dinsdag 2 juni 2026

De ogen uitgestoken – Aldous Huxley (boekbespreking door Björn Roose)

De ogen uitgestoken – Aldous Huxley (boekbespreking door Björn Roose)
Laat ons wel wezen: als u één boek kent van Aldous Huxley, dan is het niet voorliggend De ogen uitgestoken, maar het – vaak in één adem met George Orwells 1984 genoemde – Brave New World. De voornaamste reden daarvoor is ongetwijfeld dat ook anderen vóór u (en mij) dat boek gelezen hadden en er op z’n minst uit hadden onthouden dat het ‘belangrijk’ was. Lezen doet immers lezen. Maar Brave New World heb ik, in tegenstelling overigens tot Brave New World Revisited, niet meer gelezen sinds ik boekbesprekingen schrijf, dus kan ik u dát niet aanbevelen (wat uiteraard een leugen is, ik beveel het u aan), wat ik met De ogen uitgestoken wél zou kunnen doen. Maar niet zal doen. En daar zijn een aantal, naar uw eigen oordeel, goede of slechte redenen voor.

Een reden die noch goed noch slecht is, is het feit dat dit in 1936 voor het eerst verschenen boek in het Engels Eyeless in Gaza heet, wat in tijden waarin – ondanks het feit dat er de jongste maanden van alles gedaan is om er de aandacht van af te leiden – vele ogen op Gaza gericht zijn, enigszins misleidend kan wezen. Dit boek heeft namelijk niets te maken met Gaza, “de titel van deze roman”, aldus de tekst op de achterflap, is alleen maar “ontleend aan Milton’s beschrijving van Simson als Eyeless in Gaza at the Mill with slaves”. Dat zegt u wellicht zo weinig als het mij zei (al kan ik onder mijn lezers best méér belezen mensen hebben dan ik er zelf een ben), maar de beschrijving in kwestie is er een van de Bijbelse Samson of Simson in John Miltons uit 1671 daterende dramatisch gedicht Samson Agonistes. Ik ga zelfs geen poging doen om het te vertalen (dramatische gedichten van driehonderdvijftig jaar oud zijn geen forte van me), maar Huxley verwijst dus hiernaar: “Promise was that I / Should Israel from Philistian yoke deliver; / Ask for this great Deliverer now, and find him / Eyeless in Gaza at the Mill with slaves, / Himself in bonds under Philistian yoke”. En – uiteraard – hiernaar: “Whom have I to complain of but my self? / Who this high gift of strength committed to me, / In what part lodg’d, how easily bereft me, / Under the Seal of Silence could not keep, / But weakly to a woman must reveal it, / O’recome with importunity and tears. / O impotence of mind, in body strong! / But what is strength without a double share / Of wisdom, vast, unwieldy, burdensom, / Proudly secure, yet liable to fall / By weakest subtleties, not made to rule, / But to subserve where wisdom bears command”.

Of ik denk tenminste, op basis van wat ik gelezen heb in dit boek, dat dat tweede deel belangrijk is. Een gedachte die ook al bij u kan opkomen bij het lezen van wat de achterflap van de in 1973 bij Uitgeverij Contact verschenen vertaling verder te vertellen heeft: “De hoofdpersoon, Anthony Beavis, is intelligent genoeg om er een eigen mening op na te houden. De omstandigheden hebben hem in staat gesteld een economisch onafhankelijk leven te leiden. Emotionele banden met een familieleven tomen evenmin zijn vrijheid in. Zonder enige morele strijd verovert hij zich de objectiviteit van de filosoof en de zelfverloochening van de religieuze mens. Het hoofdthema is zijn ontwikkeling van knaap tot ‘volwassene’, en zijn ontdekking op middelbare leeftijd dat zijn zelfzuchtige vrijheid geen vrijheid is, dat de houding van filosofische objectiviteit en van ‘heiligheid’ die hij zich heeft aangemeten, op geen enkele manier overeenkomt met authentiek leven.” Een achterflaptekst die me niét zou overtuigd hebben het boek te lezen, laat staan te kopen, als het niet voor een prikje bij een of andere kringwinkel had gelegen en ik geen hoge verwachtingen had gehad van Aldous Huxley. Ik ben namelijk niet bijzonder gek op dit soort dingen, al helemaal niet als de “ontwikkeling” in kwestie zo’n vierhonderdzestig bladzijden moet duren.

De eerste dertig bladzijden of zo dacht ik bovendien aan opgeven. Ja, werkelijk, opgeven. Ik heb dat lang niet gehad met een boek en het kan aan – ik citeer wederom de achterflap – de “monumentale vertaling van Pé Hawinkels” liggen, die er “een in het Nederlands herschapen Eyeless in Gaza” van gemaakt heeft, maar ik zat er op te zwoegen. Na die dertig bladzijden stopte ik echter met lezen voor die dag en toen ik ‘s anderendaags het boek weer opnam, ging het beter. En bleef het beter gaan, ondanks het feit dat ik tot op het einde de neiging had bepaalde passages diagonaal te lezen. Misschien was ik die eerste avond moe, misschien moest ik aan de stijl wennen, maar ik heb het hele boek gelezen. “Van knaap tot ‘volwassene’” dus. Alhoewel. Huxley vond die evolutie op zich kennelijk te simpel. Het moest ingewikkelder. Dus hakte hij het verhaal aan stukken en ging met de brokken schuiven. Een brok over genoemde Anthony Beavis en de mensen in zijn omgeving in de derde persoon dat zich afspeelt op 30 augustus 1933. Een brok “Uit het dagboek van A.B.” daterend van 4 april 1934. Nog een brok over A.B. op 30 augustus 1933. Een brok over de kleine A.B. op 6 november 1902. Een brok over Helen Amberley, die we kennen van de eerste brok, en haar zus Joyce, gedateerd op 8 december 1926. Je went geleidelijk aan al dat heen en weer hobbelen door de tijd, maar je moet wel voortdurend in de gaten blijven houden ‘wanneer’ je bent, en het blijft overkomen als een truc van Huxley om het verhaal meer ‘literair’ te maken. En dan had ik ook nog soms de indruk dat hij zélf ergens onderweg het zicht op de data kwijt was gespeeld.

Iets wat het gevolg kan zijn geweest van het óók nog in dit boek willen stoppen van z’n eigen overheersende ideologie, het pacifisme. Geen pacifisme als levenswijze, al is geen van de personages werkelijk gewelddadig, toch niet in fysieke zin, maar als uitgeschreven filosofie. Er zit een béétje van in het hele boek - en de stukken die verwijzen naar gebeurtenissen in (in het bijzonder) nationaal-socialistisch Duitsland die toen nog niet de uitwerking hadden gekregen die ze later zouden krijgen, zijn louter op zichzelf al interessant -, maar er is niet echt iets aan het personage Anthony Beavis dat hem zou doen uitgroeien tot een militante pacifist (of militante whatever, for that matter), en toch is dat wat Huxley in de laatste hoofdstukken van hem maakt. Wat er toe leidt dat je je als lezer door hele bladzijden ideologische theorie, door Beavis in zijn – doorheen het hele boek grotendeels met hoogdravende filosofische beschouwingen gevulde - dagboek genoteerd, heen moet slaan. Beavis moet immers ‘volwassen’ worden en ‘volwassen’ was in de ogen van Huxley kennelijk vooral strijdend pacifistisch, maar Beavis wordt daarmee ook heel erg vervelend.

En vervelend zijn eigenlijk álle personages in dit boek. Vervelend en verveeld, want dat is hun levensstijl. Op z’n best zijn ze hedonistisch, maar genieten van het leven doen ze duidelijk nooit. “Toen ze dat zei dacht zij aan die periode in het begin van hun verhouding toen zij, om zo te zeggen, op de drempel had gestaan van een verliefdheid op hem – op de drempel, wachtend tot haar gevraagd werd binnen te komen. Hoe bruusk echter (bij al zijn terughouding en bestudeerde lankmoedigheid), hoe onherroepelijk en resoluut had hij de deur in haar gezicht dicht gedaan! Hij wilde niet dat er iemand van hem hield. Eventjes had zij op het punt gestaan daartegen in opstand te komen; toen aanvaardde zij, in die geest van verbitterde en sarcastische berusting waarmee zij geleerd had de wereld tegemoet te treden, zijn voorwaarden. Die waren des te aanvaardbaarder omdat er geen zicht was op een beter alternatief; omdat hij, welbeschouwd, een opmerkelijk man was en zij, welbeschouwd, erg op hem gesteld was; omdat hij, verder, tenminste in staat was haar lichamelijke bevrediging te schenken.” Vreugdeloosheid, liefdeloosheid, kilheid… het kind moet een naam hebben, maar ik heb het er lastig mee als dat kind meer dan vierhonderd bladzijden doorgaat en de hoofdpersoon geen enkele werkelijke evolutie ondergaat tenzij die naar predikant van de vrede, en onderweg, samen met een aantal anderen (zijn hele bubbel schijnt gevuld te zijn me dat soort mensen), alles besmet wat in zijn omgeving terechtkomt, alles aan de pest begint te lijden, en zelfs een zeldzame goede ziel het slachtoffer wordt van zichzelf én die anderen (“Hij zou best Bengers hand hebben willen aanraken, maar zulke dingen deed je niet, dat wist iedereen”).

Een boek hoeft voor mij niet vrolijk te zijn – ik lees er genoeg die dat niet zijn -, maar de mate aan wrangheid die ik kan hebben, is beperkt. Nihilisme, tot daar aan toe. Existentialisme, tot daar aan toe. Maar de personages van Huxley maken elkaars leven en dat van anderen ook nog tot niet het leven waard. Niet eens bewust, heb je de indruk, maar omdat ze opgetrokken zijn uit het soort materiaal dat anderen kapot maakt. En niet mans (of vrouws) genoeg zijn om zelfs als ze zich bewust worden van de desastreuze gevolgen van hun handelingen actief in te grijpen om daar een einde aan te stellen. Een fenomeen dat het duidelijkst tot uiting komt als Anthony Beavis Joan verleidt, de vriendin van zijn goedhartige, maar buitengewoon verlegen vriend Brian, een spelletje waartoe hij zich, omdat hij zelf en ondanks zichzelf stapelverliefd is op haar, laat aanzetten door Mary Amberley (moeder van eerder genoemde Helen). Wie Les liaisons dangereuses van Choderlos de Laclos heeft gelezen – en het is moeilijk te geloven dat Huxley niet bewust gaan kopiëren is uit dat boek -, ként de scène en weet in wat voor psychische toestand Valmont terechtkomt, maar Anthony Beavis weet zelfs de zelfmoord van zijn vriend nog voor zichzelf recht te lullen. En hoezeer Huxley nadien ook nog mag proberen zijn Beavis tot meer dan een Butt-head te doen uitgroeien, dat lukt voor mij niet meer. Het pacifisme verdiende beter. Zelfs al kan ik het honderd procent eens zijn met wat die Butt-head in zijn dagboek de dato 10 augustus 1934 als nota bene noteert: “Wij zijn allemaal voor negenennegentig procent pacifist. De Bergrede, vooropgesteld dat we Tamerlan of Napoleon mogen blijven spelen in ons ene procent van zelf uitgezochte gevallen. Resultaat: iedereen is voorbestemd tot slachtoffer van iemand anders bij wijze van uitzondering (sic) toelaatbare oorlog. Negenennegentig procent. Maar zulk pacifisme is gewoon een andere naam voor militarisme. Wil er vrede zijn, dan moet het pacifisme honderd procent zijn.” Misschien is De ogen uitgestoken deel van “een volledige uitdrukkingsvorm (in termen van de verbeeldingsliteratuur) die zou leiden tot de volledige kennis (met de geest in zijn geheel) van de volledige waarheid” geworden, iets waar de dagboekschrijver in dit boek naar streeft, maar aan mij is die “uitdrukkingsvorm” niet besteed.

Björn Roose

vrijdag 29 mei 2026

De ontdekking van de hemel – Harry Mulisch (boekbespreking door Björn Roose)

De ontdekking van de hemel – Harry Mulisch (boekbespreking door Björn Roose)
Een boek dat voor een niet onbelangrijk deel handelt over een ander boek eerder bespreken dan dát boek, ik kan dat. En ik deed dat ook. Met De wondergrijsaard –Portret van Harry Mulisch van Onno Blom, een boek waarin De ontdekking van de hemel van genoemde Harry Mulisch uiteraard een rol speelt.

Niet dat ik de boeken ook in die volgorde las: zoals aangegeven in mijn bespreking van De wondergrijsaard was ik immers De ontdekking van de hemel aan het lezen toen mijn vriendin De wondergrijsaard meebracht van de openbare bibliotheek. Door een zinnetje waarop ze me in dat boek wees, was ik ‘genoodzaakt’ dat hele boek te lezen. Wat niet tot gevolg had moeten hebben dat ik dat boek ook eerder besprak dan voorliggend De ontdekking van de hemel, maar in tegenstelling tot wat geldt voor boeken uit mijn bibliotheek zijn er inlevertermijnen voor boeken uit de openbare bibliotheek, wat dan weer wél een snelle bespreking nodig maakte.

Aldus geschiedde en zo kwamen mijn trouwe lezers (een enorme schaar, zonderling genoeg uit te drukken in één cijfer) te weten dat nogal wat personen en evenementen uit het leven van Harry Mulisch zelf ofwel model gestaan hadden voor of ongeveer letterlijk overgenomen waren in De ontdekking van de hemel. Ik ga daar niet op terugkomen, u leest die andere bespreking maar. En ik zal ook niet de korte inhoud meegeven die op de achterflap van mijn bij De Bezige Bij in 1998 verschenen eenentwintigste druk staat (simpelweg omdat die korte inhoud er niét staat), maar ik kan me wel volkomen akkoord verklaren met wat recensent Carel Peeters in Vrij Nederland schreef (en wat wél op de achterflap van deze uitgave staat): “Het indrukwekkendste van De ontdekking van de hemel is misschien wel de volmaakte eenvoud waarmee dit toch allerminst simpele verhaal wordt verteld.” De ontdekking van de hemel telt negenhonderd bladzijden (zij het in niet al te kleine druk), opgedeeld in vijfenzestig hoofdstukken, een Proloog, een Epiloog, en een paar intermezzi, maar wordt nooit ingewikkelder dan, pakweg, een aflevering van Tiktak. En dat is een hele kunst. Een kunst die Mulisch – minstens hier, want voor de rest heb ik op dit ogenblik nog geen boeken van hem gelezen – tot in de puntjes beheerste.

Een “volmaakte compositie”, noemde de recensent van Der Stern het, en dat in “een boek met een dusdanig overweldigende rijkdom aan stof, met een dusdanig dolzinnig verloop”. Een “volmaakte compositie” (“Alles verliep met de onverbiddelijke precisie van een variatie van Bach”, schrijft Mulisch zelf ergens), die, aldus nog die laatste recensent, er op lijkt te wijzen “dat daarin inderdaad een hemelse regie schijnt te heersen”. Een “hemelse regie” waarmee de lezer al in de Proloog kennismaakt, die opnieuw opduikt in de Epiloog, en telkens weer in de intermezzi aan het begin van de delen Het einde van het begin, Het begin van het einde, en Het einde van het Einde (waarbij ik de titel van het éérste deel niet noem omdat ik die al genoemd heb in mijn bespreking van De wondergrijsaard). Een “hemelse regie” ook die haar uitwerking al heeft gehad van bij het begin van de Proloog (“Opdracht volbracht. De zaak is rond.”, luidt het daar), waardoor de lezer zich alvast niet meer moet afvragen of de zaak voor de actoren in die Proloog goed afgelopen is, maar wel direct in het daarna komende verhaal over de afhandeling van de zaak wordt meegezogen. Een zaak die duidelijk nogal wat te maken heeft met genetica: “Geschreven in de drie-letterwoorden van het vierletteralfabet wordt een mens bepaald door een genetisch verhaal, waarmee het equivalent van vijfhonderd bijbels gevuld kan worden. Daar zijn de mensen zelf intussen ook achter gekomen.” Wat dan weer niet wil zeggen dat de mensen dat genetische verhaal helemaal zelf in handen hebben: “Het decoderen van het genoom, de volledige, geheime naam van een mens, is voor de mensen zelf nu alleen nog een kwestie van geld, een dollar per nucleotide om precies te zijn, dus van drie miljard dollar, en overal op aarde wordt aan dat project gewerkt. Met hun biotechnologie zullen zij de genetische essentie van een bepaalde eicel en van zo’n bepaalde celkern met een staart binnen afzienbare tijd veel sneller en eenvoudiger kunnen fabriceren dan wij die kunnen selecteren met onze romantische, rijkelijk ouderwetse fokkerij, - maar het moest zo nodig vóór het jaar tweeduizend.” Een “romantische, rijkelijk ouderwetse fokkerij” echter die, een beetje zoals die waarmee de Bene Gesserit in de Duin-cyclus bezig zijn, het voordeel van veel tijd heeft: “Ondanks alle problemen zag ik zeventig mensenjaar geleden opeens een mogelijkheid, de gewenste Vonk niet in vier maar al in drie generaties in de geest en het vlees te krijgen.” Zeventig jaar geleden op het moment dat Mulisch zijn boek begon te schrijven, dus tijdens de Eerste Wereldoorlog, en wel bij ene Wolfgang Delius en een Eva Weiß, die de ouders zullen worden van Max Delius, die dan weer bevriend raakt met Onno Quist en een lief vindt met de naam Ada Brons, waarna die Onno Quist en die Ada Brons, enzovoort, enzovoort. Het zou als een soort familiegeschiedenis kunnen klinken (hoewel een wel zéér bizarre), maar doordat je weet dat er een hemelse interventie gebeurd is, en dus kan verwachten dat er nog méér van die hemelse tussenkomsten zullen geschieden, vraag je je bij ieder hoofdstuk vooral af waar dit heen gaat. En wáár het heengaat, kan ik u natuurlijk niet zeggen, want dit boek is veel te mooi om zelfs maar stukken van de plot weg te geven.

Wat me niet belet bijvoorbeeld te wijzen op de ongelooflijke bondigheid waarmee Mulisch dingen schetst. Bijvoorbeeld hier: “De papieren bleken te deugen, want met de kille handbeweging die de politie overal ter wereld beheerste, of het nu in dienst was van het communisme, het kapitalisme of het fascisme, werden zij doorgelaten.” Of als hij de omgeving beschrijft van een of ander hippiemeisje waarmee Max Delius het in het eerste deel aanlegt: “Zij woonde in een fantasieloos flatgebouw, ruw neergeplant in een straat met negentiende-eeuwse arbeiderswoningen. Ook toen zij over de galerij aan de achterkant liepen, bleef zij zwijgen. In een klein, warm appartement stak zij kaarsen en wierookstokjes aan, en gaf hem een fles wijn met een etiket dat hem geen vertrouwen inboezemde. Terwijl hij de fles tussen zijn knieën nam en het staal in de kurk zette, vulde sitarmuziek de kamer. ‘Vanzelfsprekend,’ zie hij. ‘Ravi Shankar.’” Ik weet niet of u het type ooit ontmoet heeft, maar ik zag het in ieder geval weer zo voor me.

Zoals ik HAL weer voor me zie als ik deze scène lees: “Als de croquetten op waren wandelden zij de stad in, waar de winterse kou uit de lucht was verdwenen. Soms gingen zij eerst naar de bioscoop, naar een James Bond-film, of naar de nieuwe Stanley Kubrick, 2001: A Space Odyssey, waarin een computer, genaamd ‘HAL’, de macht overnam in het ruimteschip. Toen zij op straat kwamen, - in de uitgeloogde toestand waarin men dan buiten op de werkelijkheid stoot, als op een grijze vijl, - vroeg Onno waarom die computer volgens Max ‘HAL’ heette. Vanwege de associatie met ‘hell’, opperde Max. Verdraaid, daar had Onno nu weer niet aan gedacht. Maar of Max nu eens van de letters H, A en L één letter verder wilde tellen in het alfabet. ‘I,’ zei Max, ‘B, M, IBM!’ riep hij. ‘Chapeau!’ Onno trok een bescheiden gezicht. ‘Het is een gave.’” Een gave die ook anderen, in de werkelijkheid, hadden, maar die volgens Arthur C. Clarke, auteur van het boek waarop de film gebaseerd is en waarvan ik in 2022 Deel 1 en 2 (2010: Odyssee 2 getiteld) besprak, tot onterechte conclusies leidde. Wat op zich weer bijzonder was omdat in de film echte product placement voor IBM zit en Kubrick, maker van de film, aan IBM gevraagd had of ze zich bij de firma niet geërgerd zouden voelen als hij een computer met een psychose zou gebruiken in zijn film, iets waar Isaac Asimov zich in zijn robotverhalen nooit echt zorgen over gemaakt had (wat misschien te verklaren viel door het feit dat hij zijn computers/robots ondanks dát perfect liet beantwoorden aan menselijke normen, zijnde de zogenaamde Drie wetten van de robotica).

Ik heb die film pas met vele jaren vertraging gezien – ik was immer nog niet geconcipieerd, alhoewel misschien wel door een of andere engel in de hemel - toen hij uitkwam, maar de scène was wel een leuke herinnering aan film en boek(en). Zoals de paragraaf over Freud en Mahler me deed terugdenken aan Uitersten van A.J. Dunning. Of de dialoog “‘Vannacht stapt er een mens op de maan.’ ‘Nou en? Als hij maar niet uitglijdt.” aan de koude drukte rond het rondje langs de duistere zijde van de satelliet vorige week. Zoals de zin over Leeghwater me terug bij Ingenieurs van de ziel van Frank Westerman bracht. Of de uitweiding over Faust bij de gelijknamige boeken van Johann Wolfgang von Goethe (die sowieso regelmatig ter sprake komt in De ontdekking van de hemel). Of de vraag van de verpleegster bij de geboorte van Quinten – “Mag ik hem hebben? (…) Zo’n schitterend kind heb ik nog nooit meegemaakt.” – bij Het merkwaardige geval van Benjamin Button. Of zoals ik bij de scènes in Dwingeloo en de sterrenwacht van Westerbork voortdurend beelden op mijn netvlies kreeg van de foto’s die ik daar gemaakt had in 2017 (zelfs bij het dorp naburige Amen had ik een directe herinnering), of zoals iedere reislustige zich dít wel voor de geest kan halen: “Wie terugkomt van een reis, draagt de afgelegde afstanden nog met zich mee als gespreide vleugels – tot hij de sleutel in zijn voordeur steekt. Dan vouwen zij zich op, en hij is weer in zijn huis als in het middelpunt van een onoverschrijdbare stalen ring aan de horizon. Op het moment dat hij de deur achter zich dichtdoet, kan hij zich al niet meer voorstellen dat hij ooit weg geweest is.” Wat altijd weer een goede reden is, toch in mijn geval, om er zo snel mogelijk nog eens van door te gaan, en tussen de ene en de andere reis gemaakte foto’s te verwerken en nieuwe reizen te plannen. Zoals ik telkens weer het lezen van ‘nieuwe’ boeken plan of soms (zeg maar meestal) al andere boeken heb gelezen tegen dat ik aan een bespreking toekom en dan bij het lezen van wat ik aangeduid heb voor die bespreking herinneringen ‘in de vooruit’ heb. Zoals die aan Eyeless in Gaza van Aldous Huxley, bijvoorbeeld, bij het lezen van deze passage: “‘(…) Voorbestemming is trouwens onmogelijk in dit heelal, in verband met de constante van Planck. Die maakt alles onzeker.’ ‘God heeft in zijn oneindige wijsheid ook de constante van Planck geschapen,’ riep Onno met opgestoken wijsvinger. ‘De constante van Planck is de openbaring Gods in de natuur. Daardoor hebben wij een vrije wil en kunnen wij zondigen. Waartoe zijn wij op aarde? Wij zijn op aarde om te zondigen en zo God te verheerlijken.’”

Of om ook nog heel poëtische frases in een boek als dit te steken, natuurlijk. Poëtische frases waarvan er veel zijn, maar waarvan ik slechts deze meegeef: “Op het bordes haalde Max een paar keer diep adem. Wat was dit voor nacht? Maar nu trof het hen, andere nachten trof het anderen, en ook vannacht trof het ontelbare anderen, - er was nooit een dag of een nacht of maar een moment, waarop zoiets niet aan de gang was voor iemand, zo lang de mensheid bestond. Zonder onderbreking waarde het onheil rond op aarde, als een zwaluw door een muggenzwerm, met scherpe zwenkingen, zijn snavel wijd open.” Wat dan weer niet zo heel veel later gevolgd wordt door een filosofisch-ethische overweging als deze: “‘Ik zou,’ zei hij, ‘te weten willen komen, of die neuroloog en die chirurg werkelijk voor honderd procent er van overtuigd zijn, dat Ada echt hersendood is, dat er geen sprankje individualiteit meer rest van haar. Want al is het maar nog zo’n klein beetje, dan is het moord. Zo steil ben ik ook wel. Stel, er is alleen nog zoiets van haar over als een eenjarig kind, dan mag het niet. Ook baby’s mag je niet vermoorden. Maar als er echt helemaal niets meer is, nul procent, echt alleen nog maar een plant, dan betekent het niets. Dan mag het.” Wat uiteraard wil zeggen dat het nooit mag, want geen van ons kan weten of er niet nog iets is. Iets tussen hemel en aarde, zou ik zeggen, iets dat daar ergens zweeft, wachtend op ontdekking misschien. “Met hun raketten verplaatsen zij zich al sneller dan de wind, dan het geluid zelfs, en op een dag zullen zij de snelheid van het licht benaderen; met hun televisie zijn zij in feite al bijkans alomtegenwoordig, zij kunnen zien in het donker, zij kunnen het binnenste van een mens bekijken zonder hem open te maken, met hun computers bezitten ze een totalitair besturings- en controlesysteem, (...) zij kunnen elementaire deeltjes waarnemen en zij weten al wat er tien tot de min drieënveertigste seconde na onze lichtexplosie gebeurde. Voorbij die grens falen hun theorieën tot nu toe, daar komen al hun berekeningen voorlopig nog op oneindig uit (…)”.

Ik zou het ook nog kunnen hebben over filosofisch-esthetische overwegingen (de merkwaardige gelijkenissen tussen verpleegtehuizen en crematoria, bijvoorbeeld), Mulisch’ kijk op de vaderlandse politiek, Piranesi’s Carceri, Germania, paasvuren en zwerfkeien, provo’s en de Culturele Revolutie, Quintens Burcht, quasar MQ 3412, Durchgangslager Westerbork, architecten en muziek, Ptolemaes, Copernicus, Giordano Bruno, de opkomst en ondergang van kastelen, de Very Long Baseline Interferometry, Tsjernenko en Fidel, Einstein en Bohr, Cantor en Pythagoras, de Gouden Muur en de Klaagmuur, Margaret Thatcher en Cleopatra, Leni Riefenstahl en haar Triumph des Willens, de Italienische Reise (van Goethe uiteraard, want daarnaar verwijst de titel van het hoofdstuk, maar ook en vooral van Onno en vervolgens Quinten Quist), de Wachau aan de Donau (ook een persoonlijke herinnering), Edgar Allan Poe en zijn The Raven, de horentjes van Mozes (een vertaalfout die nog steeds in vele kerken haar gevolgen heeft), Sint-Jan van Lateranen en het Sancta Sanctorum, de ark, de vernietiging van de zogenaamde tweede tempel in Jeruzalem, Pápa Woytila, het testimonium, de Kettingkapel, en de fantastische Indiana-Jonesachtige laatste hoofdstukken van dit boek, hoofdstukken die ik in alle eerlijkheid niet verwacht had aan te treffen op het einde van wat aan het begin ervan een ingewikkelde familiegeschiedenis leek, maar als ik dat uitgebreid deed, dan zou ik beslist te veel weg geven van het plot. En als ik te veel de filosofische toer op ging eveneens. Dus doe ik dat niet, maar houd het hierbij.

Boeken mogen dan immers al “kleine dingen” zijn, “zelden groter dan een klinker, maar lichter, en bijkans onvindbaar tussen de myriaden andere dingen die het aardoppervlak bedekten, en op weg steeds onbeduidender te worden in de steeds sneller uit de abstractie verrijzende, elektronische wereld”, zoals Mulisch schrijft aan het begin van hoofdstuk zesendertig, Het monument, dit boek is een monument en het verdient ook na de – gok ik – elfendertigste druk nog steeds door iedereen gelezen te worden die ook maar een beetje liefde voor boeken voelt. Met wat geluk vindt u het ergens voor een appel en een ei (bij mij was dat in ieder geval zo) of in een goede bibliotheek, maar ook de aankoop tegen de volle prijs lijkt mij de moeite waard.

Björn Roose

dinsdag 26 mei 2026

De wondergrijsaard – Portret van Harry Mulisch – Onno Blom (boekbespreking door Björn Roose)

De wondergrijsaard – Portret van Harry Mulisch – Onno Blom (boekbespreking door Björn Roose)
“Mulisch koos mijn naam, zo vertelde hij mij in de boekhandel, omdat die hetzelfde blijft als je ‘m omkeert.” Dat ene zinnetje was er verantwoordelijk voor dat ik dit boek van Onno Blom, De Wondergrijsaard – Portret van Harry Mulisch, ging lezen. Dat ene zinnetje en het feit dat mijn vriendin daar op wees, natuurlijk. Wat ze deed omdat ze zelf dit boek geleend had in de bib en het gelezen had. Wat merkwaardigerwijs samenviel met het feit dat ik De ontdekking van de hemel – uit mijn eigen bibliotheek – aan het lezen was. De ontdekking van de hemel van Harry Mulish dus, een boek waarin één van de hoofdpersonages Onno Quist heet.

Toeval? “Talent”, zou Mulisch het genoemd hebben. Maar “Mulisch beschouwde zijn persoonlijkheid” dan ook “als een kunstwerk, zijn oeuvre als één groot zelfportret. Hij voelde zich in dit opzicht verwant met Johann Wolfgang von Goethe. Johann Peter Eckermannn, diens bewonderde biograaf, had Goethe in zijn laatste levensjaren gevraagd: ‘Als je nu als Engelsman was geboren, ergens in de achterbuurten van Londen, wie was je dan geworden?’ ‘Dat zou ik nooit hebben gedaan,’ antwoordde Goethe. ‘Ik zou altijd heel goed ter wereld zijn gekomen, als kardinaal op zijn minst.’” Niks toeval dus, ook niet in zijn boeken: “In mijn boeken bestaat het toeval niet. Als er in De ontdekking van de hemel” – ongetwijfeld zijn meest bekende en, neem ik aan, ook best verkopende, boek – “op het hoofd van Max Delius een meteoriet valt nadat hij een geweldige ontdekking heeft gedaan, zullen mensen misschien zeggen: goh, wat een toeval. Maar zo is het natuurlijk niet. Een engel vertelt het verhaal van Max aan een andere. De engel manipuleert het leven van Max, en ik dat van de engel.”

Met dat citaat uit De wondergrijsaard loop ik een stukje vooruit op mijn bespreking van De ontdekking van de hemel zelf, maar daar valt niet zo veel aan te doen. En het maakt ook niet echt uit, gezien ik nog méér ga meegeven over De ontdekking van de hemel in deze bespreking van De wondergrijsaard.

Bijvoorbeeld dat Onno Blom het eerste hoofdstuk, volgend op de Proloog, voorzien heeft van de titel Het begin van het begin. Totaal niet toevallig ook de titel van het Eerste deel van De ontdekking van de hemel, waarvan de volgende delen Het einde van het begin, Het begin van het einde, en Het einde van het einde getiteld zijn, en dat in tegenstelling tot wat geldt voor enige verdere hoofdstukken in De wondergrijsaard.

Bijvoorbeeld ook dat Mulisch klaarblijkelijk “spatelduimen” had – een medische aandoening waarover ik, het internet bevat dan tóch niet alle info, niks heb kunnen terugvinden –, net zoals de al genoemde Max Delius. Of dat hij en zijn beste vriend, Hein Donner, drie weken uit elkaar geboren werden, maar dat Donner “drie weken te vroeg geboren was. We kwamen erachter dat we op dezelfde dag zijn verwekt: 29 oktober 1926.” Dát, zei Mulisch, “is toeval, maar dat zou aardig zijn om te gebruiken”. Wat hij dan ook deed: Onno Quist en Max Delius bevinden zich in dezelfde situatie.

Bijvoorbeeld dat Mulisch “de zoon van een Joodse moeder [was], wier familie in de oorlog werd afgeslacht, en een vader die zich aan ernstige collaboratie schuldig had gemaakt. Kurt Victor Karl Mulisch, door zijn zoon meestal aangeduid met zijn initialen, KVK, was een voormalig Oostenrijks-Hongaarse officier en drager van het ijzeren kruis eerste klasse vanwege zijn dapperheid in de Eerste Wereldoorlog, en ging in de Tweede Wereldoorlog als bankier voor de nazi’s werken.” Niet helemáál zoals de vader van Max Delius, wiens moeder eveneens joods is, maar toch close. “Ik ben de Tweede Wereldoorlog”, schreef Mulisch – “niet zijn meest bescheiden uitspraak”, dixit Blom.

Bijvoorbeeld eveneens dat Mulisch tijdens die oorlog wel eens het Museum voor de Geschiedenis der Natuurwetenschappen in Leiden aandeed, het tegenwoordige Rijksmuseum Boerhaave, om zich daar te verlustigen in de aanblik van de telescopen, een bezigheid die hij buiten het museum verderzette door er door te kijken – “Naar mijn inzicht (…) bestond het wezen van de telescoop hieruit, dat men ermee kijkt, niet dat men ernaar kijkt”, aldus Mulisch -, wat meteen model staat voor het beroep van Delius: sterrenkundige.

Bijvoorbeeld…, bijvoorbeeld…, bijvoorbeeld. Wie dit Portret van Harry Mulisch leest en daarvóór of daarna De ontdekking van de hemel, zal beslist ontdekken dat zelfs als er niet expliciet verwezen wordt naar de gelijkenissen tussen Mulisch’ leven en dat van een aantal van zijn personages, die gelijkenissen legio zijn (in De ontdekking van de hemel bijvoorbeeld niet alleen Onno Quist en Max Delius, maar ook Quinten Quist). Wie met de man, een volbloed hetero over wie de International Herald Tribune in 1970 schreef dat hij “held a party to commemorate his thousandth sexual conquest” – “Het waren er natuurlijk veel meer. Misschien wel tweeduizend. Dat het er in die tijd met de dames vrolijk aan toe ging, dat wil ik niet ontkennen”, dixit Mulisch -, maar er, aldus kunstenares Marte Röling, uitziend “als een homofiele balletdanser” (wie zijn portret op de voorpagina van dit Portret ziet, zal weten wat ze bedoelde), in contact kwam, moest er gewoon rekening mee houden dat Mulisch’ lezers via zijn boeken ook in contact konden komen met hem, al mengde hij, zoals alle schrijvers, meerdere ‘echte’ mensen door mekaar om tot één fictief personage te komen.

Iets wat niet gebeurde met De Grote Drie, waartoe naast Harry Mulisch, ook Gerard (van het) Reve en W.F. Hermans gerekend werden (“Na de dood van Hermans en vanwege de geestelijke teloorgang van Reve, die niet meer schreef, werd Mulisch beschouwd als De Grote Een”): “Zij onderhielden een hevige creatieve concurrentie, maar door elkaar te verketteren hielden zij elkaar óók in stand. De onderlinge verschillen waren groot. Mulisch was een onverholen optimist en idealist, Reve en Hermans waren aartsconservatieven. Reve bekeerde zich tot het katholicisme, wenste zijn collega’s met communistische sympathieën [waaronder Mulisch die tijdens een reis naar Cuba “zeer onder de indruk raakte van de communistische utopie en haar charismatische leider, Fidel Castro”, noot van mij] in een concentratiekamp en de neger een ‘enkele reis op de tjoeki tjoeki stoomboot naar Takki Takki Oerwoud’ (…) Hermans was een nihilist, zag de mens als een gevangene in een sadistisch universum. Hij doopte zijn pen in giftige inkt om altijd gelijk te krijgen. Anders dan hij was Mulisch niet polemisch ingesteld. Hermans was van het grote Nee, hij was van het grote Ja. Mulisch wilde ook niet ‘de beste schrijver’ zijn, zoals Reve. Laat staan ‘de enige’, zoals Hermans. ‘Want wie bepaalt dat? Dan moet ik hen die dat bepalen toch eerst de beste lezers vinden, en op grond waarvan zou ik dat moeten uitmaken? Alleen op grond van het feit dat zij mij de beste schrijver vinden?”

Mij bevalt de daaruit sprekende mentaliteit wel. Net zoals degene die hieruit blijkt: “(…) ik ben liever niets naast Dostojevski, dan ‘iets’ naast de klungels die hier voor grote schrijvers doorgaan. Zo ijdel ben ik wel.” Of het feit dat hij in Haarlem het gezelschap van zijn vriend Godfried Bomans zocht bij de “sociëteit Teisterbant” (waarover Bomans overigens in meerdere van zijn verhalen geschreven heeft). Of de vaststelling dat Mulisch oorspronkelijke liefde voor het (Cubaanse) communisme niet belette dat hij later “geamuseerd naar het publieke optreden van Fortuyn [had] gekeken”, enige “bewondering voor zijn politieke talent” had, in tegenstelling tot de linkse politici die hem voor “een fascist” hielden van oordeel was dat “Es war nichts Böses in diesem Mann”, en later zelfs “geporteerd [raakte] van sommige van de denkbeelden van Geert Wilders”. Dat soort gegevens, door Blom kunstig verweven in een als een trein lezende biografie van zo’n tweehonderdvijftig bladzijden, heeft er in ieder geval voor gezorgd dat ik behalve De ontdekking van de hemel nog méér van Mulisch wil gaan lezen. De aanslag stond al in mijn bibliotheek, Het stenen bruidsbed sinds een aantal weken ook, en vandaag – dat wil zeggen, op de dag dat ik deze boekbespreking schrijf – is daar Twee vrouwen aan toegevoegd. Temeer omdat De wondergrijsaard niet alléén omwille van de gelijkenissen tussen Mulisch’ werkelijkheid en diens fictie ook een portret van zijn boeken is. Wie passages als de volgende leest, kan immers alleen maar in iets willen duiken dat van die boeken een soort ‘universum’ maakt: “Vaak zat het nieuwe boek al in het oude verstopt. Soms las hij iets, zoals in het geval van De elementen, of gebeurde er iets – en dan ontrolde zich een verhaal voor zijn ogen. Al was één ingeving nooit genoeg. Pas twee of drie ideeën tegelijk, die samen een magische verbintenis aangingen, leidden tot een roman. Als dat gebeurde, leek het wel of het boek zichzelf schreef.” En referenties als de volgende lijken geloofwaardig een keer je De ontdekking van de hemel hebt gelezen: “In De procedure knipoogt Mulisch niet alleen naar Thomas Mann – die hij beschouwde als zijn literaire vader, zoals hij Goethe als zijn literaire grootvader beschouwde – maar ook naar een andere voorganger. De titel van De procedure spiegelt Der Process van Franz Kafka, dat Mulisch beschouwde al de beste roman van de twintigste eeuw.”

Ik denk niet dat Onno Blom z’n best heeft gedaan om, als zoiets al mogelijk is, een objectieve biografie van Mulisch te schrijven – al heeft hij er, gezien ze pas in 2020 verscheen en Mulisch al in 2010 overleed, wel zijn tijd voor genomen -, en hij is ook zo fair in zijn Epiloog de geschiedenis tussen hem en Mulisch te beschrijven, maar de duidelijke – zullen we het dan maar zo noemen? – liefde die de auteur van dit Portret voelt voor de auteur van de na de Epiloog opgenomen Werken van Harry Mulisch (een lijstje dat ik helaas niet bij de hand kan houden, omdat dit boek na lezing terug naar de openbare bibliotheek moet) – is in het geheel geen minpunt voor dit, zoals het op de achterflap genoemd wordt, “intieme, ontroerende portret van de kunstenaar als oude man”. Een portret dat uiteraard eindigt met diens dood: “Hij lag in de zijruimte aan de voorkant. Achter hem de Egyptiana, zijn amuletten voor in het dodenrijk. Zijn lichaam was vederlicht geworden, zweefde bijna op de baar, zijn huid van perkament. Hij had, net als in Nice, zijn favoriete donkerblauwe linnen jasje aan, rood pochet in de borstzak, vuurrode kousen. Zijn neus stak, doordat zijn gesloten ogen diep in de kassen waren verzonken, nog scherper naar voren. Een wijze, oude vogel. Ik brak. ‘Dag Harry.’”

En dag lezer. Als u dit boek toevallig zou aantreffen, vergeet dan zeker niet het te lezen.

Björn Roose

vrijdag 22 mei 2026

Het merkwaardige geval van Benjamin Button – F. Scott Fitzgerald (boekbespreking door Björn Roose)

Het merkwaardige geval van Benjamin Button – F. Scott Fitzgerald (boekbespreking door Björn Roose)
Vele jaren geleden zag ik de eind 2008 verschenen film The Curious Case of Benjamin Button. Ik herinnerde me er vooral van dat ik ‘m goed vond, dat ie over een man ging die oud geboren werd en steeds jonger begon te worden, en dat Brad Pitt, die ‘voortdurend’ pindakaas rechtstreeks uit de pot lepelde, er in zat. Wat ik niét meer wist, was dat de film honderdzesenzestig minuten lang was (2:46 uur dus). En wat ik nooit geweten had, was dat de film gebaseerd was op een boek van F. Scott Fitzgerald, de auteur van wie ik in mei 2024 De Grote Gatsby besprak.

Sinds ik in de openbare bibliotheek een Nederlandstalige heruitgave onder de nieuwst aangekochte boeken aantrof, is in dat laatste dus verandering gekomen. En met die verandering toch een aantal vragen. Bijvoorbeeld deze: hoe maak je een film van twee uur en zesenveertig minuten van een boek dat, in grote druk op klein formaat, nog geen zeventig bladzijden dik is? Wie of wat is Nordisk Menorah Press behalve de kennelijke uitgever van dit werkje? En waarom zet je achteraan in dat werkje een hele hoop uitleg over “geproduceerd in overeenstemming met de EU GPSR-richtlijnen over de veiligheid van producten”, een drukker die “veiligheidscertificaten [heeft] afgegeven voor de gebruikte materialen, zoals inkt, papier en lijm”, en een adres waar je terecht kan met “vragen over de veiligheid van het product”, terwijl je kennelijk te lomp bent om te weten dat een boek geen “product-ID” heeft maar een ISBN-nummer, de auteur van de inleidende stukjes Over de auteur en Over het werk naamloos laat, en zelfs de vertaler niet vermeldt?

Wel, wat dat laatste betreft, zit het antwoord misschien in het adres waar je moet zijn met “vragen over de veiligheid van het product”, zijnde Bookmundo in de Delftsestraat 33 te Rotterdam. Daar zit volgens deze webstek 24bookprint, “een jong, internationaal team van gemotiveerde mensen die het jou mogelijk maken om je boeken, tijdschriften, rapporten en nog veel meer te laten drukken” (vroeger heette zoiets gewoon een drukkerij), een onderdeel van “het Mybestseller-netwerk”, “een van de marktleiders in Europa op het gebied van het publiceren van boeken”, en volgens deze webstek het al eerder genoemde Bookmundo, “een onafhankelijke club mensen die iedereen in staat stelt zijn of haar verhaal te vertellen en te delen met de rest van de wereld”. Of, zoals het op de webstek van 24bookprint heet, “ons self-publishing platform, dat alle auteurs in staat stelt hun droom van een eigen boek waar te maken en geschikt is voor opkomende uitgevers die hun klanten self-publishingdiensten willen aanbieden”. Het soort bedrijfjes dus dat in plaats van zelf de risico’s te lopen die een uitgever loopt, dat risico overdraagt naar de auteur en er toch minstens evenveel aan verdient. Nog steeds geen idee van wat achter Nordisk Menorah Press zit, maar als uitgeverij zal het niet groter zijn dan dit pocketboekje.

Waarmee we ook nog niet weten hoe je van zo’n dun boekje zo’n lange film maakt, maar toegegeven: F. Scott Fitzgerald verspilt geen hele bladzijden aan secure beschrijvingen van zijn personages en hun omgeving, en maakt reusachtige sprongen in de tijd, maar weet op hetzelfde moment een sfeer te scheppen die een filmmaker als kader kan dienen terwijl hij het toch allemaal wat trager kan aanpakken. Trager dan de auteur, terwijl die, volgens de inleiding, “in dit korte verhaal (…) een fantastisch uitgangspunt [gebruikt] om fundamentele vragen te stellen over tijd, identiteit en menselijke verbondenheid”, waarmee “het verhaal (…) zijn speelse premisse [overstijgt] en (…) zich [ontwikkelt] tot een melancholische reflectie op vergankelijkheid en existentiële isolatie.” Een inleiding waarna ik me afvroeg of daar in dat kleine beetje tekst écht plaats genoeg voor was, en die inderdaad een beetje overdreven is. F. Scott Fitzgerald roept met dit verhaal inderdaad “fundamentele vragen” op en kan op die manier de tot (zelf)reflectie geneigde lezer misschien aanzetten tot nadenken over “vergankelijkheid en existentiële isolatie”, maar het is nu ook niet zo dat je uren aan de gang blijft met dat gefilosofeer. Zelfs een niet bijster snelle lezer leest dit boekje uit op nog geen uur tijd en dat lezen kan behalve tot filosoferen ook tot (glim)lachen leiden. Van zinnen als “Voor het eerst maakten zij kennis met de charmante oude gewoonte om een kind te krijgen – meneer Button was dan ook zeer nerveus”, “De dokter wreef zich de handen met dat typische wasgebaar dat alle artsen volgens een ongeschreven erecode moeten maken”, of “Er was geen vergissing mogelijk – hij staarde naar een man van zeventig – een baby van zeventig, wiens voeten over de rand van de wieg bungelden waarin hij lag”, word je in ieder geval eerder vrolijk dan bespiegelend. En dat geldt eigenlijk voor dit hele verhaal.

Nee, het personeel in het ziekenhuis is niet gelukkig met de toestand, het personeel op de verschillende scholen die Benjamin Button naderhand bezoekt al evenmin, zijn echtgenote blijft het maar tijdelijk, de militairen eveneens, en z’n eigen zoon wil hem uiteindelijk het liefst voor de buitenwereld verbergen, maar dat is ook precies wat je kan verwachten in een wereld waarin alles één richting uitgaat, die naar het einde, terwijl het hoofdpersonage de andere richting uitgaat, die naar het begin. Absurd is het, maar nooit triest. Daar schept de auteur ook geen gelegenheid toe. Van “‘Goed, vader’ – dit met een groteske nabootsing van kinderlijke gehoorzaamheid– ‘u hebt langer geleefd, u weet het het beste” ben je zo bij “Benjamin zat met een schuldig gezicht te proberen de peuk van een donkere havanna te verbergen”, en van “Toen hij vijf was, stuurden ze hem naar de kleuterschool, waar hij werd ingewijd in de kunst van het plakken van groen papier op oranje papier, het vlechten van gekleurde landkaarten en het maken van eeuwigdurende kartonnen kettingen” kom je via toch wel mooie beschrijvingen als “late oogstbloemen ademden in de windstille lucht geuren uit die klonken als zacht, half gehoord gelach” in een handomdraai (of bladomdraai) zo bij “de eerste liefde”, terwijl er toch niks ergers gebeurt dan wat geroddel: “Men beweerde dat Benjamin eigenlijk de vader van Roger Button was, dat hij zijn broer was die veertig jaar in de gevangenis had gezeten, dat hij John Wilkes Booth in vermomming was – en ten slotte dat er twee kleine conische hoorntjes uit zijn hoofd groeiden”. Geroddel en in de omgekeerde volgorde dingen leren kennen en er afscheid van nemen.

In de omgekeerde volgorde en toch weer niet altijd. Benjamin Button raakt zijn vrouw beu omdat ze “te vastgeroest geraakt [was], te kalm, te tevreden, te bloedarmoedig in haar opwinding, te bezadigd in haar smaak”, maar dat zijn sentimenten die niet noodzakelijk samenhangen met omgekeerd evolueren (al zal dat ook niet helpen om het proces in kwestie aanvaardbaarder te maken). En z’n vrouw verwijt hem dat hij “niet wil(…) lijken op wie dan ook”, maar dat is ook geen kwestie van steeds jonger worden. En hij slaagt er niet meer in om in het sportteam te komen omdat hij steeds jonger en minder krachtig wordt, maar wat is uiteindelijk het verschil met daarin niet meer slagen omdat je steeds ouder en minder krachtig wordt? Wat is het verschil tussen niet meer kunnen studeren omdat je hersenen niet meer ver genoeg ontwikkeld zijn en niet meer kunnen studeren omdat je hersenen al over hun hoogtepunt heen zijn? Wat maakt het uit of je kinderen je verbergen voor de wereld omdat je er op ‘achteruit’ gaat of omdat je er op ‘vooruit’ gaat? Met een béétje ‘slechte’ wil, maak je van dit merkwaardige geval een gewoon geval, een gewoon geval dat op een merkwaardige manier bekeken wordt om het merkwaardige ervan in de kijker te zetten. Ik zou niet durven beweren dat F. Scott Fitzgerald (ook) dat nastreefde, maar het idee alleen al zorgt voor extra leesplezier bij dit sowieso al plezierig om lezen zijnde verhaal.

Björn Roose

dinsdag 19 mei 2026

Zondag in de week – Gaston Durnez (boekbespreking door Björn Roose)

Zondag in de week – Gaston Durnez (boekbespreking door Björn Roose)
Terwijl ik over déze cursiefjesbundeling van Gaston Durnez, getiteld Zondag in de week en uitgegeven bij Heideland-Orbis in 1969, niet eens lang gedaan heb (soms ligt het voorleestempo – zie mijn bespreking van andere dergelijke bundels – een stuk hoger dan anders), blijkt het inmiddels toch al van eind oktober vorig jaar geleden dat ik nog een bespreking van een andere bundel van Durnez, Sun Corner Bar, publiceerde. Niet dat dat hindert, daar niet van, maar als er – dat heb ik even vooraf uitgerekend, dus kan ik er wel een weekje naast zitten -, tussen de vorige bespreking en de voorliggende meer dan een half jaar zit (ik verwacht voorliggende bespreking te publiceren ergens half mei), dan heb ik nog wel voor even cursiefjes in voorraad, al zijn er daar bij lange niet genoeg bij van de hand van Durnez.

Dat ik de werken van die in 2019 op zijn eenennegentig overleden schrijver wel lust, heeft u immers al kunnen afleiden uit niet alleen mijn bespreking van Sun Corner Bar, maar ook die van Mijn leven onder de Belgen, Kijk, paps, een Belg!, God is een Sinjoor, Een vogel in de brievenbus, Duizend kussen voor iedereen, De lach van Chesterton, Denkend aan Nederland, De engel op het eiland, Kermis en Een mens is maar een wandelaar, maar Zondag in de week is op zijn manier (ook weer) een bijzondere, edoch geen vreemde, eend in de bijt. Zoals op de binnenflap door Durnez vermeld wordt, “bevat [dit boek] stukjes die ik schreef voor De Bond, Rosita of Het Volk” en draagt hij ze op “aan de grootmoeders en grootvaders van mijn kinderen” (voor wie iets minder goed is in rekenen of genealogie: aan zijn ouders en die van zijn echtgenote), iets wat hij doet vanwege de op de achterflap vermelde motivering van de selectie: een “keuze uit zijn kronieken, waarin hij iets poogde vast te leggen van de vreugde die zijn kinderen hem bezorgden”.

Iets wat hem, vader van – als ik me niet vergis – vijf kinderen, zijnde drie zonen en twee dochters, bijzonder goed gelukt is. Een feit dat dan weer te danken lijkt aan de onschuld waarmee Durnez zelf de wereld tegemoet lijkt te treden. Een zin als de volgende, de eerste van het eerste stukje, Spelletje getiteld, is uiteraard grappend bedoeld, maar je voelt dat het kind in Durnez zelf ergens aan de knoppen zit: “Er belt een mijnheer aan mijn deur, in de stellige overtuiging dat ik financieel en kultureel geschikt ben voor een encyclopedie.” Een zin ook die meteen duidelijk maakt dat dit boekje effectief al vijfenvijftig jaar oud is, want de laatste keer dat ik nog mensen een encyclopedie van een leurder heb weten kopen, waren die mensen mijn ouders en bevonden we ons ook nog in het decennium waarin de tweede druk van dit boekje verscheen, zijnde de jaren ‘70. Een zin echter even goed die ook na zoveel jaar nog poëtisch klinkt. Zoals “Luidsprekers trachtten elkaar de stembanden af te bijten” (in Kermisvogels), “Hij blonk als een nieuwe goudvis” (in Verjaardag), of “De duinen zetten boos een hoge rug” (in Fort), en zovele andere pareltjes waarmee ook déze stukjes weer doorspekt zijn.

Zoals ze ook – dat mag je uiteraard verwachten in een bundel waarin de auteur “iets poogde vast te leggen van de vreugde die zijn kinderen hem bezorgden” – doorspekt zijn van die dingen die kinderjaren, op zijn minst het soort jaren dat kinderen doormaakten op het platteland van die jaren, in een huishouden van Jan Steen (“ik heb horen zeggen dat er in een huisgezin met kinderen toch een minimum orde en tucht zou moeten heersen”, schrijft Durnez ergens), zo typeren en waar je wel moét van houden als je die vreugde wil beleven. Onzichtbare vriendjes bijvoorbeeld: “‘Zijn’ Paul mag alles, heeft alles en kan alles. Wie het precies is, weten wij niet. Het moet een vriendelijke knaap zijn die hem eenmaal, lang geleden, in de kleuterschool een brokje van zijn eigen kauwgum heeft gegeven of die hem misschien wel een grote hap uit zijn ijsje liet nemen. Sindsdien is de jongen zelf helemaal van onze zoon.” Het waren tijden vóór The Shining (met Tony, het onzichtbare vriendje van Danny Torrance), niemand dacht toen dat onzichtbare vriendjes wel eens gevaarlijk konden worden. Of speelgoed for that matter (zie De aap van Stephen King): “Hun grote beer hielden ze stevig bij de zachte poten. Hij keek met zijn blinkende oogjes gedachteloos naar het luide kinderspel. De zwarte streep van zijn mond glimlachte stil en wijs.” Maar goed, Durnez was eerder een sprookjes- dan een horrorfan: “Ik stel mij ineens een verhaal voor over een dichter die in zijn jeugd allerlei mooie woorden uitknipt en op grote bladen plakt die hij beschermt met zacht doorschijnend papier, om ze niet te beschadigen. En later, als hij oud en schijnwijs is geworden, en als hij geen grote-mensen-woorden meer heeft, omdat ze versleten zijn door het jarenlange gebruik en verbleekt door de tranen, later grijpt die dichter naar het boek en hij haalt er de woorden uit die hij daar als kind heeft ingeplakt. En met die woorden uit zijn jeugd maakt hij nieuwe gedichten en nieuwe verhalen, die de mensen blijgezind maken en hem troosten.”

Hoe mooi is dat niet bedacht en geschreven? En hoe vloekt dat niet met een andere ervaring die ouders en kinderen, bij voorkeur in zeer beperkte mate, opdoen: “‘Waarom moet ik altijd in mijn bed blijven?’ De stappen verdwenen in de jongenskamer. Er klonken nog wat losse woorden. Dan een klets van een hand op iets dat heldere weerklank gaf, gevolgd door een luide schreeuw. Ik knikte goedkeurend naar de duisternis. Wat later kwam mijn vrouw de kamer binnen. Zij was een tikje ontdaan. ‘Weet je wat hij nù zegt? Ik leg hem weer in zijn bed, hij spartelt en worstelt, ik geef hem een klets, en hij bekijkt mij eens en roept: ‘Hier houdt er niemand meer van mij!’ Zou hij… ik bedoel… wat wil zo’n kleine jongen daar nu mee zeggen?… Zou hij…’” Twijfel aan zichzelf die vooral moet optreden in gezinnen zoals dat van Durnez, een vader die ongetwijfeld héél veel toeliet (of op z’n minst de lezer die indruk gaf): “Achter in de tuin, waar een scherm van bomen de weg verspert, ligt het Land van Avontuur. Er loopt een gracht, als een wal rond een burcht van onkruid en achtergebleven snoeihout. In de zomer schiet het scherpe gras er hoger op dan elders in de tuin. Vroegere beschavingen hebben er diepe rimpels achtergelaten in de bodem en rond de gracht een gordel van graszoden aangelegd. Onervaren mensen als mijn vrouw en ik komen er zelden. Het ligt te ver van de bewoonde wereld. Wij begeven ons alleen maar ter plaatse, wanneer de onversaagde trappers die er winter en zomer rondzwerven onze hulp komen inroepen.” Hoeveel mensen hebben nog zo’n tuin, hebben nog een tuin tout court, een tuin waarin kinderen kampen kunnen bouwen en ouders er niet op staan dat ‘s avonds de ‘rommel’ is opgekuist? Ik kende zo’n mensen in mijn jeugd, maar mijn ouders waren er, ondanks het feit dat we wél veel tijd op straat doorbrachten, geen van. Mijn vader kwam al zeggen dat we alles moesten opruimen vóór we het uit de kast gehaald hadden. En een tent opzetten in de tuin zat er dus ook al niet in, zelfs niet als die tent eigen makelij zou zijn geweest: “Hij had ze zelf gemaakt, ginder op het ossewegje achter het gazon, in de schaduw van de muurboompjes en de jasmijnen, die nog alleen van herinneringen leefden. Het was een mooie tent. Een degelijke tent. Eerst had hij twee stoere stokken in de grond geslagen, ‘op gelijke afstand van mekaar’. Daartoe gebruikte hij een echte, stevige, ijzeren hamer, die sindsdien spoorloos verdwenen is. Tussen de stokken spande hij een touw en daar legde hij een bleek overgordijn op dat al een paar jaar uit zijn ambt was ontheven. Hij nagelde het met kachelhoutjes vast aan de wereld. Ergens uit de duistere wanorde van het stalletje, dat wij destijds tot zijn atelier hebben bevorderd, diepte hij een zeildoek op. Dat moest de vloerbekleding worden.”

Je kan het je zo inbeelden, net zoals je je dit kan inbeelden, al is er voor dit op de lawaaierige wereld waar we meer dan vijftig jaar later ons leven doorbrengen wel wat meer fantasie nodig: “Uitgeput door de gedachte aan het vele werk dat mij wachtte, zat ik die namiddag in mijn zetel te mijmeren over zo goed als niets. Het was rustig en warm, de hele stad lag buiten haar muren te zonnen op de oevers van de Snelle Vliet en ongeveer alle kinderen liepen ergens vakantieliedjes te zingen. De stilte van het huis werd aangedikt door het verre geroezemoes van knorrige auto’s die over de grote weg naar elders reden om terug te kunnen komen. In de tuin stond de witte muur te blinken en iemand riep kom-kom-kom op een zeer late reisduif.”

“Zo gebeurt dat op menige zachte avond na menige drukke dag in veld en wei, als iedereen moegedraafd en moegespeeld, als alle gras platgetrapt is en alle opgelaten vliegers weer binnen zijn gehaald met het opgerolde touw van hun vrijheid. De boterhammen en de stoofperen zijn haastig soldaat gemaakt, het bad is vol- en leeggelopen, de zeep en het washandje drijven lustig in de plassen. Het is avond, iedereen wil nog even buiten omdat het een fijne dag was die je niet zomaar in één keer op kunt bergen bij het verleden”, noteert Durnez in Spoken. Daarmee geen spoken oproepend, maar een weemoed waarvan je ook als volwassene nog wel eens wat voelt aan het eind van een mooie zomer, maar toch nooit zo sterk als die naar de lente van je leven in de zomers van toen. Durnez had al kinderen toen ik nog niet geboren was, maar door zijn herinneringen aan die van hem, beleef je ook weer een beetje je eigen jeugd. Als je tenminste de zomers van toen nog hebt meegemaakt.

Björn Roose

vrijdag 15 mei 2026

1421 – Het jaar waarin China de Nieuwe Wereld ontdekte – Gavin Menzies (boekbespreking door Björn Roose)

1421 – Het jaar waarin China de Nieuwe Wereld ontdekte – Gavin Menzies (boekbespreking door Björn Roose)
“China was in de eerste helft van de vijftiende eeuw de machtigste zeevarende natie ter wereld en maakte een ongekende culturele en wetenschappelijke bloei door. In 1421 vertrok een vloot onder leiding van de eunuch-admiraal Zheng He voor een zeereis met als doel naar het einde van de wereld te varen. Toen de vloot twee jaar later terugkeerde, was China veranderd: het land was in zichzelf gekeerd en stond aan het begin van een eeuwenlange periode van volstrekte isolatie. De schepen rotten weg, en de bewijzen dat de Chinese vloot – zeventig jaar vóór Columbus – Amerika had bereikt, en dat de Chinezen – een eeuw vóór Magalhães – de aarde rond waren gevaren, raakten verloren. Ook hadden zij Antarctica ontdekt en waren zij in Australië geweest.”

Geef toe, als je bent opgevoed met het ei van Columbus, zijn Santa Maria, Niña en Pinta, met Vasco da Gama, Amerigo Vespuci, Cortés en Pizarro, dan is die inleiding op de achterflap van Gavin Menzies’ vierhonderd bladzijden dikke, in 2002 in Nederlandse vertaling bij Ambo uitgegeven, 1421 – Het jaar waarin China de Nieuwe Wereld ontdekte, toch wel reden genoeg om dat boek te lezen? Dat is dan ook wat ik deed. Net zoals vele anderen. Ook professionele geschiedkundigen. En die, die professionele geschiedkundigen, waren met dit boek niet blij. Om meerdere redenen allicht.

Ten eerste was de in 2020 overleden Gavin Menzies geen vakgenoot van hen, hij was, zoals ook op de achterflap aangegeven, “onderzeebootofficier bij de Britse marine”. Niet dat dat hem belette gedegen onderzoek te doen – “Voor zijn onderzoek bezocht hij honderdtwintig landen, zo’n negenhonderd musea en bibliotheken en alle belangrijke havensteden van de late Middeleeuwen”, vermeldt de achterflap -, maar historici zijn, als ze niet werkloos zijn of wegens het feit dat er nu eenmaal uit iedere opleiding meer middelmatigen komen dan excellenten in een andere sector aan de slag, een beetje een sekte en hebben niet graag dat wie niét officieel tot hun sekte behoort zich bemoeit met hun winkel. Ik kén een amateurhistoricus die in die hoedanigheid schitterend werk leverde en een aanzienlijk aantal boeken had geschreven, maar net omdat hij door die lieden niet serieus genomen werd professioneel historicus is geworden. D.w.z. zijn universitair diploma haalde en zijn doctoraat, maar wel ná zijn uren, uren waarin hij een ‘gewone’ job had.

Ten tweede omdat Menzies vlot schreef, de lezer wist mee te nemen in zijn verhaal, en daarmee van dit boek een bestseller wist te maken. Als amateurhistorici dan al iéts mogen doen van de ‘echte’ historici, dan is het zich bezig houden met foto’s van lokale wielrenners, de geschiedenis van de carnavalsstoet in hun dorp, of desnoods het verhaal van een – al dan niet naoorlogse – verzetsheld uit hun streek, daar desnoods een publicatietje aan wijden, bij voorkeur eentje dat uit geniete fotokopietjes bestaat, maar verder dan de gemeentelijke heemkundige kring moet de verspreiding daarvan vooral niet reiken. Dat het overgrote deel van de beroepshistorici absoluut belabberd schrijft, daarmee alleen gelezen wordt (als dat al zo is) door de sektegenoten, en dus nul bekendheid geniet bij een groter publiek (waar de heren en dames dan uiteraard op neerkijken), is al erg genoeg, per slot van rekening.

Ten derde vanwege het feit dat Menzies iets inbrengt dat professionele historici, net omdat ze professionele historici zijn, over het algemeen niet hebben: een ruime ervaring als zeeman. In een van de commentaren van beroepshistorici die ik las, werd het feit dat Menzies het regelmatig over winden, stromingen, en vooral kaarten heeft, kennis die hij gebruikt om in te schatten hoe de Chinese vlo(o)t(en) zich over de zeeën en oceanen bewogen hebben, zo ongeveer afgedaan als ‘Pfff, alsof dat van enig belang is!’, en dat was dan nog een commentaar waarin dat aspect van Menzies’ wetenschappelijke kennis werd meegenomen. Het deed me allemaal een beetje denken aan de erkenning die Thor Heyerdahl kreeg naar aanleiding van zijn boek over De Kon-Tiki expeditie: ook dat werd door een hele horde academici aangevallen, al was Heyerdahl dan wel een professioneel antropoloog, terwijl het door het grote publiek (in een massa vertalingen) enthousiast werd begroet, maar het leidde ook tot discussie over oude zeereizen en een bredere belangstelling voor antropologie en historische navigatie. Een mens zou kunnen hopen dat dit boek van Menzies hetzelfde effect heeft (daartoe heeft hij in ieder geval nog zelf een stichting helpen opzetten), maar het lijkt er, zo leer ik uit een – toegegeven, niet al te uitgebreide – zoektocht op het internet, vooralsnog op dat ‘de wetenschappelijke wereld’ de theorievorming van Menzies afdoet als fictie omdat die theorievorming niet helemaal tot stand is gekomen op de manier die de, ongetwijfeld baanbrekende, beroepshistorici hanteren. Iets waar ze uiteraard minder lawaai zouden over maken als Menzies, tot overmaat van ramp, niet ook nog zou geschreven hebben dat die (westerse) beroepshistorici vasthouden aan hun eurocentrische theorieën over de ontdekkingsreizen omdat ze anders helemaal de boeken zouden kunnen dichtdoen. Als je niet verder wénst te kijken dan de ‘gevestigde waarheid’ en je ‘wetenschappelijk onderzoek’ alleen maar neerkomt op verder uitdiepen van die ‘gevestigde waarheid’, dan ben je misschien wel een beroeps, maar zeker geen wetenschapper.

Nu goed, ik wil u dat even meegeven, maar ik ga ook niet beweren dat alles wat Menzies in dit boek geschreven heeft evangelie is. Het stukje van de achterflap dat ik nog niet geciteerd heb, toont ook aan dat de uitgever dat oordeel deelt: “Als in een historische detective vertelt Gavin Menzies over oude scheepskaarten, navigatietechnieken en astronomie, en citeert hij uit de overgeleverde aantekeningen van de Chinese ontdekkingsreizigers en hun latere Europese navolgers. Hij reist rond de wereld en vindt een overdaad aan bewijzen van de vroegere aanwezigheid van de Chinezen. 1421 geeft de wereldgeschiedenis een nieuw aanzicht en bevat stof voor nog vele jaren verder onderzoek naar een van de boeiendste periodes uit de geschiedenis.”

Ja, het is dus een beetje een “historische detective”, maar het is geen De Da Vinci Code of een Het Bernini Mysterie. Het is een detective precies omdat het geen ‘gevestigde waarheid’ is, omdat Menzies op basis van een massa losse puzzelstukjes en zijn kennis van zeereizen en kaarten een theorie tracht gestalte te geven. Op een aantal van die puzzelstukjes kan kritiek geleverd worden, maar de voornaamste kritiek die ik van beroepshistorici ter zake gelezen heb, bestond – o, wat een verrassing – uit ‘Menzies kan niet aantonen dat dat stukje in zijn puzzel past’, niet uit ‘Dit stukje past in een andere puzzel waarvan we wel het grootste deel van de stukken bij mekaar hebben’. Een van de beroepshistorici schrijft ergens dat deeltjes van dit boek kunnen voorgelegd worden aan studenten geschiedenis die dan mogen aantonen waarom ze ‘fictie’ zijn, iets wat redelijk lijkt, maar wetenschappelijke objectiviteit zou dan toch vereisen dat de opdracht luidt na te gaan of die deeltjes feit óf fictie zijn (iedereen weet dat met de vraag het antwoord gestuurd wordt) en of er aanvaardbare alternatieve theorieën over die “overdaad aan bewijzen” zijn. Dat Menzies niet noodzakelijk kon bewijzen dat A klopt, wil nog niet zeggen dat A niét klopt, laat staan dat een totaal niet bewezen B dan klopt.

En, ja, Menzies heeft met 1421 een allesomvattende theorie willen leveren. Misschien is dat een beetje te hoog gegrepen. Misschien had hij zich moeten concentreren op één puzzelstukje en daar zijn gelijk over aantonen. Om dan misschien aan een tweede stukje te beginnen en dáár zijn gelijk over aan te tonen. Enzovoort. Maar wanneer mag je dan precies aan algemene theorievorming gaan doen? Wanneer mag je besluiten dat puzzelstukjes bij mekaar horen en niet allemaal deel uitmaken van allemaal verschillende gehelen? En doen ‘wetenschappers’ in het algemeen dat dan? Gaan ze zich bij iedere appel die naar beneden valt opnieuw afvragen waarom dié appel naar beneden valt of gaan ze er van uit dat ook dié appel dat doet op basis van de algemene theorie rond de zwaartekracht? Gaan ze als er ooit eens iets naar boven valt dat negeren? Gaan ze als er dan nóg iets naar boven valt dat eveneens negeren, maar er ook van uitgaan dat dat tweede iets niets te maken heeft met het eerste? Of gaan ze toch de twee gevallen samen nemen en er een alternatieve algemene theorie rond proberen te bouwen? Als ze dat niét zouden doen, zou het grote publiek dan niet het recht hebben hen niet als ‘wetenschappers’ te beschouwen, maar als vakidioten? Mij lijkt het van wel. Vooral omdat de basisstelling van Menzies klopt: de heren Europese ontdekkingsreizigers gingen niet blindelings op weg, ze hádden kaarten. En op die kaarten stonden dingen die ze zelf niet ontdekt hadden. Wat ofwel wou zeggen dat degenen die de kaarten maakten zeer veel fantasie hadden en mét die fantasie ‘toevallig’ vaak doel troffen ofwel hun mosterd elders gehaald hadden, zijnde bij mensen die die gebieden al verkend hadden.

Menzies wijst er terecht op dat de beroepshistorici de authenticiteit van de kaarten van Pizzigano (uit 1424), Fra Mauro (uit 1459), Cantino (uit 1502), Caverio (uit 1505), Waldseemüller (uit 1507), Piri Reis (uit 1513) en Jean Rotz (uit 1542) niet betwisten en dat die kaarten gebieden omvatten waar de Europese ontdekkingsreizigers niet waren geweest. Menzies wijst op stèles in China waarop gesteld wordt dat eerder genoemde Zheng He “drieduizend grote en kleine landen’ bereikte, maar ook op tot op dit moment niet nader toegewezen exemplaren in Sri Lanka, de Kongo-delta, Cabo Verde, Noord-Amerika, Brazilië en Nieuw-Zeeland. Menzies wijst op Chinese illustraties uit 1430 waarop niet alleen leeuwen en olifanten uit India, maar ook zebra’s en giraffen uit Afrika, en gordeldieren, jaguars en grondluiaards uit Zuid-Amerika te zien zijn. Hij wijdt zeer veel aandacht aan het belang van de berekening van lengtegraden, de Chinese sterrenkundige kaarten, maar bijvoorbeeld ook aan een Koreaanse kaart uit 1402, de Gangnido, waarop niet alleen China te zien is, maar ook grote stukken van Afrika (tot en met Kaap de Goede Hoop), en Europa (waar onder andere Alumangia, Duitsland, met naam wordt genoemd). Hij wijst op ontmoetingen van, onder andere, Columbus, met bevolkingsgroepen die wellicht Chinees, of minstens Aziatisch, zijn (iets wat Menzies afleidt uit het feit dat ze als blank/geel worden omschreven en witte jurken dragen) en op verslagen/sagen/tekeningen van onder andere aboriginals over ontmoetingen met dito mensen. Hij besteedt aandacht aan het feit dat planten en dieren die van oorsprong op de ene plaats voor kwamen zich ook al op een andere bevonden vóór de Europese ontdekkingsreizigers ze begonnen te transporteren. Rijst, papavers en bepaalde rozen die verhuisden van China naar Noord-Amerika, bijvoorbeeld. Zoete aardappelen van Zuid-Amerika naar eilanden in de Grote Oceaan. Aziatische kippen in Zuid-Amerika, paarden in Noord-Amerika, Chinese honden in Mexico, zeeotters in Nieuw-Zeeland, enzovoort, enzovoort. Hij gaat in op sporen van mijnbouw en andere industriële activiteiten, op scheepswrakken die niet van Europese oorsprong zijn, op beeldjes uit jade, op bronzen leeuwen, op onyxen kevers,... Allicht klopt niet álles wat de auteur meegeeft in zijn Appendix 1, Chinese zeereizen rondom de wereld 1421-1423: aanvullend bewijsmateriaal, maar wát hij meegeeft, is op z’n minst goed voor massa’s vragen en verder onderzoek, iets wat kennelijk niet gebeurd is, of toen nog niet gebeurd was. De Verslagen van ooggetuigen (Appendix 2) zijn talrijk, niet afkomstig van amateurhistorici óf beroepsexemplaren, en verdienen gelezen te worden. De Belangrijkste kaarten waarop de eerste reis rondom de wereld is weergegeven (Appendix 3) zijn nog te bezichtigen in musea, aan universiteiten of in bibliotheken. De uitleg omtrent Bepaling van de geografische lengte door de Chinezen aan het begin van de vijftiende eeuw (Appendix 4) gaat mijn petje te boven, maar wordt voor zover ik weet niet tegengesproken. De Bibliografie is uitgebreider dan vele bibliografieën die ik in boeken van professionals tegengekomen ben. De uitleg omtrent de omslag van China van zeer naar buiten gericht rijk naar uitermate naar binnen gekeerd rijk in het eerste hoofdstuk, Het Chinese keizerrijk, wordt zelfs door de beroepshistorici niet aangevochten.

Enfin, volgens mij zijn er redenen zat om zelfs als je de theorievorming van Menzies niet zomaar aanneemt dit boek toch te lezen. De eurocentrische visie op de geschiedenis verdient het in twijfel getrokken te worden en Menzies geeft met dit boek, waaraan hij nota bene veertien jaar gewerkt heeft, en zijn alternatieve theorievorming op zijn minst aanleiding genoeg om dat te doen. “De constatering dat de Chinezen de Nieuwe Wereld en Australië hebben ontdekt, betekent niet dat de prestaties van Dias, Columbus, Magalhães en Cook daarom minder belangrijk zijn geweest en aan hun nagedachtenis wordt zeker geen afbreuk gedaan”, schrijft Menzies dan ook in zijn epiloog. “De heldendaden van deze ontdekkingsreizigers zullen nooit worden vergeten, maar het wordt nu tijd om anderen te eren die veel te lang totaal onbekend zijn gebleven. Die opmerkelijke Chinese admiraals zeilden zesenzestig jaar vóór Dias om Kaap de Goede Hoop en negenentachtig jaar vóór Magalhães door de huidige Straat van Magallanes, zij verkenden drie eeuwen vóór kapitein Cook Australië, vier eeuwen vóór de Europeanen Antarctica en het noordpoolgebied en zeventig jaar vóór Columbus Amerika. De grote eunuch-admiraals Zheng He, Hong Bao, Zhou Man, Zhou When en Yang Qing verdienen het te worden herdacht en geëerd omdat zij de eersten, de dappersten en avontuurlijksten waren van alle ontdekkingsreizigers die de wereld op de kaart hebben gezet. De mannen die volgden, hoe groot hun prestaties ook zijn geweest, zeilden achter hen aan.” Als dat geen uitdaging is aan, al dan niet professionele, historici om op z’n minst aan te tonen in welke puzzel(s) al die losse puzzelstukjes dan wél thuishoren, dan weet ik het ook niet meer.

Björn Roose

maandag 11 mei 2026

Kwadratuur – Frank Liedel (boekbespreking door Björn Roose)

Kwadratuur – Frank Liedel (boekbespreking door Björn Roose)
Het laatste nog niet gelezen boek van Frank Liedel (geboren als Leo Lode Frans Van Assche in 1924, overleden in 2012) dat ik nog in mijn kasten had staan, is bij deze gelezen: Kwadratuur. Ook dít exemplaar werd gepubliceerd bij De Clauwaert v.z.w. - al was die uitgeverij in het jaar van uitgifte (1993) intussen aan z’n bijna laatste mutatie toe en heette ze intussen Davidsfonds/Clauwaert - maar het was wel iets dikker dan de vorige boeken die ik van de auteur las, zijnde zo’n tachtig bladzijden. Niet helemaal verspild papier, want Liedel kon aardig schrijven, iets wat ik al eerder vastgesteld had, maar Kwadratuur zal, in tegenstelling tot Om de linkerhand van St.-Antonius van Padua en De krant uit Santa Fé, niet in mijn boekenkasten blijven staan. Het volgt de weg van Schildpad, Dover, en De late zaligheid van Mon De Cocker, en gaat richting zolder.

Waarom? Omdat ik me twee weken nadat ik het gelezen heb al nauwelijks meer herinner waarover het gaat, bijvoorbeeld. Iets wat niet aan mijn geheugen ligt – zo erg is het daarmee niet gesteld -, maar aan het feit dat dat me ook al grotendeels ontging toen ik het las, ondanks het verkoopspraatje op de achterflap: “Wittemeer is de invloedrijke en meedogenloze personeelschef van een belangrijk farmaceutisch bedrijf. Hij is weduwnaar. Zijn vriendin, Margreet, is de echtgenote van een gedegradeerde directeur-generaal bij een ministerie. Ze is ongelukkig bij haar egocentrische man, maar heeft een hechte band met haar kinderen. Daarom wil ze de halfslachtige levenswijze behouden, die ze door haar verhouding met Wittemeer noodgedwongen heeft aangenomen. Wanneer Wittemeer een jeugdvriend verlies, beseft hij dat het hoog tijd wordt om van het leven te gaan genieten. Of gebruikt hij de dood van zijn vriend slechts als aanleiding om zijn doel te bereiken, en Margreet voor zich alleen op te eisen?”

Ik houd het op dat laatste (Liedel op het einde ook, heb ik de indruk), Wittemeer komt op geen enkel moment op mij over als iets anders dan een vent die minstens zo egocentrisch is als de echtgenoot van zijn vriendin, een eigenschap waaraan hij na de dood van zijn jeugdvriend Crabbé alleen maar sterker toegeeft. Hij wil niet langer zijn vriendin delen met haar man, hij wil haar helemaal voor zich alleen, en wel nu. Dat ik op geen enkel moment lijk getwijfeld te hebben aan het karakter van Wittemeer, kan natuurlijk aan een gebrek aan inzicht van mijnentwege liggen, maar ik heb dat probleem niet met romanfiguren in het algemeen (de weinig dubbelzinnige steken me door de band genomen zelfs snel tegen), dus ik denk dat die “dunne lijn tussen afgunst en vriendschap, ijdelheid en liefde”, waarvan verder op de achterflap sprake is, niet echt uit de verf komt in Kwadratuur.

Iets wat ik ook bevestigd zie in wat de auteur te melden heeft over Frederik Colijn, de in de loop van het verhaal gedegradeerde (en vervolgens weer opgewaardeerde) “directeur-generaal bij een ministerie” en zijn vervanger Willockx, minister Bostoen (ex-minister nadat de regering gevallen is over “een taalkwestie”, in de vroege jaren negentig nog net aanvaardbaar als geloofwaardige fictie) en zijn opvolger Hermanne, en de andere figuren die een rol spelen in het socialistische schaduwspel dat boven en rond Colijn wordt gespeeld. Een socialistisch schaduwspel waaraan Liedel te veel aandacht besteedt om het vaag te laten maar te weinig om het duidelijk te maken (iets wat Piet Van Aken, ondanks de gebreken van dat boek, veel beter gedaan heeft in De blinde spiegel), terwijl het ook geen enkel belang heeft. De staat van het huwelijk tussen Margreet (het is me ontgaan of die ergens van een eigen familienaam voorzien is) en Frederik Colijn heeft niets te maken met diens positie op het ministerie, Liedel geeft zelfs aan dat die haar totaal niet interesseert, terwijl hij aan de andere kant nauwelijks tijd geïnvesteerd heeft in het verduidelijken van het waarom van de staat van dat huwelijk.

Idem dito voor de op de achterflap niet vermelde verhaallijn rond “de man uit Malle”, een werknemer die teleurgesteld raakt in Wittemeer omdat een bonus aan zijn neus voorbijgaat, een teleurstelling die meteen omgezet wordt in de wil Wittemeer dood te schieten. De psychologische motivatie daar is absoluut nul en absoluut nul is ook wat er uiteindelijk van de plannen van “de man uit Malle”, later kortweg “Malle” genoemd maar nooit van een eigen naam voorzien, terechtkomt. Niet alleen dát, die verhaallijn eindigt ook stomweg zonder dat er een werkelijke kruising met die rond Wittemeer plaatsvindt, net zoals er geen plaatsvindt tussen die rond Colijn en die rond Wittemeer. “Levens die mekaar kruisen en weer uit elkaar gaan”, zoals het ook al op de achterflap vermeld staat, valt dus nogal letterlijk te nemen: in het geval van Wittemeer en Colijn hebben ze mekaar zelfs al gekruist voor het begin van het verhaal. “Wel, wel, haar hoofdkussen heeft ze mee. Ze heeft anders niet veel meegenomen, Margreet. Frederik strekt behaaglijk zijn onderste ledematen; zijn lijf voelt zich goed. En Colijn voel zicht te belangrijk om zich ongelukkig te voelen”, is meer dan onderkoeld, en het laat – ik citeer nog een laatste keer de achterflap – “de krachtig uitgezette verhaallijnen” absoluut niet “harmonieus in elkaar overvloeien”, het doet zelfs het volkomen tegengestelde van aan “deze boeiende novelle een heel aparte spankracht [geven]”. Om het maar niet uitgebreid te hebben over het laatste wat we van “Malle” te zien krijgen: “één voornemen zal hij uitvoeren, en hij mag zich spoeden, want er komt groen blad: de beukenhaag van ‘Topless’, de camouflage van de kloten, steekt hij in brand.”

Kwadratuur zal wellicht slaan op de ‘kwadratuur van de cirkel’, een wiskundig raadsel dat spreekwoordelijk geworden is in de zin dat verschillende dingen samengebracht worden die zo verschillend zijn dat ze normaal niet samen kunnen bestaan, maar met dit boek heeft Liedel eigenlijk alleen maar drie verhalen samengebracht die niet afgewerkt zijn en niet samen horen. Het was officieel zijn laatste niet-verhalenbundel (daarna volgden er nog twee, euh, wél-verhalenbundels), maar elk van de lijnen uitwerken tot een verhaal op zich en die vervolgens bundelen was misschien een beter idee geweest.

Björn Roose