maandag 13 april 2026

Cosmetica van de vijand – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)

Cosmetica van de vijand – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)
Amélie Nothomb houdt er al sinds haar eerste boek, Hygiène de l’assassin (1992), in het Nederlands vertaald als Hygiëne van de moordenaar (1995), een dusdanig verschroeiend tempo op na wat haar publicaties betreft, dat het voor iemand als ik, die de meeste van zijn boeken tweedehands koopt, quasi onmogelijk wordt álles, of zelfs maar het meeste, van de auteur in huis te hebben. Als u weet dat ik, voorliggend Cosmetica van de vijand inbegrepen, op dit moment zeventien boeken van haar in mijn kast heb staan, maar dat ze er sinds 1992 ook ieder jaar minstens één gepubliceerd heeft, dan weet u ook dat ik best nog wat van Nothombs werk te verzamelen heb (en naar alle waarschijnlijkheid nog even te verzamelen zál hebben).

Desalniettemin, en dat gezegd zijnde, ben ik bij deze toch al aan mijn zevende bespreking van een van haar werken toe: De hongerheldin, Zwavelzuur, Met angst en beven, Peplos, De spiegel van Mercurius, en Antichrista gingen Cosmetica van de vijand vooraf. En weerom kan ik alleen maar vaststellen dat Nothomb er telkens weer in slaagt met iets ánders uit de hoek te komen. Geen herkauwen van wat ze eerder heeft gedaan, geen doorslagjes, geen variaties op een thema, maar telkens iets nieuws, iets origineels, iets waarvan je het spijtig vindt dat het uit is. Wat ook met dit een kleine honderd bladzijden tellende Cosmetica van de vijand weer veel te snel gebeurd was. De clou van het verhaal geef ik u natuurlijk niet mee, maar gezien u de achterflap toch zou lezen bij aankoop van het boek, krijgt u dié wel van me: “De zenuwen van zakenman Jérôme Angust waren al tot het uiterste gespannen toen hij in de vertrekhal van de luchthaven geconfronteerd werd met een aanzienlijke vertraging van zijn vliegtuig. Tot overmaat van ramp klampt een buitengewoon opdringerige medereiziger zich aan hem vast. Geen enkel argument van Jérôme, geen enkele woedeaanval of bedreiging kunnen de ongewenste indringer ervan afbrengen zijn levensverhaal tot in het kleinste detail uit de doeken te doen aan onze vermoeide protagonist. Dit walgelijke levensverhaal, dat begint met een onwaarschijnlijke verkrachting op een kerkhof en dat eindigt met een moord, wordt met een satanisch genoegen en een grote welsprekendheid verteld als was het een benijdenswaardig avontuur. Later blijkt dat het slachtoffer van de duivelse moord niemand minder was dan de teerbeminde echtgenote van Jérôme. Dan neemt de roman een verrassende wending. De vertelling van Textor Texel [“een heel gewoon patroniem, dat mijn Nederlandse origine verraadt”, aldus de eigenaar van de familienaam, noot van mij], zo heet de kwelgeest, fungeert als een eindeloze spiegel waarin het leven van Jérôme weerkaatst wordt, totdat de hallucinante waarheid tot hem doordringt en hij beseft dat zijn leven gevaar loopt. Een moderne parabel over waarheid en leugen, hypocrisie en geweten.”

Een uitleg die u met een korrel zout moet nemen, die af en toe wat kort door de bocht gaat (onder andere wat het begin van het levensverhaal van Textor Texel betreft), maar die nog net niet over het randje zit van té veel vertellen. Iets wat ik óók niet doe als ik u nog meegeef welke uitleg genoemde Texel geeft aan de in de titel genoemde cosmetica: “(…) de wetenschap van de universele orde, de hoogste moraal die de wereld regeert”. Iets wat niet de hele titel verklaart, maar als ik de hele titel zou verklaren, dan zou dat ook betekenen dat ik de clou van het verhaal (waarmee Texel overigens pas twintig bladzijden voor het einde op de proppen komt) weggaf, en dat is uiteraard niet de bedoeling.

De clou weggeven is iets wat al evenmin gebeurt als ik u zeg dat Nothomb zich bediend heeft van wat dichterlijke vrijheid als ze de ‘kwelgeest’ laat zeggen dat Textor “een van de vele voornamen van Goethe was”. Textor was namelijk de familienaam van diens moeder, Catharina Elisabeth Textor. Een detail zoals één moord dat wordt als je er honderden gepleegd hebt: “Alleen de eerste dode telt. Dat is de moeilijkheid met de schuldgevoelens van een moordenaar: het kan niet meer erger worden. Aan de moord op honderd mensen wordt even zwaar getild als aan de moord op één enkele. Dus als je er één hebt vermoord, kun je er evengoed meteen honderd ombrengen”. Wat dan weer een variant is op de vaak aan Stalin toegeschreven uitspraak (dit is dus geen citaat, voor wie dat zou willen gaan opzoeken, nog los van het feit dat ik me niet bedien van artificial intelligence voor het schrijven van mijn boekbesprekingen) dat “de dood van één man (…) een tragedie [is], de dood van een miljoen (…) een statistiek”.

Een theorie als een ander, zou ik zeggen, bijvoorbeeld als het jansenisme (of ‘jansénisme’, zoals de beweging in het Frans heette, zelfs al werd ze dan genoemd naar de Leuvense bisschop Cornelius Jansen), iets waar Texel regelmatig op terugkomt, zonder er evenwel grote theologische redeneringen aan op te hangen (net zomin als hij dat doet als hij, bijvoorbeeld, Max Stirner en diens De enige en zijn eigendom noemt). Ik zal dat dus óók niet doen, grote theologische redeneringen verkopen, maar weten dat de jansenisten van oordeel waren dat hun tegenstanders, de jezuïeten, veel te veel belang hechtten aan de menselijke vrijheid, terwijl ze zelf van oordeel waren dat de mens na de verdrijving uit de tuin van Eden geen invloed meer kon uitoefenen op zijn eigen verlossing, kan in het kader van dit verhaal nuttig zijn. Onder andere om het standpunt van Texel over een aantal van de fenomenen in zijn leven te begrijpen. “U wordt verteerd door schuldgevoelens omdat u het voer van de katten opeet, maar over een verkrachting hebt u in het geheel geen berouw?”, vraagt Jérôme hem op zeker moment, waarop Texel antwoordt: “Die verkrachting vond ik namelijk lekker, iets wat ik van het kattenvoer niet kon zeggen.”

Een uitspraak die zelfs als er niet ergens een theologische uitleg voor zou zijn (en er is, voor wie maar ver genoeg zoekt, voor zo ongeveer álles wel een theologische uitleg te vinden) natuurlijk nog steeds gewoon grappig is. Zoals volgende passage, deel van een stuk waarin Texel vertelt over al de jaren dat hij na de verkrachting op het kerkhof zijn toenmalige slachtoffer probeerde terug te vinden: “‘Tien jaar geleden, dat wil zeggen tien jaar na de verkrachting, liep ik in het tiende arrondissement van een overheerlijke hotdog te genieten. En wat zag mijn oog, op de boulevard de Ménilmontant? Mijn slachtoffer! Zij was het, zonder enige twijfel. Ik zou haar uit vier miljard anderen hebben herkend. Seksueel geweld schept nu eenmaal een band. In die tien jaar was ze alleen maar mooier, slanker en aangrijpender geworden. Ik ging haar achterna. Kunt u geloven hoe erg het is als je net een warme worst die druipt van de mosterd aan het verschalken bent, wanneer je na een tien jaar durende tocht door de woestijn de vrouw van je leven terugziet? Ik verslikte me voortdurend onder het lopen.’ ‘U had uw snack weg moeten gooien.’ ‘Bent u niet wijs? Ik kan wel merken dat u de hotdogs van de boulevard de Ménilmontant niet kent: die gooi je niet weg. Als ik dat had gedaan, zou ik het mijn aanbedene kwalijk hebben genomen, wat een smet op mijn liefde zou hebben geworpen. Onwillekeurig zou ik haar het verlies van mijn worst hebben aangerekend.’”

Zelfs zonder de ontegenzeggelijke dubbelzinnigheid daarvan zou dat nog enorm grappig zijn. Net zoals de rest van het verhaal eigenlijk, waarmee Amélie Nothomb (nog maar een keer) bewijst dat je zelfs “een moderne parabel over waarheid en leugen, hypocrisie en geweten”, een ernstig verhaal dus, met een portie humor op smaak kan brengen.

Björn Roose

vrijdag 10 april 2026

Zout, suiker, vet – Hoe de voedselindustrie ons in zijn greep houdt – Michael Moss (boekbespreking door Björn Roose)

Zout, suiker, vet – Hoe de voedselindustrie ons in zijn greep houdt – Michael Moss (boekbespreking door Björn Roose)
Sporten (of meer sporten), letten op alles wat je eet, iedereen die wel eens ‘aan de lijn’ gegaan is, weet dat die twee activiteiten de basis zijn van elke kans om enig overgewicht te verliezen. Maar wie graag leest, kan er daar nog eentje aan toevoegen: lezen. Kookboeken? Nee, niet echt. Boeken over de praktijken van de voedselindustrie zijn al zinniger. Boeken als Zout, suiker, vet, ondertitel Hoe de voedselindustrie ons in zijn greep houdt, van Michael Moss, bijvoorbeeld. Niet dat ik dat in 2013 in Nederlandse vertaling bij Uitgeverij Carrera verschenen boek (zo’n driehonderdvijftig bladzijden, euh, dik) speciaal met dat doel in huis gehaald hebt, maar wie het leest, zal in ieder geval weten dat het niet aan hem ligt dat hij zo moeilijk van al die lekkere dingen kan afblijven én waarom ze zo’n absolute ramp zijn voor ‘de lijn’ plus een hele hoop minder direct zichtbare aspecten van zijn gezondheid. En, niet onbelangrijk, hij zal ook weten dat de voedselindustrie zich daarvan bewust is, maar tegelijkertijd niet zo heel veel keuze heeft, al ligt dat laatste dan niet per se aan wat ook al op de achterflap aangehaald wordt: “Zij weerleggen de kritiek met het argument dat de consument de keuze maakt en zij enkel de markt bedienen.”

Iedere economist (die naam enigszins waardig) weet namelijk dat bedrijven (dito) markten creëren en niet zitten te wachten tot er eentje ontstaat. Als u dus in de supermarkt de keuze heeft tussen honderden soorten koekjes, dito hoeveelheden snoep, massa’s ‘verschillende’ pizza’s, hele rekken vol chips en andere zoutjes, diepvriesmaaltijden, bergen kaas, en – om het rijtje érgens mee af te sluiten – belachelijk veel soorten frisdrank, dan is dat niet omdat u daarnaar gevraagd heeft, maar omdat producenten en marketeers (marketing is, zoals de auteur terecht aangeeft, “zeker zo belangrijk” als de rommel die er in gedraaid wordt om eten en drinken te verkopen) ruimte gezien hebben om die, zoals dat heet, ‘in de markt te zetten’. “Hoe de voedselindustrie ons in zijn greep houdt”, is daarom ook een perfecte ondertitel voor dit werk van Michael Moss over wat ook Big Food genoemd wordt (naar analogie met Big Pharma), een werk dat hem naar eigen zeggen “drieënhalf jaar van rondsnuffelen in de werkwijze van de voedingsindustrie gekost [heeft]”, al had er als tweede ondertitel ook nog aan mogen toegevoegd worden: “Hoe de voedselindustrie zichzelf in zijn greep houdt”: “Het cruciaalst is natuurlijk wel de enorme afhankelijkheid van de industrie van zout, suiker en vet. Bijna iedereen van de honderden mensen die ik heb geïnterviewd in de tijd dat ik dit boek schreef – scheikundigen, voedingsdeskundigen, gedragsbiologen, directeuren, lobbyisten – wees me erop dat bedrijven deze drie ingrediënten niet zonder slag of stoot zullen opgeven, op welke manier dan ook. Zout, suiker en vet vormen het fundament van bewerkte voeding. Dé vraag die voedingsbedrijven zich steeds stellen bij het bepalen van de samenstelling van hun producten is hoeveel ze van elk van de drie nodig hebben voor maximale aantrekkelijkheid.” En niet óf ze ze nodig hebben, want het antwoord op die vraag is sowieso ‘ja’. Haal zelfs maar een paar procent van het vet, de suiker en het zout – vaak in combinatie met mekaar te vinden – uit ‘processed food’ en het valt niet meer te vreten (“Helemaal zonder zout verloren de crackers echter hun betovering. Ze voelden aan als stro, kauwden als karton en hadden geen smaak. Hetzelfde gebeurde met de soep, het vlees en het brood dat andere fabrikanten, onder meer Campbell, voor mij probeerden te maken”), als het al niet simpelweg uit mekaar valt, direct wak wordt, of simpelweg niet kan gemaakt worden. Dat zijn, behalve de effecten ervan op de consumenten (die, daar onder andere door de producten zelf toe aangezet worden, méér moeten gaan vreten, niet minder), inderdaad ook de feiten die naar voor komen uit dit boek, en het zijn diezelfde feiten die er voor zorgen dat een dieet voornamelijk bestaat uit het weglaten van datzelfde ‘processed food’ ofte bewerkt voedsel. Je hebt het pas door als je het door hebt, heet het dan met een boutade, maar je kan het behalve proefondervindelijk dus ook leren, onder andere aan de hand van beschrijving en resultaten van proeven (bijvoorbeeld inzake de honger die je krijgt door marihuanagebruik), uit Zout, suiker, vet. Een boek dat overigens begint met de beschrijving van één van de pogingen die in de voedselindustrie ondernomen zijn om iets te doen aan het gebruik van die drie ingrediënten, in de zin van dat te verminderen (want er is meer dan genoeg gedaan om het te vermeerderen), een poging die haast meteen opgegeven wordt omdat een van de belangrijke spelers niet meedoet en de anderen er, wellicht niet onterecht, van uitgaan dat zij, als ze die poging wel door zetten, concurrentieel verlies gaan lijden ten opzichte van die speler. Wie weet dat het dan om spelers gaat als Kraft, Nabisco, General Mills, Procter & Gamble, Coca-Cola, Mars (of naderhand en tijdelijk Philip Morris, dat op zeker moment tien procent van alle Amerikaanse bestedingen aan ‘levensmiddelenbedrijven’ binnenhaalde, maar waar intern ook een strijd woedde om het gehalte aan vet, vlees en zout naar beneden te halen vanwege de verwachting dat die vroeg of laat voor net zoveel controverse zouden gaan zorgen als… nicotine) en toeleveranciers als Cargill en Tate & Lyle, die weet ook dat dat verlies dan al snel miljarden euro’s bedraagt. Nog los van het feit dat je rommel dan ook effectief als dusdanig zal gepercipieerd worden, kan zo’n vooruitzicht nauwelijks een incentive genoemd worden om je leven, laat staan dat van anderen, te verbeteren. Anderen waarmee je je qua levensstijl nauwelijks verbonden voelt al helemaal niet: “Ter verduidelijking kregen ze te horen hoe ze obesitas konden berekenen met behulp van de body mass index, een eenvoudige verhouding tussen lengte en gewicht, en kregen ze enkele momenten om hun eigen BMI te bepalen met de formule die op het scherm verscheen. (Bij dit onderdeel hoefden de meeste mannen in de zaal zich geen zorgen te maken. Ze hadden een personal trainer, waren lid van een sportschool en hadden voldoende voedingskundig benul om voedsel te mijden dat rijk was aan de voedingsmiddelen die ze vervaardigden.)”

Een heel boek over zout, suiker en vet? Dat nu ook weer niet. Marketing is, zoals al gezegd, het vierde belangrijke ingrediënt in de voedselindustrie (er wordt dan ook minstens twee keer zoveel geld in geïnvesteerd als in de ingrediënten die ín de producten gaan), en daarover leer je ook wel wat onder weg van het begin naar het einde van dit werk. Wist u bijvoorbeeld dat lijnextensies, dat wil zeggen de uitbreiding van een product in horizontale richting, van pakweg Coca-Colaclassic’ naar de ‘light’ versie naar de ‘caffeine-free’ naar ‘cherry’, ‘lemon’, ‘vanilla’, enzovoort, enzoverder, als hoofddoel heeft “meer ruimte op het schap [te] bemachtigen”?: “Winkelmanagers zullen” immers “slechts een bepaalde ruimte aan een afzonderlijk product geven, ongeacht de verkoopcijfers. De toevoeging van nieuwe smaken en kleuren creëert nieuwe producten die hun eigen ruimte krijgen, en hoe groter de kans is dat winkelbezoekers een merk zien, hoe groter de kans is dat ze dat kopen.” Of wist u dat de voedselindustrie er – minstens in de Verenigde Staten, waarop dit boek wel enigszins geconcentreerd is, wat dan weer geen hinderpaal hoeft te zijn om het te lezen, want wat ze daar nu al doen, doen we binnen een jaar of tien ook hier – massa’s tijd en middelen tegen aan gesmeten heeft om cursussen huishoudkunde te kapen voor het uitdragen van de ‘convenience’-boodschap, het idee dat ‘ease’ het allerbelangrijkste is, en de mensen die ze gaven te doen ophouden met het verkondigen van boodschappen genre ‘Koop als dusdanig herkenbare voeding’? Of wist u dat niets verhindert dat bedrijven totaal uiteenlopende tactieken gebruiken op verschillende ‘nationale’ markten: bijvoorbeeld in de Verenigde Staten frisdranken in alsmaar grotere flessen verkopen en ondertussen kinderen in Brazilië aan het spul krijgen door het te verkopen in flesjes van twintig centiliter? Of dat het gewoon een verkoopstrategie van Coca-Cola was om McDonald’s zogenaamde menu’s inclusief hún frisdrank te laten aanbieden, een strategie die geenszins schijnt te vloeken met een dominante aanwezigheid op allerlei sportevenementen, of – om er iets aan toe te voegen dat niet uit dit boek komt – natuurverenigingen te sponsoren voor het aanleggen van waterrijke gebieden?

En als we het dan toch over weten en weetjes hebben: “John Harvey Kellogg had één ding voor ogen toen hij zijn uitgestrekte gezondheidscomplex eind negentiende eeuw op de prairie van Michigan inrichtte. Hij wilde mensen genezen van wat een waarnemer ‘americanitis’ had genoemd – de opgeblazen, gasachtige maagpijn die werd veroorzaakt door de kwaal die ook wel bekendstond als dyspepsie. Het hele land scheen eraan te lijden, voor een groot deel door wat mensen aten als ontbijt. Negentiende-eeuwse Amerikanen begonnen de ochtend doorgaans met worstjes, biefstuk, bacon en gebakken ham, waaraan ze in de loop van de dag zout varkensvlees en whisky toevoegden. Vet was in feite de nationale smaakmaker geworden. John Harvey Kellogg had, als student geneeskunde aan het New Yorkse Bellevue Hospital Medical College, van dichtbij gezien wat dit eetpatroon betekende voor de gezondheid van Amerika. Verontrust door de indigestie die hij overal zag, ging hij ten slotte ijlings terug naar zijn geboortestad Michigan, waar hij besloot dat Amerika – behalve de zoveelste dokter – iemand nodig had die betere voeding propageerde.” Betere voeding bestaande uit “pap van tarwegluten, havermoutcrackers, volkorenbroodjes en een thee die van een Zuid-Afrikaanse grassoort was gemaakt”. Dat alles zonder zout en suiker en met een minimum aan vet. Tot de dag dat z’n jongere broer van z’n afwezigheid gebruik maakte om met een bak suiker te experimenteren, wat “de sanatoriumpatiënten pas écht lekker” vonden en leidde tot het uit mekaar gaan van de twee broers en de geboorte van “het zoete ontbijt (…), evenals een basisstrategie van de industrie die levensmiddelentechnologen voortaan altijd zouden hanteren. Telkens wanneer men zich zorgen begon te maken over de gezondheid van een van hun fundamentele ingrediënten – zout, suiker of vet – kozen de voedingsfabrikanten voor de eenvoudigste oplossing: wissel het problematische bestanddeel om voor een ander dat op dat moment niet zo hoog op de ranglijst van zorgen staat.”

Om maar te zeggen dat de weg naar de hel, ook die van een ander, met goede voornemens geplaveid wordt. Of met dikke, vette oplichting natuurlijk, bijvoorbeeld die van Kool-Aid van Philip Morris: “(…) het echt geniale van hun marketingplan school in een vernuftigheid die zowel kinderen als moeders zou aanspreken. De dranken waren grotendeels gemaakt van suiker, kunstmatige smaakstoffen en conserveringsmiddelen. Aan elk plastic flesje voegde het bedrijf echter een scheutje echt vruchtensap toe. Het ging om nauwelijks een halve theelepel sap, slechts 5 procent van de hele samenstelling, zo onthullen bedrijfsdocumenten, maar de Kool-Aid-managers wisten al dat zelfs een snufje fruit zijn gewicht vele malen in marketinggoud waard was.” Maar goed, “vruchtensapconcentraat” had natuurlijk ook gekund: dat “wordt gemaakt in een sterk variërend industrieel proces, waarbij meestal de volgende stappen komen kijken: de vruchten schillen, waarmee veel van de heilzame vezels en vitaminen worden verwijderd; het sap onttrekken aan het vruchtvlees, dat nog meer van de vezel verliest; verwijdering van de bittere bestanddelen; afstelling van de zoetheid door het combineren van variëteiten; en het water laten verdampen uit het sap. In het extreme geval resulteert het proces in wat in de industrie bekendstaat als ‘diksap’, dat eigenlijk pure suiker is, bijna helemaal ontdaan van de vezel, smaken, aroma’s of welke andere eigenschappen ook die wij associëren met echt fruit. Het concentraat wordt, met andere woorden, gereduceerd tot de zoveelste vorm van suiker, zonder voedingsvoordeel boven dat van tafelsuiker of fructoserijke maïssiroop. Zijn waarde schuilt eerder in het gezonde imago van fruit dat het behoudt. Een bedrijf als General Foods kan deze substantie gebruiken en toch de troostende woorden ‘Bevat echt fruit’ op het pak zetten.”

Als daar ander bedrog zou aan te pas komen dan zelfbedrog, de basis van de meeste vormen van oplichting, dan zou dat trouwens nauwelijks bestreden kunnen worden: “De belangen van de consument worden behartigd door het Center for Nutrition Policy and Promotion. Dat het centrum laag in de pikorde staat, blijkt niet alleen uit het feit dat het niet in het hoofdkwartier van het ministerie van Landbouw is gevestigd, maar ook uit het bedrag dat het mag besteden aan de zoektocht naar gezonder eten. Het budget is een armzalige 6,5 miljoen dollar per jaar, wat neerkomt op 0,0045 procent van de totale uitgaven (146 miljard dollar) van het ministerie. Gegeven deze beperking steekt het centrum veel energie in één bescheiden project: het opstellen en verspreiden van een officiële handleiding voor gezonder eten.”

En dan hebben we het nog niet eens over vet gehad. Voor suiker bestaat er een ‘blisspoint’, het punt waarop de hoeveelheid suiker zogenaamd ‘perfect’ is en waarna nog meer toevoegen in eerste instantie niet meer helpt (om te verkopen) en in tweede instantie misschien consumenten wegjaagt, maar voor vet bestaat dat niet eens: “Als er al een breekpunt was, lag dat ergens na moddervette room”. En dan nog: “Drewnowski ontdekte dat de proefpersonen de vetste room nog lekkerder vonden als hij er een beetje suiker aan toevoegde. Iets in deze combinatie bleek een krachtige wisselwerking op gang te brengen. Vet en suiker verhogen elkaars aantrekkelijkheid. (…) En er was nog iets merkwaardigs: als er aan de vettere mengsels suiker werd toegevoegd, dachten de studenten dat de hoeveelheid vet was verláágd. Het vet had zich dus ‘verstopt’. Dit betekende dat voedselfabrikanten vet in hun producten konden stoppen zonder zich zorgen te hoeven maken over een mogelijke negatieve reactie van het menselijk brein. Ze gaan dan ook onbekommerd hun gang. Veel soepen, koekjes, chips, cakes, taarten en diepvriesmaaltijden leveren minstens de helft van hun calorische waarde door het vetaandeel, en toch herkennen consumenten ze niet als vette voedingswaren, wat ideaal is voor de omzet. Om de indruk dat deze producten vet zijn helemaal weg te nemen, hoeven de producenten er alleen maar wat suiker in te doen.” Waarna je binnen de kortste keren bij, pakweg, chocolade- en andere zoete kaassoorten bent (eigenlijk een hoop vet met een smaakje), en andere manieren om de vetberg om te zetten in ‘voedsel’, genre het in soep kappen van roomkaas, een ideetje van – als ik dat goed genoteerd heb – de marketeers van… Philadelphia.

Wat nog niet wil zeggen dat magerder per se beter, gezonder, laat staan natuurlijker is: “Een van de succesvolste methoden om mager rundvlees aan de man te brengen zou tevens de controversieelste worden. Er kwam geen mes aan te pas om randjes vet af te snijden. En ook geen naalden of pekel om het vlees malser te maken. Het ging met ammonia. Met dit goedje werd de magerste, de goedkoopste en de meest gegeten hamburger gemaakt. Deze materie, ook wel bekend als ‘roze slijm’, maar door het ministerie van Landbouw liever ‘mager rundvlees met een verfijnde structuur’ genoemd, wordt gecreëerd door stukken vlees van de vetste delen van de koe te nemen, met soms wel 70 procent vet, waarvan vroeger talk of honden- of kattenvoer werd gemaakt. Vervolgens wordt dit spul in een centrifuge gestopt die het meeste vet eruit slingert. Wat overblijft, is een brij, waaruit al het vet is gehaald, op 10 procent na. De vleesbrij gaat vervolgens in bevroren blokken van 13,5 kilo per stuk naar vleesfabrieken, waar er afsnijdsels van rundvlees aan worden toegevoegd om er hamburgers van te bakken. Ontvet rundvlees werd om een andere reden populair bij de bedrijven die hamburgers maken: het was 15 procent goedkoper dan het van nature magere vlees uit Zuid-Amerika, waar de veefokkers hun runderen gras laten eten en hun dieren dus niet voeden met het in Noord-Amerika gebruikelijke veevoer op maïsbasis, waar het vlees vetter van wordt. Er kon flink wat bespaard worden, wat niet alleen belangrijk was voor de winkeliers en voor restaurantketens als McDonald’s, die hamburgers van ontvet rundvlees kochten.”

Of daar zout in zit, in die “hamburgers van ontvet rundvlees”, zou ik niet weten, maar daarover moeten we het toch ook nog even hebben. Of toch over natrium: “Het probleem was niet zout op zich. Het probleem was natrium, een chemisch element in zout. Om de zaak nog ingewikkelder te maken, legden gezondheidsfunctionarissen uit: zelfs natrium was niet alleen maar slecht. Een klein beetje in onze voeding was noodzakelijk voor een goede gezondheid. Het probleem was dat Amerikanen zoveel zout aten dat ze tien, soms zelfs twintig keer de voor het lichaam benodigde hoeveelheid natrium binnenkregen. Dit was veel meer dan het lichaam aankon. In grote hoeveelheden onttrekt natrium vloeistoffen aan de lichaamsweefsels en brengt ze in het bloed, waardoor het bloedvolume toeneemt en het hart krachtiger moet pompen. Het resultaat: hoge bloeddruk.” Waarbij u rustig dat “Amerikanen” mag vergeten, trouwens: “Mensen houden niet gewoon van zout, ze hunkeren naar hartig eten. Afhankelijk van iemands standpunt is de supermarkt een goudmijn – of een mijnenveld – van zoute etenswaren. Om alles in het juiste perspectief te zien: de dagelijks aanbevolen hoeveelheid zout is volgens de Amerikaanse federale overheid 2300 milligram. In 2010 werd deze hoeveelheid voor mensen die gevoelig zijn voor de gevolgen van zout verlaagd: voor mensen van boven de vijftig, zwarten van alle leeftijden, suikerpatiënten, mensen met een hoge bloeddruk of een chronische nieraandoening. Hun werd dringend aangeraden dagelijks niet meer dan 1500 milligram, dus minder dan een theelepel te gebruiken. Als je deze cijfers kent, is het niet moeilijk te begrijpen waarom de meesten van ons veel meer natrium binnenkrijgen dan we zouden moeten. Tienerjongens en mannen consumeren gemiddeld zelfs twee keer zoveel. De ingrediëntenvermeldingen op de verpakkingen spreken voor zich. En natuurvoeding eten helpt niet bij zout: zelfs de fabrikanten daarvan voegen flink wat zou toe.” Als in die ingrediëntenlijst kijken al helpt: “In de ingrediëntenvermelding [van een diepvriesmaaltijd, noot van mij] kwam zout in negen verschillende gedaanten voor, meer dan enig ander ingrediënt. In het lijstje was een onderverdeling gemaakt van de verschillende bestanddelen. Zout verscheen niet alleen onder vlees, jus, vulling en aardappels, maar was ook het belangrijkste bestanddeel van iets met de naam ‘kalkoensmaak’ en stond hoog in het lijstje onder ‘aardappelsmaak’. Al met al zat er bijna 5400 milligram zout in deze magnetronmaaltijd, en dat is meer dan mensen in twee dagen zouden mogen eten.” Voor wie niets met diepvriesmaaltijden heeft: ik heb hier tijdens het schrijven van deze boekbespreking eens gekeken hoeveel zout er in de bouillonblokjes zit waarvan ik er – zoals aanbevolen op de doos – één per halve liter soep gebruik: bijna zes gram. Ofte 6000 milligram. En ik drink toch effectief zo’n halve liter soep per dag. Voor mij alvast reden genoeg om in eerste instantie het gebruik van dat spul – de bouillonblokjes, niet de soep – te reduceren, en in tweede instantie op zoek te gaan naar vervangingen zónder zout. Terwijl ik toch dacht gezond bezig te zijn. En vond dat mijn soep goed smaakte. Wat ook op meer dan één manier kan verklaard worden door zout: “Tot slot proefden we een groentesoep met rundvlees waarin het natriumgehalte was verlaagd en waarin het gebruik van specerijen niet was aangepast. De soep smaakte niet alleen flauw, hij was ronduit vies. De smaak schommelde tussen bitter en metalig. Deze ongewenste bijsmaken, in de voedingsindustrie ook wel ‘valse noten’ genoemd, zaten waarschijnlijk ook altijd in de gewone soep, maar daarin werden ze verbloemd door zout.” Maar goed, ik zou ook chips kunnen eten op elk moment van de dag, natuurlijk: “Tot slot – en dat is misschien nog wel het belangrijkst – adviseerde Dichter [een adviesbureau, noot van mij] Frito-Lay [onderdeel van PepsiCo en bij ons onder andere bekend van Cheetos, Doritos en Lay’s, noot van mij] zijn chips uit de sfeer van het tussendoortje te halen en ze in plaats daarvan tot een bestanddeel van het Amerikaanse menu te maken. ‘Het toegenomen gebruik van chips en andere snacks van Frito-Lay als onderdeel van restaurant- en lunchroomkost zou sterk moeten worden aangemoedigd,’ zei Dichter, waarbij hij een reeks voorbeelden opnoemde: ‘Chips als voorgerecht met soep, fruit of groentesap; chips als groente bij het hoofdgerecht; chips met salade; chips met eiergerechten bij het ontbijt; chips bij sandwiches.’”

A dream come true, zo blijkt, wat in de zin dat nachtmerries óók dromen zijn ook geldt voor de voedselindustrie en wat we ‘dankzij’ die voedselindustrie allemaal in ons lijf proppen. Zout, suiker, vet is niet echt een, wat dan heet, eye-opener – we weten door de band genomen wel dat die drie dingen, al helemaal in combinatie met stevige marketing, niet bijster goed voor ons zijn -, maar voor wie zijn ogen al (een beetje) open heeft, is het wel een stevige brok achtergrondinformatie om z’n goeie voornemens mee te funderen. Hoe dan ook het lezen waard dus.

Björn Roose

dinsdag 7 april 2026

De schoonmaker, de professor en de overspelige vrouw – Peter van Druenen (boekbespreking door Björn Roose)

De schoonmaker, de professor en de overspelige vrouw – Peter van Druenen (boekbespreking door Björn Roose)
Van De schoonmaker, de professor en de overspelige vrouw weet ik, in tegenstelling tot wat geldt voor veel van de boeken die ik in bezit heb, nog precies waarom ik het – voor een habbekrats – aangekocht heb: omdat ik meende Peter van Straaten als auteur op de cover vermeld gezien te hebben. Wat fout gezien was. Peter van Druenen is de auteur van deze “eindejaarsvertelling”, “een exclusieve uitgave van Exed Internet” uit 2004. En van Peter van Druenen, volgens de webstek van Uitgeverij Cossee “historicus, schrijver, uitgever en internetpionier”, onder andere verantwoordelijk voor “een standaardwerk over de geschiedenis van de zuivelcoöperatie in Nederland”, had ik nog nooit gehoord.

Nu wél dus, al heb ik na het lezen van dit dertig bladzijden dikke boekje op zoiets als A6-formaat niet meteen reden om dat ook nog te onthouden. Noch kan ik u meer vertellen over Exed Internet. Hét internet kan me daarover – niet eens via een webstek die beheerd zou worden door het bedrijf zelf – ook alleen maar vertellen dat het een “full service internetbedrijf” zou zijn (of geweest is), bezig met “het bouwen, hosten en onderhouden van uw website, internetportaal, database of maatwerkapplicatie” en gevestigd in Lelystad, waar ook Van Druenen een tijd gewoond heeft. Mogelijk is dit dus een verkapte uitgave in eigen beheer, wat toch méér beheer betekent dan wat één van de personages in dit boekje presteert. In het bijzonder wat zijn personal computer betreft, een desktop (in 2004 was het nog bijna een vanzelfsprekendheid dat een pc geen laptop was), die hij niet afzet als hij met vakantie gaat en die ook geen schermbeveiliging heeft. Een pc waar iedereen dus ongestoord op kan gaan tokkelen en waarop geen geheim bewaard blijft voor de toevallige geïnteresseerde omdat uiteraard ook (onder andere wellicht) de mailapplicatie open staat. Een “internetpionier” kon dat in 2004 nog als basis voor een kortverhaal nemen, tegenwoordig zou dat er al over zijn (al maak ik nog wel eens mee dat pc’s niet gelockt worden als hun baasje hen achterlaat).

Enfin, daarmee hebt u al kennis gemaakt met de professor, de intellectueel die zijn mails voor iedereen te grabbel gooit, én met de schoonmaker, de man die toevallig ziet dat de computer nog op staat, even toevallig kijkt naar het scherm, en nog toevalliger een mail ziet staan die hem biologeert. Een mail van een vrouw die de professor haar liefde verklaart. Geen overspelige vrouw echter, want ze is niet getrouwd, en dat in tegenstelling tot de professor, maar ze heeft hem wel een handje geholpen bij het overspel dat hij een tijdje eerder heeft gepleegd.

Maar wie is het overspelige exemplaar dan? Dat is er een die onder de noemer Christus en de overspelige vrouw op een paneel zou staan dat tijdelijk in de Gentse Sint-Baafskathedraal een tehuis gevonden heeft, oorspronkelijk aan Jheronimus Bosch werd toegeschreven, maar naderhand een vervalsing bleek te zijn (de naam Van Meegeren wordt niet genoemd als dader – hij creëerde een gelijknamig schilderij, maar dat werd toegewezen aan Johannes Vermeer – maar de verwijzing is duidelijk en wordt in de loop van dit boekje ook geëxpliciteerd). En hoe is ons olijke trio verbonden met dat schilderij? Dat zoekt u zelf maar uit. Per slot van rekening is dit boekje echt zeer dun (de harde kaft is volgens mij dikker dan wat er tussen zit) en… raakte ik zelf bij eerste lezing van de passage het verband kwijt. Nog los van het feit dat het achterhalen van dat verband interessanter is dan de ‘technische’ uitleg die je er van de “internetpionier” hier en daar bovenop krijgt. Bijvoorbeeld: “De professor bewoog geïrriteerd de muispijl naar het bericht om het weg te klikken toen hem opviel dat het een antwoord was op een antwoord. Re: Re: ik hou van je!!! Normaal gesproken krijg je dergelijke regels alleen te zien wanneer je in een wat langere e-maildiscussie bent verwikkeld over één bepaald onderwerp: Het aantal Re:’s kan dan flink toenemen, omdat je snel wilt reageren en niet de moeite neemt om de titel te veranderen. Het is bovendien wel makkelijk om de gang van zaken tijdens de betreffende discussie terug te halen”. Een voorbeeld dat misschien nog kon dienen op een of andere cursus Internet voor dummies in het begin van de jaren 2000, maar ongetwijfeld ook toen al redelijk overbodig zal geklonken hebben, al helemaal onder de klanten van een bedrijf à la Exed Internet.

Kortom, als dit boekje een mail was geweest, dan had ik het gedeletet. Gezien het dat niet is, verwijs ik het door naar mijn zolder.

Björn Roose

vrijdag 3 april 2026

Duitsers ongewenst – Hermann Eich (boekbespreking door Björn Roose)

Duitsers ongewenst – Hermann Eich (boekbespreking door Björn Roose)
Hermann Eich, auteur van voorliggend Duitsers ongewenst (oorspronkelijke titel: Die unheimlichen Deutschen), schreef behalve dit origineel in 1963 verschenen boek ook nog Die misshandelte Geschichte – Historische Schuld- und Freisprüche. Daarmee heb ik u echter zo ongeveer alles meegegeven wat zelfs het internet me pas na enig aandringen wist te melden over de man.

Ja, ik vind op Wikipedia een Hermann Eich, maar los van het feit dat die in 1963 al vierentachtig jaar oud was en begin februari van datzelfde jaar overleed, staat er in het betreffende lemma niks over enige publicatie. En ja, een aantal mensen hebben in 1963 of later, bij het verschijnen van de vertalingen, gereageerd op het werk, maar ook zij wisten kennelijk niet wie Hermann Eich was. De destijds in Nederland wonende, in Duitsland geboren jood Maurice Frankenhuis nam aan dat Eich behalve “a thinking man” ook “not a very young German” was, maar vond dat wellicht ook niet echt belangrijk. Hij wou voornamelijk duidelijk maken dat Eich beter gezwegen had, dat de Duitsers in plaats van “unloved” simpelweg “unlovable” waren, en massaal ‘heropgevoed’ moesten worden: “(…) if it is not already too late, might I suggest that the only thing left for Germans of good will is to undertake a program of re-education beginning with the youth before it becomes contaminated by the ideology of its fathers. Perhaps then the German people would have a chance to redeem themselves. Their history can claim no justification.

Niet iedere criticus was zo gebeten op Eich, zijn boek, of – zoals in het geval van Frankenhuis – de Duitsers in het algemeen, maar Frankenhuis toonde wel meteen voor de helft aan wat Eich al in zijn Woord vooraf schrijft, terwijl Frankenhuis’ kennis van het boek duidelijk gebaseerd was op niet meer dan één stelling die “many intelligent people” naar zijn zeggen ‘verrassend’ vonden, zijnde dat de Duitsers de misdaden van Hitler wel degelijk erkenden, maar dat velen van hen niks wisten van de uitroeiing van de joden, iets wat zo’n vier bladzijden lang tegengesproken wordt door Frankenhuis. “De auteur is zich ervan bewust”, schreef Eich, “dat hij tegen twee muren stormloopt: het nationalisme en de angst voor het nationalisme. Daarom zullen de vertegenwoordigers van twee karakteristieke denkrichtingen in dit boek niet aan hun trekken komen: [1)] Allen die Duitsland en het Duitse volk voor het hoogtepunt van de schepping houden (…) [en 2)] Allen die Duitsland als de hel op aarde en het Duitse volk als een satansgebroed beschouwen.” Eich verwachtte dus niet met dit boek medelijden op te wekken of een veralgemeend begrip voor ‘de’ Duitsers, “Dit boek kan weinig verontschuldigen, maar wellicht veel verklaren”, zo stelde hij. “Het dingt niet naar de gunst van het buitenland, noch wil het de ‘ongewenste Duitsers’ provoceren waar de auteur zelf toe behoort, hetgeen hij zonder trots, maar ook zonder schaamte bekent. Het is veeleer zaak tussen loftuiting en berisping, vooroordeel en berusting een middenweg te vinden, en de wezenstrekken te ontdekken van een volkskarakter dat zich laat onderkennen bij en gedragen wordt door zoveel mogelijk van onze landgenoten. Als daaraan een wens – of, zoals Hofmannsthal het zegt ‘een laatste geloof’ – kan worden verbonden, dan is het, dat het Duitse volk, hoe onwaarschijnlijk het op dit ogenblik ook klinken mag, eens tot die gematigde vorm van nationaal bewustzijn komt, waarmee andere, meer gelukkige volken, sinds eeuwen rustig hun weg gaan door de geschiedenis.”

Mij lijkt dat behalve een correcte inschatting van twee ‘nationalistische’ kampen – kampen die ik overigens niet als dusdanig zou betitelen -, kampen die óf zichzelf beschouwen als de meesters der schepping óf de ander als het ongedierte van diezelfde schepping en dus in essentie onderling inwisselbaar zijn, ook een captatio benevolentiae die niet al te ingewikkeld in mekaar is gestoken en volkomen duidelijk zou moeten maken waar Eich heen wil. Hij is geen “apologist”, zoals Frankenhuis hem verkiest te noemen, geen apologeet, niet “iemand die zijn geloof verdedigt dooriets anders tegen te spreken”, tenzij dan een volkomen gerechtvaardigd ‘geloof’ in het feit dat geen enkel volk – laat ons het dan maar zo noemen – minderwaardig is (en dus ook niet meerderwaardig), iets wat hij voor ‘de’ Duitsers niet aantoont door alleen ‘hun’ goede kanten te belichten, maar ook door ‘hun’ slechte kanten niet te miskennen en door die goede én slechte kanten te vergelijken met die van andere volkeren. In onze politiek correcte tijden zou de oefening op zich al, een oefening ten voordele van de objectieve behandeling van éénder welk Europees volk, op tegenkanting van een horde zogenaamde ‘antiracisten’ botsen, maar noch ‘racist’ noch ‘antiracist’ zijnde moet ik zeggen dat Eich die oefening met goed gevolg volbracht heeft. Ik had vóór ik dit boek las al geen hekel aan Duitsers, noch lag ik in aanbidding voor elk of een van hen, maar Duitsers ongewenst is zo’n – tsja, ik vind dat een mooi woord – Fundgrube aan historische feiten en feitjes over Duitsers en andere volkeren dat ik alleen maar kan besluiten dat élk volk zo’n objectieve verdediger verdient. Én dat een boek als dit eigenlijk heruitgegeven zou moeten worden. De kans dat lezers immers deze inmiddels meer dan zestig jaar geleden bij Nederlands Boekhuis in Tilburg verschenen vertaling van de hand van Jos. H. Schmitz ergens op de kop kunnen tikken is wel bijzonder klein, terwijl het aantal mensen dat, ondanks het feit dat ze net zo min als ik ooit een oorlog met Duitsland hebben meegemaakt en zelfs geen subjectieve basis hebben om tegen ‘de’ Duitsers te zijn, dezer dagen nog doet alsof elke Duitser Adolf Hitler in persoon is, belachelijk groot blijft (zij het niet zo groot als het aantal mensen dat denkt dat alles wat de zetelende Israëlische regering onderneemt gerechtvaardigd is omdat de leden ervan joods zijn).

Ik probeer – al is het maar omdat ik de jongste tijd al een paar ál te uitgebreide boekbesprekingen heb geschreven – van deze bespreking geen ellenlang epistel te maken (het zou eens wat anders zijn, nietwaar?), maar zeg me vooral waar Eich de Duitsers vereert als hij van een man als Friedrich Nietzsche, door velen toch beschouwd als zéér Duits en een zogenaamde inspiratiebron van de nationaal-socialisten, weet te melden dat die “al in 1885 in Jenseits von Gut und Böse de spot gedreven [had] met pogingen, door meting van hoofd en lichaam het ideale Duitse mensentype te willen vaststellen. Voor hem waren de Duitsers ‘een volk, waarin op de meest monsterachtige wijze allerlei rassen waren vermengd en door elkaar geroerd.’”, een mening die hij een paar jaar later in Ecce Homo bevestigde door te stellen dat Duitsers “helemaal geen voeten [hebben] – alleen benen (…) Naar zijn mening overtrof de armste gondelier van Venetië een Berlijnse Geheimrat in elegance van beweging – een uitspraak, die toendertijd waarschijnlijk zelfs bij Berlijners geen tegenspraak wekte, want de combinatie van elegance en beschaving was ook in de tweede helft van de vorige eeuw al een gelukkig toeval.”

Maar Eich laat die stelling al zeer snel volgen door een andere: “Er schijnt dus toch een algemeen geldend herkenningsteken voor de Duitsers te bestaan. Het bewijs wordt dagelijks geleverd door de souvenirverkopers in de zuidelijke vakantielanden. Zij spreken de Duitse toeristen met grote zekerheid in de juiste taal aan. Overigens zouden zij ook Skandinaviërs en Nederlanders in het Duits aanspreken en zij zouden waarschijnlijk geen ander onderscheid tussen de verschillende volken kunnen noemen dan dat de Duitsers nu eenmaal overal in de meerderheid zijn, waarmee eens te meer de merkwaardige logica bij de beoordeling van buitenlanders is aangetoond.” Zelf al in diverse landen als Frankrijk, Italië en Tsjechië aanzien geweest zijnde voor een Duitser – ik die zó elegant ben! – kan ik dat van die “merkwaardige logica” in ieder geval bevestigen. Maar dat is misschien een gevolg van “de vermenging (ambivalentie) van aan elkaar tegengestelde, elkaar eigenlijk uitsluitende gevoelens en eigenschappen” die, aldus Eich, de toegang tot het wezen van ‘de’ Duitser ontsluiten: “‘Een Duitser, dat is moord en muziek tegelijk,’ zo heette het in een Franse film der ‘nouvelle vague’, die zich schijnt te hebben gespecialiseerd in het ontmaskeren van de Duitsers. Deze definitie mag dan door een onoverwinnelijke afkeer zijn ingegeven, dit neemt niet weg, dat zij toch een kern van waarheid bevat, zij probeert namelijk de Duitser als een samenstel van kontrasten voor te stellen, als iemand die onzinnig handelt en zich ‘onmogelijk’ gedraagt.” Wat dan weer een teken kan zijn van zich aanpassen aan de eisen van de niet-Duitsers: “Buitenlandse bezoekers verbaasden zich tussen 1950 en 1960, hoe goed gehumeurd de gezichten van de Duitsers er al weer uitzagen, ondanks de splitsing van hun land en de nood der verdrevenen. Menigeen voelde de Duitse opgewektheid in die jaren als iets ongepasts. Na 1960 werd er in de reisverslagen steeds meer gewezen op de diepe ernst, die nu op het gezicht van de gemiddelde Duitser lag. De opgejaagde, droevige en onrustige Duitser temidden van zijn welvaart werd een geliefd fotomotief. In de onderschriften bij de foto’s verklaarde men zijn gelaatsuitdrukking uit een nooit bevredigde gewinzucht of een diepgewortelde levensangst. ‘Duitsland, het land waar het minste gelachen wordt’ – zo luidde de slotsom na uitgebreide reizen door Duitsland zelfs nog vóór de oprichting van de Berlijnse muur.”

Dat waarnemers elkaar beïnvloeden én hun kijk op het waargenomene blijkt ook met betrekking tot ‘de’ Duitsers dus, euh, waar. Een fenomeen dat ook nu nog steeds zijn nadelen heeft: “Kernachtige Beierse uitdrukkingen inclusief leren broeken en hertshoornen knopen versterken in combinatie met de gutturale spreekwijze wel eens de indruk van plompe grofheid van de Duitsers. De achter het animale liggende kunstzin van de Beieren blijft voor de oppervlakkige beschouwer verborgen. Een luidruchtige minderheid bepaalt het totale oordeel, dat eenzijdig moet uitvallen alleen al omdat de buitenlanders hun ervaringen bijna uitsluitend in het Opperbeierse toeristencentrum opdoen.” Een “toeristencentrum” dat, van 1945 tot 1990, dan weer nergens te pas kwam als het om Oost-Duitsland ging: “Volgens de grondwet was aan de Duitsers van de Oostzone de mogelijkheid onthouden, mee te werken bij de opbouw van een vrij Duitsland. De Bondsrepubliek handelde in hun naam. Zij vertegenwoordigt heel Duitsland ook bij de herstelbetalingen aan Israël en bij de betaling van de schulden van het voormalige Duitse Rijk. Nagenoeg alle verwijten die zich tegen Duitsers richten incasseert de Bondsrepubliek, als vertegenwoordiger van alle Duitsers, alléén. Het Westen heeft de andere Duitsers uit zijn kritiek geschrapt. Zij zijn op hun manier weliswaar ook angstaanjagend, maar meer als kommunisten dan als Duitsers. Daar zij armer zijn, kunnen zij op meer consideratie rekenen dan de in een zekere weelde levende Westduitsers. Menige westerse politicus heeft ook al te verstaan gegeven, dat de gekontroleerde en onderdrukte Duitsers aan de overkant van de Elbe voor het buitenland beslist minder moeite opleveren dan de vrije burgers van de Bondsrepubliek met hun pretentieuze eisen en hun intensieve deelname aan de ekonomische concurrentiestrijd.”

Wat nu uiteraard niet meer kan gezegd worden, maar wat wél bevestigt wat Eich even verder schrijft: “De verhouding tussen de volken is onafhankelijk van de mate waarin men elkaar kent; zij wordt veeleer bepaald door de politiek en het wereldgebeuren. Vandaag is zij nog broederlijk en morgen al vijandig. De wisseling van oorlogs- en vredestoestand tussen buurstaten is een treurig bewijs, hoe gemakkelijk de menselijke gevoelens kunnen worden beïnvloed; het staatsbelang heeft nog altijd de doorslag gegeven als de burger moest beslissen tussen zijn nationaal bewustzijn en zijn gevoelens van vriendschap voor een ander volk. De machthebbers zelf hebben nooit geaarzeld hun oordeel te herzien, zodra de politieke situatie het nodig maakte, van haat op verbroedering over te schakelen of de tegenovergestelde richting in te slaan. Daartoe is evenwel nodig, dat men kan vergeten of in elk geval doen alsof… De staatslieden uit onze tijd behoren in dit opzicht tot de grootste meesters in de kunst der vrijwillige bewustzijnssplitsing.”

“Staatslieden” en, bijvoorbeeld, schrijvers. “In elk land stonden de literaten op commando paraat, ook de besten onder hen [zie ter zake trouwens mijn bespreking van Ingenieurs van de ziel van Frank Westerman, noot van mij]. Dat een schrijver er toe besluit, zich ter beschikking te stellen van de staat en de eisen van de aktuele politiek, daarin ligt niets verwerpelijks. Het wordt pas pijnlijk, nadat het politieke lied zijn doel bereikt heeft. De oorlogsfurie heeft het niet weggevaagd, zoals een anoniem vlugschrift of een radiocommentaar. Het staat in de werken van een bepaalde dichter, ontsiert de zogenaamde schone literatuur er omheen en al heeft men het ook uit zijn oeuvre kunnen verwijderen, een snuffelaar zal het altijd weer te voorschijn halen. Het grootste aandeel van dergelijke stemmen in dit boek is niet zo zeer bedoeld om de auteurs te discrimineren als wel om te waarschuwen tegen de macht van het woord, dat hun in een – naar zij toch moesten aannemen – ‘ernstig’ ogenblik is ontvallen en waarvan zij later wensen, dat zij het toch maar nooit gesproken hadden. Thomas Mann, Ilja Ehrenburg en vele andere contemporaine representanten der wereldliteratuur zagen en zien zich gedwongen zich te verdedigen tegen het verwijt, hun volk te hebben opgehitst. De noodzakelijkheid, de beschrijving van het vreemde volk tendentieus te kleuren kan weliswaar worden aangetoond, maar de tendensleugen kan niet meer tot waarheid worden omgebogen.”

Wie daarvan, zowel wat die ‘schrijvers’ als die ‘staatslieden’ betreft, dezer dagen bewijzen wil verzamelen, heeft kans genoeg als hij de kranten even napluist op steekwoorden als ‘Oekraïne’, ‘Israël’, ‘Rusland’ of ‘Iran’. Een mens durft hopen dat ze vroeg of laat met hun dwaze woorden zullen geconfronteerd worden, maar slangenmensen als ze vaak zijn, ontsnappen zelfs als ze daarmee in een hoek gedwongen worden. Zoals die slangenmensen ook zullen weten te ontsnappen als je ze confronteert met “de naar links gerichte wereldsympathieën (…) [die] zo sterk [zijn], dat zich een eigenaardige theorie van rechtvaardige en ongerechtvaardigde oorlogen is gaan vormen. Volgens deze is de overval van Stalin op het zwakke Finland als een te verontschuldigen beschermingsmaatregel tegen de aanvalsplannen van Hitler te beschouwen, terwijl elke oorlog waaraan het ‘rechts’ geregeerde Duitsland deelnam als zuivere aanvalsoorlog wordt bestempeld.” Een theorietje waarvan tegenwoordig varianten te vinden zijn in het goedpraten van de aanvalsoorlog van Israël tegen zo goed als al zijn buurlanden en de Verenigde Staten tegen Iran met de naderhand ‘ontdekte’ mogelijkheid dat Iran, als vergeldingsmaatregel, doelwitten op een paar duizend kilometer afstand zóu kunnen raken.

Waarmee ik – zo ben ik nu eenmaal – alvast een aantal verbanden gelegd heb tussen wat in een boek uit 1963 over de Duitsers is geschreven en feiten die zich dezer weken, zonder enige betrokkenheid van Duitsers, afspelen in het Midden-Oosten. Op zich al reden genoeg om dat boek eens te gaan lezen (de gebruikte citaten komen allemaal uit de eerste dertig bladzijden, er schieten dus nog driehonderdtwintig bladzijden over waarvan u hier niks heeft gelezen) en het bewijs dat – althans voor wie dat zien wil – alles met alles samenhangt. Wat ook zo’n beetje de centrale stelling is van dit boek.

Björn Roose

dinsdag 31 maart 2026

Help, ik ga de pijp uit – Leo Derksen (boekbespreking door Björn Roose)

Help, ik ga de pijp uit – Leo Derksen (boekbespreking door Björn Roose)
De vorige twee boeken die ik van Leo Derksen besprak, Geef mijn portie maar aan fikkie en De kater van tante Agaath, waren bundelingen van cursiefjes, dus had ik voorliggend Help, ik ga de pijp uit (verschenen in 1976 bij Teleboek bv) in de boekenkasten met dat soort werkjes gezet, maar dat was ten onrechte: de delen een tot en met veertien, allemaal dus, zijn geen bijzonder getitelde cursiefjes, maar échte hoofdstukken. Hoofdstukken van een boek waarover op de achterflap, behalve met betrekking tot de auteur, alleen maar volgende uitleg te lezen is: “ ‘Ga maar naar huis,’ zei de dokter. ‘Je mankeert niets.’ ‘Maar ik ga dood,’ riep ik. ‘Dat is dan ook de enige zekerheid, die ik je kan geven,’ zei hij. Wie in dit boek dus zichzelf meent te herkennen, heeft dan ook onmiddellijk gelijk.”

Die uitleg kan enigszins treurig lijken, maar geeft ook meteen aan wat het hoofdpersonage van dit, door Nico Rolle (overleden in 1976) van een hele hoop illustraties voorziene, boek werkelijk mankeert: hypochrondrie. Voor wie geen daar aan lijdende lieden, hypochonders genaamd, zou kennen: ziektevrees. Ofte (en ik haal er voor het gemak even Wikipedia bij) “een stoornis waarbij een persoon ervan overtuigd is een ernstige ziekte te hebben. Allerlei gewone of onschuldige lichamelijke verschijnselen worden gezien als teken van een ernstige ziekte, zoals een steek, jeuk of kramp. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot uitgebreid zoeken op internet naar de vermeende ziekte of het dwangmatig checken van het eigen lichaam. Als een arts de patiënt heeft onderzocht en de patiënt probeert gerust te stellen, heeft dit vaak alleen kortdurend, of helemaal geen effect.”

Het hoofdpersonage krijgt dat pas op de voorlaatste pagina van dit honderdzesentwintig bladzijden dikke boekje te horen – niet dat dat wat helpt overigens, wat dan weer, zoals hierboven aangegeven, tot de verwachtingen behoort -, terwijl de lezer het (als ie een beetje bij zijn verstand is) al van bij de eerste hoofdstukken door heeft, en het bedient zich ook niet van het internet (wegens toen nog in zijn kinderschoenen) maar van Coëlho’s Zakwoordenboek der Geneeskunde, een naslagwerkje met daarin zo’n veertigduizend medische termen dat intussen ook als app bestaat (een handige tip voor mocht u zelf neigingen tot hypochondrie hebben), maar in de honderdvierentwintig pagina’s daarvóór (en in die ene pagina daarna) zijn de avonturen ervan meer dan eens ‘buikpijnwekkend’ hilarisch (om de terminologie te gebruiken die De Telegraaf, waarvoor hij van 1974 tot 1988 schreef, bezigde in zijn in memoriam).

Met een hypochonder leven zal dat ongetwijfeld niét zijn, maar zelfs van dát gegeven, samen met het feit dat de hele familie meegaat in het ziektebeeld (of beter: de opeenvolging van ziektebeelden), weet Derksen met de gortdroge stijl die hij doorheen het hele boek hanteert een aanleiding tot voortdurend schuddebuiken te maken. Passages die die bewering kunnen staven uit dit boek halen is verliezen, want kiezen is verliezen, maar ik neem er toch maar eentje uit hoofdstuk een om dat te doen: “De nutteloosheid van mijn bestaan had ik al enige tijd vermoed, en het thans gerijpte besef dat ik zou kunnen sterven deed een grote vreugde in mij ontstaan: hierdoor immers zou ik verlost worden van de gedwongenheid van het leven. Opgewekt ging ik dus een onderzoek instellen naar het aantal mogelijkheden waarop wij kunnen overlijden. Het resultaat was bemoedigend. Mijn lichaam bleek zo ingewikkeld geconstrueerd, dat het aantal ziekten met dodelijke afloop zelfs niet door een computer was vast te stellen. Ik kon dus gerust zijn. Alle pogingen in de wereld enig aanzien te verwerven kon ik opgewekt staken: ze waren zinloos.” Wat uiteraard de fase nog net vóór de hypochondrie is: “Wat ik echter niet besefte was, dat deze vreugde zich zelf zou torpederen. Sinds jaren had ik mij niet zo opgewekt gevoeld en het was derhalve onomkoombaar dat ik op een kwade dag het leven plezierig begon te vinden. De paradox in dit psychisch proces ontging mij, maar de wetenschap zelf was moordend. Ik had geleerd het leven lief te hebben vanuit de zekerheid dat er wel spoedig een eind aan zou komen; nu ik het liefhad wenste ik onder geen beding te sterven.” Waarna het nog een kleine stap is naar: “Mijn angst had nog geen enkele concrete rechtvaardiging gevonden. Dat ik iets mankeerde was zeker; het was alleen zaak een ziekte te zoeken die volkomen bij mijn verschijnselen paste.” Een ziekte die desnoods te zoeken is in de afwezigheid daarvan: “Vervolgens ging ik op bed liggen met beide handen aan de keel en viel in slaap. Ik werd evenwel ook weer wakker. Opnieuw viel ik in slaap en door een merkwaardige samenloop van omstandigheden ontwaakte ik eveneens opnieuw. De vanzelfsprekendheid van dit gebeuren maakte mij echter geheel van streek. Ik meende dat een thermometer wellicht een aanwijzing kon geven in welke richting ik mijn naspeuringen diende te richten. Ik riep dus om een thermometer; maar die was er niet. Alleen een barometer. Deze voorspelde enkel slecht weer.”

“(…) slecht weer” dat van een vermeend hartprobleem naar “Ik heb een hersentumor” leidt. Van tante Jeanne die “een schriftelijke cursus psychologie aan een vermaard instituut” volgt, “dat de diploma’s bij inschrijving reeds voor verzending gereedhoudt”, naar tante Cor die “een optrekje [bewoonde] in de villa van een oude dame, die zij met veel liefde de levensavond hielp verkorten”. Van een dokter die niet getrouwd was “en wellicht juist daardoor (…) met drie vrouwen tegelijk uit zijn auto [stapte], precies op het moment dat ik aan zijn deurbel trok” naar een apotheker met avonddienst die “een fles bromatum-natrium en een met bromatum-nog-wat en nog-wat [nam], zodat zij uiteindelijk drie soorten broom bijeen had waarna zij er nog wat valeriaan aan toevoegde”. Van “een soort epistolaire reünie” waaruit hij afleid dat hij “hierdoor vermocht (…) [zijn] gezondheid te herwinnen, maar [dat] tegelijk (…) [zijn] leven alle kleur [zou] verliezen, zodat de zinloosheid van deze adviezen al in de resultaten besloten lag”, naar een volkstuintje waarin hij “verbazingwekkende kuilen” graaft (en weer dichtgooit). Van de reeds genoemde Coëlho naar Koenen-Endepols, of toch het door hen in het leven geroepen Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal. Van neurasthenie naar neurasthenia sexualis. Van tic impulsif, over tic d’attitude en tic rotataire, naar torticollis. Van zijn woonplaats naar Vaals, met de fiets, omdat zijn dokter hem gezegd heeft zomaar ‘nergens heen’ te fietsen, en vervolgens “naar Rome en Madrid, naar Oslo en Parijs”. Van het “duivels misverstand” waardoor hij “nog steeds niet gestorven was” naar weer een nieuwe dokter (een getrouwde, dit keer), die hem duidelijk maakt dat hij niet zal doodgaan aan een ontstoken haarzakje. Van ziende blind zijn naar nóg een dokter (“die wel een eigen vrouw had gehad, maar nu nog slechts een huishoudster bezat, omdat zijn vrouw inmiddels aan zijn eigen adviezen was overleden”). Van een de huiskamer in geslingerd “diuretisch hormoon” naar “de snelheid waarmee een zenuw een prikkel naar de hersenen overbrengt” (volgens Coëlho “drieëndertig meter per seconde”). Van “kleine gele vlekjes in mijn keelholte” naar het piepen van het Wilhelmus. Van de menslievende communist Bitter naar een ijverige dokter (“want er hing een kapstokje vol met kleine jasjes”), en van weer een dokter (die hij niet kan omschrijven omdat hij “voornamelijk leefde in het schimmige donker van een ruimte, waar telkens weer het onderdrukt gegiechel van een meisje tussen de wanden opklonk” terug naar zijn eerste dokter (“de zelfde die in eerste instantie achter mijn oogleden had gekeken, terwijl zijn drie vrouwen giechelend hadden gewacht”). En ten slotte van zijn eigen divan naar die van psychiater Frick: “Het is niet duidelijk wat een psychiater precies beoogt. Ogenschijnlijk sluipt hij voortdurend als een krab om zijn slachtoffer heen, wachtend op het moment waarop hij het onverhoeds in de nek kan bijten. Dat moment komt nooit. Het is derhalve schijn. De psychiater is een beroepsluistervink, die niets anders kan dan wat laatdunkend lachen. Men hangt de vuile was op aan zijn vrije tijd. En daarover blijkt hij in ruime mate te beschikken.” “[Ik begon hem] te vertellen dat ik telkens dacht te zullen doodgaan, bang was blind te worden, hersentumor te hebben, angina pectoris en een maagzweer (…) Ik vertelde hem hoe ik als jongen musjes doodschoot met een kattepult door het wc-raampje en hoe mijn moeder mijn vader onder een autobus wenste of in de gracht; dat maakte weinig verschil, vond ze, als hij maar dood was (…) Ik vertelde hem hoe ik als kind in de kelder zat te huilen omdat het op zolder zo tochtte (…) Ik zei hem ook dat mijn broer soms bezeten raakte van een vreemde ijver en dan bordjes vol belegde broodjes door het huis begon te smijten (…) Ten slotte trof hij mij onder het middenrif: hij wenste te weten wat ik gewoonlijk met mijn vrouw deed.” Als u niet per se dát wil vernemen, maar toch hoe elk van die van-naars verloopt, dan raad ik u ten zeerste de lezing van dit boekje aan. Iets erger dan een lachkramp kan u er niet aan overhouden.

Björn Roose

vrijdag 27 maart 2026

Ingenieurs van de ziel – Frank Westerman (boekbespreking door Björn Roose)

Ingenieurs van de ziel – Frank Westerman (boekbespreking door Björn Roose)
Een mens zoú wat anders kunnen verwachten achter de titel Ingenieurs van de ziel, maar reeds de eerste zin van de achterflaptekst neemt alle mogelijke verwarring weg: dit boek “legt de worsteling bloot van schrijvers in totalitaire tijden. Het is een fascinerende zoektocht naar de fundamenten van een van de meest bizarre experimenten uit de geschiedenis van de mensheid: het Sovjet-systeem”. Een heldere inleiding bij dit in 2002 bij Uitgeverij Atlas verschenen boek, die wordt gevolgd door: “Reizend in het nu en het verleden ontrafelt Frank Westerman de tragische levensloop van de romanticus Konstantin Paustovski en diens tijdgenoten. Hij maakt de lezer deelgenoot van de geestdrift van de Russische Revolutie, wanneer de kunst én de werkelijkheid op een radicaal nieuwe leest worden geschoeid.”

“(…) deelgenoot”? Werkelijk? In mijn geval niet echt. Ik heb al té veel boeken gelezen over allerhande revoluties - de fascistische, de nationaal-socialistische, en een hele zooi communistische – om naast de “geestdrift” van een aantal van de toenmalige ‘deelgenoten’ niet telkens meteen een verdoemde toekomst te zien opdagen, maar goed, ik snap wat de achterflapschrijver wil zeggen. En ik lees daarna iets wat van Ingenieurs van de ziel een bijzonder boek ter zake maakt: “Schrijvers van naam bezingen de bouw van kanalen en stuwdammen in titels als Energie, De waterkrachtcentrale en Voorwaarts, tijd! Maar hun opgewektheid, eerst nog spontaan en idealistisch, slaat om in een verplichte lofzang. Terwijl de kolossale waterwerken tot dwang en vernietiging leiden, bouwen de Sovjet-schrijvers onverminderd voort aan een illusiemaatschappij (...) Aan de hand van actuele reportages en verrassende inzichten voert Frank Westerman de lezer mee naar de dramatische ontknoping: het duel tussen schrijvers en waterbouwers dat de val van het Sovjet-imperium inluidt.”

Een “duel” waar u mogelijk nooit van gehoord heeft en wat ook nooit as such uitgevochten is, maar waar Westerman de lezer desondanks deskundig heen leidt terwijl hij het pad van Paustovski – van wie ik zowaar toch een kortverhaal in mijn bibliotheek heb staan – richting De baai van Kara Bogaz volgt. Die baai zijnde een boek van Paustovski over “de uitroeiing der woestijnen”, een onderneming waartoe “enthousiaste vijfjarenplanners een fabriekscomplex voor zoutchemie op de oostkust van de Kaspische Zee [projecteren]”. “Zo’n complex zal de woestijn een dodelijke klap toebrengen”, aldus Paustovski, “Door de winning van water en olie en door de ontginning van steenkool zullen rond het complex oases worden geschapen vanwaaruit een planmatige veldtocht tegen de zandvlakte begint.” De minder argeloze lezer – een categorie die niet het publiek van Paustovski, of van de ‘socialistisch-realistische’ Sovjet-literatuur in het algemeen, vormde – zal al voelen dat, na enig aanvankelijk succes, de “oases” in kwestie luchtspiegelingen bleven (een fenomeen dat zelfs zó erg was dat Kara Bogaz op een zeker moment van de kaart verdween), maar dat was nog niet zo toen Paustovski zijn boek schreef, al moet hij ook toen al enigszins zijn best hebben gedaan om minder in het plaatje passende feiten te negeren: “Dat ik als eerste naar Paustovski greep lag voor de hand: hij gold als de meesterchroniqueur van de Russische Revolutie, de daaropvolgende burgeroorlog en de opbouwjaren van het socialisme. Alle correspondenten in Moskou droomden ervan om net zo van binnenuit verslag te kunnen doen als hij.”

Wat niet belet dat Westerman ná zijn inleiding overschakelt van Paustovski naar Schrijver nummer 1, Maksim Gorki. Een schrijver die zéér droog wordt ingeleid met de woorden: “De hersenen van Maksim Gorki worden bewaard in een weckfles in het Moskouse Neurologisch Instituut. Ze wegen 1420 gram en plakjes ervan zijn onder de microscoop onderzocht op sporen van genialiteit.” Een schrijver ook bij wie Westerman, enigszins in tegenspraak met wat hij eerder schreef (“Dat ik als eerste naar Paustovski greep”), zijn “verkenning van de Sovjet-letteren” begint. Een keuze die hem toelaat een tik uit te delen aan Johan Daisne, “de bibliothecaris uit Gent”, die van Gorki’s roman De moeder vond dat het “een heerlijk werk” was, gekenmerkt door een nieuwigheid in de Russische literatuur, zijnde “De introductie van de volksrevolutionair, tegenover de adellijke opstandeling die Tolstoj er reeds in had gebracht (…) Het weeklagen is uit; de opgewekte heldhaftige toon van het dagende socialistische realisme breekt door.” Daisne, “die ik heb aangeduid als directeur van de stadsbibliotheek van Gent, was behalve dat ook een bekend dichter, schrijver, slavist en filmhistoricus”, schrijft Westerman in zijn Verantwoording, maar iets zegt me toch dat hij desondanks niet in zijn bovenste schuif ligt, net zomin als Gorki. Gorki die Lenin, die volgens hem “‘ironisch’ uit zijn ogen kijkt”, financieel steunt, maar zich vervolgens tegen hem begint af te zetten (“Ware idioten zijn het, die bolsjewieken. In hun spreekkoren eisen ze: ‘Weg met de tien bourgeois ministers.’ Hoe bestaat het! Het zijn er maar acht!’”), “nachtwaken van intellectuelen bij paleizen en monumenten” organiseert “om de beeldenstorm van de massa’s in te tomen”, Lenin “een denkende guillotine” noemt, op instigatie van die moordenaar naar Italië verhuist, maar dan, overstelpt met brieven en cadeautjes van Stalin, op verzoek van die laatste terugkeert, en tijdens zijn tweede rondreis door de Sovjet-Unie “als eerste en enige buitenstaander toegang tot het Kamp met de Speciale Bestemming” SLON krijg en daar ook nog vol lof over is. Iets wat Aleksander Solzjenitsyn in De Goelag Archipel zou beschrijven als “een tragisch voorval”: “Gorki zou een Potjomkingevangenis hebben gezien”, desondanks gemerkt hebben dat dat zo was, en dat vervolgens genegeerd hebben. Toen Stalin in de maanden na zijn positieve verslag nog wat verder stroop aan Gorki’s baard had gesmeerd, verhuisde Gorki definitief naar Moskou, alwaar hij – een communist moet toch iets, nietwaar? – “een miljonairswoning aan de Malaja Nikitskaja” betrok, “de art-nouveauvilla van Stepan Riaboesjinski, de puissant rijke handelsmagnaat die op de vlucht voor de bolsjewistische horden zijn huis met inboedel en al had moeten achterlaten.” “Gorki is een ijdel man”, zei Stalin, “We moeten hem met kabels aan de Partij binden.” Luxekabels waren kennelijk voldoende om Gorki zover te krijgen de leiding op zich te nemen van het schrijversgild (voor wie hij onder andere een reisje naar de Goelag wist te organiseren, zonder dat dat evenwel inhield dat ze niet meer konden terugkeren) en als trouwe hond van Stalin de lijnen voor dat schrijversgild uit te zetten. “Hier merkte iemand op”, zei Stalin tijdens een overhaast ten huize Gorki belegde ‘meeting’ met de andere kandidaat-‘volksschrijvers’, “dat schrijvers niet stil moeten zitten, dat zij het leven in hun land moeten kennen. De mens wordt herschapen door het leven, en jullie moeten behulpzaam zijn bij het herscheppen van zijn ziel. Dat is belangrijk, de productie van menselijke zielen. En daarom hef ik mijn glas op jullie, schrijvers, op de ingenieurs van de ziel.” Ingenieurs die het voor de simpele zielen niet al te ingewikkeld moeten maken: “Van romanpersonages eist Gorki dat ze of goed of slecht zijn. Voor twijfelaars en tobbers (en ‘Oblomovs’ die hun bed niet uit kunnen komen) is het te laat. De negentiende-eeuwse Russen, Dostojevski en zijn discipelen voorop, hebben volgens hem waardeloze werken voortgebracht, ‘waarin het wemelt van de nutteloze helden’. Helden horen types uit één stuk te zijn. Hun karakter is eenduidig en zij gaan bij voorkeur gehuld in een lange jas, waaronder zij geen seksuele verlangens koesteren. Deze asceet, lid van de Communistische Partij, is tegelijk een doorbijter en een drakendoder, maar let wel: zonder hulp van ‘het collectief’ zal hij het niet redden. Gorki verklaart het individualisme ‘bankroet’ en ‘opgebrand’. Het tiert nog voort op het kapitalistische halfrond, helaas, maar dat komt doordat de najagers van het privébezit het ‘zoölogische stadium’ nog niet zijn ontgroeid. Als je de redenering doorvoert, wat Gorki consequent doet, is ook de schrijver als individu een anachronisme. Kunst onder het communisme wordt door het volk voortgebracht, nog even en de naam van de maker doet er niet meer toe. Gorki: ‘Als arbeiders in brigades beton kunnen storten, waarom zouden brigades van schrijvers dan geen gezamenlijk boek kunnen produceren?’” Iets wat na het plezierreisje naar de Goelag ook gebeurt: zesendertig schrijvers samen publiceren Belomor, ofte voluit Belomor, de geschiedenis van de bouw van het kanaal genaamd J.V. Stalin tussen de Witte Zee en de Baltische Zee, daarmee het fundament leggend van een heel genre, een genre dat – mijns inziens – dodelijk oninteressant is (wat niet geeft, want er wordt ook niet uit geciteerd in dit boek), maar waarrond Westerman zijn ‘plot’ heeft opgebouwd, een plot bestaande uit feiten, uit wat de schrijvers daarmee uitgevreten hebben, en uit wat er van die feiten én schrijvers is geworden.

En zo neemt Westerman de lezer mee van de jeugd van Paustovski (waarin hij wellicht “zijn haast encyclopedische kennis van bloemen en planten” opdeed), over – hij is nu eenmaal Schrijver nummer 1 – nog eens Gorki (die “verkondigde dat, zodra de klassestrijd getreden was, de Sovjet-mens zijn handen vrij had om het gevecht aan te gaan met zijn laatste vijand: de natuur”), naar Ilja Iljitsj, directeur van het Paustovskicentrum in Moskou, dat Westerman, die gedurende een aantal jaren als schrijver-journalist woonde en werkte in de stad, al een paar keer eerder had gezien, maar nog niet eerder bezocht: “Ilja Iljitsj pakte een beduimeld schrift uit de vensterbank, zette zijn leesbril op en tuurde over een handgeschreven lijst Paustovskivertalingen. ‘Kara Bogaz is er, eens kijken… in het Deens, Duits, Grieks, Japans en aha… in het Nederlands. Uitgeverij Pegasus. Amsterdam, 1935. Vertaald door ‘Ban het Reve’. Spreek ik dat goed uit?’ De professor keek mij triomfantelijk over zijn halve glazen aan. Ik stond versteld. Ik wist dat Gerard van het Reve senior, destijds voorzitter van de Vereeniging Vrienden van de Sovjet-Unie, samen met zijn tienerzoon Karel in de jaren dertig twee Paustovskititels had vertaald (Kara Bogaz en Kolchis, het land der nieuwe argonauten). Maar ik had niet durven vermoeden dat deze wetenschap tot een rommelzolder in Moskou was doorgedrongen.”

Iets wat Paustovski kennelijk niét tot Kara Bogaz gedaan heeft: “Hij is tot Krasnovodsk gekomen, daar raakte hij door zijn voorschot heen. Toen is hij via Bakoe teruggereisd.” Wat Paustovski niet in zijn memoires schrijft, in tegendeel: “Ik woon in een huis van triplex aan de oever van de baai van Kara Bogaz.” “(…) kleine omgerijmdheden”, zoals Iljitsj zegt, wat in een staat als de Sovjet-Unie ongetwijfeld ook klopte. Of Paustovski kwam niet alleen “zielskracht en tijd te kort om behoorlijk wijs te kunnen worden uit de bliksemsnelle vlucht die de geschiedenis nam”. Een “vlucht” die zo snel moest verlopen dat zelfs de volledigheid van woorden er bij moest inboeten: “Natuurlijk stond niemand afwijzend tegenover de alfabetisering, ook Paustovski niet. Hij had alleen bedenkingen bij de manier waarop het instrument van de taal onder het volk werd verbreid. In het Russisch heette deze campagne likvidatsija bezgramotnosti (letterlijk: de liquidatie van de ongeletterdheid). Aangezien dit een tongbreker was waar uitgerekend analfabeten moeite mee hadden, werd dit begrip afgekort tot ‘LikBez’. Er verschenen ‘LikBez’-scholen en ‘LikBez’-onderwijzers. In diezelfde tijd raakten ProletKoelt (proletarische cultuur) en AgitProp (agitatie-propaganda) in zwang ter ondersteuning van de KomPartija (Communistische Partij). Paustovski gruwde van zulke ‘bespottelijke afkortingen’ die binnen een paar jaar ‘de omvang van een ramp’ aannamen. Ze transformeerden de Russische taal in gutturaal gestotter. Het Sovjet-instituut dat zich bezighield met de waterbouw in Midden-Azië heette SredAzHidroProjekt en de zusterinstelling die zich toelegde op de katoenteelt: SredAzHidroVodChlopok. Binnen de marges die de censuurinstelling Glavlit hem toestond, verzette Paustovski zich met al zijn lyrische kracht tegen dit ambtenarengebrabbel.”

Maar goed, verder reizen we weer, door tijd en door ruimte. Naar Isaak Babel, bijvoorbeeld, waarmee Paustovski in 1921 in Odessa bevriend raakte en die volgens hem “De eerste echte Sovjet-schrijver” was. Naar de “lichtcampagne” van Lenin: “Communisme = Sovjet-macht + Elektrificatie van het hele land”. Naar Gleb Krzjizjanovski (niet te verwarren met Sigizmoend Krzjizjanovski, wiens De terugkeer van Münchhausen ik eerder besprak) die “de volmacht van Stalin [kreeg] om de loop van drie rivieren om te keren”, wat meteen het rijmpje deed ontstaan dat “Sovjet-rivieren stromen/waarheen de bolsjewieken dromen”. Naar Andrej Platonov en in het bijzonder diens De sluizen van Jepifan, een verhaal dat opgenomen werd in de bundel In deze prachtige, grimmige wereld die ik eerder besprak. Naar Karl Wittfogel en zijn boek over Oriental Despotism: “In dat werk, zo verzekerde onze antropologiedocent, wordt de stelling onderbouwd dat irrigatie tot tirannie leidt”, een stelling die Westerman uiteindelijk tegen het licht van de grote ‘waterwerken’ in het algemeen gaat houden. Naar Boris Pilnjak, geboren als Boris Andrejevitsj Vogau, die in 1929 zijn novelle Roodhout uitgaf “bij een Russische emigrantenuitgeverij in Berlijn” en daarmee “literair hoogverraad” pleegde, maar makkelijker dan Platonov de kans kreeg zijn naam te zuiveren: “Haastig componerend begint hij aan een socialistisch-realistische roman: De Wolga mondt uit in de Kaspische Zee. Het boek is één lange weg naar Canossa. Pilnjak wijkt in dit productie-epos geen millimeter af van de partijlijn, en wat betreft zijn thematiek speelt hij op zeker: dammenbouw, navigatie, irrigatie, de titanenstrijd van een Sovjet-ingenieur tegen een saboteur – alles zit erin”. Naar het eerder genoemde GlavLit: “Zonder GlavLit was het totalitarisme in de Sovjet-Unie ondenkbaar. Routinematig bemoeide de censuurinstelling zich met het ontwerp van rijbewijzen, de belettering van zwemdiploma’s, motiefjes van zakdoeken, de handleiding bij koffiemolentjes. Zij bezat alle papiervoorraden van de Sovjet-Unie. Lenin had de Glavnoje Oepravdenije po delam Literatoeroe in juni 1922 in het leven geroepen als onderdeel van het ministerie van Onderwijs, met de opdracht ‘alle vormen van censuur te verenigen.’” Wie meent een tegenstelling te zien tussen onderwijs en censuur, is duidelijk noch een Sovjetleider, noch een ‘democraat’ zoals die tegenwoordig in het westen de dans leidt. Noch overigens zou hij een geschikte, zij het dan niet noodzakelijk geschikt blijvende, inwoner van Peredelkino geweest zijn, “de eerste van staatswege onderhouden schrijverskolonie ter wereld.”: “Meteen al in de eerste zomer, die van 1935, broeit er iets aan de politieke horizon. De schrijvers krijgen Lev Kamenev en zijn vrouw Olga (een zus van Trotski) nooit te zien; hun huis van opgestapelde boomstammen blijft leeg. Kamenev blijkt te zijn opgepakt bij de massale arrestaties in verband met de moord op de Leningradse partijchef Sergej Kirov, in december 1934. In de kranten heet hij al gauw het brein achter de aanslag. Samen met een andere bolsjewiek van het eerste uur zou hij een ‘trotskistische staatsgreep’ hebben beraamd – met het dodelijke schot op Kirov als startsein.” “Gorki maant Stalin tot terughoudendheid”, “Uit gepikeerdheid neemt de Georgiër in het Kremlin maandenlang geen telefoontjes meer van hem aan”, Gorki “besluit terug te keren naar Italië om zich te bezinnen op zijn verzoening met de Sovjet-macht. Maar Stalin laat zijn buit niet meer gaan: hij weigert Gorki een uitreisvisum. De machtige voorzitter van de Sovjet-Schrijversbond is op slag een gevangene in eigen land en eigen huis, maar het is de vraag of hij van dat laatste iets merkt: Pjotr, zijn privésecretaris, is door de geheime dienst gerekruteerd; hij zorgt ervoor dat bepaalde brieven zijn meester niet meer bereiken. Op die manier schermt hij hem af van ‘schadelijke contacten’ met buitenlandse intellectuelen, die zich steeds kritischer uitlaten naarmate de rechtsgang tegen Kamenev en zijn ‘trotskistisch-terroristische cellen’ groteskere vormen aanneemt.”

Kamenev wordt in augustus 1936 geëxecuteerd, zijn tweede zoon (op zeventienjarige leeftijd) in januari 1938, zijn oudste zoon in juli 1939, zijn eerste vrouw in september 1941. Intussen redde componist Dmitri Sjostakovitsj zich het vege lijf door zijn Vierde Symfonie ‘terug te trekken’, een symfonie waarvan de Pravda, die uiteraard de waarheid en niks dan de waarheid publiceerde (of toch de waarheid van het regime op een zeker moment), schreef dat het om “nerveuze, verkrampte, hysterische wanklanken” zou gaan, “chaos in plaats van muziek”. Of dat ook in de Pravda stond die Gorki op zijn ziekenbed te lezen kreeg, is me niet duidelijk, maar dat het de eerste krant was die gepersonaliseerde versies uitbracht, lijkt me dat wél te zijn: “Om te voorkomen dat de achtenzestigjarige schrijver zich op zijn sterfbed nog onnodig opwindt, krijgt GlavLit opdracht om speciale edities van de Pravda te prepareren, exemplaren die uitsluitend bedoeld zijn voor Gorki, en waaruit mogelijk onthutsende berichten zijn weggelaten (…) De op de Pravda gestationeerde GlavLit-redacteur beleeft drukke nachten. Om te beginnen neemt hij alle kopij door. Zitten er schokkende meldingen bij? Verhulde formuleringen waar Gorki’s verzwakte hart niet meer tegen kan? En zo ja, is er reservekopij voorhanden? Er wordt een zetter vrijgemaakt die met de aparte pagina aan de slag gaat, en ‘s nachts na het drukken van de reguliere oplage mag niemand naar huis voordat ook deze pagina van de persen is gerold en er een toonbaar Gorki-exemplaar in elkaar is gevouwen. Een van deze bewerkte exemplaren is bewaard gebleven: een artikel over Gorki’s naderende einde op de voorpagina van de landelijke editie blijkt in zijn persoonlijke Pravda te zijn vervangen door een even groot stuk over gunstige oogstprognoses. En zo sterft Aleksej Pesjkov de Bittere [‘Gorki’ betekent ‘Bittere’, noot van mij] op 18 juni 1936 – met een als ‘Waarheid’ verpakte leugen in zijn hand.”

Niet meer dan passend voor een schrijver die leugens verkocht als waarheid, zou ik durven zeggen, en híj kreeg in ieder geval de kans een natuurlijke dood te sterven. In tegenstelling tot, bijvoorbeeld, “De eerste echte Sovjet-schrijver” Isaak Babel. Die werd “als een van de laatsten [der oorspronkelijk door de staat zeer ‘gewaardeerde’ schrijvers, noot van mij] opgehaald, toen de terreurgolf alweer over zijn hoogtepunt heen was”. Een goed half jaar later, eind januari 1940, werd hij op bevel van Stalin geëxecuteerd en in een massagraf gedumpt. “Evenals Babel (een jood met connecties in Frankrijk en België) had ook Pilnjak (een Wolga-Duitser) zijn arrestatie van tevoren zien aankomen. De flamboyante Pilnjak was niet eens verbaasd dat hij van alle Peredelkinoschrijvers in oktober 1937 als eerste aan de beurt kwam”. In april 1938 werd hij geëxecuteerd en zoals Babel na hem in een massagraf gegooid. En tussen die feiten in vraagt Louis Aragon, Frans dichter en fan van Stalin zolang die leefde en communist tot in zijn kist, zich af of “de nieuwe stalinistische grondwet”, “schitterende pagina’s over werk en vreugde van 160 miljoen mensen”, “niet de eerste plaats toekomt onder de kostbare schatten van de menselijke cultuur, nog voor de koninklijke werken van Shakespeare, Rimbaud, Goethe en Poesjkin”. Dat Aragon gezellig in Frankrijk kon blijven wonen, verhinderde in ieder geval dat hij hetzelfde lot onderging als zijn Russische collega’s: “De idylle van Peredelkino werd in de jaren ‘37-’39 zeven keer verstoord door de komst van een NKVD-arrestatieteam. Ook voor de enthousiast onthaalde Pool Bruno Jasienski, die wegens zijn communistische agitatie uit Frankrijk was gezet, was geen plaats onder het Sovjet-gesternte. Dat hij als enige buitenlander was beloond me een datsja in de schrijverskolonie maakte op de geheime dienst geen indruk. Zijn roman De mens wisselt van huid (over de aanleg van bevloeiingskanalen langs de Amoe Darja) werd na zijn terechtstelling als een subversief boek in de ban gedaan – nog geen vier jaar na verschijning. En zo dunde Gorki’s waterbouwbibliotheek steeds verder uit. Ook de laatst toegevoegde bijdrage over de aanleg van het Moskou-Wolgakanaal (Van misdaad tot arbeid), was gelijk met de auteur (Leopold Averbach) van het toneel verwijderd. De waarschuwing van Andrej Platonov uit De sluizen van Jepifan, dat grootschalige waterwerken tot grootschalige terreur uitnodigen [een variant op de bewering van Karl Wittfogel dus, noot van mij], kwam uit.”

Maar daarmee is dit boek nog niet… uit. Westerman neemt de lezer na een uitgebreide stop bij Peredelkino verder mee op reis naar Turkmenistan, voormalig wingewest, zeg maar kolonie, van de centrale Sovjet-instanties in Moskou, al mocht het dan uiteraard niet zo genoemd worden: “(…) ze reserveerden het [woord] alleen voor de overzeese gebiedsdelen van de Europese roofstaten, die de wereldzeeën afschuimden omdat ze zich in het ‘terminale stadium van het kapitalisme’ bevonden.” “De selectieve toepassing van het Sovjet-vocabulaire was mij hoe langer hoe meer gaan fascineren”, schrijft Westerman. “Van ‘imperialisme’ of ‘expansiedrift’ kon onder de dictatuur van het proletariaat uiteraard geen sprake zijn; daarom heette het dat de Turks- en Perzischtalige volken van Midden-Azië door de roodgardisten waren ‘bevrijd’; ze kregen als broedernaties technische bijstand bij het overwinnen van hun achterlijkheid.” Wie wil weten wat het nog levende erfgoed van de Sovjets is, kan volstaan met luisteren naar uitleg van Donald Trump over het ‘bevrijden’ van Venezuela, Iran of – daar is op het moment waarop ik deze boekbespreking schrijf, half maart 2026, ook al sprake van – Cuba. Wie dan weer het bouwkundig erfgoed van de Sovjets wil zien, kan bijvoorbeeld gaan kijken naar het Leninkanaal, later Turkmeens hoofdkanaal genoemd, vervolgens Turkmenbaşikanaal, dat weigerde te doen wat de ingenieurs (van het water, niet die van de ziel) er van wilden, zijnde het water van de Amu Darja vlotjes langs de steppen van de Karakum laten doorstromen tot dicht bij de Kaspische Zee, en tegenwoordig nog moet opengehouden worden door “hypophthalmichthys molitrix (…) ook wel bekend als de zilverkarper”, een ideetje van Dzjamar Alijev, een van de gesprekspartners van Westerman in Turkmenistan.

Dat laatste – “Westerman in Turkmenistan” - rijmt, dus het is waar, wordt dan wel eens beweerd, al was dat in de Sovjet-Unie van na de Tweede Wereldoorlog, waar we intussen tijdsgewijs in schrijversland heen gereisd zijn, niet noodzakelijk een aanbeveling: “Met een reeks oekazes had Stalin een einde gemaakt aan de uitzonderingstoestand die in de oorlogsjaren van kracht was geweest. De implementatie van het aangescherpte beleid liet hij over aan Andrej Zjdanov, die namens het Politbureau over het domein van de schone kunsten waakte. Als gezant van Stalin was deze strenge ideoloog ook diegene die het Sovjet-schrijverscongres in 1934 had voorgehouden wat het socialistisch realisme precies inhield. Maar de naleving van die doctrine was verwaterd. Zjdanov pakte zijn nieuwe opdracht sluw aan. Om te beginnen zocht hij twee zondebokken uit: de Leningradse satiricus Michail Zjosjenko, en de dichteres Anna Achmatova. ‘Onze literatuur kent niets weerzinwekkenders dan de moraal die Zjosjenko verkondigt,’ betoogde Zjdanov. ‘Zijn geschriften zijn ideologisch leeg, vulgair en gericht op het desoriënteren van de Sovjet-jeugd.’ Voor Achmatova toonde hij nog minder respect, omdat haar poëzie opzettelijk pessimistisch en esthetisch zou zijn. ‘Zij is half hoer, half non,’ oordeelde de cultuurinspecteur.” Goed dat er nog eerlijke lieden als Aleksej Tolstoj (niet te verwarren met zijn verre verwant Leo Tolstoj) waren, iemand die de ‘Schrijversbond’ uit de veilige handen van Gorki had overgenomen, een “letterknecht”, zoals Westerman hem terecht noemt, “die eerder tsaar Peters biografie had aangepast aan Stalins voorkeuren” en “in 1945 een toneelstuk over het leven van de gevreesde Ivan [voltooide], dat onmiddellijk werd verfilmd” omdat de heer Stalin zich graag aan genaamde Ivan de Verschrikkelijke spiegelde. “Gorki was gestorven, terwijl grootheden als Pilnjak, Babel en Mandelsjtam fysiek uit de weg waren geruimd. Er was niemand meer van enige statuur om je op te verlaten. Boris Pasternak, die in 1944 weer een cyclus gedichten in de legerkrant Rode Ster had mogen publiceren, vluchtte in vertaalwerk. Met Shakespeare en Goethe kon hij jarenlang vooruit. Een veilige wijkplaats waren ook de kinderrijmpjes (waar de Peredelkinobewoner Tsjoekovski zich in specialiseerde) en de fabels (de nieuwe bezigheid van de natuurvorser Michail Privsjin). Anderen, zoals Joeri Olesja uit Odessa, zochten het in de drank; weer anderen volgden het voorbeeld van Marina Tsvetajeva, de dichteres die zich in 1941 had verhangen.” “In De familie Ivanov”, eveneens opgenomen in de bundel die ik eerder van hem vernoemde, “ontleedde Platonov zin voor zin de vertwijfeling van de soldaat die vreest dat hij nooit meer zal kunnen aarden als vader en kostwinner. De herkenbaarheid van de situatie greep de lezer bij de keel en voerde hem ademloos naar het explosieve, maar pedagogisch verantwoorde slot: op weg naar zijn minnares springt Ivanov uit de rijdende trein wanneer hij in de verte zijn twee kinderen achter hem aan ziet hollen. ‘Een cynische aanfluiting en een ontering van de Sovjet-mens,’ schreef een door Zjdanov geïnspireerde criticus. Want welke Sovjet-militair, een triomfator nog wel, toont er nu zwakheid van karakter? ‘De familie Ivanov is een lasterlijke vervalsing van onze Sovjet-werkelijkheid.’ Na deze veroordeling lag Andrej Platonov er definitief uit. De laatste jaren van zijn leven bewoonde hij kamer 27 in een zijvleugel van het Gorki Literatuur Instituut. Hij greep naar de wodka, verwaarloosde zichzelf en werd door leerling-schrijvers aangezien voor de conciërge. Als docent aan deze schrijversvakschool zag Konstantin Paustovki hem op de binnenplaats wegkwijnen. ‘Die man die daar de stoep veegt,’ zo had hij eens in de beslotenheid van het klaslokaal opgemerkt. ‘Dat is een genie.’ Toch durfde geen van de literatuurdocenten, ook Paustovski niet, zich over hem te ontfermen. Wie zich associeerde met een uitgestotene liep het gevaar zelf uitgestoten te worden, en de vrees daarvoor was zo groot dat niemand zich na Platonovs dood (hij stierf op 9 januari 1951) aan een lovende necrologie of een andere geste van waardering had gewaagd.”

Iets wat Westerman met dit boek wél heeft gedaan en dat niet alleen voor Platonov. Ook voor die Sovjet-schrijvers waarvoor die necrologie onmogelijk waarderend kon zijn. En die in het laatste hoofdstuk Liriki vs fiziki dan wel niet in een duel tegenover de ingenieurs (de genaamde “fiziki”) komen te staan, maar bij monde van professor Aleksandr Velikanov, werkzaam aan het nog steeds bestaande (of minstens in de tijd dat Westerman dit boek schreef nog bestaande) Moskouse Instituut voor Watervraagstukken wel schuldig verklaard worden aan het falen van die laatste: “Aleksandr Velikanov was een ombuiger van het eerste uur. Juist in de tijd dat hij afstudeerde, in 1955, gelastte het Centraal Comité het treffen van voorbereidingen voor de omkering van vijf rivieren (drie in Europees Rusland en twee in Siberië). Het Instituut voor Watervraagstukken kreeg de supervisie over al het benodigde vooronderzoek. ‘Onze middelen waren onbeperkt,’ zei de professor met een zweem van nostalgie. ‘We kregen een eigen vloot, een netwerk van meetstations, helikopters voor onze veldexpedities, wat we maar nodig hadden.’ Al gauw werkten er 68 000 stafmedewerkers van een zeventigtal wetenschappelijke instellingen aan de bestudering van de deelfacetten. ‘Maar let wel: er bestaat een verschil tussen een project en een prozject.’ Dat laatste woord sprak hij zo geaffecteerd mogelijk uit, op z’n Frans. In die aanstellerige variant, zo verduidelijkte hij, had Nikolaj Gogol – zijn favoriete schrijver – dat woord al in de negentiende eeuw voorbehouden aan luchtfietserij. ‘Perebroska op zich was een gewoon project. Nuttig, haalbaar. Maar sommigen van ons lieten zich het hoofd op hol brengen. Die droomden er bijvoorbeeld van om kanalen te graven meet behulp van gecontroleerde kernexplosies.’ ‘Een prozject?’ ‘Ja,’ zei Velikanov. ‘Maar het trieste was: zulke kernproeven zijn daadwerkelijk genomen in de Oeral, in het kader van ‘Vredesatoom’. Dat was een onderzoek naar vreedzame toepassingen van kernexplosies in de waterbouw.’ Volgens de professor lag de verantwoordelijkheid voor het ‘prozject-denken’ bij de Sovjet-schrijvers: die dreven de fiziki tot steeds grotere, en op den duur onzinnige prestaties. In de tijd van Gogol, nota bene onder het strenge tsarenbewind, leverden de schrijvers ten minste nog maatschappijkritiek. ‘Maar wij werden uitsluitend bedolven onder loftuitingen. De dammen en de gemalen die we ontwierpen heetten steevast ‘monumentaler dan de Egyptische piramiden’. Zo stond het in onze kranten. Zie dan maar eens de juiste proporties in het oog te houden!’”

De schrijvers hadden het dus gedaan, de ingenieurs van de ziel hadden ook de ziel van de ingenieurs bewerkt. In dwingende opdracht van Stalin, maar – volgens de ingenieurs - kennelijk ook nog na diens dood en afschrijving. Ondanks het feit dat zélfs een Ilja Ehrenburg, de man die bijna in zijn eentje de Russische propagandamachine draaiende hield tijdens de Tweede Wereldoorlog en voor wie de Sovjet-soldaten onmogelijk ooit genoeg konden moorden, verkrachten en plunderen, in 1954 een novelle onder de titel Dooi, “de benaming die het tijdperk-Chroesjtsjov zal typeren”, gepubliceerd had “waarin een kunstenaar voorkomt ‘die net als iedereen kuipt, intrigeert en liegt’”. Ondanks het gegeven ook dat Jevgeni Jevtoesjenko (die van 1989 tot 1991 nog lid van de Opperste, en laatste, Sovjet zou worden) er voor pleitte om “de woorden hun oorspronkelijke klank terug te geven”. En ondanks de kritiek die Paustovski leverde “op de gekunsteldheid van de Sovjet-literatuur: te veel boeken stralen volgens hem ‘onmacht’ uit; ze ademen ‘een schijnopgewektheid die echte vreugde, vooral arbeidsvreugde, moet suggereren’”. “In december 1962 verscheen er”, onder “persoonlijke supervisie” van Chroesjtsjov, “een novelle over de Goelag. Het ging om Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj van Aleksandr Solzjenitsyn, een onbekende wiskundige die een literaire vorm had gegeven aan zijn kampervaring in Kazachtstan. Zijn kille registratie van alledaagse wreedheid in een van Stalins strafkolonies, van ochtend- tot avondappel, zou het culminatiepunt van Chroesjtsjovs dooi blijken: de verschijning van een zo ontluisterend relaas voerde de conservatieve leden van het Politburo te ver. Nog geen twee jaar later, op het partijplenum van 14 oktober 1964, moest de mijnwerkerszoon Chroesjtsjov het veld ruimen voor Leonid Brezjnev.” De schrijver had zijn werk gedaan met niet alleen de goedkeuring van de opvolger van Stalin, maar ook onder diens persoonlijke toezicht, en dit keer kostte dat de leider zelfs eerder zijn carrière dan de schrijver.

Wat niet belette dat schrijvers zelfs de ‘waterwerken’ gingen bekritiseren vanaf halverwege de jaren 1960: “Voor het eerst sinds Gorki de Sovjet-schrijver heeft opgedragen om de opbouw van het socialisme met heel zijn artistieke vermogen te prijzen, zetten de liriki vraagtekens bij het werk van de fiziki. Jevgeni Jevtoesjenko breekt in zijn gedicht ‘De elektrische centrale van Bratsk’ (1965) met de traditie om stuwdammen te vergelijken met de Egyptische piramiden. Die laatste zijn immers ‘het zinnebeeld van nutteloosheid en vernederende slavernij’? Twee jaar later omschrijft een van Paustovski’s leerlingen van het Gorki Instituut de aanleg van het Turkmeense Hoofdkanaal als een ‘zinloze onderneming’. Nog even, en ook de zegeningen van de stuwdammenbouw worden in twijfel getrokken. Wanneer Valentin Raspoetin [u mogelijk bekend van het door mij eerder besproken De laatste termijn, noot van mij] in 1976 een manuscript indient over het leven in een Siberisch dorp zijn de censors met een handvol schrappingen tevreden. Zij beseffen niet dat Afscheid van Matjora zich laat lezen als een aanklacht tegen de bouwwerken van de Sovjet-ingenieur. Het boek beschrijft de laatste zomer van het gehucht Matjora voordat het door het stuwmeer van Bratsk wordt opgeslokt. De notie dat de lezer partij zou kunnen kiezen voor de kibbelende baboesjka’s van Matjora, en dus tegen de elektriciteitsopwekking voor nieuwe socialistische fabriekscomplexen, gaat er bij de GlavLit-ambtenaren niet in.” Tot het protest aanzwelt allicht: “Na decennia wikken en wegen kiest de USSR onder (…) leiding [van Brezjnev] voor de daadwerkelijke uitvoering van de rivieromkering: onder de naam ‘De Zuidelijke Strategie’ beveelt Brezjnev in 1977 een versnelde ombuiging van vijf rivieren in Europees Rusland en Siberië. Twee jaar later presenteren de waterbouwers hun definitieve ontwerp voor de jaarlijkse overheveling van zestig kubieke kilometer water. Het eerste en makkelijkste onderdeel van deze ‘rationele herverdeling van Sovjet-watervoorraden’, de afsluiting van de baai van Kara Bogaz, is in februari 1980 voltooid. Maar dan zwelt het koor van tegenstemmen aan. Een vlijmscherp protest van een van de dorpsschrijvers, door GlavLit geweigerd, verschijnt in 1981 in tamizdat in Parijs. De liriki uit de dorpen blijken geen onschuldige nostalgici, maar een Gideonsbende die zich op de rivierombuiging stort. Professor Velikanov was zich rot geschrokken van het ‘kudde-instinct’ van zijn tegenstanders. ‘Altijd hadden de Sovjet-schrijvers ons werk bejubeld,’ zei hij verontwaardigd. ‘Maar nu sloegen deze ‘patriotten’ als een blad aan de boom om.’” Of ze de ingenieurs nu toejuichten of hen aanvielen, of ze dat deden omdat de dictator hen daartoe dwong of net omdat de dictator hen niet meer dwong: als de plannen van de ingenieurs niet slaagden of als er uiteindelijk zelfs niet aan begonnen werd, waren de schrijvers daarvoor verantwoordelijk. Mij lijkt het dan dat de ingenieurs zielig doen, maar de weg vanaf Gorki’s terugkeer naar Rusland tot het moment dat Michail Gorbatsjov in 1986 de stopzetting van de “perebroska” beval, is met dat alles bijzonder sterk in beeld gebracht. Ik heb aan dit boek van Frank Westerman dan ook geen letter commentaar te veel besteed.

Björn Roose