maandag 23 februari 2026

Z!N – Over leven in de 21ste eeuw – Alain Grootaers (boekbespreking door Björn Roose)

Z!N – Over leven in de 21ste eeuw – Alain Grootaers (boekbespreking door Björn Roose)
Wie wil weten hoe ‘wereldvreemd’ ik ben, of hoe weinig aandacht ik besteed aan ‘Bekende Vlamingen’ (BV’s) en tutti quanti (u mag zelf beslissen of dat ‘vreemd’ is), mag mij de vraag stellen of ik tot ik voorliggend boek, Z!N – Over leven in de 21ste eeuw, wist wat Alain Grootaers allemaal gedaan heeft in z’n leven. Behalve dat hij een belangrijk deel van de interviews heeft afgenomen in de schitterende serie Tegenwind, waarvan ik eerder het boek met de ondertitel OVER 6 wetenschappersin het oog van de coronastorm besprak, en ergens in Spanje woonde, had ik u het antwoord volkomen schuldig moeten blijven. ‘De broer van Walter Grootaers’? Ah ja, die heeft inderdaad dezelfde familienaam. ‘Manager van De Kreuners geweest’? Ach zo. ‘Oprichter van P-Magazine’? Tiens, ik heb dat zelfs wel eens gelezen, denk ik. ‘Bedenker van de Ché’? Dat heb ik zeker een maand of zes gelezen, stond die daar dan ook in? ‘In De rechtvaardige rechters gezeten’? Sorry, maar één keer gezien. ‘Het eerste seizoen van De Slimste Mens ter Wereld gewonnen’? Zelfs nooit gezien. ‘Hij schrijft voor PAL NWS en Doorbraak.be’? Ik zie daar wel eens linken naar, naar die publicaties, maar als ik al eens ga kijken, zitten de artikels achter een betaalmuur. En toch neem ik nu een boek van hem dat al langer in mijn boekenkasten zit ter hand terwijl z’n nieuwste boek, Beroerd, over de hersenbloeding die hij in 2023 kreeg en de lange revalidatie nadien, vers in de boekhandels ligt? Jep. Toeval. Want ik volg ook de aankondigingen van uitgeverijen niet en zag dat boek pas bij Standaard Boekhandel liggen toen ik Z!N uit mijn bibliotheek had gehaald.

Z!N, zijnde een boek met een titel bestaande uit twee hoofdletters en een leesteken en een ondertitel (die ik niet in die vorm ga overnemen omdat opeenvolgende hoofdletters voor mij neerkomen op geschreven geschreeuw) bestaande uit bijna niets anders dan hoofdletters (alleen de ‘ste’ van ‘21ste’ bleef gespaard), fenomenen die wellicht in 2009, het jaar waarin dit boek verscheen bij Uitgeverij Vrijdag (in 2024 overgenomen door Uitgeverij Pelckmans, waar Grootaers’ nieuwste werd uitgegeven), nog ‘normaal’ waren. Z!N, ook zijnde een boek handelend over, minstens ten dele, uit de tredmolen stappen, minder (gaan) werken, “de onzin van een dolgedraaide samenleving (…) vervangen door Z!n”, zoals op de achterflap staat, over “de ratrace, de overconsumptie en de stress”, het soort dingen waarvan gezegd wordt dat ze behalve andere problemen ook een veel hogere kans op… hersenbloedingen tot gevolg hebben.

De alternatieve ondertitel, te vinden op de titelpagina, De kunst van het overleven in de 21ste eeuw, is dus mogelijk ternauwerdood toegepast door de auteur ervan, een auteur die nochtans in de twee jaar voorafgaand aan de publicatie, 2007 en 2008, “een sabbaticalreis door het Indiase subcontinent en Zuid-Oost-Azië” had ondernomen, zijn leven naar eigen zeggen vervolgens totaal omgooide, op een klein boerderijtje ging gaan wonen in Andalusië, en daar zijn redding in zag: “Ik ben anders gaan werken, anders gaan consumeren, ik kijk nu met andere ogen naar geld.” Verre van mij om daar sarcastisch over te doen – we zouden er allemaal deugd van hebben om de rust wat meer op te zoeken, en wie zijn leven wil veranderen, moet dat nooit nalaten -, maar het kán zijn dat wie voelt dat hij het rustiger aan moet doen dat nog niet sterk genoeg voelt en het kán zijn dat innerlijke rust voor de een makkelijker te bereiken valt dan voor de andere, ook onder omstandigheden die gelijk zijn.

Ik zou bijvoorbeeld niét helemaal relax worden van een bezoek aan Cambodja, zelfs al werken de mensen in een dorp als Sin Pitch er alleen maar als dat strikt noodzakelijk is, ondanks het feit dat ik voor die levensstijl waardering kan opbrengen en helemaal de uitleg volg die Grootaers geeft in het hoofdstuk Visoen van het deel De zin van Z!n omtrent wat er te verwachten zou zijn als dat dorp de ‘weldaden’ van de industriële revolutie zou ontmoeten. Ik word namelijk onnozel van met veel mensen in één ruimte slapen, lastige insecten, én... dolce far niente. Grootaers probeert reacties die – wat ik niet doe – zijn reactie afdoen als “valse en misplaatste nostalgie voor romantische zielen” voor te zijn door te zeggen dat het inderdaad “onzinnig [zou] zijn om meteen alle verwezenlijkingen van de industriële revolutie en onze westerse consumptiemaatschappij af te doen als verwerpelijk”, maar dat ik tijdens de feestdagen gestrest terugkom van even naar de winkel rijden om een dringende boodschap (iets wat ik me niet kan herinneren van pakweg tien jaar terug), wil nog niet zeggen dat ik de voorkeur geef aan een leven als dat van Cosey’s Jonathan (wie wil weten hoe ik de link leg tussen dat personage en Grootaers moet gewoon dit boek en de stripserie Jonathan lezen).

Enfin, het waarom van de ommezwaai die Grootaers in 2008 maakte, is niet wat dit boek van zo’n honderdveertig bladzijden van begin tot einde vult. Na De zin van Z!n, een hoofdstuk ingeleid met een waarheid als een koe van de in 2019 overleden Amerikaanse journalist Russell Baker, “Vreselijke dingen die gebeuren in naam van de vooruitgang, zijn meestal helemaal geen vooruitgang, maar gewoon vreselijke dingen”, volgen immers Deel 1. Betalen, Deel 2. Werken en Deel 3. Hébben!, de hoekstenen onder ons ‘westers’ (en doorheen de eeuwen naar het grootste deel van de wereld uitgevoerd) model, waarover Grootaers telkens een vlot leesbare, maar desalniettemin gedegen uitleg geeft. Een uitleg waarin ik weinig nieuws tegenkwam, maar dat ligt eerder aan het feit dat ik enigszins ingelezen ben in het onderwerp en dat zegt niks over wat u er mee aankan. “Voor geld staan we vijf dagen per week ‘s ochtends vroeg op”, schrijft hij bijvoorbeeld, “we gaan ervoor in de file staan, trekken er in het beste geval een kostuum en das voor aan of anders gevechtskledij, een mijnwerkershelm of een chemisch beschermingspak”, maar/en hij laat daar meteen op volgen: “In Europa alleen al sterven elk jaar 5720 mensen ten gevolge van arbeidsongevallen, dus rechtstreeks voor hun broodwinning, voor hun geld. Voor geld wordt geweld gepleegd en gemoord. In de naam van geld gebeuren de vreselijkste, bloederigste, meest mensonterende dingen. Maar met geld kun je ook vrijheid kopen, wordt gezegd. En je kan er al die mooie spullen uit de reclame mee aanschaffen. Ergens tussen de zeventiende eeuw en nu is het ‘je pense, donc je suis’ van René Descartes veranderd in ‘j’achète, donc je suis’. Wie geld heeft bestaat, zo lijkt het wel. Wie geen geld heeft, is een kneusje, een loser, een paria.” Het veralgemenende beeld dat hij vervolgens schetst van het leven van “het gewone volk” voorafgaand aan de industriële revolutie is enigszins benevens de waarheid, maar het klopt wel dat geld tot aan die industriële revolutie niet het belang had dat het nu heeft en zelfs het belang dat het voordien had slechts geleidelijk verkreeg.

“Van een eenvoudig en handig ruilmiddel werd het een schaars product, een doel op zich” is zo’n beetje de aanzet in het hoofdstukje Hoe geld ‘gemaakt’ wordt uit niets, maar daarna volgt over verschillende hoofdstukken heen in kort bestek “de overstap van munten, die letterlijk hun gewicht in goud, zilver of brons waard waren, naar papiergeld”, het “partieel reservesysteem” (de grote vermenigvuldiging van geld bij de privébanken), de zogenaamd “nationale banken” (die in vele gevallen, zo niet de meeste, simpelweg óók privébanken zijn), het voor twee partijen (maar niet voor de burger) winstgevende een-tweetje tussen de banken en de overheid, beursspeculatie, “schuld (krediet) én rente op die schuld”, enzovoort, een opeenvolging van fenomenen die tot niets anders kan leiden dan de uitspraak van Grootaers: “God bestaat, hij is een bankier”. De auteur zet daar subsidiariteit tegenover, nearonomics (een voor zover ik kan zien door hém – bad pun intended – gemunte term), numains, yin-geld, tempeltijd, LETS’en, timedollars, maar ook de stelling dat geld vanaf een bepaalde hoeveelheid niet gelukkiger maakt (wat ongetwijfeld klopt, de wet van het marginaal meernut moet ook gelden voor het ruilmiddel dat doel op zich werd) en dus uiteindelijk ook de vraag Moeder, waarom werken wij?.

Acht uur per dag werken is zowat de standaard tegenwoordig, meer mag, maar vier uur (een half time, zeg maar) per dag was doorheen de eeuwen de reële standaard. “Voor het overgrote deel van de geschiedenis van de mensheid werd arbeid beschouwd als hard en vernederend. Hard werken was helemaal niet de norm in de Hebreeuwse, klassieke of middeleeuwse culturen. Het is simpelweg allemaal de schuld van de protestanten”, schrijft Grootaers enigszins boutadisch, maar in essentie klopt het wel: Johannes Calvijn was de eerste die de boodschap verkondigde dat werken geen straf voor de erfzonde was, zoals het wel degelijk in de Bijbel staat, maar een deugd. Marx keerde dat om en was van oordeel dat de godsdienst zich aangepast had aan de nieuwe sociale realiteit, maar samen met de “plotse bevolkingsexplosie” in de zestiende eeuw en de inflatie veroorzaakt door de enorme voorraden zilver en goud die ter beschikking kwamen in Zuid-Amerika, schudde die nieuwe moraal de zaken wel serieus dooreen. “Door de tijd raakte het geloof dat arbeid adelt algemeen verspreid en werd het een onderdeel van de westerse cultuur. Tot op vandaag zitten we ermee. De industriële revolutie kwam en die bracht een nieuw ras van mensen voort: de economisten. Zij waarschuwden dat er armoede en verval zou komen als er niet hard gewerkt werd. De scholen namen, naast schrijven en rekenen, plots ‘vlijt’ op in het lesprogramma. Die nieuwe werkethiek paste prima in de hiërarchische structuur van de nieuwe bedrijven, want de notie dat je hogerop kon komen door hard te werken werd er mee ingestampt. De illusie van The American Dream nam langzaam vorm aan en vooral ook de perverse omkering daarvan: wie het wil en hard werkt kan hogerop komen, ergo wie niet hogerop komt is een luierik.” De grote winnaars van het geldsysteem, de privébanken, hoefden dan ook bij de afschaffing van de slavernij in de Verenigde Staten alleen nog de doctrine vervat in de in 1862 rondgestuurde Hazard Circular te pushen: “Slavernij zal naar alle waarschijnlijkheid na de oorlog worden afgeschaft. Wij zijn voor het afschaffen van slavernij, want slavernij is in essentie het eigendom op arbeid en brengt met zich mee dat je voor je arbeiders moet zorgen, terwijl in het Europese plan – geleid door de Engelsen – kapitaal de arbeid gaat controleren door de lonen te bepalen”. “Anders gezegd:”, schrijft Grootaers, “fysieke slavernij houdt in dat je onderdak en eten moet verschaffen. Slaven doen lastig, slaan op de vlucht en zorgen voor onrust. Economische slavernij betekent dat arbeiders voor hun eigen onderdak en eten zorgen, terwijl wij toch hun inkomsten controleren. Het is hier dat het kapitalisme voor de allereerste keer zijn ware gelaat toont. Later zijn de kapitalisten veel subtieler geworden, maar het principe bleef hetzelfde: het waren slaven en het zullen slaven blijven, alleen zorgen ze nu voor zichzelf.” Het is dan ook geheel terecht dat de auteur het Deel 2. Werken begint met volgende citaat van Goethe (wie me persoonlijk kent, weet ook dat ik af en toe een t-shirt draag met die tekst er op): “Niemand ist mehr Sklave, als der sich für frei hält, ohne es zu sein”.

Veel wapens biedt Grootaers daar niet tegen, maar in Het ontsnappingsluik in je hoofd verwijst hij terecht naar de uitspraak van Rousseau (Jean-Jacques, niet Connard): “Er zijn twee manieren om rijker te worden: je kunt meer rijkdom verzamelen, of je kunt je verlangens inperken”. De “statusangst” van Alain de Botton proberen te milderen dus. Al ligt, zoals Grootaers aangeeft, een leven als dat van Timmermans’ Pallieter niet voor elk van ons voor de hand, net zomin als datgene wat Thoreau beschrijft in diens Walden, terwijl het basisinkomen waar Grootaers voor pleit volgens mij economische nonsens is: méér fiat-geld en een nog grotere inflatie zal ons deel worden.

Maar via dat ontsnappingsluik ga je in ieder geval rechtstreeks naar Deel 3. Hébben: “Winkelen is een tijdverdrijf geworden. Zelfs het woord winkelen is vervangen door een woord dat een stuk minder doelgericht klinkt.” Massaproductie en de drijvende kracht daarvan, massaconsumptie, zijn the name of the game. “Vlak na de oorlog werd”, dixit Grootaers, “een vergadering belegd bij – houd u vast – Lehman Brothers, de bank die onlangs overkop ging en daarmee de start van de financiële crisis. De toenmalige baas van Lehman Brothers, ene Paul Maser, had een plan: ‘We moeten Amerika doen verschuiven van een ‘wat-heb-ik-nodig’-cultuur naar een ‘wat-zou-ik-graag-willen’-cultuur. We moeten de mensen trainen om te leren verlangen (letterlijk: ‘people must be trained to desire’). Ze moeten nieuwe dingen willen, zelf wanneer hun oude spullen nog niet versleten zijn. We moeten een nieuwe mentaliteit creëren in Amerika. De verlangens van de mens moeten zijn noden overschaduwen!’”. Een ideetje dat nog meer vaart kreeg toen Edward Bernays, neef van Sigmund Freud en ‘verkoper’ van Woodrow Wilson als grote “verdediger van de democratie, de man die een nieuwe wereld zou maken waarin iedereen vrij zou zijn”, van propaganda “Public Relations” (PR) maakte, sigaretten wist te verkopen aan vrouwen die zich door het roken “onafhankelijk en krachtig” zouden opstellen, democratie misvormde tot “engineering of consent” (Manufacturing consent zou Noam Chomsky het later noemen), Herbert Hoover tot de overtuiging bracht dat de PR-mensen de bevolking tot “constantly moving happiness machines” moesten omvormen, en uiteindelijk voor corporate America het verzet tegen Franklin D. Roosevelts New Deal organiseerde. Een mission accomplished over de hele lijn, kan je wel zeggen, niet alleen in de Verenigde Staten, maar over de hele wereld, en het is twijfelachtig dat het “concept van vrijwillige eenvoud” van Ton Lemaire, “geen pleidooi voor armoede of schraalheid, maar voor de kunst en de wijsheid om maat te kunnen houden” daar een echt tegengewicht voor kan vormen. Net zomin als stevia (hoeveel minder ongezond dan geraffineerde suiker het ook werkelijk is), een motor op gecomprimeerde lucht, “transitiesteden” (een woord dat intussen sowieso al een vieze smaak heeft gekregen), of de in het Engelse Totnes of het Duitse Dardesheim toegepaste modellen waarover Grootaers het verder nog heeft. Zonder cynisch te willen doen over de goede bedoelingen achter de in het laatste deel aangehaalde ‘alternatieven’ kan ik immers alleen maar tot de vaststelling komen dat de PR-mensen van een drol een taart weten te maken, maar ook van een taart een drol. Wat vandaag deel is van een alternatief, is morgen al ingekapseld in het mainstream-verhaal. Wat vandaag tegen de commercie in lijkt te gaan, is morgen de commercie geworden. “Weg met de onzin, die ons wordt opgedrongen door gewiekste bankiers, zakenmensen, verzekeraars en allerhande kapitalisten die enkel uit zijn op eigen profijt, handelen uit eigen belang en er alles voor doen om de status quo te bewaren. Wacht niet op politici, vakbonden of andere grote sociale organisaties om actie te ondernemen, maar doe het zélf”, de boodschap die Grootaers nog meegeeft helemaal aan het einde van dit boek, dient dan ook zeer rigide toegepast te worden.

Björn Roose

vrijdag 20 februari 2026

Amorfe figuren – Roberto Matta (1911-2002) en de kracht van fluo – Naomi Meulemans (boekbespreking door Björn Roose)

Amorfe figuren – Roberto Matta (1911-2002) de de kracht van fluo – Naomi Meulemans (boekbespreking door Björn Roose)
Eerlijk is eerlijk, ik ben geen onvoorwaardelijke fan van wat ‘moderne kunst’ wordt genoemd. Niet dat ik alles wat onder die noemer valt per definitie zou verwerpen, maar – los van het feit dat het etiket nogal onzinnig is en ook ‘schone’ kunst ooit modern was – ik ga geen geld uitgeven aan een tentoonstelling ervan als die tentoonstelling niet minstens een combinatie met ‘schone’ kunst inhoudt. Ik zou voorliggend nummer XXXVI in de serie Phoebus Focus, gewijd aan een werk van de Chileense schilder Roberto Matta, Amorfe figuren genaamd, dan ook nooit gekocht hebben, maar ik kreeg het, zoals nu al zovele jaren het geval is met de voorgangers ervan, gratis bij de nieuwste editie van OKV-magazine, wat er dus een spreekwoordelijk gegeven paard van maakt. Een gegeven paard dat ik dan toch maar in de bek heb gekeken. Om daar, helaas, niet al te veel te vinden.

Ja, dit hoe dan ook weer verzorgd uitgegeven en vol beeldmateriaal zittende boekje is ongeveer het standaard aantal bladzijden in de serie dik, zijnde zo’n vijfennegentig, maar inclusief het Voorwoord van Katharina Van Cauteren zijn er daarvan nog geen negentien gevuld met tekst (en dan heb ik zeer ruim gemeten). De witruimte spat er zelfs op de tekstpagina’s van af en aan de vijftien bladzijden afbeeldingen van het, al dan niet onder blacklight gehouden, schilderij in kwestie heb je ook al niet zoveel: amorfe figuren zijn en blijven het, en voor een niet-kenner als ik draagt ook de herhaling daarvan niets bij aan de waardering ervoor. Zelfs niet – vandaar die blacklight en uiteraard de titel – als een deel van die figuren geschilderd is met fluorescerende kleuren. En al helemaal niet als inleider Katharina Van Cauteren of auteur Naomi Meulemans, die ook al het nummer XIV gewijd aan Karel Appels Vogel bij mekaar pende, er lyrisch gaat zitten over doen. Een zin als deze (in het Voorwoord) zorgt er voornamelijk voor dat ik me afvraag hoeveel de Phoebus Foundation voor dat schilderij betaald heeft: “De Amorfe figuren zien er bij daglicht compleet anders uit dan in het (half)duister. Pas dan komt het raadselachtige landschap tot leven, in een betoverende gloed die haast buitenaards lijkt: een toegangspoort tot een andere dimensie. Hier, in deze ongeziene werkelijkheid, fluisteren schaduwen en versmelten ongrijpbare, archetypische figuren tot een soort kosmisch geheel. De werkelijkheid lijkt slechts een vluchtige illusie en de verbeelding viert hoogtij. Via zijn werken nodigt Matta de toeschouwer uit om de confrontatie aan te gaan met de dieptes van het onderbewustzijn.” Een onderbewustzijn dat mij zei dat die Amorfe figuren niet zouden misstaan op een van die goedkope pocketuitgaven van science-fictionverhalen uit de jaren 1970, uitgaven die door de band genomen voorzien waren van covers die absoluut niks te maken had met het verhaal.

Maar misschien heb ik die covers nooit goed genoeg bekeken. “Als je het [schilderij] met een vergrootglas bestudeert”, schrijft Naomi Meulemans immers, “lijk je te worden opgezogen door mathematische berekeningen, maar op een afstand kijk je naar een abstracte, verzonnen theorie, een kunstwerk dat tegelijk een geloofsbelijdenis is.” “Is dit een voorstelling van het hiernamaals, een buitenaards leven? Of kijken we naar een onderwaterwereld vol vervormde zeepaardjes en pantoffeldiertjes?”, vraagt ze zich verder over die “geloofsbelijdenis” nog af, maar tegen dat ik daar gekomen was, was ík me al aan het afvragen hoe dat zat met háár “geloofsbelijdenis”. De voormalige architect, in de leer bij Le Corbusier, als schilder enigszins beïnvloed door Salvador Dali en André Breton, en een groot deel van zijn leven werkend vanuit het voormalige La Bandita-klooster in het Italiaanse Tarquinia (halverwege tussen Rome en het schiereiland Monte Argentario), stelde volgens haar namelijk niet alleen “specifieke eisen voor zijn doeken, waardoor ze steevast uit één stuk vervaardigd zijn, met oog voor kwaliteit en ambachtelijkheid”, maar moet ook “een zeer goede kennis gehad hebben van zijn schildersmaterialen en maakte daarvan in zijn interpretatie van de werkelijkheid ook een meerwaarde”. Wat uiteraard kán, maar van waar het een nogal lastige overgang is naar wat Van Cauteren al in haar inleiding schrijft: “(…) wat ooit een spannende innovatie was, is vandaag vaak een pain in the ass voor restauratoren. Van goede oude olieverf is immers bekend hoe die veroudert, maar nieuwe technieken vergaan op nieuwe manieren en vaak aan een ras tempo.” Of zoals Meulemans zelf schrijft: “Vóór 1940 werd het fluorescerende pigment dat Matta in Amorfe figuren verwerkte voornamelijk in een industriële context toegepast. Het werd zelden als pigment in tekeningen of schilderijen aangewend (…) Traditionele schilders waren terughoudend om die te gebruiken, uit angst voor de negatieve effecten op de kwaliteit en veroudering van hun werk.” Waarna Meulemans voor elk wat wils schrijft: “Kunstenaars als Roberto Matta trokken zich daarvan maar weinig aan” op de ene bladzijde; “Het pigment heeft slechts een levenstermijn van honderd jaar. Het is niet duidelijk of Roberto Matta hiervan op de hoogte was” op de volgende; en “(…) zelfs als dat het geval was, weten we niet of hij veel belang hechtte aan de duurzaamheid van zijn werken” daar weer meteen achter. Voor een eenvoudige jongen als ik, die hoopt na het lezen van zo’n boekje over een man die “de kracht van het fluorescerende pigment” kende en wiens “nieuwsgierigheid en artistieke experimenten (…) hem ertoe [brachten] een nieuwe, weinig geëxploreerde kant van de pigmententheorie te verkennen”, is dat allemaal helaas een weinig verwarrend. Niet dat ik, in plaats van de restaurator, dan meteen last krijg van “het problematische verouderingsfenomeen” waardoor “het oplichtende fluopigment in een melkachtige en uitgedoofde pastelvariant van de oorspronkelijke tint [verandert]”, maar mijn begrip voor en mijn verstaan van de schilder wordt er ook niet groter door. Terwijl net dát was wat ik hoopte te bereiken door dit boekje te lezen.

Björn Roose

maandag 16 februari 2026

Van mens tot mens – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Van mens tot mens – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)
Van mens tot mens
van Godfried Bomans zou het laatste boek worden dat ik in 2025 las. Niet dus, ik blijk altijd nog wat tijd over te hebben voor het lezen van boeken, maar dat is uiteraard geen beletsel om het te bespreken. Zelfs al is die bespreking óók iets dat ik me niet had voorgenomen: Steen op steen van Wiesław Myśliwski zou de laatste bespreking worden die ik in 2025 schreef, maar toen bleek ik op de ochtend van mijn laatste werkdag, 31 december (jawel), nog een uurtje tijd over te hebben, dus begon ik vast aan wat mijn eerste kalenderjaaroverschrijdende boekbespreking ooit is geworden (ik heb ze beëindigd op 2 januari 2026).

Passend eigenlijk voor een boek waar ik zo’n maand over gedaan heb. Zo’n maand, omdat ik het in mijn bibliotheek bij de cursiefjesbundels geplaatst had (waar ook het meeste werk van Bomans te vinden is) en ik al vele jaren de gewoonte heb mijn vriendin na het ontbijt op zondag lastig te vallen met het vóórlezen van cursiefjes (ze doet daar niet moeilijk over, dus houd ik daar niet mee op). En dat voorlezen, is dan weer iets wat ik nu ook weer niet de hele zondag kan doen, dus kan het een tijdje duren voor zo’n boek uit is, zelfs al is het, zoals in dit geval, slechts een tweehonderdtal bladzijden dik. Maar... Van mens tot mens is geen bundeling van cursiefjes, het is een bundeling van – zo geeft de cover ook aan – “nagelaten werk”, de eerste bundeling van die aard, uitgegeven door Elsevier in 1973. De volgende bundelingen zouden Thomas Robert Spoon en Een mooie tijd (oorspronkelijk voorzien onder de titel Een goede tijd) gaan heten, maar de motivatie van de drie uitgaves staat ook al vooraan in de eerste: “Talrijke korte stukken, essays en interviews van Godfried Bomans, in kranten en tijdschriften verschenen tussen het jaar 1945 en zijn overlijden op 22 december 1971, werden tijdens zijn leven niet gebundeld [dat zou ook onmogelijk geweest zijn gezien hij doorging met publiceren tot het einde van dat leven, noot van mij]. Het lag wel in zijn bedoeling zulks te doen en hij had, in die zin, enkele plannen ontworpen”. Waarbij een van die plannen “een bundel interviews en hier en daar verspreide stukken over markante persoonlijkheden” was, een plan dat uiteindelijk uitdraaide op Van mens tot mens, “interviews, verspreide stukken en een reeks artikelen over Lodewijk van Deyssel”.

Die “reeks artikelen over Lodewijk van Deyssel”, waaronder een vraaggesprek overigens, is (met hier en daar een duidelijk zichtbaar wordende herhaling tot gevolg) samengebracht onder het hoofdstuk Mijnheer Thijm, Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm being de echte naam van schrijver Lodewijk van Deyssel, een van de Tachtigers, en, net zoals Bomans dat lange tijd was, inwoner van Haarlem. Die “reeks artikelen”, negen exemplaren in totaal, vormt daarmee ook het thematische deel van het boek. Een thematisch deel waaruit telkens weer blijkt dat Godfried Bomans Lodewijk Van Deyssel werkelijk een warm hart toedroeg, zelfs al was hij verre van kritiekloos wat de auteur in de mens betrof – iets wat zich onder andere uit in Oratorio aan Lodewijk van Deyssel - en staan niet al de verzamelde artikels in dit hoofdstuk op hetzelfde niveau. Ik ben geneigd dat laatste op de bijna volstrekte afwezigheid van humor in de, voor zover ik dat kan inschatten, oudste stukken te steken, maar aan de andere kant ontbreekt die humor ook in veel van de onder het hoofdstuk Ontmoetingen met mensen en boeken verzamelde artikels en zijn die er niet minder boeiend om geworden. Misschien is het dan ook niet die afwezigheid van humor, maar een té groot respect voor het onderwerp, dat in de eerste artikels wat wringt. Een probleem dat duidelijk volledig opgelost was toen Bomans zich aan het schrijven van Herinnering aan Lodewijk van Deyssel zette (misschien omdat die toen al overleden was), een artikel dat samen met Anekdoten rond Thijm en Over de aandacht van Thijm het beste in dit deel vormt en aantoont dat kunnen lachen om iemand niet betekent dat men dat respect laat varen. Een citaat als dit mag daar, zelfs los van het feit dat Bomans daarin in hoofdzaak zichzelf op de hak neemt, getuige van zijn: “De indruk was verpletterend. Niemand zei wat. Het geweldige hoofd met de machtige kin voorwaarts gericht, de handen diep in de zakken van zijn grijze jas, rukte Van Deyssel dwars tegen de regen op naar het westen. Het aanduiden van de door hem gekozen richting met ‘het westen’ komt mij bij zulk een reusachtige verschijning gepast voor, al kan men ook zeggen dat hij naar Overveen liep om een sigaar te kopen. Beide opvattingen zijn verdedigbaar, maar de eerste is de meest juiste, omdat wij ons hier in de epische orde bevinden. In de mythologie wordt niet gewinkeld. Ook Achilles had kunnen voorbijkomen en dan had ook hij zich westwaarts voortbewogen. De bestemming van dergelijke figuren kan alleen door het bepalen van hemelstreken worden aangegeven.”

Omdat ook voor de rest de artikels Herinnering aan Lodewijk van Deyssel, Anekdoten rond Thijm en Over de aandacht van Thijm bijna volledig citerenswaardig zijn, houd ik het wat het hoofdstuk Mijnheer Thijm betreft verder op nog één citaat (in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, nietwaar?): “Thijm zag scheel. Ik aarzel eigenlijk met dit te zeggen, niet omdat zoiets verzwegen moet worden, maar omdat ik eraan twijfel of een dergelijke graad van scheelheid nog onder het begrip loensen valt. De gebruikelijke scheelheid is immers op te vatten als een min of meer mislukte poging om recht te kijken, terwijl de onderlinge afwijking van Thijms ogen elk streven in die richting bij voorbaat uitsloot. Hij had eenvoudig twee gezichtsvelden, die slechts in een gering segment samenvielen en voor het overige een volstrekt gescheiden deel van de schepping bestreken. Hij zag hierdoor ook veel meer dan andere mensen en men moest daar terdege rekening mee houden. Knipoogjes van omstanders werden, ook als deze zich zijwaarts van Thijm voltrokken, terstond opgemerkt en uitdrukkelijk gesignaleerd. Hij zei dan, zonder zich tot de schuldige te wenden, recht voor zich uit: ‘Ik neem u waar’, wat een spookachtige uitwerking had. Wie tegenover Thijm zat, bevond zich echter niet in de noodzaak een keuze te maken. Bij gewone scheelheid bestaat die moeilijkheid wel: men dient dan te besluiten tot welk oog men zich richten zal. Bij Thijm viel dit probleem weg. Het ene oog was op u gevestigd, terwijl het andere door het raam naar buiten keek.” Tot dan toe een quasi louter humoristisch vaststellen van een fysiek fenomeen, dit citaat, maar dan komt iets wat ook tekenend is voor het volgende hoofdstuk, Ontmoetingen met mensen en boeken, zijnde een tekststuk waarin Bomans blijk geeft van het diepgaand schouwen in de mensen waarover hij het heeft: “Ik geloof dat deze afwijking, die juist in het centrum van zijn begaafdheid (hij was een ogenmens), gelegen was, van beslissende betekenis moet zijn geweest voor de vorming van zijn eigenaardige persoonlijkheid. Zijn wonderlijke maniërisme, het voortdurend inwendig besturen van alles wat hij deed, de aanhoudende bewustheid waarmee hij ook zijn geringste handelingen begeleidde, men kan die niet verklaren als men dit centrale feit buiten beschouwing laat. Nu kan men zeggen dat in het werk van Thijm hiervan toch maar niets te bespeuren valt. Het is inderdaad waar dat het opvalt. Het is moeilijk aan te nemen dat een auteur die als geen ander zijn aandoeningen tot in de verste vertakkingen heeft vastgelegd, juist deze bron van emoties in het midden van zijn bestaan niet zou hebben opgemerkt. Dit is dan ook niet het geval. Thijm schreef daaromheen en dit voortdurend ignoreren groeide ook tot een houding in het dagelijks leven die door velen als ‘bestudeerd’ veroordeeld werd. Als vaststelling is dit juist, als vonnis niet. Thijm moest iets doen met die vreemde zoeklichten, die ieder hun eigen bundel de wereld inwierpen. Ik weet niet of het u is opgevallen, maar in dit stuk [het hele artikel, noot van mij] heb ik driemaal vermeld dat Thijm de blik neergeslagen hield ofwel de ogen niet opsloeg, waarbij ik nog het gefingeerde ‘tranen’ beschreven heb. Dit verhullen van een zo centraal gebrek gaf aan zijn optreden die gesteven weloverwogenheid die zich ook in zijn stijl van schrijven openbaarde, want werk en leven zijn één. Ik geloof trouwens dat iedere kunstenaar, ook een zo uiterst mededeelzame als Van Deyssel, creëert vanuit een verzwegen plek.”

En dan dus dat al twee keer genoemde volgende hoofdstuk, Ontmoetingen met mensen en boeken. Mensen zijnde Maria Sibylla Merian, Jan Klaassen, Herbert George Wells (van wie ik eerder De oorlog der werelden besprak), Nicolas Beets (de auteur van de Camera Obscura, voor wie Bomans ook al een enorme fascinatie aan de dag legde), Ignace Wils, Minus Oostrijk, Gilbert Keith Chesterton (wiens aan de avonturen van Father Brown gewijde bundel ik in 2021 besprak), Willem Bilderdijk, Felix Rutten, Simon Carmiggelt (van wie ik veel meer boeken gelezen heb dan ik er besprak), Wim Sonneveld, Johann Peter Eckermann, en Franz Kafka (van wie ik in 2022 de Kleine vertellingen heb besproken).

‘Maria Sibylla Merian?’, hoor ik u al vragen. ‘Ignace Wils?’ ‘Minus Oostrijk?’ ‘Johann Peter Eckermann?’ Misschien zelfs: ‘Felix Rutten?’. En: ‘Jan Klaassen, is dat die van de poppenkast?’

Om met die laatste te beginnen: ‘Ja, dat is die van de poppenkast.’ En dat beantwoordt ook de centrale vragen in het stuk Jan Klaassen en Katrijn, de poppenkast op de Dam: “Maar wie heeft dan die oude geschiedenis het aller-, állereerst verzonnen? Wie bedacht de figuur van Pierlala (de dood), van Jan Klaassen, de bedrogen echtgenoot en lachende wijsgeer, en van Katrijntje, zijn kijvend wijf? Wie stond hier het eerst op de Dam, vóór de grootvader van de ‘oude Kabalt’ en vóór zelfs diens vader geboren was?”

En Felix Rutten, over wie Bomans het heeft in het artikel De lege stoel? Dat was een – op dezelfde dag als Bomans overleden – (Nederlands-)Limburgse schrijver over wie de auteur het ook al had in Wandelingen door Rome en over wie hij hier onder andere schrijft: “(…) Felix Rutten woont in een tuinhuisje aan de Tiber. Door het ene raam ziet hij de koepel van de Sint-Pieter, door het ander het ondergoed van enige belendende religieuzen aan de drooglijn. Tussen beide aspecten van kerkelijk leven staat zijn tafel en stoel. Hier schrijft hij zijn gedichten, die niemand te lezen krijgt, omdat ze hemzelf genoeg zijn. Hij doet dit al vijftig jaar en er mag geen dag verloren gaan.”

Johann Peter Eckermann dan, de ‘arme van geest’ uit het artikel Zalig de armen van geest? Hij was de man die de Gespräche mit Goethe neerpende, een boek waarvan Bomans schreef dat hij het iedere zomer las, “omdat het ‘t ‘op de plaats rust’ als geen ander markeert”, een man over wie in de Goethe-literatuur doorgaans geschreven werd (en wordt, misschien, ik ben niet thuis in de literatuur over Johann Wolfgang von Goethe en heb van hemzelf ook nog niet meer gelezen dan Faust 1 en 2, al heb ik in het Duits wel zijn verzameld werk staan) dat hij “een glasplaat [was], een schone vensterruit en (…) het licht ongehinderd door[liet]”, dat hij “zich niet weg [hoefde] te cijferen” omdat hij “niets [was]”, een stelling die Bomans ten gronde betwist: “Afgezien nog van de volharding en trouw, die er nodig zijn om een dergelijke notulering negen jaar vol te houden, ziet men daarbij een gave over het hoofd, die in het algemeen weinig wordt opgemerkt, juist omdat zij zo zelden wordt aangetroffen en bovendien de schijn van negativiteit in zich bergt: het vermogen om in een ander volledig te geloven. Men vergeet dat deze faculteit, die wat laatdunkend met het woord ‘verering’ wordt aangeduid, in de bezitter ervan een geest veronderstelt, die ontvankelijk is voor het hem gebodene en dus daarmee verwantschap vertoont. Bewondering berust op affiniteit. Niemand ziet naar een ander op, of hij moet, zij het slechts in kiem, de mogelijkheid van die ander in zich dragen. En het is deze verwantschap, die Eckermann siert en Goethe zag. Men komt er niet met Eckermann als een nul te beschouwen. Hij was een potentieel getal, Goethe begreep dit. Hij telde het cijfer op dat hij had kunnen worden, als het lot deze misdeelde wat gunstiger had toegelachen, en behandelde de som als een reële uitkomst. Hij las de onzichtbare inkt van diens mogelijkheden en maakte deze ook voor Eckermann leesbaar.” Waaraan Bomans nog toevoegt: “Had Goethe nu geleefd, hij zou geen Eckermann gevonden hebben. Hij had louter genieën ontmoet en de stoel van Johann Peter was onbezet gebleven, omdat ze allen in die van Goethe hadden plaatsgenomen. Geen van hen had hij aangetroffen in de staat van dienstbaarheid die voor dit boek een voorwaarde is, niemand hunner was eenvoudig genoeg geweest om iets zo gecompliceerds te maken.”

En Ignace Wils? “(…) een late middeleeuwer”, “De held van Igualada”, de beschrijvingen die Bomans gebruikt in de titel van het aan hem gewijde artikel zullen u wellicht nog niet veel verder helpen, maar Ignace Marie Petrus Wils schopte het tot “kolonel van het bataljon der Carlistische zoeaven” en stierf in die hoedanigheid bij de in 1873 tussen Carlisten en Republikeinen gevoerde gevechten om Igualada (Catalonië). Een ook in Ravenstein, zijn geboortestad, allicht grotendeels vergeten figuur, al loopt er op het moment dat ik deze boekbespreking schrijf wél een tentoonstelling (nog open tot eind januari 2026) rond hem en zijn broer August onder de naam Zouaven Ravenstein, daarmee (al gaat de geschiedenis rond Ignace Wils dus ook nadien nog verder) aandacht bestedend aan het Pauselijk Zouavenkorps dat van 1861 tot 1870 vrijwilligers van overal ter wereld verenigde ter verdediging van de onafhankelijke Kerkelijke Staat.

Minus Oostrijk? Een postbode die Vincent van Gogh nog persoonlijk zou gekend hebben, maar waarvan ik op het internet geen spoor terug vind en waarvan ik na lezing van het artikel Echte Van Gogh in jutezak? ook niet zeker ben dat hij niet ontstaan is in de fantasie van Bomans, een artikel waarvan ik u desalniettemin de conclusie niet wil onthouden: “Wij weten nu, de ganse rivier van dit leven [dat van Van Gogh dus, noot van mij] overziende, dat Etten niet meer dan een schutsluis was, een voorbereiding tot hoger vaart, maar de sluiswachters wisten dit niet en konden dit ook niet weten. Daarom is het goed, één van hen te spreken. Wij zien een ogenblik de concrete Van Gogh, vóór het abstracte, uit alle bekende bouwstenen gecomponeerde en ons zo vertrouwde reuzenbeeld. En het stemt ons tot behoedzaamheid in het beoordelen van hen, die onze tijdgenoten zijn en die wij slechts kennen in een fase van hun ontwikkeling.”

En, ten slotte, voor we aan de bekendere figuren beginnen, Maria Sibylla Merian? Een vrouw naar wie recent in Amsterdam een brug werd genoemd, auteur van het in 1705 verschenen boek Metamorphosis insectorum Surinamensium, een van zestig kopergravures voorzien werk waarin ze de levenscycli beschrijft van insecten in Suriname (waar ze daartoe twee jaar verbleef), maar waarvoor (nu, in tijden waarin in het bijzonder aandacht besteed wordt aan vrouwen in de kunst en de wetenschap, misschien meer) nauwelijks belangstelling was (geweest) toen Bomans zijn artikel over haar schreef. En dat terwijl, zoals het óók getiteld is, Over de Voort-teling en Wonderbaerlyke Veranderingen der Surinaemsche Insecten. Beneffens de Gewassen daer ze op gevonden zijn. Waer in ook de wonderbaere Padden, Hagedissen, Slangen, Spinnen en andere seltsame Gediertens worden vertoont en beschreeven. Alles in Amerika door M.S. Meiraen naar het leeven en levensgrootte Geschildert en nu in ‘t Kooper overgebracht “een schok door gans Europa [gaf]. En van buiten de grenzen reden de karossen der rijke verzamelaars voor de onaanzienlijke woning in de Kerkstraat (tussen Leidsestraat en Spiegelgracht) waar de vrouw, die dit alles in stilte schiep, in een armstoel zat, verlamd en uitgeput”. “Haar faam smeulde voort tot in de eerste helft der negentiende eeuw,” schrijft Bomans nog, “en doofde toen. En ik durf geloven dat het merendeel mijner lezers eerst door deze schets haar naam vernomen heeft. Want in onze vaderlandse geschiedenis gaan vlootvoogden en regenten vóór, en in de schaduw van hun roem wachten nog tientallen op onze genegenheid.”

Is dit een behoorlijk lange boekbespreking aan het worden? Ja, dat is het. Maar dat valt gezien de aard van het werk ook niet als… eigenaardig te beschouwen. Over dus naar de bekendere figuren, waarbij u alvast de sjans heeft dat ik in Een kampioen van het menselijk geluk – In memoriam H.G. Wells, geschreven kort na diens overlijden in augustus 1946 dus, niks als te citeren heb aangeduid. Niet omdat er niks interessants in staat, maar omdat het me allemaal al bekend was (wat dus allicht ook geldt voor al wie de jongste jaren wat biografische gegevens over Wells gelezen heeft).

Wat Hildebrand betreft zou ik me er dan weer kunnen van af maken met een verwijzing naar Merkwaardigheden rond de Camera Obscura, het boek waarin zeventien stukken van Bomans over dat boek en de auteur ervan gebundeld werden, maar ik geef u toch even de conclusie van Bomans’ gesprek met de dochter van Beets mee: “Het kon vader niet veel schelen. Maar het verdroot hem wel eens, dat de mensen altijd over zijn Camera spraken, alsof hij na zijn 25ste jaar niets anders zou geschreven hebben. Men kent zijn preken, zijn wetenschappelijke verhandelingen op het gebied van taal en letteren en vooral zijn verzen niet. Daarmee doet men hem nochtans onrecht. Hijzelf schreef eens: ‘Mijn leven is in mijn Camera, mijn hart in mijn gedichten.’ Maar dat hart heeft voor velen vergeefs geklopt.”

En dan Simon Carmiggelt. Het ‘gesprek’ tussen hem en Bomans in Simon Carmiggelt 50 jaar had ik, me dunkt, ook al eens ergens gelezen en is duidelijk gefingeerd, maar het is hilarisch als Bomans op zijn best. Ik beperk me bijgevolg tot het weergeven van een klein stukje er uit: “Carmiggelt is dan, om met de deur in huis te vallen, een goede vijftiger, nog vol geestkracht en plannen voor de toekomst, met de levendige gelaatstrekken van iemand, die veel te zeggen heeft, maar wel zo wijs is om dat niet te doen. Kin, neus en oren verraden in hun krachtige snit een ondernemend karakter, maar de melancholieke ogen hebben allang besloten daar geen gebruik van te maken. De mond is delicaat gevormd en ook zijn maat schoenen blijft beneden het nationaal gemiddelde. Opmerkelijk is ook het spel van zijn handen. Ik kom daar misschien dadelijk op terug. Het breed gewelfde voorhoofd schept verwachtingen, die in de loop van het gesprek niet geheel worden ingelost, want Carmiggelt modelleert zijn mededelingen naar het bevattingsvermogen van degene, die tegenover hem zit. Het aan de slapen reeds grijzende haar wekt een vermoeden van leed, dat eveneens ongegrond blijkt. Kwam je hem op straat tegen, dan zou je denken: die jongen heeft het moeilijk, maar zie je hem thuis, dan is het best uit te houden, ben je mal, we zijn allemaal maar mensen en morgen komt er weer een dag.”

Een mening die Gilbert Keith Chesterton ongetwijfeld zou gedeeld hebben. Uit Bomans’ stuk over hem, G.K. Chesterton – Over een argeloze detective, waarin het overgrote deel van de aandacht dus naar de eerdergenoemde Father Brown gaat, zou ik wel wíllen citeren, maar ik kan het niet omdat ik dan tot mijn spijt de rest van de tekst niet mag citeren en het hele stuk gewoon groots is. Een mooie aanvulling op Gaston Durnez’ De lach van Chesterton ook, al dateert het boek van Durnez uiteraard van later.

Wat dan weer De sleutel tot de figuur Bilderdijk – Bij de herdenking van zijn geboortedag betreft, houd ik het bij twee stukjes tekst en het feit dat de ‘sociëteit’ die Bomans samen met een aantal anderen in Haarlem stichtte, Teisterbant genaamd, werd vernoemd naar diezelfde Bilderijk, die zichzelf als graaf van Teisterbant beschouwde: 1) “Men kan uitstekende wijn drinken en toch slechte gedichten schrijven. Ook de omgekeerde werkwijze is mogelijk en wordt hier herhaaldelijk toegepast”; 2) “Bilderdijk was, ofschoon hij slechte verzen schreef, een groot en waarachtig dichter. Hij dichtte de enorme gaten, die de realiteit openliet en schiep aldus een dijk, die tot ver in de Helleense oertijden doorliep: een Bilderdijk. Dit is: een dijk van beelden. Dat wij daarmee niet wensen ingepolderd te worden en hem, vergeleken bij onze eigen poëtische ingenieurs, als een Leeghwater beschouwen, doet niets af aan het feit dat hij eens grote provincies van ons nationale geestesleven heeft drooggelegd.”

Wat niet het soort bezigheid was waarmee Wim Sonneveld zich doorgaans onledig hield. In tegendeel, de tranen stroomden soms door de zalen waar hij optradt. Tranen van het lachen, wel te verstaan. Al waren er ook, misschien vooral, bij zijn ‘frater Venantius’ droeftoeters die het helemaal niet leuk vonden. Iets waarover Bomans schrijft: “Al die mensen, die in paniek raken omdat er een religieus is belachelijk gemaakt hebben niet begrepen, dat ‘frater Venantius’ in het ootje is genomen, niet als religieus, maar als cabaretier. Sonneveld zal er niet aan denken een kloosterling in zijn roeping aan te tasten; maar zodra de man als artiest gaat optreden, wordt hij kwetsbaar. Hij komt dan op het terrein van Wim Sonneveld, die volledig het recht heeft hem als zodanig te beoordelen. Dit oordeel was vernietigend. Wie nu meent, dat hiermee de kloosterstaat is beledigd en het katholieke geloof besmeurd, heeft totaal niet begrepen in welke functie frater Venantius is aangepakt. Dadelijk krijgen we misschien voetballende broeders. Moeten we dan vol eerbied op de tribune dat gelepel bekijken? Nee, zodra een kloosterling dat broekje aantrekt verliest hij de bescherming van zijn habijt en wordt hij naar zijn balcontrole beoordeeld. De mening dat fraters, wat ze ook doen, altijd in de eredivisie thuishoren, berust op een misverstand.”

Waarna alleen nog De Weense ambtenaar overblijft, Franz Kafka dus, of toch de Gespräche mit Kafka die Gustav Janouch in 1947, meer dan twee decennia na Kafka’s dood, optekende, Gespräche waaruit Bomans citeert. Citaten citeren lijkt me echter net wat te ver te gaan, dus laat ik dat maar achterwege. We moeten het immers ook nog over het derde deel van dit boek hebben, Interviews. Een “met de acteurs Paul Steenbergen en Myra Ward”, een “met minister J. Luns” (Ten huize van het echtpaar Luns), een “met prof. dr. Max Euwe”, en een “met Jan Foudraine” (De psychiatrie op de helling).

Even dacht ik u te kunnen verblijden met het ‘nieuws’ dat u Paul Steenbergen misschien kende als kapelaan De Goey uit Ciske de Rat, maar de Ciske de Rat waarin Steenbergen speelde, dateert van 1955, dus die kans is vrij klein. Myra Ward was zijn vierde echtgenote en zal wat het grote publiek betreft misschien nog het bekendst geworden zijn als Tante Adèle Takma uit de tv-serie Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan (uiteraard gebaseerd op de gelijknamige roman van Louis Couperus), maar die ligt intussen ook al vijftig jaar achter ons, dus is ze u wellicht even onbekend als Paul Steenbergen. Dat hoéft geen beletsel te zijn om uit dat vraaggesprek te citeren, maar gezien er – mijns inziens – niet echt iets van eeuwigheidswaarde in staat, doe ik dat niet. Iets wat ook geldt voor het vraaggesprek met Joseph Luns, al zou die kort nadien secretaris-generaal van de NAVO worden, Max Euwe, wereldkampioen schaken van 1935 tot 1937, en psychiater Jan Foudraine, destijds bevallen van zijn eerste boek Wie is van hout? en nadien ook bekend geworden als Swami Deva Amrito. Ik ga niet zeggen dat die vraaggesprekken niet hadden moeten opgenomen worden in dit boek – de uitgever was per slot van rekening bezig met het bundelen van nagelaten werk -, maar de werkelijkheid heeft simpelweg de neiging vijftig jaar later minder interessant te zijn dan de fictie, en vraaggesprekken verliezen zelfs nog sneller aan belang. Ze zijn immers bij uitstek het soort momentopname waarop Bomans ook alludeert in het eerder genoemde stuk Echte Van Gogh in jutezak?.

Ondanks dat laatste deel echter zeker een aanrader, dit Van mens tot mens.

Björn Roose

vrijdag 13 februari 2026

Pratend door Vlaanderen – Frans Van Mechelen (boekbespreking door Björn Roose)

Pratend door Vlaanderen – Frans Van Mechelen (boekbespreking door Björn Roose)
Dat Pratend door Vlaanderen van Frans Van Mechelen als ondertitel Ministeriële en niet-ministeriële evenwichtsoefeningen op de praatbalk meekreeg, is uiteraard geen toeval: dit boekje werd uitgegeven bij De Clauwaert v.z.w. in 1974, zo’n twee jaar nadat er een einde kwam aan Van Mechelens periode als Minister van Nederlandse Cultuur (een functie die destijds bestond in de belze federale regering wegens het nog niet bestaan van een Vlaamse ‘regering’), een periode die duurde van 1968 tot 1972, waarna Van Mechelen nog een jaar of vier volksvertegenwoordiger bleef spelen en wellicht (nog) wat meer tijd had om te schrijven.

Dat laatste zijnde een activiteit die de schrijvelaars van Wikipedia niet opviel, of die ze de moeite van het vermelden niet waard vonden, maar die van de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (sinds het digitaal gaan kennelijk niet meer voorzien van het epitheton ornans ‘Nieuwe’) wél. Daar, bij de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, verwijzen ze dan weer door naar ODIS, “de contextuele webdatabank voor de studie van intermediaire structuren in de 19de en 20ste eeuw” (whatever that is), van waar een link ligt naar KULeuven Libraries, waar correct wordt vermeld dat dit boekje het nummer 52 is in de Novellenreeks (van De Clauwaert dus). En dat mag dan wel zo wezen, maar in de feiten klopt het helemaal niet. Als Pratend door Vlaanderen een novelle is, ben ik de keizer van China.

Goed, goed, zelfs als u van dat laatste overtuigd bent, kunnen de titels van de hoofdstukken u daar meteen al van af brengen: Wat een spreker nooit of altijd doet, Vorm en inhoud zijn één, en Hoe een spreker evolueert, lijken me – bad pun intended – boekdelen te spreken. Mocht u dan echter nog twijfelen, geef ik u graag de titels van de subhoofdstukken uit Vorm en inhoud zijn één mee. Na een inleiding eindigend met de woorden “Er bestaat niet één enkele spreekvorm. Er zijn er vele. En ieder hiervan vergt naast een aangepaste inhoudsbenadering een even noodzakelijke, aangepaste vormgeving. Laten we er samen enkele onder de loep nemen.”, volgen volgende titels elkaar op: De akademische zitting of de plechtige inzet van een grootse viering, De massavergadering, Lezingen en konferenties, Het referaat, De spreekbeurt, De parlementaire redevoering, en ten slotte Kolleges.

Nummer 52 in de Novellenreeks van De Clauwaert v.z.w. is dus allesbehalve een novelle, al is het ook weer geen schriftelijke weerslag van – ach ja, ik kies er maar eentje uit, uit het rijtje hierboven – een spreekbeurt over geklets. “Dit boekje handelt (…) over de belevenissen van een ‘goed’ spreker’, schrijft Van Mechelen in zijn inleiding, Wat een spreker nooit of altijd doet, waarin hij het – hoe toepasselijk – over inleidingen heeft, en die belevenissen zijn de zijne, maar hij gebruikt die belevenissen om te illustreren wat hij over spreken te, euh, schrijven heeft. Pratend door Vlaanderen houdt daarmee ergens het midden tussen ‘de avonturen van een minister’, de evenwichtsoefeningen waarvan sprake in de ondertitel, en een – kort, zij het met zijn achtenzeventig bladzijden niet naar de normen van De Clauwaert – instructieboekje voor ándere sprekers. Dat levert dan stukken als deze (over de inleiding op): “Je moet namelijk goed weten dat een spreker steeds begint met een inleiding. Die inleiding kan op velerlei aangelegenheden betrekking hebben, zo bijv. op de organisatoren van het feest, ofwel op de reden waarom hij een half uur te laat is gekomen of op om het even wat! Als het maar onmiddellijk de aandacht van het publiek weet te vangen. Indien je echter niet zo gauw een goede inleiding vindt, kun je het Engelse voorbeeld navolgen. Zeer veel Engelse orateurs vangen nl. met een klein verhaaltje aan, zoals het vroeger bij de gewijde sprekers op de preekstoel algemeen de gewoonte was. Bij gebrek aan de eerste twee hulpmiddelen begin je gewoon met de ontleding van de titel van de conferentie. Wanneer dat achter de rug is, heb je gewoonlijk al een hele tijdspanne volgepraat. Dat truukje is erg doeltreffend wanneer het onderwerp je relatief onbekend is.” Maar ook stukken als deze (over gestoord worden tijdens een toespraak): “Na de zitting hebben vrienden mij verteld dat het de liberale jeugd was die in stoet voorbij het hoge gebouw getrokken was. Ik neem aan dat dit voorbijtrekken een zuiver toeval was en niet bedoeld om mij of mijn gehoor af te leiden. Dat het de liberale jeugd was, heb ik mij niet alleen laten vertellen, maar heb ik ook kunnen afleiden uit het feit dat er vele blauwe vlaggen waren, en dat niet iedereen mij zeer oud toescheen.”

Grappig? Bij momenten wel, ja, bijvoorbeeld hier: “Een vreemde brief – via Jan bij mij terechtgekomen – luidde als volgt: ‘Wij hebben reeds alle goede sprekers over dit onderwerp gekontakteerd, evenwel zonder resultaat. Daarom zijn we zo vrij op u een beroep te doen!’”. Maar verre van zo grappig als Ernest Claes in zijn Voordrachtgevers zijn avonturiers. Ik zou wie per se eens iets over voordrachten wil lezen dan ook het boek van Claes ruim boven dat van Van Mechelen aanraden. Zelfs al heeft Claes niet tussen mensen verkeerd waarover hij achteraf dit kon schrijven: “Een heel biezondere soort van spreken is wel de parlementaire redevoering. De spreker staat hier voor het meest gesofistikeerde; men zou haast zeggen, het meest geblaseerde publiek dat denkbaar is. Inderdaad, in het parlementair halfrond volgen de redevoeringen elkaar eigenlijk ononderbroken op. Een stroom van slordige en/of keurige spreekbeurten wordt op de aanwezigen losgelaten. Er worden zoveel oratorische, retorische en andere sprekerskunsten aangewend, dat ik ieder die zich bekwamen wil in de kunst van het spreken, aanbeveel een stage in het parlementair milieu door te maken”. Wat toch duidelijk van vele decennia voor het onze dateert, want iedere godvergeten ‘volksvertegenwoordiger’ lijkt nu van dezelfde coach les gehad te hebben. Een coach die hen allemaal hetzelfde toontje, dezelfde gebaren, dezelfde trucjes heeft aangeleerd. Dat dat alles voor de aandachtige luisteraar/kijker niet verbergt dat het de heren en dames ‘volksvertegenwoordigers’ uiteindelijk maar om één ding gaat, zichzelf verkopen, dat heeft die coach hen duidelijk niét verteld…

Björn Roose

maandag 9 februari 2026

Steen op steen - Wiesław Myśliwski (boekbespreking door Björn Roose)

Steen op steen - Wiesław Myśliwski (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb het in mijn boekbesprekingen al vaker gehad over het ‘toeval’ dat me een bepaald boek uit mijn bibliotheek doet halen nadat ik een ander, schijnbaar daarmee ongerelateerd boek heb uitgelezen. Dat ‘toeval’ blijkt op zijn minst niet te beletten dat er verbanden liggen tussen de na mekaar gelezen boeken, terwijl ik die nooit had vermoed. Zo’n verband is er ook tussen Steen op steen en Over het doppen van bonen, al heb ik die niet na mekaar gelezen en was het me volkomen duidelijk dat ze afkomstig waren van dezelfde auteur, Wiesław Myśliwski. Ik had ze immers, zoals ik in de bespreking van dat laatste al vermeldde, samen gekocht. Het verband is echter een ander en zit in het moment dat ik het ene besproken heb en het andere bespreek: aan het einde van de bespreking van Over het doppen van bonen schreef ik dat ik “met die toegeeflijkheid (…) mijn laatste in 2024 geschreven boekbespreking” beëindigde. Een feit waar ik me niet meer van bewust was tot ik die bespreking ging herlezen vooraleer aan die van Steen op steen te beginnen. Een boekbespreking die – jawel – mijn laatste in 2025 geschreven exemplaar zal worden, al geldt ook in dit geval dat u die pas ergens in het volgende jaar zal te lezen krijgen.

Zoals ook een aantal andere dingen voor beide boeken gelden. Bijvoorbeeld dat de schrijfstijl, vertelstijl eigenlijk, me niet bijzonder ligt. Zoals Over het doppen van bonen bestaat Steen op steen uit één lange monoloog. Een van zo’n vijfhonderdtwintig bladzijden, wat er nog eens honderdveertig meer zijn dan bij Over het doppen van bonen het geval was, zij het dit keer zonder dat er een luisteraar geïntroduceerd wordt. De ik-figuur, ene Szymek Pietruszka (ofte Peterselie), spreekt zónder dat aangegeven wordt tegen wie hij spreekt, daarmee een sowieso overbodig personage vermijdend, waaruit je zou kunnen afleiden dat de auteur wat geleerd heeft na Over het doppen van bonen, maar dat is uiteraard onzin want dat laatste dateert uit 2006 (al werd het in Nederlandse vertaling uitgegeven in 2009), terwijl Steen op steen uit 1984 dateert (en pas in 2011 in het Nederlands verscheen). In Steen op steen zit meer structuur, al kom je daar pas in de laatste honderdvijftig bladzijden of zo achter, maar het van de hak op de tak springen – alleen aan het begin van ieder hoofdstuk is het onderwerp altijd enige tijd datgene wat ook in de titel van het hoofdstuk vernoemd wordt, bijvoorbeeld Het kerkhof of De weg - ‘blijft’ toch tekenend (en af en toe enerverend). De korte zinnetjes eveneens, de indruk dat van meerdere verhalen één exemplaar gemaakt is, het loslaten van een verhaallijn terwijl je als lezer hoopt die tot het eind te kunnen volgen (wat mij betreft in het bijzonder die rond Małgorzata), het afdwalen en nooit meer terugkomen, zoals ik het in mijn bespreking van Over het doppen van bonen noemde, de sprongen voorwaarts en achterwaarts in de tijd, maar niet het hoofdpersonage. Dat dat niet hetzelfde is, hoeft geen verbazing te wekken, maar Szymek Pietruszka is in tegenstelling tot de verteller in Over het doppen van bonen wel degelijk een boer, of toch in eerste orde, wat dit verhaal doet passen in de ook op de achterflap van Over het doppen van bonen al meegegeven vermelding dat Myśliwski met zijn werken getuigde “van het verdwijnende boerenleven”.

Waarmee ik niet beweerd heb dat je alles moet geloven wat op die achterflap van dit bij Querido uitgegeven boek staat. De bespreker van NRC Handelsblad wordt daar bijvoorbeeld geciteerd als geschreven hebbend dat de auteur “een trotse boer een lange monoloog [laat] houden, vol tedere en schokkende herinneringen”, maar Pietruszka is géén “trotse” boer, en “een ode aan het traditionele platteland”, iets waarover de commentator van Trouw het heeft, is dit boek eigenlijk ook niet. Steen op steen is het verhaal van vechtpartijen, van honger, van vrouwen als vuil behandelen, van verzetsstrijd, van zuipen, van familievetes, van communistische ambtenarij (die in het begin van haar heerschappij onder andere probeert het kerkelijk huwelijk te verdringen door het burgerlijk huwelijk, maar zich langzaam aan met alles begint te bemoeien), van een niets ontziende ‘vooruitgang’, van weinig dat als ‘teder’ te beschouwen valt, maar ongetwijfeld wél allemaal deel was van het leven van de Poolse boeren tot een aantal jaren na de Tweede Wereldoorlog, en voor een deel ook van dat van onze eigen boeren. Op de communistische ambtenarij na dan, al is die in recente decennia in onze gewesten ruimschoots overklast door ‘democratische’ regelneverij. Je hoeft niet meer, zoals Pietruszka, die het spul nodig heeft om een familiegrafkelder te laten bouwen (een bezigheid die de rode draad van dit boek vormt), bij de gemeente te gaan bedelen om zoveel ‘kuub’ cement, maar je mag nog geen tien vierkante meter bedekken met dat spul zonder toestemming van het gemeente-, provincie- of andersvervelend bestuur.

Enfin, ik wijk af, terwijl ik dat eigenlijk alleen richting een woordenboek mag doen. Want vertaler Karol Lesman heeft schitterend werk geleverd, wat voor iemand die in 1951 geboren is in Breda vaak niet evident zal geweest zijn gezien het in dit verhaal wemelt van termen uit de (vooroorlogse) boerenstiel, maar wat “kalmoes” is (een als smaakmaker gebruikte moerasplant klaarblijkelijk) of wat “kwabalen” zijn (een heel zijn leven in zoet water doorbrengende kabeljauwachtige, die sinds begin van de jaren 1970 uitgestorven was in belgië, maar vanaf 2005 werd uitgezet in de Grote Nete en de Bosbeek, alwaar ze naar het schijnt succesvol zijn), moest ik toch even gaan opzoeken, al wees het feit dat de opa van het hoofdpersonage ze “uit de uitgeworpen emmers [haalde]” terwijl hij “door de rivier [waadde]” uiteraard meteen op vissen.

Een vanzelfsprekendheid die er niet was wat betreft het vinden van het liedje Steen op steen, als dat al de titel van het liedje is, waarnaar de titel van het boek verwijst, al is die wel zeer passend voor zowel de centrale verhaallijn (die rond het graf) als de hoop verhaallijnen samen: “Steen op steen / Op steen een steen / En op die steen / Nog een steen”. “Want als ik van alle melodieën één melodie naar die andere wereld zou mogen nemen, dan alleen die. Van de melodieën en van het leven.” Waarmee ik op iets anders kom. Ja, grote delen van het verhalen zien er zo uit: “Zo kwamen ze me er ook jaren geleden mee lastigvallen dat ik mijn strodak moest wegdoen en mijn dak met dakpannen of asfaltpapier moest bedekken, want er was een verordening gekomen tegen strodaken. Terwijl het nog een prima dak was, het lekte niet bij mij. Maar ik was een schande voor het dorp. Terwijl volgens mij dat strodak van mij juist mooier was dan al die dakpannen, asfaltpapier en zelfs golfplaat. En afgezien daarvan heb ik een zolder. Ga maar eens kijken, secreten, want jullie zijn vast vergeten hoe een zolder eruitziet. En, vinden jullie onder die dakpannen, die dakplaat en dat asfaltpapier van jullie zulke zolders? Dozen, ja, geen zolder. Kisten, ja, geen zolder. Als het heet is, dan is het er heet als in de hel, en als het koud is, dan is het er nog erger koud. Bij mij is het in de winter warm, in de zomer koel. Graan, meel, uien, knoflook, alles kan er liggen, het raakt niet beschimmeld, het bevriest niet. Je kunt er kazen drogen en de was ophangen. Een mens kan er afgemat desnoods eventjes gaan liggen, of als hij overal genoeg van heeft, dan is het er knusser dan in de woonkamer, de vliegen bijten er niet zo en het is net of de wereld hier begonnen is. En waarom hebben jullie het juist zo voorzien op die strodaken? O, jullie kunnen beter een weg aanleggen naar de molen, want in het voorjaar lukt het nog niet met twee paarden een kar uit de modder te trekken. Er zou een smid moeten komen, want nu moet je helemaal naar Boleszyce om je paarden te laten beslaan”. Enzovoort, enzovoort, u ziet het voor u. Maar er zijn, vaker dan in Over het doppen van bonen heb ik de indruk, ook poëtische pareltjes. Dun gezaaid, vaak veel korter, maar desalniettemin mooi: “Dat begon ermee alsof een druppel dauw op iets zachts viel. Zo werd het eerste uitgehongerde jong wakker. Ik deed mijn ogen open, ik keek door het raam naar buiten. De dageraad leek een lege blikken emmer. En meteen na die ene druppel kwam nog een druppel, maar nu alsof hij in die emmer viel, nog meer uitgehongerd. Daarachteraan een derde, een vierde, een tiende, en de ene had nog meer honger dan de andere. En zo werd het steeds lichter. Eerst alsof iemand de grauwheid van die emmer wegspoelde. En na een tijdje bracht iemand anders melk in die emmer van de eerste melkgift en zette die in het midden van de zaal.” Of, als het hoofdpersonage op zoek gaat naar schoenen voor zijn broer, schoenen die hij hoopt aan te treffen op een van de na de oorlog nog niet begraven lijken in de buurt: “Sommigen lagen met zijn tweeën of drieën op een kluitje, alsof ze dicht op elkaar waren gekropen om het warmer te krijgen. Anderen waren, zo leek het wel, als door het oogsten door de oorlog afgemat en alleen maar even in slaap gedommeld en hadden daarvoor hun schoenen uitgetrokken. Iedereen weet dat de oorlog het ergst in je voeten gaat zitten. Soms kun je vanaf je middel omhoog nog doorvechten, terwijl je voeten het allang hebben begeven. Soms schreeuw je hoerrra! maar zijn je voeten al dood. En vaak wordt een oorlog niet zozeer met kogels als wel door voeten gewonnen. Want oorlog en voeten zijn als het ware stiefzusters”. Of doordachte dingen als dit: “Dus je vlucht je in je gedachten, al is het daar ook niet veel beter”. Of, verder: “Ik liet me op mijn bed vallen om mijn gedachten wat te verzamelen. Hoewel dat gemakkelijker gezegd is dan gedaan, je gedachten verzamelen. En je hebt momenten waarop een mens nog het liefst zijn gedachten alle windstreken op zou willen jagen. En zou willen veranderen in een tafel of een krukje. En net zo lang die tafel of dat krukje zijn tot alles voorbij is”. Wat niet belet dat je een paar bladzijden verder weer dingen leest die helaas – bad pun intended – aardser zijn dan je wil lezen: “Het moge duidelijk zijn, de mens leeft van de aarde en hij zou tot de oogst moeten worden aangetrokken als een hond tot zijn teef.” Wat op zijn beurt niet belet dat de aarde, nog meer dan de mens, het centrale thema is van het leven van de mensen in dit boek. Een leven dat dan wel gewelddadig kan zijn, het is een gevecht met elkaar maar ook met de natuur, maar als vanzelf in tegenstelling staat met de oorlog waar desondanks het hoofdpersonage heeft aan deelgenomen, iets waaruit, zoals ik al aangaf, blijkt dat hij géén “trotse” boer is, in tegenstelling tot zijn vader, die deze woorden spreekt: “Waar zouden we dan voor moeten vechten? We ploegen, we zaaien, we maaien, wie zijn wij tot last? Een oorlog zal de wereld niet veranderen. Ze zullen elkaar alleen uitmoorden en het zal zijn zoals het was voor de oorlog. En weer zullen het de boeren zijn van wie er het meest in de grond achterblijven. En niemand zal zich ook maar herinneren dat ze hebben gevochten en waarvoor. Want gedenktekens of boeken laten boeren niet achter, enkel tranen. Ze zullen wegrotten in de grond en de grond zal zich hen ook niet herinneren. Maar als de aarde zich iedereen zou willen herinneren, zou ze niet hoeven baren. En de voorbestemming van de aarde is om te baren.”

In plaats van u hierna nog met verdere citaten lastig te vallen, zal ik het bij deze houden. Al zijn er eerder en later in het boek beslist nog die ik hier zou willen meegeven. Over, bijvoorbeeld, de eieren die het hoofdpersonage, en de andere mensen in het dorp, laten zegenen met Pasen, eieren die dan uiteraard veel lekkerder smaken, al helemaal met mierikswortel, die “niet alleen gewijd [moet] zijn, maar ook zo sterk dat het er in je neus van prikt”. Of over Natte Maandag, een op Paasmaandag gevierde, nog steeds bestaande traditie die, als je de filmpjes op het internet moet geloven, wel een beetje héél erg uit de hand kan lopen, maar dat blijkens het boek vroeger ook al deed. Of over het in de eerste rug van een in de lente te ploegen akker stoppen van de eerste snede van het brood dat met Kerstmis begonnen is (en de moeilijkheden die konden ontstaan naar aanleiding van het feit dat brood er niet het hele jaar door was). Of over massale, dagen lange bedevaarten. Maar als ik daarmee begin, lees ik het halve boek opnieuw, en dat ligt niet in mijn bedoeling. Toch nu niet. Want hoewel ik enige tijd getwijfeld heb of Steen op steen dezelfde weg zou opgaan als Over het doppen van bonen, heb ik besloten het boek maar in mijn bibliotheek te laten staan. Al is het maar omdat ik de indruk heb dat er misschien nog wel een laag in zit waar ik bij de eerste lezing niet meteen op gelet heb.

Björn Roose

vrijdag 6 februari 2026

De riem – Julien Van Remoortele (boekbespreking door Björn Roose)

De riem – Julien Van Remoortele (boekbespreking door Björn Roose)
Één boek heb ik van Julien Van Remoortele in mijn boekenkasten zitten. Voorliggend De riem dus. Wat toch wel eigenaardig mag heten gezien de man (geboren in 1930 in Beveren-Waas en overleden in 2018 in Oostende) “ongeveer 450 werken in boekvorm en enkele duizenden losse verhalen, reportages en hoorspelen” bij mekaar heeft gepend, althans volgens uitgeverij Lannoo. De ‘online encyclopedie’ Wikipedia houdt het op “ongeveer 400 boeken en een paar duizend losse verhalen, hoorspelen en rapportages”, maar ‘t is een kniesoor die over die “rapportages” en vijftig boeken valt als het in totaal sowieso over (meer dan) vierhonderd exemplaren gaat. Zeggen dat ik Het veenmysterie in 1982 wel gezién heb, is natuurlijk geen excuus voor de magere oogst aan Van Remoorteles boeken in mijn kasten. Aanhalen dat hij toch wel héél veel boeken over toerisme en wandelen geschreven heeft óók niet, want ik ga al sinds de jaren dat ik ook Het veenmysterie zag voortdurend op wandel en heb tienduizenden toeristische kilometers afgelegd met de fiets en met de wagen. Maar aan de andere kant: excuses om kinderen af te rossen met een broeksriem zijn er al evenmin en over een kind dat het slachtoffer wordt van dergelijke praktijken gaat De riem.

‘Oeioei, een verhaal over een kind dat wordt afgerost, gepubliceerd bij Boekengilde De Clauwaert vzw’, want dat wist u uiteraard al, ‘dat zal wel weer melodramatisch gezeur opleveren’, hoor ik u zuchten. Awel, nee, eigenlijk. Ondanks het feit dat het boekje (vierenvijftig bladzijden) ook nog eens de Kerst-uitgave van 1962 “voor de leden van de Clauwaert-Vereniging” was en kerstverhalen sowieso al niet bekend staan als vrij van gezeur. Het is geen super interessant verhaal, dat niet, maar de kleine krijgt al helemaal in het begin “van de riem”, gaat daarop lopen, en trekt aardig zijn plan tot op het einde. Daar gaat het uiteindelijk helemaal fout, maar zelfs dat heeft Van Remoortele er niet toe kunnen aanzetten er een tearjerker van te maken.

Waarmee ik wel zo’n beetje alles over dit boekje gezegd heb dat er aan zinnigs over te vertellen valt. Tenzij u, zoals ik deed, zou vallen over het woord “nietdeug”, natuurlijk, maar dat zou onterecht zijn. Het woord bekt niet en daarom zou ik zeggen dat het niet deugt, maar het schijnt wel degelijk een dialectische, enigszins sterker klinkende vorm van ‘deugniet’ te zijn. Een dialectische vorm waarmee ik niet bekend was, want in mijn geboortestreek heette zo iemand een ‘nieweerd’, en dat is dan weer een verwijt dat ik wél af en toe naar mijn hoofd geslingerd kreeg.

Edoch niet die keer dat we naar de cinema getrokken waren in Lichtervelde, de dichtste bij mijn geboortedorp Handzame, en ik mijn bril vergeten was, waardoor ik niks aan de film had (al herinner ik me wel nog de muziek: Eye of the tiger van Survivor, want het jaar was ook al 1982 en de film heette Rocky III), want toen had mijn moeder ‘compassie’ met mij. Als ik zo bijziend geweest was als nu was ik echter nooit zo ver gefietst zonder bril (Lichtervelde lag toch op dertien kilometer) en als er in ieder dorp nog cinema’s geweest waren, zoals in De riem nog wel het geval was, ongetwijfeld ook niet: “Een heel grote stad is het niet; er zijn maar zes bioskopen: de Riolta, de Rondo, de Cinéhall, de Toverlantaarn en de Mantilla”. Wat er bij mijn weten vijf zijn, maar goed, de verteller is de jongen die slaag krijgt en die is niet zo aandachtig op school.

Zoals ik dat niet altijd was, al kreeg ik desondanks af en toe geld mee van mijn moeder om – met de fiets, langs de ‘grote baan’, waar toen nog aan negentig per uur gereden werd en geen verkeerslichten stonden bij het kruispunt waar je naar het dorp toe kon van bij ons op de buiten – sigaretten voor haar te gaan kopen: “Drie pakjes sigaretten voor mijn vader, zeg ik. En een doosje lucifers. Lichte Ardos heeft hij gezegd (…) Mijn vader zal straks komen betalen.” Iets waar de winkelier bij ons niet ingelopen zou zijn. Wat ook niet nodig was aangezien ik mijn eerste sigaretten pas gerookt heb toen ik student werd aan de hogeschool – als je die gerolde stukjes papier die we op een keer achter de ‘houtvumme’ in brand staken om er vervolgens zo ongeveer in te stikken niet meetelt – en ik, voor de goedkoop, quasi meteen overging op gerolde exemplaren.

Want goedkoop moest het wezen. Ik kreeg geen hopen drinkgeld mee naar Brussel, waar ik op kot zat, en dat ik dat ten dele zou opdoen aan tabak zou ‘geen waar’ geweest zijn. Dat ik meer broste dan studeerde ook niet, trouwens. Ik zorgde er dan ook voor dat ze dat niet te weten kwamen thuis, al was het maar om litanieën als deze te vermijden: “In onze tijd, (…) in onze tijd, waren het allemaal veel flinkere studenten. Wij wisten dat wij onze plicht moesten doen. Student, studeer! Wij verrichten degelijk ons werk en pas daarna dachten wij aan ontspanning. Maar nu! Nu bestaat er enkel nog de ontspanning! De jeugd kent geen werken meer. Slechts ontspanning! En wat voor ontspanning! Jazz! Schlagers! Een barbaars ritme en holle woorden van snertliedjes! Ja! Als je ooit iemand wil worden in het leven, zul je moeten veranderen, kereltje! Kijk ‘s naar je vader: waarom kan hij je alles geven, wat je maar wenst? Omdat hij hard werkte en nog werkt. Omdat hij iemand geworden is in het leven!” Waarmee ik niet ga beweren dat ook mijn vader een muziekcriticus was, maar wie in de jaren zeventig geboren is, zal zich wellicht nog herinneren dat dat soort uitleg toen behoorde tot het pedagogisch instrumentarium. Iets waarvan ik vermoed dat dat nu een stuk minder is – wie wordt tegenwoordig nog wat, tenzij transseksueel of ongewenst zwanger? – en dat me dus in dit boekje ook al deed denken aan m’n eigen jonge jaren. Zoals wel meer dingen in dit boekje overigens al heb ik nooit ernstige lijfstraffen gehad. Meer dan een klets om mijn oren, een half uur in de hoek staan, of meteen na het eten naar bed, is me nooit ‘aangedaan’. En van dat soort dingen word je sterk. Of bespreker van boeken, natuurlijk, dat kan ook.

Om me even aan die tijden te doen terugdenken, was De riem in ieder geval wel goed. Voor de rest dient zo’n ding rond de heupen te blijven.

Björn Roose

maandag 2 februari 2026

Enno de Witt – De grens – Langs de randen van Nederland (boekbespreking door Björn Roose)

Enno de Witt – De grens – Langs de randen van Nederland (boekbespreking door Björn Roose)
“Enno de Witt (1960) groeide op in Noordwijk aan Zee, op de grens van land en water, tussen een verzameling oude atlassen en reisboeken. Hij stak in zijn geboortejaar voor het eerst de grens over, bij Spijk, aan boord van de Rijnkruiser Medusa. Daarna volgden nog vele grenspassages. De grens komt voort uit zijn fascinatie voor Nederland en de Nederlanders.” Dat lees ik op de webstek van Singel Uitgeverijen, onderdeel Athenaeum. Op dat “onderdeel” ga ik hier even niet in, want het verhaal over Nijgh & Van Ditmar, Querido, De Arbeiderspers, De Geus, Volt, Love Books, Querido Academie én Athenaeum en hoe die allemaal onder één uitgeversdak terechtgekomen zijn (dat zich dan afficheert als “een onafhankelijk en zelfstandig uitgeefhuis”) zou ons te ver leiden (al zou ik u eigenlijk wel eens zo ver willen leiden), maar het tekstje zou een inleiding kunnen vormen tot voorliggend, in 2013 bij de toen nog niet onder het “onafhankelijk en zelfstandig uitgeefhuis” maar toch ook al onder een soortgelijke constructie genaamd Athenaeum-Polak & Van Gennep uitgegeven, De grens – Langs de randen van Nederland (wat op zich dan weer een gemiste kans is om een rijmende titel te maken). “Zou”, inderdaad, want het tekstje is een inleiding tot een later boek van De Witt, zijnde Ruzie – Van een lijk naast de kachel tot rijdende rechters, verschenen in 2018.

Van eerdere of latere boeken van De Witt is geen sprake op de webstek van het “onafhankelijk en zelfstandig uitgeefhuis”, terwijl ik op de webstek van De Slegte toch zie dat die er geweest zijn (weliswaar bij telkens wisselende uitgeverijen). Omdat ik geen zin heb om vraaggesprekken mét en columns ván de man te doorploegen, laat ik het zoeken naar verdere biografische gegevens maar voor wat het is en duiken we meteen dit boek in, een boek dat sowieso alleen zijn titel nodig had om interessant genoeg voor me te zijn om het (voor een appel en een ei) mee te nemen uit de tweedehandswinkel. Ik ben immers geboren in Roeselare, op zo’n vijfentwintig kilometer van de grens met Frankrijk, getogen in Handzame, op zo’n tweeëntwintig kilometer van de kust, en sinds vijftien jaar woonachtig in Moerzeke, ongeveer evenveel kilometer van de grens met Nederland. Om nog maar te zwijgen over het feit dat ik in Gent, op nog geen achttien kilometer van diezelfde grens, werk. Het is dan ook helemaal niet moeilijk om in den belgiek op korte afstand van de grens te wonen of te werken (tijdens mijn jaren in Brussel woonde en werkte ik er het verste van af), net zomin als in Nederland, maar ik steek die dingen ook graag letterlijk over als ik op reis ga (wat ik bijna altijd met de auto doe) en ga ze ook vaak opzoeken terwijl ik op reis ben. De streek waar Polen, Tsjechië en Duitsland bij mekaar komen, bijvoorbeeld; de grenzen tussen Hongarije, Slovakije, Slovenië, Oostenrijk, Kroatië, Servië, Roemenië, en Oekraïne; of die tussen Frankrijk, Italië en Zwitserland. Ik ben, kort samengevat, geen figuur van het centrum, maar een grensganger (misschien zelfs een grensgeval) en dat uit zich niet alleen in mijn reis-, maar ook mijn leesgedrag.

Jammer genoeg is dit boek op de grenzen ervan het best. In De grens – een introductie dus, en in Overige grensgevallen, de hoofdstukken helemaal aan het begin en einde. Gedurende zestien bladzijden en twaalf bladzijden doet de auteur daar een doorlopend verhaal uit de doeken (over de oorsprong van de Nederlanders en de grenzen van het continentale deel van het Koninkrijk der Nederlanden enerzijds en over de Europese Unie en het niet-continentale deel van datzelfde Koninkrijk anderzijds). Doorlopend in de zin dat er een lijn in zit. En geen stippellijn, zoals je die bij grensaanduidingen op kaarten wel vaker ziet. Ik verklaar me nader: tussen die twee hoofdstukken zitten er nog eens zes, zijnde Van Lobith naar Vaals, Van Drielandenpunt naar Grenswachters, Van de Schelde naar de Rijn, Van Noordwijk naar Borkum, Van Eemshaven naar Denekamp, en Van kanaal naar kanaal, maar alles wat onder die hoofdstukken valt, hangt niet aan mekaar. Van een stukje in verband met heksen in de ene grensgemeente springt De Witt naar een stukje in verband met smokkelaars in de andere, van een stukje over de Tweede Wereldoorlog in een of ander gehucht naar een stukje over gesjoemel in de politiek in weer een ander. Hij volgt daarbij wel de stukken grens die hij onder de hoofdstuktitels heeft verzameld, maar je ervaart dat volgen nooit als een verhaal. En dat was klaarblijkelijk ook niet wat de auteur nastreefde: “De geschiedenis van de grens is ook nog lang niet geschreven, en dat zal hier ook niet uitputtend gebeuren. Tal van liefhebbers houden zich met de grens bezig, ze wandelen van grenspaal naar grenspaal en noteren ieder grensgerelateerd detail dat zij onderweg tegenkomen, tekenen verhalen op en pluizen archieven uit. Iedere centimeter grens levert weer een nieuw verhaal op, dat weer een volgend verhaal voortbrengt, in een reeks waar geen einde aan lijkt te komen. Wie zich in die schat wil onderdompelen kan op het internet terecht, en in talloze publicaties. In dit boek zijn alleen de krenten uit de pap verzameld, een caleidoscopische verzameling verhalen en wetenswaardigheden waarachter nog veel meer schuilgaat.” En ik ga niet zeggen dat er geen interessante krenten bij zijn – al gaan de verhalen over smokkel en andere grenscriminaliteit, en daar zijn er veel van, op den duur toch wel lichtelijk vervelen -, maar ‘t is een beetje teren op andermans werk wat De Witt hier doet. In zoverre zelfs dat je de indruk krijgt dat hij voornamelijk bezig geweest is met het internet afstruinen op zoek naar andermans verhalen.

Iets wat we nooit zeker zullen weten, want de auteur is in negenennegentig procent van de gevallen niet zo goed te vermelden waar hij zijn citaten vandaan heeft. Hij citeert wel, da’s tekstueel duidelijk, maar aan bronvermelding doet hij niet. Noch in de teksten zelf, noch in voetnoten, noch in eindnoten. Als de auteur een tekst aanhaalt, dan hoor je ‘m op zijn woord te geloven, klaarblijkelijk. Wat een keuze is, zowel vanwege de auteur als vanwege de lezer, maar niet erg eerlijk tegenover de leveranciers van zijn bronnenmateriaal. Ik zou daar, als ik zelf zo’n leverancier was en er achter kwam dat mijn teksten door De Witt gebruikt waren zonder bronvermelding, niet al te blij mee zijn, maar misschien zijn ze aan de andere kant van de kunstmatige grens tussen de Zuidelijke - en de Noordelijke Nederlanden toleranter dan ik op dat vlak.

Wat me tot een ander – tevens het laatste dat ik zal noemen – pijnpunt van dit boek brengt: je moet er Google Maps of een papieren kaartenboek bijnemen om te kunnen volgen. Nú kan ik Lobith wel zo ongeveer aanwijzen op een kaart, maar dat was niet het geval op het moment dat De Witt in die plaats zijn boek begon. En dat was evenmin zo voor de meeste plaatsen waarover hij het verder nog heeft. Ja, daar in die bizarre uitstulping naar beneden toe vanaf Roermond tot Vaals en Eijsden ken ik mijn weg wel zo’n beetje, en vanaf Het Zwin tot voorbij het Verdronken Land van Saeftinghe ook. En Zeeland, de Wadden en de kust van Friesland lukt ook nog wel, maar dan houdt het met uitzondering van Venlo wel zo’n beetje op wat betreft mijn oriëntatievermogen aan de Nederlandse grens. Aan het begin van ieder hoofdstuk een kaartje met de al dan niet werkelijk bezochte “krenten” en aan het begin van het boek een kaartje met alle exemplaren toevoegen zou minstens voor de mensen die op basis van dit boek eens een stukje grens willen verkennen wel nuttig geweest zijn. Nu ben je echter, als je dit boek daarbij zou gebruiken, wegens het ontbreken van zo’n kaartje én een register gedwongen te gaan zoeken waar in het hoofdstuk De Witt het heeft over het grensgebied waar je heengaat.

Ik heb enige tijd getwijfeld of ik het boek in het vooruitzicht op zo’n eventueel bezoek toch zou bijhouden, maar ik ben de Rubicon overgestoken: het verhuist naar de zolder en ik zoek mijn informatie desnoods wel op op het internet.

Björn Roose