Zelf ben ik net iets te jong om ooit nog samizdat uit de Sovjet-Unie
of het Oostblok in het algemeen gesmokkeld te hebben – ik was per
slot van rekening nog geen achttien toen de Muur viel -, maar ik heb
wel een collega gehad die een tiental jaar ouder was dan ik en ook
het illegaal over de grens brengen van beschreven papier tot zijn,
sowieso al niet geringe, verdiensten mocht rekenen. Dát samen met
het feit dat ik een niet onaardige hoeveelheid van oorsprong
Russischtalige literatuur in mijn boekenkasten heb staan (hoewel bij
lange niet voldoende) mocht dan ook al reden genoeg heten om bij mijn
recentste bezoek aan de openbare bibliotheek een boekje mee te nemen
dat daar speciaal gepresenteerd stond (wellicht omdat het nieuw in de
collectie was), Samizdat – Geschiedenis van de Russische
ondergrondse, uitgegeven bij Manteau in 2024 (dus toch
alweer twee jaar geleden). Maar dat de auteur ervan Emmanuel
Waegemans heet, was een extra aanbeveling. Waegemans, geboren (en
voor zover ik weet, getogen) in Hamme en dus zo goed als een
gemeentegenoot van me (al is Moerzeke natuurlijk niét Hamme, dat
weet iedereen), ken ik namelijk ook als auteur van De Russische
Krim – Geschiedenis van een betwist schiereiland,
dat ik in juni 2023 besprak, en als stichter-voorzitter van het Filip
De Pillecyn Genootschap, dat van De Pillecyn in recente jaren
onder andere Mensen achter de dijk en Aanvaard het leven heruitbracht, waarvoor Waegemans, zoals hij dat ook deed voor het
eveneens bij Manteau verschenen boek De dwarsligger
– Filip De Pillecyn in Pallieter – 1922-1928,
telkens het Ten geleide mocht leveren, allemaal teksten
waaruit ik hem leerde kennen als een vlotte schrijver.
Onnodig daar op terug te komen (door te klikken op de koppelingen
vindt u de boekbesprekingen in een handomdraai), maar misschien
willen mensen die nog meer dan ik ‘né de la dernière pluie’
zijn in de eerste plaats weten wat samizdat dan wel is. Waegemans
legt dat uit in zijn Woord vooraf: “Onder Stalin (1924-1953)
bestond geen intellectuele vrijheid in de Sovjet-Unie. Aan de leer
van het marxisme-leninisme kon en mocht niet getwijfeld worden. Met
de dood van de dictator trad een lichte dooi op, die de mensen de
moed gaf om wat openlijker te spreken en te schrijven over wat hun in
de duistere jaren van Stalins alleenheerschappij overkomen was. Maar
die vrijzinnige gedachten waren nauwelijks haalbaar voor de pers. De
schrijvers gingen ondergronds. Dit was de samizdat – het
circuit van afgekeurde of niet aan de autoriteiten voorgelegde
geschriften die onderhands circuleerden. Meestal in enkele kopieën,
primitief en niet-professioneel. Maar de intellectuele honger na
dertig jaar winterslaap was groot, de samizdat sloeg aan en was in
enkele jaren tijd in de hele Sovjet-Unie verspreid. Met de jaren
vonden de auteurs van de samizdat contact met buitenlandse
correspondenten, die hun geschriften het land uit smokkelden en in
het Westen lieten publiceren. Dit heet de tamizdat
[overigens een woord waarover mijn spellingscontrole wél valt, in
tegenstelling tot wat het geval is met ‘samizdat’, noot van mij].
Veel van wat in de samizdat en tamizdat circuleerde, bereikte
de Sovjetburgers ook via de uitzendingen van westerse radiostations
die in het Russisch uitzonden naar de Sovjet-Unie”.
Een meer dan interessant onderwerp, waarover – zo blijkt uit dit
boekje – ook meer dan genoeg te schrijven valt, maar ergens moet
Waegemans het toch niet voldoende gevonden hebben. Dit boekje, zo’n
tweehonderdvijftig bladzijden dik en uit te lezen op een paar uur,
schetst namelijk niet alleen “de geschiedenis van de samizdat en de
daaruit voortvloeiende tamizdat”, maar ook “de
voorgeschiedenis van de censuur in Rusland (waarom had Rusland een
ondergrondse pers nodig)”, een voorgeschiedenis waarmee de auteur
zo’n veertig bladzijden zoet is (en het moet me even van het hart
dat de paginanummers in dit boek zo goed als onleesbaar zijn) en die
de lezer uiteindelijk niet zoveel leert over de censuur onder de
Sovjets behalve dat die ook al bestond onder de tsaren. Onder Peter I
(de Grote dus), die niet echt om kon met lieden die zijn
moderniseringsplannen niet zagen zitten en daarover een briefje open
deden of minstens achterlieten (“ondergeschoven brieven”); onder
Catherina II, die in beginsel zeer liberaal was (en in die
hoedanigheid bijvoorbeeld het publiceren van de in Frankrijk
verbonden Encyclopédie toeliet), maar daarvan moest
terugkomen onder druk van de omstandigheden; onder haar zoon Paul I,
die zowaar een “Decreet over de Censuur” uitvaardigde, overal
censuurkantoren liet openen, alle privédrukkerijen liet sluiten, en
voor elk boek of tijdschrift vereiste dat het voorafgaandelijk op
zijn inhoud werd gecontroleerd door zijn ambtenarij; onder diens zoon
Alexander I, die wou regeren zoals Catherina II, maar daar ook al
snel weer van afzag; onder Nicolaas I, die de aard van de censuur
enigszins veranderde, maar ze zeker niet afschafte, en onder andere
“privécensor” speelde voor de werken van Poesjkin; onder
Alexander II, wiens ambtenaren van de censuur een potje maakten, en
die na zes mislukte pogingen het slachtoffer werd van een geslaagde
terroristische aanslag, waarna zijn zoon Alexander III het zaakje
overnam en weer wat serieuzer werk maakte van de censuur (al “werd
de Russische vertaling van Das Kapital van Marx door de censor
goedgekeurd, omdat hij vond dat er in Rusland heel weinig mensen
waren die er iets van zouden begrijpen”); onder Nicolaas II, wiens
censuur er bij momenten heftig in hakte, maar met “meer dan 3000
tijdschriften en kranten, waarvan er een duizendtal politiek
geïnspireerd waren” aan het begin van de communistische revolutie
nauwelijks meer kon doen dan dweilen met de kraan open; en dus ook
onder de nieuwe tsaren, Lenin, Stalin, Chroesjtsjov en hun opvolgers
tot aan Gorbatsjov toe. De intellectuelen hadden zich daaraan mogen
verwachten, maar stonden er klaarblijkelijk toch nog van te kijken:
“Toen op 25 oktober 1917 de bolsjevieken een staatsgreep pleegden,
stond intellectueel Rusland perplex. Nu had de meerderheid van de
schrijvers weliswaar uitgekeken naar verandering – zo goed als alle
schrijvers hadden kritiek op de tsaar en verfoeiden zijn regime –
maar bijna niemand vond dat de revolutie verder moest gaan dan het
inluiden van een democratisch regime. De intelligentsia moest zich nu
serieus vragen gaan stellen over de rol die ze gespeeld had in het
intellectuele leven van het land en of de idealen, de mystieke dromen
of profetieën die ze jaren hadden gekoesterd geen illusies waren. De
filosoof Vasili Rozanov beschuldigde de Russische literatuur ervan
‘de hoofdschuldige van de revolutie’ te zijn en hij stelde, al
direct na de omwenteling, dat er nu een ‘ijzeren gordijn’ voor de
Russische geschiedenis was neergelaten. Het bewind der bolsjevieken
bracht honger, kou, ontbering, gevangenis, terreur en chaos” én…
alles behalve dankbaarheid aan de schrijvelaars die, minstens volgens
sommigen, de bolsjevieken in het zadel hadden geholpen: “Direct na
de machtsovername begonnen de bolsjevieken in Petrograd (de nieuwe
naam voor Petersburg van 1914 tot 1924) een hetze tegen de kranten.
Roodgardisten drongen drukkerijen binnen, vernietigden de al
klaargemaakte oplagen, gooiden het drukmateriaal op straat en
verbrandden kranten. Een paar dagen later werden op bevel van het
Militair-Revolutionair Comité de redacties gesloten, en dat terwijl
daar nog geen echte aanleiding toe bestond zoals iets later tijden de
burgeroorlog (begin 1918)”. “Op het vijfde Al-Russisch Congres
der Sovjets van 20 juli 1918 werd een einde gemaakt aan ‘de
afhankelijkheid van de pers van het kapitaal’ – de arbeiders en
boeren zouden nu alle persorganen in handen krijgen. Hierna werden de
‘bourgeois’ kranten in heel Rusland verboden. Met de tijd kwam de
hele literatuur en pers onder de controle van de communistische
partij, als redacteuren werden alleen partijfunctionarissen
aangesteld”, iets wat Lenin ook al in 1905 had aangekondigd. De
Nieuwe Economische Politiek (niet zomaar NEP genoemd) na het einde
van de burgeroorlog bracht nog even verandering, in de zin dat ook
weer privé-initiatief in de uitgeverswereld werd toegelaten (iets
wat eindigde in 1928, samen met de NEP), maar “alles wat in de
Sovjet-Unie gepubliceerd werd, moest [wel] aan de censor voorgelegd
worden en het officiële (partij)imprimatur krijgen”. Wat
vervolgens, onder Stalin, al bijna overbodig werd, want toen hield de
mogelijkheid om te denken simpelweg op: “In 1949 schreef de
stalinistische auteur Vasili Iljenkov daarover in Bolsjaja doroga
(De hoofdweg): ‘Rusland is zijn weg gegaan – die van algemene
eensgezindheid. De mensen hebben duizenden jaren geleden onder
verdeeldheid. Maar wij Sovjetmensen zijn het voor het eerst eens
geworden, wij spreken een taal die voor ieder van ons verstaanbaar
is, we denken eender over de belangrijke dingen in het leven. En die
eensgezindheid is onze kracht, dat is het wat ons overwicht bezorgt
ten aanzien van andere mensen ter wereld die geïsoleerd zijn,
verscheurd door verdeeldheid.’ De roman kreeg de Stalinprijs.
Soortgelijke geluiden waren te horen in nazi-Duitsland: ‘De
nationaalsocialistische revolutie is een revolutie van de geest! Ze
is groots omdat ze het individuele denken, dat eeuwenlang heeft
geregeerd, van zijn troon heeft gestoten en vervangen door het
gemeenschapsdenken.’ Die ‘eensgezindheid’ werd in leven
gehouden door een uitgebreid net van verklikkers (seksot,
stoekatsj, donotsjik), die op elk bedrijf, in elke
koolmijn, in elke school, in elke militaire, gemeentelijke, culturele
of wetenschappelijke instelling, kortom overal, de overheid
inlichtten over wat er onder het volk leefde. In elk bedrijf of elke
instellingen bestonden communistische cellen, samengesteld uit
partijleden die het reilen en zeilen van het bedrijf en van alle
personeelsleden in de gaten hielden. Die cellen stonden onder leiding
van het districtscomité, dat op zijn beurt onder toezicht stond van
het regionaal comité, dat weer afhankelijk was van het Centraal
Comité, dat in handen was van één man: Stalin. Zonder het zelf te
weten, werden deze verklikkers op hun beurt in de gaten gehouden door
andere verklikkers. In de media, die nu volledig in handen waren en
onder controle stonden van de staat, was slechts het geluid te horen
van de partij en de regering. Het land was volledig geïsoleerd van
de buitenwereld. Het ‘ijzeren gordijn’ was geen metafoor meer,
maar een realiteit.”
En dat was zeker niet anders bij de schrijvers dan bij de andere
“Sovjetmensen”: “Op het Eerste Congres van de Bond van
Sovjetschrijvers (17 augustus – 1 september 1934) werd het principe
van het ‘socialistisch realisme’ vastgelegd én opgelegd. Het
congres werd beheerst door politici en niet zozeer door schrijvers.
De vier programmatische redevoeringen die er werden gehouden, waren
van Andrej Zjdanov (partijsecretaris van Leningrad), Karl Radek (als
vertegenwoordiger van de Komintern), de partijtheoreticus Nikolaj
Boecharin en van Gorki [over wiens collaboratie met het regime ik het
ook al had in mijn bespreking van Ingenieurs van de
ziel van Frank Westerman, noot van mij]. Op dit congres werd massaal de
eed van trouw aan de partij afgelegd. De auteurs die dat niet deden,
waren op één hand te tellen: Boelgakov, Platonov, Mandelstam en
Achmatova.” “Voortaan zouden schrijvers, journalisten, fotografen
en kunstenaars naar de communistische bouwwerken en vijfjarenplannen
reizen om er kennis te maken met de levensomstandigheden en idealen
van de bouwers van de nieuwe wereld. Schrijvers waren nu niet meer
gewoon schrijvers, maar ‘strijders aan het literaire front’ die
‘op wacht stonden’ en een ‘ideologische strijd’ uitvochten
tegen de vijanden.” Een “ideologische strijd” waarvan ze zelf
ook elk moment het slachtoffer konden worden, want “in de
uiteindelijk aangenomen term ‘socialistisch realisme’ zat heel
het nieuwe literatuurconcept vervat”, maar “de term was vaag,
zodat hij op elk ogenblik door de leiders aangepast kon worden”.
“Het hoeft geen betoog”, schrijft Waegemans even verderop, “dat
al deze voorschriften leidden tot de verabsolutering van de inhoud
boven de vorm, die sterk verwaarloosd werd, zodat in artistiek
opzicht middelmatige of minderwaardige werken werden verheven tot
meesterwerken van de Sovjet- en zelfs wereldliteratuur, omdat ze
inhoudelijk voldeden aan de canon van de officiële doctrine inzake
literatuur.” Wat al evenmin noodzakelijk voldoende was om in leven
te blijven: “Ook het lidmaatschap van de communistische partij of
openlijke geloofsbelijdenissen en hymnen aan Stalin waren geen
garantie om gespaard te blijven. Zelfs de gerenommeerde apologeten
van het stalinisme Michail Koltsov en Sergej Tretjakov kwamen om door
de hand van degene die ze hadden bezongen.” Iets waar de eigenaar
van die hand allicht ook nog enigszins trots op was: “In het licht
van de leiderscultus werden Peter de Grote en Ivan de
Verschrikkelijke populaire thema’s (Catherina de Grote was evenwel
taboe). In de behandeling van Peter de Grote werd de aandacht
gevestigd op drie aspecten: hij hervormde Rusland van bovenaf, voerde
een harde politiek en schiep een grote militaire macht. In Ivan de
Verschrikkelijke (16de eeuw) zag men Peters voorloper die Rusland
uitbreidde en een groot patriot en wijs staatsman was. Dat hij ook
een wrede tiran was, was van ondergeschikt belang. Aleksej Tolstoj
[niet te verwarren met Lev, noot van mij] voldeed aan de nieuwe
behoefte met de historische werken Peter de Eerste (1929-1945)
en Ivan de Verschrikkelijke (1941-1943), een drama waarin hij
de geschiedenis ernstig geweld aandeed. In De grote heerser
(1944) laat Vladimir Solovjov tsaar Ivan zijn macht misbruiken tegen
zijn eigen volk – uit vaderlandsliefde. Men begrijpe de zedenles
van deze historische projectie: de persoonlijkheidscultus rond Stalin
en de massale offers zijn historisch gerechtvaardigd.”
Enfin, we schuiven wat door: na Stalin komt De dooi, een
periode – genoemd naar een boek van Ilja Ehrenburg, “een korte
roman die alleen interessant of sensationeel is te noemen vanuit het
standpunt van de Sovjetlezer anno 1954” - “die ongeveer tien jaar
geduurd heeft – midden jaren 1950 tot midden jaren 1960”, al zijn
er ook historici die ze laten duren van de dood van Stalin (5 maart
1953) tot de Praagse Lente (augustus 1968). Vooral in de beginjaren
van die periode “vonden gebeurtenissen plaats in de Sovjet-Unie die
erop wezen dat men op een of andere manier wilde afrekenen met de
Stalinperiode”, maar Waegemans laat duidelijk en terecht
doorschemeren dat die afrekening geen einde van de partijdictatuur
als doel had. Chroeststsjov liet Lavrenti Beria, hoofd van de geheime
dienst, executeren om “een van zijn potentiële concurrenten in de
strijd om de macht na Stalins dood” uit de weg te hebben; de
mogelijkheid om in de literatuur aanklachten te formuleren tegen het
regime van Stalin hield geen mogelijkheid in aanklachten te
formuleren tegen het zetelende regime (dat uiteráárd niks te maken
had met dat van Stalin); de dooi werd “gekenmerkt door nu en dan
terugkerende vorst”, iets waar onder andere de “verscherping van
de controle in de Sovjet-Unie” naar aanleiding van “de opstand in
Hongarije van oktober 1956” “en de affaire-Pasternak” getuige
van mogen zijn. Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj van
Aleksandr Solzjenitsyn, “een verhaal over een van de miljoenen
slachtoffers van Stalins terreur”, dat in 1962 verscheen, mag dan
wel “het enige boek dat in de Sovjet-Unie verschenen is zonder
voorafgaandelijke censuur” zijn (wat tijdschriften betreft gold dat
ook voor Sovjetish heymland, een jiddischtalig blad waarvan de
redacteur zelf censor mocht spelen omdat het regime vond dat joodse
censors onbetrouwbaar waren, het teveel tijd zou kosten om een Rus
Jiddisch te leren, en vertaling alleen maar “gevaarlijke nuances”
zou kunnen doen verloren gaan), maar het “kon slechts met het
persoonlijke fiat van Chroesjtsjov verschijnen”, een fiat dat ook,
pakweg, Stalin had kunnen geven voor een boek in zíjn tijd.
Maar toen lag dus “de affaire-Pasternak” al vijf jaar in het
verleden en bij die affaire gekomen, ben je ook bij het kernonderwerp
van dit boek, zijnde de circuits die de “Sovjetschrijvers” vanaf
“de dooi” gingen gebruiken om boeken waarvan ze wisten of
vreesden dat die niet (ongeschonden) voorbij de – helaas niet
afgeschafte - censuur zouden komen toch bij het publiek te krijgen:
“In 1957 gebeurde iets wat het culturele leven in de Sovjet-Unie op
zijn grondvesten deed schudden: in het Westen [met name in Italië,
noot van mij] verscheen een roman van een Sovjetschrijver die de
autoriteiten niet hadden goedgekeurd. De naam van de auteur – Boris
Pasternak – was goed bekend in de Sovjet-Unie, hoewel hij bijna
twintig jaar lang geen gedichten had kunnen publiceren. Aan de in
Italië gepubliceerde roman Dokter Zjivago schreef Pasternak
tien jaar lang – van 1945 tot 1955. Hij beschouwde het boek als de
afronding van zijn schrijverscarrière (‘mijn grootste en
belangrijkste werk, het enige waarvoor ik me niet schaam en waarvoor
ik zonder bezwaren verantwoording afleg’) en ‘mijn laatste woord
aan de beschaafde wereld’”. Vervolgens, ongelooflijk maar waar,
kwam “het Russische manuscript van de roman bij de CIA terecht. Die
zagen er brood in om het boek te gebruiken in de al hevig woedende
ideologische strijd tussen de Sovjet-Unie en het Westen. De politieke
oorlog tegen het Kremlin kon nu uitgebreid worden met een machtig
literair wapen – het eerste werk van de Sovjetliteratuur geschreven
door een groot talent en met een duidelijke anticommunistische
boodschap (vrijheid van het individu, het verwerpen van steriele
grote dromen). Maar om de Sovjets niet het argument in de hand te
spelen dat het boek gedrukt was in de Verenigde Staten, het bolwerk
van het anticommunisme, werd een hele constructie op touw gezet,
zodat het gedrukt werd in Europa, door een kleine uitgeverij. De
keuze viel op uitgeverij en drukkerij Mouton & Co in Den Haag,
die zich gespecialiseerd had in wetenschappelijke slavistische
studies waaraan gerenommeerde slavisten meewerkten (Roman Jakobson,
Cees van Schooneveld). De Russische editie, die in de Sovjet-Unie
niet mocht verschijnen, was klaar tegen de Wereldtentoonstelling van
1958 in Brussel, waar de roman gratis uitgedeeld werd aan
Sovjetburgers die toen in Brussel waren (de Belgische ambassade
verstrekte 16.000 visa aan bezoekers uit de Sovjet-Unie). Later kwam
er nog een dundruk op bijbelpapier uit in een handig zakformaat die
toeristen en bezoekers nog gemakkelijker naar de Sovjet-Unie konden
smokkelen. Ondertussen lobbyden fans bij de Zweedse Academie om
Pasternak de Nobelprijs toe te kennen. Op 23 oktober 1958 kreeg
Pasternak [die hem weigerde, wel moést weigeren eigenlijk, noot van
mij] de prijs ‘vanwege zijn opmerkelijke prestaties in zowel de
hedendaagse dichtkunst als op het gebied van de grote Russische
verteltraditie’. De roman Dokter Zjivago werd niet vernoemd,
maar zal zonder twijfel mee een rol hebben gespeeld in de (unanieme)
toekenning.” Het Sovjet-regime kon daar niks meer aan veranderen,
maar Pasternak werd in zijn thuisland, waar hij per slot van rekening
nog woonde, “op alle mogelijke toonaarden [inclusief die van het
antisemitisme, want hij was joods, noot van mij] door het slijk
gehaald” en wist alleen door in 1960 aan longkanker te overlijden
nog te verhinderen dat hij zijn staatsburgerschap ontnomen werd en
naar het buitenland abgeschickt, het soort lot dat in vele
variaties (veroordelingen wegens “klaploperij” na een
Berufsverbot, binnenlandse verbanning, gekkenhuis,…) ook dat
zou worden van andere schrijvers die het pad van de samizdat – niet
door de autoriteiten goedgekeurde circulatie van hun werken in het
binnenland – en/of de tamizdat – niet door de autoriteiten
goedgekeurde circulatie van hun werken in het buitenland – na hem
zouden kiezen, een drang die met de val van Chroesjtsjov (die
uiteindelijk ook z’n eigen memoires naar buiten moest laten
smokkelen) in 1964 en de ‘restalinisering’ onder Brezjnev alleen
maar groter werd: “Kritiek op de Sovjetwerkelijkheid werd met het
verdwijnen van de dooi onmogelijk in de officiële pers. Kritische
geluiden konden vanaf nu alleen via niet-officiële kanalen naar
buiten gebracht worden – met name via de samizdat”.
Waarbij u zich uiteraard afvraagt of ik die óók nog helemaal uit de
doeken ga doen. Wat niet het geval is. Waegemans heeft dat zelf goed
gedaan en het ligt niet in mijn bedoeling te blíjven citeren, zeker
omdat ik dan aan het puzzelen moet gaan. Waar de auteur immers
redelijk gestructureerd heeft gewerkt tot aan Het ontstaan van
samizdat en tamizdat, gaat die structuur wat verloren in de
daarna volgende hoofdstukken. Die lijken bij momenten eerder los van
mekaar ontstaan te zijn dan logisch volgend op mekaar en de
herhalingen en sprongen zijn dan ook legio vanaf pagina 107. Het ene
moment worden zo’n beetje alle tijdschriften opgenoemd die tijdens
“de dooi” ontstonden, in het volgende hoofdstuk krijgen we een
heuse Kroniek van de dooi 1953-1968, dan wordt er weer een
overzicht gegeven van Censuur in de Sovjet-Unie 1917-1990,
inclusief de basis daarvan, dan volgt een hoofdstuk over De
Beweging voor de Rechten van de Mens
(geheel genegeerd door onder
andere de Verenigde Naties), waarna Waegemans terugkeert naar
De literatuur van de samizdat & tamizdat, met daarin
bijvoorbeeld twee aparte stukjes gewijd aan Andrej Amalrik en,
begrijpe wie kan, een apart hoofdstuk gewijd aan De literaire
samizdat (Waegemans maakt kennelijk een onderscheid tussen niet
alleen tekst en literatuur, wat ik kan begrijpen, maar ook tussen
literatuur en literair, wat al wat moeilijker is), en helemaal op het
einde gooit hij er dan ook nog een bladzijde of twee tegenaan over
een onderwerp dat tot dat moment zo goed als onbesproken is gebleven,
de lokale singer-songwriters en hun magnitizdat. Ik
begrijp dat de auteur in de eerste plaats kenner van Russische
literatuur en cultuur is, maar voor geschiedenisboeken, ook die over
literatuur, verdient het toch aanbeveling niet te veel weg en weer te
springen, de spaghetti niet te verwerken tot macaroni.
Maar goed, dat gezegd zijnde, het was wél een genoegen door
Waegemans meegenomen te worden langs een hele hoop auteurs en titels
die ik nog niet kende (of minstens niet in mijn bibliotheek heb
staan) en een aantal auteurs en titels waarvan dat wél het geval is.
In de Bibliografie is zelfs een koppeling opgenomen waarop de geïnteresseerde lezer een volledige bibliografie
van vertaalde Russische literatuur van 1789 tot 2023 kan vinden (met
een beetje moeite kan u die zelfs gratis downloaden), maar
helaas géén overzicht van de door Waegemans genoemde in
samizdat/tamizdat verschenen werken, wat toch wel jammer is, maar ik
neem u dus op mijn beurt mee langs een aantal werken die hij vernoemt
in de puzzelstukken waarover ik het hierboven had: Fabriek van
nieuwe mensen (van Alja Rachmanova), Het ‘proletarische’
paradijs. Rusland, één concentratiekamp (van Boris
Solonevitsj), Ik verkoos de vrijheid. Het persoonlijke en
politieke leven van een Sovjet-functionaris (Viktor Kravtsjenko –
in mijn boekenkasten, dus vroeg of laat krijgt u er een bespreking
van te verwerken), Het onvoltooide lied (van Michael Naritza),
Verhaal van de blauwe vlieg (van Valeri Tarsis), Bedenkingen
over vooruitgang, vreedzame coëxistentie en intellectuele vrijheid
(van Andrej Sacharov, van wie ik wél Mijn leven staan heb),
De technologie van de macht (van Abdurakhman Avtorkhanov), De
doodgezwegen Marx (van Nikolaj Oeljanov), De meester en
Margarita in ongecensureerde versie (van Michail Boelgakov,
bespreking hier),
Wat ik zeggen wou (van Anatoli Martsjenko), De Goelag
Archipel (van Aleksandr Solzjenitsyn, uiteraard in drie delen in
mijn boekenkasten, net zoals Augustus Veertien, het al eerder
genoemde Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj,
Kankerpaviljoen, Het
kalf stoot de eik, enzovoort),
De raderen van de willekeur
(van Jevgenia Ginzboerg), Kolyma – Verhalen uit de Goelag
Archipel (van Varlam Sjalamov,
bespreking hier),
Voor eeuwig bewaren
(van Lev Kopelev, bespreking hier),
Dagboek van een provocateur
(van Andrej Amalrik, bespreking hier),
In quarantaine (van
Vladimir Maksimov, bespreking hier),
Drie minuten zwijgen
(van Georgi Vladimov), De
merkwaardige lotgevallen van soldaat Ivan Tsjonkin
(van Vladimir Vojnovitsj – in mijn boekenkasten, samen met Moskou
2042, Monumentale
propaganda, en De
anti-sovjet Sovjetunie),
enzovoort, enzoverder.
Enfin, keuze genoeg. Maar hoe nuttig is dat “ondergrondse
verzet” geweest of “de pogingen om met de autoriteiten tot een
compromis te komen”?, vraagt Waegemans zich af in zijn Balans:
“De hele periode na de dood van Stalin (1953) tot de perestrojka
(1986) waren de Sovjets niet bereid toegevingen te doen, werden
criticasters opgesloten of het land uitgezet. De Sovjetpers bleef tot
in de jaren tachtig de USSR voorstellen als de beste der werelden.
Die wereld vertoonde weliswaar tekorten en gebreken, maar die zouden
met de tijd, dankzij de richtlijnen van de partij gebaseerd op de
wijsheid van het marxisme-leninisme, uit de weg geruimd worden. Het
communisme, de ideale maatschappij, was een kwestie van tijd.”
Waegemans houdt het er op dat dankzij de inspanningen van de
“zogenaamde dissidenten” “de schok in 1986, toen Gorbatsjov
zijn politiek van perestrojka en glasnost (=vrijheid van pers)
lanceerde” niet zo groot was, en dat de “civil society in Rusland
(…) door hun activiteiten voorbereid [was] op de hervormingen die
het land in sneltempo zouden veranderen”. En misschien is dat wel
zo, al denk ik dat die “civil society” ook wel ogen in zijn kop
had en de werkelijkheid niet enkel via de samizdat/tamizdat kon
vernemen. Maar misschien is dat ook niet zo belangrijk. Misschien
willen schrijvers hun werken simpelweg niet “voor de lade”
schrijven. Misschien was ‘simpelweg’ gelezen worden wel dé
drijfveer voor de “dissidenten”. Misschien zelfs post mortem.
Laat dat een aanbeveling zijn om ná lezing van dit werk van Emmanuel
Waegemans ook de werken te gaan lezen waar hij zijn werk aan besteed heeft.
Björn Roose






