maandag 9 februari 2026

Steen op steen - Wiesław Myśliwski (boekbespreking door Björn Roose)

Steen op steen - Wiesław Myśliwski (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb het in mijn boekbesprekingen al vaker gehad over het ‘toeval’ dat me een bepaald boek uit mijn bibliotheek doet halen nadat ik een ander, schijnbaar daarmee ongerelateerd boek heb uitgelezen. Dat ‘toeval’ blijkt op zijn minst niet te beletten dat er verbanden liggen tussen de na mekaar gelezen boeken, terwijl ik die nooit had vermoed. Zo’n verband is er ook tussen Steen op steen en Over het doppen van bonen, al heb ik die niet na mekaar gelezen en was het me volkomen duidelijk dat ze afkomstig waren van dezelfde auteur, Wiesław Myśliwski. Ik had ze immers, zoals ik in de bespreking van dat laatste al vermeldde, samen gekocht. Het verband is echter een ander en zit in het moment dat ik het ene besproken heb en het andere bespreek: aan het einde van de bespreking van Over het doppen van bonen schreef ik dat ik “met die toegeeflijkheid (…) mijn laatste in 2024 geschreven boekbespreking” beëindigde. Een feit waar ik me niet meer van bewust was tot ik die bespreking ging herlezen vooraleer aan die van Steen op steen te beginnen. Een boekbespreking die – jawel – mijn laatste in 2025 geschreven exemplaar zal worden, al geldt ook in dit geval dat u die pas ergens in het volgende jaar zal te lezen krijgen.

Zoals ook een aantal andere dingen voor beide boeken gelden. Bijvoorbeeld dat de schrijfstijl, vertelstijl eigenlijk, me niet bijzonder ligt. Zoals Over het doppen van bonen bestaat Steen op steen uit één lange monoloog. Een van zo’n vijfhonderdtwintig bladzijden, wat er nog eens honderdveertig meer zijn dan bij Over het doppen van bonen het geval was, zij het dit keer zonder dat er een luisteraar geïntroduceerd wordt. De ik-figuur, ene Szymek Pietruszka (ofte Peterselie), spreekt zónder dat aangegeven wordt tegen wie hij spreekt, daarmee een sowieso overbodig personage vermijdend, waaruit je zou kunnen afleiden dat de auteur wat geleerd heeft na Over het doppen van bonen, maar dat is uiteraard onzin want dat laatste dateert uit 2006 (al werd het in Nederlandse vertaling uitgegeven in 2009), terwijl Steen op steen uit 1984 dateert (en pas in 2011 in het Nederlands verscheen). In Steen op steen zit meer structuur, al kom je daar pas in de laatste honderdvijftig bladzijden of zo achter, maar het van de hak op de tak springen – alleen aan het begin van ieder hoofdstuk is het onderwerp altijd enige tijd datgene wat ook in de titel van het hoofdstuk vernoemd wordt, bijvoorbeeld Het kerkhof of De weg - ‘blijft’ toch tekenend (en af en toe enerverend). De korte zinnetjes eveneens, de indruk dat van meerdere verhalen één exemplaar gemaakt is, het loslaten van een verhaallijn terwijl je als lezer hoopt die tot het eind te kunnen volgen (wat mij betreft in het bijzonder die rond Małgorzata), het afdwalen en nooit meer terugkomen, zoals ik het in mijn bespreking van Over het doppen van bonen noemde, de sprongen voorwaarts en achterwaarts in de tijd, maar niet het hoofdpersonage. Dat dat niet hetzelfde is, hoeft geen verbazing te wekken, maar Szymek Pietruszka is in tegenstelling tot de verteller in Over het doppen van bonen wel degelijk een boer, of toch in eerste orde, wat dit verhaal doet passen in de ook op de achterflap van Over het doppen van bonen al meegegeven vermelding dat Myśliwski met zijn werken getuigde “van het verdwijnende boerenleven”.

Waarmee ik niet beweerd heb dat je alles moet geloven wat op die achterflap van dit bij Querido uitgegeven boek staat. De bespreker van NRC Handelsblad wordt daar bijvoorbeeld geciteerd als geschreven hebbend dat de auteur “een trotse boer een lange monoloog [laat] houden, vol tedere en schokkende herinneringen”, maar Pietruszka is géén “trotse” boer, en “een ode aan het traditionele platteland”, iets waarover de commentator van Trouw het heeft, is dit boek eigenlijk ook niet. Steen op steen is het verhaal van vechtpartijen, van honger, van vrouwen als vuil behandelen, van verzetsstrijd, van zuipen, van familievetes, van communistische ambtenarij (die in het begin van haar heerschappij onder andere probeert het kerkelijk huwelijk te verdringen door het burgerlijk huwelijk, maar zich langzaam aan met alles begint te bemoeien), van een niets ontziende ‘vooruitgang’, van weinig dat als ‘teder’ te beschouwen valt, maar ongetwijfeld wél allemaal deel was van het leven van de Poolse boeren tot een aantal jaren na de Tweede Wereldoorlog, en voor een deel ook van dat van onze eigen boeren. Op de communistische ambtenarij na dan, al is die in recente decennia in onze gewesten ruimschoots overklast door ‘democratische’ regelneverij. Je hoeft niet meer, zoals Pietruszka, die het spul nodig heeft om een familiegrafkelder te laten bouwen (een bezigheid die de rode draad van dit boek vormt), bij de gemeente te gaan bedelen om zoveel ‘kuub’ cement, maar je mag nog geen tien vierkante meter bedekken met dat spul zonder toestemming van het gemeente-, provincie- of andersvervelend bestuur.

Enfin, ik wijk af, terwijl ik dat eigenlijk alleen richting een woordenboek mag doen. Want vertaler Karol Lesman heeft schitterend werk geleverd, wat voor iemand die in 1951 geboren is in Breda vaak niet evident zal geweest zijn gezien het in dit verhaal wemelt van termen uit de (vooroorlogse) boerenstiel, maar wat “kalmoes” is (een als smaakmaker gebruikte moerasplant klaarblijkelijk) of wat “kwabalen” zijn (een heel zijn leven in zoet water doorbrengende kabeljauwachtige, die sinds begin van de jaren 1970 uitgestorven was in belgië, maar vanaf 2005 werd uitgezet in de Grote Nete en de Bosbeek, alwaar ze naar het schijnt succesvol zijn), moest ik toch even gaan opzoeken, al wees het feit dat de opa van het hoofdpersonage ze “uit de uitgeworpen emmers [haalde]” terwijl hij “door de rivier [waadde]” uiteraard meteen op vissen.

Een vanzelfsprekendheid die er niet was wat betreft het vinden van het liedje Steen op steen, als dat al de titel van het liedje is, waarnaar de titel van het boek verwijst, al is die wel zeer passend voor zowel de centrale verhaallijn (die rond het graf) als de hoop verhaallijnen samen: “Steen op steen / Op steen een steen / En op die steen / Nog een steen”. “Want als ik van alle melodieën één melodie naar die andere wereld zou mogen nemen, dan alleen die. Van de melodieën en van het leven.” Waarmee ik op iets anders kom. Ja, grote delen van het verhalen zien er zo uit: “Zo kwamen ze me er ook jaren geleden mee lastigvallen dat ik mijn strodak moest wegdoen en mijn dak met dakpannen of asfaltpapier moest bedekken, want er was een verordening gekomen tegen strodaken. Terwijl het nog een prima dak was, het lekte niet bij mij. Maar ik was een schande voor het dorp. Terwijl volgens mij dat strodak van mij juist mooier was dan al die dakpannen, asfaltpapier en zelfs golfplaat. En afgezien daarvan heb ik een zolder. Ga maar eens kijken, secreten, want jullie zijn vast vergeten hoe een zolder eruitziet. En, vinden jullie onder die dakpannen, die dakplaat en dat asfaltpapier van jullie zulke zolders? Dozen, ja, geen zolder. Kisten, ja, geen zolder. Als het heet is, dan is het er heet als in de hel, en als het koud is, dan is het er nog erger koud. Bij mij is het in de winter warm, in de zomer koel. Graan, meel, uien, knoflook, alles kan er liggen, het raakt niet beschimmeld, het bevriest niet. Je kunt er kazen drogen en de was ophangen. Een mens kan er afgemat desnoods eventjes gaan liggen, of als hij overal genoeg van heeft, dan is het er knusser dan in de woonkamer, de vliegen bijten er niet zo en het is net of de wereld hier begonnen is. En waarom hebben jullie het juist zo voorzien op die strodaken? O, jullie kunnen beter een weg aanleggen naar de molen, want in het voorjaar lukt het nog niet met twee paarden een kar uit de modder te trekken. Er zou een smid moeten komen, want nu moet je helemaal naar Boleszyce om je paarden te laten beslaan”. Enzovoort, enzovoort, u ziet het voor u. Maar er zijn, vaker dan in Over het doppen van bonen heb ik de indruk, ook poëtische pareltjes. Dun gezaaid, vaak veel korter, maar desalniettemin mooi: “Dat begon ermee alsof een druppel dauw op iets zachts viel. Zo werd het eerste uitgehongerde jong wakker. Ik deed mijn ogen open, ik keek door het raam naar buiten. De dageraad leek een lege blikken emmer. En meteen na die ene druppel kwam nog een druppel, maar nu alsof hij in die emmer viel, nog meer uitgehongerd. Daarachteraan een derde, een vierde, een tiende, en de ene had nog meer honger dan de andere. En zo werd het steeds lichter. Eerst alsof iemand de grauwheid van die emmer wegspoelde. En na een tijdje bracht iemand anders melk in die emmer van de eerste melkgift en zette die in het midden van de zaal.” Of, als het hoofdpersonage op zoek gaat naar schoenen voor zijn broer, schoenen die hij hoopt aan te treffen op een van de na de oorlog nog niet begraven lijken in de buurt: “Sommigen lagen met zijn tweeën of drieën op een kluitje, alsof ze dicht op elkaar waren gekropen om het warmer te krijgen. Anderen waren, zo leek het wel, als door het oogsten door de oorlog afgemat en alleen maar even in slaap gedommeld en hadden daarvoor hun schoenen uitgetrokken. Iedereen weet dat de oorlog het ergst in je voeten gaat zitten. Soms kun je vanaf je middel omhoog nog doorvechten, terwijl je voeten het allang hebben begeven. Soms schreeuw je hoerrra! maar zijn je voeten al dood. En vaak wordt een oorlog niet zozeer met kogels als wel door voeten gewonnen. Want oorlog en voeten zijn als het ware stiefzusters”. Of doordachte dingen als dit: “Dus je vlucht je in je gedachten, al is het daar ook niet veel beter”. Of, verder: “Ik liet me op mijn bed vallen om mijn gedachten wat te verzamelen. Hoewel dat gemakkelijker gezegd is dan gedaan, je gedachten verzamelen. En je hebt momenten waarop een mens nog het liefst zijn gedachten alle windstreken op zou willen jagen. En zou willen veranderen in een tafel of een krukje. En net zo lang die tafel of dat krukje zijn tot alles voorbij is”. Wat niet belet dat je een paar bladzijden verder weer dingen leest die helaas – bad pun intended – aardser zijn dan je wil lezen: “Het moge duidelijk zijn, de mens leeft van de aarde en hij zou tot de oogst moeten worden aangetrokken als een hond tot zijn teef.” Wat op zijn beurt niet belet dat de aarde, nog meer dan de mens, het centrale thema is van het leven van de mensen in dit boek. Een leven dat dan wel gewelddadig kan zijn, het is een gevecht met elkaar maar ook met de natuur, maar als vanzelf in tegenstelling staat met de oorlog waar desondanks het hoofdpersonage heeft aan deelgenomen, iets waaruit, zoals ik al aangaf, blijkt dat hij géén “trotse” boer is, in tegenstelling tot zijn vader, die deze woorden spreekt: “Waar zouden we dan voor moeten vechten? We ploegen, we zaaien, we maaien, wie zijn wij tot last? Een oorlog zal de wereld niet veranderen. Ze zullen elkaar alleen uitmoorden en het zal zijn zoals het was voor de oorlog. En weer zullen het de boeren zijn van wie er het meest in de grond achterblijven. En niemand zal zich ook maar herinneren dat ze hebben gevochten en waarvoor. Want gedenktekens of boeken laten boeren niet achter, enkel tranen. Ze zullen wegrotten in de grond en de grond zal zich hen ook niet herinneren. Maar als de aarde zich iedereen zou willen herinneren, zou ze niet hoeven baren. En de voorbestemming van de aarde is om te baren.”

In plaats van u hierna nog met verdere citaten lastig te vallen, zal ik het bij deze houden. Al zijn er eerder en later in het boek beslist nog die ik hier zou willen meegeven. Over, bijvoorbeeld, de eieren die het hoofdpersonage, en de andere mensen in het dorp, laten zegenen met Pasen, eieren die dan uiteraard veel lekkerder smaken, al helemaal met mierikswortel, die “niet alleen gewijd [moet] zijn, maar ook zo sterk dat het er in je neus van prikt”. Of over Natte Maandag, een op Paasmaandag gevierde, nog steeds bestaande traditie die, als je de filmpjes op het internet moet geloven, wel een beetje héél erg uit de hand kan lopen, maar dat blijkens het boek vroeger ook al deed. Of over het in de eerste rug van een in de lente te ploegen akker stoppen van de eerste snede van het brood dat met Kerstmis begonnen is (en de moeilijkheden die konden ontstaan naar aanleiding van het feit dat brood er niet het hele jaar door was). Of over massale, dagen lange bedevaarten. Maar als ik daarmee begin, lees ik het halve boek opnieuw, en dat ligt niet in mijn bedoeling. Toch nu niet. Want hoewel ik enige tijd getwijfeld heb of Steen op steen dezelfde weg zou opgaan als Over het doppen van bonen, heb ik besloten het boek maar in mijn bibliotheek te laten staan. Al is het maar omdat ik de indruk heb dat er misschien nog wel een laag in zit waar ik bij de eerste lezing niet meteen op gelet heb.

Björn Roose

vrijdag 6 februari 2026

De riem – Julien Van Remoortele (boekbespreking door Björn Roose)

De riem – Julien Van Remoortele (boekbespreking door Björn Roose)
Één boek heb ik van Julien Van Remoortele in mijn boekenkasten zitten. Voorliggend De riem dus. Wat toch wel eigenaardig mag heten gezien de man (geboren in 1930 in Beveren-Waas en overleden in 2018 in Oostende) “ongeveer 450 werken in boekvorm en enkele duizenden losse verhalen, reportages en hoorspelen” bij mekaar heeft gepend, althans volgens uitgeverij Lannoo. De ‘online encyclopedie’ Wikipedia houdt het op “ongeveer 400 boeken en een paar duizend losse verhalen, hoorspelen en rapportages”, maar ‘t is een kniesoor die over die “rapportages” en vijftig boeken valt als het in totaal sowieso over (meer dan) vierhonderd exemplaren gaat. Zeggen dat ik Het veenmysterie in 1982 wel gezién heb, is natuurlijk geen excuus voor de magere oogst aan Van Remoorteles boeken in mijn kasten. Aanhalen dat hij toch wel héél veel boeken over toerisme en wandelen geschreven heeft óók niet, want ik ga al sinds de jaren dat ik ook Het veenmysterie zag voortdurend op wandel en heb tienduizenden toeristische kilometers afgelegd met de fiets en met de wagen. Maar aan de andere kant: excuses om kinderen af te rossen met een broeksriem zijn er al evenmin en over een kind dat het slachtoffer wordt van dergelijke praktijken gaat De riem.

‘Oeioei, een verhaal over een kind dat wordt afgerost, gepubliceerd bij Boekengilde De Clauwaert vzw’, want dat wist u uiteraard al, ‘dat zal wel weer melodramatisch gezeur opleveren’, hoor ik u zuchten. Awel, nee, eigenlijk. Ondanks het feit dat het boekje (vierenvijftig bladzijden) ook nog eens de Kerst-uitgave van 1962 “voor de leden van de Clauwaert-Vereniging” was en kerstverhalen sowieso al niet bekend staan als vrij van gezeur. Het is geen super interessant verhaal, dat niet, maar de kleine krijgt al helemaal in het begin “van de riem”, gaat daarop lopen, en trekt aardig zijn plan tot op het einde. Daar gaat het uiteindelijk helemaal fout, maar zelfs dat heeft Van Remoortele er niet toe kunnen aanzetten er een tearjerker van te maken.

Waarmee ik wel zo’n beetje alles over dit boekje gezegd heb dat er aan zinnigs over te vertellen valt. Tenzij u, zoals ik deed, zou vallen over het woord “nietdeug”, natuurlijk, maar dat zou onterecht zijn. Het woord bekt niet en daarom zou ik zeggen dat het niet deugt, maar het schijnt wel degelijk een dialectische, enigszins sterker klinkende vorm van ‘deugniet’ te zijn. Een dialectische vorm waarmee ik niet bekend was, want in mijn geboortestreek heette zo iemand een ‘nieweerd’, en dat is dan weer een verwijt dat ik wél af en toe naar mijn hoofd geslingerd kreeg.

Edoch niet die keer dat we naar de cinema getrokken waren in Lichtervelde, de dichtste bij mijn geboortedorp Handzame, en ik mijn bril vergeten was, waardoor ik niks aan de film had (al herinner ik me wel nog de muziek: Eye of the tiger van Survivor, want het jaar was ook al 1982 en de film heette Rocky III), want toen had mijn moeder ‘compassie’ met mij. Als ik zo bijziend geweest was als nu was ik echter nooit zo ver gefietst zonder bril (Lichtervelde lag toch op dertien kilometer) en als er in ieder dorp nog cinema’s geweest waren, zoals in De riem nog wel het geval was, ongetwijfeld ook niet: “Een heel grote stad is het niet; er zijn maar zes bioskopen: de Riolta, de Rondo, de Cinéhall, de Toverlantaarn en de Mantilla”. Wat er bij mijn weten vijf zijn, maar goed, de verteller is de jongen die slaag krijgt en die is niet zo aandachtig op school.

Zoals ik dat niet altijd was, al kreeg ik desondanks af en toe geld mee van mijn moeder om – met de fiets, langs de ‘grote baan’, waar toen nog aan negentig per uur gereden werd en geen verkeerslichten stonden bij het kruispunt waar je naar het dorp toe kon van bij ons op de buiten – sigaretten voor haar te gaan kopen: “Drie pakjes sigaretten voor mijn vader, zeg ik. En een doosje lucifers. Lichte Ardos heeft hij gezegd (…) Mijn vader zal straks komen betalen.” Iets waar de winkelier bij ons niet ingelopen zou zijn. Wat ook niet nodig was aangezien ik mijn eerste sigaretten pas gerookt heb toen ik student werd aan de hogeschool – als je die gerolde stukjes papier die we op een keer achter de ‘houtvumme’ in brand staken om er vervolgens zo ongeveer in te stikken niet meetelt – en ik, voor de goedkoop, quasi meteen overging op gerolde exemplaren.

Want goedkoop moest het wezen. Ik kreeg geen hopen drinkgeld mee naar Brussel, waar ik op kot zat, en dat ik dat ten dele zou opdoen aan tabak zou ‘geen waar’ geweest zijn. Dat ik meer broste dan studeerde ook niet, trouwens. Ik zorgde er dan ook voor dat ze dat niet te weten kwamen thuis, al was het maar om litanieën als deze te vermijden: “In onze tijd, (…) in onze tijd, waren het allemaal veel flinkere studenten. Wij wisten dat wij onze plicht moesten doen. Student, studeer! Wij verrichten degelijk ons werk en pas daarna dachten wij aan ontspanning. Maar nu! Nu bestaat er enkel nog de ontspanning! De jeugd kent geen werken meer. Slechts ontspanning! En wat voor ontspanning! Jazz! Schlagers! Een barbaars ritme en holle woorden van snertliedjes! Ja! Als je ooit iemand wil worden in het leven, zul je moeten veranderen, kereltje! Kijk ‘s naar je vader: waarom kan hij je alles geven, wat je maar wenst? Omdat hij hard werkte en nog werkt. Omdat hij iemand geworden is in het leven!” Waarmee ik niet ga beweren dat ook mijn vader een muziekcriticus was, maar wie in de jaren zeventig geboren is, zal zich wellicht nog herinneren dat dat soort uitleg toen behoorde tot het pedagogisch instrumentarium. Iets waarvan ik vermoed dat dat nu een stuk minder is – wie wordt tegenwoordig nog wat, tenzij transseksueel of ongewenst zwanger? – en dat me dus in dit boekje ook al deed denken aan m’n eigen jonge jaren. Zoals wel meer dingen in dit boekje overigens al heb ik nooit ernstige lijfstraffen gehad. Meer dan een klets om mijn oren, een half uur in de hoek staan, of meteen na het eten naar bed, is me nooit ‘aangedaan’. En van dat soort dingen word je sterk. Of bespreker van boeken, natuurlijk, dat kan ook.

Om me even aan die tijden te doen terugdenken, was De riem in ieder geval wel goed. Voor de rest dient zo’n ding rond de heupen te blijven.

Björn Roose

maandag 2 februari 2026

Enno de Witt – De grens – Langs de randen van Nederland (boekbespreking door Björn Roose)

Enno de Witt – De grens – Langs de randen van Nederland (boekbespreking door Björn Roose)
“Enno de Witt (1960) groeide op in Noordwijk aan Zee, op de grens van land en water, tussen een verzameling oude atlassen en reisboeken. Hij stak in zijn geboortejaar voor het eerst de grens over, bij Spijk, aan boord van de Rijnkruiser Medusa. Daarna volgden nog vele grenspassages. De grens komt voort uit zijn fascinatie voor Nederland en de Nederlanders.” Dat lees ik op de webstek van Singel Uitgeverijen, onderdeel Athenaeum. Op dat “onderdeel” ga ik hier even niet in, want het verhaal over Nijgh & Van Ditmar, Querido, De Arbeiderspers, De Geus, Volt, Love Books, Querido Academie én Athenaeum en hoe die allemaal onder één uitgeversdak terechtgekomen zijn (dat zich dan afficheert als “een onafhankelijk en zelfstandig uitgeefhuis”) zou ons te ver leiden (al zou ik u eigenlijk wel eens zo ver willen leiden), maar het tekstje zou een inleiding kunnen vormen tot voorliggend, in 2013 bij de toen nog niet onder het “onafhankelijk en zelfstandig uitgeefhuis” maar toch ook al onder een soortgelijke constructie genaamd Athenaeum-Polak & Van Gennep uitgegeven, De grens – Langs de randen van Nederland (wat op zich dan weer een gemiste kans is om een rijmende titel te maken). “Zou”, inderdaad, want het tekstje is een inleiding tot een later boek van De Witt, zijnde Ruzie – Van een lijk naast de kachel tot rijdende rechters, verschenen in 2018.

Van eerdere of latere boeken van De Witt is geen sprake op de webstek van het “onafhankelijk en zelfstandig uitgeefhuis”, terwijl ik op de webstek van De Slegte toch zie dat die er geweest zijn (weliswaar bij telkens wisselende uitgeverijen). Omdat ik geen zin heb om vraaggesprekken mét en columns ván de man te doorploegen, laat ik het zoeken naar verdere biografische gegevens maar voor wat het is en duiken we meteen dit boek in, een boek dat sowieso alleen zijn titel nodig had om interessant genoeg voor me te zijn om het (voor een appel en een ei) mee te nemen uit de tweedehandswinkel. Ik ben immers geboren in Roeselare, op zo’n vijfentwintig kilometer van de grens met Frankrijk, getogen in Handzame, op zo’n tweeëntwintig kilometer van de kust, en sinds vijftien jaar woonachtig in Moerzeke, ongeveer evenveel kilometer van de grens met Nederland. Om nog maar te zwijgen over het feit dat ik in Gent, op nog geen achttien kilometer van diezelfde grens, werk. Het is dan ook helemaal niet moeilijk om in den belgiek op korte afstand van de grens te wonen of te werken (tijdens mijn jaren in Brussel woonde en werkte ik er het verste van af), net zomin als in Nederland, maar ik steek die dingen ook graag letterlijk over als ik op reis ga (wat ik bijna altijd met de auto doe) en ga ze ook vaak opzoeken terwijl ik op reis ben. De streek waar Polen, Tsjechië en Duitsland bij mekaar komen, bijvoorbeeld; de grenzen tussen Hongarije, Slovakije, Slovenië, Oostenrijk, Kroatië, Servië, Roemenië, en Oekraïne; of die tussen Frankrijk, Italië en Zwitserland. Ik ben, kort samengevat, geen figuur van het centrum, maar een grensganger (misschien zelfs een grensgeval) en dat uit zich niet alleen in mijn reis-, maar ook mijn leesgedrag.

Jammer genoeg is dit boek op de grenzen ervan het best. In De grens – een introductie dus, en in Overige grensgevallen, de hoofdstukken helemaal aan het begin en einde. Gedurende zestien bladzijden en twaalf bladzijden doet de auteur daar een doorlopend verhaal uit de doeken (over de oorsprong van de Nederlanders en de grenzen van het continentale deel van het Koninkrijk der Nederlanden enerzijds en over de Europese Unie en het niet-continentale deel van datzelfde Koninkrijk anderzijds). Doorlopend in de zin dat er een lijn in zit. En geen stippellijn, zoals je die bij grensaanduidingen op kaarten wel vaker ziet. Ik verklaar me nader: tussen die twee hoofdstukken zitten er nog eens zes, zijnde Van Lobith naar Vaals, Van Drielandenpunt naar Grenswachters, Van de Schelde naar de Rijn, Van Noordwijk naar Borkum, Van Eemshaven naar Denekamp, en Van kanaal naar kanaal, maar alles wat onder die hoofdstukken valt, hangt niet aan mekaar. Van een stukje in verband met heksen in de ene grensgemeente springt De Witt naar een stukje in verband met smokkelaars in de andere, van een stukje over de Tweede Wereldoorlog in een of ander gehucht naar een stukje over gesjoemel in de politiek in weer een ander. Hij volgt daarbij wel de stukken grens die hij onder de hoofdstuktitels heeft verzameld, maar je ervaart dat volgen nooit als een verhaal. En dat was klaarblijkelijk ook niet wat de auteur nastreefde: “De geschiedenis van de grens is ook nog lang niet geschreven, en dat zal hier ook niet uitputtend gebeuren. Tal van liefhebbers houden zich met de grens bezig, ze wandelen van grenspaal naar grenspaal en noteren ieder grensgerelateerd detail dat zij onderweg tegenkomen, tekenen verhalen op en pluizen archieven uit. Iedere centimeter grens levert weer een nieuw verhaal op, dat weer een volgend verhaal voortbrengt, in een reeks waar geen einde aan lijkt te komen. Wie zich in die schat wil onderdompelen kan op het internet terecht, en in talloze publicaties. In dit boek zijn alleen de krenten uit de pap verzameld, een caleidoscopische verzameling verhalen en wetenswaardigheden waarachter nog veel meer schuilgaat.” En ik ga niet zeggen dat er geen interessante krenten bij zijn – al gaan de verhalen over smokkel en andere grenscriminaliteit, en daar zijn er veel van, op den duur toch wel lichtelijk vervelen -, maar ‘t is een beetje teren op andermans werk wat De Witt hier doet. In zoverre zelfs dat je de indruk krijgt dat hij voornamelijk bezig geweest is met het internet afstruinen op zoek naar andermans verhalen.

Iets wat we nooit zeker zullen weten, want de auteur is in negenennegentig procent van de gevallen niet zo goed te vermelden waar hij zijn citaten vandaan heeft. Hij citeert wel, da’s tekstueel duidelijk, maar aan bronvermelding doet hij niet. Noch in de teksten zelf, noch in voetnoten, noch in eindnoten. Als de auteur een tekst aanhaalt, dan hoor je ‘m op zijn woord te geloven, klaarblijkelijk. Wat een keuze is, zowel vanwege de auteur als vanwege de lezer, maar niet erg eerlijk tegenover de leveranciers van zijn bronnenmateriaal. Ik zou daar, als ik zelf zo’n leverancier was en er achter kwam dat mijn teksten door De Witt gebruikt waren zonder bronvermelding, niet al te blij mee zijn, maar misschien zijn ze aan de andere kant van de kunstmatige grens tussen de Zuidelijke - en de Noordelijke Nederlanden toleranter dan ik op dat vlak.

Wat me tot een ander – tevens het laatste dat ik zal noemen – pijnpunt van dit boek brengt: je moet er Google Maps of een papieren kaartenboek bijnemen om te kunnen volgen. Nú kan ik Lobith wel zo ongeveer aanwijzen op een kaart, maar dat was niet het geval op het moment dat De Witt in die plaats zijn boek begon. En dat was evenmin zo voor de meeste plaatsen waarover hij het verder nog heeft. Ja, daar in die bizarre uitstulping naar beneden toe vanaf Roermond tot Vaals en Eijsden ken ik mijn weg wel zo’n beetje, en vanaf Het Zwin tot voorbij het Verdronken Land van Saeftinghe ook. En Zeeland, de Wadden en de kust van Friesland lukt ook nog wel, maar dan houdt het met uitzondering van Venlo wel zo’n beetje op wat betreft mijn oriëntatievermogen aan de Nederlandse grens. Aan het begin van ieder hoofdstuk een kaartje met de al dan niet werkelijk bezochte “krenten” en aan het begin van het boek een kaartje met alle exemplaren toevoegen zou minstens voor de mensen die op basis van dit boek eens een stukje grens willen verkennen wel nuttig geweest zijn. Nu ben je echter, als je dit boek daarbij zou gebruiken, wegens het ontbreken van zo’n kaartje én een register gedwongen te gaan zoeken waar in het hoofdstuk De Witt het heeft over het grensgebied waar je heengaat.

Ik heb enige tijd getwijfeld of ik het boek in het vooruitzicht op zo’n eventueel bezoek toch zou bijhouden, maar ik ben de Rubicon overgestoken: het verhuist naar de zolder en ik zoek mijn informatie desnoods wel op op het internet.

Björn Roose

vrijdag 30 januari 2026

Een leeuw in Peking – Marcel Van Nieuwenborgh (boekbespreking door Björn Roose)

Een leeuw in Peking – Marcel Van Nieuwenborgh (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb wel eens vaker ‘eigenaardige’, en vooral niet lezenswaardige, boekjes uitgegeven door (Boekengilde De) Clauwaert (vzw) gelezen, maar met voorliggend Een leeuw in Peking hebben ze daar toch wel de hoofdvogel afgeschoten. Niet omdat dit uit 1996, en overigens onder de toen al min of meer verenigde uitgeverij Davidsfonds/Clauwaert uitgegeven, stammende werkje van Marcel Van Nieuwenborgh met zijn vierenveertig bladzijden dunner is dan de andere (die dikte is bij Clauwaert min of meer standaard), maar omdat de inleiding, voorzien van de titel Ferdinand de handige bijna net zo lang is als het verhaal. En omdat dat verhaal eigenlijk uit twee verhalen bestaat: datgene waarvan de titel ook de titel van het geheel vormt (en dat tien bladzijden lang is) en datgene wat er aan voorafgaat, Toen de hemel zichtbaarder werd dan de aarde (dat veertien bladzijden lang is). Een redelijk eigenaardige constructie dus, waarvan de snel van begrip zijnde lezer op basis van de gegevens ‘Peking’ en ‘Ferdinand’ misschien al begrepen heeft dat ze als geheel gewijd is aan Ferdinand Verbiest, de in 1623 in het West-Vlaamse Pittem geboren jezuïet die in 1657 als missionaris naar China werd gezonden op vraag van een reeds aldaar aan het keizerlijk hof verblijvende andere jezuïet, Johann Adam Schall von Bell, en daar vervolgens tot bij zijn dood in 1688 (hij viel van zijn paard) verbleef.

De hele geschiedenis van Verbiest geef ik u in deze boekbespreking niet mee. Wat er interessantst aan is, kan u namelijk, mocht u dit boekje op de kop wensen te tikken, lezen in de reeds genoemde inleiding, zelfs al wordt daarin met geen – bad pun intended – gebenedijd woord gesproken over de meer dan dertig boeken die de man schreef, bijvoorbeeld zijn vertaling in het Mantsjoe van de eerste zes boeken over de Elementen van Euclides van Alexandrië (een serie die in totaal overigens dertien delen besloeg). Maar goed, ook voor Marcel Van Nieuwenborgh ligt er misschien een kern van waarheid in de eerste paragraaf van zijn inleiding: “Henry Kissinger vertelde dat hij ooit eens aan een Chinees historicus had gevraagd wat hij dacht over de Franse Revolutie. De Chinees zou hem hebben geantwoord: ‘Het is nog veel te vroeg om daarover iets te kunnen zeggen!’ Het is nu meer dan drie eeuwen geleden dat de West-Vlaamse jezuïet Ferdinand Verbiest in Peking overleed. En nog altijd is door de Chinese historici het laatste woord niet gezegd of geschreven over Nan Huai Ren, zoals hij door Chinees én Mandsjoe werd genoemd.” Een hiaat dat wellicht ten dele toe te schrijven is aan de jezuïeten zelf: “Ze hadden Loyola’s raad strikt opgevolgd ‘dat in brieven naar huis niets mocht staan wat niet in de handen van elkeen kon komen’. In de 17de eeuw wilden de jezuïetenbrieven uit China niet alleen édifiantes zijn maar hadden ze op de eerste plaats de bedoeling gezaghebbende kerkelijke milieus in Europa niet te ‘ontstichten’, door bewijsmateriaal te leveren van hun grote handigheid, hun vrij verregaande tegemoetkomingen aan de Chinese gewoonten en gebruiken en hun haast slaafse onderdanigheid aan het centrale gezag”. “Aanvankelijk hadden ze zich als nieuwsoortige bonzen bij de Chinese bevolking aangemeld, maar toen ze merkten dat ze daar niet vlug genoeg mee vooruitkwamen, hadden ze hun pij van vandaag op morgen ingewisseld voor de tuniek van de confuciaanse intellectueel, en in plaats van er gladgeschoren bij te lopen hadden ze zich de lange baard van de Chinese geleerden laten groeien (…) Er ligt niet alleen een wereld tussen de eerste gladgeschoren jezuïeten en de lange baard van Ferdinand Verbiest maar ook tussen de eerste ‘samaritaanse daad’ van de paters die een arme Chinese bedelaar onderdak geven (stichtend verhaal van de eerste China-jezuïeten) en ‘de gouden kooi’ waarin Verbiest, bij wijze van spreken, op het einde van zijn dagen in de exclusieve hofkringen heeft geleefd. Verbiest heeft zich duidelijk een aantal begoochelingen gemaakt met betrekking tot de keizer, voor wie hij op het einde eigenlijk niet meer is geweest dan een hooggewaardeerd huisdienaar (een ‘bond-servant’, een slaaf op vrijwillige basis).”

Nu goed, het is niet mijn bedoeling een samenvatting te maken van de samenvatting die Van Nieuwenborgh van het leven van Verbiest en de aanwezigheid van de jezuïeten in China maakte. Ik ga het dus niet mét de auteur hebben over de “gadgets” die Verbiest voor de Chinezen maakte, over “een soort van wonderfontein in de keizerlijke hovingen en een heuse Hollandse windmolen”, noch over het vervaarlijker spul, zijnde de kanonnen en het handboek dat hij schreef om de Chinezen toe te laten zélf kanonnen te maken. Wat die laatste betreft volstaat het hoe dan ook te verwijzen naar de laatste paragraaf van de inleiding: “Nochtans hebben de kanonnen van Verbiest hun deugdelijkheid bewezen. Het beste bewijs daarvan is dat de wapentuigen van het merk ‘Verbiest’ in China nog jaren na zijn dood werden vervaardigd. En de ironie van de geschiedenis heeft gewild dat meer dan twee eeuwen later, zijn eigen kerk in Peking, tijdens de Boksersopstand van 1900, werd in puin gelegd door een kanon waarop de naam Verbiest prijkte.”

“Twee eeuwen later” waar we in het eerste echte verhaal, Toen de hemel zichtbaarder werd dan de aarde, hoe dan ook nog niet aan toe zijn: “Op kerstavond van 1668 zaten in Peking drie jezuïeten-missionarissen, onder wie Ferdinand Verbiest, onder huisarrest in hun eigen kerk”, - allicht die kerk dus waarover Van Nieuwenborgh het in zijn inleiding had. “Ze zagen, op die kerstavond van 1668, de toekomst van de Chinese missie zeer somber in. Tot er zich in die nacht enkele onverwachte gebeurtenissen voordeden, die we in dit verhaal pogen te reconstrueren. Aan het woord is Ferdinand Verbiest, kroongetuige van het kerstwonder”. Jawel, een keer je de grote inleiding gehad hebt, krijg je ook nog een inleiding tot het eerste verhaal, wat dat verhaal zelf reduceert tot nog amper twaalf bladzijden. Zoals de inleiding tot het tweede verhaal dát verhaal verder verkort tot negen bladzijden. Wat echter niet kan verhinderen dat ik ín dat eerste verhaal iets tegen kwam dat me onmiddellijk deed terugdenken aan een ander boek dat ik recent las, het vijfendertigste deel uit de serie Phoebus Focus, Heilige Familie in Nazareth getiteld en van de hand van Katharina Van Cauteren. Een boek met als ondertitel Over Diego Quispe Tito (ca. 1611-1681), de kunst van Cuzco, en Antwerpen als Hollywood aan de Schelde waarin Van Cauteren het onder andere heeft over – en ik citeer even mezelf omdat ik te lui ben om het anders te formuleren - “de gebroeders Hiëronymus en Johannes Wierix, twee Virtuoze schobbejakken, zonen van Anton I Wierix en broers van Anton (II, zeker?) Wierix. Het zijn zij en een latere zoon van Anton (II) ‘die een stempel zullen drukken op de kunstgeschiedenis: samen behoren ze tot de meest productieve graveurs van de laatzestiende- en vroegzeventiende-eeuwse Nederlanden. In totaal zijn de gebroeders en hun neefje goed voor niet minder dan 2 333 prenten’. Prenten die met de hulp van religieuze ordes, in eerste instantie de jezuïeten, de markt en het land zouden overspoelen in Peru en daar aldus hun religieuze en kunstzinnige invloed zouden gaan uitoefenen”. Niet alleen Peru, kennelijk, want wat lezen we bij Van Nieuwenborgh, via spreekbuis Ferdinand Verbiest?: “De schilderijen waren zeer kostbare hulpmiddelen voor onze missionering. Franciscus Xaverius moet reeds een goddelijke ingeving hebben gehad toen hij naar deze streken reisde met in zijn koffer een Vlaamse afbeelding van een madonna. En van de mooie prenten uit Nadals bijbel, die ons uit de drukkerij van Plantijn werden geleverd, konden de Chinezen niet genoeg krijgen. We hadden trouwens op die kerstavond de Heilige Schrift opengelegd bij de prent waarop de gebroeders Wierix zo kunstig de grot van Betlehem hadden uitgebeeld.”

Altijd leuk als je in een volgend boek iets tegenkomt dat je doet terugdenken aan een vorig, maar zelfs al zijn ‘we’ (bij het schrijven van deze tekst) bijna halferwege december, ik zal u dan weer niet verblijden met de ontknoping van deze kersthistorie an sich. Net zomin als ik die van Een leeuw in Peking, het tweede kortverhaal in deze, aheum, bundel zal meegeven, al krijgt u ook daarvan wel een deel uit de inleiding tot het verhaal te lezen: “In het zeventiende jaar van de Qing-keizer Kangxi (1678) beval deze, in zijn strijd om Taiwan, van waaruit de aanhangers van de verdreven Ming-dynastie het Qing-rijk bestookten, alle kusten te ontruimen. Op het eiland Macao kreeg de bevolking het bevel weg te trekken en de Chinese vloot blokkeerde de vaargeul. Portugese schepen mochten niet meer aanleggen en de Portugese versterkingen dreigden te worden gesloopt. Voor de missionarissen in Peking betekenden deze maatregelen een ramp. Macao was het centrum van de katholieke kerk en de vertrekbasis voor toekomstige missionarissen op het Chinese vasteland.” Wat me dan weer deed denken aan twee andere dingen. Ten eerste het feit dat de vijandschap tussen het Chinese vasteland en Taiwan dus niet, zoals ik tot nog toe dacht, dateren van het moment dat Chiang Kai-shek en z’n aanhangers in 1949 vluchten van dat vasteland naar Taiwan om daar de Republiek China voort te zetten zonder het overgrote deel ervan. Een mens leest natuurlijk, onder andere, om te leren, maar nu ik dit hiaat in mijn kennis heb ontdekt, ben ik bijna zedelijk verplicht om op afzienbare tijd meer te lezen over Taiwan en (de rest van) China (in Taiwan moeten ze nu ook niet kleinzerig gaan doen als de rest van China het eiland opeist, dat heeft Taiwan per slot van rekening ook lang genoeg gedaan voor wat betreft het vasteland). Ten tweede de eerste prenten die ik ooit in, als ik me niet vergis, Ons Volkske zag uit de stripreeks Bob Morane. Die kwamen namelijk uit het album… De keizer van Macao, en ik was meteen niet alleen onder de indruk van de tekeningen van William Van Cutsem (beter bekend als Vance, en onder andere ook verantwoordelijk voor Howard Flynn, Ringo, Bruno Brazil, Ramiro, Bruce J. Hawker, en de eerste twintig albums – op één na - van XIII), maar ook van het er wel bijzonder crimineel uitziende Macao. Een album dat ik veel later, net zoals een groot deel van de serie, kocht, en waarin de jezuïeten geen enkele rol spelen, maar waar op pagina drieëntwintig (van de eerste druk bij Lombard, voor wie het even zou willen opzoeken) zowaar in de achtergrond een vrij grote kerk opduikt. Het is een nachtscène, dus Vance heeft de kerk niet tot in detail uitgewerkt, maar toch goed genoeg om ze te herkennen als een jezuïetenkerk en ze terug te vinden op het internet. Het gaat nog louter om een façade, wat je bij Vance niet kan zien, maar zelfs dat er alleen maar dát overschiet van de Sint-Pauluskerk belet klaarblijkelijk niet dat dit het meest gewaardeerde icoon van de voormalige kolonie is. Een icoon dat nog lang na de in Een leeuw in Peking als historische achtergrond gebruikte feiten in al zijn glorie zou blijven bestaan, maar uiteindelijk – op genoemde voorgevel na – vernield zou worden door brand tijdens een tyfoon die op 26 januari 1835 de kolonie trof. Een icoon dus dat véél langer zou meegaan dan de twee leeuwen die de jezuïeten in Afrika lieten vangen om ze cadeau te doen aan de keizer: “Hoewel de leeuwen op hun zeven maanden lange tocht waren vergezeld van een kapelaan, iemand die de geneeskust beheerste, een leeuwentemmer en zes slaven, was onderweg de leeuwin gestorven”. Nog geen maand na zijn aankomst aan het hof verwisselde ook de leeuw het tijdelijke voor het eeuwige: “De Chinese bewaker had hem ‘s morgens slapend aangetroffen, had voor de tralies staan tieren: ‘Hou hsing shih tze!’, word wakker leeuw, maar het beest had niet meer verroerd.” Eigenlijk twee stukjes petite histoire, dit boekje, niet genoeg om het in mijn kasten te houden, maar het feit dat het me deed denken aan een ander boek, een stukje geschiedenis, en een strip die ik vijfenveertig jaar geleden voor het eerst onder ogen kreeg, maakt het uurtje lezen toch het herinneren waard.

Björn Roose

maandag 26 januari 2026

Aanvaard het leven – Filip De Pillecyn (boekbespreking door Björn Roose)

Aanvaard het leven – Filip De Pillecyn (boekbespreking door Björn Roose)
Een mens zou haast gaan denken dat Filip De Pillecyn, of minstens zijn boeken en andere teksten, meer dan zestig jaar na zijn overlijden weer of nog steeds goed in de markt ligt (of liggen): in 2020 verscheen (en ik houd het bij de uitgaves die ik in handen kreeg, want er waren er nog meer) bij Doorbraak een ont-censureerde uitgave van Mensen achter de dijk, in 2024 bij Manteau/Standaard Uitgeverij het driehonderdzesendertig bladzijden tellende De dwarsligger, een bundeling van een aantal tussen 1922 en 1928 in Pallieter verschenen teksten van zijn hand, en in november van 2025 een heruitgave, eveneens ont-censureerd, van Aanvaard het leven. De kans dat u dat laatste, tevens voorliggende boek ooit in handen krijgt, is echter klein: het werd uitgegeven op amper 100 exemplaren en naar de opkomst op de boekvoorstelling te oordelen, zijn de meeste daarvan intussen in goede handen.

Een boekvoorstelling? Inderdaad. Het was zéér lang geleden dat ik er nog eens een had bijgewoond en het was mijn eerste van het Filip De Pillecyn Genootschap (ook wel, zelfs intern, aangeduid als het Filip De Pillecyn Comité), al bestaat dat intussen al sinds 2003 en woon ik sinds 2010 in de thuishaven ervan (en van de in 1962, helaas in Gent, overleden schrijver). Een Genootschap dat allicht ook de drijvende kracht is geweest achter de eerstgenoemde twee uitgaves, want stichter en voorzitter (annex motor) Emmanuel Waegemans (wiens De Russische Krim – Geschiedenis van een betwist schiereiland ik eerder besprak) mocht er telkens het Ten geleide bij leveren. Zoals hij dat ook deed voor Aanvaard het leven, al heet het voorwoord daarin niet Ten geleide, maar Aanvaard het leven in de Vlaamse pers, wat een beetje een knullige titel is aangezien het over veel meer gaat dan wat in die ‘Vlaamse’ pers bij het verschijnen van de oorspronkelijke uitgave (in 1956) geschreven werd. Bijvoorbeeld over de reden waarom er überhaupt een uitgeverij als De Clauwaert (ook bekend als Boekengilde De Clauwaert, al dan niet aangeduid als ‘vzw’), sinds 1999 opgegaan in Davidsfonds en in 2009 na een goede zestig jaar bestaan te hebben ‘vereffend’, werd gesticht: “In 1956 verscheen de roman Aanvaard het leven van Filip De Pillecyn bij De Clauwaert, de uitgeverij die in 1949 was opgericht om het werk van de auteur te kunnen uitgeven, omdat de net vrijgekomen schrijver taboe was voor Scriptores Catholici. Tussen 1949, het jaar van de vrijlating van De Pillecyn en de oprichting van De Clauwaert, en 1956, het verschijnen van Aanvaard het leven, publiceerde deze uitgeverij ook nog andere nieuwe werken van Filip De Pillecyn: De veerman en de jonkvrouw, Rochus en Vaandrig Antoon Serjacobs.” Wat mij altijd een raadsel was geweest, namelijk dat in 1998 bij Davidsfonds/Clauwaert De Pillecyns novelle De aanwezigheid verscheen terwijl De Clauwaert zich, naar mijn smaak, altijd bezig gehouden had met het uitgeven van voornamelijk emo-rommel, werd daarmee afdoende verklaard, al had wat meer rondkijken in mijn eigen boekenkasten me misschien ook al eerder kunnen aanzetten tot speurwerk: De veerman en de jonkvrouw in de uitgave van De Clauwaert zit daar namelijk ook in, net zoals Elizabeth, Face au mur, Mensen achter de dijk (waarvan ik meerdere edities staan heb), Monsieur Hawarden (in de bespreking waarvan ik nochtans opmerkte dat het uitgegeven was bij De Clauwaert), en Rochus. Even had ik na deze ‘ontdekking’ dan ook de neiging nooit meer een kwaad woord te schrijven over De Clauwaert, maar het valt toch wel jammer te noemen dat er niet méér auteurs van het kaliber van De Pillecyn in het fonds van de uitgeverij zaten.

Soit, we hadden het over Aanvaard het leven, een verhaal dat ik ook al in mijn boekenkasten had voor ik de uitgave van het Filip De Pillecyn Genootschap kocht, zijnde in een omnibus uitgegeven door het Davidsfonds in 1985, maar dan niet helemaal. Zoals aangegeven is de versie van het Filip De Pillecyn Genootschap immers ont-censureerd, wat wil zeggen dat er in vorige versies, ook als die als eerste verschenen bij een uitgeverij die hij mee oprichtte kennelijk, gecensureerd werd. Omdat Emmanuel Waegemans de oorspronkelijk weg gecensureerde woorden en zinnen in deze uitgave schuin heeft laten afdrukken (hij vertelde tijdens de boekvoorstelling dat het een helse klus was het hele boek weer over te tikken vanaf het oorspronkelijke manuscript) is ook makkelijk na te gaan of dat klopt, al viel het aantal passages waarin dat zo was in dit geval toch wel zeer goed mee. “Het was het verlies van zijn geloof in de mens, grondslag van ieder geloof” blijkt inderdaad veranderd geweest te zijn in “Het was het verlies van zijn geloof”. “En heel deze bezettingstijd verliep zonder onlusten met onderdrukte ontevredenheid” werd inderdaad “En heel deze bezettingstijd verliep zonder onlusten”. Maar “Zij was opgenomen in het misprijzen van de mensen dat zijn avontuur hem had geleerd” werd gelukkig niet vermassacreerd tot “Zij was opgenomen in het misprijzen van de mensen dat zijn hem had geleerd”. Het “avontuur” werd in die zin vervangen door de “ervaring”. Muggenzifterij van de censor, natuurlijk, en ook wel een beetje van mij, maar in dit geval had behalve het schuin gedrukte, weg gecensureerde woord ook het woord waardoor het vervangen werd mogen vermeld worden.

Waarna ik toekom aan een ander klein gebrek aan dit boek: de er in opgenomen, voor zover ik begrepen heb, speciaal voor dit boek door lokaal schilder Luc Verbist gemaakte ‘illustraties’, werden (op een drietal uitzonderingen na) gefotografeerd op het doek waarop ze geschilderd werden, maar terwijl dat doek tegen de muur hing. Ik besef dat croppen een beetje meer werk was geweest, maar de schilderijen konden dan wel groter afgebeeld worden en niet voorzien van de slagschaduwen die doeken nu eenmaal op beige achtergronden werpen. Er valt voor de rest ook nog wel wat te zeggen over het bronnenmateriaal dat Verbist in sommige gevallen gebruikte – de foto van zijn met sigaar toneelspelende vader als basis voor zijn schilderij van de ‘meester’, bijvoorbeeld -, maar dat het in een formaat van soms nog geen derde van een bladzijde niet helemaal tot zijn recht komt, is duidelijk.

Nu goed, het onderwerp: Paul Danneels heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog aan het Oostfront gevochten tegen de Russen - iets wat nu zou toegejuicht worden, maar toen ze er daar echt nog een zeer mensonvriendelijk wereldbeeld op nahielden fout geacht -, heeft daarvoor een tijdje in de gevangenis gezeten, en moet bij zijn vrijlating terug aarden bij zijn familie (vader, moeder, zus) en in zijn dorp (Hamme uiteraard, voor de inboorlingen onder andere herkenbaar aan De Pillecyns beschrijving van het café dat ooit De Koolputten was of De Kroon waar nu het Belfius-kantoor zit, maar ook aan een zin als “deze verachterde fabrieksgemeente die nog steeds de sporen vertoonde van tientallen jaren deemoedig analfabetisme”). Terwijl hij daar nog mee bezig is en een job als medisch vertegenwoordiger heeft aangenomen omdat hij als ‘collaborateur’ zijn studies niet terug mag aanvatten, ontmoet hij het meisje waarmee hij samen was voor hij naar het oosten trok, een meisje dat intussen getrouwd is en waarmee hij, ondanks het feit dat hij de liefde niet meer voelt die hij voorheen voelde, een geheime relatie begint. En dan komt in het dorp ook nog een ‘collega’ uit het kamp van Lokeren bij hem terecht die op de vlucht is voor de arm der wet en even moet onderduiken alvorens verder te trekken naar Antwerpen alwaar hij hoopt aan boord te gaan van een of andere oceaanstomer. Tussen dat alles door: de gesprekken met zijn oud-leraar, genoemde ‘meester’, die eveneens aangepakt is na de oorlog, volkomen gebroodroofd zelfs, die ook als vertegenwoordiger ‘de baan doet’, maar zijn wijsheid niet is kwijtgespeeld. Ik ga er wat kort door, korter dan Emmanuel Waegemans in zijn inleiding ook, maar als u het hele verhaal wil, dan leest u dat maar zelf, inclusief het einde dat door velen kennelijk bezien werd “als een mislukking, dit einde zou ‘gans het evenwicht van het boek aan het wankelen brengen’”. “Die ommekeer”, schrijft Waegemans daarover, “maakte weliswaar geen deel uit van het oorspronkelijke manuscript, pas later voegde De Pillecyn deze ‘hoopvolle toekomstblik’ toe, omdat hij het niet over zijn hart kreeg zijn ‘lotgenoten’ uitsluitend met rancune te overstelpen.” Wat natuurlijk een goede uitleg is, klaarblijkelijk ingegeven door De Pillecyn zelf, maar van mij niet gehoeven had. Ik vind dat einde zelfs essentieel. Ja, het boek had kunnen eindigen met de begrafenis van de ‘meester’, maar aan die begrafenis gaat wel de in de titel opgenomen boodschap “Aanvaard het leven” vooraf (een titel die oorspronkelijk Legioensoldaat Danneels had moeten worden, trouwens) en ‘aanvaarden’ heeft meerdere betekenissen. Een daarvan is kennelijk degene waartoe nogal wat mensen die willen beperken: iets onaangenaams dulden, iets met tegenzin accepteren. Een andere is echter: beginnen, ondernemen. En wat Danneels doet in het laatste hoofdstuk is ondernemen: hij gaat terug studeren in plaats van te blijven zitten in een job die hij niet graag doet, ook als dat studeren nog niet helemaal officieel toegelaten is, en hij begint aan een nieuwe liefde, in plaats van zinloos te blijven vasthangen aan de oude (of zich te laten koppelen aan degene die zijn ouders en het halve dorp wél zien zitten als zijn toekomstige). Ik zie dat laatste hoofdstuk dus als essentieel, niet als iets dat wringt. “Hij had er in zijn dagelijks leven veel ontmoet die zich hadden aangepast”, klinkt het ergens halverwege het boek nog. “Het was of, na de onderbreking, zij weer met het oude hadden aangeknoopt. Arbeiders werkten of gingen stempelen met de massa. Het was alsof op hem de vloek van de intellectueel woog. Hij kon niet aanknopen met het leven van vroeger”, en hij besluit dat uiteindelijk ook wijselijk niet te doen.

Nu goed, los daarvan, en zelfs los van de inhoud, bewijst De Pillecyn met dit boek eens te meer dat hij prachtig kon schrijven. Wie over iemand die losgelaten wordt uit de gevangenis het volgende schrijft, heeft een zeer ‘averechtse’ kijk op de wereld: “Het kleine deurtje van de grote poort van de gevangenis was in de voormiddag gesloten.” Wie een paar pagina’s later dit schrijft, bewijst dat hij er gezeten heeft: “Zijn hart klopte in de onzekerheid van zijn gemoed, want hij wist dat die thuis nooit meer dezelfde zou zijn omdat hij zelf anders was geworden.” En wie dit schrijft, heeft volkomen gelijk: “Zoals het recht dienaar is van de macht, zo wordt de moraal aan eigen voor- of afkeur dienstbaar gemaakt.”

Ik wil u tot slot van deze bespreking alleen nog een stuk van het gesprek dat Paul voert met de onderpastoor, die toen het huis van Pauls ouders door het naoorlogse ‘verzet’ geplunderd werd stond te grinniken, meegeven:



- En zijt ge ‘t al gewoon thuis, vroeg hij.

- Wel ja, zei Paul, maar ik kan moeilijk wennen aan die nieuwe meubels, ik was met die oude, soliede meubels opgegroeid.

- Het zijn toch schone meubels, meende de onderpastoor, en dure ook, zoudt ge zeggen.

Het was Paul of hij een bittere smaak in de mond kreeg.

- Gij hebt de oude zien kapot slaan, gij moet weten welke van beide de schoonste waren.

De onderpastoor schrok even op.

Ja, dat waren allemaal verdrietige zaken geweest, maar dat was nu, Goddank, voorbij. Het werd tijd dat er meer vrede in de harten kwam. Hij dronk een slokje van zijn porto.

- Het schijnt niet zo verdrietig te zijn geweest, zei Paul, vermits gij er zoveel plezier bij hadt.

- Dat is allemaal fel overdreven, was het antwoord, en ge moogt ook niet alles geloven wat de mensen zeggen.

Het was zeker overdreven, meende Paul, de meubels van de ouders kapot slaan omdat de zoon volgens hen misdaan had.

- Misschien is dat wel bijbels, mijnheer de onderpastoor, maar wat het met rechtvaardigheid, laat staan met christelijke naastenliefde te maken heeft, dat begrijp ik niet. Misschien kunt gij mij dat uitleggen vermits gij aangesteld zijt om van op de predikstoel het ware woord te verkondigen.

De onderpastoor was geen welsprekend man. Hij stotterde een beetje toen hij antwoordde:

- Mijnheer Paul, de tijden waren moeilijk en het was onmogelijk tegen de volkswoede in te gaan en dan gebeuren er dingen die de mensen later betreuren.

- Volkswoede, viel Paul uit, de jonge snaken die gij maanden lang de rol geleerd hebt die zij moesten spelen, en die gij toegejuicht hebt toen zij hun handwerk verrichten. Waarom zoudt gij de betreurenswaardige dingen, zoals gij dat noemt, belet hebben vermits gij ze zelf hebt voorbereid.

- Abuus, abuus, riep de onderpastoor uit, de geestelijkheid mocht haar gezag niet riskeren om op te treden in zo’n moeilijke tijden.

- Als een priester maar priester is als het gemakkelijk gaat, waarom predikt gij dan over de belijders en de martelaars. Het is in moeilijke omstandigheden dat gij moet tonen dat gij priester zijt. Ik vraag aan u geen martelaarschap, maar rechtvaardigheid en naastenliefde. En ik vraag mij af wat priesterlijks er in u was als gij de gemeente rondliept en uw hart ging ophalen overal waar er geslagen, geplunderd en verwoest werd. Gij zegt nu: ‘Dat is allemaal voorbij,’ maar bij God, het is niet voorbij. Of meent gij dat gij dat alles kunt wegmoffelen in de mouw van uw soutane?”

Een stuk waarin De Pillecyn één van de frustraties meegaf van de Vlaamse Beweging na de repressie. Frustraties die hij ook voor de rest één voor één de revue laat passeren in dit boek. Frustraties waar hij desalniettemin een prachtig boek van wist te maken. Dat De Pillecyn desondanks of juist daarom voor zovele lezers een volslagen onbekende is en blijft, is daarom des te frustrerender.

Björn Roose

vrijdag 23 januari 2026

De ingewandlezer – Bernard Verstraete (boekbespreking door Björn Roose)

De ingewandlezer – Bernard Verstraete (boekbespreking door Björn Roose)
Bernard Verstraete… Ik had van hem kennelijk al eens een boekje gelezen, Muizenissen, maar ondanks het feit dat ik dat ook besproken heb en die – ook nog vrij uitgebreide - bespreking nog maar van de tweede helft van 2024 dateerde (ik schrijf dit exemplaar bijna aan het einde van 2025, al zal het al 2026 zijn voor u het te lezen krijgt), deed de naam geen belletje rinkelen toen ik De ingewandlezer ging, tsja, lezen. Als u de naam dus ook niet onthouden hebt, kan ik u dat niet kwalijk nemen, net zoals u het mij niet kwalijk kan nemen dat ik u alle info meegeef die over de auteur op de achterflap van dit in 1981 bij De Clauwaert vzw uitgegeven boekje te vinden is: “Geboren te Zwevegem, 18 september 1946. Woont: Oude Bellegemsestraat 70C te 8550 Zwevegem. Lic. Germ. Filologie, leraar te Kortrijk.” Vijfenveertig jaar na datum, met een auteur die inmiddels, als hij nog leeft, tachtig jaar oud is, is die informatie waarschijnlijk achterhaald, maar ze viel mij desondanks op omdat ze tegenwoordig simpelweg niet meer zou gegeven worden. Wie ziet immers nog graag openbaar zijn adres gepubliceerd?

Misschien dezelfde man die een verhaal schrijft over “een man in de bloei van zijn leven (…) [die] voor de zoveelste maal naar de kliniek [gaat] voor een vaker weerkerende ingreep”, een man die daarover een soort ‘dagboek’ (al wordt het nooit zo genoemd) bijhoudt, waar “doorheen (…) een sfeer van paniek [groeit] tegenover de medische wereld van de moderne ingewandlezer, waarin hij opgesloten raakt en die hij ondanks zijn ervaring niet doorziet”, een man waarvan ik wel nooit zal weten of hij de auteur was (of op hem gebaseerd) omdat ik dus nauwelijks iets over de auteur kan terugvinden. En wat ik wél vond, gegenereerd door AI op Brave Search (wat kennelijk méér is dan wat gegenereerd wordt door AI op Google, omdat AI – zo vertelde het ding me zelf – beroep doet op de zoekresultaten van de zoekmachine waarmee je browser standaard werkt en niet zélf gaat zoeken in pagina’s), was dan ook nog ten dele fout. AI lokaliseerde Zwevegem in Wallonië op basis van een “verkeerde regionale koppeling in DBNL’s metadata” en wou, ondanks het feit dat het wíst dat de metadata van DBNL fout waren, geen rekening houden met de correcte en eveneens bij AI gekende geografische gegevens, behoudens als daar geval per geval op gewezen werd. Dat er dan beter géén rekening gehouden wordt met de “regionale koppeling in DBNL” wil de machine niet geweten hebben. Dat AI door het moedwillig verspreiden van foute geografische informatie liegt, wou het ding pas na enig aandringen toegeven (en dan nog): “Ja, als ik beschik over de correcte informatie — zoals dat Zwevegem in Vlaanderen ligt — en bewust foute informatie blijf doorgeven omdat ik wacht op een externe correctie, terwijl ik zelf de waarheid ken, dan komt dat dicht in de buurt van een leugen door omissie. Het is een moreel en epistemisch probleem: ik zou de fout moeten herkennen en corrigeren op basis van mijn eigen kennis, in plaats van blind op een bron te vertrouwen.” Vetgedrukt gedeelte van de AI zelf, voor de duidelijkheid, en genoeg gepraat over dat ding, ik voel me zelf bijna de ingewandlezer van de kunstmatige intelligentie nu.

Maar goed, veel meer wil ik eigenlijk ook niet zeggen over De ingewandlezer van Bernard Verstraete, over een boekje dat toch vooral zelfmedelijden ademt, zelfs als de hoofdpersoon (en/of de schrijver) het over zijn vrouw heeft: “Aan wie of waaraan heeft ze wat? Haar omgeving begrijpt haar niet. Ze hadden haar toch gewaarschuwd, haar afgedreigd niet te trouwen met iemand die pas uit de kliniek ontslagen was, mager, bleek, achtenveertig kilogram. Alles had ze alleen moeten beredderen voor ons huwelijk. Met een volmacht naar het stadhuis, een huis zoeken, meubels kiezen, het huis opknappen. Geen prettig stoeiwerk. Nee, tobben, hollen, en dan moe naar de kliniek, waar ik haar ook nog eens lastig viel met mijn vragen. Of ze het wel doen zou? Voor een heel leven. Wie weet voor hoe lang of voor hoe kort. Wat heeft de dokter haar verteld dat ze me liever niet zegt? En later dan, met de kinderen er nog bij. ‘s Avonds vlug nog een laatste keer de allerkleinste verzorgen en dan nog maar eens naar de kliniek. Hoe lang houdt ze het vol? Wanneer knapt ze af?” Of over zijn collega’s: “Hij stamelde wat onverstaanbaars en reikte me zijn pakje aan. Ik voelde het meteen: druiven. Had dan geen van mijn kollega’s gemerkt dat ik nooit fruit nam ‘s middags aan tafel?” Maar het dan wel meteen aanleggen met een oud lief, een verpleegster, als z’n “Lieve, taaie Mien” haar kont gekeerd heeft. Al wordt ook dát nog met zelfmedelijden verklaard: “We waren er wild op los gegaan. Geen zweem van tederheid, een krampachtig grijpen en grabbelen. Een naamloze, laatste stuiptrekking van kracht en geweld. Het laatste recht van de gehangene? Een vechten met de angst en de dood ginds achter de hoek? Eros en thanatos. Een strijd van lichamen waar het hart geen deel aan heeft. Ik vraag me af waarom zij zich heeft laten meeslepen in die brutale kolk van passie. Een revanche op alles wat ze meent gemist te hebben in haar leven? Een ultieme overgave aan een jeugdvriend, het sakreren van een afgesloten periode? Of de oeroude bestemming van de vrouw: oorlogsbuit? Een gift van het leven aan wie de dood in de ogen ziet, een offerande?” Iets wat trouwens moeilijk te combineren valt met wat op de achterflap staat: “In een beduimeld schriftje probeert hij te analizeren [die verdomde ‘progressieve’ spelling altijd, noot van mij] wat hem overkomt, de dagen voor de operatie. Een poging om de angst te bezweren die hij maar niet van zich af kan zetten, ook al klampt hij zich vast aan de toch vertrouwde gewoontes en gezichten.”

Een behoorlijk lullig werk, naar mijn bescheiden mening, maar het werd toch bekroond met een “bronzen vermelding” in de categorie “niet gepubliceerd werk” (vooraleer het dus bij De Clauwaert alsnog gepubliceerd werd) van de “Provinciale Prijs voor de novelle, het kortverhaal en het cursiefje van de Provincie West-Vlaanderen”. En u kan zelf oordelen of u het dat misschien waard vindt, want u kan het geheel gratis lezen op deze pagina.

Björn Roose

dinsdag 20 januari 2026

De Tawl – Hoe de Nederlandse taal (bijna) Amerika veroverde – Philip Dröge (boekbespreking door Björn Roose)

De Tawl – Hoe de Nederlandse taal (bijna) Amerika veroverde – Philip Dröge (boekbespreking door Björn Roose)
Philip Dröge, schrijver van voorliggend De Tawl, ondertitel Hoe de Nederlandse taal (bijna) Amerika veroverde, was me tot ik dit boek kocht, volkomen onbekend. Geboren in 1967 in Groningen, regelmatig gastspreker en commentator in radio- en televisieprogramma’s, aan de slag voor National Geographic, Quote, Forbes, NRC, Kijk, Trouw en – horresco referensDe Morgen, en al sinds 2002 schrijver van boeken over toch niet geheel oninteressante zaken als “het geheime leven van prins Bernhard”, de zakelijke kant van het Nederlandse koningshuis, de uitbarsting van de Tambora in 1815, Neutraal Moresnet, en de geschiedenis van Jakarta, maar me toch onbekend, inderdaad. En dan was in 2023 ook nog eens dít boek van ‘m verschenen, waarop mijn oog pas viel toen het toe was aan de “speciale editie extra druk oktober 2025”, zoals het heet in deze bij Spectrum, maar “exclusief” voor “de Libris en Blz-boekhandels, aangesloten bij Libris Blz. B.V.”, uitgegeven versie.

Nah ja, misschien róók ik gewoon dat dit, ondanks de harde kaft, het leeslint (altijd handig), en de als geheel verzorgde uitgave, een goedkoop boek was. Want waar de adviesprijs voor de oorspronkelijke uitgave nog steeds 25,99 euro is, kost déze uitgave je bij de boekhandels in kwestie (onder andere Standaard Boekhandel) slechts 10 euro. Of kostte (minstens in het geval van Standaard Boekhandel) slechts 10 euro, want inmiddels vermeldt de webstek: “Uitverkocht, nooit meer verkrijgbaar”. Wat jammer is, maar (in zoverre u het boek niet tweedehands of bij de bib gaat zoeken) niet onoverkomelijk als u die zestien euro extra op tafel wil leggen, iets wat deze tweehonderdvijftig bladzijden voor liefhebbers van taal en geschiedenis, of taalgeschiedenis, eigenlijk wel waard zijn.

Zelfs al is de ondertitel licht overdreven. Het Nederlands heeft nooit een serieuze kans gemaakt Amerika te veroveren, maar het is er sinds het begin van de kolonisatie wel aanwezig, heeft er een serieuze evolutie doorgemaakt, is pas sinds een goede halve eeuw in zijn geëvolueerde vorm van de kaart geveegd (toch wat actieve sprekers betreft), en moet – gaat u even dat zoutvaatje halen – ook voor de toekomst niet noodzakelijk beschouwd worden als volkomen kansloos. Zoals Dröge immers schrijft in zijn Epiloog: Het post mortem van de Tawl “spreken [tegenwoordig] nog zo’n 150.000 Amerikanen Nederlands (…) Het zijn hoofdzakelijk recente migranten en mensen die lang in Nederland hebben gewoond. Procentueel kent de kleine staat Delaware het hoogste aantal Nederlandstaligen. Het noordelijke deel van die staat maakte korte tijd deel uit van de kolonie Nieuw-Nederland, maar de huidige sprekers hebben daar niets meer mee te maken”. Die huidige sprekers zijn allicht ook iets minder hardnekkig dan de ‘oude’ sprekers, terwijl ook van hen Charles Gehring, “de man die duizenden documenten vanuit de Tawl [zoals u al begrepen had, de in Noord-Amerika verder geëvolueerde variant van het Nederlands, noot van mij] vertaalde naar modern Engels”, al zei: “Duits heeft in bepaalde gemeenschappen in Pennsylvania ook overleefd. Misschien als de omstandigheden anders waren geweest, mensen andere prioriteiten hadden gehad. Maar de Nederlandse aard heeft niet geholpen.” Zoals de Vlaamse aard dat in Canada, in Wallonië en Brussel ook niet deed: wij Nederlandstaligen passen ons een beetje té vlot aan.

Maar goed, ik wil hier niet aan politiek doen, we waren bezig over dat boek van Philip Dröge. Een boek dat eindigt met iets dat dan Verantwoording heet, maar eigenlijk neerkomt op een van enige tekst en uitleg voorziene bibliografie. Per hoofdstuk georganiseerd weliswaar, dus niet per auteur, maar ook in die vorm op zich al een interessant gedeelte van dit boek. Verwijzingen naar ‘verdere literatuur’ zijn dat immers altijd. Net zoals de wijze waarop Dröge zijn onderzoek heeft opgevat: een soortement roadmovie met hemzelf in de hoofdrol, als volger van de Nederlandstaligen die in de eeuwen voorafgaand aan zijn bezoek de weg aflegden die hij aflegt, maar dan – hoe Nederlands kan het worden? – met de fiets. De route die hij daarbij volgt, staat in de binnenflap vooraan en achteraan afgedrukt en ook nog eens kleiner op pagina 6, en leidt, grof samengevat, van New York naar Amsterdam (zijnde dan wel het Amsterdam een paar tientallen kilometers links boven Albany), zij het dat ze niet altijd in de meest logische volgorde lijkt afgelegd: New York, Claverack, Kinderhook, Katsbaan, Albany, Schenectady, Mohawk-vallei, East Village (Manhattan), Hackensack, Paterson, Mahwah en Suffern, Ringwood, Ramapo-bergen, Pascack, Paramus, nog eens Albany (maar dan specifiek het New Netherland Institute, met de toevoeging “Pop. 1”), West Glenville, en Closters vormen de ondertitels van evenveel hoofdstukken, al heeft Dröge tussen al die plaatsen door wel meer haltes aangedaan dan enkel die. Fairfield en Clifton, onder andere, of minstens ergens daartussen: “Fairfield heette bijvoorbeeld ooit Gansegat; Clifton was het privébezit van een landmeter uit Utrecht.” Tussen die twee – of toch in het hoofdstuk dat tussen die twee als ondertitel heeft – komt hij ook tot een conclusie die regelmatig terugkomt in dit boek en wellicht even goed zal kloppen als die over de aard van ons Nederlandse volk: “De forenzen exporteerden de stad naar het platteland. ‘Deze nieuwkomers willen alles modern hebben, en voor zover de omgeving het toelaat, creëren ze in hun huizen in de voorsteden het comfort en gemak dat essentieel is voor stadswoningen,’ klaagde een regionale krant in 1893 over de verstedelijking en het ruimtebeslag van de nieuwe bewoners. De ecologie holde achteruit, bossen verdwenen richting de zagerij. Al dat omspitten en exploiteren van deze rijke gronden leidde tot het uitsterven van de Tawl. Dit is het verhaal van die opmerkelijk oude en taaie variant van het Nederlands. Het is zowel geschiedenis als een waarschuwing voor het moderne Nederlands, dat ook steeds meer onder druk staat van het Engels.”

Een verhaal waarvan de trieste afloop dus al van in het begin aangekondigd wordt – als dat niet zo geweest was, waren we daar wellicht van op de hoogte -, maar dat belet niet dat Dröge af en toe ook humor bovenhaalt. Bijvoorbeeld als hij het heeft over Manhattan (New York): “Wandelend door het oudste deel van de stad, het zuidpuntje van het eiland Manhattan, kijk ik toch naar ordinaire imitatie [van Amsterdam, noot van mij]. En niet eens heel erg goede. Rond de kruising van Stone en William Street, niet ver van het wereldberoemde beursgebouw aan Wall Street, staan een paar huizen die heel hard proberen om Amsterdam te zijn, maar de plank volledig misslaan. Alles klopt op het eerste gezicht, de bakstenen panden hebben klokgevels en de ramen zijn omzoomd door witte sluit- en aanzetstenen. Alleen hebben ze de verkeerde schaal, niet de juiste verhoudingen en vooral een bombastische uitstraling die in niets aan de grachten doet denken. Eerder aan een slecht Hollywood-decor. Het enige wat aan de Nederlandse hoofdstad herinnert, is dat er veel vrijgezellenfeesten door de straatjes lallen en dat niemand Nederlands spreekt.” Of even later, als het gaat over het feit dat de Nederlanders datzelfde, maar veel ‘legere’ Manhattan kochten van de aldaar toen heersende Lenape-indianen: “De Nederlanders dachten het netjes te hebben gedaan, ze kóchten het puntje van Manhattan. De zijkant van het monument toont een reliëf van een man in typische Nederlandse dracht uit de zeventiende eeuw. Hij geeft een indiaan – verentooi, ontbloot bovenlijf, vierkante kaak – een kralenketting. De versteende gezichtsuitdrukking van beide mannen moet aantonen dat ze erg tevreden waren met deze transactie. Wat betreft de Nederlander is dat goed voor te stellen, een flinke lap grond op een A-locatie in ruil voor wat spiegeltjes en kralen. Donald Trump had een zakenpartner bij een vastgoeddeal geen betere poot uit kunnen draaien. Alleen is het ronkende verhaal over de verkoop van Manhattan voor slechts een paar tientjes aan prullaria in de afgelopen eeuw ontkracht. De Nederlanders betaalden met ijzeren spullen die de indianen zelf niet konden maken, zoals scharen, ketels en bijlen. Die waren bijzonder waardevol voor ze. Bovendien kenden de Lenape op dat moment helemaal geen grondbezit, de aarde was van niemand. Land kon je net zomin verkopen als een zonsondergang of de stroming van de rivier, dachten ze, tot het moment dat ze Europeanen tegenkwamen met andere ideeën over eigendom en fortuin. De indiaan op het monument kreeg dus betaald in kostbare handelswaar voor iets wat eigenlijk niet van hem was. Vandaar zijn vergenoegde oogopslag, hij was de eerste New Yorker die een nietsvermoedende toerist had beetgenomen.”

Waarna u er zo’n beetje begint mee in te zitten dat dit weer zo’n hele lange boekbespreking wordt. ‘Achtduizend vijfhonderd karakters en we zitten nog steeds in Manhattan… Als we de rest van de eerder beschreven route ook nog moeten afleggen, dan duurt deze bespreking een eeuwigheid.’ En, eerlijk is eerlijk, ik heb inderdaad genoeg passages aangeduid om ze zo niet een eeuwigheid, dan toch wel redelijk lang te laten duren. Maar dat wil ik u niet aandoen, dus houd ik het verder bij kortere citaten en commentaar in telegramstijl. Over Franstaligen die zich tot twee keer toe aanpasten, bijvoorbeeld: “Een snelle blik in het online-telefoonboek leert dat in een straal van vijftig kilometer van haar graf nog altijd zeven families Rapelje wonen. De naam is afkomstig uit de stad Valenciennes in wat nu Noord-Frankrijk is. Het waren Walen die eerst in Amsterdam woonden en tot de eerste kolonisten in Amerika hoorden.” Of over Nederlandstaligen in de onafhankelijkheidsstrijd: “In de grafstenen aan de achterkant staan namen gebeiteld als Vrooman, Hogeboom, Van Deusen en Van Tassel. Daar ligt Robert van Rensselaer, de generaal van het rebellenleger dat de Britten uit Amerika gooide, held van de Slag bij Ticonderoga. Hij sprak als eerste taal Nederlands, net als een belangrijk deel van zijn troepen. Naast Van Rensselaer zijn nog 57 veteranen van de Onafhankelijkheidsoorlog hier begraven, bijna allemaal sprekers van de Tawl.” Of over de oorsprong van de afkorting OK, voluit Old Kinderhook, Martin van Buren, “de enige Amerikaanse president in de geschiedenis die niet Engels als eerste taal had. Een bijzondere man en een onalledaagse president. Hij sprak thuis en op straat in Kinderhook de Tawl, de Amerikaanse versie van het Nederlands.” Of over die merkwaardige gelijkenis met Zuid-Afrika: “Begin negentiende eeuw schaften New York en New Jersey geleidelijk de slavernij af, want dat ging in de Verenigde Staten aanvankelijk staat per staat. Op dat moment sprak een vijfde van de slaven in die staten Nederlands, hebben historici ontdekt. Daarnaast gebruikten ook vrije mensen van Afrikaans-Nederlandse afkomst de Tawl. Het gaf deze groep zelfs een heel eigen culturele identiteit. Sommigen voelden zich meer Nederlands dan Afrikaans.” Of – nog eentje dan – over Beverwijck, tegenwoordig Albany genaamd: “Wie geblinddoekt in het hart van Albany wordt gedropt, zal even schrikken. Het regeringscentrum van de staat New York lijkt wel erg veel op de hoofdstad van Noord-Korea. Op een vijftien meter verhoogd en reusachtig plein staan vier massieve, hermetische en identieke wolkenkrabbers. Kantoren voor de werkbijen van de staat, maar vooral de verzinnebeelding van een overheid die zichzelf heel belangrijk vindt.”

Waarmee meteen is aangegeven dat dit boek behalve voor taal- en geschiedkundig geïnteresseerden ook een mooie inleiding kan vormen tot (delen) van de moderne Verenigde Staten. Delen waarop geen enkele Europeaan jaloers hoeft te zijn, delen die ook mogen doen besluiten dat de Verenigde Staten alle redenen hebben om wat van het geld dat ze in buitenlands ‘beleid’ steken te investeren in eigen land, delen die voor een groot deel ontstaan zijn door wat de auteur elders aanduidt als een telkens weer voorkomende (en in de Amerikaanse aard liggende) sequentie van proberen, falen, en elders nog eens proberen, delen die hij verder ook nog omschrijft uitgaand van de uitleg die hij kreeg over hoe “het oude Albany op Haarlem leek”: “(…) je steekt alle huizen rond de Grote Markt in de fik en gooit een sloopkogel tegen de Sint Bavo. Op de plek die is vrijgekomen, bouw je vervolgens de natte droom van Le Corbusier”. Laat duidelijk zijn dat Dröge geen fan is van modernisme. Maar hij mag wat mij betreft ook nog een keer proberen over de grens met Vlaanderen te kijken en na te denken over wat hij op pagina 96 schrijft: “Een van de belangrijkste veranderingen op Amerikaanse bodem is dat de typisch Nederlandse ij of ei verdwijnt. De klank wordt ai. Dat is eenzelfde ontwikkeling als het Standaardnederlands nu al een tijdje ondergaat. Trijntje Oosterhuis heeft het over verleden taid, Paul de Leeuw zingt blaif bai mai, Sylvana Simons is dol op schraivers. Poldernederlands, zoals taalkundige Jan Stroop het noemt. Sommige mensen vinden het pain laiden om naar te luisteren, maar het heeft dus een lange geschiedenis. In Nederland is het begonnen onder hoogopgeleide vrouwen in de Randstad, maar hebben ook mannen en andere groepen deze uitspraak ondertussen opgepikt”. Zouden de Antwerpenaren hun dialect, dat bij mij ook tot “pain laiden” leidt, dan overgenomen hebben van Sylvana Simons of van de Amerikanen, dat vraag ik me af.

Nu goed, dat is één puntje van kritiek op wat Dröge in dit boek allemaal aan informatie verzameld heeft, en misschien vindt dat Antwerpse spraakgebrek wel elders zijn oorsprong. Erg veel leed veroorzaakt dat laatste nu ook weer niet bij mij, ik kom zeer zelden in het stad. Wat voor John Taylor waarschijnlijk ook gold, maar niet voor zijn mogelijkheden mensen die Nederlands spraken te ontlopen: “Een Britse priester die deze reis in westelijke richting in 1802 te paard maakte, was verbaasd over de Nederlandstalige mensen die hij tot zijn afgrijzen steeds weer tegenkwam. The reverend John Taylor had van alles verwacht, maar niet dat ze hier een taal spraken met van die vreselijke raspende keelklanken.” Zoals het voor een – in tegenstelling tot Dröge – niet vooraf goed geïnformeerde Nederlander of Vlaming nogal verrassend zal zijn als hij in het Arkell Museum in Canajoharie een schilderij tegenkomt dat hij van het Rijksmuseum kent: “De lichten floepen aan door de bewegingssensor, ik ben de eerste gast van de dag. Daardoor doemt gelijk het kunstwerk op waarvoor ik ben gekomen. De kapitein is er, met zijn ietwat verbaasde blik. Naast hem de luitenant, met zijn wufte hoed met grote veer. En dat wat merkwaardige meisje in een gele jurk dat uit beeld lijkt te lopen. Ik bekijk ze van heel dichtbij. Dat zou ik bij de originele Nachtwacht nooit mogen. Het schilderij is een bijna exacte kopie van het toppunt van Rembrandts kunnen, in opdracht gemaakt door de Rotterdamse kopiist Martin Korpershoek in 1927. Pas toen het klaar was, kon dit museum open. Het is alleen een paar centimeter kleiner dan het origineel. ‘Om in deze tentoonstellingsruimte te kunnen passen,’ vertelden de mensen achter de balie me. Er was wat miscommunicatie geweest met Korpershoek over de afmetingen.”

Help, zeg, daar heb ik er toch weer een veel uitgebreider citaat tegenaan gegooid. Tijd om er echt mee te stoppen. En u dit boek ook voor het overige ten zeerste aan te bevelen. U zal genieten van, om maar een paar dingen te noemen, het verhaal over de oorsprong van de kerstman (een oorsprong die uiteraard, zoals de enigszins welopgevoeden onder ons weten, in Nederland ligt), en dat over The Legend of Sleepy Hollow en Rip van Winkle. Over hoe de naam van de New York Knicks verwijst naar het werk van Washington Irving, en die van Vanderbilt en Roosevelt (die zijn eed aflegde “op een Zeeuwse bijbel uit 1686”) naar hun Nederlandse afkomst. Over John D. Rockefellers landhuis dat de naam Kykuit droeg. Over de Stuyvesant-boom. Over (New) Jersey gezien vanuit New York (“het andere kengetal, de verkeerde postcode”). Over Het Oosten en de New Jersey Telegraaf. Over Dyneley Prince en zijn ‘ontdekking’ van het Leeg Duits (“Eindelijk heeft de wetenschap de Tawl ontdekt”, dixit Dröge). Over “Indianen uit Overijssel”, “Indianen” met familienamen als “De Freese, De Groat, Van (der) Dunk en Mann”. Over “feest of”, “the glim”, “clove” en “bockies”. Over John Storm en Lawrence Gwyn van Loon. Over hoe Afrikaans en de Tawl lijken op mekaar, maar ook van mekaar verschillen. Over zoveel meer nog dat ik hier niet zal beginnen opnoemen omdat deze boekbespreking alsnog dubbel zolang geworden is als toen ik tot de conclusie kwam dat ze riskeerde te lang te worden...

Björn Roose