Ik moet toegeven dat ik minder lang gelezen heb aan de Verzamelde
verhalen van Maarten ‘t Hart (verschenen bij De
Arbeiderspers in 2001) dan ik er over gedaan heb om aan de
bespreking ervan te beginnen. Ten eerste omdat ik eindelijk werk
moest maken van de voorbereiding van onze Italiaanse reis (al was die
qua literair niveau uiteraard niet te vergelijken met de Italienische
Reise van Johann Wolfgang von Goethe); ten tweede omdat ik nadat
ik als vervolg op het boek in kwestie Werner Herzogs Ieder voor
zich en god tegen allen had gelezen eerst dát boek moest
bespreken (wegens geleend in de openbare bibliotheek en dus niet voor
een eeuwigheid ter beschikking); ten derde omdat ik per slot van
rekening maar één avondje werk had aan de bespreking van Steden
doorkruisen het heelal van James Blish; ten vierde… ach wat, ik
had in deze bespreking eigenlijk geen zin en uitstelgedrag was
daarvan het gevolg.
Maar waaróm had ik in deze bespreking geen zin? Wel, alvast niet
omdat Maarten ‘t Hart geen goede schrijver zou zijn, want dat is
hij wel, en dat wist ik ook al van bij mijn bespreking van zijn
Mozart en de anderen.
En ook niet omdat de in deze bundel verzamelde verhalen van mindere
kwaliteit zouden zijn dan zijn andere werk. Daarvan ken ik ten eerste
alleen maar het voornoemde Mozart en de anderen en ten tweede
moet ik het eens zijn met wat de op de achterflap geciteerde
recensenten te vertellen hebben: “Ook als Maarten ‘t Hart geen
romans had geschreven zou hij zijn meesterschap in onze literatuur
hebben vastgelegd […] als verhalenschrijver”; “Deze bundel
bewijst ten overvloede dat hij als een van de weinigen in staat is
een op zichzelf niet opzienbarende anekdote om te werken tot een
voortreffelijke vertelling”; en “Hij vertelt bevlogen waar dat
moet, wordt ironisch waar dat passend is. De dialogen zijn pittig. De
nostalgie waarmee hij terugblikt op zijn kindertijd heeft een warmte
waaraan velen zich graag koesteren”. Maar misschien zag ik wél
tegen het schrijven van deze bespreking op omdat meer dan duizend
bladzijden met daarop zesenzeventig verhalen (ik kan er een naast
zitten) nu eenmaal nauwelijks samen te vatten zijn en ik u niet wil
lastig vallen met een bespreking van 30.000 tekens.
Laten we het dus maar systematisch aanpakken: “In deze
verzamelbundel zijn”, zoals ‘t Hart zelf schrijft in de helemaal
aan het einde opgenomen Verantwoording, “alle verhalen uit
Het vrome volk, Mammoet op zondag, De
zaterdagvliegers, De huismeester en De unster
[waarvan ik het titelverhaal, me dunkt, al eens gelezen had, noot van
mij] opgenomen, evenals drie verhalen die in de bundel Ongewenste
zeereis waren verstopt”. Als u al die boeken dus gelezen heeft,
kan u zich het lezen van de Verzamelde verhalen wel besparen,
ware het niet dat “ten slotte (…) ook [zijn] opgenomen ‘Een
treurige geschiedenis’, dat eerder verscheen in Tussen de
vesten, dertien Leidse schrijvers (Bzztôh, Den Haag 1977), ‘De
posthoornspion’, dat eerder verscheen in Intermagazine van
december 1981, ‘De witte nacht’, dat eerder verscheen in het
winternummer van De tweede ronde van 1981 en ‘Sex-appeal’,
eerder verschenen in Liefde, anders niet (De Arbeiderspers,
Amsterdam 1992)”.
Als u alléén al Een treurige geschiedenis niét zou gelezen
hebben, dan moet u – zelfs als u alle eerder genoemde boeken wél
gelezen heeft, uiteraard dit boek toch in huis halen, want het is –
al zou ik de verhalen van ‘t Hart in doorsnee niet als humoristisch
kenmerken – een hilarisch exemplaar. Terwijl het toch ook “sterk
autobiografisch” is, zoals “alle in deze verzamelbundel opgenomen
verhalen, behalve de verhalen ‘De beproeving’ en ‘De
vogelbezorging’ uit De huismeester en de verhalen ‘Mijn
vrouw’, ‘Bethesda’, ‘De veenmollenplaag’ en ‘De
draagmoeder’ uit De unster [waarvan Mijn vrouw en
Bethesda overigens beslist tot de minder goede in deze bundel
horen, noot van mij] (…) of zoals in ‘Een principieel weekend’,
‘Huwelijk rijmt op gruwelijk’ en ‘De ruitenwissers’ aan (…)
[de auteur] als ik-figuur verteld worden”. Voor wie al vele
verhalen van ‘t Hart gelezen heeft, is dít misschien een extra
motivatie om alsnog deze bundel ter hand te nemen: “(…) voor deze
uitgave [heb ik ze] gerangschikt in chronologische volgorde naar de
leeftijd van de ik- of hij-figuur. Een enkele maal leverde dat
problemen op omdat sommige verhalen zich op verschillende tijdstippen
in het leven van de ik-figuur afspelen. In die gevallen zijn de
verhalen zo veel mogelijk in de meest passende context geplaatst”.
En, als kers op de taart: “Aan deze herdruk”, want een eerste
druk verscheen in 1992, “zijn vier nieuwe verhalen toegevoegd.
Omdat zij, daar ze alle in een recent verleden spelen, geen
specifieke problemen opleverden ten aanzien van de chronologie, zijn
ze niet tussen de eerdere verhalen geplaatst, maar aan het eind van
deze verhalenbundel.” Die verhalen heten De glazen toren
(over hoe de auteur
er voor het eerst op uittrekt verkleed als vrouw), De
hockeystick (over
sadomasochisme), Kramsvogels (over zijn
hartstoornissen) en Het gouden kruisje
(over het verdriet van een vriend om een hoer), en die moet u
dus missen als u wél alle andere boeken van ‘t Hart heeft gelezen
(tenzij er intussen weer een andere verzameling is verschenen,
natuurlijk), maar Verzamelde verhalen niét.
Aan dat uitgebreide geciteer uit de Verantwoording – had ie
die maar niet moeten schrijven – voeg ik graag nog een en ander toe
dat Wikipedia weet te melden en dat ook als materiaal gebruikt
is in deze (grotendeels) autobiografische verhalen: ‘t Hart werd
geboren in een gereformeerd gezin (al zegt dat een gemiddelde Vlaming
zo goed als niks) als zoon van een grafmaker en bezocht het Groen van
Prinstererlyceum in Vlaardingen alvorens biologie te gaan studeren
aan de Rijksuniversiteit Leiden. Hij werkte als etholoog en was de
auteur van “populair-wetenschappelijke” publicaties als Ratten
(1973) en De stekelbaars (1978). Hij brak met het christelijk
geloof (en dat niet op de manier waarop katholieken dat doorgaans
doen, zijnde door het ergens in een hoek te laten liggen omdat ze er
sowieso geen last van hadden, maar vanuit een kwaadheid die hij ook
al wist te verzamelen in Wie God verlaat heeft niets te vrezen
en De bril van God), brak als romanschrijver door met Een
vlucht regenwulpen (verfilmd met onder andere Jeroen Krabbé en
Willeke van Ammelrooy, een film die het onderwerp is van het verhaal
De witte nacht), kreeg vanwege De vrouw bestaat niet de
wind van voren vanuit “feministische kringen”, en verkleedde zich
– zoals hierboven reeds kort vermeld - wel eens als vrouw. En dat
hij “een zeer hartstochtelijk liefhebber en kenner van klassieke
muziek” is, iets wat onder andere te pas komt in de verhalen
Hoogzomer in april en Het
Russische Concert, dat wist u natuurlijk al, tenminste als u mijn
bespreking van Mozart en de anderen heeft gelezen.
Ik ga u dus – ik lui, u blij – verder niet meer al te veel lastig
vallen met het (auto)biografische aspect van deze verhalen. Het is
voldoende dat u weet dat dat groot is en voor móói werk heeft
gezorgd. Mooi werk dat in verhalen als Het dal van Hinnom, Het
braakland, De bunzing, en Het paard ook enorm
nostalgisch is en getuigt (of moet getuigen, ook autobiografieën
worden nu eenmaal bijgekleurd vanuit het latere ik) van een vroege
dierenliefde, een niet passen in het ruwe milieu dat de jonge ‘t
Hart omringde, en een wel zeer premature twijfel aan het geloof dat
ook al eigen is aan dat milieu. Het brandende braambos lijkt
bij die verhalen aan te sluiten, het handelt per slot van rekening
over het eerste – niet echt doorgegane – seksuele avontuur van de
auteur, maar ‘t Hart weet het zo grappig te brengen, dat heen en
weer geslingerd worden tussen hel (een ongelovig meisje) en hemel
(waar hij en zij heen kunnen als hij haar kan bekeren), dat ik er een
aantal keren strike van gelegen heb en dat het beslist aparte
vermelding verdient.
Bij De aardbeving komt nauwelijks een aardbeving kijken, maar
wel veel school, in De hond komt de hond er met de schrik
vanaf, in Velasques Keurkorps Major is de man van de
sigarenbandjes de sigaar, in Jaap Schaap mag het Schaap
uiteindelijk eens de kudde toespreken, en bij De tegenspeler
draait het om schaatsen
en schaken en krijg je er deze prachtige beschrijving van kou en
blauw bovenop: “De koude kreeg steeds meer vat op me, bevond zich
al onder mijn muts en achter mijn oren, had, op twee fronten
aanvallend, ook mijn knieën al bereikt, begon zich tussen mijn dijen
te nestelen. Maar de wereld was blauw, diepblauw, enkel nog blauw –
een kleur die geen kleur was, maar iets duurzamers, wezenlijkers en
tegelijk onwerkelijkers.”
De vloekende dievegge
is eigenlijk te kort om er wat over te vertellen, tenzij dan dat de
dievegge in kwestie geen ekster is maar een kauw. Het stilleven
roept toch wel een en ander wakker bij degene voor wie het bestemd
is. In Derde liefde speelt de jonge Maarten een beetje buiten
zijn leeftijdscategorie (met een gevoel dat iedere jongen kent die
wel eens verliefd geweest is op, pakweg, die toch niet zo veel oudere
juffrouw van tekenen). In Handel speelt diezelfde Maarten al
orgel. En Concurrentie blijkt er ook in diens vaders business
te zijn.
In Tijdelijk dienstverband maken we kennis met de vrijgezel
tegen heug en meug Hendrik Boog. In De zaterdagvliegers
vernemen we dat er ook zondagvliegers zijn van wie één
zaterdagvlieger in het bijzonder verneemt wat vliegen op weduwschap
is. In Een nachtgezicht compenseert een man voor zijn leven
als quasi-weduwnaar. In Sintmichielszomer leert ‘t Hart waar
kinderen vandaan komen. En in Mammoet op zondag komt een
mammoet-droogdok voorbij het Maassluis waar ‘t Hart opgroeit en
leert de lezer dat ‘hervormd’ iets anders is dan ‘gereformeerd’
en zélfs nog iets anders dan ‘hervormd op grote wielen’: “Zij
zou niet in de kerk zitten, zij was hervormd op grote wielen, een
groot gevaar dus voor elke geformeerde jongen. Erger dan hervormd op
grote wielen bestond niet: dat het mogelijk zou zijn om iets met een
meisje te hebben dat helemaal niets was, was zo ondenkbaar dat er
niet eens over gesproken werd. Hervormd op grote wielen was de
uiterste grens. Misschien was ik daarom wel verliefd op haar geworden”.
En in deze boekbespreking ga ik beslist niet élk verhaal op deze
manier afhandelen. Ouderlingenbezoek deed me wat denken aan
een bepaalde scène in Een vlucht regenwulpen. Die waarin de
ouderlingen op bezoek komen, inderdaad. Maar in dat verhaal duidde ik
ook deze ene zin aan: “Bij elke naam stokte hij even; sommige namen
verlieten in brokstukken zijn mond.” Zoals ik in Microklimaat
die ene zin helemaal aan het begin aanstreepte: “Het alfabet had
ons samengebracht”. En in Het betegelde pad: “Ik nam een
paar kroketten die zo goedkoop bleken te zijn dat ze wel voor
driekwart uit subsidie moesten bestaan.” En in Rat op rum
deze paar zinnen: “Hier zou zo dadelijk, daar kon vergif op worden
ingenomen, het vreselijkste beginnen dat de schepping te bieden
heeft: een vergadering. Ja, misschien zijn concentratiekampen nog
veel erger maar aan de stichting daarvan liggen ongetwijfeld ook
steeds vergaderingen ten grondslag”. En in De waterstaafwants
deze: “Kennen jullie overigens, nu we het over kevers hebben, het
mooie verhaal van Schrödinger die het prachtige boekje What is
life schreef? Als je de hele schepping nu overziet, meneer
Schrödinger, vroegen ze hem, wat kun je dan concluderen over God?
Dat Hij een abnormale voorliefde voor kevers heeft, zei Schrödinger.
Dat is goed gezien: veertig procent van alle insectensoorten zijn
kevers, en er zijn op de hele wereld veel meer kevers dan enig ander
soort dier”. En in De onbekenden wou ik de hele eerste
paragraaf citeren, maar uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat de
kennismaking van ‘t Hart met die andere Maarten, Biesheuvel (beter
bekend als J.M.A. Biesheuvel, auteur van onder andere de
verhalenbundel In de bovenkooi) als geheel zo grappig was dat
het niet loont er één paragraaf uit te halen. Iets wat ook geldt
voor De ziekte van Ménière, De huismeester,
Engagement, Drempel, Zondagavondslang, Een
principieel weekend, De eerste lichting, Onder de witte
knop (over voortdurend gestoord
worden door de telefoon in tijden waarin er nog niet eens sprake was
van gsm’s), De glasplaat, en het al eerder vermelde
Een treurige geschiedenis (een verre van treurige
geschiedenis), maar in het geheel niet voor De versnijdenis en
Het longvolume, waar de lezer vooral uit kan leren waar een
leraar moet mee leven als hij, zoals ‘t Hart, absoluut niet
geschikt is om dat vak uit te oefenen: “De eerste leerlingen
betraden joelend het lokaal. Dat moment – het is niet te
beschrijven. Het lijkt of er iets in je afsterft, of je
spijsvertering tot stilstand komt, op de galblaas na. Vanaf de nek
tot het staartbeentje kruipt er een schorpioen over je ruggenwervels
en de tenen krommen zich als voor een noodsprong.”
Iets wat mijn tenen niet doen als ‘t Hart aan een van zijn verhalen
over zijn liefdesperikelen begint (zie onder andere Paard jagend
op buizerd en
De beproeving), verhalen die zoals de andere mooi
verteld zijn, verhalen waar ik niet van ga lopen, maar verhalen die
voor mij ook niet hoeven. Andermans zieleroerselen interesseren me
eigenlijk bitter weinig – van de mijne ben ik ook niet meteen
bezeten –, evenmin als de pathetische afkeer die ‘t Hart voelt
voor het Sinterklaasfeest (zie De oneindigheid), of z’n
interesse voor hoeren (zie Wonen op de Wallen), maar ik eindig
deze boekbespreking graag met het feit dat zijn beschrijving van zijn
ontmoeting met Werner Herzog, die ik uiteraard niet zomaar noemde in
het begin van deze bespreking, een ontmoeting waarvan de gevolgen
beschreven worden in het meer dan dertig bladzijden lange verhaal
Ongewenste zeereis (klaarblijkelijk echt een soortement
gruwelavontuur voor ‘t Hart), me aanzette om me te verdiepen in
werken van en over Herzog. Zeker geen ongewenst vervolg van een zeer
graag gelezen verhalenbundel.
Björn Roose






