“China was in de eerste helft van de vijftiende eeuw de machtigste
zeevarende natie ter wereld en maakte een ongekende culturele en
wetenschappelijke bloei door. In 1421 vertrok een vloot onder leiding
van de eunuch-admiraal Zheng He voor een zeereis met als doel naar
het einde van de wereld te varen. Toen de vloot twee jaar later
terugkeerde, was China veranderd: het land was in zichzelf gekeerd en
stond aan het begin van een eeuwenlange periode van volstrekte
isolatie. De schepen rotten weg, en de bewijzen dat de Chinese vloot
– zeventig jaar vóór Columbus – Amerika had bereikt, en dat de
Chinezen – een eeuw vóór Magalhães – de aarde rond waren
gevaren, raakten verloren. Ook hadden zij Antarctica ontdekt en waren
zij in Australië geweest.”
Geef toe, als je bent opgevoed met het ei van Columbus, zijn Santa
Maria, Niña en Pinta, met Vasco da Gama, Amerigo
Vespuci, Cortés en Pizarro, dan is die inleiding op de achterflap
van Gavin Menzies’ vierhonderd bladzijden dikke, in 2002 in
Nederlandse vertaling bij Ambo uitgegeven, 1421 – Het
jaar waarin China de Nieuwe Wereld ontdekte, toch wel reden
genoeg om dat boek te lezen? Dat is dan ook wat ik deed. Net zoals
vele anderen. Ook professionele geschiedkundigen. En die, die
professionele geschiedkundigen, waren met dit boek niet blij. Om
meerdere redenen allicht.
Ten eerste was de in 2020 overleden Gavin Menzies geen vakgenoot van hen,
hij was, zoals ook op de achterflap aangegeven, “onderzeebootofficier
bij de Britse marine”. Niet dat dat hem belette gedegen onderzoek
te doen – “Voor zijn onderzoek bezocht hij honderdtwintig landen,
zo’n negenhonderd musea en bibliotheken en alle belangrijke
havensteden van de late Middeleeuwen”, vermeldt de achterflap -,
maar historici zijn, als ze niet werkloos zijn
of wegens het feit dat er nu eenmaal uit iedere opleiding meer
middelmatigen komen dan excellenten in een andere sector aan de slag,
een beetje een sekte en hebben niet graag dat wie niét officieel tot
hun sekte behoort zich bemoeit met hun winkel. Ik kén een
amateurhistoricus die in die hoedanigheid schitterend werk leverde en
een aanzienlijk aantal boeken had geschreven, maar net omdat hij door
die lieden niet serieus genomen werd professioneel historicus is
geworden. D.w.z. zijn universitair diploma haalde en zijn doctoraat,
maar wel ná zijn uren, uren waarin hij een ‘gewone’ job had.
Ten tweede omdat Menzies vlot schreef, de lezer
wist mee te nemen in zijn verhaal, en daarmee van dit boek een
bestseller wist te maken. Als amateurhistorici dan al iéts
mogen doen van de ‘echte’ historici, dan is het zich bezig houden
met foto’s van lokale wielrenners, de geschiedenis van de
carnavalsstoet in hun dorp, of desnoods het verhaal van een – al
dan niet naoorlogse – verzetsheld uit hun streek, daar desnoods een
publicatietje aan wijden, bij voorkeur eentje dat uit geniete
fotokopietjes bestaat, maar verder dan de gemeentelijke heemkundige
kring moet de verspreiding daarvan vooral niet reiken. Dat het
overgrote deel van de beroepshistorici absoluut belabberd schrijft,
daarmee alleen gelezen wordt (als dat al zo is) door de sektegenoten,
en dus nul bekendheid geniet bij een groter publiek (waar de heren en
dames dan uiteraard op neerkijken), is al erg genoeg, per slot van rekening.
Ten derde vanwege het feit dat Menzies iets inbrengt dat professionele
historici, net omdat ze professionele historici zijn, over het
algemeen niet hebben: een ruime ervaring als zeeman. In een van de
commentaren van beroepshistorici die ik las, werd het feit dat
Menzies het regelmatig over winden, stromingen, en
vooral kaarten heeft, kennis die hij gebruikt om in te
schatten hoe de Chinese vlo(o)t(en) zich over de zeeën en oceanen
bewogen hebben, zo ongeveer afgedaan als ‘Pfff, alsof dat van enig
belang is!’, en dat was dan nog een commentaar waarin dat aspect
van Menzies’ wetenschappelijke kennis werd meegenomen. Het deed me
allemaal een beetje denken aan de erkenning die Thor Heyerdahl kreeg
naar aanleiding van zijn boek over De Kon-Tiki expeditie: ook
dat werd door een hele horde academici aangevallen, al was Heyerdahl
dan wel een professioneel antropoloog, terwijl het door het grote
publiek (in een massa vertalingen) enthousiast werd begroet, maar
het leidde ook tot discussie
over oude zeereizen en een bredere belangstelling voor antropologie
en historische navigatie. Een mens zou kunnen hopen dat dit boek van
Menzies hetzelfde effect heeft (daartoe heeft hij in ieder geval nog
zelf een stichting helpen opzetten), maar het lijkt er, zo leer ik uit een –
toegegeven, niet al te uitgebreide – zoektocht op het internet,
vooralsnog op dat ‘de wetenschappelijke wereld’ de theorievorming
van Menzies afdoet als fictie omdat die theorievorming niet helemaal
tot stand is gekomen
op de manier die de, ongetwijfeld baanbrekende, beroepshistorici
hanteren. Iets waar ze uiteraard minder lawaai zouden over maken als
Menzies, tot overmaat van ramp, niet ook nog zou geschreven hebben
dat die (westerse) beroepshistorici vasthouden aan hun eurocentrische
theorieën over de ontdekkingsreizen omdat ze anders helemaal de
boeken zouden kunnen dichtdoen. Als je niet verder wénst te kijken
dan de ‘gevestigde waarheid’ en je ‘wetenschappelijk onderzoek’
alleen maar neerkomt op verder uitdiepen van die ‘gevestigde
waarheid’, dan ben je misschien wel een beroeps, maar zeker geen wetenschapper.
Nu goed, ik wil u dat even meegeven, maar ik ga ook niet beweren dat
alles wat Menzies in dit boek geschreven heeft evangelie is. Het
stukje van de achterflap dat ik nog niet geciteerd heb, toont ook aan
dat de uitgever dat oordeel deelt: “Als in een historische
detective vertelt Gavin Menzies over oude scheepskaarten,
navigatietechnieken en astronomie, en citeert hij uit de
overgeleverde aantekeningen van de Chinese ontdekkingsreizigers en
hun latere Europese navolgers. Hij reist rond de wereld en vindt een
overdaad aan bewijzen van de vroegere aanwezigheid van de Chinezen.
1421 geeft
de wereldgeschiedenis een nieuw aanzicht en bevat stof voor nog vele
jaren verder onderzoek naar een van de boeiendste periodes uit de geschiedenis.”
Ja,
het is dus een beetje een “historische detective”, maar het is
geen De Da
Vinci Code of
een Het Bernini Mysterie.
Het is een detective precies omdat het geen ‘gevestigde waarheid’
is, omdat Menzies op basis van een massa losse puzzelstukjes en zijn
kennis van zeereizen en kaarten een theorie tracht gestalte te geven.
Op een aantal van die puzzelstukjes kan kritiek geleverd worden, maar
de voornaamste kritiek die ik van beroepshistorici ter zake gelezen
heb, bestond – o, wat een verrassing – uit ‘Menzies kan niet
aantonen dat dat stukje in zijn puzzel past’, niet uit ‘Dit
stukje past in een andere puzzel waarvan we wel het grootste deel van
de stukken bij mekaar hebben’. Een van de beroepshistorici schrijft
ergens dat deeltjes van dit boek kunnen voorgelegd worden aan
studenten geschiedenis die dan mogen aantonen waarom ze ‘fictie’
zijn, iets wat redelijk lijkt, maar wetenschappelijke objectiviteit
zou dan toch vereisen dat de opdracht luidt na te gaan of die
deeltjes feit óf fictie zijn (iedereen weet dat met de vraag het
antwoord gestuurd wordt) en of er aanvaardbare alternatieve theorieën
over die “overdaad aan bewijzen” zijn. Dat Menzies niet
noodzakelijk kon bewijzen dat A klopt, wil nog niet zeggen dat A niét
klopt, laat staan dat een totaal niet bewezen B dan klopt.
En,
ja, Menzies heeft met 1421
een allesomvattende theorie willen leveren. Misschien is dat een
beetje te hoog gegrepen. Misschien had hij zich moeten concentreren
op één puzzelstukje en daar zijn gelijk over aantonen. Om dan
misschien aan een tweede stukje te beginnen en dáár zijn gelijk
over aan te tonen. Enzovoort. Maar wanneer mag je dan precies aan
algemene theorievorming gaan doen? Wanneer mag je besluiten dat
puzzelstukjes bij mekaar horen en niet allemaal deel uitmaken van
allemaal verschillende gehelen? En doen ‘wetenschappers’ in het
algemeen dat dan? Gaan ze zich bij iedere appel die naar beneden valt
opnieuw afvragen waarom dié appel naar beneden valt of gaan ze er
van uit dat ook dié appel dat doet op basis van de algemene theorie
rond de zwaartekracht? Gaan ze als er ooit eens iets naar boven valt
dat negeren? Gaan ze als er dan nóg iets naar boven valt dat
eveneens negeren, maar er ook van uitgaan dat dat tweede iets niets
te maken heeft met het eerste? Of gaan ze toch de twee gevallen samen
nemen en er een alternatieve algemene theorie rond proberen te
bouwen? Als ze dat niét zouden doen, zou
het grote publiek dan niet het recht hebben hen niet als
‘wetenschappers’ te beschouwen, maar als vakidioten? Mij lijkt
het van wel. Vooral omdat de basisstelling
van Menzies klopt: de heren Europese ontdekkingsreizigers gingen niet
blindelings op weg, ze hádden kaarten. En op die kaarten stonden
dingen die ze zelf niet ontdekt hadden. Wat ofwel wou zeggen dat
degenen die de kaarten maakten zeer veel fantasie hadden en mét die
fantasie ‘toevallig’ vaak doel troffen ofwel hun mosterd elders
gehaald hadden, zijnde bij mensen die die gebieden al verkend hadden.
Menzies wijst er terecht op dat de beroepshistorici de authenticiteit van de
kaarten van Pizzigano (uit 1424), Fra Mauro (uit 1459), Cantino (uit
1502), Caverio (uit 1505), Waldseemüller (uit 1507), Piri Reis (uit
1513) en Jean Rotz (uit 1542) niet betwisten en dat die kaarten
gebieden omvatten waar de Europese ontdekkingsreizigers niet waren
geweest. Menzies wijst op stèles in China waarop gesteld wordt dat
eerder genoemde Zheng He “drieduizend grote en kleine landen’
bereikte, maar ook op tot op dit moment niet nader toegewezen
exemplaren in Sri Lanka, de Kongo-delta, Cabo
Verde, Noord-Amerika, Brazilië en Nieuw-Zeeland. Menzies wijst op
Chinese illustraties uit 1430 waarop niet alleen leeuwen en olifanten
uit India, maar ook zebra’s en giraffen uit Afrika, en
gordeldieren, jaguars en grondluiaards uit Zuid-Amerika te zien zijn.
Hij wijdt zeer veel aandacht aan het belang van de berekening van
lengtegraden, de Chinese sterrenkundige kaarten, maar bijvoorbeeld
ook aan een Koreaanse kaart uit 1402, de Gangnido,
waarop niet alleen China te zien is, maar
ook grote stukken van Afrika (tot en met Kaap de Goede Hoop), en
Europa (waar onder andere Alumangia,
Duitsland, met naam wordt genoemd). Hij wijst op ontmoetingen van,
onder andere, Columbus, met bevolkingsgroepen die wellicht Chinees,
of minstens Aziatisch, zijn (iets wat Menzies afleidt uit het feit
dat ze als blank/geel worden omschreven en witte jurken dragen) en op
verslagen/sagen/tekeningen van onder andere aboriginals over
ontmoetingen met dito mensen. Hij besteedt aandacht aan het feit dat
planten en dieren die van oorsprong op de ene plaats voor kwamen zich
ook al op een andere bevonden vóór de Europese ontdekkingsreizigers
ze begonnen te transporteren. Rijst, papavers en bepaalde rozen die
verhuisden van China naar Noord-Amerika, bijvoorbeeld. Zoete
aardappelen van Zuid-Amerika naar eilanden in de Grote Oceaan.
Aziatische kippen in Zuid-Amerika, paarden in Noord-Amerika, Chinese
honden in Mexico, zeeotters in Nieuw-Zeeland, enzovoort, enzovoort.
Hij gaat in op sporen van mijnbouw en andere industriële
activiteiten, op scheepswrakken die niet van Europese oorsprong zijn,
op beeldjes uit jade, op bronzen leeuwen, op onyxen kevers,...
Allicht klopt niet álles wat de auteur
meegeeft in zijn Appendix 1,
Chinese zeereizen rondom de wereld
1421-1423: aanvullend bewijsmateriaal,
maar wát hij meegeeft, is op z’n minst goed voor massa’s vragen
en verder onderzoek, iets wat kennelijk niet gebeurd is, of toen nog
niet gebeurd was. De Verslagen van
ooggetuigen (Appendix
2) zijn talrijk, niet afkomstig van
amateurhistorici óf beroepsexemplaren, en verdienen gelezen te
worden. De Belangrijkste kaarten waarop
de eerste reis rondom de wereld is weergegeven
(Appendix 3)
zijn nog te bezichtigen in musea, aan universiteiten of in
bibliotheken. De uitleg omtrent Bepaling
van de geografische lengte door de Chinezen aan het begin van de
vijftiende eeuw (Appendix
4) gaat mijn petje te boven, maar wordt
voor zover ik weet niet tegengesproken. De Bibliografie
is uitgebreider dan vele bibliografieën die ik in boeken van
professionals
tegengekomen ben. De uitleg omtrent de omslag van China van zeer naar
buiten gericht rijk naar uitermate naar binnen gekeerd rijk in het
eerste hoofdstuk, Het Chinese
keizerrijk, wordt zelfs door de
beroepshistorici niet aangevochten.
Enfin,
volgens mij zijn er redenen zat om zelfs als je de theorievorming van
Menzies niet zomaar aanneemt dit boek toch te lezen. De
eurocentrische visie op de geschiedenis verdient het in twijfel
getrokken te worden en Menzies geeft
met dit boek, waaraan hij nota bene veertien jaar gewerkt heeft, en
zijn alternatieve theorievorming op zijn minst aanleiding genoeg om
dat te doen. “De constatering dat de Chinezen de Nieuwe Wereld en
Australië hebben ontdekt, betekent niet dat de prestaties
van Dias, Columbus, Magalhães en Cook daarom minder belangrijk zijn
geweest en aan hun nagedachtenis wordt zeker geen afbreuk gedaan”,
schrijft Menzies dan ook in zijn epiloog. “De heldendaden van deze
ontdekkingsreizigers zullen nooit worden vergeten, maar het wordt nu
tijd om anderen te eren die veel te lang totaal onbekend zijn
gebleven. Die opmerkelijke Chinese admiraals zeilden zesenzestig jaar
vóór Dias om Kaap de Goede Hoop en negenentachtig jaar vóór
Magalhães door de huidige Straat van Magallanes, zij verkenden drie
eeuwen vóór kapitein Cook Australië, vier eeuwen vóór de
Europeanen Antarctica en het noordpoolgebied
en zeventig jaar vóór Columbus Amerika. De grote eunuch-admiraals
Zheng He, Hong Bao, Zhou Man, Zhou When en Yang Qing verdienen het te
worden herdacht en geëerd omdat zij de eersten, de dappersten en
avontuurlijksten waren van alle ontdekkingsreizigers die de wereld op
de kaart hebben gezet. De mannen die volgden, hoe groot hun
prestaties ook zijn geweest, zeilden achter hen aan.” Als
dat geen uitdaging is aan, al dan niet professionele, historici om op
z’n minst aan te tonen in welke puzzel(s) al die losse
puzzelstukjes dan wél thuishoren, dan weet ik het ook niet meer.
Björn Roose






