hele Israëlisch-Arabische conflict te sterk te focussen op Israël, dat na de Tweede Wereldoorlog begon te koloniseren, en vergeten daarbij dat de Arabische landen rond dat zelfde moment volop gedekoloniseerd werden en zichzelf ook een plaatsje onder de zon moesten veroveren. Tegen Israël in, dat toch vrij algemeen gezien werd als een laatste ‘cadeautje’ van de voormalige koloniserende landen, maar ook tegen mekaar in. Het zou me te ver voeren om het daar uitgebreid over te hebben in deze boekbespreking, maar de auteur wijdt daar vanaf pagina 17 een kleine twintig bladzijden aan en verklaart daarmee heel wat. Een passage als deze moge daarvan getuigen: “In die omstandigheden kon president Nasser niet langer blijven toezien en het initiatief aan de Syrische regering laten. De ware bedoeling van Nassers troependemonstratie in de Sinaï-woestijn en zijn eis de UNO-ordestrijdmacht uit het Israëlisch-Egyptisch grensgebied terug te trekken, is dan ook geweest: zelf het initiatief nemen van het revolutionaire Arabische kamp in de strijd tegen Israël en zich in geen geval in ijver laten voorbijstreven door de Syrische regering.”

Het stuk over De internationaal-politieke achtergrond vond ik minder interessant, al is het maar omdat het Rusland van nu – ondanks de propaganda die westerse wapenfabrikanten en hun acolieten in de politiek daarover gaarne maken – écht niet de Sovjet-Unie van toen is, terwijl de Verenigde Staten telkens weer aantonen dat ze zelfs een regime dat financieel op hun kosten leeft, de Israëlische regering van Netanyahu, geenszins onder controle kunnen houden (in tegendeel: de enige reden waarom de Verenigde Staten aan de oorlog met Iran zijn gaan meedoen, is omdat ze een proxy van Israël geworden zijn), maar Het Israëlisch-Arabisch dossier met daarin De Arabische tesis en De israëlische tesis weer wél. Israël is een produkt van het kolonialisme, Israël is een bruggehoofd van het imperialisme, je hoeft niet echt een Arabier te zijn om daar in te kunnen komen. Dat iemand als voormalig eerste minister van het land David Ben Goerion in 1950 nog zei dat “Israël zal worden opgebouwd door een aktief optreden op het militaire en op het diplomatieke vlak” en “de territoria [zal] omvatten tussen Nijl en Eufraat”, met andere woorden behalve het huidige Israël ook wat resteert van Palestina, Jordanië, Libanon en grote delen van Egypte, Syrië en Irak, laat dan ook aan duidelijkheid niets te wensen over en maakt, mijns inziens, van het From the river to the sea van de pro-Palestijnse activisten klein bier. Wat De Israëlische tesis tegenover De Arabische tesis mijns inziens óók is. “Ten slotte laat men opmerken, dat niet alle Israëlische partijen het eens zijn met de pro-westerse, of beter pro-Amerikaanse optie van de Israëlische regering op het stuk van het buitenlands beleid”, klinkt nogal zoutloos, “In het dossier betreffende het Israëlisch-Arabisch geschil is het vluchtelingenprobleem het enige konkrete en reële stuk” als het dooreen halen van oorzaak en gevolg, en dat “Israël (…) door de Verenigde Naties gewild [is] als een tehuis voor de Joodse slachtoffers van het racisme” is al langer dan sinds 1968 achterhaald.

Maarreuh… moet Israël nu, volgens de auteur, verdwijnen? Awel, het antwoord daarop staat in zijn Besluit. Dat kan u zelf lezen als u het boekje op de kop weet te tikken.

Björn Roose