“Enno de Witt (1960) groeide op in Noordwijk aan Zee, op de grens
van land en water, tussen een verzameling oude atlassen en
reisboeken. Hij stak in zijn geboortejaar voor het eerst de grens
over, bij Spijk, aan boord van de Rijnkruiser Medusa. Daarna volgden
nog vele grenspassages. De grens komt voort uit zijn fascinatie voor
Nederland en de Nederlanders.” Dat lees ik op de webstek van Singel
Uitgeverijen, onderdeel Athenaeum. Op dat “onderdeel”
ga ik hier even niet in, want het verhaal over Nijgh & Van
Ditmar, Querido, De Arbeiderspers, De Geus,
Volt, Love Books, Querido Academie én Athenaeum
en hoe die allemaal onder één uitgeversdak terechtgekomen zijn (dat
zich dan afficheert als “een onafhankelijk en zelfstandig
uitgeefhuis”) zou ons te ver leiden (al zou ik u eigenlijk wel eens
zo ver willen leiden), maar het tekstje zou een inleiding kunnen
vormen tot voorliggend, in 2013 bij de toen nog niet onder het
“onafhankelijk en zelfstandig uitgeefhuis” maar toch ook al onder
een soortgelijke constructie genaamd Athenaeum-Polak & Van
Gennep uitgegeven, De grens – Langs de randen van Nederland
(wat op zich dan weer een gemiste kans is om een rijmende titel te
maken). “Zou”, inderdaad, want het tekstje is een inleiding tot
een later boek van De Witt, zijnde Ruzie – Van een lijk naast de
kachel tot rijdende rechters, verschenen in 2018.
Van eerdere of latere boeken van De Witt is geen sprake op de webstek
van het “onafhankelijk en zelfstandig uitgeefhuis”, terwijl ik op
de webstek van De Slegte toch zie dat die er geweest zijn (weliswaar bij telkens wisselende
uitgeverijen). Omdat ik geen zin heb om vraaggesprekken mét en
columns ván de man te doorploegen, laat ik het zoeken naar
verdere biografische gegevens maar voor wat het is en duiken we
meteen dit boek in, een boek dat sowieso alleen zijn titel nodig had
om interessant genoeg voor me te zijn om het (voor een appel en een
ei) mee te nemen uit de tweedehandswinkel. Ik ben immers geboren in
Roeselare, op zo’n vijfentwintig kilometer van de grens met
Frankrijk, getogen in Handzame, op zo’n tweeëntwintig kilometer
van de kust, en sinds vijftien jaar woonachtig in Moerzeke, ongeveer
evenveel kilometer van de grens met Nederland. Om nog maar te zwijgen
over het feit dat ik in Gent, op nog geen achttien kilometer van
diezelfde grens, werk. Het is dan ook helemaal niet moeilijk om in
den belgiek op korte afstand van de grens te wonen of te
werken (tijdens mijn jaren in Brussel woonde en werkte ik er het
verste van af), net zomin als in Nederland, maar ik steek die dingen
ook graag letterlijk over als ik op reis ga (wat ik bijna altijd met
de auto doe) en ga ze ook vaak opzoeken terwijl ik op reis ben.
De streek waar Polen, Tsjechië en Duitsland bij mekaar komen,
bijvoorbeeld; de grenzen tussen Hongarije, Slovakije, Slovenië,
Oostenrijk, Kroatië, Servië, Roemenië, en Oekraïne; of die tussen
Frankrijk, Italië en Zwitserland. Ik ben, kort samengevat, geen
figuur van het centrum, maar een grensganger (misschien zelfs een
grensgeval) en dat uit zich niet alleen in mijn reis-, maar ook mijn leesgedrag.
Jammer genoeg is dit boek op de grenzen ervan het best. In De
grens – een introductie dus, en in Overige grensgevallen,
de hoofdstukken helemaal aan het begin en einde. Gedurende zestien
bladzijden en twaalf bladzijden doet de auteur daar een doorlopend
verhaal uit de doeken (over de oorsprong van de Nederlanders en de
grenzen van het continentale deel van het Koninkrijk der Nederlanden
enerzijds en over de Europese Unie en het niet-continentale deel van
datzelfde Koninkrijk anderzijds). Doorlopend in de zin dat er een
lijn in zit. En geen stippellijn, zoals je die bij grensaanduidingen
op kaarten wel vaker ziet. Ik verklaar me nader: tussen die twee
hoofdstukken zitten er nog eens zes, zijnde Van Lobith naar Vaals,
Van Drielandenpunt naar Grenswachters, Van de Schelde naar
de Rijn, Van Noordwijk naar Borkum, Van Eemshaven naar
Denekamp, en Van kanaal naar kanaal, maar alles wat onder
die hoofdstukken valt, hangt niet aan mekaar. Van een stukje in
verband met heksen in de ene grensgemeente springt De Witt naar een
stukje in verband met smokkelaars in de andere, van een stukje over
de Tweede Wereldoorlog in een of ander gehucht naar een stukje over
gesjoemel in de politiek in weer een ander. Hij volgt daarbij wel de
stukken grens die hij onder de hoofdstuktitels heeft verzameld, maar
je ervaart dat volgen nooit als een verhaal. En dat was
klaarblijkelijk ook niet wat de auteur nastreefde: “De geschiedenis
van de grens is ook nog lang niet geschreven, en dat zal hier ook
niet uitputtend gebeuren. Tal van liefhebbers houden zich met de
grens bezig, ze wandelen van grenspaal naar grenspaal en noteren
ieder grensgerelateerd detail dat zij onderweg tegenkomen, tekenen
verhalen op en pluizen archieven uit. Iedere centimeter grens levert
weer een nieuw verhaal op, dat weer een volgend verhaal voortbrengt,
in een reeks waar geen einde aan lijkt te komen. Wie zich in die
schat wil onderdompelen kan op het internet terecht, en in talloze
publicaties. In dit boek zijn alleen de krenten uit de pap verzameld,
een caleidoscopische verzameling verhalen en wetenswaardigheden
waarachter nog veel meer schuilgaat.” En ik ga niet zeggen dat er
geen interessante krenten bij zijn – al gaan de verhalen over
smokkel en andere grenscriminaliteit, en daar zijn er veel van, op
den duur toch wel lichtelijk vervelen -, maar ‘t is een beetje
teren op andermans werk wat De Witt hier doet. In zoverre zelfs dat
je de indruk krijgt dat hij voornamelijk bezig geweest is met het
internet afstruinen op zoek naar andermans verhalen.
Iets wat we nooit zeker zullen weten, want de auteur is in
negenennegentig procent van de gevallen niet zo goed te vermelden
waar hij zijn citaten vandaan heeft. Hij citeert wel, da’s
tekstueel duidelijk, maar aan bronvermelding doet hij niet. Noch in
de teksten zelf, noch in voetnoten, noch in eindnoten. Als de auteur
een tekst aanhaalt, dan hoor je ‘m op zijn woord te geloven,
klaarblijkelijk. Wat een keuze is, zowel vanwege de auteur als
vanwege de lezer, maar niet erg eerlijk tegenover de leveranciers van
zijn bronnenmateriaal. Ik zou daar, als ik zelf zo’n leverancier
was en er achter kwam dat mijn teksten door De Witt gebruikt waren
zonder bronvermelding, niet al te blij mee zijn, maar misschien zijn
ze aan de andere kant van de kunstmatige grens tussen de Zuidelijke -
en de Noordelijke Nederlanden toleranter dan ik op dat vlak.
Wat me tot een ander – tevens het laatste dat ik zal noemen –
pijnpunt van dit boek brengt: je moet er Google Maps of een
papieren kaartenboek bijnemen om te kunnen volgen. Nú kan ik Lobith
wel zo ongeveer aanwijzen op een kaart, maar dat was niet het geval
op het moment dat De Witt in die plaats zijn boek begon. En dat was
evenmin zo voor de meeste plaatsen waarover hij het verder nog heeft.
Ja, daar in die bizarre uitstulping naar beneden toe vanaf Roermond
tot Vaals en Eijsden ken ik mijn weg wel zo’n beetje, en vanaf Het
Zwin tot voorbij het Verdronken Land van Saeftinghe ook. En Zeeland,
de Wadden en de kust van Friesland lukt ook nog wel, maar dan houdt
het met uitzondering van Venlo wel zo’n beetje op wat betreft mijn
oriëntatievermogen aan de Nederlandse grens. Aan het begin van ieder
hoofdstuk een kaartje met de al dan niet werkelijk bezochte “krenten”
en aan het begin van het boek een kaartje met alle exemplaren
toevoegen zou minstens voor de mensen die op basis van dit boek eens
een stukje grens willen verkennen wel nuttig geweest zijn. Nu ben je
echter, als je dit boek daarbij zou gebruiken, wegens het ontbreken
van zo’n kaartje én een register gedwongen te gaan zoeken waar in
het hoofdstuk De Witt het heeft over het grensgebied waar je heengaat.
Ik heb enige tijd getwijfeld of ik het boek in het vooruitzicht op
zo’n eventueel bezoek toch zou bijhouden, maar ik ben de Rubicon
overgestoken: het verhuist naar de zolder en ik zoek mijn informatie
desnoods wel op op het internet.
Björn Roose






