Larry Silver… U hebt de naam eerder gehoord. Dat kan. Omdat u vaker
boeken gelezen heeft van deze – dixit de achterflap van voorliggend
boekje – “emeritus Farquhar Professor of Art History aan de
University of Pennsylvania”, daarvóór “professor aan de
University of California, Berkeley en de Nordwestern University” en
“specialist van de vroegmoderne schilder- en prentkunst in de Nederlanden”.
In de gedaante van die “specialist” kent u hem in ieder geval van
een eerdere boekbespreking van mij. Zoals dezelfde achterflap immers
vermeldt: “In de reeks Phoebus Focus schreef Silver reeds
over Metsys’ Mondeken toe (2019)”, en ik ben met het
achtendertigste deel in die reeks ook aan mijn achtendertigste
bespreking van een deel in die reeks toe.
Dat gezegd zijnde: vermelden dat het boekje op dik, glanzend papier
uitgegeven is en tjokvol afbeeldingen zit, is allicht overbodig, want
dat is met iéder boekje in deze serie zo en dat heb ik al vaak
genoeg vermeld. Dat het zo’n honderdentien bladzijden telt, maakt
het ook al niet tot een uitzondering in de serie, en dat het
Voorwoord van de hand van Katharina Van Cauteren is, al
evenmin. Maar dit nummer XXXVIII heeft uiteraard wél een unieke
titel, Mercurius draagt Psyche naar de Olympus, én een dito
ondertitel, Bartholomeus Spranger (1546-1611) en een allegorie van
lust en macht voor keizer Rudolf II, en over die Spranger heeft
niet alleen Silver het, maar ook Van Cauteren in dat Voorwoord:
“Bartholomeus Spranger wordt geboren in Antwerpen en daar zit in de
zestiende eeuw iets in het drinkwater. Er wonen meer schilders dan
bakkers, of zo telt de Florentijn Lodovico Guicciardini het toch
(fanatieke lezers grijpen nu terug naar Phoebus Focus XVI). Al
die kunstenaars op een hoop, dat is natuurlijk fantastisch voor wie
wat zoekt om thuis aan de muur te hangen. Maar als schilder met
ambitie betekent het ook een nadeel. Het timmeren aan je eigen naam
en faam waar je over de artistieke koppen kan lopen? Zo komt het dat
Bartholomeus Spranger zijn hachje pakt en vertrekt naar Rome. Daar
schopt hij het tot schilder van de paus, om vervolgens door keizer
Maximiliaan II naar Wenen te worden gesommeerd. Uiteindelijk landt
Spranger in Praag, als hofschilder van Maximiliaans zoon en opvolger,
Rudolf II. Die zal hem uiteindelijk zelfs in de adelstand verheffen.”
Een ultrakorte levensbeschrijving, maar na het lezen ervan weet je
tenminste al iéts over Spranger. Want dat is in onze contreien een
notoire onbekende: “(…) ondanks zijn indrukwekkende carrière is
Bartholomeus Spranger geen sant in eigen land. Erger: in de
kunstgeschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden lijkt hij een beetje
vergeten. Dat komt ervan, als je de Scheldestad inruilt voor
Midden-Europa. In negentiende- en twintigste-eeuwse ogen ben je dan
mosselen noch vis: geen Antwerpenaar, maar ook geen Duitser. Je valt,
met andere woorden, buiten de hokjes, en laat de kunsthistorici uit
het verleden nu net tuk zijn geweest op vakjes, labels, stromingen,
afbakeningen en (eigen) regio’s. Denkelijk verklaart dat waarom
zich in Belgische openbare collecties geen enkel werk van Spranger
bevindt – de enige uitzondering die ik zo uit het blote hoofd kan
bedenken, is een tafereeltje in de Belfius Art Collection. Ah, en
natuurlijk zijn er de stukken in de verzameling van The Phoebus Foundation”.
Want dat is uiteraard óók iets wat elk van de boekjes in deze serie
gemeen heeft: dat het er in beschreven kunstwerk, dat vanzelfsprekend
ook dient als kapstok voor een behandeling van des kunstenaars leven,
tijden en omgeving, zich in de collecties van Fernand Huts’ Phoebus
Foundation bevindt. Wat niet wil zeggen dat de auteur zich
noodzakelijkerwijs tot dát werk beperkt. Om dat te – bad pun
intended – illustreren, verwijs ik graag naar de (voor u helaas
niet zichtbare) aanwezigheid in dit boekje van afbeeldingen van Venus
en Cupido met Mercurius en Psyche (van dezelfde Spranger en
eveneens in de collectie van de Phoebus Foundation), Mercurius
leidt Psyche naar de Hemel (ook van Spranger, maar
in de collectie van de Hamburger Kunsthalle), een portret van
Spranger door Jan Harmensz. Muller (te vinden in het Rijksmuseum
te Amsterdam), een Portret van keizer Rudolf II op driejarige
leeftijd (uit de – zoals dat dan heet – “omgeving” van
Jakob Seisenegger en tegenwoordig ook in het bezit van de Phoebus
Foundation), een Portret van keizer Rudolf II (intussen al
een stuk ouder, van de hand van Hiëronymus Wierix en, ook al, in de
collectie van de Phoebus Foundation), een ‘portret’ van
Sint-Andreas (van Spranger en jawel, toch), een Paard uit de
keizerlijke stal in Praag (of toch een schilderij daarvan van
Roelandt Savery, eveneens te vinden bij de Phoebus Foundation),
een Allegorie op de regering van keizer Rudolf II (van een
“navolger” van Spranger – ‘t is eens wat anders dan iemand
uit “de omgeving” -, eveneens in handen van de Phoebus
Foundation), het plafondschilderij van het Banket van de goden
dat Rafaël maakte voor de Villa Farnesina in Rome (en dat zich daar
dus ook nog steeds bevindt), de Drie Gratiën van diezelfde
Rafaël (Royal Collection in Windsor Castle), een
plafondschilderij van – daarvoor is ze nu eenmaal het bekendst –
de ontvoerd wordende Psyche in het Palazzo Te in Mantua van de hand
van Giulio Romano (“en zijn atelier”), een gravure van het al
eerder genoemde Banket van de goden (van Diana Scultori naar –
zie hiervoor – Giulio Romano, te vinden in het Metropolitan
in New York), een portretmedaille van – zie hiérvoor – Diana
Scultori door ene Meester T.R., Neptunus verrast Caenis (van
Spranger, in de collectie van Museum Plantin-Moretus, en het
bewijs dat “het blote hoofd” van Katharina Van Cauteren ook niet
alles weet en zij misschien de illustraties in het boekje waarvoor ze
het voorwoord geschreven heeft niet bekeken heeft), Caenis omhelsd
door Neptunus van Johannes I Sadeler náár Spranger
(Rijksmuseum), Glaucus en Scylla (van Spranger, te
vinden in het Kunsthistorisches Museum in Wenen),
Hermaphroditus en de nimf Salmacis (idem), Hercules,
Deianira en Nessus (idem), Zonder Ceres en Bacchus bevriest
Venus (idem), Angelica en Medoro (ook van Spranger, maar
onder dak bij de Alte Pinakothek in München), een gravure van
dat schilderij van de hand van de ook al eerder genoemde Jan
Harmensz. Muller (te vinden in het Metropolitan), Venus en
Adonis (van Titiaan, Museo Nacional del Prado in Madrid),
Spinsters (van de hand Diego Velázquez, in datzelfde museum),
Bacchus, Ceres en Cupido (in het Kunsthistorisches Museum
in Wenen, van Hans von Aachen), en nog eens hetzelfde maar dan totaal
anders uit zijn “omgeving” en in de collectie van de Phoebus
Foundation, het Huwelijk van Cupido en Psyche van Hendrick
Golzius naar Bartholomeus Spranger (Metropolitan Museum of Art),
Mercurius en Psyche van Jan Harmensz. Muller naar Adriaen de
Vries (bij het Rijksmuseum), Psyche wordt toegelaten tot de
Olympus (Peter Paul Rubens, Liechtenstein Museum te
Vaduz), Psyche en slapende Cupido (zelfde schilder, maar te
vinden in het Musée Bonnat-Helleu in Bayonne), Landschap
met Psyche en Jupiter (zelfde schilder in samenwerking met Paul
Bril, in het Prado), Nieuwsgierigheid van Psyche (Jacob
Jordaens, bij de Phoebus Foundation), Psyche ontvangt de
beker van onsterfelijk op de Olympus (idem), en Mercurius
draagt Psyche naar de Olympus (nog eens idem). Grotendeels werken
die dicht tegen het thema aanleunen (Mercurius, Psyche, Olympus, de
godenwereld in het algemeen), wat niet mag verrassen, voor een niet
onbelangrijk deel in de collectie van The Phoebus Foundation
zittende (wat me eerlijk gezegd bij momenten wél verraste),
behoorlijk wat werken van de schilder die in het zonnetje gezet wordt
in dit boek, maar toch ook véél werken die elders te vinden zijn,
van andere kunstenaars, en voor wie zou geteld hebben ook meteen
duidelijk makend dat het aantal herhalingen van de ‘kapstok’ als
illustratie zeer beperkt is (wat niet van elk boekje in deze serie
kan gezegd worden).
Larry Silver heeft dan ook een zéér brede kijk ontwikkeld in dit boekje.
Ja, Spranger speelt er de hoofdrol in, maar Silver behandelt veel
meer dan hem en het in de titel genoemde schilderij, terwijl hij het
zich toch wel makkelijk kon gemaakt hebben: “Over zijn leven is
veel bekend, onder meer dat hij lange tijd in Rome verbleef. Naast
die van Michelangelo vormt Sprangers biografie de langste sectie in
Karel Van Manders Schilder-Boeck, dat verscheen in 1604 en dus
nog tijdens het leven van Spranger”. Uitweidingen over Keizer
Rudolf II als mecenas en verzamelaar in Praag en over de collega
hofschilders van Spranger aldaar, onder andere de hierboven
opduikende Hans von Aachen en Adriaen de Vries, liggen voor de hand,
maar die over Italiaanse voorlopers en modellen al een stukje
minder (dingen als het feit dat Rafaël het Banket van de goden
schilderde ter ere van het huwelijk van Agostino Chigi, wiens
huwelijk “werd ingezegend door paus Leo X en een tiental
kardinalen”, zouden trouwens nog wat méér uitleg rechtvaardigen),
en het gegeven dat Silver vervolgens telkens een bladzijde (of toch
een stuk daarvan, al valt het met de witruimte in deze editie van
Phoebus Focus best mee) gaat wijden aan andere werken van
Spranger (vandaar uiteraard ook de illustraties daarvan), maakt van
dit boekje haast een oeuvre-catalogus. Een feest voor lezer én
kijker dus, dit Mercurius draagt Psyche naar de Olympus.
Björn Roose






