Laat ons wel wezen, als een Duitstalige informatiebron je aanduidt
als “geschichtsrevisionistischer Historiker”, heeft die je
nog net niet als een crimineel bestempeld, maar toch z’n best
gedaan er de rest van de wereld van te overtuigen dat je min of meer
openlijk een nazi bent. Dat is dus allicht ook wat de bedoeling is
als Werner Maser, auteur van voorliggend Tribunaal van Neurenberg
– Het nazi-regime voor zijn rechters, op Wikipedia aldus
aangeduid wordt. Terwijl een sterke neiging tot revisionisme volgens
mij het absolute en enige waarmerk van een waarachtig historicus is:
wie de geschiedenis niet wenst te herschrijven, kan beter drukker
worden en oude ‘waarheden’ verspreiden. Iets waar elk weldenkend
mens het ongetwijfeld mee eens is – ja, dat is een retorische truc,
ik geef het toe – als het bijvoorbeeld de officiële
Sovjet-literatuur aangaat of de propagandageschriften van Mao of de
verkoopspraatjes van Pol Pot, maar wat nog steeds not done is
waar het geofficialiseerde ‘waarheden’ over de geschiedenis van
het nationaal-socialisme betreft. Die dienen, ook los van bepaalde
cijfers, niet onder de lamp gehouden te worden, want dan zouden er
direct slechte mensen opstaan die de hele zaak nog eens, euh, zouden overdoen.
Dat gezegd zijnde: Werner Maser - die overigens in de eerste helft
van de jaren 1950 als wetenschappelijk assistent van
nationaal-bolsjewiek en openlijk (en veroordeeld) tegenstander van
Adolf Hitler Ernst Niekisch aan de Oost-Berlijnse
Humboldt-universiteit werkte - trekt voor zover ik (ook in dat
artikel) gelezen heb nergens de massamoord op de Europese joden in
twijfel, doet geen moeite af te bieden op de cijfers, beweert niet
dat Hitler van niks wist, heeft zich niet druk gemaakt over het al
dan niet echt zijn van het dagboek van Anne Frank, beweerde (hij
stierf in 2007) niet dat de gaskamers nooit bestaan hadden of écht
doucheruimtes waren, niets van dat alles, maar hij permitteerde het
zich onderzoek te doen naar dingen waar hij van anderen moest
afblijven, én… ontdekte zo toch een en ander dat de dappere, niet
“geschichtsrevisionistischer Historiker” nog niet gezien
hadden. De door sommige ‘ernstige’ historici als
‘Amateurhistoriker’ betitelde Maser, die in 1954
promoveerde op een doctoraat gewijd aan Die Organisierung der
Führer-Legende, slaagde er in 1951 in als eerste West-Duitse
historicus toegang tot het hoofdarchief van de NSDAP te
krijgen en kon daarin onder andere de verloren gewaande
ziekenberichten van Hitlers artsen vinden. Hij wist in 1981 ook aan
Der Stern te verklaren dat er geen enkel bewijs was dat Hitler
ooit dagboeken had geschreven, en toen in 1983 datzelfde blad die
zogenaamde dagboeken publiceerde, kon hij meedelen dat die hem al in
1976 waren aangeboden, maar dat hij ze meteen herkend had als in de
DDR gefabriceerde vervalsingen. En met betrekking tot het tribunaal
van Neurenberg, het onderwerp van dit boek, wist hij dankzij door hem
gevonden documenten aan te tonen dat de Geallieerden, voorafgaand aan
de uitwerking van de ‘wetten’ die ze in Neurenberg tegen de
terechtstaande nationaal-socialisten zouden inroepen, het voor hun
eigen militairen geldende strafrecht in geval van bevelsweigering pas
in 1944 gemilderd hadden om de verwachte Duitse verdediging op basis
van ‘Befehl ist Befehl’ te kunnen weigeren.
Typisch voor zo’n “geschichtsrevisionistischer Historiker”,
natuurlijk, zoals het voor de ‘goeie’ historici niet atypisch is
een heel werk af te kraken op basis van niet meer dan een drietal
punten (en dan nog): 1) de geheime afspraken tussen de Amerikaanse
hoofdaanklager bij het Internationaal Militair Tribunaal
(zoals het ding voluit heette) en Albert Speer konden niet bewezen
worden door Speer zelf en de zoon van Jackson (waaruit dan moest
volgen dat ze niet bestonden); 2) Maser werd er door Eugene Davidson
op gewezen dat Stalin zelf opdracht had gegeven tot het bloedbad van
Katyn (dat door de Russen, niet door Maser, op de rug van de Duitsers
werd geschoven) en dat zijn officieren hem niet verkeerd begrepen
hadden toen ze de gevangenen overbrachten uit de kampen om ze te
(laten) vermoorden; en 3) Maser zou de rol van Joachim von Ribbentrop
verkeerd hebben weergegeven (terwijl hij hem nu toch niet meteen als
onschuldig, zij het misschien wel als licht onnozel, heeft
afgeschilderd). De nieuwe uitgave van 2005 “fand”, aldus
Wikipedia, “ab da nur noch im rechtsextremen Spektrum
Zustimmung”, maar dat zal wellicht toch anders geweest zijn met
de uit 1980 daterende Nederlandse vertaling die verscheen bij
Uitgeverij Het Spectrum, tegenwoordig eigendom van Lannoo
en voor zover ik weet nooit extreem-rechts (wat daar dan ook onder
mag begrepen worden) geweest, de vertaling die ik in mijn bezit heb
en oorspronkelijk (Leve de stempels!) in de Speciale Openbare
Bibliotheek voor Caritas Verzorgingsinstellingen v.z.w. te Leuven
zat, wat dan wel een katholieke organisatie was, maar toch ook geen extreem-rechtse.
Ik houd het dus wat de beoordeling van de schrijver betreft bij wat
op de achterflap staat: “Als biograaf van Hitler en
geschiedschrijver van het nationaal-socialisme heeft Werner Maser
internationale erkenning verworven. Nu hij na jarenlang onderzoek ook
een uitvoerige en kritische beschouwing over de processen van
Neurenberg heeft samengesteld, wordt zijn reputatie als
oorspronkelijk geschiedschrijver opnieuw bevestigd”. En ik geef u
nu al graag mee wat óók nog op die achterflap staat: “De wettige
en juridische basis van het tribunaal en dus de bevoegdheid en de
gevolgde procedures worden door de auteur ‘aanvechtbaar’ genoemd
en dit leidt soms tot scherp geformuleerde conclusies. Dit boek is
‘verplichte’ lectuur voor een ieder die geïnteresseerd is in
eigentijdse geschiedenis en in het bijzonder in de Tweede
Wereldoorlog”. Of in het idee dat overwinnaars goed geplaatst zijn
om de overwonnenen in het algemeen te berechten, zou ik daar aan
toevoegen, want de prestaties van het IMT (Internationaal
Militair Tribunaal dus) werden als zó groots gezien dat ze nog
zelden als voorbeeld genomen worden, maar helaas niet kunnen
verhinderen dat, pakweg, de Amerikanen, pakweg, Venezuela kunnen
binnenvallen om de lokale dictator te ontvoeren, voor een Amerikaanse
rechtbank te brengen, en daarbij op nauwelijks enig verzet van de
rest van de wereld stuiten.
Trouwens, Maser eindigt zijn boek met de stelling dat “het proces
van Neurenberg noodzakelijk [was], en dat niet alleen voor de
toekomst van de mensheid. In de periode voor Neurenberg waren Hitler,
Mussolini, Stalin, Roosevelt en Churchill de personificatie van de
grote beslissingen op het wereldpolitieke toneel. Deze beslissingen
mondden uit in de Tweede Wereldoorlog en vormden het onderwerp van
het overwinnaarstribunaal in Neurenberg. Dat geen van deze leiders na
1939 serieus een vrede op basis van onderhandelingen wilde zolang ze
de kans hadden buit te veroveren en hun machtspolitieke
doelstellingen te realiseren, behoeft geen nader betoog. Dat ze hun
leven op een zeer verschillende manier beëindig[d]en, hing samen met
Neurenberg en de voorbereiding ervan sinds 1941. Hitler pleegde in
1945 zelfmoord. Mussolini werd kort daarvoor zonder proces door zijn
politieke tegenstanders gefusilleerd. De andere leidende figuren uit
deze periode van de geschiedenis stierven als geëerde staatslieden
in hun bed, hoewel ze zich voor een deel evenzeer aan misdrijven
schuldig hadden gemaakt als Hitler en Mussolini. Als het alleen zou
gaan om deze mannen als individu en om de oorlogsmisdadigers die in
1945 in Neurenberg veroordeeld werden als overtreders van het
volkenrecht, dan zou de historicus er met enige gelatenheid op kunnen
wijzen hoezeer er ten aanzien van deze mannen met een dubbele maat
werd gemeten. Maar de historicus mag zich een houding van gelatenheid
en afstandelijkheid niet toestaan, niet vanwege het lot van deze
mannen, maar omdat het gezag van het volkenrecht nog steeds door
staatslieden, politici en militairen met voeten wordt getreden. Sinds
Neurenberg en Tokio [waar tegenover de onderworpen Japanners een
zelfde soort ‘gerechtigheid’ werd toegepast, noot van mij] voelt
de historicus zich verplicht zich in te zetten voor het volkenrecht
op grond van de houding van de politici, die wel het minst bereid
zijn hun les uit de geschiedenis te trekken. De overwinnaars van 1945
hebben de revolutionaire stap ondernomen en de historicus moet dat
accepteren. Maar nu Neurenberg achter de rug is rest de taak niet
alleen voor de toenmalige overwinnaars, maar meer nog voor hun
opvolgers en die van elk ander land, om door hun houding tegenover
het volkenrecht duidelijk te maken welke waarde de geschiedenis aan
het overwinnaarstribunaal moet toekennen.”
Waarna ik een stapje ‘achteruit’ in dit boek doe en wijs op een
andere, op het moment dat ik dit schrijf zeer actuele, passage: “De
moordenaar die op heterdaad wordt betrapt en weet dat hij zijn leven
op de guillotine zal moeten beëindigen zodra men hem voor het
gerecht sleept en veroordeelt, zal doorgaans niet erg verstandig
reageren. De geallieerde eis van een onvoorwaardelijke overgave had
een soortgelijk effect.” Een effect dat nog altijd blijkt te
bestaan. Toen Trump Iran niet alleen liet bombarderen, maar ook liet
weten dat de Amerikanen daar pas mee zouden ophouden als Iran zich
‘onvoorwaardelijk overgaf’, werd het vuur waarmee het lokale
regime zich verdedigde niet minder, maar meer. Om exact dezelfde
redenen. Een feit waar in de Verenigde Staten bijvoorbeeld Tucker
Carlson een aantal keren op gewezen heeft, maar waar in onze
contreien kennelijk geen enkele journalist commentaar op wilde leveren.
Wat in de ogen van de (toekomstige) overwinnaar uiteraard geen
probleem is, maar in tegendeel dapper moet volgehouden worden:
“Misdrijven tegen de vrede, agressie, schendingen van de wetten van
de oorlog en misdrijven tegen de menselijkheid zijn niet uit de
wereld gebannen door een verslagen vijand te vernederen (zoals de
Romeinen door de Samnieten), noch door verdragen zoals die van
Osnabrück en Münster waarbij christelijke vroomheid het wachtwoord
was, noch door de Heilige Alliantie tussen Rusland, Oostenrijk en
Pruisen waarvan de voorwaarden meer lijken op een preek dan op een
politiek akkoord, noch door het verdrag van Versailles, dat algemeen
beschouwd wordt als ongewoon streng. Schande bleek niet preventief te
werken. De praktijk heeft zich niet gehouden aan de christelijke
boodschap van naastenliefde en vertrouwen op Gods genade; de strenge
bepalingen van het verdrag van Versailles na de Eerste Wereldoorlog
leverden het tegendeel op van wat de zegevierende machten ervan
hadden verwacht. Die gevolgen – Hitler, de Tweede Wereldoorlog,
Neurenberg – waren zo overduidelijk dat het IMT de verdachten en
hun verdedigers verbood het verdrag van Versailles aan te halen als
rechtvaardiging of motivering.”
En als er dan toch (te veel) gesproken wordt, dan zorg je ervoor dat
de spreker het zwijgen opgelegd wordt: “De verdedigers stonden niet
alleen in hun verwijt aan het hof dat het in de berechtiging van
Krupp [de industrieel die ook als een van de hoofd-‘verdachten’
terechtstond, maar dan wel tijdens een apart proces voor een zuiver
Amerikaanse rechtbank, noot van mij] onder meer voorbij was gegaan
aan de traditionele rechtsopvattingen en rechtsnormen. Nog voordat de
beschuldiging tegen Krupp was ingebracht, had hij Carl J. Carroll,
een Amerikaanse jurist uit San Francisco, gevraagd zijn verdediging
op zich te willen nemen en Carroll had gezegd daartoe bereid te zijn.
Zijn argumenten spreken voor zich. In december 1947 had Carroll van
generaal Clay de verzekering gekregen dat hij Krupp zou mogen
verdedigen ‘op dezelfde basis als elke andere Amerikaanse
advocaat’. Maar in werkelijkheid mocht hij dat niet; de Amerikanen
losten het probleem ‘diplomatiek’ op: ze weigerden hem een inreisvergunning.”
Wat weer eens wat anders was dan wat de Russen, met toestemming van
de Amerikanen, Fransen en Engelsen, deden: “Al tijdens het proces
hing er een schaduw over het gebeuren omdat Russen fungeerden als
aanklagers en rechters, terwijl zij een tijdlang aan dezelfde kant
hadden gestaan als de verdachten, aanvalsoorlogen hadden gevoerd
tegen Finland en Japan en zich in Oost-Pruisen, Silezië, Pommeren en
Mecklenburg in 1944-1945 schuldig hadden gemaakt aan verschrikkelijke
misdrijven.” Iets wat dan toch bij sommigen in het geheugen bleef
hangen: “Op 11 oktober 1950 berichtte de Chicago Daily News:
‘Telford Taylor heeft gisteren de instelling voorgesteld van een
VN-tribunaal dat alle oorlogsmisdrijven die in Korea begaan zijn –
door de Koreanen, de VN-geallieerden en zelfs de Russen – zou
moeten bestraffen. De aanklager zei in een interview dat de processen
geen herhaling zouden moeten vormen van die van Neurenberg, waar
alleen maar verslagen Duitsers in de verdachtenbank zaten. ‘Als het
volkerenrecht nog enige betekenis wil hebben,’ zei hij, ‘moeten
we beide partijen ter verantwoording roepen óf herkennen dat voor
beide partijen verzachtende omstandigheden gelden en iedereen laten
lopen.’” Ik geef u op een blaadje dat dat bijvoorbeeld niét zal
gebeuren, die gelijkberechtiging, als Rusland het onderspit moet
delven tegen Oekraïne, en dat ondanks het feit dat, bijvoorbeeld,
“Tijdens een debat in november 1950 over de juridische principes
welke in Neurenberg gehanteerd werden (…) de juridische commissie
van de algemene vergadering van de Verenigde Naties [verklaarde]:
‘Duitsers werden veroordeeld en geëxecuteerd op basis van
principes waarvan de rechtsgeldigheid nu omstreden is.’” Of zoals
de Amerikaanse senator Robert Taft zei: “In deze processen hebben
we het Russische standpunt overgenomen dat een proces gericht is op
een bepaald doel; met andere woorden: we hebben de doelstellingen van
het regeringsbeleid nagejaagd, het was ons niet te doen om recht.
Door een proces te gebruiken als een omhulsel voor politiek handelen,
hebben wij de idee van gerechtigheid in Europa voor vele jaren in
diskrediet gebracht. Alle vonnissen die in Neurenberg geveld werden,
waren doordrongen van de geest van wraak.”
Een wraak die de Sovjets voortzetten na het proces: “Na Neurenberg
overtraden zij niet alleen het handvest van Neurenberg, maar ook de
letter en de geest van het volkenrecht, de wetten van de oorlog, en
het recht op zelfbeschikking zoals dat geformuleerd is in het
Atlantische Handvest, de Geneefse conventie van 1949, talrijke
verklaringen van de Verenigde Naties en het verdrag van Wenen van
1969. De Duitse burgers, waarvan er meer dan 2 miljoen hun leven
verloren, werden onder afschuwelijke omstandigheden uit hun huis
verdreven en mochten er nooit meer terugkeren. Russen, Polen en
Tsjechen werden in de geannexeerde Duitse gebieden ondergebracht,
hetgeen allemaal in strijd is met het volkenrecht volgens de
bepalingen van artikel 8 en artikel 22 van de Geneefse Conventie van
1949.” En ze kregen daarbij al van vóór het proces hulp van de
andere ‘rechters’: “Na de Duitse overgave bijvoorbeeld hielpen
de Britten de Russen bij een genocide-actie die resulteerde in de
dood van duizenden kozakken in de buurt van het Oostenrijkse Lienz
[als er iets mis is met dit boek, zijn het de vele schrijffouten wel,
noot van mij]. Het feit dat noch de Neurenbergse verdachten noch hun
verdedigers daarvan op de hoogte werden gebracht is niet belangrijk,
omdat het IMT het tegen elkaar afwegen van schuld niet toestond.”
Om van latere gebeurtenissen maar te zwijgen, natuurlijk: “Hoe
kortzichtig en weinig realistisch de vonnissen van het IMT in dit
opzicht waren, wordt duidelijk wanneer men ziet welke rol in latere
gebeurtenissen gespeeld is door leden van de strijdkrachten van de
landen die in 1945-1946 in Neurenberg de aanklagers en de rechters
leverden. Om een paar van die gebeurtenissen te noemen: Hirosjima en
Nagasaki, Korea en Indo-China, Hongarije en Tsjechoslowakije en
Vietnam. In 1946 werden Duitse officieren gestraft met de meest zware
vonnissen – waaronder de ‘dood door de strop’, wat door
soldaten overal ter wereld als een schandelijke dood wordt gezien, en
jarenlange gevangenschap – terwijl hun opvolgers daarentegen een
heel andere behandeling kregen, vooropgesteld dat ze tot de
voormalige zegevierende landen behoorden.”
En dan moeten we het nog over de inhoudsloosheid van de benaming
Internationaal Militair Tribunaal hebben: “Geen van de
eigenlijke leden van het Tribunaal was militair in actieve dienst. De
Duitse officieren die als hoofd-oorlogsmisdadigers terechtstonden en
hun verdedigers dachten aanvankelijk dat dit in hun voordeel was,
maar ze werden al gauw uit de droom geholpen, met name door het feit
dat het IMT het gehoorzamen van bevelen van hogerhand niet als
verweer wenste te accepteren.” Plus: “Het Neurenbergse
gerechtshof noemde zichzelf ‘Internationaal’ Militair Tribunaal,
hoewel het college van rechters uitsluitend was samengeteld uit
vertegenwoordigers van de vier zegevierende mogendheden.”
Zegevierende mogendheden die ook vastbesloten waren te zegevieren op
de door hen georganiseerde processen: “Het proces was voornamelijk
gebaseerd op documenten en hun aantal[,] evaluatie en presentatie
leverden aanzienlijke problemen op. Ze bevonden zich allemaal in het
bezit van de geallieerden, die ze selecteerden en soms eigenmachtig
veranderden alvorens ze vrij te geven. Wanneer de verdediging
belangrijk bewijsmateriaal wilde hebben, ‘verdween’ dit
plotseling.” Wat dan weer geheel paste in de rest van de ‘regels’:
“De procesregels verschilden sterk van die op het continent. Zo
hoefde het ‘aan bewijsregels niet gebonden’ hof geen bewijzen te
eisen voor ‘algemeen bekende feiten’, maar kon het ambtshalve
voor kennisgeving aannemen. Dit deed onvermijdelijkerwijs afbreuk aan
de rechten van de verdachten. Net zo min als hun verdedigers mochten
zij bijvoorbeeld over ‘de dwang en de onrechtvaardigheid van
Versailles’ [spreken], zodat de beweegredenen voor het optreden en
het denken van de verdachten niet aan de hand van feiten toegelicht
konden worden. Bovendien kon het hof de pleidooien van de verdedigers
van tevoren inzien en ze inkorten – wat in enkele gevallen ook
gebeurde – en kon het van de verdediging inlichtingen eisen over de
aard van de bewijsmiddelen om de ‘relevantie’ te bepalen, waarmee
zo iets als een censurering door de aanklagers gewaarborgd was.”
Waarbij het enige wat ten voordele van die censurering kan gezegd
worden, is dat ze op z’n minst niet zoals de “misdrijven tegen de
vrede” met terugwerkende kracht werd ingevoerd. Zoals het in het
Verzoekschrift van de gezamenlijke verdedigers werd geformuleerd:
“Het huidige proces kan zich derhalve, voor zover het misdrijven
tegen de vrede dient te bestraffen, niet baseren op geldend
volkenrecht, maar is een proces op basis van nieuwe strafbepalingen…
die pas na de daad werden opgesteld. Dit is in strijd met een in de
hele wereld geheiligd principe van rechtspleging, een principe dat in
Hitler-Duitsland gedeeltelijk werd overtreden, hetgeen zowel binnen
als buiten het rijk fel werd afgekeurd. Dit principe behelst dat
alleen hij bestraft mag worden die een reeds ten tijde van zijn daad
bestaande wet, die hem met straf bedreigt, heeft overtreden. Deze
bepaling behoort tot de grote basisprincipes van de staatsorde van
juist die staten die het handvest van dit Tribunaal hebben
ondertekend, namelijk Engeland sinds de middeleeuwen, de Verenigde
Staten van Amerika sinds haar ontstaan, Frankrijk sinds zijn Grote
Revolutie, en de Sovjet-Unie.” Helaas… “Pas in november 1950,
ongeveer twee jaar na de Algemene Verklaring van de Rechten van de
Mens door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en zo’n
vier jaar nadat de als hoofdoorlogsmisdadigers aangeklaagde Duitsers
veroordeeld waren, werd men het in de Verenigde Naties erover eens
dat het met terugwerkende kracht toepassen van strafrechtelijke
bepalingen in strijd was met de mensenrechten.”
Waarmee ik rückwärts aufmarschierend van de laatste alinea’s
van dit boek tot bij het begin van hoofdstuk 14, Neurenberg als
historisch gebeuren, ben gewandeld, louter om wie niet bijzonder
geïnformeerd is over de processen van Neurenberg een eerste blik te
gunnen op wat daar gebeurd is. Gezien ik er zelf niet veel méér
over wist dan dat van die met terugwerkende kracht ingevoerde
‘wetten’, leek me dat wel nuttig. Maar dit boek is véél meer
dan een analyse van de procedure in Neurenberg. De
tweehonderdnegentig bladzijden voorafgaand aan het vijfenveertig
bladzijden lange laatste hoofdstuk, dat alleen nog gevolgd wordt door
een Register, zijn evengoed het lezen waard.
Hoofdstuk 1, met als titel Voor het einde der vijandelijkheden,
begint met een scène waarin “Amerikaanse soldaten in aanwezigheid
van het hoofd van de gravendienst van het Amerikaanse leger, majoor
Rex S. Morgan” assen uitstrooien in de Conwentzbach, de assen van
de kort daarvoor opgehangen Herman Göring, Julius Streicher, Wilhelm
Keitel, Alfred Jodl, Alfred Rosenberg, Hans Frank, Wilhelm Frick,
Joachim von Ribbentrop, Ernst Kaltenbrunner, Fritz Sauckel en Arthur
Seyss-Inquart, maar handelt eigenlijk over de voorbereidingen die de
Geallieerden troffen om na de oorlog die heren en anderen te
veroordelen (laat ons wel wezen: de mogelijkheid dat ze vrijgesproken
zouden worden, was geen piste waar ernstig rekening mee werd gehouden).
Hoofdstuk 2, Na de oorlog getiteld, begint bij de zelfmoord
van Adolf Hitler, maar gaat dieper in op wat tussen de Geallieerden
overeengekomen werd over de te voeren processen, waarbij Maser zelfs
uitgeschreven gesprekken tussen Stalin, Churchill en Truman (iedereen
weet dat De Gaulle alleen maar diende als bloempot) citeert, en de
hele ‘Bekendmaking” van het IMT meegeeft.
Hoofdstuk 3, Op weg naar Neurenberg, behandelt de arrestatie,
vrijwillige overgave, het in de val lokken van de beklaagden. Göring
(“Hij werd hartelijk en met een kameraadschappelijke handdruk
begroet door de Amerikaanse generaal Robert J. Stack”), Robert Ley
(“Reichsorganisationsleiter van het Duitse Arbeitsfront en
aan het eind van de oorlog de initiator van de partizanenorganisatie
Werwolf”), Alfred Rosenberg (“op 19 mei 1945 in het ziekenhuis
van Flensburg-Mürwik, dat in de vroegere krijgsschool voor de marine
gevestigd was, gearresteerd door Britse soldaten, die overigens niet
op zoek waren naar hem maar naar Heinrich Himmler”), Julius
Streicher (“naar het oordeel van de topfunctionarissen was hij van
1940 tot mei 1944 ‘verbannen’ geweest: hij had geen contact met
de toonaangevende nazi’s en woonde teruggetrokken in zijn
buitenhuis”), Baldur von Schirach (naar wie niet eens gezocht werd,
“want de Amerikanen dachten dat hij dood was”), … ze passeren
stuk voor stuk de revue.
In hoofdstuk 4, De gevangenis, wordt – hoe kan het ook
anders? - uitgebreid het leven van de ‘verdachten’ en in veel
gevallen de getuigen in de geallieerde gevangenissen verteld: “‘Een
bijzonder genoegen voor de bewakers (minder voor de gevangenen) was
het douchen,’ schreef de al eerder geciteerde getuige à décharge.
‘De gevangenen moesten douchen in groepen van 6 tot 8 man. Onder
het geklepper van de knuppels en het roepen van de bewakers
marcheerde men snel naar de in de kelder gelegen doucheruimten,
waarbij men zich zo mogelijk al tijdens het lopen grotendeels moest
uitkleden, want onmiddellijk na het betreden van de doucheruimte was
er een minuut lang water, daarna een minuut tijd om zich in te zepen
en vervolgens nog een minuut water om zich af te spoelen. Terwijl men
zich amper had afgedroogd en men zich onder het lopen in de kleren
wrong, werden de ‘badgasten’ weer in de cellen teruggedreven met:
‘Mak snell, mak snell.’ Iedereen keek altijd verlangend
uit naar de ‘scheerdag’ omdat de meeste gevangenen het natuurlijk
vervelend vonden steeds met een ‘tuchthuisbaard’ rond te moeten
lopen. De Duitse kapper werd altijd begeleid door een of twee
bewakers die er blijkbaar voor moesten zorgen dat de kapper geen
berichten door kon geven of in ontvangst kon nemen en hem het
scheermes niet door gevangenen met zelfmoordplannen uit de handen
werd getrokken. Als de bewakers zich ergens aan stoorden, dan kon het
gebeuren (…) dat zij het scheren of het haar knippen lieten
afbreken en dat de juist ‘behandelde’ Duitser het ‘genoegen’
smaakte tot de volgende scheerdag met een halve baard rond te moeten lopen.’”
In hoofdstuk 5, Het proces begint, neemt Maser de lezer mee
naar de begindagen van het eerste proces van Neurenberg, begindagen
waarin “de hoop van de meeste verdachten dat er tegen ieder van hen
een aparte aanklacht zou worden ingediend”, de grond in werd
geboord: “Allemaal hoorden ze nu dat ze beticht werden van alle
gruweldaden die in de akte van beschuldiging in globale termen waren
samengevat.” “De tekst van de ongeveer 25 000 woorden tellende
akte van beschuldiging”, schrijft Maser daarover, “klinkt ondanks
de daarin beschreven gruweldaden tegelijk nuchter en onwerkelijk. De
vaak in al te gevoelige termen geschilderde misdrijven zijn zo
onvoorstelbaar dat ze scènes lijken te zijn uit een griezelfilm. Dat
enkele beweringen van de aanklagers als ronduit dwaas te bestempelen
zijn, is onder het gewicht van de aangevoerde feiten niet meer dan
bijzaak. De bewering dat loutere veronderstellingen een belangrijke
rol speelden in deze waslijst van misdaden, is een puur verzinsel.
Wat voor verschil zou het bijvoorbeeld hebben uitgemaakt als, zoals
in de aanklacht beweerd werd, Hitler het testament van Hindenburg
echt ten gunste van zichzelf vervalst had, of als – een bewering
waar de aanklagers eveneens mee kwamen – hij gedreigd had
Chamberlain tijdens een bijeenkomst met persfotografen in de buik te slaan?”
Hoofdstuk 6, Wraak of gerechtigheid?, gaat over precies de in
de titel van het hoofdstuk gestelde vraag. Een vraag die
hoofdaanklager Jackson in zijn openingstoespraak met onder andere
deze onzin beantwoordde: “Deze mannen zijn de eerste oorlogsleiders
van een verslagen natie die vervolgd worden in naam van de wet, maar
zij zijn ook de eersten die een kans krijgen zich namens de wet te
verweren. Het handvest van dit Tribunaal volgens welke zij berecht
worden, in (sic) in feite ook hun enige bron van hoop. Het kan zijn
dat deze mannen met een slecht geweten, wier enige wens is dat de
wereld hen vergeet, een proces niet beschouwen als een gunst. Maar
zij hebben een eerlijke kans zich te verdedigen – een mogelijkheid
die zij, toen ze nog aan de macht waren, maar zelden hebben gegeven
aan hun landgenoten. We menen dat wij deze mensen voor onschuldig
moeten houden tot het tegendeel is bewezen, ook al worden hun daden
nu al door de publieke opinie veroordeeld; wij nemen het op ons het
bewijs te leveren dat misdrijven gepleegd werden en dat deze
verdachten voor het plegen van die misdrijven verantwoordelijkheid dragen.”
Van hoofdstuk 7, spreekt de titel, Het bewijsmateriaal, ook al
voor zich. Ik had het daar al eerder over, maar citeer toch nog even
dit stukje uit een hoofdstuk dat bulkt van het bewijsmateriaal dat
het bewijsmateriaal niet al te pluis was: “Wanneer ze [de
verdedigers, noot van mij] de aanklagers om de geciteerde documenten
vroegen, waren deze niet zelden ‘verdwenen’. Ze kregen slechts
beschikking over een onvoldoende aantal kopieën van de documenten
van de aanklagers. Vaak kregen ze die documenten te laat, ongeordend,
onvertaald en soms ook onvolledig. Documenten waar de verdedigers om
vroegen moesten steeds eerst voorgelegd worden aan de aanklagers, die
beslisten of ze vertaald moesten worden. In enkele beslissende
gevallen werd het werk van de verdedigers hierdoor
onvermijdelijkerwijs belemmerd, omdat volgens het handvest alleen
‘relevante’ passages vertaald hoefden te worden en dat alleen nog
maar ‘in algemene termen’. Grove vertaalfouten en verdraaiingen
kwamen vaak voor, wat in de rechtszaal tot misverstanden leidde. De
verdedigers konden nauwelijks enige invloed uitoefenen op het besluit
welke documenten ter tafel zouden komen. Het werk van de verdedigers
– de meesten waren benoemd en werden vertaald door het Tribunaal –
werd nog verder bemoeilijkt door het bestaan van vervalste
documenten; ze verzopen letterlijk in een berg papier; ze moesten hun
werk doen in een zeer krappe ruimte en werden plotseling
geconfronteerd met vragen waar ze in de verste verte geen antwoord op
wisten doordat ze helemaal niet voldoende waren uitgerust om zich te oriënteren.”
Hoofdstuk 8 heeft Het kruisverhoor van de militairen als
onderwerp. Met deze alinea begint het: “Hoe de militaire
voorbereidingen van Duitsland er werkelijk voorstonden bleek zeer
duidelijk uit het kruisverhoor van Jodl van 4 juli 1946. Dit deed
niet alleen twijfel rijzen aan de grondslag van de aanklacht tegen de
militairen, maar bewees ook duidelijk hoe bedenkelijk het in 1945 en
1946 was om enkele verdachten persoonlijk verantwoordelijk te stellen
voor militaire gebeurtenissen, of strafbare handelingen en
overtredingen van het internationale recht die onder Hitlers leiding
begaan waren, en daarop een veroordeling te baseren. Alfred Jodl werd
op alle vier punten schuldig verklaard; desalniettemin had hij zich
meer dan eens moedig tegen Hitler verweerd en was hij zelf nooit
bereid geweest opdracht te geven tot duidelijk misdadige handelingen.
Het feit dat hij zulke bevelen soms ondertekend of geparafeerd had –
waardoor die bevelen voor de massa van de soldaten de schijn van
wettigheid kregen – was voornamelijk het resultaat van een
tragische discrepantie tussen zijn opvatting van de traditionele
militaire deugden en de rol die hij onder Hitler speelde. Bij de
justitie in Neurenberg legde dat echter weinig gewicht in de schaal.”
Hoofdstuk 9 is geheel gewijd aan Karl Dönitz, “die vanaf
1943 opperbevelhebber van de Duitse marine was geweest en vanaf 1 mei
1945 staatshoofd, als opvolger van Hitler.” De zogenaamde
duikbotenoorlog speelt in dit hoofdstuk uiteraard een grote rol: “(…)
Kranzbühler [kon] bewijzen dat Amerikaanse onderzeeërs in de Grote
Oceaan van meet af aan de Londense Vlootovereenkomst van 1930 hadden
overtreden en gehandeld hadden in strijd met het volkenrecht door
zich onmiddellijk van de methoden te bedienen die de Duitse
onderzeeërs na hun eigen ervaringen met de Britten hadden
overgenomen. Hij was er zich zeer wel van bewust dat hij anderen en
het IMT daarmee in grote verlegenheid kon brengen, omdat
tegenbeschuldigingen in Neurenberg niet toegestaan waren. Onwettige
acties van de Duitsers mochten niet weggestreept worden tegen
soortgelijke acties van de zegevierende mogendheden.”
Dat Gehoorzaamheid als misdrijf werd beschouwd in Neurenberg
blijkt dan weer niet alleen uit de titel van hoofdstuk 10, maar –
zoals eerder aangegeven – dat was het vóór 1944 al evenmin bij de
Amerikanen als de Britten, net zomin als in welk leger ter wereld dan
ook. Anderzijds: “In Neurenberg kwamen zaken aan het licht die
zonder het IMT misschien nooit ontdekt zouden zijn: de stelselmatige
moordcampagnes van onvoorstelbare omvang bijvoorbeeld, waartoe Hitler
het bevel had gegeven. Uit de getuigenverklaringen en de documenten
kon echter worden afgeleid dat deze gruweldaden zozeer in het geheim
werden bedreven dat zelfs sommige hoofdverdachten niet meer dan een
vage of volkomen onjuiste voorstelling hadden van wat er werkelijk
gaande was.”
In hoofdstuk 11 heeft Maser het in ieder geval over De grenzen van
de verantwoordelijkheid, grenzen die Maser mooi illustreert met
de gevallen Speer (“Het optreden van Speer had wel wat weg van de
monumentale gebouwen die door de Führer waren ontworpen en door hem
waren gebouwd: toegespitst op het effect”), von Ribbentrop (“ik
was nu eenmaal Adolf Hitlers minister van Buitenlandse Zaken en de
politiek eist daarom mijn veroordeling”), Streicher (“Zijn
beweringen dat hij niets had afgeweten van de massamoord op de joden
en die niet gewild had, maar dat hij via zijn ophitsende tirades in
Der Stürmer geprobeerd had de joden een nationaal tehuis
buiten het rijk te bezorgen, waren niet meer dan doorzichtige
uitvluchten”), Wilhelm Frick (“die in het vonnis werd betiteld
als een hoge ‘nazi-specialist en bureaucraat’” en “er
verantwoordelijk voor gesteld [werd] met meedogenloze energie en met
behulp van door hem ontworpen en ondertekende wetten de
oppositiepartijen te hebben afgeschaft, de kerken en vakbonden te
hebben onderdrukt, de landsregeringen volkomen onder het rijksgezag
te hebben gebracht en de Duitse natie onder volledige controle van de
NSDAP (…) - wat allemaal vooral naar de mening van von Ribbentrop
en Hess, in Neurenberg geen zaak kon zijn van het IMT”), Ernst
Kaltenbrunner (“aangeklaagd (…) op de punten een, drie en vier,
(…) op punt een vrijgesproken”), Fritz Sauckel (“niet schuldig
bevonden aan misdrijven tegen de vrede”), Arthur Seys-Inquart (“een
in 1892 in Moravië geboren advocaat, wiens intelligentie door de
Amerikaanse gevangenispsychologen in Neurenberg zeer hoog werd
aangeslagen”), Hans Frank (wiens vonnis “aan[toonde] hoe absurd
het idee was dat in Neurenberg de ronde deed, dat een vertoon van
berouw en schuldbekentenissen tegenover het IMT doorgaans in een mild
vonnis resulteerde”), en Alfred Rosenberg (“de ijverige,
excentrieke, fanatieke, bezeten antisemiet en antibolsjevist” die
“zichzelf al de filosoof van de nazi-beweging [zag], maar wat
Hitler betrof (…) zelfs al dood [was] nog voor de geallieerden een
voet over de grenzen van het rijk hadden gezet”).
Met hoofdstuk 12 zijn we dan aan het einde van de gang door het
‘gerecht’ gekomen, De pleidooien. Pleidooien waarin
ontegenzeglijk waarheden werden verkondigd door de aanklagers: “De
afgelopen veertig jaren… zullen in de boeken der geschiedenis
genoteerd worden als de bloedigste periode aller tijden. Twee
wereldoorlogen hebben meer doden achtergelaten dan alle legers die in
de oudheid of de middeleeuwen ooit op enigerlei wijze slag hebben
geleverd. Geen halve eeuw is ooit getuige geweest van bloedbaden op
zo’n grote schaal, van zulke gruweldaden en onmenselijkheden, van
het op zo grote schaal deporteren van mensen in slavernij, van een zo
vergaande uitroeiing van de minderheden.” Pleidooien ook waarin
dingen die om andere redenen waarheid kunnen genoemd worden, werden
verkondigd: “De terreur van Torquemada is niets vergeleken met de
nazi-inquisitie, deze daden zijn de alles overschaduwende historische
feiten die toekomstige generaties zich van dit decennium zullen
herinneren”. Waarheden omdat die “toekomstige generaties” zich
niet “herinneren” wat er in de jaren daarna speelde in China, in
de Sovjet-Unie, in Cambodja, in Noord-Korea. Waarheden waarmee
scholieren om een of andere reden niet telkens weer om de oren zijn
geslagen. Waarheden die misschien niet pasten in het narratief dat
Hitler ‘rechts’ was en ‘rechts’ het alleenrecht had op
wandaden. Waarheden waarvan de verkondiging misschien simpelweg door
de een of andere verboden was: “Over het IMT mocht alleen
gerapporteerd worden wat de geallieerden wensten. Wie niet bereid was
zich aan hun aanwijzingen te houden kreeg geen plaats, noch in het
paleis van justitie, noch in de oude Neurenbergse school. Een
toenmalige medewerkster van de Britse persofficier voor
Rheinland-Westfalen vertelde bijvoorbeeld: ‘Bij de voorbereiding
van het Neurenbergse proces zocht de Britse persofficier voor
Rheinland-Westfalen naar een Duitse verslaggever. Het Duitse
secretariaat van zijn afdeling stelde Margret Boveri voor; ze kwam
uit Berlijn om over de zaak te praten. Maar ze wees de opdracht van
de hand met ongeveer de volgende motivering: ‘U wilt dat ik in een
heel bepaalde geest rapporteer, en daartoe ben ik niet bereid.
Natuurlijk zult u zeggen dat ik ook in het Derde Rijk in kranten
geschreven heb (onder andere in Das Reich). Maar toen wist elk
verstandig mens dat een vrije verslaggeving niet mogelijk was en de
lezer was eraan gewend om tussen de regels door te lezen. Nu gelooft
men hier in de vrijheid van de pers naar het Engelse voorbeeld.”
Een geloof dat ook nog bestaat in onze tijden, terwijl daar objectief
gezien geen enkele reden voor is.
Blijft nog slechts Het vonnis en de gevolgen daarvan over,
waarvan in de titel van hoofdstuk 13 sprake is. In dat hoofdstuk
heeft Maser het onder andere over de IQ-tests die
gevangenispsycholoog Gilbert bij de veroordeelden uitvoerden en hun
oordeel over Hitler. IQ-tests die Schacht, Seyss-Inquart, Göring
(die ook intelligent genoeg was om, ondanks alle maatregelen om dat
te verhinderen, met een cyanidecapsule een einde aan zijn leven te
maken en zo de Geallieerden het genoegen ontnam hem op te hangen) en
Dönitz aanwezen als “geniaal’ en Schacht en Seyss-Inquart zelfs
bij het één procent van slimste mensen ter wereld, maar waarin ook
Wilhelm Keitel nog uitkwam op 129 punten, Joachim von Ribbentrop op
hetzelfde aantal, Albert Speer op 128, Alfred Jodl op 127, Konstantin
von Neurath op 125, en Walter Funk op 124 (Streicher haalde niet meer
dan 106 punten, “van gemiddelde intelligentie”). Wat niet belette
dat ze allen van oordeel waren dat Hitler hen versloeg in
intelligentie, belezenheid en… eigenzinnigheid. Of zoals von
Neurath het uitdrukte: “Mijn persoonlijke ervaring had mij al
geleerd dat Hitler geen tegenspraak duldde en dat hij niet vatbaar
was voor enig verzoek wanneer dit voor een betrekkelijk grote groep
werd gedaan, want hij kreeg dan altijd het idee dat hij met een of
andere vorm van verzet te maken had… Wanneer je hem alleen sprak,
was de situatie heel anders. Dan was hij – althans in de beginjaren
– open en was hij bereid onbevangen naar redelijke argumenten te
luisteren; op zo’n manier kon veel bereikt worden ter matiging of
afzwakking van radicale maatregelen.”
Ik besef dat dit een zeer lange boekbespreking is geworden, maar elke
letter aan dit boek is – zelfs ondanks de vele niet gecorrigeerde
tikfouten van de vertaler – dan ook bijzonder interessant. Een
absolute aanrader voor eender wie die in geschiedenis geïnteresseerd
is of voor wie wegens een gebrek aan kennis daarvan zou denken dat
staten die buitenlandse staatshoofden simpelweg liquideren, ze
ontvoeren, ze voor hun eigen ‘gerecht’ slepen, de pers
muilkorven, zichzelf niet onderhevig achten aan de regels die ze
anderen opleggen, voor rechter en partij spelen, enzovoort, een nieuw
fenomeen zijn. Dit boek kan de lezer méér leren dan alleen het feit
dat ook ideeën die door sommige mensen goed bedoeld zijn wel eens
totale aberraties kunnen worden als ze in de praktijk gebracht worden.
Björn Roose





