maandag 29 juni 2026

Onder het bladerdak – Tweeduizend jaar woudgeschiedenis – Jerker Spits (boekbespreking door Björn Roose)

Onder het bladerdak – Tweeduizend jaar woudgeschiedenis – Jerker Spits (boekbespreking door Björn Roose)
In het algemeen is het enige argument dat ik heb tegen boeken over bomen en bossen er een van praktische aard: boeken zijn, hoe je het ook draait of keert, gemaakt van bomen en er zouden dus allicht minder bomen sneuvelen als er minder boeken gedrukt werden. Anderzijds: ik heb helemaal niéts met e-readers, dus van mij hoeft er geen medewerking verwacht te worden wat het digitaliseren van de boekenwereld betreft. Bovendien: ik houd me voor dat ik behalve iets zinnigs voor mezelf ook iets nuttigs doe voor de natuur door massa’s oude boeken te kopen, waardoor de daarvoor gebruikte bomen op een zinnige manier gerecycleerd worden in plaats van te eindigen als reclameblad, krant, of, godbetert, politieke propaganda. Een droevig einde waaraan Jerker Spits in voorliggend Onder het bladerdak, ondertitel Tweeduizend jaar woudgeschiedenis, overigens geen letter aandacht besteedt. Net zomin als aan boeken trouwens. Toch niet in de zin dat ze ook wel eens het product kunnen zijn waarvoor bomen geveld werden en nog steeds worden.

In welke zin dan wel? In de zin van inspiratiebron vooral, want Spits bewijst niet alleen met de achteraan in dit driehonderd bladzijden dikke boek, in 2024 bij Uitgeverij Van Oorschot uitgegeven, opgenomen Literatuur-lijst dat hij zich behoorlijk ingelezen heeft over zijn onderwerp. Gaius Julius Caesar met Oorlog in Gallië, Napoleon Chagnon met Yanomamö. The Fierce People, Tonke Dragt met Brief voor de koning en Geheimen van het wilde woud, Alexander von Humboldt met zijn Amerikaanse ontdekkingsreis 1799-1804, Ernst Jünger met Der Waldgang, Ton Lemaire met Bomen en bossen. Bondgenoten voor een leefbare aarde, Redmond O’Hanlon (van wie ik eerder Storm besprak) met Naar het hart van Borneo en Tussen Orinoco en Amazone, Ovidius met zijn Metamorphosen, Suetonius met de Keizers van Rome, Tacitus met De Germanen, Henry David Thoreau met (onder andere) Walden, Vergilius met Het verhaal van Aeneas, Frans de Waal met Een tijd voor empathie. Wat de natuur ons leert over een betere samenleving, en uiteraard Peter Wohlleben, van wie ik eerder Het innerlijke leven van dieren, De tuin, Het bos – Het handboek voor elke boswandeling, De lange adem van bomen, en Het verborgen leven van bomen besprak, zijn slechts een paar van de werken die in die lijst opgenomen zijn, en die lijst is een van de redenen waarom ik het spijtig vind dat ik dit werk moeten lenen heb uit de openbare bibliotheek, maar niet in m’n eigen bezit heb. Niets handiger dan dat soort lijstjes om op zoek te gaan naar ándere interessante literatuur, zelfs al schrijft Spits bijvoorbeeld in een van de afsluitende (en eerlijk gezegd lichtelijke overbodige) hoofdstukjes, getiteld Vijftien inzichten over het bos, dat de “sympathieke samenwerking tussen bomen die elkaar helpen”, iets wat Wohlleben volgens hem beschrijft, “een sterk door menselijke waarneming gekleurd beeld” is. Wat uiteraard wáár is – we moeten het als mensen nu eenmaal hebben van menselijke waarneming – maar ook onwaar, omdat Wohlleben volgens mij daarmee niet aangeeft dat bomen dat doen omdat ze mekaar ‘sympathiek’ vinden. Bomen helpen mekaar simpelweg omdat ze daar zelf ook baat bij hebben. Wat weer eens wat anders is dan datgene wat Spits schetst in zijn Verantwoording (een ander enigszins overbodig hoofdstukje aan het einde van het boek) waar het Hoofdstuk 2 – De ontdekking van de wildernis aangaat: “De beschrijving van de reis van de twee vrienden is gebaseerd op Tocquevilles Quinze jours dans le désert, na zijn dood uitgegeven door zijn vriend en reisgenoot Gustave de Beaumont. Tocqueville was oorspronkelijk van plan zijn werk eerder te publiceren, maar besloot dit niet te doen omdat hij vreesde dat zijn beroemde naam het werk van zijn vriend in de schaduw zou stellen. Beaumont schreef Marie, ou l’esclavage aux États-Unis, een roman over een man die als kluizenaar in de wildernis van Michigan leeft.”

Soit, mijn bespreking met de laatste hoofdstukken van dit boek beginnen, lag eigenlijk niet in mijn bedoeling, maar nu we daar toch zijn, wijs ik er graag op dat ook het Personenregister dat zich daar ergens bevindt goed in mekaar steekt (ik vond er bijvoorbeeld meteen de passage over Peter Wohlleben mee terug), en dat de Chronologie behalve een, uiteraard, chronologisch overzicht van de zaken die in dit boek aan de orde komen, ook nog hier en daar wat extra informatie bevat. Bij 1935 bijvoorbeeld: “Het Naturschutzgesetz van ‘rijkshoutvester’ Hermann Göring moet de Duitse natuur beschermen tegen willekeur en verschraling. De wet houdt tot 1976 stand.” Dat dat Gesetz pas meer dan dertig jaar na de oorlog vervangen werd door een ander stond volgens mij nergens anders in dit boek te lezen. Maar dat is dan ook een detail in dit geheel: “Dit boek vertelt”, zo luidt het immers in de Inleiding, “over ruim tweeduizend jaar woudgeschiedenis: van de Slag tussen de Germanen en Romeinen in het Teutoburgerwoud tot de ontbossing in onze wereld, van de wilde dieren in het Hercynische woud tot de terugkeer van de wolf in Nederland na ruim twee eeuwen afwezigheid. De lezer maakt kennis met bekende en minder bekende historische figuren, hun angsten en verlangens en met de rijkdom van het bos: van het tropische regenwoud op Sarawak tot Sherwood Forest, van het Forest of Dean tot de Veluwe. Tussendoor vertelt het boek hoe eiken groeien, hoe je hout oogst en hoe je in het bos de sporen van een wolf ontdekt. In al die verhalen staat de menselijke honger naar hout, als beeld voor het verlangen naar het bos, in het middelpunt. Het bos leverde brandstof voor economische groei, verhalen over de eigen identiteit en was een spiegel voor angsten en verlangens. De epiloog staat stil bij het bos en klimaatverandering. Elk hoofdstuk heeft een eigen thema, als toegang tot het bos, en speelt op een andere plek in de wereld. Zo komen de meest bosrijke landen en mooiste verhalen aan bod. De verhalen laten het bos in al zijn rijkdom zien. Een boswandeling zal nooit meer hetzelfde zijn.” Een Inleiding die een beetje in telegramstijl geschreven is, wat hakkelend (maar als dusdanig niet tekenend voor de rest van het boek), af en toe wat benevens de waarheid (wat die “boswandeling” betreft, wendt u zich echt beter tot de boeken van Wohlleben), maar voor de rest toch een aardige samenvatting van het boek vormt. De Engelse bossen die, aldus de Inhoud, “in de zeventiende eeuw het hart van een eigen Engelse identiteit [begonnen] te vormen”, de Amerikaanse bossen in de negentiende eeuw, de bossen op Maleisië en Borneo in de vorige eeuw, het al eerder genoemde Teutoburgerwald van omtrent het jaar nul, de Veluwe, het bos in sprookjes en legenden, het Amazoneregenwoud: ze vormen natuurlijk slechts deeltjes van een geheel waarvan het verhaal een duizenden bladzijden dik boek zou behoeven, maar wat Spits er over vertelt, datgene wat dus tussen de Inleiding en de Epiloog zit, vormt een mooie inleiding tot dat bij mijn weten nooit geschreven volledige verhaal, een verhaal waarin dan bijvoorbeeld ook dat over pakweg het Zoniënwoud zou passen, zelfs al ligt wat daarvan rest nu in een land waar “bomen een bos [vormen] als ze 0,01 hectare beslaan”.

Nu goed, Spits laat dus zijn licht schijnen over een aantal gevallen die illustratief kunnen zijn voor zovele andere. Illustratiever dan de illustraties die opgenomen zijn in dit boek, want die zijn, en dat is wellicht te wijten aan de uitgever, vaak bedroevend slecht weergegeven. Van Jacob van Ruysdaels Een weg door een eikenbos (verkeerdelijk aangeduid als Weg door een eikenbos, wat een ander schilderij van Van Ruysdael is) blijft nauwelijks wat meer dan schaduwen over; Albert Bierstadts Indian hunters in canoe is er nog erger aan toe; Ivan Sjiskins Der Teutoburger Wald idem; van Caspar David Friedrichs Waldinneres bei Mondschein is de hele clair-obscur om zeep geholpen. Om het maar niet te uitgebreid te hebben over het portret van Henry VIII op pagina 14 waarvan geen bron vermeld wordt, Anthony van Dycks Charles I with M. de St. Antoine dat maar zeer ten dele is weergegeven zonder die ‘deelsheid’ echter te vernoemen (‘detail’ is de geijkte term), Eduard Enders Alexander von Humboldt und Aimé Bonpland dat dezelfde behandeling onderging, enzovoort, enzoverder. Van Oorschot is met z’n eigen werk aan deze uitgave kortom in mijn achting gedaald, maar goed, Spits zal zoals de meeste auteurs wellicht ook geen last hebben van uitgevers die hem smeken om zijn werken te mogen publiceren, neem ik aan. En het werk van de uitgever doet ook geen afbreuk aan het werk van de auteur. In tegenstelling tot wat het werk van zestiende-eeuwse Engelsen bijvoorbeeld deed met het werk van eeuwen sinds de Romeinen in zuidelijk Engeland gepasseerd waren: “In de zestiende eeuw hadden de bossen in Zuid-Engeland zich van de grootschalige houtkap door de Romeinen hersteld. Een echte industrie bezat Engeland niet. Glas, ijzer, zout om eten te bewaren en smaak te geven: ze moesten grotendeels uit het buitenland komen. De Engelsen stuurden stof voor kleding en tapijten naar de Lage Landen en moesten diep in hun buidel tasten om het geverfd en geweven terug te krijgen. In de tijd waarin Spaanse schepen met goud en zilver beladen terugkeerden van plunderingen in Mexico en Peru, en Portugal stinkend rijk werd van de specerijenhandel met India en Azië, telde de Engelse vloot slechts vijf schepen.” Maar toen kreeg Henry VIII het idee dat “een wooden wall van oorlogsschepen (…) het vrijgevochten Engeland [moest] beschermen”, en anderen kregen het idee dat zo’n “wooden wall” alleen van Engelse bomen kon gemaakt worden, wat er toe leidde dat de ‘volwassen’ eiken in het New Forest al snel allemaal omgelegd waren en er zelfs onvolwassen eiken werden gekapt, die niet alleen minder lang meegaande schepen bleken op te leveren, maar ook – uiteraard – voor “een gebrek aan aanwas van volwassen eiken [zorgden], waardoor de situatie verslechterde.” En dat was slechts het begin van het probleem: “In 1545 goten William Levett, Peter Bawde en Ralph Hogge de eerste artilleriestukken op Engelse bodem. Vier jaar later in 1549, waren er in Sussex 53 ijzersmederijen en ovens. Ze hadden een grote hoeveelheid hout nodig (…) Alleen al voor de gieterij in het plaatsje Robertsbridge waren 53 houtzagers de hele dag in touw.” Iets waarvan ook de lokale bewoners het slachtoffer werden: zij hadden immers hout nodig “voor reparatie en de bouw van nieuwe huizen”, “voor de verlichting”, “om hun kleren te drogen en hun lichamen te verwarmen”, enzovoort, maar hun protest was to no avail: “De ijzerwerken konden doorgaan, en ook zij maakten gebruik van eikenhout als brandstof. In 1560 gebruikten de ijzerwerken in Derbyshire rond de 59.412 grote en 32.820 kleine eiken afkomstig uit het bos van Duffield Frith. Tweeënzeventig jaar later was 93 procent van het bos verdwenen.”

Uiteraard slechts een paar voorbeelden uit de Engelse geschiedenis, Spits geeft er nog wel wat meer, ook uit andere landen, maar wat ‘krijgskunde’ en industrialisering voor het bos betekenden kan dus rustig geïllustreerd worden met de beelden van Tolkiens Orks in de bossen van Midden-Aarde. Iets waar ik verder kán op ingaan en eigenlijk ook wíl op ingaan, maar dan gaat u zich maar vervelen, en dat is nu ook weer niet de bedoeling. Beter is het verder te trekken naar de Forest of Dean, waar een soortgelijk drama zich afspeelde onder leiding van Sir John Winter; naar het essentiële verschil tussen een bos dat niét voorbij de grens getrokken wordt waarbij het niet meer in staat is zichzelf te verjongen en een bos waarmee dat wél gebeurt; naar De uitgestrekte bossen van Saginaw waar Tocqueville en Beaumont heen trokken; naar de sequoia en de weymouthden; naar George Pullman die “zo’n vijftig miljoen planken per jaar [gebruikte] voor zijn treinstellen”; naar de Manifest Destiny van de Europese kolonialisten in Noord-Amerika; naar de Amerikaanse trekduif die van zo’n vijf miljard exemplaren “toen de eerste kolonisten in Amerika kwamen” naar uitgestorven in de negentiende eeuw evolueerde; naar Ralph Waldo Emersons Nature en van daaraf naar Thoreau en de vrijheid van het bos. En daarna naar het Zwitserland van 1970, waar we ene Bruno Manser aantreffen, een dienstweigeraar, die in 1984 naar Borneo trekt om daar te gaan leven bij de Penanindianen - een vervelend volkje voor de houtvesters die in hun gebied op zoek gaan naar ramin, meranti, enzovoort – en daar al snel evolueert tot staatsvijand, om er in 2000, na enige jaren terug in Europa geweest te zijn, spoorloos te verdwijnen.

Waarna we terug richting Europa springen en meteen ook zo’n tweeduizend jaar terug in de tijd. “Er zijn talloze verwijzingen naar de eens uitgestrekte bossen van Italia”, schrijft Spits, maar met het uitbreiden van Rome van stad tot staat verdwenen die steeds verder uit het zicht en ‘moesten’ Romeinen om nog slag te leveren in een woud ‘barbaarse’ gebieden intrekken. Dat van de Germanen bijvoorbeeld, alwaar de Romeinen tijdens De Slag bij het Teutoburgerwoud een pandoering van jewelste kregen en er uiteindelijk, dankzij voornamelijk de geschriften van Tacitus, voor zouden zorgen dat die Germanen, later Duitsers, een geschiedenis kregen om hun identiteit aan vast te knopen, een geschiedenis waarover – zoals over alle geschiedenissen – te discussiëren valt, maar die tot op de dag van vandaag met de wouden, bossen en bomen van het gebied verbonden blijft. Iets wat er de nationaal-socialisten zelfs toe bracht plannen op te vatten voor de bebossing van veroverd gebied: “In het Generalplan Ost uit 1942 beschreven de nazi’s hun plannen voor de Besiedlung van Polen. Het land moest worden ‘verduitst’ door de oorspronkelijke bevolking op transport te zetten, nederzettingen met Duitsers op te richten en het landschap aan te passen. Architect Alwin Seifert was als Reichslandschaftsanwalt verantwoordelijk voor die verandering. Hij kreeg de titel ‘kunstenaar op oorlogsmissie’. ‘Als het oosten een thuis moet worden voor Duitsers uit alle districten en als het wil bloeien en net zo mooi moet worden als de rest van het rijk, is het niet genoeg om de steden te bevrijden van de gevolgen van de Poolse economie en schone, welgevallige dorpen te bouwen; dan moet het landschap weer gegermaniseerd worden,’ aldus Seifert. Het ‘steppelandschap’ van Polen was ‘onduits’. Er moesten boerderijen en bossen komen.” Ik wed dat u, net zoals ik, al wel een en andere gelezen heeft over de nationaal-socialisten, maar de kans dat u dát al wist, is toch klein. Ik wist het in ieder geval niet. Net zomin als dit trouwens: “De eerste Autobahn kwam er niet door de nazi’s, maar was tot stand gekomen dankzij Konrad Adenauer, de burgemeester van Keulen die de eerste naoorlogse bondskanselier zou worden. Het was de A555 van Keulen naar Bonn, gebouwd in 1932. Die weg werd door de nazi’s een Landstraße (provinciale weg) genoemd, zodat zij konden beweren de eerste Autobahn te hebben aangelegd.” Maar goed, met de nationaal-socialisten trekken we dus, zoals met de Romeinen, de bossen in: die rond Zernikow, bijvoorbeeld, of Het bos van Białowieża (beslist al geen ‘steppe’ voor de Duitsers er aan kwamen), of het Hürtgenwald, waar tussen de dennen een slag werd geleverd die, zeker voor de Amerikanen, een van de verschrikkelijkste van de hele Tweede Wereldoorlog was, maar zich voor velen nog steeds ergens in de plooien van de geschiedenis bevindt: “De verhouding tussen de geallieerden en Nazi-Duitsland was als het om geweren ging 2,5 tegen 1, als het om tanks ging 20 tegen 1. Bij vliegtuigen was het verschil nog groter. Maar dat maakte geen verschil in Hürtgen. Vliegtuigen konden boven dichte boomtoppen niet worden ingezet, de Amerikaanse Shermantanks liepen op de smalle, modderige bospaden vol mijnen vast. De bomen stonden zo dicht bij elkaar dat er geen zonlicht tussen kwam. Je kon nauwelijks verder dan vijftig meter schieten. De Duitse artillerie beschoot dennentoppen, granaatscherven kwamen met grote stukken hout en splinters op de Amerikaanse soldaten neer.” “De geallieerde legerleiding kon zich maar moeilijk in de situatie in het bos verplaatsen. Luitenant-generaal Courtney Hicks Hodges zat met zijn stafleden in het Belgische kuuroord Spa, waar hij de stafkaarten liet uitvouwen op klaptafels in het casino van het Grand Hotel Brittanique. In de parken van het kuuroord stonden jeeps. Soldaten liepen er in civiele kleding. Het front lag op dertig kilometer afstand, maar leek ver weg. Hodges begreep niet waarom zijn besluit om door het Hürtgenwald door te stoten naar de Rijn zo lastig uitvoerbaar was. Elke keer dat nieuwe soldaten de opdracht kregen het Hürtgenwald te veroveren, kregen zij er een andere opdracht bij. Die dubbele taak was onuitvoerbaar. Officieren durfden niet tegen Hodges in te gaan; hij stond bekend als een man die geen tegenspraak duldde.” “Aan het eind”, toen de Amerikanen dan toch nog aan het langste eind trokken, “bestond het bos uit gehavende en omgehakte bomen, uitgebrande voertuigen, lege munitiehulzen, rantsoenenblikjes en dode lichamen. Rond de 24.000 Amerikaanse soldaten kwamen bij de strijd om. Nog eens negenduizend stierven door de omstandigheden in het bos, door kou, vochtigheid, loopgraafvoeten of ademhalingsproblemen. Er zouden rond de 28.000 Duitse soldaten zijn gesneuveld, maar doordat het Duitse leger aan het eind van de oorlog geen cijfers meer bijhield, of die gegevens verloren zijn gegaan, is het moeilijk te achterhalen. Nog vandaag vind je in Hürtgen schuttersputjes en loopgraven, Amerikaanse schoenzolen en Duitse drakentanden. Het is gevaarlijk om tussen de restanten van bunkers door het bos te lopen. Er liggen granaten en mijnen met een laagje glas eromheen die een metaaldetector over het hoofd ziet.”

Zullen we maar weer verder gaan? Naar de Wevelsburg, naar Het woud als toevlucht zoals Ernst Jünger dat zag vanuit zijn Forsthaus in Wilflingen, naar het Hermannsdenkmal (niet bijzonder mooi, maar wel indrukwekkend, wat ook de bedoeling was), naar De wildinne van Kranenburg (wiens moeder, Anna du Chatel, weduwe van Joannes Jennaert, in Antwerpen woonde) en andere wolfskinderen, naar de Veluwe en de strijd aldaar tussen oprukkend zand en bos, naar de uitroeiing en terugkomst van de wolf (“te danken aan honderdduizenden mensen die in 1989 in Leipzig de straat op waren gegaan” en het kort daarna volgende vallen van de Muur), en naar de ronduit belachelijke angst die rond die terugkomst wordt gezaaid, bijvoorbeeld? “Discussies over de wolf worden vaak op grond van weinig feiten en kennis gevoerd. Uit Duits onderzoek naar territoriale wolven blijkt dat 53 procent van het voedsel uit reeën bestaat, vijftien procent uit jonge edelherten en achttien procent uit jonge wilde zwijnen. Schapen werden weinig gegeten (één procent). We hebben vele voorstellingen van de wolf die een spiegelbeeld lijken van onze eigen angsten, verlangens en onze wil om onze omgeving te domineren. We voelen ons ongemakkelijk bij een dier dat, net als wij, aanspraak maakt op zijn eigen leefgebied, eet, zich voortplant en doodt. Voor de natuur is de wolf een aanwinst. Het is de vraag of de mens bereid is opnieuw te leren samenleven met de wolf, en daarvoor een stapje terug te doen.” Waarmee je natuurlijk al snel bij de mensen bent die op hun eentje ter zake een besluit nemen: stropers. En bij de mensen die democratisch besluiten dat die niet hun gang mogen gaan. Wat dan weer twee groepen zijn die niet as such ter sprake komen als het gaat om Het betoverde bos, waarin we (al moet Spits daar wel een terechte uitleg over de betekenis van forest aan koppelen) in de eerste plaats wel Rovers en vrijbuiters in middeleeuws Engeland tegenkomen, in het bijzonder ene Robin Hood in Sherwood: “We weten niet wie voor Robin Hood model stond. Er is niemand die Robin Hood met zijn boog in het bos van Sherwood of bij het kasteel van de sheriff van Notthingham heeft gezien. We weten niet waarom hij een conflict kreeg met de sheriff. We weten wel dat de sheriff voor de wetten zegt te staan en Robin een outlaw is. En we kennen de achtergronden: de gehate boswet, de afkeer tegen corrupte bestuurders en de behoefte aan een held die het tegen hen opneemt.” “De eerste verhalen over hem zijn opgetekend in A Lytell Geste of Robyn Hode, waarschijnlijk ontstaan in de vijftiende eeuw. Al in een Schotse kroniek uit 1420 komen Robin en Kleine John voor. Ze zouden tussen 1283 en 1285 berucht zijn geweest.”

En hoever is het nu helemaal van zo’n “kroniek” naar de sprookjes van de gebroeders Grimm: “Honderdzestien van de 210 sprookjes in de editie van 1857 [van hun sprookjesverzameling, noot van mij] – de laatste, uiteindelijke uitgave (‘Ausgabe letzter Hand’) – spelen in het bos”, zegt Spits daarover. En dat had zo z’n redenen: “In 1813, een jaar na de eerste uitgave van hun sprookjesboek, publiceerden de broers een tijdschrift genaamd Altdeutsche Wälder, waarin ze de Duitse bossen verbonden met wat zij zagen als een oorspronkelijk Duitse cultuur.” Maar niet alleen de Duitse: “Het bos is overvloedig aanwezig in de Russische literatuur, in sprookjes, legenden en verhalen. Sommige schrijvers hebben zich diep in het bos gewaagd. De een had als doel om te jagen en de vertellingen van boerenknechten op te tekenen, de ander verlangde naar een imaginair landschap dat een eigen Russische identiteit verbeeldde.” Een stelling waarop Spits een stuk laat volgen waarvan Ivan Toergenjew (waarvan ik in 2023 Vaders en zonen besprak) de – bad pun intended – spits mag afbijten, al snel gevolgd door Pavel Melnikov (die “de ‘Naaldhoutrus’, als onverwoestbaar en tegen alle invloeden van buiten bestand” beschouwde), en de sprookjesverteller Aleksandr Afanasjev. Waarmee we ten slotte in het laatste hoofdstuk terechtkomen, een hoofdstuk over mensen die uiteraard nóóit sprookjes vertellen, maar door hun collega’s wel eens geacht worden dat wél te doen: wetenschappers. Met Alexander von Humboldt komen we in Nieuw-Andalusië, tegenwoordig beter bekend als Venezuela, terecht (en langs de Casiquiare, waarvan hij bewees dat die een natuurlijk ‘kanaal’ vormt tussen de Orinoco en de Rio Negro), met Napoleon Chagnon eveneens, al is die meer in de locals geïnteresseerd dan in de geografie (dat die zo’n honderdvijfenzestig jaar na het tripje van von Humboldt grotendeels bekend is, maakt de keuze natuurlijk makkelijker), en wordt het van die laatste niet gewaardeerd dat hij zijn waarnemingen over die locals publiceert. Op z’n minst niet door het ‘wetenschappelijke’ wereldje waarin hij verkeert: “Het verzet tegen Chagnons persoon en stellingen gaat gelijk op met zijn populariteit – of het nu voortkomt uit jaloezie, inhoudelijke bedenkingen of wetenschappelijke stammenstrijd. Vooral Chagnons stelling dat geweld verbonden is met voortplanting stuit bij antropologen op verzet. Andere antropologen beschuldigen hem ervan het geweld te overdrijven of zelfs ingebeeld te hebben. Chagnons beschrijving van de plaatselijke bevolking zou een weerspiegeling van zijn eigen agressieve persoonlijkheid zijn. De meeste antropologen hebben een andere opvatting van wetenschap dan Chagnon. Nadat de antropologie zo lang hand in hand is gegaan met kapitalisme en kolonialisme, zijn zij voorstander van een sterk geëngageerde antropologie die inheemse bevolkingsgroepen beschermt. Zij zien Chagnons onderzoek als een bedreiging voor de Yanomami.” “Door die controverse kan Chagnon niet meer terugkeren naar het regenwoud. De Venezolaanse autoriteiten ontzeggen hem de toegang. Chagnon, die in de wetenschap begonnen was als een buitengewoon strijdbaar man, gaat in 1999 met vervroegd pensioen.” Als slachtoffer van het sindsdien niet minder catastrofaal geworden wokevirus, zou ik daar aan toevoegen. Wat weer eens wat anders is dan de zaken waar de ‘bossen’ van tegenwoordig, vaak (helaas) in essentie boomplantages, bossen naar het model dat Hans Carl von Carlowitz ontwierp om de nog niet in plantages veranderde bossen van zijn tijd (de laatste helft van de 17de eeuw en de eerste helft van de 18de) te beschermen, aan kapot gaan: bastkevers. Maar als u ook nog over die beestjes, modern ‘bosbeheer’ en tutti quanti wil lezen, verwijs ik u, zoals ook geldt voor als u gewoon méér wil lezen over wat ik eerder meegaf, graag naar het boek zelf. Ook als u de negatieve punten aan het begin van deze boekbespreking in aanmerking neemt, zal u zich de aankoop van Onder het bladerdak – Tweeduizend jaar woudgeschiedenis niet beklagen.

Björn Roose

donderdag 25 juni 2026

Paul van Ostaijen – Adriaan de Roover (boekbespreking door Björn Roose)

Paul van Ostaijen – Adriaan de Roover (boekbespreking door Björn Roose)
Ik had het er al over in mijn bespreking van Knut Hamsun, een biografie van de hand van Piet Schepens: bij Desclée De Brouwer, een Brugse uitgeverij die in de jaren 1970 langzamerhand tot Orion vervelde en in die vervelde gedaante in 1983 failliet ging (toch wat de Vlaamse tak betreft, want in Parijs bestaat de uitgeverij nog steeds), werd ooit een serie schrijversbiografieën uitgegeven onder de verzamelnaam Ontmoetingen. Uit die serie besprak ik een aantal jaar geleden al de biografie van Adriaan Roland Holst door Jan Elemans en die van Ernest Hemingway door Paul Vanderschaeghe, maar op een recente reis naar Duitsland nam ik behalve het eerder genoemde exemplaar over Knut Hamsun ook het voorliggende over Paul van Ostaijen mee. In beide gevallen, en zoals ook al aangegeven in mijn bespreking van dat over Knut Hamsun, niet met de intentie lezing ervan te combineren met het lezen van een boek van de besproken auteurs, zoals ik die wel had toen ik de biografieën over Holst en Hemingway ging lezen. Een intentie die ná lezing van de biografie niet staande bleef voor wat Hamsun betreft, van wie ik inmiddels De ontwrichten heb gelezen, maar dat wél zal doen voor wat Van Ostaijen betreft. Niet omdat ik Van Ostaijen niet graag zou lezen, of omdat ik geen werken van hem in huis zou hebben (behalve met Music-Hall en een bundel of drie duikt hij ook op in een aantal poëzieverzamelingen in mijn boekenkasten), maar omdat ik voorlopig even wat écht stevig werk ter hand genomen heb. Een boek van zo’n dertienhonderdvijftig bladzijden waarover ik het later nog wel heb, maar dat ook moet dienen om mijn voorraad te bespreken boeken even een paar weken niet te laten aangroeien. Negen boeken waarover ik nog een kort of lang verhaal heb te vertellen, is meer dan een beproeving voor mijn geheugen genoeg.

Nu goed, Paul van Ostaijen door Adriaan de Roover dus (zelf dichter en essayist, zij het intussen ook al tien jaar overleden). Een biografie die begint met “Ik ben geboren”, zijnde de woorden waarmee Van Ostaijens na zijn dood verschenen autobiografie óók begon. “Het klinkt zelfbewust en uitdagend”, aldus De Roover, “maar tegelijkertijd in [sic] het de feestelijke mare, dat er een prins geboren werd. Een prins in de Nederlandse poëzie”. “Nederlands” zoals in ‘Nederlandstalig’, voor de duidelijkheid, want Van Ostaijen was – uit zijn bescheidenheid viel het al af te leiden – een onvervalste Antwerpenaar.

Een gegeven dat er toe leidde dat Van Ostaijen, die u uiteraard kent als dichter (ik hoop toch dat ik u dát niet moet uitleggen), als bediende ging werken op het Antwerpse stadhuis én het spul snoof waarvan het residu ook heden ten dage nog volop te vinden is in het Antwerpse riolensysteem: “Peter Baeyens werd een boezemvriend van Paul van Ostaijen; en naar M.E. Tralbaut mededeelt, was het vooral deze rijkemanszoon, die de jonge dichter meetroonde naar de nachtbars en café-chantants, en hem onder meer ook aanzette tot het nemen van cocaïne. Een tijdlang is van Ostaijen narcoticus geweest, maar zoals Burssens vertelt: ‘een liaison met een vrouw, waarvan hij veel heeft gehouden, bracht alles weer terecht.’ Op het stadhuis, onder zijn collega’s liet hij nochtans graag doorschemeren, dat hij toxicomaan was. Wellicht stak hierin een deel grootspraak, die volledig paste in de speciale sfeer, die hij rond zijn persoon kultiveerde.” Zelfs in zijn drugsgebruik was hij dus een Antwerpenaar, of, zoals die genoemd worden op de parking, een dikke nek.

Maar dan wel een dikke nek die zijn nek bij tijd en wijlen durfde uitsteken: “In november 1917 kwam de franskiljonse kardinaal Mercier voor een bezoek naar Antwerpen. Paul van Ostaijen bevond zich onder de Aktivistische jongeren, die de Primaat van België uitfloten. Het kostte hem een proces, waarbij hij tot 3 maand gevangenisstraf veroordeeld werd. Door toedoen van de Duitse overheid werd het vonnis echter zonder gevolg geklasseerd”. Drie maanden gevangenisstraf voor een fluitpartij, het zou tegenwoordig zelfs Vlaams-nationalistische actievoerders niet meer overkomen. Je door een Duitstalige laten helpen om aan de franskiljonse straffen te ontkomen óók niet meer. Maar daarmee was de kous voor Van Ostaijen niet af: na de wapenstilstand vreesde hij alsnog zijn straf te moeten uitzitten en “vond het geraadzaam naar Berlijn uit te wijken”: “In gezelschap van de vrouw van een vriend, vertrok van Ostaijen naar Berlijn, waar ze als straatarme zwervers in een ware heksenketel terechtkwamen. De Duitse hoofdstad was in die maanden ten prooi aan de wanhoop en de geestelijke en materiële ellende van een verloren Krieg. In deze ontreddering laaiden de politieke passies hoog op en de meedogenloze strijd om de macht tussen de socialisten van Fritz Ebert en de kommunistische Spartacusbonden – waarmee van Ostaijen sympatizeerde – bracht het verslagen Duitsland op de rand van de burgeroorlog”. Een rand waarop Van Ostaijen behalve communist ook “onder meer liftboy was, boekhandelaar en verkoper van damesschoenen” was. Plus uiteraard dichter: “De ongemeen felle artistieke bedrijvigheid, die te Berlijn heerste, moet op het geschokte gemoed van de dichter sterk ingewerkt hebben. De jaren te Berlijn werden voor hem een literair zeer vruchtbare periode”. “Vooreerst schreef hij er zijn poëzieboeken ‘Feesten van Angst en Pijn’ en ‘Bezette Stad’”, illustreert De Roover die stelling, maar hij leverde ook stof voor het in Vlaanderen verschijnende “humanitair expressionistisch tijdschrift” Ruimte, produceerde “twee inleidende manifesten” voor een tijdschrift dat (weerom) Het Sienjaal zou gaan heten (maar niet van de grond kwam), kreeg werk gepubliceerd in Opstanding (“het orgaan van de kommunistisch getinte Vlaamse Clarté-groepen”), enzovoort, maar dat belette hem niet naar huis te verlangen en in 1921 ook effectief terug te keren: “Na een kort proces werd hem amnestie verleend, maar op slag werd hij onder de wapens geroepen”. Enige praktische vorm van cynisme was de belze staat toén ook al niet vreemd.

Zoals eigengereidheid wat publicaties in tijdschriften betreft Van Ostaijen niet vreemd was en bleef. De Driehoek (waarin onder andere Huldedicht aan Singer verscheen), Vlaamsche Arbeid (waaraan hij toch de laatste vijf jaar van zijn leven regelmatig bleef meewerken), Avontuur, het zijn slechts een paar van de titels uit de verdere publicistencarrière van Van Ostaijen. Zoals “Ensor, Magritte, Permeke, Brusselmans, Oskar en Floris Jespers, Fritz van den Berghe, Gust De Smet, Picasso, Matisse, Derain, Braque, Marie Laurencin, Kandinsky, Paul Klee, Campendonck, Kokoschka, Archipenko, Brancusi” niet álle kunstenaars waren waarvan werk tentoongesteld werd in La Vierge Poupine, de galerij-annex-kunsthandel waarmee Van Ostaijen in oktober 1925 in Brussel begon… en waaraan in 1926 al weer een einde kwam. “Opgedoekt”, zoals De Roover het, wellicht zonder bad pun intended, noemt. Van Ostaijen was nu eenmaal geen zakenman. Hij rekende er ook op dat z’n talent vanzelf geld zou opbrengen. Graag vanwege de overheid ook nog: “‘Daarom, Du Perron en Burssens, indien het ons welkom is onze lof zwart op wit uit te lezen, laat ons elkaar loven, want het is nutteloos op andere lof te wachten.’ Zulke uitspraak belicht van Ostaijen’s ressentiment tegenover de onwil en de laatdunkendheid door de serieuze en officiële literatoren ten overstaan van zijn werk gemanifesteerd. Van Ostaijen vergat niet, dat mannen als Vermeylen, Buysse, Teirlinck en Streuvels eenmaal geweigerd hadden hem een eenvoudige aanmoedigingspremie toe te kennen. Het was ten slotte Minister C. Huysmans nog, die hem, dank zij Jozef Muls, een premie van 2.000 fr. deed uitkeren”. “Maar toen lag van Ostaijen”, dixit De Roover, “reeds op sterven”. Iets wat hij, geboren in 1896, uiteindelijk deed in een privé-sanatorium in Miavoye-Anthée in 1928. Waarna hij alsnog de zo gewilde erkenning van hogerhand kreeg: “Vier jaar lag van Ostaijen vergeten in een hoekje van het kerkhof te Anthée. Op 19 maart 1932 werd zijn stoffelijk overschot naar Antwerpen overgebracht en op het Schoonselhof bijgezet. Nog eenmaal werd hij ontgraven, om op 8 november 1952 plechtig op het Erepark van het Antwerpse kerkhof onder een gedenksteen van Oscar Jespers te worden gelegd. Daags vóór zijn dood had van Ostaijen nog geschreven: ‘er zijn officiële mensen genoeg die al lang weten dat ik ziek ben en hoe ziek ik ben nu en die niet bewegen.’ Een kwarteeuw later op het Erepark stonden de oficiële [sic] mensen rond zijn graf.”

Tot daar ook de info die een lezer in een ‘standaard’ biografie verwacht. Maar in deze serie Ontmoetingen wordt die info steeds gevolgd door een niet minder omvangrijk stuk over het werk van de schrijver. Info die in dit exemplaar uit die serie voorzien is van de titel De dichter Paul van Ostaijen of de tocht naar het Absolute, wat ondanks het zeer lezenswaardige, bekijkenswaardige ook, werk van Van Ostaijen toch wel een lichtelijk groteske titel is, zelfs al duidt De Roover die met de volgende eerste paragraaf: “We hebben deze studie, die de ontwikkelingsgang wil schetsen van Paul van Ostaijen’s dichterlijke oeuvre, de titel gegeven ‘De tocht naar het Absolute’, omdat dit wel het duidelijkst Paul van Ostaijen’s poëtisch eindpunt beklemtoont en terzelfdertijd de faktor aanduidt, die praktisch alle exponenten van het Europese modernisme met elkaar gemeen hebben. We mogen daarbij vooropstellen, dat Paul van Ostaijen in de beste lyrische momenten uit het zogenaamde ‘Eerste Boek van Schmoll’ tot de uiterste limiet van de poëtische mogelijkheden ging en in zekere zin het absolute nulpunt in de poëzie benaderde”. Vertrouw nooit individuen die zichzelf aanduiden met “we”, zou ik zeggen, al is het maar omdat ook de rest van hun proza vervolgens opgeblazen zal zijn: “De dichter werkt nog met nadrukkelijke alliteraties als ‘Linden langs de laan’. En dit valt nog meer op in onderstaande strofe, die niet alleen als een schoolvoorbeeld van obstinate stafrijmen kan gelden, maar die tevens ontsierd wordt door gezochte woordkombinaties, zoals de impressionistische woordkunstenaars die bij voorkeur aanwendden om hun verzen te stofferen”. Niet erg vriendelijk van De Roover, zou ik zeggen, en dat nog los van het feit dat Van Ostaijen er nog bekaaider zou van af gekomen zijn als hij uiteindelijk niet in de buurt van dat “absolute nulpunt” was gekomen: “Even naïef noemen we een gedicht als ‘Fietstocht’. Het is een vers, waaruit overigens op pijnlijke wijze de verbale onmacht van de debutant blijkt om het weidse gevoel van zomerse blijheid uit te drukken. In ‘Fietstocht’ tracht van Ostaijen hoofdzakelijk bij middel van woordmuziek een stemming van uitbundigheid en overmoed uit te drukken. Maar het klinkt bepaald vals en ridikuul.” Of, omdat ik daarnet toch al Music Hall noemde: “Vatten we ‘Music Hall’ samen, dan mogen we besluiten dat noch in zijn dandyeske gedichten, noch in zijn verzen van geluk veel te vinden is, dat van zuiver poëtisch standpunt gezien, onvervangbaar mag genoemd worden.” Eat that, Paul van Ostaijen, nietwaar?

En ja, De Roover is véél positiever over wat daarna zou volgen, dat benaderen van het “nulpunt”, maar misschien moet een mens ook wel niet gelezen hebben dat “de grondgedachte van (…) [Bezette Stad en Feesten van Angst en Pijn] vrijwel identiek [blijft]: nihilisme en afrekening met het verleden” om er van te kunnen – oeps! – genieten. Welke lezer – en dan bedoel ik beslist geen schriftgeleerde – boeit het of Bezette Stad “de enige dadaïstische publikatie in de Nederlandse taal genoemd [mag] worden”? En wat doet het ertoe als andere schriftgeleerden dan De Roover “veronderstellen, dat van Ostaijen (…) niet de gelegenheid had om zijn dichterschap ten volle uit te diepen”? Veel wellicht voor De Roover: “Verdergaan was niet mogelijk. Hij had alleen op zijn stappen kunnen terugkeren. De dood heeft hem voor zulke terugtocht behoed. Maken we even de spekulatie, dat van Ostaijen toch had blijven leven, dan was zijn enige poëtische konsekwente daad het zwijgen geweest.” Goed dat Van Ostaijen crepeerde dus, want anders had hij van De Roover zijn bek moeten houden. Goed dat De Roover nog een peuter was toen Paul van Ostaijen al op zijn sterfbed lag, want anders had hij hem misschien nog bij leven moeten afkraken. Heiligen kunnen maar beter op tijd sterven, anders gaan hun aanbidders hen nog vervolgen.

Laat het feit dat De Roover kennelijk tot dat soort volk behoorde reden genoeg zijn om dit boekje aan de kant te laten liggen als u het ooit eens tegenkomt. Lees het werk van Van Ostaijen. Ook het vroege. Daar zal u veel meer aan hebben.

Björn Roose

maandag 22 juni 2026

Het St.-Michielsakkoord – Naar een federaal België – Jos. Bouveroux (boekbespreking door Björn Roose)

Het St.-Michielsakkoord – Naar een federaal België – Jos. Bouveroux (boekbespreking door Björn Roose)
Een weekje of zo geleden (ik gok er een beetje naar, want ik kan de publicatie van mijn boekbesprekingen wel eens verschuiven) kreeg u van mij een bespreking van Het onderzoek, een bende, ondertitel Over het onderzoek naar de Bende van Nijvel, van de hand van Dirk Barrez voorgeschoteld. Totaal ongerelateerd tot voorliggend Het St.-Michielsakkoord, ondertitel Naar een federaal België, van Jos. Bouveroux, zou een mens dan kunnen denken, maar dat is om minstens twee redenen niet waar: 1) in belgië is alles met mekaar gerelateerd, in het bijzonder waar het de ‘ordening’ van de overheid betreft; en 2) beide boekjes verschenen in de reeks Actueel, een uitgave van Standaard Uitgeverij / BRTN / VAR. Toén Actueel dus, want zelfs als die serie tegenwoordig nog zou verdergezet worden, is een boekje dat daarin in 1993 verscheen wellicht niet zo Actueel meer.

En toch… Ondanks het feit dat staatshervormingen altijd wel op een of andere manier onderweg zijn in dit land – zélfs als een zogenaamd Vlaams-nationalistische partij de belgische eerste minister levert – en het gegeven dat er na het in de titel genoemde St.-Michielsakkoord, volgens de officiële telling de vierde staatshervorming, inmiddels nog twee gevolgd zijn, zijnde van 2001 tot 2003 de Lambermont- en Lombardakkoorden en van 2011 tot 2012 het zogenaamde Vlinderakkoord, is het Sint-Michielsakkoord een specialleke. Zoals de schrijvelaars van Wikipedia immers aangeven: “Met het Sint-Michielsakkoord wordt België ook formeel een federale staat”. Niet iets waar ik als (Heel-)Nederlander op zat te wachten, niet iets waar een zogenaamde Vlaams-nationalist de leiding van zou moeten willen op zich nemen als het niet is om het ding ten grave te dragen, maar toch wel een belangrijke stap in de goede richting voor zij die de bedoeling hadden belgië niet op te doeken, maar in leven te houden. U hoort me niet zeggen dat bijvoorbeeld de ‘Vlaamse regering’ alles beter doet dan de belgische, allebei slecht presteren kan per slot van rekening óók, maar wie die aanhalingstekens rond ‘Vlaamse regering’ wil behouden, heeft er sowieso meer aan om de belgische staat te hervormen, dan om iedere stap richting zogenaamde ‘autonomie’ tegen te houden. De critici van de staatshervorming, aldus Bouveroux, “zagen pas erg laat in dat de invoering van een waarachtig federalisme wellicht de laatste reddingsplank voor België is”.

Vlamingen, in het bijzonder hun politici, zijn namelijk de bezitters van kinderhanden en zelfs blij met de helft van een dode mus. Zó blij dat ze in de toekomst liever nog meer halve dode mussen in hun kinderhanden krijgen dan het belgische licht uit te doen, de deur dicht te slaan en de sleutel weg te gooien. Stel je voor dat je de mogelijkheid krijgt om de stabiliteit van de… belgische regering te verhogen door een gedrocht als “de constructieve motie van wantrouwen”? Of stel je voor dat je “beschermingsmechanismen” kan helpen inbouwen in Brusselse instellingen zodat die niet kunnen ‘geblokkeerd’ worden door een of andere partij die de meerderheid zou verwerven in de Nederlandse taalgroep van het Brussels parlement? Of stel je voor dat je de Franstaligen in de ‘Vlaamse Rand’ nog een stapje verder kan helpen in hun droom van een, uiteraard francofoon, Grand-Bruxelles, door hen toe te laten op Brusselse lijsten te stemmen in plaats van op Vlaams-Brabantse? Da’s toch allemaal véél aangenamer dan ‘Salut en de kost’ en ‘Laat elk voor z’n eigen deur vegen’, nietwaar?

Dat alles maar om aan te geven dat zo’n belgische staatshervorming toch een zeker belang heeft. En dat dan weer om te zeggen dat een boekje als het voorliggende ondanks het feit dat het niet meer Actueel is toch nog interessant kan wezen. Al is het maar omdat Bouveroux, destijds journalist bij de BRT (inmiddels VRT) en – dixit de achterflap van deze achtenveertig bladzijden dikke uitgave – “gezaghebbend specialist van het Wetstraatgebeuren”, het niet alleen in zijn Inleiding heeft over wat aan die vierde belgische staatshervorming (volgens hem ondernomen met de bedoeling “de kroon op het werk te zetten en van België een volwaardige federale staat te maken”) voorafging. Bouveroux stelt daarbij in De onafwendbare federalisering dat de op 18 februari 1970 door Gaston Eyskens gedane uitspraak dat “de unitaire staat is achterhaald. De gemeenschappen en gewesten moeten hun plaats innemen in vernieuwde structuren die beter aangepast moeten zijn aan de eigen toestanden van het land” een “officieel einde” maakte aan het “Belgique à Papa”, maar ook dat “al lang voordien (…) er barsten in het huis gekomen [waren]” en dat “die barsten (…) steeds groter [werden], tot de noodzaak zich opdrong om een nieuw huis te bouwen”, wat natuurlijk niet klopt, het oude huis werd vertimmerd, maar na het hoofdstuk over De onafwendbare federalisering krijgt de lezer in ieder geval wel een mooie beschrijving van dat “nieuw huis”. Een “nieuw huis” waarop bij middel van het Sint-Michielsakkoord, aldus ‘loodgieter’ Jean-Luc Dehaene, alleen nog een dak moest geplaatst worden. Een dak dat er bij zijn vorige poging niet gekomen was. Een dak dat ook nog niet gestemd en dus geenszins reëel was toen Bouveroux dit boekje schreef: “Als de grondwetsherziening ongewijzigd wordt goedgekeurd, wat alle waarnemers verwachten, zal in de Grondwet uitdrukkelijk worden erkend dat de unitaire Belgische staat achterhaald is”, luidt dan ook de eerste zin van het hoofdstuk De federale instellingen, waarmee hij aan die beschrijving begint.

Ik meen me te herinneren dat die verwachting vervuld werd, maar ik herinnerde me (bijvoorbeeld) niet dat in de eerdere versie van de belgische grondwet stond dat “de Koning het bevel voert over land- en zeemacht”, dixit Bouveroux “een storende oubolligheid”: “Van de intussen zo belangrijke luchtmacht was er nog geen sprake… De Grondwet is gemoderniseerd en om alle soortgelijke gebreken in de toekomst te vermijden, staat er nu te lezen: ‘Hij voert het bevel over de krijgsmacht.’” Dat “hij” zélf “een storende oubolligheid” is, is dan weer een probleem dat noch in de vierde belgische staatshervorming noch in een volgende werd aangepakt, helaas. Een fenomeen dat toch wel tekenend is voor die staatshervorming (én vorige en volgende), wat bijvoorbeeld ook blijkt uit de regeling inzake het aantal regeringsleden: “In de Grondwet wordt immers vastgelegd dat de federale regering ‘ten hoogste 15 leden’ mag tellen. Er kunnen dus niet meer dan 15 ministers worden benoemd. Over het aantal staatssecretarissen wordt niets gezegd.”

Bouveroux levert op dat soort dingen – die er toe leidden dat in de vorige belgische regering bijvoorbeeld acht staatssecretarissen passeerden – geen commentaar. Misschien omdat hij behalve Actueel ook ‘factueel’ wil blijven, maar waarschijnlijker omdat de “gezaghebbend specialist van het Wetstraatgebeuren” er niet verder over nagedacht heeft. Wat ook blijkt uit het feit dat hij het volgende weet te produceren als verklaring voor het opsplitsen van de voormalige provincie Brabant in een Vlaams-Brabant en een Waals-Brabant: “Behalve in de Limburgse gemeente Voeren, leverde het samenleven van Vlamingen en Franstaligen vooral problemen op in Brabant. Door de verdere stappen in de staatshervorming was de provincie onbestuurbaar geworden.” Dat laatste klopt ongetwijfeld, maar als het om dat “samenleven” ging, hadden de gemeenten in de ‘Vlaamse Rand’ waar dat het moeilijkst is, met name de faciliteitengemeenten, niet vanuit Brabant moeten ‘verhuizen’ naar Vlaams-Brabant, maar ontdaan worden van de faciliteiten.

Al kan Bouveroux ook gewoon naïef geweest zijn: “Nog in het raam van de bescherming van de taalminderheden is ook een nieuwe rol weggelegd voor de Vaste Commissie voor Taaltoezicht. Elke burger van het Brussels gewest en van de faciliteitengemeenten die klachten heeft over de naleving van de Taalwet, kan bij die Vaste Commissie terecht. De Nederlands- en Franstalige afdelingen van die commissie samen kunnen in het uiterste geval zelfs in de plaats treden van een overheidsadministratie om de taalwetten correct toe te passen.” Wat dus nooit gebeurt en ook perfect te voorzien was. Het enige wat met een klacht bij de VCT, zoals het gedrocht doorgaans afgekort wordt, gebeurt, is dat hij ontvangen en gelezen wordt, dat de overheidsadministratie een reprimande krijgt, en dat die overheidsadministratie daar vierkant zijn broek aan veegt. Ik kan het weten, ik heb tientallen klachten bij die Commissie neergelegd.

Nu goed, ik wil niet dit hele boekje fileren. Ik wil wél nog zeggen dat ik het eens ben met “de critici van de federalisering”, die ook volgens Bouveroux “gelijk [hebben] als ze stellen dat vroeger alles veel eenvoudiger was. In een unitaire staat zijn de structuren simpeler en doorzichtiger omdat er slechts één enkel beslissingscentrum is.” Dat wil echter niet zeggen dat ik, zoals die “critici”, terug wil naar de belgische eenheidsstaat. Dié opdoeken zal dat probleem namelijk net zo goed oplossen, zónder de problemen terug te brengen die er toe geleid hebben dat het “huis” moest vertimmerd worden.

Björn Roose

vrijdag 19 juni 2026

Knut Hamsun – Piet Schepens (boekbespreking door Björn Roose)

Knut Hamsun – Piet Schepens (boekbespreking door Björn Roose)
Mogelijk vergis ik mij – zelfs ík ben niet onfeilbaar -, maar na enig zoeken in mijn eigen boekbesprekingen, ben ik tot de conclusie gekomen dat het al van juli 2020 geleden is dat ik nog een boekje uit de bij Desclée De Brouwer verschenen serie Ontmoetingen heb besproken. Toén, in juli 2020 dus, besprak ik de biografie (want het gaat telkens om een biografie) van Adriaan Roland Holst door Jan Elemans en die van Ernest Hemingway door Paul Vanderschaeghe, en hield ik het verder voor gezien wat deze serie betreft. Wellicht omdat ik die boekjes niet zo heel erg interessant vond, misschien ook omdat ik mijn aandacht naar wat anders verlegde, maar hoe dan ook niet voorgoed: tijdens een week verlof in Duitsland in mei van dit jaar nam ik immers een in dezelfde serie verschenen exemplaar over Paul van Ostaijen van de hand van Adriaan de Roover mee (bespreking volgt nog) en het voorliggende over Knut Hamsun, geschreven door Piet Schepens. Een exemplaar over André Demedts (van Anton van Wilderode), een over Wies Moens (van Erik Verstraete), en een over Stijn Streuvels (van Filip De Pillecyn) blijven daarmee nog te lezen, maar dáár werk van maken zal voor volgende verlofperiodes zijn. Of… voor als ik weer eens bewust combinaties wil gaan verwerken.

Want dat, bewust combinaties van boeken lezen en bespreken, deed ik in het geval van de in deze serie verschenen biografieën van Adriaan Roland Holst, van wie ik vervolgens In ballingschap las, en Ernest Hemingway, van wie ik hetzelfde deed met Mannen zonder vrouwen. Iets soortgelijks stond niet op mijn programma met betrekking tot Knut Hamsun – omdat ik er simpelweg niet aan gedacht heb -, maar gezien ik op dit moment even toe ben aan het lezen van een ‘dikker’ werk, heb ik inmiddels wel De ontwrichten uit mijn boekenkasten gehaald, waardoor u dus een dezer ook dáárvan een bespreking kan verwachten. Een keuze die overigens géén gevolg is van het lezen van deze biografie. De ontwrichten (in het Noors, de taal van Hamsun, Segelfoss by getiteld) wordt daarin Segelfoss genoemd, of De stad Segelfoss (afhankelijk van het antwoord op de vraag of u gaat kijken in het hoofdstuk Het werk van Knut Hamsun of in deel A, Werken van Knut Hamsun, van de Bibliografie, wat toch wel op enige slordigheid lijkt te wijzen), en is volgens Piet Schepens kennelijk slechts dit stukje tekst waard: “De stad Segelfoss (1915), de geschiedenis van het Noorse kuststadje, is een vervolg van Kinderen van hun tijd. De hoofdpersoon is Holmengraa maar ook de andere inwoners nl. de arbeiders, de hoteleigenaars, de handelaars, de intellectuelen – allen ontwrichten in hun streven naar eer, macht en prestige; mensen die zichzelf en elkander kwellen – spelen een belangrijke rol. Stilaan ziet Holmengraa zijn ster tanen. Hij moet de handschoen opnemen tegen de opkomende arbeidersstand, die in zich een opstandige geest voelt opborrelen. Het enig Hamsunse type in deze roman, de telegrafist Baardsen, gaat in dit midden van bekrompen mensen ten gronde.” Erg natuurlijk dat iemand anders gaat bepalen wat de ‘types’ van een schrijver zijn, ondanks het feit dat de schrijver ál zijn personages creëert en het dus allemáál zijn ‘types’ zijn, maar daarmee weet u ook dat ik het eerste deel van het tweeluik, Kinderen van hun tijd, waarin Hamsun zich volgens Schepens “niet op de stof wierp”, niet in bezit heb (want anders had ik deze boekbespreking lichtelijk aangepast en aangekondigd dat ik binnenkort Kinderen van hun tijd zou gaan bespreken).

Dat gezegd zijnde is er sowieso een kans dat ik het leven van Knut Hamsun, zoals behoorlijk uitvoerig beschreven in het hoofdstuk – ik verzin het niet – Het leven van Knut Hamsun, achteraf gezien interessanter zal vinden dan De ontwrichten. Een leven waarin hij onder andere Bjørnstjerne Bjørnson ging opzoeken, een schrijver waarmee ik u, in een vertaling van reeds genoemde Stijn Streuvels, liet kennismaken via diens Kleine verhalen, maar waarin hijzelf niet weinig opgezocht werd door miserie of die zich over zich afriep door zich steeds weer in een nieuw avontuur te storten. Volgende passage moge daarvan voldoende getuigen: “In de winter van 1882 reisde Knut Hamsun naar Amerika, het land der onbegrensde mogelijkheden, waar hij op een beter bestaan hoopte. Een rijke boerin uit het Gudbrandsdal had hem het geld voor de reis verschaft. Moeilijke jaren volgden nu. Hij trok van de ene plaats naar de andere, werkte op een farm, was varkenshoeder, winkelbediende, metselaarsknecht en dreef handel in hout. Betere dagen braken aan toen hij te Minneapolis in het predikantengezin van Kristofer Janson terecht kwam, waar hij voor diens krant uit het Engels in het Noors vertaalde (…) Na een zware ziekte moest Knut Hamsun naar Noorwegen terug waar hij, min of meer hersteld, zijn leven vol ontberingen voortzette, dat voor hem de leerschool geworden is van zijn roman Honger. Toen poogde hij als voordrachtgever aan de kost te komen. In enkele steden sprak hij over Kielland en Strindberg. In het komisch verhaal Op rondreis vertelt Hamsun ons dat deze voordrachten een schitterende mislukking geweest zijn. Tijdens de zomer van 1886 werd Hamsun opnieuw in de gelegenheid gesteld naar Amerika te vertrekken, waar hij achtereenvolgens werkman in het vissersbedrijf op Newfoundland, tramconducteur in Chicago, wegwerker aan de spoorwegen, oogstarbeider, leraar en voordrachtgever geweest is. Ontgoocheld keerde hij, dank zij de hulp van anderen, naar zijn vaderland terug, waar hij nu voorgoed bleef.” “Voorgoed” als je niet meerekent dat hij klaarblijkelijk in de jaren daarop opnieuw aan het zwerven ging en in de jaren 1894-1895 in Parijs doorbracht, terwijl hij ook in Noorwegen nauwelijks op zijn gat kon blijven zitten, en nóg wel eens een grote reis buiten het land ondernam: “Tijdens deze reis belandde Knut Hamsun te Oostende, waar hij een grote som in een Casino verloor”, lezen we daar nog over. Wat inhoudelijk trouwens méér is dan wat Schepens weet te zeggen over Hamsuns collaboratie met de nationaal-socialisten. Hij vertikt het zelfs het woord te noemen: “Na de tweede wereldoorlog kwam Knut Hamsun op ongelukkige wijze in de repressie terecht. In dit verband schreef hij in 1948 zijn laatste werk Langs overwoekerde paden. Het handelt over zijn belevenissen van 1945-1948, zijn internering, zijn verblijf in het ziekenhuis, in het tehuis van ouden van dagen, in de psychiatrische kliniek tot de uitspraak van het Opperste Gerechtshof”. Waarop in de voetnoten nog volgt: “Noteren we hierbij dat de Noren reeds lang hun vergissing hebben ingezien en uit de talrijke boeken, bijdragen en heruitgaven spreekt hun dank voor het levenswerk dat Knut Hamsun hen heeft geschonken.” Zeggen dat Hamsun openlijk de regering van Quisling steunde, in mei 1943 een bezoek bracht aan Joseph Goebbels en hem zijn Nobelprijs-medaille gaf, en een maand later op de Berghof Adolf Hitler ontmoette (die hij verzocht Josef Terboven af te zetten als Noors Reichskommissar), kreeg Schepens kennelijk niet uit zijn pen gewrongen, zelfs niet met de toevoeging dat het voor niemand echt duidelijk werd waaróm Hamsun dat allemaal deed (de reden dat de naoorlogse regering hem in een psychiatrische instelling stak, zoals bijvoorbeeld de Amerikaanse ook deed met Ezra Pound, al zat die laatste daar véél langer).

‘Omdat je van een artiest niet altijd logica kan verwachten’, zou ik haast durven zeggen. “Zijn optreden tegen de kunst en vooral tegen de vrouwenemancipatie is bijzonder scherp in Nieuwe aarde”, schrijft Schepens op pagina 23 van dit vijfenveertig bladzijden dikke boekje: “Met nieuwe aarde bedoelt Knut Hamsun eigenlijk ‘een krachteloze aarde zonder veel groei en zonder veel vruchtbaarheid nl. Noorwegen waar teveel genieën krioelen, decadenten die kunstmatig zingen van liefde en haat en voor wie de kunst niets anders is dan de weg naar de budgetvreterij en naar het staatsstipendium, een weg die langs de vrouwen en langs de pers leidt[’]”. Wat uiteraard kán, maar wel een beetje lullig is vanwege iemand die samen met zijn toenmalige vrouw Bergljot Göpfert “dank zij een stipendium van de Noorse regering, einde 1899 over St.-Petersburg en Moskou naar de Kaukasus, Perzië en Turkije [trok]”, een “reis die hij In het sprookjesland (1903) en in een reeks artikels Onder de halve maan (1905) heeft verteld.” Mogelijk was Hamsuns kunst geen “weg naar de budgetvreterij en naar het staatsstipendium”, maar hij heeft de subsidie toch niet geweigerd toen ze zijn richting uitkwam en wist ze ook aan te wenden om er zijn loopbaan verder mee uit te bouwen.

Maar goed, hij had uit die reis ook inspiratie kunnen putten voor een tweede Victoria (1898), een boek dat Schepens de ene keer een “erotische fantasie” noemt, de andere keer een “weemoedige, enigszins verborgen, innige, idyllische en zeker wat al te sentimentele liefdesgeschiedenis tussen de jonge molenaarszoon Johannes en Victoria, een burchtfreule”. Een boek ook waarover Gerard Walschap, zoals Schepens aangeeft, schreef: “Is er een banaler, meer romantisch geval dan dat van de kasteeldochter, die verliefd wordt op het zoontje van een der pachters? (...) is het feitelijk niet hemeltergend dat wij nog opgehouden worden voor zo’n tranerige geschiedenis”. Maar ook: “En doe je nu toch maar eens het plezier Victoria te lezen. Je zult verslagen staan, niet alleen over die geniale hoofdstukken, maar nog meer over die ‘Victoriafiguur’ die heel het verhaal beheerst zonder er in te verschijnen. En over het feit dat je op een zeker ogenblik, misschien eerst als jij de laatste bladzijde voor de tweede maal herlezen hebt, in een bliksemsnelle bewustheid ineens het hele verhaal overziet en je ziel voelt huiveren en terugdeinzen voor het mysterie van het leven dat je niet vermoed had en dat plotseling je heel dicht is genaderd.”

Of Hamsun had meteen August (1930) kunnen schrijven, natuurlijk, een boek waarbij geen aanbeveling van Gerard Walschap nodig is om het na de beschrijving ervan die Schepens meegeeft voor mij interessant genoeg te maken om het bij gelegenheid op de kop te tikken: “[August] droomt ervan in Polden iets groots te verwezenlijken: er moeten een bank, een postkantoor, een elektriciteitsfabriek enz. komen. Hiervoor zamelt hij handtekeningen in, voegt er zelfs namen bij van mensen die reeds lang overleden zijn of, jaren geleden, naar Amerika zijn uitgeweken. Zijn dromen worden werkelijkheid. De mensen hebben hun grondbezit prijsgegeven en ze helpen de stad stichten, waar het leven gemakkelijker en aangenamer zal zijn. Ze verlaten het land en worden naar de stad-in-wording gezogen. De bevoorrading gebeurt er niet meer door de gewassen uit de streek zelf: de grond ligt onbebouwd. Een misoogst in Rusland heeft een tekort aan graan voor gevolg. De moeilijkheden stapelen zich op voor de inwoners en brengen onrust en radeloosheid. Maar August blijft steeds met zijn wondere plannen rondlopen. Hij is immers een man zonder zwaarte, licht als het geld, als de werktuigkundige, de handel, de industrie en heel de zogenaamde vooruitgang. Hij is de moderne tijdsgeest die maar steeds de productie opdrijft van waardeloze genotsvoorwerpen, waardoor de mensen elk contact verliezen met de innerlijke waarde van het leven: de aarde die het brood schenkt.”

Ik ga, nú in ieder geval nog niet, niet zoals Schepens in het laatste hoofdstuk De betekenis van Knut Hamsun met Hugo von Hofmannsthal doet, beweren dat “Knut Hamsun ons de oneindigheid [heeft] geschonken en ons opgetild uit de teneerdrukkende alledaagsheid om ons te brengen in de wereld van het gemoed, van de verbeelding en van de dromen en hun raadselachtig verband met de stuwende krachten van het leven”, maar kom op basis van wat ik over de verschillende werken van Hamsun in deze biografie lees wel tot de conclusie die “een criticus” volgens Schepens trok, zijnde “dat het werk van Knut Hamsun geen vruchten zijn die men afzonderlijk plukt om afzonderlijk te genieten maar dat het een noors dennenwoud is. Vel één enkele den en sleep deze naar huis, dan heb je één enkele den in je kamer maar het woud, het uitgestrekte woud, staat buiten.” Ondanks dat ga ik, zoals aangekondigd, wél beginnen met die ene den, De ontwrichten, maar dit dennetje van Piet Schepens, dit mini-biografietje, heeft me alvast duidelijk gemaakt dat ik mogelijk mijn definitieve oordeel over het onderwerp van dat biografietje, Knut Hamsun, moet opschorten tot ik ook Honger, Langs overwoekerde paden, Rosa, en Zwervers I en II, allemaal te vinden in mijn boekenkasten, heb gelezen, en intussen de aankoop van andere werken van Hamsun zeker niet moet nalaten. Bij de besprekingen daarvan zal ik zeker óók niet nalaten om terug te grijpen naar dit werkje van Schepens.

Björn Roose


maandag 15 juni 2026

Het onderzoek: een bende – Over het onderzoek naar de Bende van Nijvel – Dirk Barrez (boekbespreking door Björn Roose)

Het onderzoek: een bende – Over het onderzoek naar de Bende van Nijvel – Dirk Barrez (boekbespreking door Björn Roose)
“‘k Gieng’n ne kièr noa Delhaize
up e schoan’n dag
Cé-Cé-Cénappels goan oalen.
Kwam doar ne gangster binn’n
zoender betoal’n,
begost te schiet’n en ie schoot doar
in ne lach.
Uut de weg, an de kant’n
gè moa goaze
de Bende van Ostende is ier.”

Zo ongeveer ging een liedje dat ik leerde tijdens mijn eerste ‘kamp’ in Zwitserland, georganiseerd door de CM (Christelijke Mutualiteiten) afdeling Oostende. Toegegeven, van goede smaak getuigde het niet echt, maar wetende dat ik toen – als ik me dat goed herinner – veertien of vijftien jaar oud was en we dus het jaar 1987 of 1988 schreven, paste het op z’n minst wel in, wat dan heet, het tijdsgewricht. De Cellules Communistes Combattantes, ofte CCC, waren actief geweest in 1984 en 1985, de Bende van Nijvel in 1982 en 1983 en vervolgens weer in 1985. België had z’n eigen années de plomb beleefd, maar intussen was alles weer rustig geworden en kon ‘men’ er al eens mee lachen (de tenen waren destijds sowieso veel minder lang of zo goed als niemand hield er rekening mee, want ik herinner me ook dat de eerste moppen over de Herald of Free Enterprise al rondgingen toen in 1987 dat schip nog maar nauwelijks gekapseisd was), al gold dat laatste natuurlijk niet voor iedereen: in de media bleef men over de terreur van de eerste helft van de jaren 1980 verslag doen met gepast lijkbiddersgezicht; bij de diverse politiediensten die belgië ‘rijk’ was, was men uiteraard steeds ernstig bezig met het onderzoek; en het federale parlement zou – voor echt – de onderste steen wel eens boven halen.

Niet dus. Wat de CCC betreft kwam de onderste steen nooit boven, al zijn er van die club vier leden opgepakt en kwam met dat oppakken een einde aan de activiteiten van de club, maar vooral het onderzoek naar de zogenaamde Bende van Nijvel werd, zoals de titel van voorliggend boek van Dirk Barrez aangeeft, een bende. Geen van de leden van de Bende werd ooit ontmaskerd, naar de motieven blijft het tot op vandaag raden, het politieonderzoek verliep nooit zoals het had moeten verlopen, en al zijn de sporen zo koud als de achtentwintig dodelijke slachtoffers die de Bende maakte, om de zoveel jaar blijft het dossier als een soort Nessie opduiken en voor, vooral, politieke trammelant zorgen: in juni 2024 nog kondigde het federaal parket aan het onderzoek, zo’n veertig jaar na datum, stop te zetten omdat het alles had onderzocht wat te onderzoeken viel, waarop toenmalig minister van Justitie Vincent Van Quickenborne een uitzonderingswet creëerde die er voor moest zorgen dat er géén verjaringstermijn zou zijn voor moordzaken “met een grote maatschappelijke impact”.

Maar in 1996, het jaar waarin Het onderzoek: een bende, ondertitel Over het onderzoek naar de Bende van Nijvel, verscheen bij Standaard Uitgeverij, was dat nog niet ‘nodig’ en volstond een dubbelaflevering van het tegenwoordig nog steeds af en toe spraakmakende VRT-programma (toen nog BRT, overigens) Panorama om, zoals op de achterflap wordt aangegeven, “een storm van belangstelling voor het mislukte Bende-onderzoek” aan te wakkeren. Wat meteen een puntje van kritiek is op dit boek: het was toén al een samenvatting van wat ‘we’ wisten, of beter: van de verschillende al dan niet serieuze gokken die gewaagd werden, maar dertig jaar later heeft het zo goed als alle belang verloren voor lezers van nu. Het was toén alleen maar verzekerd van belangstelling omdat het de genoemde uitzendingen op de voet volgde, en er is de jongste dertig jaar niks essentieels toegevoegd aan wat we toen al wisten (of gokten), maar er loopt tegenwoordig een generatie rond die nog nooit van de Bende van Nijvel gehoord heeft, of het moest via de in 2023 uitgezonden serie 1985 zijn, waarbij zich dan nog de vraag laat stellen of die bij de kijkers binnengekomen is als feit of fictie (wat sowieso een probleem is met álles rond die Bende).

Enfin, daarmee is niet gezegd dat dit boekje, met z’n amper veertig bladzijden tekst, in het geheel niet interessant is. Al is het maar omdat het inderdaad redelijk goed samenvat wat er ooit samen te vatten is geweest, zelfs al kan van Barrez niet gezegd worden dat hij geen enigszins gekleurde bril op had toen hij het schreef, en omdat het voor oude zeuren als ik een passende herinnering is aan hun jeugd (want die bestond echt niet alleen uit New Wave, negen regeringen Martens, en pukkels) en aan het antwoord op de vraag waarom ze geen enkele reden hebben ook maar enig vertrouwen te hebben in het belze gerechtelijke- en politieapparaat - “maatschappelijk trauma” noemt Barrez dat in zijn Inleiding – en dat eigenlijk ook nooit meer zouden moeten aankweken. Je hoéft immers niet mee te gaan in de logica van Barrez als die zegt dat niet alleen “het gerecht er niet in geslaagd [is] de bendemoordenaars te vatten”, maar ook “de opdrachtgevers ongemoeid [blijven]”, wat uiteraard alleen maar zo is als je er – zonder dat zulks bewezen is – van uit gaat dat er opdrachtgevers wáren, om te weten dat “het onopgeloste Bende-dossier een permanente schandvlek op justitie [vormt], een schandvlek die samen met al even onopgeloste dossiers als het Agusta-smeergeldschandaal, de moord op André Cools en de moord op veearts Karel Van Noppen de rechtsstaat ondermijnt” en dat alleen al het feit dat er veertig jaar na de moordpartijen nog niéts is opgelost van dit raadsel terwijl er wél zoveel tekens zijn dat het oplossen ervan op allerlei manieren en al dan niet bewust werd gedwarsboomd aanleiding genoeg is om uit te gaan van de theorie dat de vis rot vanaf de kop en dat dat rotten in de afgelopen vier decennia niet is gestopt (of de kop nooit, ondanks veel politiek gestoei dat op het tegendeel kan lijken te wijzen, vervangen is).

Een gentle reminder dus die meteen na de reeds genoemde Inleiding verder gaat met het hoofdstuk Een zware moordreeks, waarin de drieëntwintig wapenfeiten van de Bende, inclusief het stelen van een jachtgeweer in een wapenhandel in Dinant, een overval op een kruidenierswinkel in het Franse Maubeuge (met als buit thee, wijn en champagne), een inbraak in restaurant Auberge du Chevalier (met een soortgelijke buit en achterlating van een eerst gefolterde en vervolgens vermoorde huisbewaarder), en – onder andere – de diefstal van een Peugeot 504 zijn opgenomen, feiten dus die plaatsvonden vóór de daders aan het grote werk begonnen, hun eerste overval op een Delhaize (in Genval), al snel gevolgd door andere overvallen op vestigingen van Delhaize, Colruyt, en GB, culminerend in de raid van 9 november 1985 op de Delhaize in Aalst: “Hier worden maar liefst acht mensen afgemaakt, zeven anderen verwond. En dat voor 737.777 frank.”

Waarna Barrez in het onderzoek én de motieven duikt. De motieven van de onderzoekers en die van de terroristen. Jean Deprêtre, bijvoorbeeld, procureur des konings in Nijvel, die meteen van oordeel is dat het om “gewone bandieten” gaat, iets wat niet geheel ten onrechte kan afgeleid worden uit hun eerste misdrijven, maar bij “speurders en onderzoeksrechters” op ongeloof stuit omdat “de toch wel povere buit (…) helemaal niet te rijmen valt met de genomen risico’s en de moordpartijen”. Of onderzoeksrechter Christian Bayens, die “al na enkele maanden uit het onderzoek gewerkt [wordt], officieel omdat er een verband is met een dossier van onderzoeksrechter Schickler, wellicht omdat hij weigerde z’n onderzoek te laten leiden door het parket.” Of Freddy Troch, met wie “de laatste ervaren onderzoeksrechter uit het onderzoek” verdween. Of Philippe De Staerke, die vanuit de gevangenis “bekent (…) te hebben deelgenomen aan de twee Bende-overvallen met de Golf, de overvallen in Eigenbrakel, Overijse en Aalst die samen het leven kostten aan zestien mensen”, maar daar nooit voor veroordeeld werd. Of Francis Dossogne, leider van het Front de la Jeunesse, die het mogelijk acht dat leden van de binnen die kringen opgerichte Westland New Post onder leiding van Paul Latinus (wellicht “gezelfmoord” in 1984) mogelijk hun steentje hebben bijgedragen aan de Bende-overvallen. Enzovoort, enzoverder. Barrez heeft, zoals zo goed als álle journalisten in die jaren (en nog steeds) de neiging zich enigszins blind te staren op Extreemrechtse rijkswachters en militairen, in die mate zelfs dat hij de piste aanvaardbaar vindt dat de CCC niet écht extreemlinks zou geweest zijn, terwijl hij niet dieper ingaat op het feit dat de Staatsveiligheid diep in die CCC zat en wellicht ook in de Bende van Nijvel zonder dat die Staatsveiligheid per se ‘extreemrechts’ hoeft te zijn, maar goed, als je een samenvatting van de verschillende pistes in dit dossier geeft, kom je daar vanzelf op uit, net zoals op de roze balletten, ex-rijkswachters: Bouchouche en Beijer, Practical shooter Bultot, en uiteindelijk ook wat die Bultot zélf over de feiten te vertellen heeft en dat toch dicht tegen de al snel verworpen piste “gewone bandieten” van de eerder genoemde Jean Deprêtre aanleunt: Voor wapens en drugs.

“Bultot zegt”, aldus Barrez, “Volgens mijn informatie gaat het erom dat Israëlisch wapentuig verkocht raakt aan Arabische landen en dat België de draaischijf vormt voor die handel. Zo’n derde land is nodig omdat de Israëlische wetgeving dergelijke trafiek vanzelfsprekend verbiedt. Wapenhandel is al niet zo proper maar daar komt bij dat de wapens worden betaald met drugs zodat het helemaal een vuile zaak wordt.

Als de inlichtingen die ik heb gekregen correct zijn,’ vervolgt Bultot [tegen Barrez, noot van mij], ‘dan kan die trafiek van wapens betaald met drugs een verklaring geven voor heel wat duister gebleven aspecten van de Bende-moorden. Wat is bijvoorbeeld de rol van de vermoorde FN-directeur Juan Mendez? Wel, Mendez levert de zgn. end-user-certificaten, documenten die een welbepaald land als de eindbestemming aanduiden van een partij wapens. In dit geval gaat het natuurlijk om valse eindbestemmingen, de wapens vertrekken zogezegd naar een Zuidamerikaans land terwijl ze daar in werkelijkheid helemaal niet naartoe gaan.

Ook de vermoorde Léon Finné [een van de ‘toevallige’ slachtoffers van de voorlaatste overval van de Bende, noot van mij] vervult een sleutelfunctie. Hij zou namelijk verantwoordelijk zijn voor de financiële verrichtingen tussen België, dat de wapens doorverkocht, en Nederland waar de drugs aankomen en gecommercialiseerd worden. In dat geval moet Finné heel goed op de hoogte zijn van deze wapen- en drugstrafiek.

En natuurlijk hebben trafikanten die op zo grootschalige wijze wapens en drugs verhandelen, behoefte aan een verzetje af en toe, dat is zelfs heel aannemelijk. Dat amusement zou bijna altijd seksueel gekleurd zijn. De organisatie van dat seksueel amusement, orgieën meestal, zou in handen zijn van de vermoorde Jacques Fourez en Elise Dewit. Of het hier om de fameuze roze balletten gaat uit het dossier-Pinon, dat weet ik niet, maar in elk geval gaat het om dezelfde mensen.

Het restaurant Aux 3 Canards van de vermoorde Jacques Van Camp zou dan de plaats zijn waar deze wapenhandelaars regelmatig de voeten onder tafel steken voor een lekkere maaltijd. Daarbij valt op’, benadrukt nog altijd Jean Bultot, ‘dat de politiedienst die het onderzoek doet onmiddellijk het gastenboek in beslag neemt. Tot zover is alles normaal. Helemaal niet normaal echter is dat het gastenboek nooit meer wordt teruggevonden. Op die manier is daar het werk van de moordenaars eigenlijk afgemaakt door een politiedienst.

Als deze mensen vermoord worden, is het overduidelijk omdat ze te veel weten, omdat ze kroongetuigen zijn in deze affaire, omdat men om welke reden ook de getuigen weg wil, omdat getuigen hinderlijk zijn geworden, misschien omdat sommigen tot chantage overgaan. In elk geval zijn deze mensen vermoord omdat ze op de hoogte zijn van deze trafiek.’

En Bultot stopt nog niet: ‘Ook voor de parkingmoorden is er dan een uitleg. Ik denk dat enkele van deze mensen naar deze parkings zijn gebracht en daar zijn neergeschoten, zoals bij de Colruyt in Nijvel, en dat de overval slechts opgezet spel is. Net hetzelfde bij de latere slachtpartijen op de Delhaize-parkings in onder meer Overijse en Aalst. Men heeft daar in het wilde weg geschoten om het beeld van dolgedraaide schutters op te roepen, terwijl die schutters helemaal niet gek zijn.’”

Barrez ziet wel degelijk in dat die verklaring véél losse eindjes met elkaar verbindt, al rammelt er ook nog een en ander aan, maar weet ook dat bijvoorbeeld de feiten over illegale wapentrafiek kloppen, en dat ook dít een piste is waarnaar speurders niet verder mochten zoeken. Dat ze dat ook wat een aantal andere pistes betreft niet mochten, of dat ze daar van afgehaald werden, kan mijns inziens ook duiden op het feit dat bij die illegale wapenhandel bijvoorbeeld mensen van de rijkswacht of van bepaalde ‘extreemrechtse’ groeperingen betrokken waren, wat het bewandelen van paden in die richting ook tot een gevaar voor de wapenhandel maakte. Mogelijk zijn er zelfs gewoon broodkruimels uitgestrooid in allerlei richtingen om de aandacht van de feiten af te leiden. Om die feiten te begraven onder andere feiten waarvan er in die jaren genoeg te vinden waren, precies zoals de lijken op de parkings van de supermarkten begraven werden onder de lijken van anderen.

Dat de tijden sindsdien weer rustiger geworden zijn, is goed, maar de wapenhandel en het gebruik van het verhandelde spul in oorlogen en ‘conflicten’ allerlei is er helaas niet minder op geworden. Zoals het aantal veroordeelden in dit specifieke dossier er niet groter op geworden is. Al met al een interessant boekje van Dirk Barrez dus. Stof om ook in de toekomst verder over na te denken.

Björn Roose

vrijdag 12 juni 2026

Mercurius draagt Psyche naar de Olympus – Larry Silver (boekbespreking door Björn Roose)

Mercurius draagt Psyche naar de Olympus – Larry Silver (boekbespreking door Björn Roose)
Larry Silver… U hebt de naam eerder gehoord. Dat kan. Omdat u vaker boeken gelezen heeft van deze – dixit de achterflap van voorliggend boekje – “emeritus Farquhar Professor of Art History aan de University of Pennsylvania”, daarvóór “professor aan de University of California, Berkeley en de Nordwestern University” en “specialist van de vroegmoderne schilder- en prentkunst in de Nederlanden”.

In de gedaante van die “specialist” kent u hem in ieder geval van een eerdere boekbespreking van mij. Zoals dezelfde achterflap immers vermeldt: “In de reeks Phoebus Focus schreef Silver reeds over Metsys’ Mondeken toe (2019)”, en ik ben met het achtendertigste deel in die reeks ook aan mijn achtendertigste bespreking van een deel in die reeks toe.

Dat gezegd zijnde: vermelden dat het boekje op dik, glanzend papier uitgegeven is en tjokvol afbeeldingen zit, is allicht overbodig, want dat is met iéder boekje in deze serie zo en dat heb ik al vaak genoeg vermeld. Dat het zo’n honderdentien bladzijden telt, maakt het ook al niet tot een uitzondering in de serie, en dat het Voorwoord van de hand van Katharina Van Cauteren is, al evenmin. Maar dit nummer XXXVIII heeft uiteraard wél een unieke titel, Mercurius draagt Psyche naar de Olympus, én een dito ondertitel, Bartholomeus Spranger (1546-1611) en een allegorie van lust en macht voor keizer Rudolf II, en over die Spranger heeft niet alleen Silver het, maar ook Van Cauteren in dat Voorwoord: “Bartholomeus Spranger wordt geboren in Antwerpen en daar zit in de zestiende eeuw iets in het drinkwater. Er wonen meer schilders dan bakkers, of zo telt de Florentijn Lodovico Guicciardini het toch (fanatieke lezers grijpen nu terug naar Phoebus Focus XVI). Al die kunstenaars op een hoop, dat is natuurlijk fantastisch voor wie wat zoekt om thuis aan de muur te hangen. Maar als schilder met ambitie betekent het ook een nadeel. Het timmeren aan je eigen naam en faam waar je over de artistieke koppen kan lopen? Zo komt het dat Bartholomeus Spranger zijn hachje pakt en vertrekt naar Rome. Daar schopt hij het tot schilder van de paus, om vervolgens door keizer Maximiliaan II naar Wenen te worden gesommeerd. Uiteindelijk landt Spranger in Praag, als hofschilder van Maximiliaans zoon en opvolger, Rudolf II. Die zal hem uiteindelijk zelfs in de adelstand verheffen.”

Een ultrakorte levensbeschrijving, maar na het lezen ervan weet je tenminste al iéts over Spranger. Want dat is in onze contreien een notoire onbekende: “(…) ondanks zijn indrukwekkende carrière is Bartholomeus Spranger geen sant in eigen land. Erger: in de kunstgeschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden lijkt hij een beetje vergeten. Dat komt ervan, als je de Scheldestad inruilt voor Midden-Europa. In negentiende- en twintigste-eeuwse ogen ben je dan mosselen noch vis: geen Antwerpenaar, maar ook geen Duitser. Je valt, met andere woorden, buiten de hokjes, en laat de kunsthistorici uit het verleden nu net tuk zijn geweest op vakjes, labels, stromingen, afbakeningen en (eigen) regio’s. Denkelijk verklaart dat waarom zich in Belgische openbare collecties geen enkel werk van Spranger bevindt – de enige uitzondering die ik zo uit het blote hoofd kan bedenken, is een tafereeltje in de Belfius Art Collection. Ah, en natuurlijk zijn er de stukken in de verzameling van The Phoebus Foundation”.

Want dat is uiteraard óók iets wat elk van de boekjes in deze serie gemeen heeft: dat het er in beschreven kunstwerk, dat vanzelfsprekend ook dient als kapstok voor een behandeling van des kunstenaars leven, tijden en omgeving, zich in de collecties van Fernand Huts’ Phoebus Foundation bevindt. Wat niet wil zeggen dat de auteur zich noodzakelijkerwijs tot dát werk beperkt. Om dat te – bad pun intended – illustreren, verwijs ik graag naar de (voor u helaas niet zichtbare) aanwezigheid in dit boekje van afbeeldingen van Venus en Cupido met Mercurius en Psyche (van dezelfde Spranger en eveneens in de collectie van de Phoebus Foundation), Mercurius leidt Psyche naar de Hemel (ook van Spranger, maar in de collectie van de Hamburger Kunsthalle), een portret van Spranger door Jan Harmensz. Muller (te vinden in het Rijksmuseum te Amsterdam), een Portret van keizer Rudolf II op driejarige leeftijd (uit de – zoals dat dan heet – “omgeving” van Jakob Seisenegger en tegenwoordig ook in het bezit van de Phoebus Foundation), een Portret van keizer Rudolf II (intussen al een stuk ouder, van de hand van Hiëronymus Wierix en, ook al, in de collectie van de Phoebus Foundation), een ‘portret’ van Sint-Andreas (van Spranger en jawel, toch), een Paard uit de keizerlijke stal in Praag (of toch een schilderij daarvan van Roelandt Savery, eveneens te vinden bij de Phoebus Foundation), een Allegorie op de regering van keizer Rudolf II (van een “navolger” van Spranger – ‘t is eens wat anders dan iemand uit “de omgeving” -, eveneens in handen van de Phoebus Foundation), het plafondschilderij van het Banket van de goden dat Rafaël maakte voor de Villa Farnesina in Rome (en dat zich daar dus ook nog steeds bevindt), de Drie Gratiën van diezelfde Rafaël (Royal Collection in Windsor Castle), een plafondschilderij van – daarvoor is ze nu eenmaal het bekendst – de ontvoerd wordende Psyche in het Palazzo Te in Mantua van de hand van Giulio Romano (“en zijn atelier”), een gravure van het al eerder genoemde Banket van de goden (van Diana Scultori naar – zie hiervoor – Giulio Romano, te vinden in het Metropolitan in New York), een portretmedaille van – zie hiérvoor – Diana Scultori door ene Meester T.R., Neptunus verrast Caenis (van Spranger, in de collectie van Museum Plantin-Moretus, en het bewijs dat “het blote hoofd” van Katharina Van Cauteren ook niet alles weet en zij misschien de illustraties in het boekje waarvoor ze het voorwoord geschreven heeft niet bekeken heeft), Caenis omhelsd door Neptunus van Johannes I Sadeler náár Spranger (Rijksmuseum), Glaucus en Scylla (van Spranger, te vinden in het Kunsthistorisches Museum in Wenen), Hermaphroditus en de nimf Salmacis (idem), Hercules, Deianira en Nessus (idem), Zonder Ceres en Bacchus bevriest Venus (idem), Angelica en Medoro (ook van Spranger, maar onder dak bij de Alte Pinakothek in München), een gravure van dat schilderij van de hand van de ook al eerder genoemde Jan Harmensz. Muller (te vinden in het Metropolitan), Venus en Adonis (van Titiaan, Museo Nacional del Prado in Madrid), Spinsters (van de hand Diego Velázquez, in datzelfde museum), Bacchus, Ceres en Cupido (in het Kunsthistorisches Museum in Wenen, van Hans von Aachen), en nog eens hetzelfde maar dan totaal anders uit zijn “omgeving” en in de collectie van de Phoebus Foundation, het Huwelijk van Cupido en Psyche van Hendrick Golzius naar Bartholomeus Spranger (Metropolitan Museum of Art), Mercurius en Psyche van Jan Harmensz. Muller naar Adriaen de Vries (bij het Rijksmuseum), Psyche wordt toegelaten tot de Olympus (Peter Paul Rubens, Liechtenstein Museum te Vaduz), Psyche en slapende Cupido (zelfde schilder, maar te vinden in het Musée Bonnat-Helleu in Bayonne), Landschap met Psyche en Jupiter (zelfde schilder in samenwerking met Paul Bril, in het Prado), Nieuwsgierigheid van Psyche (Jacob Jordaens, bij de Phoebus Foundation), Psyche ontvangt de beker van onsterfelijk op de Olympus (idem), en Mercurius draagt Psyche naar de Olympus (nog eens idem). Grotendeels werken die dicht tegen het thema aanleunen (Mercurius, Psyche, Olympus, de godenwereld in het algemeen), wat niet mag verrassen, voor een niet onbelangrijk deel in de collectie van The Phoebus Foundation zittende (wat me eerlijk gezegd bij momenten wél verraste), behoorlijk wat werken van de schilder die in het zonnetje gezet wordt in dit boek, maar toch ook véél werken die elders te vinden zijn, van andere kunstenaars, en voor wie zou geteld hebben ook meteen duidelijk makend dat het aantal herhalingen van de ‘kapstok’ als illustratie zeer beperkt is (wat niet van elk boekje in deze serie kan gezegd worden).

Larry Silver heeft dan ook een zéér brede kijk ontwikkeld in dit boekje. Ja, Spranger speelt er de hoofdrol in, maar Silver behandelt veel meer dan hem en het in de titel genoemde schilderij, terwijl hij het zich toch wel makkelijk kon gemaakt hebben: “Over zijn leven is veel bekend, onder meer dat hij lange tijd in Rome verbleef. Naast die van Michelangelo vormt Sprangers biografie de langste sectie in Karel Van Manders Schilder-Boeck, dat verscheen in 1604 en dus nog tijdens het leven van Spranger”. Uitweidingen over Keizer Rudolf II als mecenas en verzamelaar in Praag en over de collega hofschilders van Spranger aldaar, onder andere de hierboven opduikende Hans von Aachen en Adriaen de Vries, liggen voor de hand, maar die over Italiaanse voorlopers en modellen al een stukje minder (dingen als het feit dat Rafaël het Banket van de goden schilderde ter ere van het huwelijk van Agostino Chigi, wiens huwelijk “werd ingezegend door paus Leo X en een tiental kardinalen”, zouden trouwens nog wat méér uitleg rechtvaardigen), en het gegeven dat Silver vervolgens telkens een bladzijde (of toch een stuk daarvan, al valt het met de witruimte in deze editie van Phoebus Focus best mee) gaat wijden aan andere werken van Spranger (vandaar uiteraard ook de illustraties daarvan), maakt van dit boekje haast een oeuvre-catalogus. Een feest voor lezer én kijker dus, dit Mercurius draagt Psyche naar de Olympus.

Björn Roose

dinsdag 9 juni 2026

Maar er is een uitweg – Frans van Isacker (boekbespreking door Björn Roose)

Maar er is een uitweg – Frans van Isacker (boekbespreking door Björn Roose)
Lezers die bij het zien van de naam Frans van Isacker denken dat ik met deze boekbespreking in herhaling val, hebben niet helemaal ongelijk: Frans van Isacker was inderdaad ook de auteur van het boek dat ik in mijn vorige bespreking tot onderwerp nam, De wereld verandert. En de titel Maar er is een uitweg lijkt niet toevallig een vervolg op die titel: Maar er is een uitweg ís het vervolg op De wereld verandert. Een vervolg dat op zeer korte termijn na het verschijnen van het eerste boek werd gepubliceerd, maar niet op even korte termijn na dat eerste boek werd geschreven, aldus het Dagboek van de auteur aan het einde van Maar er is een uitweg: “Hoewel er slechts weinig tijd is verlopen tussen de publicatie van De Wereld Verandert en dit boek, toch ligt er tussen het schrijven en beëindigen van beide manuscripten een hele periode, bijna vier jaar.”

Een onvoorzien vervolg dus? Niet echt: “Tegelijkertijd met het schrijven van De Wereld Verandert ontstond ook het plan voor dit boek. Aanvankelijk bedoelde ik de kroniek van de oorlog en na-oorlog in een trilogie te verwerken [waarbij het derde deel allicht Elsie Brand, de verloofde van Eric Toorop, als ‘schrijver’ had moeten hebben, iets wat nu het geval is vanaf het derde deel van het tweede boek, noot van mij] en het schema daartoe werd uitgebouwd in oktober 1947. Doch spoedig, nog voor het eerste gedeelte (Opgejaagd) [van dit tweede boek, noot van mij] af was, kwam ik tot andere inzichten en reeds in januari 1948 werd de constructie omgewerkt tot een diptiek. Door al deze perikelen heen werd dit boek heel wat anders dan een record van stachanovisme. Ik schreef het te Mechelen in november-december 1947, januari-juli, oktober-december 1948 en januari-februari 1949. Vrijwel gelijklopend werd de tekst opnieuw ter hand genomen. De derde herziening had plaats tijdens de maand maart 1949. Daarna kreeg Elsevier de kopij.”

Kopij bevattende een weliswaar omgewerkt verhaal dus, maar wel een verhaal waarvan het schrijven al tijdens het schrijven van De wereld verandert werd gepland. Een verhaal – waarover, hoe clever, eerder genoemde Eric Toorop het ook heeft op pagina 262 van dit boek - dat dus logischerwijs in de lijn ligt van dat eerste, zij het dat het zich grotendeels afspeelt ná de Tweede Wereldoorlog, of minstens na – wat dan heet – “de bevrijding” en tijdens de nadagen van die oorlog. “Het hele leven, blij en beklemmend tevens, zoals het zich in België na de bevrijding heeft afgespeeld, heb ik willen weergeven”, schrijft Van Isacker daarover: “Opnieuw zijn waan en werkelijkheid in dezelfde twee families geconcentreerd. Maar welke de inspiratiebron ook zij, realiteit of verbeelding, toch blijft dit verhaal echt en verhoudingsgetrouw.”

‘Ja en nee’, ben ik geneigd te antwoorden op die bewering. ‘Ja’ in de zin dat Maar er is een uitweg minder een tearjerker is geworden dan De wereld verandert, wat een vooruitgang is. ‘Nee’ in de zin dat “echt en verhoudingsgetrouw” toch geen volkomen correcte beschrijving is voor wat in de plaats van het tearjerken kwam: de hoeveelheid actie die in dit tweede deel van de “diptiek” geperst werd, zou nog enigszins geloofwaardig geweest zijn mits uitgesmeerd over twee delen, maar een deserteur uit het Hongaarse leger uit de gevangenis bevrijden, een soldaat van het Vlaams Legioen inzetten om dat te doen en vervolgens die soldaat helpen ontsnappen aan het naoorlogse ‘gerecht’, hoofdrolspelers laten trouwen met Amerikaanse soldaten en met Oostenrijkse, het ‘verzet’ trotseren bij het verzorgen van ‘vijanden’, uit huis gezet worden door de bezetter, beschuldigd en vrijgesproken worden van economische collaboratie, het ‘recht’ van de straat en het onrecht van het officiële ‘gerecht’, de macht van de (crypto-)communisten en de onmacht van de staat (“De minister van landsverdediging beveelt de ontwapening van de verzetsbenden. Ze lachen hem uit”), het voorziene opnieuw keren van de kazak mocht het zogenaamde Von Rundstedt-offensief succes hebben gehad, enzovoort, enzoverder… het is misschien een heel klein beetje veel voor de tweehonderdtachtig bladzijden tekst die Maar er is een uitweg telt (nota bene vijftig minder dan De wereld verandert) en het is zeker niet “verhoudingsgetrouw”. Ja, die dingen zijn ongetwijfeld allemaal gebeurd, de ene in grotere hoeveelheden dan de andere, maar die allemaal op een dergelijke manier samenpersen kán van het goede teveel zijn. “Het wordt een echte politieroman”, zegt op een zeker moment een van de hoofdrolspelers, maar Maar er is een uitweg slaat qua actie nog heel wat in dat genre.

“(…) hier in het park, Ferko, is de oorlog toch voorbij gebleven”, blijkt ook tijden na de oorlog nog steeds niet het geval (en was ook in de praktijk niet het geval). Zelfs de grote ideeënleverancier, de in principe niet meer praktiserende dokter Brand, wordt er af en toe een beetje moe van. En de eindredactie was dat duidelijk óók. Zetfouten en zelfs verdwenen zinnen zijn daar de getuigen van: “Gisteren vierde Hitler zijn tiende / jaar, maar meer en meer, dag en nacht, dreunen de eska- / hij niet eens gesproken heeft”, is van dat laatste een duidelijk voorbeeld. “Ze hebben hem nu aangehouden zonder indentiteit!” eveneens. Maar goed, we zijn niet van de spellingspolitie. En de maatschappijkritiek die Van Isacker in dit boek gestoken heeft, mag er hoe dan ook wezen. Over het al eerder genoemde ‘verzet’, bijvoorbeeld: “Al dat schieten en die aanvallen, brandstichting, gewapende inbraak of overval… Ik weet niet wat allemaal, tot moord zelfs… Net of ze daartoe het recht krijgen, alleen maar omdat ze worden vervolgd en zich moeten verstoppen. Al wat er gebeurt in de Ardennen maakt me al even razend als de rest en ik vind het even crimineel… al was het dan alleen om de represailles en het doodschieten van gijzelaars dat er steeds op volgt. (…) Op doodslag volgt doodslag en op repressie represaille. Dit wil ik schrijven: wee hen, die ons dit leren en ons wapens geven om het te doen! Zij maken zich gelijk aan degenen die ze bestrijden en ons zenden ze een leed dat groter is dan de oorlog zelf en dat zich opstapelen zal, steeds maar opstapelen, een eindeloze toekomst ver. En wie zegt dat wat ze nu leren, ze later zelf niet zullen moeten ondergaan, van hen juist aan wie ze het leerden?” Of over de ‘precisiebombardementen’ van de Geallieerden, in de woorden van kardinaal Jozef Van Roey: “Sinds omtrent één maand is België dag en nacht het voorwerp van voortdurende luchtaanvallen, met het doel, verklaart men, de stations, de knooppunten en de inrichtingen van de spoorwegen te vernietigen. Wegens de wijze waarop zij uitgevoerd worden, doen deze aanvallen ieder maal stroomen bloed vloeien en veroorzaken zij ongehoorde en onherstelbare verwoestingen in onze stedelijke en landelijke agglomeraties. Reeds duizenden onzer landgenoten vonden een vreeselijken dood onder de puinen van hun huizen of in de ingestorte schuilplaatsen waarin zij zich veilig achtten. Reeds vertoonen de bijzonderste steden van ons land, te beginnen met Brussel, Luik, Gent, Charleroi, in gansche wijken, nog slechts puinhoopen. Aloude steden, bij voorbeeld Mechelen en Leuven die ik rechtstreeksch onder het oog heb, zijn voor een derde of voor de helft vernietigd, inbegrepen verschillende van hun kostbaarste monumenten. Over bijna de gansche oppervlakte van het land, heerschen dood en verslagenheid. Men zegt ons weliswaar: Deze uitwerksels zijn ongetwijfeld ten zeerste betreurenswaardig, maar zij zijn een onvermijdelijk gevolg van krijgsverrichtingen, die tot doel hebben de door de vijand benuttigde verkeersmiddelen en fabrieken te vernielen. De werkelijkheid, die wij met eigen oogen vaststellen, is deze: buiten zeldzame gevallen, waarin enkele vliegtuigen, bij dagvlucht, hun objectief treffen, zonder groote schade aan te richten in de omgeving, worden spring- en zelfs brandbommen blindelings, lukraak, zonder eenig onderscheid, op meerdere vierkante kilometers van bebouwde agglomeraties uitgeworpen. Is het noodig om spoorweg-installaties, gelegen aan de rand van een stad, te treffen, dat luchtformaties, in dikke drommen, bijzonder ‘s nachts, honderden, duizenden bommen van het zwaarste kaliber op gansch een stad doen neerkomen? Is deze wijze van doen in verhouding tot het beoogde doelwit? Hoe kunnen deze reusachtige en ongeregelde inspanningen, zelfs van militair standpunt uit, verantwoord worden? Het is klaarblijkelijk – we zien het en wij bevestigen het – dat men de voorzorgen niet neemt, die onontbeerlijk zijn en die het mogelijk is te nemen. Hoe kan dus deze handelswijze vóór de rede en het menschelijk geweten gerechtvaardigd worden? Men zegt ons nog: Verblijft niet in de nabijheid van vormingsstations en van vertakkingspunten van de spoorwegen. Maar hoe ver reikt de gevaarlijke zone, wanneer men vaststelt dat bommen slachtoffers maken en woningen vernietigen tot op verschillende kilometers afstand van deze objectieven? Bovendien, waar zou een zoo dicht op elkaar gedrongen bevolking als de onze, in een land met spoorwegen bedekt, kunnen naartoe vluchten?

Elke vergelijking met hedendaagse toestanden is – uiteraard, ik zou niet durven – denkbeeldig, maar ik wou deze, door de auteur gecursiveerde, passage toch even meegeven. En dat in tegenstelling tot de info die ik ook al neerpende in mijn bespreking van De wereld verandert. Zoals het geval is met dat boek en het voorliggende, mag u wat mij betreft ook de besprekingen daarvan als een ‘diptiek’ beschouwen.

Björn Roose