Trouwe lezers van mijn boekbesprekingen – nee, laat ons mekaar maar
niet voor de gek houden, die heb ik niet, maar ook af-en-toe-lezers
kunnen het weten – zien intussen al voor de zevenendertigste keer
een bespreking van een in de serie Phoebus Focus verschenen
boekje bij mij opduiken en vragen zich misschien af wanneer dat ooit
zal ophouden. Het antwoord luidt: voorlopig nog niet. Dit nummer
XXXVII, voluit getiteld Portret van Lady Dering – Marcus II
Gheeraerts en het gezicht van het vroeg-zeventiende-eeuwse Engeland,
verscheen in 2024 en werd (naar een ook al enkele jaren oude
traditie) meegestuurd met het nieuwste nummer van het tweemaandelijks
verschijnende OKV-Magazine,
en op dat magazine heb ik voor dit jaar weer een abonnement genomen.
Wetende dat inmiddels in de serie Phoebus Focus ook nog de
nummers XXXVIII (Mercurius draagt Psyche naar de Olympus),
XXXIX (Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit), XL (Portret
van Mary Sidney Herbert), en XLI (Twee vissersjongens)
uitgegeven zijn, en hopend dat er toch nog minstens één nummer bij
komt dit jaar, zou dat – al geeft het te denken voor volgend jaar –
toch nog vijf besprekingen van deze aard in 2026 moeten betekenen.
Maar, één ding ineens, eerst dit honderdachtentwintig glanzende
bladzijden dikke, van massa’s illustraties, en behoorlijk goed van
tekst voorziene (wat niet met elk nummer zo is) boekje van de hand
van “stafchef (…) van de Kanselarij van The Phoebus Foundation
en (…) gedelegeerd bestuurder van The Phoebus Foundation
Stichting van Openbaar Nut” Katharina Van Cauteren maar eens
bekijken. Nog niet zo lang geleden kreeg u van mij de bespreking van
Heilige Familie in Nazareth (het nummer XXXV in de serie), in april 2025 Suzanna
en de ouderlingen (XXX), en in november 2020 Het meermonster van Tagua
Tagua (V), telkens zeer lezenswaardige, goed geschreven boekjes, een
oordeel dat ik ook zonder enig probleem kan uitspreken over het voorliggende.
Waarbij dat “goed geschreven” zeker niet als een gratuite
commentaar moet beschouwd worden: Van Cauteren schrijft zéér goed
en om die reden is het eigenlijk altijd een genoegen haar vaste
vervanger Paul Huvenne het Voorwoord te zien afleveren. Hij
het Voorwoord, zij de eigenlijke tekst, is vooral omwille van
dat laatste een goede combinatie. Wat niet wil zeggen dat Huvenne – misschien voor het laatst: geen
idee of er nog boekjes in deze serie met een voorwoord van hem
gedrukt zijn, maar hij overleed eerder deze maand - een
minderwaardige intro heeft afgeleverd: “Een goed portret betekent
een ontmoeting. Je staat oog in oog met een onbekende die, om redenen
waar je de vinger niet op kan leggen, toch bekend aanvoelt. De
geportretteerde heeft dan ook zijn, of in dit geval: haar, best
gedaan. Je gaat niet elke dag op de foto. En dus stelt de jongedame
die centraal staat in deze Phoebus Focus zichzelf voor volgens
de regel van de kunst. Haar gezicht is getooid met de edelste
karaktertrekken en een laagje make-up. Ze is gehuld in haar paasbeste
kostuum. De geborduurde bloemen en de ragfijne kant verbeelden de
deugden die een dame hoog moet zien te houden.” Maar dan, aan het
einde van zijn introductie, slaat hij de bal enigszins mis: “Meestal
koestert dr. Katharina Van Cauteren een voorliefde voor de grote
verhalen. Politieke propaganda is haar geliefkoosde thema, met alle
dynastieke troebelen, allianties, gewonnen en verloren oorlogen,
kortom toeters en bellen die daarbij horen. Ook kunsthistorisch
cultiveert ze doorgaans een helikopteroverzicht, vol grote lijnen en
patronen, zonder echter het herkenbare, menselijke element uit het
oog te verliezen. Het Portret van Frances Bell, Lady Dering
bleek voor de auteur echter het beklijvende voorwendsel om zich onder
te dompelen in het leven van een schijnbaar gewone vrouw uit het
laat-zestiende- en vroeg-zeventiende-eeuwse Engeland.” Iets waarvan
we voelen dat het niet klopt. Nú kan iedereen, elke “schijnbaar
gewone vrouw” en dito man, uiteraard dan wel een portret van
zichzelf laten maken, een fotografisch exemplaar dan toch, maar rond
de wisseling van de zestiende naar de zeventiende eeuw was dat
helemaal niet het geval. Je moest toch wel wat bijzonders wezen om
een schilder – voor mij tot het lezen van dit boek een onbekende,
maar in werkelijkheid, zeker destijds, een bekende – genoeg te
kunnen betalen om zoveel uren in het penselen van je tweedimensionale
evenbeeld te steken. En dat was ze. Zoals ook Van Cauteren meteen al
in haar eerste hoofdstuk Toeters en bellen aangeeft.
Frances Bell was namelijk de dochter van Robert Bell, parlementslid,
Speaker of the House of Commons, ridder, “een van de
toprechters” in het rijk van Queen Elizabeth I, en diens
derde echtgenote Dorothy, “de enige erfgename van Sir Edmund
Beaupré”. Een vader die machtig genoeg is om een beetje z’n
eigen zin te doen: als hij overlijdt aan vlektyfus laat hij zijn
rijkdom in z’n geheel achter aan zijn jongere zoon, John I Peyton,
volkomen tegen de toenmalige geplogenheden in (alles ging toen naar
de oudste). Een manoeuvre dat de jongere zoon vervolgens op geheel
eigen wijze interpreteert: alles is alles, dus behalve het geld en
het vastgoed neemt hij ook de titel van parlementslid over én zijn
stiefmama, die zo zijn vrouw wordt en, een tijdje later, moeder van
zijn zoon John II.
Over een gearrangeerd huwelijk valt John I dus niet (in zijn
tijd deden weinigen dat) en hij arrangeert er, zoals Van Cauteren
beschrijft in het hoofdstuk Sense zonder Sensibility (wie
uitleg nodig heeft bij die titel, begrijpt de mop niet), ook een voor
zijn zusje-annex-dochter-van-zijn-vrouw als hij “aan tafel schuift
met Richard Dering (ca. 1530-1611) van Surrenden Dering, het naar de
familie genoemde landgoed in het Kentse dorpje Pluckley. Richards
zoon, de achtendertigjarige Anthony (ca. 1558-1636), is intussen acht
jaar weduwnaar en dat is acht jaar te lang. Anthony’s dochtertje
Jane kan wel een nieuwe moeder gebruiken, en Anthony’s carrière
een zetje: de (relatief) jonge Dering is rechter, en Dering weliswaar
een eerbiedwaardige familie, maar ook hier is de sociale honger
groot.” En die sociale honger werkt: “de unie tussen Frances en
Anthony lijkt een succesverhaal. Er zullen alvast volop kinderen
worden gemaakt, en die krijgen ook weer kinderen, en kleinkinderen,
en achterkleinkinderen, helemaal tot aan de geboorte van een zekere
Camilla Parker Bowles, née Shand – alias Queen Camilla –
in 1947.” Waarmee de “schijnbaar gewone vrouw” waarover Huvenne
het in zijn Voorwoord heeft dus uitgegroeid is tot een
vertrouweling van één koningin en de verre voorouder van een
tweede. Mij dunkt dat je dan tóch wel te midden van “de grote
verhalen” zit, de “politieke propaganda (…), met alle
dynastieke troebelen, allianties, gewonnen en verloren oorlogen,
kortom toeters en bellen die daarbij horen”.
Grote verhalen waarover we soms interessante details vernemen dankzij
een Handgeschreven teletijdmachine als degene die Sir Edward
Dering, de oudste zoon van Frances en Anthony bijhield toen hij
tussen 1617 en 1628 “een minutieus overzicht bij[hield] van zijn
uitgaven”. Een overzicht waarvan een detail me deed denken aan die
aflevering van Blackadder the Third waarin prins-regent en
latere koning George IV voortdurend nieuwe kousen moet kopen omdat
Blackadder die buiten zijn weten verkoopt:
“Het meeste koopt Sir Edward handschoenen, gigantische hoeveelheden
handschoenen, want die verslijten blijkbaar snel.” Geen idee of Van
Cauteren die link gezien heeft, misschien kent ze Blackadder
wel helemaal niet, maar die tussen schilder Gheeraerts en zijn vader
schetst ze op deze manier: “Marcus Gheeraerts de Jonge is, dat mag
geen geweldige verrassing zijn, de zoon van Marcus Gheeraerts de
Oude. Beide Marcussen werden geboren in Brugge – de vader zo ergens
omstreeks 1520, de zoon in 1561/62. In 1568 duiken ze echter samen op
in Londen: ‘Markus Gerott of Bridgis, painter, Ducheman, came
for relygyon; Philippus de la Valla, his servant; Markus Gerott, his
sonne; all theas goe to the Douche churche. Dutche perons iij
(three).’ Ze zijn dus op de vlucht voor de door de hertog van
Alva georganiseerde godsdienstige troebelen, maar hebben geen moeite
gedaan moeder de vrouw mee te nemen: “Zijn echtgenote, Johanna
Struve, laat Marcus Senior achter in Brugge. Hoopt hij later, wanneer
alles weer wat rustiger is geworden, terug te keren naar huis? Of
komt het echtpaar Gheeraerts overeen dat manlief eerst een leven zal
uitbouwen in Londen, waarna Johanna zal overkomen? Wat ook de
bedoeling is, er komt niets van: enkele jaren na het vertrek van haar
man overlijdt mevrouw Gheeraerts alleen, in Brugge.”
Vrouwen waren duidelijk van niet zo heel veel tel, tenzij dan als
springplank, zoals Van Cauteren ergens schrijft, met de
belangrijke uitzondering van de reeds genoemde Queen Elizabeth
I, die weigerde zich tot springplank te laten degraderen, maar het op
een andere manier desondanks toch wel kon worden. Voor de – even
gebruik maken van de teletijdmachine – intussen zo’n dertig jaar
oude Marcus Gheeraerts de Jongere bijvoorbeeld: “(…) intussen is
ook Marcus II meester-schilder. Vanaf de jaren 1590 rijgt hij de
opdrachten aan elkaar. Het begint met het beschilderen van rijtuigen
en zelfs trappen, maar dan maakt hij een portret van Queen Elizabeth,
en prompt wordt hij omschreven als een kunstenaar die de schilders
van de oudheid een poepje kan laten ruiken. Als het goed genoeg is
voor de koningin, is het goed genoeg voor de rest van de upper
class: prompt staan de opdrachtgevers in de rij voor die
exotische modernist uit Brugge. Nooit eerder was er in Engeland een
schilder op het idee gekomen om zijn modellen ten voeten uit te
portretteren. Nooit eerder leken de geportretteerden in Engeland op
zichzelf, en niet op een platgestreken icoon.” En dat in een tijd
dat Vlamingen en Brabanders ook vorm gaven aan de rest van Engeland,
noteert Van Cauteren in De Vlaamse making of England: “Al
snel zijn er tienduizenden, nee, honderdduizenden mensen op de
vlucht. Ze overspoelen de Engelse kusten in het zuiden: via de havens
van Rye, Winchelsea of Sandwich trekken ze noordwaarts, naar
Canterbury en Maidstone, richting Londen. Velen blijven echter
onderweg plakken. Sandwich wordt er zowaar een ‘Vlaamse’ stad
van. In 1596 stellen de voormalige Nederlanders het er zo goed dat ze
de lokale overheid een lening kunnen geven. Want de Vlamingen en de
Brabanders arriveren dan wel met (bijna) lege handen, maar ze hebben
een hoofd vol kennis. Al snel bouwen ze in Engeland windmolens en
weefgetouwen. In het landschap verschijnen hopvelden, want een café
zonder bier klinkt misschien erg, maar wat heb je aan bier zonder
hop? De Engelsen rijmelen: ‘Hops, Reformation, Bays and Beer /
All came to England in a single year.’ Intussen worden zompige
moerasgronden ingepolderd, en het land kundig opgemeten en in kaart
gebracht – het is geen toeval dat Mercator in 1564 op vraag van de
Engelsman William Camden een prent maakt met de Britsche Eilanden.
Ze kopen massaal (zee)atlassen, en voor je het weet, staan ze in
Noord-Amerika. Maar in de Vlaamse en Brabantse bagage zitten ook
traktaten over wapenkunde (altijd handig in tijd van oorlog) en over
geneeskunde (idem).” Geen idee of de Engelsen, wier kusten dezer
jaren weer massaal overspoeld worden met ‘vluchtelingen’, nog
steeds hopen op een nieuw mirakel van die aard, maar tot nog toe is
van een dergelijk effect weinig te zien, terwijl de beschrijving van
het zestiende-eeuwse wonder ons wel tot een volgende deel in dit
boekje brengt: de kledij die genaamde Lady draagt op het
schilderij. Ook “luxegoederen” zitten er namelijk in die Vlaamse
bagage, “en de technologie om ze te maken (…): stijfsel, zodat de
alsmaar groter wordende kragen netjes blijven zitten, en vooral nog
groter kunnen worden. Kant en opengewerkte borduursels, om diezelfde
kragen af te biezen, hoepels om de jurken volume te geven, en zijde
om die jurken van te maken”. Plus de schilders die dat allemaal in
beeld brachten: “Vader en zoon Gheeraerts, Lucas De Heere, maar ook
Hans Eworth (wellicht Ewouts), Hiëronymus Custodis, Lievine Teerlinc
en Susanna Horenbout, Livinus De Voogelaere en Cornelis II De Neve”.
Op de hoofdstukken Flowers are the new black, Schotse muis,
en Bloempjes en bijtjes zal ik hier niet dieper ingaan –
deze bespreking moet nu ook weer niet te lang worden -, maar het
portret in kwestie gezien en de uitleg over allerlei borduursel dat
daarop getoond wordt gelezen hebbende, denk ik wel dat Van Cauteren
gelijk heeft als ze schrijft: “Met al die meer en minder expliciete
amoureuze verwijzingen ruikt het portret van Lady Dering vaag naar
een huwelijksportret, of toch naar een voorstelling die die
bijzondere gebeurtenis in het leven van Frances moest gedenken.
Misschien droeg ze deze jurk op de grote dag – (effen) wit wordt
pas mode in de negentiende eeuw, dus het valt alvast op papier niet
uit te sluiten. Al is haar bebloemde jurk ook gewoon geweldig
modieus, en zijn alle bovenstaande symbolische verklaringen mogelijk
ondergeschikt aan het feit dat je als vrouw niet uit de toon wilt
vallen als al je vriendinnen bloemenjurken dragen.” Wat dan weer
niet wil zeggen dat de vestimentaire keuze ook praktisch was: “Met
zo’n molensteenkraag kun je je hoofd amper bewegen, en als je niet
uitkijkt, raakt je haar erin verstrikt – zeker in het soort
populaire kraagmodellen van omstreeks 1600, waarbij de achterzijde
ook nog eens steil naar boven oploopt. Door die verticale kanteling
lijkt het hoofd van Lady Dering haast gescheiden van haar lichaam.”
Wat niet het geval was met het haar van het hoofd, maar dan ook
alleen maar omdat vrouwen dat haar – vanwege “al die kant en gaas
en metalen constructies” – wel moesten opsteken, “wat dan weer
mogelijkheden biedt als het gaat om complexe knotten en vlechten.
Maar ook de kleur is van belang, want koningin Elizabeth heeft de
kenmerkende Tudor-haarkleur – een beetje tussen zanderig
kastanjebruin en Venetiaans blond in” en “Wie de vorstin wil
flatteren, verft het haar in diezelfde tint, met een mengeling van
saffraan en solferpoeder, dat helaas even duur is als giftig”.
“Voor je het weet, heb je géén haar meer om te verven”, al
verloopt dat proces misschien iets trager dan als het constant
verstrikt raakt in je kraag, wat dan weer geen probleem is omdat je,
net zoals de koningin (die er meer dan tachtig had) uiteraard een
pruik kan dragen. Trouwens, wie maalt er om wat extra vergif, als hij
ook nog make-up gemaakt van geweldig materiaal als “kwik, antimoon,
lood en vermiljoen” gebruikt. “Mooi zijn, is lijden”, schrijft
Van Cauteren dan ook terecht.
Nu goed, ik ga een einde maken aan uw lijden in plaats van het ook
nog te hebben over de hoofdstukken en hoofdstukjes Pluckley: het
dorp van Lady Dering, Hostages to fortune, Paradijs van
getrouwde vrouwen, Better than yours, De bovenlip van
Cindy Crawford, Chique Saksisch, en De verdwenen
landhuizen van Engeland, al zijn die elk op zich niet minder
interessant dan de voorgaande. Een mens moet immers érgens eindigen.
In het geval van dit boekje dus bij de vaststelling dat het zoals
vele van zijn voorgangers in deze serie weerom de moeite van het
hebben en lezen waard is.
Björn Roose






