Enigszins tot mijn verbazing vond ik op Wikipedia bijna méér
informatie over de auteur van voorliggend Mensen in de oorlog,
Andreas Latzko, dan in het Nawoord van vertaler Marcel Misset
bij deze in 2025 bij Uitgeverij Jurgen Maas verschenen
Nederlandstalige versie van het in 1917 voor het eerst in het Duits
uitgegeven Menschen im Krieg. Minder verbazingwekkend was dan
helaas weer dat het Wikipedia-artikel niet up-to-date
was en dat ik bij het lezen ervan al meteen geconfronteerd werd met
iets wat datzelfde Nawoord tegensprak. Niet up-to-date,
want dit boek wordt niet vermeld in de Selectie van zijn werk;
in tegenspraak met het Nawoord omdat de schrijvelaars van
Wikipedia beweren dat “in 1915 (…) de overtuigde pacifist
[Latzko] vrijwillig naar het front [ging] om met autoriteit tegen de
oorlog te kunnen schrijven.” Terwijl Misset schrijft: “Latzko was
geen pacifist. Hij had zijn dienstplicht vervuld, een opleiding tot
reserveofficier gevolgd maar zich met doktersbriefjes aan vervelende
herhalingsoefeningen weten te onttrekken en hij had een grondige
afkeer van alle oorlogsretoriek en nationalisme”. Een parcours
waaruit geen pacifistische instelling blijkt, een afkeer die er niet
mee gelijk te stellen valt. En een gang naar het front die niet
gemotiveerd werd door het idee dan “met autoriteit tegen de oorlog
te kunnen schrijven”, maar gerechtigd te zijn er over te schrijven
tout court: “Wanneer ik als onbruikbaar zou worden
afgewezen, zou ik tot zwijgen gedoemd zijn; ook wanneer de macht van
de oorlogscensuur reeds lang zou zijn gebroken, verloor ik voor mijn
hele leven het recht, ooit tegen de oorlog te kunnen getuigen (…)
Oorlogstegenstander uit angst? – Dat zou voldoende zijn, om mijn
stem in een hoongelach te doen verstikken. (…) Voor dit visioen van
ongeneeslijke morele verlamming verstomde iedere bedenking tegen het
ingrijpen in het eigen noodlot. Vlug verklaarde ik de reeds half
afgewende militaire arts, dat ik mij krachtig genoeg voelde voor de wapendienst.”
Krachtig genoeg ook om die “wapendienst” te overleven, maar –
zoals de meeste van zijn ‘wapenbroeders’ en ‘tegenstanders’
aan het Oostenrijks-Italiaanse front – niet met zoveel geluk
toegerust dat hij er niks aan overhield: “Precies veertien maanden
later rest van hem een wrak in een rolstoel. Hij weegt nog maar
negenendertig kilo; van puur afgrijzen kan hij al maanden geen hap
voedsel meer binnenhouden. (…) ‘Uit noodweer waarschijnlijk,
zonder een ogenblik te geloven dat de gloeiende lava zich tot zinnen
zal vormen, neem ik een schrijfblok en een potlood in bed, mij door
mijn innerlijke pijn plotseling herinnerend dat het eenmaal mijn
zelfgekozen levenstaak was, lezers te werven voor mijn gedachten.’
(…) hij schrijft om de waanzin van de oorlog een halt toe te
roepen. Op 3 juli 1917 verschijnt, nog steeds anoniem [één van de
delen was ook al anoniem verschenen in een Duits tijdschrift dat
noodgedwongen in Zwitserland werd uitgegeven, noot van mij], Menschen
im Krieg.”
Het verscheen en… het sloeg in als een bom. “Mensen in de
oorlog werd een groot internationaal succes. Met de grootst
mogelijke moeite weet Latzko aan vervolging door het leger te
ontkomen; uiteindelijk zal hij, schuw en blijvend gebroken, in de
anonimiteit verdwijnen. Via zijn vriend Nico van Suchtelen, de
directeur van Uitgeverij Wereldbibliotheek, belandde hij na vele
omzwervingen in Nederland, zijn latere werk zou alleen nog in
Nederlandse vertaling verschijnen.” Zijn latere én het
voorliggende werk overigens, want Menschen im Krieg werd in
1918 al bij genoemde Wereldbibliotheek uitgegeven onder de
titel Menschen in den oorlog. Wat niet belette dat de auteur
na zijn overlijden in 1943 grotendeels vergeten raakte. “Al
decennia is Andreas Latzko weer even onzichtbaar als hij was toen
Stefan Zweig een stukgelezen exemplaar van Menschen im Krieg
in handen kreeg”, schrijft de vertaler verwijzend naar het ook in
deze nieuwe uitgave opgenomen Voorwoord van Zweig (al
verscheen dat Voorwoord, aldus de voetnoot erbij,
“oorspronkelijk in de Franse vertaling van Latzko’s novelle Der
letzte Mann in 1920”). Wat kan kloppen als de Selectie van
zijn werk van Wikipedia voor de rest enigszins strookt met
de feiten: in 1946 verscheen postuum nog De achterhoede,
waarin datzelfde voorwoord gebruikt werd (Zweig kon er geen nieuw
meer schrijven, want hij had in 1942 zelfmoord gepleegd), in 1950
Levensreis (waarvan de Duitse versie uiteindelijk in 2017
onder de titel Lebensfahrt uitgegeven werd), en daarna niks meer.
Eeuwig zonde, voornamelijk wat betreft het klaarblijkelijk ook niet
meer verschijnen van herdrukken van Mens(ch)en in de(n) oorlog.
Want dit is een ongelooflijk aangrijpend boek. Ongelooflijk
aangrijpend omdat wat de auteur er in verkondigt, wat hij er in
uitbeeldt, niets aan werkelijkheid heeft ingeboet. Ja, Mensen in
de oorlog gaat over de Eerste Wereldoorlog, over een front dat we
in de Lage Landen niet echt kennen bovendien (ik wist bijvoorbeeld
wel dat de Italianen ook betrokken waren bij de slachtpartij, maar
had er nooit aan gedacht dat ze bijgevolg tegenover de Oostenrijkers
moesten hebben gestaan en dat dat mogelijk óók in een
loopgravenoorlog zoals die in Vlaanderen en Noord-Frankrijk geweest
was), maar eigenlijk gaat het over élk front, élke oorlog, elk
‘spel’ waarbij mannen in uniform en politici pionnen over een
kaart schuiven, pionnen die in hun menselijke vorm aan flarden worden
geschoten zonder dat zij zelfs maar een kans maken te delen in de
winsten die die mannen in uniform en politici tijdens en na dat spel
oprapen. “Wie Latzko’s klassieker heden ten dage (her)leest”,
schrijft Misset, “ontkomt niet aan de conclusie dat zijn aanklacht
tegen de oorlog tevergeefs is gebleven, en dat Europa inmiddels weer
één grote kazerne lijkt. Er woedt een oorlog aan zijn grenzen, maar
in een vreedzame oplossing – hoe ver weg ook, lijkt hier niemand
geïnteresseerd. Pacifisten, zelfs mensen die menen dat ‘een
nadelige vrede beter is dan de meest rechtvaardige oorlog’ [een
uitspraak van de toch niet dwaze Erasmus, noot van mij], worden in
het ooit ‘neutrale’ Nederland [en evengoed in belgië, noot van
mij] nog altijd beschouwd als idioten, die alleen de vijand in de
kaart spelen.”
Wie, zoals ik, en met de jaren meer overtuigd - daar waar ik vroeger
minstens geen grote problemen had met oorlogen die anderen elders
voerden - inderdaad de kant tegenóver de oorlog gekozen heeft, wie
zich niet laat meeslepen in de onnozele spelletjes van ‘Zij zijn
begonnen’ en ‘Wij willen vrede, maar ze moeten ons die geven
onder onze voorwaarden’, weet dat dat waar is. We zijn allemaal
uitgemaakt voor, en ik grabbel maar even in de ton, ‘Poetinpijpers’,
‘roebelhoeren’, ‘landverraders’, en tutti quanti, door
- vooral - mensen die net zomin als wij belang hebben bij oorlog,
maar wel ‘denken’ dat ze dat hebben. We zijn bij het groot vuil
gezet als ‘extreem-rechts’, ‘smerige communist’, of
‘Russische spion’ door mensen die effectief, politiek of
economisch belang hebben bij oorlog, of – weerom – ‘denken’
dat te hebben. We zijn weg gesist door mensen die, zoals velen van
ons, een stuk meegegaan zijn in de retoriek en nu niet meer weten hoe
ze zonder gezichtsverlies op hun stappen kunnen terugkeren. En we
hebben en masse geleerd dan maar onze grote bek te houden in
het openbaar omdat we in zo’n behandeling geen zin hadden. Laat die
‘we’ waaronder ik in dit geval mezelf reken dit boek zeker lezen
en laat de rest dat niet doen, dat geeft niet. Er komt nooit een dag
waarop datgene uitkomt wat Latzko op de eerste bladzijde schreef, “Ik
weet zeker dat eens de tijd zal komen, waarin iedereen net zo denkt
als ik”, maar elke man (en in voorkomend geval vrouw) die zich niet
laten reduceren tot “mensenmateriaal”, zich niet tot
“mensenworst” laat vermalen voor “het Vaderland” (“Die
dachten zeker dat voor een boerentrien een man met één oog en een
halve neus nog goed genoeg zou zijn? Vaderland?… Zou ze dan met het
vaderland aan de arm naar het altaar schrijden? Kon ze met het
vaderland goede sier maken, als andere vrouwen haar vol medelijden
zouden nakijken? Reed het vaderland soms met wapperende linten op de
hoed door het dorp?”), voor “de vrijheid”, voor “de Europese
waarden”, is er een gewonnen. Een die dan misschien niet in een
hedendaagse versie van De afmars, tevens de titel van het
eerste hoofdstuk, terechtkomt: “Dag en nacht floten locomotieven,
rolden zwaarbeladen treinen met zingende, opgetuigde soldaten, met
hoog opgestapelde hooibalen, loeiend slachtvee, zorgvuldig
vergrendelde, sinistere munitiewagons richting front; andere kropen
langzaam huiswaarts, gemarkeerd met een bloedig kruis dat de oorlog
over de wanden en de inzittenden had geworpen.” “Je vertrekt, en
dat ze je laten vertrekken, dat is verschrikkelijk!” “Dat vrouwen
wreed zijn, dat was de verrassing! Dat ze kunnen glimlachen, rozen
kunnen gooien, dat ze hun mannen afstaan, hun kinderen, hun jongens
die ze duizend keer naar bed hebben gebracht, duizend keer hebben
ingestopt, geaaid, die ze zelf hebben gedragen, dat was de
verrassing! Dat ze ons hebben afgestaan – dat ze ons hebben
uitgeleverd, weggestuurd! Omdat iedereen zich schaamde daar zonder
helden te staan, dat was de grote teleurstelling, mijn beste! Of denk
je dat wij waren gegaan als ze ons niet hadden gestuurd? Denk je dat
echt? Vraag dan eens aan de domste boerenknecht aan het front waarom
hij zo graag een medaille wil, voor hij op verlof gaat. Omdat zijn
meisje dan meer van hem houdt, omdat de meiden dan in trossen achter
hem aan lopen, omdat hij met zijn medaille de wijven voor ieders neus
kan wegkapen. Daarom, alleen maar daarom. De vrouwen hebben ons
gestuurd! Geen generaal had iets kunnen beginnen als de vrouwen ons
niet in die treinen hadden laten proppen, als ze hadden geschreeuwd
dat ze ons geen blik meer waardig zouden gunnen als we moordenaars
werden. Niemand was vertrokken als ze hadden gezworen dat geen van
hen nog het bed zou delen met een man die schedels had gespleten,
mensen had neergeschoten, mensen had neergestoken.”
Onder bevel van een kapitein Marschner misschien, een man die zich al
vóór hij aan het front komt afvraagt wat hij die “eerbiedwaardige
gezinshoofden die nog maar een paar uur in het veld stonden en nu pas
hun vuurdoop zouden beleven, die voor het eerst kruit zouden ruiken”
aandoet, of onder dat van een luitenant Weixler, “die aan niets
anders dacht dan aan het Kruis van Verdienste dat hij zo snel
mogelijk wilde verdienen, (…) zo’n twintigjarige ijzervreter,
voor wie de wereld alleen om zijn eigen uiterst gewichtige persoon
draaide en die nog geen tijd had gehad om het leven te leren
waarderen”. In ieder geval op weg om even grote sukkels naar het
leven te staan: “Wat restte die simpele mannen nog, die metselaars,
monteurs en landarbeiders die zonder enig dieper inzicht over hun
werkdag gebogen hadden geleefd, als de hoge heren, de knappe koppen
en de kapitein met die drie gouden sterren op zijn kraag hun
verzekerden dat het hun plicht en uiterst eervol was om Italiaanse
metselaars, monteurs en landarbeiders overhoop te schieten?” En dat
alles op een slagveld, “troosteloos grijs. Geen boom, geen vlekje
groen. Een steenwoestijn, verpulverd, uitgeput, omgewoeld, zonder een
enkel teken van leven. De loopgraven, die vanuit de diepte van het
dal omhoog slingerden naar de heuvelrand, waaruit het prikkeldraad
klauwde, zagen eruit als vingers die zich spanden om iets te grijpen,
boorden zich diep in de gewurgde bodem (…) Al dat leven ging ten
onder, als neergebulderd door het geschut, het huilen en knallen, als
de polsslag van een onvoorstelbaar hoge koorts, hamerend daar
beneden, in het dal. De ene na de andere granaattrechter gaapte daar,
dikke, zwarte zuilen aarde spoten her en der op, onttrokken even een
deel van de tot as verbrande woestenij, waarin versplinterde
boomstronken honend oprezen, als een uitdaging aan de machteloze
fantasie: om in dit dodenlandschap vol puin het landschap te
herkennen dat er was geweest voor de waanzin erlangs had gestreken en
het met puin bezaaid had achtergelaten, als een dansvloer waarop twee
werelden om een meisje hadden gevochten. En in die hel moest hij
afdalen! Daar beneden leven, vijf dagen en vijf nachten lang,
met een groepje verdoemden dat daar werd uitgespuugd, levend aan de
haak van een hengel werd gespietst, als aas voor de vijand!”
Aas uitgeworpen door wie zelf niet zal riskeren aas te worden: “Wat
was het voor waanzin, hier wegduiken en met een stompzinnig geduld de
dood af te wachten – tussen vuilnis en bloed, als een beest op de
naakte aarde te verrekken, terwijl anderen vrolijk, schoon, opgedirkt
in hel verlichte zalen zaten, zich een muziekje lieten voorspelen, in
hun zachte bedden kropen zonder angst, zonder gevaar, beschermd door
een wereld die verontwaardigd over iedereen heen zou vallen die hen
maar een haartje probeerde te krenken?” “De oorlog droeg in deze
kringen de vermomming van de goedheiligman, met een zak vol gulle
gaven op de rug en in de hand een aanbeveling voor een glansrijke
carrière. Weliswaar droegen enkele heren een rouwband om de arm,
voor een broer of zwager die als troepenofficier het andere, dood en
verderf zaaiende gorgonengezicht van de oorlog had aanschouwd, maar
dat gezicht bevond zich op zo’n grote afstand – hemelsbreed meer
dan zestig kilometer – dat een enkel uitstapje die kant op een
opwindend uitstapje was, een spannend avontuurtje. Binnen een uur
snelde de auto weer terug naar veiliger oorden, naar een warm bad, en
liep men weer op halfhoge laarzen over geasfalteerde straten.”
“Niet alleen ‘tafeltje-dek-je’ was hier realiteit, was hier
tastbare werkelijkheid geworden. De wonderen waren nog niet uitgeput
nadat negenentwintig dagen lang alle voorraadkasten waren gevuld. Op
de dertigste dag verscheen ook nog de ezel, die zich strekte en
rijkdom bracht, en in plaats van vervelende rekeningen fladderden er
bankbiljetten door het huis. In plaats van onmin, ruzie en gierigheid
lijdzaam te ondergaan propte men verveeld zijn zakken vol met
bankbiljetten, die toch overbodig waren in het luilekkerland dat de
oorlog voor zijn vazallen had ontsloten.”
Een oorlog waarvan zijn vazallen bijgevolg hopen dat ie zal blíjven
duren: “‘Wanneer denkt Uwe Excellentie dat wij op vrede mogen
hopen?’ ‘Hopen?’ Dat was toch niet te geloven? Dat een mens,
die vast wel iets beters te doen had, met zijn beroep – anders had
hij nooit een aanbevelingsbrief van het hoofdkwartier meegekregen –
met een dergelijk onbenul over militaire gevoeligheden sprak? Op
vrede hopen? Wat had een veldheer voor goeds van de vrede te
verwachten? Begreep zo’n burger dan niet dat een commanderende
generaal alleen in de oorlog echt commandeerde en werkelijk generaal
was, en in vredestijd hooguit een of andere strenge onderwijzer met
goudgalon op zijn kraag; een leeghoofd die uit verveling zo nu en dan
de longen uit zijn lijf brult? En naar die stomvervelende tredmolen
moest hij terugverlangen? Moest hij, omwille van die geachte burger,
‘hopen’ op een tijd waarin de glorieuze leider van het ...ste
leger alleen nog inspecties uitvoerde, moest hij als Jan en alleman
uitzien naar het voeren van een uitzichtloze strijd tussen een te
krappe wedde en een stralend opgepoetste levensstijl, waarin
geldgebrek toch weer van maand tot maand zou zegevieren?”
Een militairenhoop voor de uitvoering waarvan ook in onze dagen de
politici nog niet kunnen nalaten alle logica te laten vallen – de
gelijkenis is sinds de opeenvolging van de zogenaamde corona-pandemie
en het conflict in Oekraïne zelfs zéér opvallend: “‘Front’ –
‘vijand’ – ‘heldendood’ – ‘overwinning’ – met hun
tong uit hun bek en met rollende ogen jagen die bloedhonden door de
wereld. Miljoenen die uit voorzorg zijn ingeënt tegen tyfus, pokken
en cholera worden tot razernij opgehitst! Miljoenen worden in treinen
geperst – zowel hier als daar – rijden elkaar zingend tegemoet –
en hakken, steken, schieten op elkaar in, blazen elkaar op en geven
hun vlees en hun botten voor de bloederige brij waarvan vredeskoek
wordt gebakken voor de gelukkigen, die hun kalfs- en runderhuid met
honderd procent winst offeren voor het vaderland in plaats van hun
eigen huid zelf op de markt aan te bieden voor vijftien cent per
dag!” “De arme mensen moeten hun gezonde lijf en leden geven,
zodat de vijand niets van de overvloed van de rijken afneemt!” Een
opoffering waarvan ook ná de oorlog geen ‘return on investment’
te verwachten valt: “Dan mag u, voor zover u nog niet wegrot in de
aarde of als bedelaar van deur tot deur strompelt, weer naar huis,
naar uw half verhongerde gezin, en mag u – nee: moet u! – weer
met verdubbelde ijver aan het werk, onvermoeibaarder en machtelozer
dan ooit, om de schoenen die u in honderd dodenmarsen hebt versleten,
de kleren die aan uw lijf beschimmelden met zweet en ontbering te
kunnen betalen!” Wat toch een groot verschil is met ouderwetse
oorlogen, het soort oorlogen zoals we die kenden vóór de twintigste
eeuw: “Waren ‘oorlog’ en ‘buit’ niet ooit onverbrekelijk
met elkaar verbonden? Werd de lansknecht niet gedreven door hoop op
een teugelloos leven – hoop op vrouwen, dukaten en hengsten met
leidsels van goud? Mag dit buigen voor een ijzeren tucht, dit bukken,
dit passieve alles-of-nietsspel met monsters die vanuit de blauwe
verten hun helse heksenketels over elkaar uitstorten – mag dat nog
wel ‘oorlog’ heten? Oorlog was de gewelddadige botsing van
overvloedige krachten – woestelingen aller landen, jeugd, voor wie
het stadje te klein, het wambuis te nauw werd, trokken eropuit,
beneveld door hun eigen spierkracht. En nu zou datzelfde woord ervoor
moeten opdraaien dat mannen, die allang zijn verankerd aan huis en
haard, worden losgescheurd, met de zweep naar het front worden
gejaagd en uitgeleverd aan de vijand, om in machteloze gelatenheid,
weerloos, als figuranten op te treden in deze krachtmeting tussen munitieconglomeraten?”
Een krachtmeting waarin hun lijden ook nog eens – en zelfs op dát
vlak is er niks veranderd – volkomen genegeerd wordt door de pers:
“Vriendelijke heren waren het, in hun sprookjesachtig elegante
rijbroeken, met reispetten als uit een Sherlock Holmes-film! Ze waren
bereid brieven mee te nemen, groeten over te brengen, vonden het
geweldig bij mij, lachten uit volle borst om mijn matras van
wilgentenen – en waren nog eens dubbel zo dankbaar toen de kar
klaarstond vóór het dagelijkse bombardement van de Italianen zou
beginnen. Bij het verlaten van het bos moesten ze toch nog een keer
langs de man die met zijn afschuwelijk verwrongen gezicht roerloos in
het gras lag. Maar ze zagen hem weer niet! Als op commando wendden ze
hun hoofden af en bekeken ze de verwoestingen die een luchtaanval een
dag eerder had aangericht, opgewonden gebarend, alsof ze alweer
tussen de spiegels aan de wanden van een koffiehuis zaten.”
“Niemand protesteert! Niemand ziet in donkere hoeken de geschonden,
verminkte, opgedregde mensen liggen met opengescheurde lijven of met
een blauw oplichtende wang. Ze lopen onder mijn raam door, druk
gebarend, opgewonden: omdat de krijgshaftige taal dagelijks vers
geslagen uit de Munt komt, iedereen zich geborgen en door instemming
beneveld voelt als hij ze rondbazuint. Ik weet dat ze zwijgen, al
zeggen ze dat ze zouden willen schreeuwen, brullen; dat ze jacht
maken op ‘drossers’, maar geen scheldwoord hebben voor de
duizendmaal ergere lafbekken die de totale zinloosheid van het
uitmoorden van miljoenen helder beseffen maar toch hun mond niet
opendoen. Dat ze jacht maken op mensen die zich proberen te drukken,
maar geen scheldwoord hebben voor de duizend keer ergere lafaards
die, niet bedwelmd door alle leuzen, de zinloosheid van dit
uitmoorden van miljoenen duidelijk inzien en beseffen, maar toch hun
mond niet opendoen, uit angst door de onnadenkenden te worden
berispt.” Die “onnadenkenden” die ‘His masters voice’
verkondigen en misschien niet eens tot wat anders in staat zijn:
“Maar de eerste luitenant Kadar hoorde hem niet. Voelde ook de
zware hand niet die op zijn knieën lag, want tegenover hem zat nog
steeds de cadet Meltzar, met op zijn nek zijn platte, zwarte ronde
kop, waarin de Rákóczi-mars spiraalvormig was gegraveerd.
Plotseling was het de eerste luitenant zonneklaar dat hij die arme
Meltzar groot onrecht had aangedaan, zes maanden lang! Wat kon die
arme duivel doen aan zijn domheid, aan die zouteloze patriottistische
kletspraatjes van hem? Hoe had hij met een grammofoonplaat als hoofd
helder kunnen nadenken? (…) Met die platte, ronde schijf die ze hem
hadden opgezet kon hij natuurlijk nooit begrijpen dat de Italiaanse
soldaten die gehavend en bebloed langs de batterij defileerden,
natuurlijk ook veel liever thuis waren gebleven, als een
aanplakbiljet op de straathoek ze niet had gedwongen om alles uit hun
handen te laten vallen (…)”.
Beter is het het niet zo ver te laten komen, de oorlogshitsers te
stoppen voor ‘het volk’ zijn hoofd vol marsmuziek heeft en even
later vol shrapnel, als het tenminste nog een hoofd heeft. Maar áls
‘het volk’ al iets doorkrijgt, dan is dat pas ná de feiten,
zoals Johann Bogdán in het laatste hoofdstuk, De thuiskomst.
Wees niet zoals Johann Bogdán, laat je hoofd niet vervangen door een
grammofoonplaat, kijk niet weg, laat je niet verblinden door de holle
praatjes van politici en militairen, mensen horen niet in de oorlog.
Maar dit boek hoort u wel gelezen te hebben.
Björn Roose






