vrijdag 2 oktober 2026

Kind onder kannibalen – Charles Bukowski (boekbespreking door Björn Roose)

Kind onder kannibalen – Charles Bukowski (boekbespreking door Björn Roose)
In mijn bespreking van Warmwatermuziek, het vorige boek dat ik (al begin 2023) van Charles Bukowski las, wist ik al te vertellen dat ik eerder van de auteur Kind onder kannibalen had aangetroffen bij een of andere kringwinkel en dat Warmwatermuziek zeker een aanbeveling was om naar andere boeken van de auteur op zoek te gaan. Dat laatste is tot nog toe een mission failed geweest: ik ga voortdurend op zoek naar boeken (aan een zacht prijsje), maar heb er in de bijna vier jaar die intussen verstreken zijn geen meer aangetroffen van Bukowski. Maar ik heb nú dan toch, zoals u al kon afleiden uit het feit dat u deze bespreking aan het lezen bent, Kind onder kannibalen gelezen, en dat is me eveneens zeer goed bevallen.

U kon in wat ik eerder schreef over Warmwatermuziek al lezen dat Herman Brusselmans enige aanknopingspunten had bij Bukowski – voor het fijne daarvan leest u die bespreking maar eens (opnieuw) – en dat Bukowski bekend staat omwille van z’n harde, directe stijl en het feit dat hij schreef (hij overleed in 1994 op zijn 74ste) over de onderkant van de Amerikaanse maatschappij, een onderkant waar hij zelf grote delen van zijn leven doorbracht. En dat is ook wat hij doet in Kind onder kannibalen, met dat verschil dat Kind onder kannibalen helemáál autobiografisch is (hoofdpersoon Henry ‘Hank’ Chinaski ís Charles Bukowski) en dat het over zijn kinder- en jeugdjaren gaat: de hoofdstukken zijn titelloos, maar het hoofdstuk met nummer 1 begint met zijn eerste bewuste ervaring (of toch de eerste ervaring die hij zich herinnert, het bekijken van de wereld van onder een tafel toen hij een jaar of twee oud was), en het hoofdstuk met nummer 58 (het laatste dus) eindigt (bijna) met het vertrek van zijn vriend Robert Becker (werkelijke naam Robert Baun) – “Mijn verhalen waren somberder dan die van Becker, vreemder, maar ze hadden niets. Nou ja, een paar hadden wel wat – voor mij tenminste – maar het was eigenlijk alsof ze zelf de goede vorm gevonden hadden in plaats van dat ik ze daarin had gegoten. Becker was stukken beter. Misschien moest ik maar gaan schilderen.” - die na de Japanse aanval op Pearl Harbor (december 1941) opgeroepen wordt om ten strijde te trekken.

De lezer krijgt dus brokstukken uit het jonge leven van Bukowski voorgeschoteld, vanaf zijn ongeveer twee jaar tot zijn eenentwintigste, brokstukken die weliswaar óók in een ‘harde, directe stijl’ geschreven zijn en zich eveneens aan de onderkant van de maatschappij afspelen, geschreven door de volwassen Bukowski (het boek verscheen onder de titel Ham on Rye pas in 1982), maar toch is dit boek anders dan Warmwatermuziek. Minder grof, nog weemoediger, iets milder misschien voor zichzelf en voor de wereld, soit, het soort beeld dat een mens krijgt als hij kijkt naar zijn leven, hoe miserabel het ook geweest is, van op de afstand die meer dan veertig jaar tijd onvermijdelijk gecreëerd heeft.

Laat dat u echter niet tot de veronderstelling leiden dat Kind onder kannibalen (los van de eerste literaire verwijzingen, die je bij een schrijver uiteraard mag verwachten en ook van Bukowski krijgt) toch wel zo’n beetje jeugdherinneringen als andere zullen zijn, maar dan misschien nog wat armoediger dan andere. Ten eerste omdat de onderkant van de Amerikaanse maatschappij, toen en nu, nog een heel stuk onder de onderkant van de gemiddelde Europese maatschappij ligt (waarbij zulks geen waardeoordeel inhoudt, maar louter de bevestiging van het feit dat waar de bovenkant hoger kan liggen de onderkant dat óók kan). Ten tweede omdat arm zijn gepaard kán gaan met een hele hoop andere dingen, zoals criminaliteit, (familiaal) geweld, alcoholisme, schoolverlaten, of een slechte gezondheid, allemaal dingen die óók kunnen gepaard gaan met rijker zijn, maar door dat rijker zijn mogelijk in enige mate gecompenseerd worden, terwijl ze armoede erger maken. En bij Bukowski kwam het allemáál voor. Zijn vader dronk niet, maar “had twee broers. De jongste heette Ben en de oudste heette John. Het waren allebei alcoholisten en nietsnutten.” Wat van zijn vader niet kon gezegd worden. Die was wel heel lang werkloos, maar ook dan bleef hij iets zijn, met name gewelddadig: “Hij was één meter vijfentachtig, een boom van een vent. Alles verdween op slag, de stoel waarin ik zat, het behang, de muren, al mijn gedachten. Hij was de duisternis die de zon bedekte, het gewelddadige in hem deed alles in het niet verdwijnen. Hij was een en al neus, oor en mond, ik kon niet naar zijn ogen kijken, ik zag alleen zijn rode boze gezicht.” En de scheerriem waarmee hij hem sloeg. Tot de dag dat het effect van die om de haverklap gegeven ‘straf’ uitgewerkt was: “Hij sloeg me weer. Maar er kwamen geen tranen. Mijn ogen waren eigenaardig droog. Ik dacht over hem vermoorden. Dat er een manier moest zijn om hem te vermoorden. Over een paar jaar zou ik hem dood kunnen slaan. Maar ik wilde hem nu dood hebben. Hij was een nul. Ik was vast geadopteerd. Hij sloeg me weer. De pijn was er nog steeds maar de angst ervoor was weg. Weer kwam de riem neer. De kamer was niet langer wazig. Ik zag alles scherp. Mijn vader scheen de verandering in me te merken en hij begon harder te ranselen, keer op keer, maar hoe meer hij me sloeg, hoe minder ik voelde. Het leek haast of hij degene was die er hulpeloos bij stond. Er was iets gebeurd, iets was veranderd. Mijn vader hield op, buiten adem, en ik hoorde hem de riem ophangen. Hij liep naar de deur. Ik draaide me om. ‘Hé,’ zei ik. Mijn vader draaide zich om. ‘Geef me nog een paar van hetzelfde,’ zei ik tegen hem, ‘als je je daar beter bij voelt.’ ‘Heb het lef niet om zo tegen me te praten!’ zei hij. Ik bekeek hem. Ik zag de vleesplooien onder zijn kin en in zijn nek. Ik zag zielige rimpels en kloven. Zijn gezicht was dofroze stopverf. Hij had een hangbuik en was in zijn hemd, dat kreukte door zijn pens. De ogen waren niet langer fel. Zijn ogen keken weg en durfden de mijne niet te kruisen. Er was iets gebeurd. De handdoeken wisten het, de badkuip en de wc wisten het. Mijn vader draaide zich om en liep naar buiten. Hij wist het. Dit was mijn laatste pak ransel geweest. Van hem.” Hij zou hem alleen nog het huis uit gooien, maar toen was Bukowski al lang klaar om dat zelf te verlaten.

En dat alles te midden van een wereld die – we hebben het hier over de crisis van het einde van de jaren 1920 – helemaal de dieperik in leek te glijden: “Na de vijfde klas kwam de zesde en ik begon erover te denken om van huis weg te lopen maar ik bedacht dat de meesten van onze vaders geen werk konden krijgen, dus dat iemand van nog geen één meter vijftig een baan wel helemaal kon vergeten. John Dillinger was de held van iedereen, net zo goed van grote mensen als van kinderen. Hij beroofde banken. En je had Pretty Boy Floyd en Ma Barker en Machine Gun Kelly. De mensen begonnen braakliggende stukken grond op te zoeken waar onkruid groeide. Ze hadden gehoord dat je sommige soorten onkruid kon koken en eten. Er braken vechtpartijen tussen mannen uit op die braakliggende terreinen en op straathoeken. Iedereen was kwaad. De mannen rookten Bull Durham en lieten zich door niemand afbekken. Ze lieten het Bull Durham-loodje uit de borstzak van hun shirt hangen en allemaal konden ze met één hand een sjekkie draaien. Als je een man zag met een Bull Durham-loodje bungelend uit zijn zak, dan betekende dat: opgepast. Overal hadden de mensen het over tweede en derde hypotheken. Op een avond kwam mijn vader thuis met een gebroken arm en twee blauwe ogen. Mijn moeder had ergens een onderbetaald baantje. En elke jongen uit de buurt had één zondagse broek en één daagse broek. Als schoenen versleten raakten waren er geen nieuwe. De warenhuizen hadden zolen en hakken die ze met lijm voor 15 of 20 cent verkochten en die werden onder de versleten schoenen geplakt.” Wat niet belette dat er ook in de Verenigde Staten gepoogd werd het nationalisme aan te wakkeren: “De ouders van rijke kinderen waren meestal vaderlandslievender omdat ze meer te verliezen hadden als het land naar de knoppen ging. De arme ouders waren veel minder patriottisch en ze liepen vaak alleen maar te koop met hun patriottisme omdat dat werd verwacht of omdat ze zo waren opgevoed. Onbewust wisten ze dat zij niet beter of slechter af zouden zijn als de Russen of de Duitsers of de Chinezen of de Japanners het hier voor het zeggen hadden, vooral als ze een donkere huid hadden. Misschien gingen ze er zelfs wel op vooruit. Maar goed, een hoop ouders van Chelsey-scholieren waren rijk en daarom hadden we een van de grootste trainingskorpsen van de stad.” En later: “Het was onder intellectuelen populair en obligaat om voor een oorlogsverklaring aan Duitsland te zijn, om de verspreiding van het fascisme een halt toe te roepen. Ik voor mij had totaal geen trek om te gaan vechten voor de bescherming van het leven dat ik leidde of de toekomst die ik misschien zou krijgen. Ik had geen Vrijheid. Ik had niets. Onder Hitler zou ik misschien nu en dan zelfs een mokkel krijgen en meer dan een dollar zakgeld per week. Voor zover ik het kon beredeneren, had ik niets te beschermen. En omdat ik in Duitsland geboren was, voelde ik een natuurlijke loyaliteit en zag ik niet graag dat het hele Duitse volk, de mensen, overal werd afgeschilderd als een stel monsters en idioten. In de bioscopen draaiden ze het journaal sneller af om Hitler en Mussolini voor te stellen als dollemannen. Verder vond ik het persoonlijk onmogelijk om het klakkeloos met de docenten eens te zijn omdat ze allemaal anti-Duits waren. Uit pure vervreemding en ingeboren dwarsheid besloot ik recht tegen hun standpunt in te gaan. Ik had Mein Kampf nooit gelezen en ik had er ook geen behoefte aan. Hitler was voor mij gewoon de zoveelste dictator, alleen las hij me niet aan tafel de les maar zou hij waarschijnlijk mijn hersens of mijn ballen kapot schieten als ik ging vechten om hem tegen te houden.”

Om nog maar te zwijgen – of beter: om dat niet te doen – over het soort dingen dat alle kneusjes of halfkneusjes meemaken, een categorie waaronder Bukowski viel (zei het dat hij het op sommige vlakken aardig wist te compenseren, bijvoorbeeld door op zijn beurt gewelddadig te worden) en die ik vrij goed ken (omdat ik er óók een was; ik ben daar min of meer overheen, dank u). Nog érgere losers aantrekken, bijvoorbeeld: “Toen begreep ik dat ik niet welkom was. David en ik waren niet welkom. De anderen wilden me ‘uit’ hebben omdat ze vonden dat ik er niet bij hoorde. Ze wisten dat David en ik bevriend waren. Het kwam door David dat ze mij er niet bij wilden. Toen ik van het veld liep zag ik David in zijn kniebroek het derde honk bewaken. Zijn blauwgele kousen waren afgezakt tot op zijn voeten. Waarom had hij mij uitgekozen? Nu was ik ook een pispaal. Die middag na school haastte ik me het lokaal uit en liep in mijn eentje naar huis, zonder David. Ik wilde niet zien hoe hij weer een pak slaag kreeg van onze klasgenoten of van zijn moeder. Ik wilde niet naar zijn treurige viool luisteren. Maar toen hij de volgende dag in de middagpauze naast me kwam zitten, at ik van zijn chips.” En: “Ik zag al hoe het verder met me zou lopen. Ik was arm en arm zou ik blijven. Maar ik wilde ook niet per se geld. Ik wist niet wat ik wilde. Of toch wel. Ik wilde een plek waar ik me kon verstoppen, een plek waar je niets hoefde te doen. Het idee om iets te wezen vond ik niet alleen eng, ik vond het weerzinwekkend. Het idee om advocaat of wethouder of ingenieur of zo te worden leek me krankzinnig. Trouwen, kinderen krijgen, gevangen raken in de familiestructuur. Elke dag ergens heen gaan om te werken en dan weer naar huis. Dat was krankzinnig. Dingen doen, doodeenvoudige dingen, meedoen aan familiepicknicks, kerstmis, Onafhankelijkheidsdag, de Dag van de Arbeid, Moederdag… werd je alleen maar geboren om dat soort dingen uit te zitten en dan de pijp uit te gaan? Dan was ik nog liever bordenwasser. Dan zou ik na het werk in mijn eentje naar mijn piepkleine kamertje gaan om me in slaap te zuipen.”

Wat overigens niet wil zeggen dat de meeste jeugdervaringen specifiek voor kneusjes weggelegd waren of zijn en dat Bukowski daarover zwijgt. Er, als schijnbaar laatste van de buurt, achter komen hoe kinderen gemaakt worden. Masturbatie. Alcohol (“Ik had me nog nooit zo tof gevoeld. Het was lekkerder dan masturberen”). Meisjes met lange benen en korte rokjes. Leraressen met lange benen en korte rokjes. Moeders van andere pubers met lange benen en korte rokjes. Gestoef over geneukt hebben. Klasgenoten die zelfmoord plegen. Pukkels (in het geval van Bukowski steenpuisten, in zijn gezicht, over zijn hele lijf, met oneindige behandelingen die niet schenen te helpen). Graduation day (“Daar zat ik dan, Henry Chinaski, lichting 1939, die een stralende toekomst tegemoetreed”). De eerste job (al gingen de rijkeluiskinderen natuurlijk niet, zoals Bukowski, rekkenvuller spelen in een supermarkt), de eerste prikklok, het eerste vermoeden dat de firma niet echt uit is op mensen met persoonlijke ambitie, het er achter komen dat afhankelijk zijn van anderen je job niet makkelijker maakt: “Daar stond ik dan mooi in mijn stofjas. Zo ging het meestal. Je was gouverneur of vuilnisman, je was koorddanser of bankrover, je was tandarts of fruitplukker, je was dit of je was dat. Je wilde je werk goed doen. Je was op je post en dan moest je wachten op een of andere lul. Ik stond in mijn stofjas naast mijn groene karretje terwijl de liftbediende ging schijten. Toen drong goed tot me door waarom die rijke jongens en meisjes altijd lachten. Ze wisten hoe het in elkaar zat.”

Ten bate van de structuur van deze bespreking heb ik de chronologische lijn van het boek wat geweld aan gedaan, dat had u ongetwijfeld al gemerkt, maar ik moet mezelf zeker niet forceren om ook u de lezing van dit boek aan te raden.

Björn Roose

maandag 28 september 2026

Morgen wellicht – Leen Wuyts (boekbespreking door Björn Roose)

Morgen wellicht – Leen Wuyts (boekbespreking door Björn Roose)
‘Waarover ging dat boek ook alweer?’ Ik stel me niet zo héél vaak die vraag als ik aan een boekbespreking begin, maar met Morgen wellicht van Leen Wuyts was dat wél het geval. Omdat het bijna vier weken geleden was dat ik dat boekje, vijfenzestig bladzijden dik en uitgegeven bij De Clauwaert v.z.w. in 1983, gelezen had, natuurlijk. En omdat ik er sindsdien elf andere gelezen heb, uiteraard. Maar ook simpelweg omdat de inhoud niet van die aard is, dat hij bij mij bleef hangen.

Morgen wellicht is namelijk, zoals De belofte van dezelfde auteur en zoals het merendeel van de boekjes dat in de Novellenbibliotheek van genoemde uitgeverij verschenen is, de beschrijving van een tranche de vie, en het leven waaruit in dat soort gevallen dan een stukje gehaald wordt, is nooit van dien aard dat ik er enthousiast, gepassioneerd, zelfs maar simpelweg vrolijk van wordt, of – als dat dan toch buiten de mogelijkheden ligt – eventueel triest of kwaad. Het enige dat verhindert dat ik ergens onderweg het lezen staak omwille van een boreout is het eenvoudige feit dat dat lezen maar een uurtje of zo kost en dat ik een mens met (een slecht) karakter ben. Een karakter dat me ook nog toelaat een bespreking van het boek te schrijven. Al ga ik daar nu niet echt, om het met Gerrit Callewaert uit Bavikhove te zeggen, ‘ne meerderen effort’ voor doen.

Hier is wat u, desgewenst, ook kan lezen op de achterflap: “Een klein meisje gaat voor de eerste maal naar de grote school. Een jonge vrouw mag voor een halve dag de psychiatrische instelling verlaten. En beiden, Elsje en Greet, ontmoeten elkaar. Zonder echt weet te hebben van elkaars leven, terwijl ze toch eenzelfde weg volgen, die van het zoeken en tasten, falen en hopen, vinden en toch ook weer niet vinden. De weg van kleine en grote tragedies, verdriet en verlangen, verborgen, niet begrepen, of zichtbaar voor ieder en toch niet herkend. De weg van iedereen, gisteren en morgen. Zij raken elkaar, Elsje en Greet, in hun verleden en hun toekomst, in hun intense behoefte zich te uiten, lief te hebben met de zachtheid en de sterkte van hun lichaam. In hun verlangen naar geborgenheid, erkenning, aandacht. Allebei ontwikkelen ze zich via de mensen rondon [sic] hen: de mensen van elke dag. Via gebeurtenissen waarvan het tragische vooral ligt in het onvermogen van het kind of de vrouw om vrij en eerlijk te reageren. In het niet begrepen, niet opgevangen worden. In een isolement dat groeit bij Elsje, in een geremdheid die langzaam overwonnen wordt door Greet. Zij raken elkaar, Elsje en Greet, in de realiteit van angst, onzekerheid en hoop. In dezelfde droom.” Een flaptekst dus die ofwel geschreven is door de auteur zelf of door haar grootste fan, een flaptekst die nogal kort door de bocht gaat (veel meer dan elkaar hier en daar raken doen Elsje en Greet niet), een flaptekst die niet zo heel veel zegt, vooral niet over Elsje, die toch, zo leert de lezer tijdens het lezen van het boek, te maken krijgt met een kinderverkrachter. Dat op zich zou thema kunnen zijn voor een boek, en is dat wellicht ook al nu en dan geweest, maar lijkt in de constellatie van Morgen wellicht de ondergeschikte lijn te vormen. Maar meer analyse is dat nu ook weer niet waard.

Björn Roose

vrijdag 25 september 2026

Samizdat – Geschiedenis van de Russische ondergrondse – Emmanuel Waegemans (boekbespreking door Björn Roose)

Samizdat – Geschiedenis van de Russische ondergrondse – Emmanuel Waegemans (boekbespreking door Björn Roose)
Zelf ben ik net iets te jong om ooit nog samizdat uit de Sovjet-Unie of het Oostblok in het algemeen gesmokkeld te hebben – ik was per slot van rekening nog geen achttien toen de Muur viel -, maar ik heb wel een collega gehad die een tiental jaar ouder was dan ik en ook het illegaal over de grens brengen van beschreven papier tot zijn, sowieso al niet geringe, verdiensten mocht rekenen. Dát samen met het feit dat ik een niet onaardige hoeveelheid van oorsprong Russischtalige literatuur in mijn boekenkasten heb staan (hoewel bij lange niet voldoende) mocht dan ook al reden genoeg heten om bij mijn recentste bezoek aan de openbare bibliotheek een boekje mee te nemen dat daar speciaal gepresenteerd stond (wellicht omdat het nieuw in de collectie was), Samizdat – Geschiedenis van de Russische ondergrondse, uitgegeven bij Manteau in 2024 (dus toch alweer twee jaar geleden). Maar dat de auteur ervan Emmanuel Waegemans heet, was een extra aanbeveling. Waegemans, geboren (en voor zover ik weet, getogen) in Hamme en dus zo goed als een gemeentegenoot van me (al is Moerzeke natuurlijk niét Hamme, dat weet iedereen), ken ik namelijk ook als auteur van De Russische Krim – Geschiedenis van een betwist schiereiland, dat ik in juni 2023 besprak, en als stichter-voorzitter van het Filip De Pillecyn Genootschap, dat van De Pillecyn in recente jaren onder andere Mensen achter de dijk en Aanvaard het leven heruitbracht, waarvoor Waegemans, zoals hij dat ook deed voor het eveneens bij Manteau verschenen boek De dwarsligger – Filip De Pillecyn in Pallieter – 1922-1928, telkens het Ten geleide mocht leveren, allemaal teksten waaruit ik hem leerde kennen als een vlotte schrijver.

Onnodig daar op terug te komen (door te klikken op de koppelingen vindt u de boekbesprekingen in een handomdraai), maar misschien willen mensen die nog meer dan ik ‘né de la dernière pluie’ zijn in de eerste plaats weten wat samizdat dan wel is. Waegemans legt dat uit in zijn Woord vooraf: “Onder Stalin (1924-1953) bestond geen intellectuele vrijheid in de Sovjet-Unie. Aan de leer van het marxisme-leninisme kon en mocht niet getwijfeld worden. Met de dood van de dictator trad een lichte dooi op, die de mensen de moed gaf om wat openlijker te spreken en te schrijven over wat hun in de duistere jaren van Stalins alleenheerschappij overkomen was. Maar die vrijzinnige gedachten waren nauwelijks haalbaar voor de pers. De schrijvers gingen ondergronds. Dit was de samizdat – het circuit van afgekeurde of niet aan de autoriteiten voorgelegde geschriften die onderhands circuleerden. Meestal in enkele kopieën, primitief en niet-professioneel. Maar de intellectuele honger na dertig jaar winterslaap was groot, de samizdat sloeg aan en was in enkele jaren tijd in de hele Sovjet-Unie verspreid. Met de jaren vonden de auteurs van de samizdat contact met buitenlandse correspondenten, die hun geschriften het land uit smokkelden en in het Westen lieten publiceren. Dit heet de tamizdat [overigens een woord waarover mijn spellingscontrole wél valt, in tegenstelling tot wat het geval is met ‘samizdat’, noot van mij]. Veel van wat in de samizdat en tamizdat circuleerde, bereikte de Sovjetburgers ook via de uitzendingen van westerse radiostations die in het Russisch uitzonden naar de Sovjet-Unie”.

Een meer dan interessant onderwerp, waarover – zo blijkt uit dit boekje – ook meer dan genoeg te schrijven valt, maar ergens moet Waegemans het toch niet voldoende gevonden hebben. Dit boekje, zo’n tweehonderdvijftig bladzijden dik en uit te lezen op een paar uur, schetst namelijk niet alleen “de geschiedenis van de samizdat en de daaruit voortvloeiende tamizdat”, maar ook “de voorgeschiedenis van de censuur in Rusland (waarom had Rusland een ondergrondse pers nodig)”, een voorgeschiedenis waarmee de auteur zo’n veertig bladzijden zoet is (en het moet me even van het hart dat de paginanummers in dit boek zo goed als onleesbaar zijn) en die de lezer uiteindelijk niet zoveel leert over de censuur onder de Sovjets behalve dat die ook al bestond onder de tsaren. Onder Peter I (de Grote dus), die niet echt om kon met lieden die zijn moderniseringsplannen niet zagen zitten en daarover een briefje open deden of minstens achterlieten (“ondergeschoven brieven”); onder Catherina II, die in beginsel zeer liberaal was (en in die hoedanigheid bijvoorbeeld het publiceren van de in Frankrijk verbonden Encyclopédie toeliet), maar daarvan moest terugkomen onder druk van de omstandigheden; onder haar zoon Paul I, die zowaar een “Decreet over de Censuur” uitvaardigde, overal censuurkantoren liet openen, alle privédrukkerijen liet sluiten, en voor elk boek of tijdschrift vereiste dat het voorafgaandelijk op zijn inhoud werd gecontroleerd door zijn ambtenarij; onder diens zoon Alexander I, die wou regeren zoals Catherina II, maar daar ook al snel weer van afzag; onder Nicolaas I, die de aard van de censuur enigszins veranderde, maar ze zeker niet afschafte, en onder andere “privécensor” speelde voor de werken van Poesjkin; onder Alexander II, wiens ambtenaren van de censuur een potje maakten, en die na zes mislukte pogingen het slachtoffer werd van een geslaagde terroristische aanslag, waarna zijn zoon Alexander III het zaakje overnam en weer wat serieuzer werk maakte van de censuur (al “werd de Russische vertaling van Das Kapital van Marx door de censor goedgekeurd, omdat hij vond dat er in Rusland heel weinig mensen waren die er iets van zouden begrijpen”); onder Nicolaas II, wiens censuur er bij momenten heftig in hakte, maar met “meer dan 3000 tijdschriften en kranten, waarvan er een duizendtal politiek geïnspireerd waren” aan het begin van de communistische revolutie nauwelijks meer kon doen dan dweilen met de kraan open; en dus ook onder de nieuwe tsaren, Lenin, Stalin, Chroesjtsjov en hun opvolgers tot aan Gorbatsjov toe. De intellectuelen hadden zich daaraan mogen verwachten, maar stonden er klaarblijkelijk toch nog van te kijken: “Toen op 25 oktober 1917 de bolsjevieken een staatsgreep pleegden, stond intellectueel Rusland perplex. Nu had de meerderheid van de schrijvers weliswaar uitgekeken naar verandering – zo goed als alle schrijvers hadden kritiek op de tsaar en verfoeiden zijn regime – maar bijna niemand vond dat de revolutie verder moest gaan dan het inluiden van een democratisch regime. De intelligentsia moest zich nu serieus vragen gaan stellen over de rol die ze gespeeld had in het intellectuele leven van het land en of de idealen, de mystieke dromen of profetieën die ze jaren hadden gekoesterd geen illusies waren. De filosoof Vasili Rozanov beschuldigde de Russische literatuur ervan ‘de hoofdschuldige van de revolutie’ te zijn en hij stelde, al direct na de omwenteling, dat er nu een ‘ijzeren gordijn’ voor de Russische geschiedenis was neergelaten. Het bewind der bolsjevieken bracht honger, kou, ontbering, gevangenis, terreur en chaos” én… alles behalve dankbaarheid aan de schrijvelaars die, minstens volgens sommigen, de bolsjevieken in het zadel hadden geholpen: “Direct na de machtsovername begonnen de bolsjevieken in Petrograd (de nieuwe naam voor Petersburg van 1914 tot 1924) een hetze tegen de kranten. Roodgardisten drongen drukkerijen binnen, vernietigden de al klaargemaakte oplagen, gooiden het drukmateriaal op straat en verbrandden kranten. Een paar dagen later werden op bevel van het Militair-Revolutionair Comité de redacties gesloten, en dat terwijl daar nog geen echte aanleiding toe bestond zoals iets later tijden de burgeroorlog (begin 1918)”. “Op het vijfde Al-Russisch Congres der Sovjets van 20 juli 1918 werd een einde gemaakt aan ‘de afhankelijkheid van de pers van het kapitaal’ – de arbeiders en boeren zouden nu alle persorganen in handen krijgen. Hierna werden de ‘bourgeois’ kranten in heel Rusland verboden. Met de tijd kwam de hele literatuur en pers onder de controle van de communistische partij, als redacteuren werden alleen partijfunctionarissen aangesteld”, iets wat Lenin ook al in 1905 had aangekondigd. De Nieuwe Economische Politiek (niet zomaar NEP genoemd) na het einde van de burgeroorlog bracht nog even verandering, in de zin dat ook weer privé-initiatief in de uitgeverswereld werd toegelaten (iets wat eindigde in 1928, samen met de NEP), maar “alles wat in de Sovjet-Unie gepubliceerd werd, moest [wel] aan de censor voorgelegd worden en het officiële (partij)imprimatur krijgen”. Wat vervolgens, onder Stalin, al bijna overbodig werd, want toen hield de mogelijkheid om te denken simpelweg op: “In 1949 schreef de stalinistische auteur Vasili Iljenkov daarover in Bolsjaja doroga (De hoofdweg): ‘Rusland is zijn weg gegaan – die van algemene eensgezindheid. De mensen hebben duizenden jaren geleden onder verdeeldheid. Maar wij Sovjetmensen zijn het voor het eerst eens geworden, wij spreken een taal die voor ieder van ons verstaanbaar is, we denken eender over de belangrijke dingen in het leven. En die eensgezindheid is onze kracht, dat is het wat ons overwicht bezorgt ten aanzien van andere mensen ter wereld die geïsoleerd zijn, verscheurd door verdeeldheid.’ De roman kreeg de Stalinprijs. Soortgelijke geluiden waren te horen in nazi-Duitsland: ‘De nationaalsocialistische revolutie is een revolutie van de geest! Ze is groots omdat ze het individuele denken, dat eeuwenlang heeft geregeerd, van zijn troon heeft gestoten en vervangen door het gemeenschapsdenken.’ Die ‘eensgezindheid’ werd in leven gehouden door een uitgebreid net van verklikkers (seksot, stoekatsj, donotsjik), die op elk bedrijf, in elke koolmijn, in elke school, in elke militaire, gemeentelijke, culturele of wetenschappelijke instelling, kortom overal, de overheid inlichtten over wat er onder het volk leefde. In elk bedrijf of elke instellingen bestonden communistische cellen, samengesteld uit partijleden die het reilen en zeilen van het bedrijf en van alle personeelsleden in de gaten hielden. Die cellen stonden onder leiding van het districtscomité, dat op zijn beurt onder toezicht stond van het regionaal comité, dat weer afhankelijk was van het Centraal Comité, dat in handen was van één man: Stalin. Zonder het zelf te weten, werden deze verklikkers op hun beurt in de gaten gehouden door andere verklikkers. In de media, die nu volledig in handen waren en onder controle stonden van de staat, was slechts het geluid te horen van de partij en de regering. Het land was volledig geïsoleerd van de buitenwereld. Het ‘ijzeren gordijn’ was geen metafoor meer, maar een realiteit.”

En dat was zeker niet anders bij de schrijvers dan bij de andere “Sovjetmensen”: “Op het Eerste Congres van de Bond van Sovjetschrijvers (17 augustus – 1 september 1934) werd het principe van het ‘socialistisch realisme’ vastgelegd én opgelegd. Het congres werd beheerst door politici en niet zozeer door schrijvers. De vier programmatische redevoeringen die er werden gehouden, waren van Andrej Zjdanov (partijsecretaris van Leningrad), Karl Radek (als vertegenwoordiger van de Komintern), de partijtheoreticus Nikolaj Boecharin en van Gorki [over wiens collaboratie met het regime ik het ook al had in mijn bespreking van Ingenieurs van de ziel van Frank Westerman, noot van mij]. Op dit congres werd massaal de eed van trouw aan de partij afgelegd. De auteurs die dat niet deden, waren op één hand te tellen: Boelgakov, Platonov, Mandelstam en Achmatova.” “Voortaan zouden schrijvers, journalisten, fotografen en kunstenaars naar de communistische bouwwerken en vijfjarenplannen reizen om er kennis te maken met de levensomstandigheden en idealen van de bouwers van de nieuwe wereld. Schrijvers waren nu niet meer gewoon schrijvers, maar ‘strijders aan het literaire front’ die ‘op wacht stonden’ en een ‘ideologische strijd’ uitvochten tegen de vijanden.” Een “ideologische strijd” waarvan ze zelf ook elk moment het slachtoffer konden worden, want “in de uiteindelijk aangenomen term ‘socialistisch realisme’ zat heel het nieuwe literatuurconcept vervat”, maar “de term was vaag, zodat hij op elk ogenblik door de leiders aangepast kon worden”. “Het hoeft geen betoog”, schrijft Waegemans even verderop, “dat al deze voorschriften leidden tot de verabsolutering van de inhoud boven de vorm, die sterk verwaarloosd werd, zodat in artistiek opzicht middelmatige of minderwaardige werken werden verheven tot meesterwerken van de Sovjet- en zelfs wereldliteratuur, omdat ze inhoudelijk voldeden aan de canon van de officiële doctrine inzake literatuur.” Wat al evenmin noodzakelijk voldoende was om in leven te blijven: “Ook het lidmaatschap van de communistische partij of openlijke geloofsbelijdenissen en hymnen aan Stalin waren geen garantie om gespaard te blijven. Zelfs de gerenommeerde apologeten van het stalinisme Michail Koltsov en Sergej Tretjakov kwamen om door de hand van degene die ze hadden bezongen.” Iets waar de eigenaar van die hand allicht ook nog enigszins trots op was: “In het licht van de leiderscultus werden Peter de Grote en Ivan de Verschrikkelijke populaire thema’s (Catherina de Grote was evenwel taboe). In de behandeling van Peter de Grote werd de aandacht gevestigd op drie aspecten: hij hervormde Rusland van bovenaf, voerde een harde politiek en schiep een grote militaire macht. In Ivan de Verschrikkelijke (16de eeuw) zag men Peters voorloper die Rusland uitbreidde en een groot patriot en wijs staatsman was. Dat hij ook een wrede tiran was, was van ondergeschikt belang. Aleksej Tolstoj [niet te verwarren met Lev, noot van mij] voldeed aan de nieuwe behoefte met de historische werken Peter de Eerste (1929-1945) en Ivan de Verschrikkelijke (1941-1943), een drama waarin hij de geschiedenis ernstig geweld aandeed. In De grote heerser (1944) laat Vladimir Solovjov tsaar Ivan zijn macht misbruiken tegen zijn eigen volk – uit vaderlandsliefde. Men begrijpe de zedenles van deze historische projectie: de persoonlijkheidscultus rond Stalin en de massale offers zijn historisch gerechtvaardigd.”

Enfin, we schuiven wat door: na Stalin komt De dooi, een periode – genoemd naar een boek van Ilja Ehrenburg, “een korte roman die alleen interessant of sensationeel is te noemen vanuit het standpunt van de Sovjetlezer anno 1954” - “die ongeveer tien jaar geduurd heeft – midden jaren 1950 tot midden jaren 1960”, al zijn er ook historici die ze laten duren van de dood van Stalin (5 maart 1953) tot de Praagse Lente (augustus 1968). Vooral in de beginjaren van die periode “vonden gebeurtenissen plaats in de Sovjet-Unie die erop wezen dat men op een of andere manier wilde afrekenen met de Stalinperiode”, maar Waegemans laat duidelijk en terecht doorschemeren dat die afrekening geen einde van de partijdictatuur als doel had. Chroeststsjov liet Lavrenti Beria, hoofd van de geheime dienst, executeren om “een van zijn potentiële concurrenten in de strijd om de macht na Stalins dood” uit de weg te hebben; de mogelijkheid om in de literatuur aanklachten te formuleren tegen het regime van Stalin hield geen mogelijkheid in aanklachten te formuleren tegen het zetelende regime (dat uiteráárd niks te maken had met dat van Stalin); de dooi werd “gekenmerkt door nu en dan terugkerende vorst”, iets waar onder andere de “verscherping van de controle in de Sovjet-Unie” naar aanleiding van “de opstand in Hongarije van oktober 1956” “en de affaire-Pasternak” getuige van mogen zijn. Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj van Aleksandr Solzjenitsyn, “een verhaal over een van de miljoenen slachtoffers van Stalins terreur”, dat in 1962 verscheen, mag dan wel “het enige boek dat in de Sovjet-Unie verschenen is zonder voorafgaandelijke censuur” zijn (wat tijdschriften betreft gold dat ook voor Sovjetish heymland, een jiddischtalig blad waarvan de redacteur zelf censor mocht spelen omdat het regime vond dat joodse censors onbetrouwbaar waren, het teveel tijd zou kosten om een Rus Jiddisch te leren, en vertaling alleen maar “gevaarlijke nuances” zou kunnen doen verloren gaan), maar het “kon slechts met het persoonlijke fiat van Chroesjtsjov verschijnen”, een fiat dat ook, pakweg, Stalin had kunnen geven voor een boek in zíjn tijd.

Maar toen lag dus “de affaire-Pasternak” al vijf jaar in het verleden en bij die affaire gekomen, ben je ook bij het kernonderwerp van dit boek, zijnde de circuits die de “Sovjetschrijvers” vanaf “de dooi” gingen gebruiken om boeken waarvan ze wisten of vreesden dat die niet (ongeschonden) voorbij de – helaas niet afgeschafte - censuur zouden komen toch bij het publiek te krijgen: “In 1957 gebeurde iets wat het culturele leven in de Sovjet-Unie op zijn grondvesten deed schudden: in het Westen [met name in Italië, noot van mij] verscheen een roman van een Sovjetschrijver die de autoriteiten niet hadden goedgekeurd. De naam van de auteur – Boris Pasternak – was goed bekend in de Sovjet-Unie, hoewel hij bijna twintig jaar lang geen gedichten had kunnen publiceren. Aan de in Italië gepubliceerde roman Dokter Zjivago schreef Pasternak tien jaar lang – van 1945 tot 1955. Hij beschouwde het boek als de afronding van zijn schrijverscarrière (‘mijn grootste en belangrijkste werk, het enige waarvoor ik me niet schaam en waarvoor ik zonder bezwaren verantwoording afleg’) en ‘mijn laatste woord aan de beschaafde wereld’”. Vervolgens, ongelooflijk maar waar, kwam “het Russische manuscript van de roman bij de CIA terecht. Die zagen er brood in om het boek te gebruiken in de al hevig woedende ideologische strijd tussen de Sovjet-Unie en het Westen. De politieke oorlog tegen het Kremlin kon nu uitgebreid worden met een machtig literair wapen – het eerste werk van de Sovjetliteratuur geschreven door een groot talent en met een duidelijke anticommunistische boodschap (vrijheid van het individu, het verwerpen van steriele grote dromen). Maar om de Sovjets niet het argument in de hand te spelen dat het boek gedrukt was in de Verenigde Staten, het bolwerk van het anticommunisme, werd een hele constructie op touw gezet, zodat het gedrukt werd in Europa, door een kleine uitgeverij. De keuze viel op uitgeverij en drukkerij Mouton & Co in Den Haag, die zich gespecialiseerd had in wetenschappelijke slavistische studies waaraan gerenommeerde slavisten meewerkten (Roman Jakobson, Cees van Schooneveld). De Russische editie, die in de Sovjet-Unie niet mocht verschijnen, was klaar tegen de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel, waar de roman gratis uitgedeeld werd aan Sovjetburgers die toen in Brussel waren (de Belgische ambassade verstrekte 16.000 visa aan bezoekers uit de Sovjet-Unie). Later kwam er nog een dundruk op bijbelpapier uit in een handig zakformaat die toeristen en bezoekers nog gemakkelijker naar de Sovjet-Unie konden smokkelen. Ondertussen lobbyden fans bij de Zweedse Academie om Pasternak de Nobelprijs toe te kennen. Op 23 oktober 1958 kreeg Pasternak [die hem weigerde, wel moést weigeren eigenlijk, noot van mij] de prijs ‘vanwege zijn opmerkelijke prestaties in zowel de hedendaagse dichtkunst als op het gebied van de grote Russische verteltraditie’. De roman Dokter Zjivago werd niet vernoemd, maar zal zonder twijfel mee een rol hebben gespeeld in de (unanieme) toekenning.” Het Sovjet-regime kon daar niks meer aan veranderen, maar Pasternak werd in zijn thuisland, waar hij per slot van rekening nog woonde, “op alle mogelijke toonaarden [inclusief die van het antisemitisme, want hij was joods, noot van mij] door het slijk gehaald” en wist alleen door in 1960 aan longkanker te overlijden nog te verhinderen dat hij zijn staatsburgerschap ontnomen werd en naar het buitenland abgeschickt, het soort lot dat in vele variaties (veroordelingen wegens “klaploperij” na een Berufsverbot, binnenlandse verbanning, gekkenhuis,…) ook dat zou worden van andere schrijvers die het pad van de samizdat – niet door de autoriteiten goedgekeurde circulatie van hun werken in het binnenland – en/of de tamizdat – niet door de autoriteiten goedgekeurde circulatie van hun werken in het buitenland – na hem zouden kiezen, een drang die met de val van Chroesjtsjov (die uiteindelijk ook z’n eigen memoires naar buiten moest laten smokkelen) in 1964 en de ‘restalinisering’ onder Brezjnev alleen maar groter werd: “Kritiek op de Sovjetwerkelijkheid werd met het verdwijnen van de dooi onmogelijk in de officiële pers. Kritische geluiden konden vanaf nu alleen via niet-officiële kanalen naar buiten gebracht worden – met name via de samizdat”.

Waarbij u zich uiteraard afvraagt of ik die óók nog helemaal uit de doeken ga doen. Wat niet het geval is. Waegemans heeft dat zelf goed gedaan en het ligt niet in mijn bedoeling te blíjven citeren, zeker omdat ik dan aan het puzzelen moet gaan. Waar de auteur immers redelijk gestructureerd heeft gewerkt tot aan Het ontstaan van samizdat en tamizdat, gaat die structuur wat verloren in de daarna volgende hoofdstukken. Die lijken bij momenten eerder los van mekaar ontstaan te zijn dan logisch volgend op mekaar en de herhalingen en sprongen zijn dan ook legio vanaf pagina 107. Het ene moment worden zo’n beetje alle tijdschriften opgenoemd die tijdens “de dooi” ontstonden, in het volgende hoofdstuk krijgen we een heuse Kroniek van de dooi 1953-1968, dan wordt er weer een overzicht gegeven van Censuur in de Sovjet-Unie 1917-1990, inclusief de basis daarvan, dan volgt een hoofdstuk over De Beweging voor de Rechten van de Mens (geheel genegeerd door onder andere de Verenigde Naties), waarna Waegemans terugkeert naar De literatuur van de samizdat & tamizdat, met daarin bijvoorbeeld twee aparte stukjes gewijd aan Andrej Amalrik en, begrijpe wie kan, een apart hoofdstuk gewijd aan De literaire samizdat (Waegemans maakt kennelijk een onderscheid tussen niet alleen tekst en literatuur, wat ik kan begrijpen, maar ook tussen literatuur en literair, wat al wat moeilijker is), en helemaal op het einde gooit hij er dan ook nog een bladzijde of twee tegenaan over een onderwerp dat tot dat moment zo goed als onbesproken is gebleven, de lokale singer-songwriters en hun magnitizdat. Ik begrijp dat de auteur in de eerste plaats kenner van Russische literatuur en cultuur is, maar voor geschiedenisboeken, ook die over literatuur, verdient het toch aanbeveling niet te veel weg en weer te springen, de spaghetti niet te verwerken tot macaroni.

Maar goed, dat gezegd zijnde, het was wél een genoegen door Waegemans meegenomen te worden langs een hele hoop auteurs en titels die ik nog niet kende (of minstens niet in mijn bibliotheek heb staan) en een aantal auteurs en titels waarvan dat wél het geval is. In de Bibliografie is zelfs een koppeling opgenomen waarop de geïnteresseerde lezer een volledige bibliografie van vertaalde Russische literatuur van 1789 tot 2023 kan vinden (met een beetje moeite kan u die zelfs gratis downloaden), maar helaas géén overzicht van de door Waegemans genoemde in samizdat/tamizdat verschenen werken, wat toch wel jammer is, maar ik neem u dus op mijn beurt mee langs een aantal werken die hij vernoemt in de puzzelstukken waarover ik het hierboven had: Fabriek van nieuwe mensen (van Alja Rachmanova), Het ‘proletarische’ paradijs. Rusland, één concentratiekamp (van Boris Solonevitsj), Ik verkoos de vrijheid. Het persoonlijke en politieke leven van een Sovjet-functionaris (Viktor Kravtsjenko – in mijn boekenkasten, dus vroeg of laat krijgt u er een bespreking van te verwerken), Het onvoltooide lied (van Michael Naritza), Verhaal van de blauwe vlieg (van Valeri Tarsis), Bedenkingen over vooruitgang, vreedzame coëxistentie en intellectuele vrijheid (van Andrej Sacharov, van wie ik wél Mijn leven staan heb), De technologie van de macht (van Abdurakhman Avtorkhanov), De doodgezwegen Marx (van Nikolaj Oeljanov), De meester en Margarita in ongecensureerde versie (van Michail Boelgakov, bespreking hier), Wat ik zeggen wou (van Anatoli Martsjenko), De Goelag Archipel (van Aleksandr Solzjenitsyn, uiteraard in drie delen in mijn boekenkasten, net zoals Augustus Veertien, het al eerder genoemde Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj, Kankerpaviljoen, Het kalf stoot de eik, enzovoort), De raderen van de willekeur (van Jevgenia Ginzboerg), Kolyma – Verhalen uit de Goelag Archipel (van Varlam Sjalamov, bespreking hier), Voor eeuwig bewaren (van Lev Kopelev, bespreking hier), Dagboek van een provocateur (van Andrej Amalrik, bespreking hier), In quarantaine (van Vladimir Maksimov, bespreking hier), Drie minuten zwijgen (van Georgi Vladimov), De merkwaardige lotgevallen van soldaat Ivan Tsjonkin (van Vladimir Vojnovitsj – in mijn boekenkasten, samen met Moskou 2042, Monumentale propaganda, en De anti-sovjet Sovjetunie), enzovoort, enzoverder. Enfin, keuze genoeg. Maar hoe nuttig is dat “ondergrondse verzet” geweest of “de pogingen om met de autoriteiten tot een compromis te komen”?, vraagt Waegemans zich af in zijn Balans: “De hele periode na de dood van Stalin (1953) tot de perestrojka (1986) waren de Sovjets niet bereid toegevingen te doen, werden criticasters opgesloten of het land uitgezet. De Sovjetpers bleef tot in de jaren tachtig de USSR voorstellen als de beste der werelden. Die wereld vertoonde weliswaar tekorten en gebreken, maar die zouden met de tijd, dankzij de richtlijnen van de partij gebaseerd op de wijsheid van het marxisme-leninisme, uit de weg geruimd worden. Het communisme, de ideale maatschappij, was een kwestie van tijd.” Waegemans houdt het er op dat dankzij de inspanningen van de “zogenaamde dissidenten” “de schok in 1986, toen Gorbatsjov zijn politiek van perestrojka en glasnost (=vrijheid van pers) lanceerde” niet zo groot was, en dat de “civil society in Rusland (…) door hun activiteiten voorbereid [was] op de hervormingen die het land in sneltempo zouden veranderen”. En misschien is dat wel zo, al denk ik dat die “civil society” ook wel ogen in zijn kop had en de werkelijkheid niet enkel via de samizdat/tamizdat kon vernemen. Maar misschien is dat ook niet zo belangrijk. Misschien willen schrijvers hun werken simpelweg niet “voor de lade” schrijven. Misschien was ‘simpelweg’ gelezen worden wel dé drijfveer voor de “dissidenten”. Misschien zelfs post mortem. Laat dat een aanbeveling zijn om ná lezing van dit werk van Emmanuel Waegemans ook de werken te gaan lezen waar hij zijn werk aan besteed heeft.

Björn Roose

dinsdag 22 september 2026

Water – Jan Veulemans (boekbespreking door Björn Roose)

Water – Jan Veulemans (boekbespreking door Björn Roose)
Zoals u weet (of intussen toch al zou moeten weten) heb ik ooit – in een ver verleden, toen de dieren nog spraken en ik me nog in sociale kringen bewoog waar wel eens wat gelezen werd en waar boeken soms ook in groten getale mijn richting werden uitgestuurd – een grote partij boekjes van Boekengilde De Clauwaert (later De Clauwaert vzw) ontvangen van een vriend. De voorbije zoveel jaren heb ik er daar telkens een aantal van mee op reis genomen, ze ook daadwerkelijk gelezen, en ze na bespreking wegens te licht bevonden meestal verhuisd naar mijn zolder. Uitzonderingen zijn er echter altijd: sommige van die boekjes bleken tóch het behouden waard. Bijvoorbeeld De ziekte van Kahler en De leegte van Jan Veulemans. Een koppel waaraan ik na lezing ervan ook Veulemans’ Water mag toevoegen. Wat van de in 1928 geboren en, als Wikipedia het correct voor heeft, nog steeds in leven zijnde auteur van dergelijke verhalen een grote uitzondering in mijn bibliotheek maakt: drie boeken ervan gelezen, drie ervan bewaard.

Gezien het feit dat ik nauwelijks nog ongelezen boekjes van De Clauwaert over heb (al is het volgende dat op mijn bespreektafel ligt er óók nog een), zal hij ook die grote uitzondering blijven, maar belangrijker is allicht te weten waarom. Wel, nu ik het boekje opnieuw ter hand neem zelfs om méér redenen dan ik eerst dacht. Ten eerste het feit dat dit verhaal, zestig bladzijden lang (en verschenen in 1967), filmisch zo goed als een one shot zou vormen: een man zwemt een meer in, richting een abdij aan de overkant, en blijft in die richting zwemmen tot hij uiteindelijk verdrinkt (ja, ik geef daarmee het einde weg, maar dat voel je van mijlenver aankomen en is ook niet echt het punt). Ten tweede het voor iemand die ooit lange afstanden gesnelwandeld heeft volkomen aanneembare gegeven dat iemand die lange afstanden aflegt al zwemmen in een soort trance kan raken en daardoor op hetzelfde moment twee dingen kan doen: de repetitieve lichamelijke beweging uitvoeren en met zijn geest op een andere plaats en in een andere tijd zijn, iets wat Veulemans ook op zeer aannemelijke wijze weet te brengen, in die zin dat je als lezer nooit een moment hebt waarop je je afvraagt of de ‘verteller’, de ‘denker’ eigenlijk, niet toevallig vergeten is dat hij ligt te zwemmen. Ten derde, en dat was me dus niet in die zin opgevallen tijdens het lezen, het in lijn liggen van de tekststructuur met het verhaal, iets wat wellicht een nadere uitleg behoeft: op de cover staat nog wel een rimpelend meer, een lege horizon en voor de rest niks dan water, maar binnenin het boekje is de zetspiegel zó smal, nog geen drie vijfde van de bladspiegel lijkt het, dat de tekst de indruk geeft van een zwembaan. Misschien heeft Boekengilde De Clauwaert nóg boekjes uitgegeven waarin dat het geval was (dat kan ik me op dit ogenblik in ieder geval niet herinneren), maar daardoor ondersteunt de tekst de wereld van de ‘denker’, die op den duur alleen nog bestaat uit het ‘pad’ dat hij volgt door het water en het steeds smallere pad dat zijn gedachten volgen. Als dit geen bewuste, mogelijk door Veulemans zelf gekozen, manier van werken is geweest, is het in ieder geval een bizar toeval.

En dat pad dat de gedachten van de ‘denker’ volgen? Dat is natuurlijk het leven zelve. Een leven waarover hij niet echt tevreden is, een leven dat hijzelf niet in die mate in handen heeft gehad waarin hij het in handen had willen hebben, een leven zoals we dat allemaal wel eens hebben ingeschat op een minder momentje, een leven waar de ‘denker’ echter niet meer overheen komt in dat meer, omdat het water daar (het moet ergens gebeuren en voor het verhaal dus daar) ophoudt een “schuilplaats (…) tegen de wereld, (…) een pauze in een leven dat tergend op duizend andere levens” lijkt, te zijn: “Toen het kind zich aankondigde, voelde hij zich terzijde geschoven. Zij woonden toen in het smalle nieuwe huurhuis tussen de lage heuvels, bij de grens tussen twee dorpen. De grens was een waterloop waarin zoveel groen opschoot dat je het water niet meer zag, maar je hoorde hoe het praatte tussen het gewas. Daar zat hij met wat koppig verdriet naar te luisteren. Vaak ging hij tot de visvijver, waar de vissers zich enkel ‘s zondags aan de oever vastklampten. Het was water om naar te kijken, altijd was ergens op het watervlak beweging, alsof het daaronder wemelde van veelsoortig leven. Maar zwemmen kon je niet, niet in het beekje vol groen en niet in de visvijver. Pas toen zij verhuisd waren en dicht bij het kanaal woonden, had hij het water geheel weergevonden. Maar het was anders dan vroeger, het was bijna iemand waarmee je een diepgaand gesprek voerde. Als je, na jaren samenleven, de vrouw begon te kennen, vond je het misschien niet meer nodig dat ze mee het water indook. Haast was het alsof je in beider naam zwom. Alleen moest je verdragen dat ze zei: wees voorzichtig. Dat was dan liefde, dezelfde liefde die de maaltijden bereidde en verse lakens spreidde, de bloemen besproeide, raadde wanneer je een beroerde dag achter de rug had, zichzelf nemen liet als het bloed warm werd. Wees voorzichtig, je mag de eenheid niet scheuren, je moet gaaf blijven voor de liefde, je moet klankbord blijven, spil, steunende arm. Je hebt een verbond gesloten dat zo lang mogelijk moet duren, één vlees, één denken, één verdediging tegen onheil en dood.”

Geen vrolijk verhaal, nee, maar met voorgaand citaat wou ik u in ieder geval ook nog een laatste feit meegeven: dat de ‘denker’ aan het zwemmen is, is niet louter toevallig. Dat zwemmen is een metafoor voor het leven, iets wat je doet tot het einde of waar je mee ophoudt, waarna het leven zelf óók ophoudt. En dat zwemmen en Water, niet voor niks de titel van deze novelle, zijn door Veulemans ook tot in de kern van het verhaal gebracht, in die mate zelfs dat het niet meer duidelijk is waar de metafoor eindigt en de ‘werkelijkheid’ begint.

Een boek dus dat, wat mij betreft, het niet alleen verdient om zijn plaats in de boekenkast te houden, maar ook om vroeg of laat te herlezen. Al is de kans dan groot dat ik nog vele boekenwatertjes doorzwem vooraleer dáár weer aan toe te komen.

Björn Roose

vrijdag 18 september 2026

De herfst van de patriarch – Gabriel García Márquez (boekbespreking door Björn Roose)

De herfst van de patriarch – Gabriel García Márquez (boekbespreking door Björn Roose)
“Hij voelde zich zo veilig onder de hoede van generaal Rodrigo de Aguilar en de assistentie van Patricio Aragonés dat hij steeds minder aandacht schonk aan de voortekenen omtrent zijn lijfsbehoud en hij liet zich steeds vaker zien, hij durfde al alleen met een adjudant in een auto zonder ordetekenen door de stad te rijden en door de gordijntjes naar de arrogante kathedraal van vergulde steen te kijken die híj per decreet tot de mooiste van de wereld verklaard had, hij spiedde naar de oude herenhuizen met stucwerk en portieken uit ingeslapen tijden en zonnebloemen met hun hoofdje naar de zee, de betegelde straten in de onderkoningenbuurt waar het naar kaarsvet rook, de bleke dametjes die in het licht op de balkons onvermijdelijk decent zaten te kantklossen tussen de potten anjers en de slingers bougainvillea, het schaakbordachtige klooster van de Baskische nonnen met om drie uur ‘s middags dezelfde clavichordmuziek als waarmee ze de eerste keer dat de komeet voorbijkwam gevierd hadden, hij doorkruiste het Babylonische labyrint van de winkelstraatjes, hun dodelijke muziek, de vaandels van lootjes, de karretjes van de guarapo-verkoopsters, de snoeren leguaneëieren, de uitdragerijen van de Turken die gebleekt waren door de zon, het angstaanjagende schilderij van de vrouw die in een schorpioen veranderd was wegens ongehoorzaamheid aan haar ouders, de ellendige steeg van de vrouwen zonder man die ‘s middags naakt naar buiten kwamen om blauwe en roze vissen te kopen en samen met de groentevrouwen op hun moeder te schelden terwijl hun kleren hingen te drogen op de balkons van bewerkt hout, hij voelde de wind die rook naar verrotte schaaldieren, hij zag het dagelijkse licht van de pelikanen om de hoek van de straat, de kleurige chaos van sponsachtige planken, het oude pantserschip van de mariniers dat langer en somberder was dan de waarheid, de negerin die goederen inlaadde en te laat opzij ging om het angstige autootje te laten passeren en die het gevoel had alsof de dood haar met een vinger aanraakte toen ze de duistere oude man zag die met de droevigste blik van de wereld naar de haven zat te staren, daar heb je hém, riep ze hevig geschrokken, viva el macho, schreeuwde ze, hoera, riepen de mannen, de vrouwen en de kinderen die uit de kroegen en de Chinese eethuizen kwamen rennen, hoera, schreeuwden de mensen die de benen van hun paard met spantouwen vastbonden en de auto tegenhielden om de hand van de macht te kunnen schudden, en het was zo’n trefzekere en onverwachte manoeuvre dat híj nauwelijks tijd had om de gewapende arm van de adjudant opzij te duwen terwijl hij hem met ontroerde stem berispte, doe niet zo stom, luitenant, laat ze van me houden, hij was zo opgewonden door die ene woeste opwelling van liefde en nog veel meer de volgende dagen dat het generaal Rodrigo de Aguilar moeite kostte om hem van het idee af te brengen om in een open koets te gaan rondrijden zodat de goede vaderlanders in het land me helemaal van top tot teen kunnen zien, verdomme, want híj had er zelfs geen vermoeden van dat de overval bij de haven spontaan geweest was maar dat de volgende door zijn eigen veiligheidsdiensten georganiseerd waren om hem tevreden te stellen zonder risico’s te lopen, hij was zo verzot op de liefdesbetuigingen aan de vooravond van zijn herfst dat hij na jaren de stad weer in durfde, hij liet de oude trein weer rijden die met de kleuren van de vlag beschilderd was en die als een kat over de smalle paden van zijn uitgestrekte rijk van de droefheid reed, zich een weg banend door dichte bossen met orchideeën en springkomkommers, capucijnerapen en paradijsvogels, luipaarden opschrikkend die op de rails lagen te slapen, helemaal naar de ijskoude, verlaten dorpen op de páramo waar híj geboren was en waar ze op de stations op hem stonden te wachten met muziekcorpsen die lugubere muziek speelden, doodsklokken voor hem luidden, spandoeken voor hem ophielden met welkom voor de naamloze patriciër die aan de rechterzijde van de Heilige Drievuldigheid zit, ze rekruteerden werkeloze Indianen uit de gehuchten die naar het dorp gekomen waren om de verborgen macht te zien die in de doodse duisternis van de presidentiële wagen verborgen zat en degenen die erin slaagden om dichterbij te komen zagen niets anders dan de verbijsterde ogen achter de stoffige ramen, ze zagen de trillende lippen, de palm van een hand zonder oorsprong die naar hen zwaaide vanaf het voorgeborchte van de glorie, terwijl iemand van zijn lijfwacht hem van het raam probeerde weg te halen, past u toch op, generaal, het vaderland heeft u nodig, maar híj antwoordde half dromend, maak je geen zorgen, kolonel, deze mensen houden van me, zowel in de trein op de páramo als op de houten raderboot op de rivier die een spoor van walsen op de pianola achter zich liet in de zoete geur van gardenia’s en verrotte salamanders in de equatoriale rivieren terwijl hij om de karkassen van prehistorische draken, wonderbaarlijke eilanden waar de sirenes gingen baren en rampzalige middagen van enorme steden die verdwenen waren heen zeilde naar de brandend hete, eenzame nederzettingen waarvan de bewoners naar de oever kwamen om naar de houten boot te kijken die beschilderd was met de vaderlandse kleuren en ze zagen nog net een glimp van een niemandshand met een satijnen handschoen die achter het raampje van de presidentiële hut zat te wuiven, maar híj zag de groepjes op de oever heftig staan zwaaien met malanga-bladeren bij gebrek aan vlaggen, hij zag mannen met een levende tapir in het water springen, met een maniokwortel zo groot als een olifantspoot, een snoer bergkippen voor in de presidentiële stoofpot en hij zuchtte van ontroering in de kerkachtige halfschaduw van zijn hut, kijk eens hoe ze er allemaal aankomen, kapitein, kijk eens hoeveel ze van me houden.”

Bent u er nog? Heeft u die ene zin toevallig hardop gelezen? Bent u daar niet compleet ademloos van geworden? Of dacht u ergens halverwege: hier houdt het op, hier stap ik af? Ik heb in ieder geval met die gedachte gespeeld gedurende de eerste dertig of zo bladzijden van Gabriel García Márquez’ De herfst van de patriarch. “Het opvallendste stijlkenmerk van De herfst van de patriarch is dat de roman slechts uit een paar heel lange zinnen bestaat”, zegt de achterflap van de in 1982 bij Meulenhoff verschenen vierde druk van deze vertaling van de hand van Mariolein Sabarte Belacortu daarover met enige overdrijving (op die kleine tweehonderdvijftig bladzijden zijn heus wel méér dan een paar zinnen te vinden), maar die stijl ís toch wel een beetje een afknapper. Edoch, wie er in slaagt zich door die eerste tientallen bladzijden te bijten, en zo verstandig is eventuele onderbrekingen van de lezing bij de punten te laten gebeuren, houdt het ook wel vol tot het laatste hoofdstuk. Ik las in een of andere recensie dat dat hoofdstuk bestaat uit een enkele zin van zestig bladzijden lang, maar ook dát is overdreven: het bestaat uit een enkele zin van een kleine vijftig bladzijden lang. Even een pauze nemen voor u daaraan begint, is dus aan te raden, te meer omdat die zin, net zoals die hierboven, nog een aantal andere eigenaardigheden laat zien: wisseling van verteller, dialogen zonder aanhalingstekens, van beschrijving naar actie en weer terug, het soort dingen dat op de al eerder genoemde achterflap omschreven wordt als “barok taalgebruik, sprankelend door de razendsnelle verteltrant en de opeenhoping van anekdotes”.

Nu weet ik niet of Márquez dat taalgebruik, die stijl ook toegepast heeft in zijn bekendste boek, Honderd jaar eenzaamheid (ik heb verder van hem alleen nog De zee van mijn verloren verhalen en Liefde in tijden van cholera liggen, die ik allebei nog niet gelezen heb), maar ik lees en hoor van niet, en ik vind niét dat het hier om “de razendsnelle verteltrant” gaat. De herfst van de patriarch lijkt eerder een koortsdroom, het aan het oog van de genaamde patriarch, de macho, de dictator voorbijtrekkende leven van zichzelf en zijn land, een delirium van terugkerende beelden (“zijn linnen uniform zonder insignes”, “zijn beenkappen”, “de gouden spoor aan zijn linkerhiel”, de leprozen in de tuin, de koeien op de trappen, de Amerikaanse ambassadeurs,...), een opeenvolging van herinneringen zonder dat die noodzakelijk in de juiste volgorde staan. Een opeenvolging van herinneringen evenwel die, zoals de achterflap weerom aangeeft, van de dictator “een onvergetelijke figuur [maken], geen karikatuur maar een mens, met zijn goede en slechte kanten”, de (inmiddels toch ten dele voorbije) “Latijns-Amerikaanse werkelijkheid”, “een realiteit waarin haast lachwekkende operafiguren tot de meest gruwelijke dictators kunnen uitgroeien”, “de stokoude dictator die langzaam doodgaat in eenzaamheid, de ‘marionet’ die in de illusie verkeert dat de geschiedenis door zijn toedoen is veranderd”, en uiteindelijk zelfs die illusie moet laten varen. El macho, van wie Márquez naar eigen zeggen, “niet het prototype van een slechte man, maar van een man [wou] maken”, heeft een zeker gevoel voor het moment, voor wat op handen is, en reageert daarnaar, of heeft dat toch gedurende vele jaren gedaan, maar ageert nauwelijks. Hij melkt zijn koeien, ja, maar die koeien nemen zijn paleis over. Hij verleidt de meisjes van de school naast zijn paleis, inderdaad, maar komt er achter dat die daar geplaatst zijn om hem die illusie te verlenen. Hij neemt een aankomende non tot vrouw, maar die neemt zijn rijk over. Hij neemt iemand in dienst om de moordenaars van die vrouw en zijn kind (“gevierendeeld en verscheurd (…) door wilde honden op de markt, ze hebben hen levend opgegeten”) uit de weg te ruimen, maar die persoon heeft zelf zijn diensten aangeboden en die diensten bestaan wel uit het uit de weg ruimen, maar niet van die moordenaars (“we zijn klaar als zij op zijn”). Hij serveert “de voortreffelijke divisiegeneraal” Rodrigo de Aguilar “op een zilveren dienblad in zijn volle lengte uitgestrekt op een bed van bloemkolen en laurierbladeren, in kruiden gemarineerd, goudgeel gebakken in de oven, afgemaakt met een uniform van vijf gouden amandelen voor de plechtige gelegenheden en de koorden voor zijn grenzeloze moed op de korte mouw, veertien pond medailles op zijn borst en een bosje peterselie in zijn mond”, maar pas nadat die geprobeerd heeft hem af te zetten. Dat hij een zakbreuk heeft opgelopen, waardoor zijn scrotum wel groot is, maar eigenlijk alleen omdat zijn buikholte daar in leeggelopen is, staat ongetwijfeld symbool voor zijn hele leven: het ziet er als heel wat uit, maar het is het gevolg van een ongeluk (“[hij had] zich in het oorlogstumult gestort (…) met een rode doek om zijn hoofd terwijl hij in de pauzes tussen het ene koortsdelirium en het andere schreeuwde, leve de liberale partij, verdomme, leve het triomfantelijke federalisme, stront-Spanjolen, hoewel hij eigenlijk werd voortgesleurd door het voorvaderlijke verlangen om de zee te zien”) en het kan nauwelijks camoufleren dat er een leegte achter schuilgaat, een leegte die hem zélf ook steeds duidelijker wordt, al slaagt hij er ook wat dat betreft niet in een beslissing te nemen, net zomin als over de toekomst van ‘zijn’ land na hem (“de slaafsheid waardoor de ruimte van zijn autoriteit langzamerhand volliep”). Of zoals de eerder genoemde Patricio Aragonés hem op zeker moment, ergens halverwege een zin, zegt: “(…) u moet weten dat niemand u ooit verteld heeft wat hij echt denkt, iedereen zegt alleen dat waarvan ze weten dat u het wilt horen terwijl ze voor uw ogen buigingen maken maar achter uw rug schietgebaren, weest u maar dankbaar voor de gelukkige omstandigheid dat ik de man ben die het meeste medelijden met u heeft in deze wereld omdat ik de enige ben die op u lijkt, de enige die de eer te beurt valt om u te vertellen wat iedereen zegt, namelijk dat u de president van niemand bent en dat u niet op de troon zit dank zij uw eigen kanonnen maar omdat de Engelsen u erop gezet hebben en omdat die gringos u gesteund hebben met dat ene klotenpantserschip van ze, want ik heb u als een kakkerlak heen en weer zien lopen, van hier naar daar en van daar naar hier omdat u niet wist waar u zou beginnen te bevelen van angst toen de gringos tegen u schreeuwden en nou laten we je stikken met je negerbordeel, we zullen eens zien hoe je het zonder ons redt, en als u toen niet van uw stoel bent opgestaan en als u nooit van uw stoel bent opgestaan is dat natuurlijk niet omdat u niet wilt maar omdat u niet kunt (…)”. Omwille van zijn moeder misschien, Bendición Alvarado, die hij aanbidt ondanks het feit dat zelfs zij niet weet wie zijn vader is geweest (en die hij tot burgerlijk heilige laat verklaren als de katholieke kerk het vertikt om haar tot ‘religieus’ heilige te verklaren). Of omdat hij op den duur bijna zelf niet meer weet of hij nu híj is of dat die eer een van zijn dubbelgangers te beurt valt (“ik was het echt, moeder”). Of omdat de “gringos” zo goed als alles in zijn “uitgestrekte rijk van de droefheid” ingepikt hebben als aflossing van zijn schuld (“we waren leeggebloed door de eeuwige noodzaak om leningen te accepteren om de aflossing van de buitenlandse schuld te betalen sinds de onafhankelijkheidsoorlogen en toen nog weer andere leningen om de rente van de achterstallige aflossingen te betalen, altijd in ruil voor iets”) en ook nog ‘zijn’ zee willen. Of omdat de despoot vóór hem tenminste nog ‘verlicht’ was, terwijl hij – tot zijn vrouw hem dat leert – nauwelijks kan lezen en schrijven (“hij schreef op een stuk karton dat hij op de deur van een toilet prikte dat het verboden was viesighijt uit te halen op de twalette”). Of omdat hij zijn “burger-ministers” wel kan minachten, maar niet kan missen. Omdat hij zo heel erg de baas is, zo héél erg veel vertrouwen in zelfs zijn compadres kan hebben, dat hij zich iedere nacht moet opsluiten achter “de drie sluitbalken, de drie grendels en de drie knippen van zijn slaapkamerdeur”. Of omdat wie werkelijk van hem houdt automatisch, zoals hij, ook een gevangene wordt: “(…) want zij wilde niets van het leven weten sinds die zwarte zaterdag waarop ik tot mijn grote ongeluk koningin werd, op die middag is de wereld voor mij opgehouden te bestaan, haar vroegere vrijers waren de een na de ander overleden, plotseling getroffen door ongestrafte beroertes of onwaarschijnlijke ziektes, haar vriendinnen verdwenen spoorloos, ze hadden haar zonder haar uit haar huis te halen naar een vreemde buurt gebracht, ze was alleen, op alles wat ze deed werd tot in de kleinste details gelet, ze zat gevangen in een val van het lot en ze had niet de kracht om nee te zeggen en ze had ook niet voldoende kracht om ja te zeggen tegen een afstotelijke pretendent die met een oudenvandagenhuis-liefde naar haar zat te loeren, die haar met een soort eerbiedige verbijstering bekeek terwijl hij zich met zijn witte hoed koelte toewuifde, badend in het zweet, zó ver van zichzelf verwijderd dat zij zich had afgevraagd of hij haar wel echt zag of dat zij alleen een angstaanjagend visioen was (…)”. Of omdat hij een man is, niet meer dan een man.

Worstel u door die lange zinnen heen, zou ik zeggen, het is de moeite waard.

Björn Roose

maandag 14 september 2026

De drie koningen aan de kust / Kerstvertelsel – Stijn Streuvels (boekbespreking door Björn Roose)

De drie koningen aan de kust / Kerstvertelsel – Stijn Streuvels (boekbespreking door Björn Roose)
Goed, goed, augustus is misschien een rare tijd van het jaar om kerstverhalen te lezen, net zoals september wel erg vroeg is om de bespreking ervan te publiceren, maar De drie koningen aan de kust / Kerstvertelsel van Stijn Streuvels, een uitgave van de Standaard Boekhandel “ter gelegenheid van de SB-Kinderboekenweek” van 1982 paste nu eenmaal binnen de categorie boeken die ik graag meeneem op reis (wegens met zijn in totaal achtenzestig bladzijden aan de dunne kant), dus schotel ik u de bespreking van de verhalen in kwestie graag voor. Inclusief de melding in het colofon dat “de woordverklaringen werden overgenomen uit Stijn Streuvels, Volledig Werk, deel IV, Brugge, Uitgeverij Orion-n.v. Desclée de Brouwer, 1973”, want de zesenvijftig (in vrij grote letter gedrukte) bladzijden die het werk uiteindelijk telt aan tekst worden inderdaad vergezeld van een loszittende Verklaring van de door Streuvels gebruikte Westvlaamse woorden van nog eens negen bladzijden. Een Verklaring die wel handig kan zijn, want die Westvlaamse woorden blijven niet beperkt tot vanzelfsprekende exemplaren als ‘ongeduur’, ‘tijelijke’, ‘feestvertij’ of ‘kout’, en de betekenis van ‘sammelen’, ‘horken’, ‘verhemming’ of ‘korreboel’ is voor kinderen misschien niet altijd meteen afleidbaar uit de context.

‘Voor kinderen’, zeg ik inderdaad, want ook volwassenen die niét van West-Vlaamse afkomst zijn (wat spijtig is voor hen, maar niemand is perfect), zouden deze verhalen moeten kunnen lezen zónder in die Verklaring te duiken (al kan ik van mezelf ook niet zeggen dat ik bekend was met de visserstermen die Streuvels op pagina 18 losjes uit zijn mouw lijkt te schudden) en kúnnen dat ook zonder werkelijk de indruk te krijgen dat ze met De drie koningen aan de kust en Kerstvertelsel aan kinderverhalen bezig zijn. Ja, het zijn kerstverhalen en nee, ze zijn dus niet van een grote psychologische diepgang of enorm ingewikkeld, maar ze zijn eerder in het algeméén Streuveliaans, een beetje kinderlijk misschien, tonend dat Streuvels het kind in zichzelf nooit voor dood moest verklaren, dan specifiek voor kinderen bestemd.

Bovendien is De drie koningen aan de kust bijzonder wat de ‘setting’ betreft én de ‘casting’: we weten allemaal dat Nazareth zo’n beetje halverwege tussen de Jordaan en de Middellandse Zee ligt, op een goeie twintig kilometer van beide daar in het land dat from the river to the sea wenst free te zijn, maar een kerstverhaal dat zich afspeelt in de West-Vlaamse polders, een paar kilometer achter de vloedlijn van onze eigen Noordzee, met een drietal zeevissers in de hoofdrol, is toch weer eens wat anders, ook al omdat de heren koningen behalve zeer onkoninklijk ook niet zeer gelovig of gewillig zijn: “Kerstdag had geen de minste betekenis voor hen. Ze wisten het van elkaar: Pinkel in onenigheid met zijn wijf, Karkole, een duts die inwoonde bij zijn schoondochter waar hij niets te poeren had, Viane die zondagnacht in een vechtpartij een thoeveel makkers klop had gegeven – een ranseling verwachten mocht, en daarom liever van ‘t dorp wegbleef, - alle drie zonder verlangen of kans op verzet of vreugde, voelden zich buiten de gemeenschap met de maats, zagen nergens de mogelijkheid om aan ‘t vertij deel te nemen, dachten met mismoed aan de blijdschap der anderen, waarbij ‘t verdrietige van hun vereenzaming nu dubbel zwaar woog. De opgewekte stemming welke overal in de lucht hing, stak hen tegen – de feestroes in ieder huisgezin, al het paaigeld er aan verkletst – terwijl zij met de nood aan gezelligheid, niet eens wisten hoe de vrije dag besteden.”

Meer ga ik u van het verhaal in kwestie niet meegeven, maar weet dat het ook verder geen Nello en Patrasche is, geen tearjerker, ‘gewoon’ een schoon, niet-klassiek, en heel erg Vlaams kerstverhaal. Net zoals het Kerstvertelsel dat er achter komt, een ‘vertelsel’ dat al begint “op Sintemaartensavond, toen ze in bende met hun lanteerns uit pampoenen en beetwortels gesneden, door de straat liepen en liedjes zongen”, een gelegenheid die ik me uit mijn eigen jeugd nog herinner, toen we met een ‘bietenstoet’ door het centrum van Handzame wandelden, een traditie die kennelijk minstens in de hoofdgemeente nog steeds of weer in ere wordt gehouden, al volgden daarop niet het soort wilde plannen dat Maantje Vincke in dit verhaal van Streuvels uitbroedt en die op hun beurt een écht Kerstvertelsel tot gevolg hebben, een heerlijk ‘vertelsel’ waarin de kleine Jezus (“in de eerste of in de derde persoon”) het heeft over spelen op straat “met kozeke Sint-Janneke en de andere kleuters uit ‘t gebuurte”, over “een jood die het kind bezig zag en ging (…) zeggen aan Jozef de timmerman (…) [dat] zijn zoontje de zondag ontheiligde met werken in de klei”, over “een rijkemanskind” dat hij met verlamming slaat (of carrément doodmaakt, dat is me ontgaan), over schoolmeesters die hem niks kunnen leren, over zijn kwaliteiten als boer (“Terwijl Jozef koorn zaaide, nam Jezus een zaadje uit de zak en plantte het in zijn hovetje, in een hoek van de lochting, en wanneer de oogsttijd nu aanbrak, kwam er van dat éne zaadje honderd maten koorn”), over zijn wonderbare vaardigheden als assistent-timmerman (“Jezus ging aan ‘t ander uiteind, greep de kortste plank vast en rekte ze uit alsof ‘t een kous ware, tot ze even lang werd als de andere”), over de onderrichting in de tempel (“De derde dag eerst vonden zij hem in de tempel, midden de wetgeleerden en de hoogpriesters, volop met hen aan ‘t redekavelen, en een hele troep volk er rond die luisterden, verbaasd over de vreemde knaap die de wet uitlegde en de parabels, beter dan de ouderlingen”), enzovoort, enzoverder. Hoe het varkentje met de hele lange snuit er uitziet dat dáár achteraan komt, geef ik u uiteraard niet mee, maar nog minder als een traditioneel kerstverhaal dan dat van De drie koningen aan de kust in ieder geval.

Ik ga, om deze bespreking af te ronden, niet beweren dat De drie koningen aan de kust / Kerstvertelsel hoogstaande literatuur is, maar ‘t is wel een aangename reis door de tijd voor tijden waarin de dagen nóg wat korter zullen zijn dan in september.

Björn Roose

vrijdag 11 september 2026

De vis begint aan de kop te stinken – Fritz Wöss (boekbespreking door Björn Roose)

De vis begint aan de kop te stinken – Fritz Wöss (boekbespreking door Björn Roose)
Uit de titel van dit boek kon u al opmaken dat het in het Nederlands verschenen is, maar de naam van de auteur zou u – zelfs in politiek correcte tijden waarin u niet geacht wordt op zo’n dingen te letten – tot de gedachte kunnen brengen dat hij een Duitser is of was. Dat klopt en dat klopt niet: Fritz Wöss, eigenlijk Friedrich Weiss, overleden in 2004, was een in Wenen geboren Oostenrijker, maar nam na de Anschluss (wie niet weet wat dat is, gaat het maar opzoeken) op zijn achttiende als Fahnenjunker (een onderofficiersgraad, dat wil ik u wél meegeven, want dat moest ik óók gaan opzoeken) dienst in de Duitse Wehrmacht. Als frontofficier nam hij vervolgens deel aan de Slag om Duinkerke en de inname van Normandië, waarna hij met de Heeresgruppe Nord deelnam aan de invasie van de Sovjet-Unie. In december 1941 was hij, intussen gepromoveerd tot Batterieführer, betrokken bij de gevechten rond het Ladogameer, raakte gewond, werd weer opgelapt, en kon vervolgens deelnemen aan de Slag om Stalingrad als verbindingsofficier met de in Nariman gelegerde 20ste Roemeense Divisie. Hij overleefde de Slag (en wie gevechten als de Slag om Stalingrad een beetje bestudeerd heeft, weet opeens wel zeker waarom een Slag in het Duits ‘Schlacht’ heet), kwam op 29 januari 1943 in Sovjet-gevangenschap terecht, en kon pas in 1948 terugkeren naar Wenen. Daar schreef hij zich in aan de universiteit, haalde z’n doctoraat, werd beambte, schrijver (uiteraard), directeur van de Hochschule für Bodenkultur, richtte een denkgroep rond directe democratie op, stichtte de Union für Direkte Demokratie en een vijftal jaar later de eerste milieubeweging in Oostenrijk, de Österreichische Umweltschutzbewegung (later omgedoopt naar Wahlgemeinschaft für Bürgerinitiativen und Umweltschutz), deed vervolgens een jaar of dertig niks dat de gazetten haalde (of net wel, waardoor ‘het internet’, inclusief de aan de auteur gewijde pagina, het niet nodig vindt er aandacht aan te besteden), en ging toen dood.

Misschien zit er in die dertig stille jaren nog wel een verhaal, maar voor deze bespreking volstaat het dat u weet dat dit boek, De vis begint aan de kop te stinken (in het Duits: Der Fisch beginnt am Kopf zu Stinken), aanvangt nadat de Slag om Stalingrad verloren is, als centrale figuur ene Wisse heeft, ten tijde van de Slag verbindingsofficier met de 20ste Roemeense Divisie, en eindigt ergens bij het einde van de Tweede Wereldoorlog met het vertrek van diezelfde Wisse uit het ene krijgsgevangenenkamp naar een volgend. Maakt dat het boek autobiografisch? Wel, dat staat niet met zoveel woorden op de omslag vermeld: “Gedreven door een belofte aan zijn kameraden om te vertellen over de hel van Stalingrad, schreef Fritz Wöss een aangrijpende roman over het lijden en de ellende van de Duitse soldaten bij de strijd in Rusland”, dat wel, maar desalniettemin “een roman”. Net zoals de voorganger ervan, in het Nederlands getiteld Honden wilt ge eeuwig leven?… (wellicht eveneens in de jaren 1980 verschenen bij De Boekerij), in het Duits Hunde wollt ihr ewig leben?, het verhaal over de Slag zelf, en het er op volgende derde deel van wat dan een trilogie werd genoemd, Die Deutschen an die Front, dat zich afspeelt in het inmiddels in twee bezettingszones (eigenlijk vier, maar de westerse bezetters gooiden hun zones samen) opgedeelde Duitsland. Dat eerste deel en dat laatste deel van de trilogie heb ik niet gelezen, maar de stijl van het tweede maakt, net zoals het feit dat er op de al eerder genoemde aan de auteur gewijde pagina gewoon gezegd wordt dat het om “seinem autobiographischen Werk” gaat, wel degelijk duidelijk dat De vis begint aan de kop te stinken autobiografisch ís, zelfs al kunnen de belevenissen van Wisse/Wöss dan perfect als voorbeeld dienen van wat “die körperlichen und seelischen Qualen [waren], durch die die rund 90.000 deutschen überlebenden der Schlacht von Stalingrad gehen mussten und denen der Grossteil der Gefangenen erlag”. Wat goed is en ook weer niet: wie De vis begint aan de kop te stinken (waarvan de titel uiteraard verwijst naar het gedrag van de hogere rangen – de besluiteloze Paulus in de eerste plaats, maar ook de officieren die zelfs ná de slag twijfelen “of ze zich van een zekere heer Hitler en de hele zaak moeten distanciëren of de geliefde Führer onvoorwaardelijk trouw en gehoorzaam blijven” -, al is Wöss/Wisse zeker niet iemand die die per definitie veroordeelt of de lagere rangen per definitie goedpraat) leest als een verslag van de dodenmarsen (na de eerste in een serie van vele blijven er van de gevangenen nog zeventien van de honderdzevenentwintig over) en dodentreinen (“Ook tijdens het soms dagen en nachten durende oponthoud op zijsporen blijven de gevangenen in de wagons opgesloten en worden de schuifdeuren alleen opengemaakt om eten aan te geven, doden naar buiten te schuiven en ontlasting kwijt te raken.”), de kampen, de martelingen, de honger (“Omdat er behalve de snee brood alleen een halve liter watersoep te eten is, knaagt de honger langzaam het verstand weg”), de ziekten (met vlektyfus als de meest gevreesde daarvan, en de ondanks de beperkte middelen toch serieuze pogingen van het Russische verplegend personeel om de gevangenen weer op de been te brengen), het verraad (“De Roemenen (…) wachten niet meer tot de dragers van andere rugzakken ineenstorten, maar overvallen en beroven er een paar. Ze laten de bewakers in hun buit delen, want die missen toch de moed, zelf de gevangenen tijdens de mars met geweld te plunderen.”), het kamp binnen het kamp (met Duitse baasjes onder auspiciën van Sovjet-baasjes), de oorlog van allen tegen allen (“Wie een stuk hout heeft, een mes, een paar medicamenten, wie een paar woorden Russisch kent of op zijn minst nog wat meer lichaamskracht heeft dan de anderen, ziet zich verheven tot een machtspositie en wordt het middelpunt van een groep. In die groepen worden bepaalde figuren opgenomen, anderen worden er uitgestoten. Bondgenootschappen worden dikwijls voor de duur van dagen, soms uren gesloten, versterkt en dan weer uiteengeslagen. Geniepigheid en meedogenloosheid voeren de boventoon.”), de extreme weersomstandigheden, de pogingen om toch iets van cultuur te onderhouden een keer de krijgsgevangenen weer enigszins aan de betere hand zijn, systeem-overschrijdende liefdes, de valse beloftes van de gijzelnemers, enzovoort, zal door dit boek zeker niet teleurgesteld worden; wie het wil beschouwen als een roman, zal dat wél zijn. Omdat het eerste, korte hoofdstuk zich afspeelt in Münster, met een aantal soldatenmoeders in de hoofdrol, en het tweede “duizenden kilometers verder, aan de Wolga” met een aantal van hun zonen in de hoofdrol, heb je nog héél even het idee dat het wel degelijk een roman zou kunnen worden, maar die sprong in de tijd en die wisseling van hoofdrollen is ook de laatste, en je krijgt in de volgende driehonderd bladzijden ook nergens de indruk dat er een ontsnapping op til is (gezien de omstandigheden ook niet waarschijnlijk), een grootschalige opstand, een martelaarsdood, wat dan ook dat van dit boek – overigens gedrukt in een afgrijselijk lettertype - een roman zou kunnen maken.

Een roman die ook al snel als té melodramatisch zou afgedaan worden als je bijna aan het begin ervan al afkomt met feiten als deze: “Als ze de vijf Duitsers zien, die alleen onder bewaking van de oude, dronken Rus staan, stormen ze naar voren en vallen hen vloekend en met woedende dreigementen aan. Het zijn dezelfden, die het eerst met de Duitsers hielden; nu gooien zij ze met brokken ijs, worden dan brutaler, komen dichter bij, spuwen en slaan ze met vuisten en stokken. De bewaker gromt en vloekt wel, maar ziet geen kans, de mannen tegen het gepeupel te beschermen. De vijf gevangenen begrijpen eerst niets van deze behandeling, maar zijn al gauw dol van angst. Er komen zelfs nog Russische soldaten, die de mensen verder ophitsen. Enigszins klein uitgevallen leden van het Rode Leger. Jongens in Russische uniformen met machinepistolen, een soort hulppolitie blijkbaar. Ze schieten de gevangenen een beetje voor hun voeten en over hun hoofd, zodat Wisse steeds moet bukken om geen lading in zijn hersens te krijgen. Ze hebben veel plezier om de majoor, die bij ieder schot snotterend van angst door zijn knieën gaat.”

De werkelijkheid is sterker dan de fictie, maar niet als je die werkelijkheid probeert te lezen als een roman, zoveel is duidelijk. En dat verandert niet als de kleine groep naar een “balka” gebracht wordt, een soort loopgraaf, waarvan de bodem “vol donkere vlekken” is, “honderden Duitse soldaten, die afgemaakt zijn”. “Het is alsof ze aan een besmettelijke ziekte zijn gestorven”, schrijft Wöss, “En dat is ook zo; ze zijn het slachtoffer van de ergste ziekte die de mensheid bedreigt: de beestachtigheid”. Waarmee hij toch de naakte voorstelling van de feiten onderbreekt met een beetje filosofie, een filosofie die duidelijk eigen is aan de schrijver, aan de hoofdpersoon dus ook, maar daarmee dit verslag nog steeds niet optilt tot een literair niveau. Net zomin als: “Je bent een bekend type, jongeman, maar niet in mijn straatje. Blijkbaar zo een, die fiks gedresseerd is op de partijscholen, om bij de elite te komen. Precies hetzelfde soort als bij ons een afdelingsleider van de Hitlerjeugd of een napola-student. Een arrogante knaap, fanatiek, hersenloos, gevoelloos en onbarmhartig.” Of: “Gedachten? De kapitein kan er geen meer grijpen. Hij zoekt alleen nog naar iets bekends, vertrouwds. Zijn moeder, broers, zusters, zijn huis, Wenen, dat is allemaal te ver weg, onwezenlijk geworden, niet meer voor de geest te halen en al voorbij: daarvan kun je geen afscheid meer nemen.” Na de eerste hoofdstukken doet de auteur ook geen moeite meer om dat soort zaken te herhalen: een lezer die zich zelfs maar een héél klein beetje probeert in te leven in de omstandigheden waarin de krijgsgevangenen verkeren, moet óók geen moeite doen zich in te beelden dat het al een kunst is om niet geheel te verdierlijken.

Het interessantste – een oneindige opsomming van leed is helaas ook niet van aard om te blijven boeien – dat zich dan ook verderop in het verhaal nog afspeelt, zijn de pogingen van de Sovjets om van de Duitsers ‘anti-fascisten’ te maken, die ze vervolgens uiteraard willen gaan gebruiken als propagandamiddel, al maken ze ze bij gelegenheid ook wel eens wijs dat ze zich aan de zijde van de Russen gewapend een weg zullen mogen vechten naar Duitsland. Pogingen die met alle mogelijke middelen ondernomen worden: propagandavoorstellingen en -lezingen, extra voedsel, de beste ‘jobs’ in en buiten het kamp, minder voedsel voor wie dan nog niet wil, geen ‘job’ meer (en bijgevolg minder kansen om aan broodnodige extraatjes te komen), chantage, oplichting (‘die is er al bij, waarom kom jij er dan niet bij?’), en uiteraard de – ook binnen hedendaagse zogenaamd ‘antifascistische’ kringen nog steeds opgeld makende – stelling dat wie geen ‘antifascist’ is dan wel een ‘fascist’ moet zijn: “(…) aan het eind van de vergadering wordt met veel tamtam aangekondigd dat er die middag een feestmaal is voor de eerste nieuwe groep, ongeveer dertig gevangenen die al enkele dagen geleden hun toetreding tot de ‘Antifa’ (anti-fascistische organisatie) bekendgemaakt hebben en nu, officieel als anti-fascisten, voor het eerst in het openbaar treden. Op twee of drie echte anti-fascisten na zijn het mannen zonder overtuiging, een paar meelopers die bang zijn voor het verlies van hun functie, een stel baantjesjagers en vooral hongerlijders die graag eens een vol bord willen zien. (…) Grote en kleine partijgenoten van Adolf Hitler duiken vlug in de nieuwe beweging onder, uit angst voor vervolging. Diegenen, die werkelijk iets te vrezen hebben, omdat bepaalde ‘oorlogshandelingen’ van hen door de sowjets wel eens als misdaden uitgelegd konden worden, verdwijnen zo onopvallend mogelijk in de Antifa en brengen het daar tot een nog roemrijker bestaan dan onder Hitler. Geheel vrijwillig en openlijk komen de fanatieke liefhebbers van politiek in al haar vormen; met beide handen grijpen zij de kans aan, weer aan politiek te kunnen doen. Zij ontdekken ogenblikkelijk de verwantschap tussen nationaal-socialisme en communisme en worden in hun nieuwe clubverband even radicaal als in het oude.” En dat allemaal – wat ook de meest voor de hand liggende reden is waarom het hoofdpersonage niét meegaat in het verhaal (naast het feit dat de oorlog nog niet voorbij is en dat hij ook een eed als militair heeft afgelegd) – onder auspiciën van de Sovjets, die, wat niemand onbekend is, toch óók geen democraten zijn. Geen Freies Deutschland (de organisatie die van het naoorlogse Duitsland zogezegd een ‘antifascistische’ staat gaat maken) dus voor Wisse, maar ook geen Bund Deutscher Offiziere, zogezegd onafhankelijk van de Sovjets opgericht met de bedoeling een, uiteraard óók tegen Hitler zijnd, alternatief te vormen voor wie zich niet bij Freies Deutschland wil aansluiten. Een frontorganisatie dus, een gevel, zeg maar, die – al heeft Wöss het daar verder niet over – al zeer snel na de oprichting in de praktijk opgenomen werd ín dat Freies Deutschland.

Best een interessant deel van wat zonder meer een ooggetuigenverslag mag genoemd worden, zeker omdat dat een geschiedenis is waarover zelden verhaald wordt, maar om nu, mét de achterflap, te zeggen dat deze “roman (…) zo indringend is (…) dat men het relaas van Fritz Wöss nooit meer zal kunnen vergeten”, sterker nog, dat deze “roman (…) een bezit is voor het leven, waard om vele malen herlezen te worden”, nee, dat is overdreven. Als u hem ergens kan lenen, dan moet u dat beslist doen, maar één keer lezen zal wel genoeg zijn.

Björn Roose