maandag 23 maart 2026

Tribunaal van Neurenberg – Het nazi-regime voor zijn rechters – Werner Maser (boekbespreking door Björn Roose)

Tribunaal van Neurenberg – Het nazi-regime voor zijn rechters – Werner Maser (boekbespreking door Björn Roose)
Laat ons wel wezen, als een Duitstalige informatiebron je aanduidt als “geschichtsrevisionistischer Historiker”, heeft die je nog net niet als een crimineel bestempeld, maar toch z’n best gedaan er de rest van de wereld van te overtuigen dat je min of meer openlijk een nazi bent. Dat is dus allicht ook wat de bedoeling is als Werner Maser, auteur van voorliggend Tribunaal van Neurenberg – Het nazi-regime voor zijn rechters, op Wikipedia aldus aangeduid wordt. Terwijl een sterke neiging tot revisionisme volgens mij het absolute en enige waarmerk van een waarachtig historicus is: wie de geschiedenis niet wenst te herschrijven, kan beter drukker worden en oude ‘waarheden’ verspreiden. Iets waar elk weldenkend mens het ongetwijfeld mee eens is – ja, dat is een retorische truc, ik geef het toe – als het bijvoorbeeld de officiële Sovjet-literatuur aangaat of de propagandageschriften van Mao of de verkoopspraatjes van Pol Pot, maar wat nog steeds not done is waar het geofficialiseerde ‘waarheden’ over de geschiedenis van het nationaal-socialisme betreft. Die dienen, ook los van bepaalde cijfers, niet onder de lamp gehouden te worden, want dan zouden er direct slechte mensen opstaan die de hele zaak nog eens, euh, zouden overdoen.

Dat gezegd zijnde: Werner Maser - die overigens in de eerste helft van de jaren 1950 als wetenschappelijk assistent van nationaal-bolsjewiek en openlijk (en veroordeeld) tegenstander van Adolf Hitler Ernst Niekisch aan de Oost-Berlijnse Humboldt-universiteit werkte - trekt voor zover ik (ook in dat artikel) gelezen heb nergens de massamoord op de Europese joden in twijfel, doet geen moeite af te bieden op de cijfers, beweert niet dat Hitler van niks wist, heeft zich niet druk gemaakt over het al dan niet echt zijn van het dagboek van Anne Frank, beweerde (hij stierf in 2007) niet dat de gaskamers nooit bestaan hadden of écht doucheruimtes waren, niets van dat alles, maar hij permitteerde het zich onderzoek te doen naar dingen waar hij van anderen moest afblijven, én… ontdekte zo toch een en ander dat de dappere, niet “geschichtsrevisionistischer Historiker” nog niet gezien hadden. De door sommige ‘ernstige’ historici als ‘Amateurhistoriker’ betitelde Maser, die in 1954 promoveerde op een doctoraat gewijd aan Die Organisierung der Führer-Legende, slaagde er in 1951 in als eerste West-Duitse historicus toegang tot het hoofdarchief van de NSDAP te krijgen en kon daarin onder andere de verloren gewaande ziekenberichten van Hitlers artsen vinden. Hij wist in 1981 ook aan Der Stern te verklaren dat er geen enkel bewijs was dat Hitler ooit dagboeken had geschreven, en toen in 1983 datzelfde blad die zogenaamde dagboeken publiceerde, kon hij meedelen dat die hem al in 1976 waren aangeboden, maar dat hij ze meteen herkend had als in de DDR gefabriceerde vervalsingen. En met betrekking tot het tribunaal van Neurenberg, het onderwerp van dit boek, wist hij dankzij door hem gevonden documenten aan te tonen dat de Geallieerden, voorafgaand aan de uitwerking van de ‘wetten’ die ze in Neurenberg tegen de terechtstaande nationaal-socialisten zouden inroepen, het voor hun eigen militairen geldende strafrecht in geval van bevelsweigering pas in 1944 gemilderd hadden om de verwachte Duitse verdediging op basis van ‘Befehl ist Befehl’ te kunnen weigeren.

Typisch voor zo’n “geschichtsrevisionistischer Historiker”, natuurlijk, zoals het voor de ‘goeie’ historici niet atypisch is een heel werk af te kraken op basis van niet meer dan een drietal punten (en dan nog): 1) de geheime afspraken tussen de Amerikaanse hoofdaanklager bij het Internationaal Militair Tribunaal (zoals het ding voluit heette) en Albert Speer konden niet bewezen worden door Speer zelf en de zoon van Jackson (waaruit dan moest volgen dat ze niet bestonden); 2) Maser werd er door Eugene Davidson op gewezen dat Stalin zelf opdracht had gegeven tot het bloedbad van Katyn (dat door de Russen, niet door Maser, op de rug van de Duitsers werd geschoven) en dat zijn officieren hem niet verkeerd begrepen hadden toen ze de gevangenen overbrachten uit de kampen om ze te (laten) vermoorden; en 3) Maser zou de rol van Joachim von Ribbentrop verkeerd hebben weergegeven (terwijl hij hem nu toch niet meteen als onschuldig, zij het misschien wel als licht onnozel, heeft afgeschilderd). De nieuwe uitgave van 2005 “fand”, aldus Wikipedia, “ab da nur noch im rechtsextremen Spektrum Zustimmung”, maar dat zal wellicht toch anders geweest zijn met de uit 1980 daterende Nederlandse vertaling die verscheen bij Uitgeverij Het Spectrum, tegenwoordig eigendom van Lannoo en voor zover ik weet nooit extreem-rechts (wat daar dan ook onder mag begrepen worden) geweest, de vertaling die ik in mijn bezit heb en oorspronkelijk (Leve de stempels!) in de Speciale Openbare Bibliotheek voor Caritas Verzorgingsinstellingen v.z.w. te Leuven zat, wat dan wel een katholieke organisatie was, maar toch ook geen extreem-rechtse.

Ik houd het dus wat de beoordeling van de schrijver betreft bij wat op de achterflap staat: “Als biograaf van Hitler en geschiedschrijver van het nationaal-socialisme heeft Werner Maser internationale erkenning verworven. Nu hij na jarenlang onderzoek ook een uitvoerige en kritische beschouwing over de processen van Neurenberg heeft samengesteld, wordt zijn reputatie als oorspronkelijk geschiedschrijver opnieuw bevestigd”. En ik geef u nu al graag mee wat óók nog op die achterflap staat: “De wettige en juridische basis van het tribunaal en dus de bevoegdheid en de gevolgde procedures worden door de auteur ‘aanvechtbaar’ genoemd en dit leidt soms tot scherp geformuleerde conclusies. Dit boek is ‘verplichte’ lectuur voor een ieder die geïnteresseerd is in eigentijdse geschiedenis en in het bijzonder in de Tweede Wereldoorlog”. Of in het idee dat overwinnaars goed geplaatst zijn om de overwonnenen in het algemeen te berechten, zou ik daar aan toevoegen, want de prestaties van het IMT (Internationaal Militair Tribunaal dus) werden als zó groots gezien dat ze nog zelden als voorbeeld genomen worden, maar helaas niet kunnen verhinderen dat, pakweg, de Amerikanen, pakweg, Venezuela kunnen binnenvallen om de lokale dictator te ontvoeren, voor een Amerikaanse rechtbank te brengen, en daarbij op nauwelijks enig verzet van de rest van de wereld stuiten.

Trouwens, Maser eindigt zijn boek met de stelling dat “het proces van Neurenberg noodzakelijk [was], en dat niet alleen voor de toekomst van de mensheid. In de periode voor Neurenberg waren Hitler, Mussolini, Stalin, Roosevelt en Churchill de personificatie van de grote beslissingen op het wereldpolitieke toneel. Deze beslissingen mondden uit in de Tweede Wereldoorlog en vormden het onderwerp van het overwinnaarstribunaal in Neurenberg. Dat geen van deze leiders na 1939 serieus een vrede op basis van onderhandelingen wilde zolang ze de kans hadden buit te veroveren en hun machtspolitieke doelstellingen te realiseren, behoeft geen nader betoog. Dat ze hun leven op een zeer verschillende manier beëindig[d]en, hing samen met Neurenberg en de voorbereiding ervan sinds 1941. Hitler pleegde in 1945 zelfmoord. Mussolini werd kort daarvoor zonder proces door zijn politieke tegenstanders gefusilleerd. De andere leidende figuren uit deze periode van de geschiedenis stierven als geëerde staatslieden in hun bed, hoewel ze zich voor een deel evenzeer aan misdrijven schuldig hadden gemaakt als Hitler en Mussolini. Als het alleen zou gaan om deze mannen als individu en om de oorlogsmisdadigers die in 1945 in Neurenberg veroordeeld werden als overtreders van het volkenrecht, dan zou de historicus er met enige gelatenheid op kunnen wijzen hoezeer er ten aanzien van deze mannen met een dubbele maat werd gemeten. Maar de historicus mag zich een houding van gelatenheid en afstandelijkheid niet toestaan, niet vanwege het lot van deze mannen, maar omdat het gezag van het volkenrecht nog steeds door staatslieden, politici en militairen met voeten wordt getreden. Sinds Neurenberg en Tokio [waar tegenover de onderworpen Japanners een zelfde soort ‘gerechtigheid’ werd toegepast, noot van mij] voelt de historicus zich verplicht zich in te zetten voor het volkenrecht op grond van de houding van de politici, die wel het minst bereid zijn hun les uit de geschiedenis te trekken. De overwinnaars van 1945 hebben de revolutionaire stap ondernomen en de historicus moet dat accepteren. Maar nu Neurenberg achter de rug is rest de taak niet alleen voor de toenmalige overwinnaars, maar meer nog voor hun opvolgers en die van elk ander land, om door hun houding tegenover het volkenrecht duidelijk te maken welke waarde de geschiedenis aan het overwinnaarstribunaal moet toekennen.”

Waarna ik een stapje ‘achteruit’ in dit boek doe en wijs op een andere, op het moment dat ik dit schrijf zeer actuele, passage: “De moordenaar die op heterdaad wordt betrapt en weet dat hij zijn leven op de guillotine zal moeten beëindigen zodra men hem voor het gerecht sleept en veroordeelt, zal doorgaans niet erg verstandig reageren. De geallieerde eis van een onvoorwaardelijke overgave had een soortgelijk effect.” Een effect dat nog altijd blijkt te bestaan. Toen Trump Iran niet alleen liet bombarderen, maar ook liet weten dat de Amerikanen daar pas mee zouden ophouden als Iran zich ‘onvoorwaardelijk overgaf’, werd het vuur waarmee het lokale regime zich verdedigde niet minder, maar meer. Om exact dezelfde redenen. Een feit waar in de Verenigde Staten bijvoorbeeld Tucker Carlson een aantal keren op gewezen heeft, maar waar in onze contreien kennelijk geen enkele journalist commentaar op wilde leveren.

Wat in de ogen van de (toekomstige) overwinnaar uiteraard geen probleem is, maar in tegendeel dapper moet volgehouden worden: “Misdrijven tegen de vrede, agressie, schendingen van de wetten van de oorlog en misdrijven tegen de menselijkheid zijn niet uit de wereld gebannen door een verslagen vijand te vernederen (zoals de Romeinen door de Samnieten), noch door verdragen zoals die van Osnabrück en Münster waarbij christelijke vroomheid het wachtwoord was, noch door de Heilige Alliantie tussen Rusland, Oostenrijk en Pruisen waarvan de voorwaarden meer lijken op een preek dan op een politiek akkoord, noch door het verdrag van Versailles, dat algemeen beschouwd wordt als ongewoon streng. Schande bleek niet preventief te werken. De praktijk heeft zich niet gehouden aan de christelijke boodschap van naastenliefde en vertrouwen op Gods genade; de strenge bepalingen van het verdrag van Versailles na de Eerste Wereldoorlog leverden het tegendeel op van wat de zegevierende machten ervan hadden verwacht. Die gevolgen – Hitler, de Tweede Wereldoorlog, Neurenberg – waren zo overduidelijk dat het IMT de verdachten en hun verdedigers verbood het verdrag van Versailles aan te halen als rechtvaardiging of motivering.”

En als er dan toch (te veel) gesproken wordt, dan zorg je ervoor dat de spreker het zwijgen opgelegd wordt: “De verdedigers stonden niet alleen in hun verwijt aan het hof dat het in de berechtiging van Krupp [de industrieel die ook als een van de hoofd-‘verdachten’ terechtstond, maar dan wel tijdens een apart proces voor een zuiver Amerikaanse rechtbank, noot van mij] onder meer voorbij was gegaan aan de traditionele rechtsopvattingen en rechtsnormen. Nog voordat de beschuldiging tegen Krupp was ingebracht, had hij Carl J. Carroll, een Amerikaanse jurist uit San Francisco, gevraagd zijn verdediging op zich te willen nemen en Carroll had gezegd daartoe bereid te zijn. Zijn argumenten spreken voor zich. In december 1947 had Carroll van generaal Clay de verzekering gekregen dat hij Krupp zou mogen verdedigen ‘op dezelfde basis als elke andere Amerikaanse advocaat’. Maar in werkelijkheid mocht hij dat niet; de Amerikanen losten het probleem ‘diplomatiek’ op: ze weigerden hem een inreisvergunning.”

Wat weer eens wat anders was dan wat de Russen, met toestemming van de Amerikanen, Fransen en Engelsen, deden: “Al tijdens het proces hing er een schaduw over het gebeuren omdat Russen fungeerden als aanklagers en rechters, terwijl zij een tijdlang aan dezelfde kant hadden gestaan als de verdachten, aanvalsoorlogen hadden gevoerd tegen Finland en Japan en zich in Oost-Pruisen, Silezië, Pommeren en Mecklenburg in 1944-1945 schuldig hadden gemaakt aan verschrikkelijke misdrijven.” Iets wat dan toch bij sommigen in het geheugen bleef hangen: “Op 11 oktober 1950 berichtte de Chicago Daily News: ‘Telford Taylor heeft gisteren de instelling voorgesteld van een VN-tribunaal dat alle oorlogsmisdrijven die in Korea begaan zijn – door de Koreanen, de VN-geallieerden en zelfs de Russen – zou moeten bestraffen. De aanklager zei in een interview dat de processen geen herhaling zouden moeten vormen van die van Neurenberg, waar alleen maar verslagen Duitsers in de verdachtenbank zaten. ‘Als het volkerenrecht nog enige betekenis wil hebben,’ zei hij, ‘moeten we beide partijen ter verantwoording roepen óf herkennen dat voor beide partijen verzachtende omstandigheden gelden en iedereen laten lopen.’” Ik geef u op een blaadje dat dat bijvoorbeeld niét zal gebeuren, die gelijkberechtiging, als Rusland het onderspit moet delven tegen Oekraïne, en dat ondanks het feit dat, bijvoorbeeld, “Tijdens een debat in november 1950 over de juridische principes welke in Neurenberg gehanteerd werden (…) de juridische commissie van de algemene vergadering van de Verenigde Naties [verklaarde]: ‘Duitsers werden veroordeeld en geëxecuteerd op basis van principes waarvan de rechtsgeldigheid nu omstreden is.’” Of zoals de Amerikaanse senator Robert Taft zei: “In deze processen hebben we het Russische standpunt overgenomen dat een proces gericht is op een bepaald doel; met andere woorden: we hebben de doelstellingen van het regeringsbeleid nagejaagd, het was ons niet te doen om recht. Door een proces te gebruiken als een omhulsel voor politiek handelen, hebben wij de idee van gerechtigheid in Europa voor vele jaren in diskrediet gebracht. Alle vonnissen die in Neurenberg geveld werden, waren doordrongen van de geest van wraak.”

Een wraak die de Sovjets voortzetten na het proces: “Na Neurenberg overtraden zij niet alleen het handvest van Neurenberg, maar ook de letter en de geest van het volkenrecht, de wetten van de oorlog, en het recht op zelfbeschikking zoals dat geformuleerd is in het Atlantische Handvest, de Geneefse conventie van 1949, talrijke verklaringen van de Verenigde Naties en het verdrag van Wenen van 1969. De Duitse burgers, waarvan er meer dan 2 miljoen hun leven verloren, werden onder afschuwelijke omstandigheden uit hun huis verdreven en mochten er nooit meer terugkeren. Russen, Polen en Tsjechen werden in de geannexeerde Duitse gebieden ondergebracht, hetgeen allemaal in strijd is met het volkenrecht volgens de bepalingen van artikel 8 en artikel 22 van de Geneefse Conventie van 1949.” En ze kregen daarbij al van vóór het proces hulp van de andere ‘rechters’: “Na de Duitse overgave bijvoorbeeld hielpen de Britten de Russen bij een genocide-actie die resulteerde in de dood van duizenden kozakken in de buurt van het Oostenrijkse Lienz [als er iets mis is met dit boek, zijn het de vele schrijffouten wel, noot van mij]. Het feit dat noch de Neurenbergse verdachten noch hun verdedigers daarvan op de hoogte werden gebracht is niet belangrijk, omdat het IMT het tegen elkaar afwegen van schuld niet toestond.” Om van latere gebeurtenissen maar te zwijgen, natuurlijk: “Hoe kortzichtig en weinig realistisch de vonnissen van het IMT in dit opzicht waren, wordt duidelijk wanneer men ziet welke rol in latere gebeurtenissen gespeeld is door leden van de strijdkrachten van de landen die in 1945-1946 in Neurenberg de aanklagers en de rechters leverden. Om een paar van die gebeurtenissen te noemen: Hirosjima en Nagasaki, Korea en Indo-China, Hongarije en Tsjechoslowakije en Vietnam. In 1946 werden Duitse officieren gestraft met de meest zware vonnissen – waaronder de ‘dood door de strop’, wat door soldaten overal ter wereld als een schandelijke dood wordt gezien, en jarenlange gevangenschap – terwijl hun opvolgers daarentegen een heel andere behandeling kregen, vooropgesteld dat ze tot de voormalige zegevierende landen behoorden.”

En dan moeten we het nog over de inhoudsloosheid van de benaming Internationaal Militair Tribunaal hebben: “Geen van de eigenlijke leden van het Tribunaal was militair in actieve dienst. De Duitse officieren die als hoofd-oorlogsmisdadigers terechtstonden en hun verdedigers dachten aanvankelijk dat dit in hun voordeel was, maar ze werden al gauw uit de droom geholpen, met name door het feit dat het IMT het gehoorzamen van bevelen van hogerhand niet als verweer wenste te accepteren.” Plus: “Het Neurenbergse gerechtshof noemde zichzelf ‘Internationaal’ Militair Tribunaal, hoewel het college van rechters uitsluitend was samengeteld uit vertegenwoordigers van de vier zegevierende mogendheden.” Zegevierende mogendheden die ook vastbesloten waren te zegevieren op de door hen georganiseerde processen: “Het proces was voornamelijk gebaseerd op documenten en hun aantal[,] evaluatie en presentatie leverden aanzienlijke problemen op. Ze bevonden zich allemaal in het bezit van de geallieerden, die ze selecteerden en soms eigenmachtig veranderden alvorens ze vrij te geven. Wanneer de verdediging belangrijk bewijsmateriaal wilde hebben, ‘verdween’ dit plotseling.” Wat dan weer geheel paste in de rest van de ‘regels’: “De procesregels verschilden sterk van die op het continent. Zo hoefde het ‘aan bewijsregels niet gebonden’ hof geen bewijzen te eisen voor ‘algemeen bekende feiten’, maar kon het ambtshalve voor kennisgeving aannemen. Dit deed onvermijdelijkerwijs afbreuk aan de rechten van de verdachten. Net zo min als hun verdedigers mochten zij bijvoorbeeld over ‘de dwang en de onrechtvaardigheid van Versailles’ [spreken], zodat de beweegredenen voor het optreden en het denken van de verdachten niet aan de hand van feiten toegelicht konden worden. Bovendien kon het hof de pleidooien van de verdedigers van tevoren inzien en ze inkorten – wat in enkele gevallen ook gebeurde – en kon het van de verdediging inlichtingen eisen over de aard van de bewijsmiddelen om de ‘relevantie’ te bepalen, waarmee zo iets als een censurering door de aanklagers gewaarborgd was.”

Waarbij het enige wat ten voordele van die censurering kan gezegd worden, is dat ze op z’n minst niet zoals de “misdrijven tegen de vrede” met terugwerkende kracht werd ingevoerd. Zoals het in het Verzoekschrift van de gezamenlijke verdedigers werd geformuleerd: “Het huidige proces kan zich derhalve, voor zover het misdrijven tegen de vrede dient te bestraffen, niet baseren op geldend volkenrecht, maar is een proces op basis van nieuwe strafbepalingen… die pas na de daad werden opgesteld. Dit is in strijd met een in de hele wereld geheiligd principe van rechtspleging, een principe dat in Hitler-Duitsland gedeeltelijk werd overtreden, hetgeen zowel binnen als buiten het rijk fel werd afgekeurd. Dit principe behelst dat alleen hij bestraft mag worden die een reeds ten tijde van zijn daad bestaande wet, die hem met straf bedreigt, heeft overtreden. Deze bepaling behoort tot de grote basisprincipes van de staatsorde van juist die staten die het handvest van dit Tribunaal hebben ondertekend, namelijk Engeland sinds de middeleeuwen, de Verenigde Staten van Amerika sinds haar ontstaan, Frankrijk sinds zijn Grote Revolutie, en de Sovjet-Unie.” Helaas… “Pas in november 1950, ongeveer twee jaar na de Algemene Verklaring van de Rechten van de Mens door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en zo’n vier jaar nadat de als hoofdoorlogsmisdadigers aangeklaagde Duitsers veroordeeld waren, werd men het in de Verenigde Naties erover eens dat het met terugwerkende kracht toepassen van strafrechtelijke bepalingen in strijd was met de mensenrechten.”

Waarmee ik rückwärts aufmarschierend van de laatste alinea’s van dit boek tot bij het begin van hoofdstuk 14, Neurenberg als historisch gebeuren, ben gewandeld, louter om wie niet bijzonder geïnformeerd is over de processen van Neurenberg een eerste blik te gunnen op wat daar gebeurd is. Gezien ik er zelf niet veel méér over wist dan dat van die met terugwerkende kracht ingevoerde ‘wetten’, leek me dat wel nuttig. Maar dit boek is véél meer dan een analyse van de procedure in Neurenberg. De tweehonderdnegentig bladzijden voorafgaand aan het vijfenveertig bladzijden lange laatste hoofdstuk, dat alleen nog gevolgd wordt door een Register, zijn evengoed het lezen waard.

Hoofdstuk 1, met als titel Voor het einde der vijandelijkheden, begint met een scène waarin “Amerikaanse soldaten in aanwezigheid van het hoofd van de gravendienst van het Amerikaanse leger, majoor Rex S. Morgan” assen uitstrooien in de Conwentzbach, de assen van de kort daarvoor opgehangen Herman Göring, Julius Streicher, Wilhelm Keitel, Alfred Jodl, Alfred Rosenberg, Hans Frank, Wilhelm Frick, Joachim von Ribbentrop, Ernst Kaltenbrunner, Fritz Sauckel en Arthur Seyss-Inquart, maar handelt eigenlijk over de voorbereidingen die de Geallieerden troffen om na de oorlog die heren en anderen te veroordelen (laat ons wel wezen: de mogelijkheid dat ze vrijgesproken zouden worden, was geen piste waar ernstig rekening mee werd gehouden).

Hoofdstuk 2, Na de oorlog getiteld, begint bij de zelfmoord van Adolf Hitler, maar gaat dieper in op wat tussen de Geallieerden overeengekomen werd over de te voeren processen, waarbij Maser zelfs uitgeschreven gesprekken tussen Stalin, Churchill en Truman (iedereen weet dat De Gaulle alleen maar diende als bloempot) citeert, en de hele ‘Bekendmaking” van het IMT meegeeft.

Hoofdstuk 3, Op weg naar Neurenberg, behandelt de arrestatie, vrijwillige overgave, het in de val lokken van de beklaagden. Göring (“Hij werd hartelijk en met een kameraadschappelijke handdruk begroet door de Amerikaanse generaal Robert J. Stack”), Robert Ley (“Reichsorganisationsleiter van het Duitse Arbeitsfront en aan het eind van de oorlog de initiator van de partizanenorganisatie Werwolf”), Alfred Rosenberg (“op 19 mei 1945 in het ziekenhuis van Flensburg-Mürwik, dat in de vroegere krijgsschool voor de marine gevestigd was, gearresteerd door Britse soldaten, die overigens niet op zoek waren naar hem maar naar Heinrich Himmler”), Julius Streicher (“naar het oordeel van de topfunctionarissen was hij van 1940 tot mei 1944 ‘verbannen’ geweest: hij had geen contact met de toonaangevende nazi’s en woonde teruggetrokken in zijn buitenhuis”), Baldur von Schirach (naar wie niet eens gezocht werd, “want de Amerikanen dachten dat hij dood was”), … ze passeren stuk voor stuk de revue.

In hoofdstuk 4, De gevangenis, wordt – hoe kan het ook anders? - uitgebreid het leven van de ‘verdachten’ en in veel gevallen de getuigen in de geallieerde gevangenissen verteld: “‘Een bijzonder genoegen voor de bewakers (minder voor de gevangenen) was het douchen,’ schreef de al eerder geciteerde getuige à décharge. ‘De gevangenen moesten douchen in groepen van 6 tot 8 man. Onder het geklepper van de knuppels en het roepen van de bewakers marcheerde men snel naar de in de kelder gelegen doucheruimten, waarbij men zich zo mogelijk al tijdens het lopen grotendeels moest uitkleden, want onmiddellijk na het betreden van de doucheruimte was er een minuut lang water, daarna een minuut tijd om zich in te zepen en vervolgens nog een minuut water om zich af te spoelen. Terwijl men zich amper had afgedroogd en men zich onder het lopen in de kleren wrong, werden de ‘badgasten’ weer in de cellen teruggedreven met: ‘Mak snell, mak snell.’ Iedereen keek altijd verlangend uit naar de ‘scheerdag’ omdat de meeste gevangenen het natuurlijk vervelend vonden steeds met een ‘tuchthuisbaard’ rond te moeten lopen. De Duitse kapper werd altijd begeleid door een of twee bewakers die er blijkbaar voor moesten zorgen dat de kapper geen berichten door kon geven of in ontvangst kon nemen en hem het scheermes niet door gevangenen met zelfmoordplannen uit de handen werd getrokken. Als de bewakers zich ergens aan stoorden, dan kon het gebeuren (…) dat zij het scheren of het haar knippen lieten afbreken en dat de juist ‘behandelde’ Duitser het ‘genoegen’ smaakte tot de volgende scheerdag met een halve baard rond te moeten lopen.’”

In hoofdstuk 5, Het proces begint, neemt Maser de lezer mee naar de begindagen van het eerste proces van Neurenberg, begindagen waarin “de hoop van de meeste verdachten dat er tegen ieder van hen een aparte aanklacht zou worden ingediend”, de grond in werd geboord: “Allemaal hoorden ze nu dat ze beticht werden van alle gruweldaden die in de akte van beschuldiging in globale termen waren samengevat.” “De tekst van de ongeveer 25 000 woorden tellende akte van beschuldiging”, schrijft Maser daarover, “klinkt ondanks de daarin beschreven gruweldaden tegelijk nuchter en onwerkelijk. De vaak in al te gevoelige termen geschilderde misdrijven zijn zo onvoorstelbaar dat ze scènes lijken te zijn uit een griezelfilm. Dat enkele beweringen van de aanklagers als ronduit dwaas te bestempelen zijn, is onder het gewicht van de aangevoerde feiten niet meer dan bijzaak. De bewering dat loutere veronderstellingen een belangrijke rol speelden in deze waslijst van misdaden, is een puur verzinsel. Wat voor verschil zou het bijvoorbeeld hebben uitgemaakt als, zoals in de aanklacht beweerd werd, Hitler het testament van Hindenburg echt ten gunste van zichzelf vervalst had, of als – een bewering waar de aanklagers eveneens mee kwamen – hij gedreigd had Chamberlain tijdens een bijeenkomst met persfotografen in de buik te slaan?”

Hoofdstuk 6, Wraak of gerechtigheid?, gaat over precies de in de titel van het hoofdstuk gestelde vraag. Een vraag die hoofdaanklager Jackson in zijn openingstoespraak met onder andere deze onzin beantwoordde: “Deze mannen zijn de eerste oorlogsleiders van een verslagen natie die vervolgd worden in naam van de wet, maar zij zijn ook de eersten die een kans krijgen zich namens de wet te verweren. Het handvest van dit Tribunaal volgens welke zij berecht worden, in (sic) in feite ook hun enige bron van hoop. Het kan zijn dat deze mannen met een slecht geweten, wier enige wens is dat de wereld hen vergeet, een proces niet beschouwen als een gunst. Maar zij hebben een eerlijke kans zich te verdedigen – een mogelijkheid die zij, toen ze nog aan de macht waren, maar zelden hebben gegeven aan hun landgenoten. We menen dat wij deze mensen voor onschuldig moeten houden tot het tegendeel is bewezen, ook al worden hun daden nu al door de publieke opinie veroordeeld; wij nemen het op ons het bewijs te leveren dat misdrijven gepleegd werden en dat deze verdachten voor het plegen van die misdrijven verantwoordelijkheid dragen.”

Van hoofdstuk 7, spreekt de titel, Het bewijsmateriaal, ook al voor zich. Ik had het daar al eerder over, maar citeer toch nog even dit stukje uit een hoofdstuk dat bulkt van het bewijsmateriaal dat het bewijsmateriaal niet al te pluis was: “Wanneer ze [de verdedigers, noot van mij] de aanklagers om de geciteerde documenten vroegen, waren deze niet zelden ‘verdwenen’. Ze kregen slechts beschikking over een onvoldoende aantal kopieën van de documenten van de aanklagers. Vaak kregen ze die documenten te laat, ongeordend, onvertaald en soms ook onvolledig. Documenten waar de verdedigers om vroegen moesten steeds eerst voorgelegd worden aan de aanklagers, die beslisten of ze vertaald moesten worden. In enkele beslissende gevallen werd het werk van de verdedigers hierdoor onvermijdelijkerwijs belemmerd, omdat volgens het handvest alleen ‘relevante’ passages vertaald hoefden te worden en dat alleen nog maar ‘in algemene termen’. Grove vertaalfouten en verdraaiingen kwamen vaak voor, wat in de rechtszaal tot misverstanden leidde. De verdedigers konden nauwelijks enige invloed uitoefenen op het besluit welke documenten ter tafel zouden komen. Het werk van de verdedigers – de meesten waren benoemd en werden vertaald door het Tribunaal – werd nog verder bemoeilijkt door het bestaan van vervalste documenten; ze verzopen letterlijk in een berg papier; ze moesten hun werk doen in een zeer krappe ruimte en werden plotseling geconfronteerd met vragen waar ze in de verste verte geen antwoord op wisten doordat ze helemaal niet voldoende waren uitgerust om zich te oriënteren.”

Hoofdstuk 8 heeft Het kruisverhoor van de militairen als onderwerp. Met deze alinea begint het: “Hoe de militaire voorbereidingen van Duitsland er werkelijk voorstonden bleek zeer duidelijk uit het kruisverhoor van Jodl van 4 juli 1946. Dit deed niet alleen twijfel rijzen aan de grondslag van de aanklacht tegen de militairen, maar bewees ook duidelijk hoe bedenkelijk het in 1945 en 1946 was om enkele verdachten persoonlijk verantwoordelijk te stellen voor militaire gebeurtenissen, of strafbare handelingen en overtredingen van het internationale recht die onder Hitlers leiding begaan waren, en daarop een veroordeling te baseren. Alfred Jodl werd op alle vier punten schuldig verklaard; desalniettemin had hij zich meer dan eens moedig tegen Hitler verweerd en was hij zelf nooit bereid geweest opdracht te geven tot duidelijk misdadige handelingen. Het feit dat hij zulke bevelen soms ondertekend of geparafeerd had – waardoor die bevelen voor de massa van de soldaten de schijn van wettigheid kregen – was voornamelijk het resultaat van een tragische discrepantie tussen zijn opvatting van de traditionele militaire deugden en de rol die hij onder Hitler speelde. Bij de justitie in Neurenberg legde dat echter weinig gewicht in de schaal.”

Hoofdstuk 9 is geheel gewijd aan Karl Dönitz, “die vanaf 1943 opperbevelhebber van de Duitse marine was geweest en vanaf 1 mei 1945 staatshoofd, als opvolger van Hitler.” De zogenaamde duikbotenoorlog speelt in dit hoofdstuk uiteraard een grote rol: “(…) Kranzbühler [kon] bewijzen dat Amerikaanse onderzeeërs in de Grote Oceaan van meet af aan de Londense Vlootovereenkomst van 1930 hadden overtreden en gehandeld hadden in strijd met het volkenrecht door zich onmiddellijk van de methoden te bedienen die de Duitse onderzeeërs na hun eigen ervaringen met de Britten hadden overgenomen. Hij was er zich zeer wel van bewust dat hij anderen en het IMT daarmee in grote verlegenheid kon brengen, omdat tegenbeschuldigingen in Neurenberg niet toegestaan waren. Onwettige acties van de Duitsers mochten niet weggestreept worden tegen soortgelijke acties van de zegevierende mogendheden.”

Dat Gehoorzaamheid als misdrijf werd beschouwd in Neurenberg blijkt dan weer niet alleen uit de titel van hoofdstuk 10, maar – zoals eerder aangegeven – dat was het vóór 1944 al evenmin bij de Amerikanen als de Britten, net zomin als in welk leger ter wereld dan ook. Anderzijds: “In Neurenberg kwamen zaken aan het licht die zonder het IMT misschien nooit ontdekt zouden zijn: de stelselmatige moordcampagnes van onvoorstelbare omvang bijvoorbeeld, waartoe Hitler het bevel had gegeven. Uit de getuigenverklaringen en de documenten kon echter worden afgeleid dat deze gruweldaden zozeer in het geheim werden bedreven dat zelfs sommige hoofdverdachten niet meer dan een vage of volkomen onjuiste voorstelling hadden van wat er werkelijk gaande was.”

In hoofdstuk 11 heeft Maser het in ieder geval over De grenzen van de verantwoordelijkheid, grenzen die Maser mooi illustreert met de gevallen Speer (“Het optreden van Speer had wel wat weg van de monumentale gebouwen die door de Führer waren ontworpen en door hem waren gebouwd: toegespitst op het effect”), von Ribbentrop (“ik was nu eenmaal Adolf Hitlers minister van Buitenlandse Zaken en de politiek eist daarom mijn veroordeling”), Streicher (“Zijn beweringen dat hij niets had afgeweten van de massamoord op de joden en die niet gewild had, maar dat hij via zijn ophitsende tirades in Der Stürmer geprobeerd had de joden een nationaal tehuis buiten het rijk te bezorgen, waren niet meer dan doorzichtige uitvluchten”), Wilhelm Frick (“die in het vonnis werd betiteld als een hoge ‘nazi-specialist en bureaucraat’” en “er verantwoordelijk voor gesteld [werd] met meedogenloze energie en met behulp van door hem ontworpen en ondertekende wetten de oppositiepartijen te hebben afgeschaft, de kerken en vakbonden te hebben onderdrukt, de landsregeringen volkomen onder het rijksgezag te hebben gebracht en de Duitse natie onder volledige controle van de NSDAP (…) - wat allemaal vooral naar de mening van von Ribbentrop en Hess, in Neurenberg geen zaak kon zijn van het IMT”), Ernst Kaltenbrunner (“aangeklaagd (…) op de punten een, drie en vier, (…) op punt een vrijgesproken”), Fritz Sauckel (“niet schuldig bevonden aan misdrijven tegen de vrede”), Arthur Seys-Inquart (“een in 1892 in Moravië geboren advocaat, wiens intelligentie door de Amerikaanse gevangenispsychologen in Neurenberg zeer hoog werd aangeslagen”), Hans Frank (wiens vonnis “aan[toonde] hoe absurd het idee was dat in Neurenberg de ronde deed, dat een vertoon van berouw en schuldbekentenissen tegenover het IMT doorgaans in een mild vonnis resulteerde”), en Alfred Rosenberg (“de ijverige, excentrieke, fanatieke, bezeten antisemiet en antibolsjevist” die “zichzelf al de filosoof van de nazi-beweging [zag], maar wat Hitler betrof (…) zelfs al dood [was] nog voor de geallieerden een voet over de grenzen van het rijk hadden gezet”).

Met hoofdstuk 12 zijn we dan aan het einde van de gang door het ‘gerecht’ gekomen, De pleidooien. Pleidooien waarin ontegenzeglijk waarheden werden verkondigd door de aanklagers: “De afgelopen veertig jaren… zullen in de boeken der geschiedenis genoteerd worden als de bloedigste periode aller tijden. Twee wereldoorlogen hebben meer doden achtergelaten dan alle legers die in de oudheid of de middeleeuwen ooit op enigerlei wijze slag hebben geleverd. Geen halve eeuw is ooit getuige geweest van bloedbaden op zo’n grote schaal, van zulke gruweldaden en onmenselijkheden, van het op zo grote schaal deporteren van mensen in slavernij, van een zo vergaande uitroeiing van de minderheden.” Pleidooien ook waarin dingen die om andere redenen waarheid kunnen genoemd worden, werden verkondigd: “De terreur van Torquemada is niets vergeleken met de nazi-inquisitie, deze daden zijn de alles overschaduwende historische feiten die toekomstige generaties zich van dit decennium zullen herinneren”. Waarheden omdat die “toekomstige generaties” zich niet “herinneren” wat er in de jaren daarna speelde in China, in de Sovjet-Unie, in Cambodja, in Noord-Korea. Waarheden waarmee scholieren om een of andere reden niet telkens weer om de oren zijn geslagen. Waarheden die misschien niet pasten in het narratief dat Hitler ‘rechts’ was en ‘rechts’ het alleenrecht had op wandaden. Waarheden waarvan de verkondiging misschien simpelweg door de een of andere verboden was: “Over het IMT mocht alleen gerapporteerd worden wat de geallieerden wensten. Wie niet bereid was zich aan hun aanwijzingen te houden kreeg geen plaats, noch in het paleis van justitie, noch in de oude Neurenbergse school. Een toenmalige medewerkster van de Britse persofficier voor Rheinland-Westfalen vertelde bijvoorbeeld: ‘Bij de voorbereiding van het Neurenbergse proces zocht de Britse persofficier voor Rheinland-Westfalen naar een Duitse verslaggever. Het Duitse secretariaat van zijn afdeling stelde Margret Boveri voor; ze kwam uit Berlijn om over de zaak te praten. Maar ze wees de opdracht van de hand met ongeveer de volgende motivering: ‘U wilt dat ik in een heel bepaalde geest rapporteer, en daartoe ben ik niet bereid. Natuurlijk zult u zeggen dat ik ook in het Derde Rijk in kranten geschreven heb (onder andere in Das Reich). Maar toen wist elk verstandig mens dat een vrije verslaggeving niet mogelijk was en de lezer was eraan gewend om tussen de regels door te lezen. Nu gelooft men hier in de vrijheid van de pers naar het Engelse voorbeeld.” Een geloof dat ook nog bestaat in onze tijden, terwijl daar objectief gezien geen enkele reden voor is.

Blijft nog slechts Het vonnis en de gevolgen daarvan over, waarvan in de titel van hoofdstuk 13 sprake is. In dat hoofdstuk heeft Maser het onder andere over de IQ-tests die gevangenispsycholoog Gilbert bij de veroordeelden uitvoerden en hun oordeel over Hitler. IQ-tests die Schacht, Seyss-Inquart, Göring (die ook intelligent genoeg was om, ondanks alle maatregelen om dat te verhinderen, met een cyanidecapsule een einde aan zijn leven te maken en zo de Geallieerden het genoegen ontnam hem op te hangen) en Dönitz aanwezen als “geniaal’ en Schacht en Seyss-Inquart zelfs bij het één procent van slimste mensen ter wereld, maar waarin ook Wilhelm Keitel nog uitkwam op 129 punten, Joachim von Ribbentrop op hetzelfde aantal, Albert Speer op 128, Alfred Jodl op 127, Konstantin von Neurath op 125, en Walter Funk op 124 (Streicher haalde niet meer dan 106 punten, “van gemiddelde intelligentie”). Wat niet belette dat ze allen van oordeel waren dat Hitler hen versloeg in intelligentie, belezenheid en… eigenzinnigheid. Of zoals von Neurath het uitdrukte: “Mijn persoonlijke ervaring had mij al geleerd dat Hitler geen tegenspraak duldde en dat hij niet vatbaar was voor enig verzoek wanneer dit voor een betrekkelijk grote groep werd gedaan, want hij kreeg dan altijd het idee dat hij met een of andere vorm van verzet te maken had… Wanneer je hem alleen sprak, was de situatie heel anders. Dan was hij – althans in de beginjaren – open en was hij bereid onbevangen naar redelijke argumenten te luisteren; op zo’n manier kon veel bereikt worden ter matiging of afzwakking van radicale maatregelen.”

Ik besef dat dit een zeer lange boekbespreking is geworden, maar elke letter aan dit boek is – zelfs ondanks de vele niet gecorrigeerde tikfouten van de vertaler – dan ook bijzonder interessant. Een absolute aanrader voor eender wie die in geschiedenis geïnteresseerd is of voor wie wegens een gebrek aan kennis daarvan zou denken dat staten die buitenlandse staatshoofden simpelweg liquideren, ze ontvoeren, ze voor hun eigen ‘gerecht’ slepen, de pers muilkorven, zichzelf niet onderhevig achten aan de regels die ze anderen opleggen, voor rechter en partij spelen, enzovoort, een nieuw fenomeen zijn. Dit boek kan de lezer méér leren dan alleen het feit dat ook ideeën die door sommige mensen goed bedoeld zijn wel eens totale aberraties kunnen worden als ze in de praktijk gebracht worden.

Björn Roose


vrijdag 20 maart 2026

Gipsy – Paul Brondeel (boekbespreking door Björn Roose)

Gipsy – Paul Brondeel (boekbespreking door Björn Roose)
Ik gaf het al aan bij mijn bespreking van Axel Bouts’ Dood in Arles: kennelijk heb ik in het verleden hier en daar een steek laten vallen bij het publiceren van mijn boekbesprekingen. Een aantal daarvan heb ik alleen op Librarything gepubliceerd, waardoor ik ze zelfs uit het oog verloren ben bij het verzamelen ervan. Zo kwam behalve voornoemd Dood in Arles ook het eveneens eerder gelezen Gipsy van Paul Brondeel in mijn valies terecht toen ik daar begin januari mee op reis naar Bretagne vertrok. Geen absolute ramp: ik had (uiteraard) nog veel meer leesvoer mee (Gipsy is met vijftig bladzijden zelfs nog dunner dan Dood in Arles) én aan Gipsy had ik – ik citeer even uit mijn oorspronkelijke boekbespreking - geen negatieve herinneringen overgehouden: “Ik ‘liefhebber’ namelijk niet zo héél erg in fictie (al kan dat de laatste tijd aan de hand van mijn boekbesprekingen anders lijken) [iets wat nog steeds niet veranderd is, noot van mij], maar voor, bijvoorbeeld, boekjes als dit (amper 50 pagina’s) maak ik graag een uitzondering. Terecht ook, in dit geval. Beetje moeilijk om daar veel uitleg over te geven – het boek is zélfs qua verhaallijn niet al te dik -, maar Brondeel slaagt er in je dit verhaal in één keer te doen uitlezen. En dat terwijl je dat verre van verwacht als je van bij de eerste bladzijden beseft dat dit niet meer inhoudt dan de gedachtegang van een door haar man bedrogen vrouw tijdens één dag op haar werk.”

Paul Brondeel, geboren in 1927 en overleden in 2009, had volgens Wikipedia een “literair mensbeeld (…) getekend door een somber pessimisme dat niet zelden een existentiële angst verwoordt”, wat kan zijn, maar hij wist in ieder geval de gedachten van die bedrogen vrouw van begin tot einde schitterend neer te zetten. Iets waar de volgende paar paragrafen helemaal aan het begin van het eerste hoofdstuk, Ochtend genaamd (en gevolgd door Voormiddag, Namiddag, en, uiteraard, Avond), mogen van getuigen:

“Ik weet wat thuis gebeurt als ik vertrokken ben. Mijn man, Philip Moons, denkt dat ik het niet weet, of dat ik het niet meer weet, of dat ik niet alles weet.

Hij weet wel dat ik onverwacht naar huis kan terugkeren. Hij laat zich niet betrappen, hij maakt een tocht, hij lost op, hij gaat naar oorden die ik niet ken – of wel ken -, hij verdwijnt uit het dagelijkse leven en is nergens te bespeuren.

Ik bel nooit meer; naar familie van hem, naar kennissen, naar cafés of kloosters, naar ziekenhuizen of gevangenissen, zoals ik destijds deed. Ik stelde me aan.

Hij is sluw en handig. Bereidwillig en behulpzaam voor iedereen. Ook voor mij, te gepasten tijde. Als ik bij voorbeeld mijn auto niet kan starten, om iemand af te schepen die ik niet wens te zien of om een avondmaal voor mij klaar te maken.

Philip berekent nu hoe ver ik al gevorderd ben op mijn weg naar de firma waar ik al twaalf jaar werk. Hij kijkt op zijn horloge en zegt: ‘Ze is bijna op haar werk, het is acht uur.”

Een minutieusheid in de kennis van ‘s mans bezigheden waarvan je (ook als je dit bij Davidsfonds/Clauwaert in 1995 uitgegeven boekje voor de tweede keer leest) al snel hoopt dat de ik-figuur er gebruik van zal maken om ‘meneer’ Moons het hoekje om te helpen, maar da’s iets wat niet gebeurd. Ook niet als die ‘meneer’ vraagt om een stevig pak rammel door haar als bedrieger zelf bedrog aan te proberen wrijven: “(…) heb jij tijdens de middagpauze alweer met smachtende ogen staan kijken naar een of andere plankierschilder? Heb je je kleertjes niet uitgetrokken, om je aanbiddelijke lijf, je zoete boezem, aan die plankierman te tonen?” De vaststelling “Hij heeft al jaren een verhouding met een vrouw die ik ken. Ze is vijf jaar jonger dan ik, ze heeft glanzend, zwart haar, kleine borsten, ze is slank en mager, ze heeft gitzwarte, opwindende ogen en een schitterende glimlach die elk hart in vuur en vlam kan zetten. Ze is eigenlijk niet mooier dan de meeste vrouwen. Ze is aantrekkelijker: die glimlach. Ze is lichtbruin van huid, ze ziet eruit als een zigeunerin. Ik noem haar Gipsy. Ik heb die vrouw zelf in ons huis gebracht en gezien hoe zij en mijn echtgenoot verliefd werden op elkaar.” leidt niet tot een moord, ook niet op de zigeunerin in kwestie. En vijftig bladzijden is ook niet genoeg om de lezer gedeprimeerd achter te laten (mij in ieder geval niet), maar “somber pessimisme” is inderdaad hetgene waarvan dit verhaal doordrenkt is. In die mate zelfs dat je je niet kan inbeelden dat er na Avond niet weer eenzelfde soort Ochtend, Voormiddag, Namiddag en weer een Avond komt, en dat alles in endless repeat.

Björn Roose

maandag 16 maart 2026

Kinderen van Duin – Frank Herbert (boekbespreking door Björn Roose)

Kinderen van Duin – Frank Herbert (boekbespreking door Björn Roose)
Kinderen van Duin
, ofte het derde deel van de oorspronkelijke, door Frank Herbert geschreven serie Duin. Gelezen zo’n vijf maanden nadat ik het tweede deel, zijnde Duin Messias, gelezen had, wat ik dan weer deed een viertal maanden nadat ik het eerste deel, Duin (zonder meer), las. Ik heb het dus deze keer iéts langer volgehouden vooraleer ik teruggreep naar de serie en dat ik deze, zoals ik in mijn bespreking van het tweede deel nog mogelijk achtte, als geheel zou gelezen hebben tegen pakweg eind augustus van dit jaar (2026), is daarmee minder waarschijnlijk geworden. Niet echter omdat dat niet zou kunnen: ik schrijf deze boekbespreking eind januari en kan zonder enig probleem de drie verdere boeken verslonden hebben tegen half februari. Wel omdat ik graag enige wilskracht aan de dag leg waar het het ‘consumeren’ van mooie dingen betreft (een wilskracht die ik graag ook zou hebben waar het het consumeren van lekkere dingen aangaat) en ook dit derde deel van de Duin-serie onder die noemer gevallen is, wat dus belooft voor de volgende drie delen.

“De leer van Muad’Dib”, ofte Paul Atreides, is, zoals aangegeven op de achterflap van dit derde deel, in 1977 voor het eerst in Nederlandse vertaling verschenen en in september 1996 reeds aan zijn twaalfde druk bij Meulenhoff toe zijnde, “de speelbal geworden van scholastiek, van bijgeloof en corruptie. Hij onderwees een evenwichtige levenswijze, een filosofie waarmee een mens problemen aankan die zich voordoen in een eeuwig-veranderlijk heelal. Hij zei dat de mensheid zich nog steeds ontwikkelt, in een proces waaraan nooit een eind komt. Hij zei dat deze ontwikkeling beweegt volgens veranderlijke uitgangspunten die alleen bekend zijn aan de eeuwigheid. Hoe kon ontaarde logica spelen met zo iets wezenlijks?” U leest de verleden tijd (“onderwees”, “zei”) waar het de acties van de zoon van hertog Leto Atreides I en vrouwe Jessica betreft, een gegeven waarover ik niet meer ga vertellen dan dat u om tot zover mee te zijn ook de eerste twee delen van de serie kan lezen. Maar achter die raadselachtige inleiding komt ook nog de volgende passage: “Met deze waarschuwende woorden van de Mentat Duncan Idaho begint Kinderen van Duin, het derde deel van de heelalsage, waarin na de verdwijning van Paul Muad’Dib zijn kinderen Leto en Ghanima de macht over het heelalrijk in handen nemen.” Een kernachtige zin waarin heel veel informatie zit: 1) er wordt in de vorige zinnen nog in de verleden tijd gesproken over Paul Atreides, maar in deze is hij slechts ‘verdwenen’; 2) Duncan Idaho speelt ook in dit derde deel nog een rol (net zoals Stilgar, vrouwe Jessica, Gurney Halleck, en prinses Irulan overigens, waarbij ik allicht een aantal van de – tot nog toe – vaste waarden vergeet op te noemen); 3) Leto (de kleinzoon van de oorspronkelijke hertog) en Ghanima nemen de macht in handen en hebben hem dus aan het begin van dit boek nog niet. Voeg daar het feit aan toe dat Alia, Pauls zuster, die wél in handen heeft en dus (minstens ten dele) mee verantwoordelijk is voor wat in de “waarschuwende woorden” van Duncan Idaho beschreven wordt, plus het vanzelfsprekende feit dat oude vijandschappen niet zomaar verdwijnen, en u hebt zo ongeveer de toestand op het speelveld bij mekaar aan het begin van dit zo’n vierhonderdvijftig bladzijden dikke boek. Een boek waarin, in tegenstelling tot wat gold voor het tweede deel, géén korte inleiding is voorzien, maar dat – zeker nu ik u die tóch bezorgd heb – zonder onoverkomelijke moeilijkheden ook op zichzelf te lezen valt en ook als dusdanig het lezen waard is.

Waarom? Omdat Kinderen van Duin dan wel op de actie en de omstandigheden van de vorige twee boeken voortbouwt, daarmee in lijn ligt, maar tegelijkertijd ‘nieuwe’ personages de hoofdrol laat spelen, ‘nieuwe’ personages met een andere – soms aan die van de personages in de voorgaande boeken tegenovergestelde – strategie, ‘nieuwe’ personages ook met een andere denkwijze, een denkwijze aangepast aan de intussen veranderde omstandigheden. Waar de planeet Arrakis in het begin van deze serie nog een grote zandbak is, die bijgevolg genoegzaam wordt aangeduid als Duin, is dat intussen door menselijk ingrijpen niet meer zo, wat een ecologisch wonder lijkt te zijn, een wonder dat tussen de acties in de vorige delen ook nagestreefd wordt, maar onvoorziene, absoluut niét nagestreefde gevolgen heeft. Gevolgen die niet ten goede komen van de ‘wormen’ (de wezens die voor de ‘specie’ zorgen) en daarmee ook niet van de mensen (die van het eigendom van en de handel in die ‘specie’ de sterkte van de planeet en het rijk daarrond gemaakt hebben). Een ingreep om de wereld te verbeteren heeft de wereld dus verslechterd op een manier die het spiegelbeeld lijkt van die waarop die wereld en het vanop die wereld bestuurde rijk geestelijk geëvolueerd is. Van een zandbak werd een groene oase gemaakt, wat achteraf een fout lijkt te zijn; uit een droom van voortdurende evolutie werd een woestenij van geestelijke (lees ook: priesterlijke) armoede gecreëerd. Twee fenomenen die verdedigd worden door de regentes, Pauls zus Alia, maar aangevallen door zijn kinderen, Leto en Ghanima, alle drie mensen die – en ook dat zal ik niet toelichten – nooit ‘alleen’ zijn, geestelijke (in de letterlijke zin van het woord) activiteiten ontwikkelen die niet tot het standaard repertorium behoren (en daarom ook een uitdaging vormen voor, bijvoorbeeld, de eerder genoemde ‘mentat’ Duncan Idaho en de orde van de Bene Gesserit, waartoe ook vrouwe Jessica behoort), en daarmee – vooral wat Leto en Ghanima betreft – een potje simultaanschaak spelen op een niveau dat ook de nieuw geïntroduceerde, maar daarom niet noodzakelijk nieuw zijnde, personages niet halen.

Actie genoeg dus, maar door het feit dat de geestelijke schaakborden aan belang toenemen ten opzichte van de fysieke ook een sterkere gelijkenis met, bijvoorbeeld, het ook in mijn vorige Duin-besprekingen genoemde meesterwerk van Isaac Asimov, de Foundation-trilogie. Met dien verstande, en da’s mijn grootste punt van kritiek op Kinderen van Duin, dat Asimov nooit zoals Herbert zo’n danige blabla begon te verkopen dat het leek alsof hij zelf aan de ‘specie’ had gezeten. Ik durf aannemen dat Herbert, zoals hij ook met zijn decor en een niet onbelangrijk deel van zijn personages gedaan heeft, zijn mosterd in een of andere woestijncultuur gaan halen is (een zin als “Deze djedida was aan de woestijn teruggegeven nadat zijn qanat voor de vijfde maal in elf maanden verwoest was”, zegt ter zake genoeg), dat zijn hoogdravende, ‘spirituele’ beschouwingen niet helemaal uit zijn eigen geest zijn gekomen, dat ze er voornamelijk zijn om een soort ingewijdencultus onder zijn lezers te laten ontstaan (een cultus die er voor Duin sowieso al was en nog steeds is), maar als ík diagonaal begin te lezen bij zo’n passages, dan duren ze op zijn minst te lang of erken ik ze voor wat ze zijn: overbodig. Iets wat ik, voor de duidelijkheid, niet vind van de brokjes filosofie die over het hele boek verspreid liggen. Zoiets als “Ambities hebben de neiging onberoerd te blijven door de werkelijkheid”, verdient bijvoorbeeld zonder meer in een citatenboek opgenomen te worden. Hetzelfde met: “Macht moet je gebruiken door hem losjes in de hand te houden. Als je steviger knijpt, betekent dat dat jij in de greep van de macht bent geraakt en dus zijn slachtoffer bent geworden”. Zoals het volgende een enigszins aangepaste richtlijn van Machiavelli zou kunnen zijn: “Een grote bevolking die door een kleine, maar machtige groep wordt bedwongen is in ons heelal een heel gewone situatie. En wij kennen de belangrijkste omstandigheden waarin deze grote bevolking zich tegen zijn onderdrukkers zal keren – Eén: Als ze een leider vinden. Dit is het ongrijpbare gevaar voor de machthebbers; zij moeten de leiders in bedwang houden. Twee: Als de bevolking zich bewust wordt van zijn ketenen. Houd het volk blind en ongeïnteresseerd. Drie: Als de bevolking hoop krijgt aan de dwang te kunnen ontkomen. Ze moeten nooit zelfs maar gaan geloven dat ontkomen mogelijk is!” Wie wil weten waarom onze parlementaire ‘democratie’ werkt, hoeft alleen maar te beseffen dat de bevolking aan geen van deze drie punten voldoet. Wat ook de bedoeling is van die parlementaire ‘democratie’: “Regeringen die stand houden, gaan in toenemende mate neigen naar aristocratische vormen. Er is in de geschiedenis geen regering bekend die aan dit patroon heeft kunnen ontkomen. En naarmate de aristocratie zich ontwikkelt, neigt de regering er steeds meer naar uitsluitend op te treden in het belang van de heersende klasse – of die klasse nu bestaat uit erfelijke vorsten, oligarchen van financiële machten of uit ingegraven bureaucraten”. Dat de poppetjes in de zogenaamd ‘volksvertegenwoordigende’ organen regelmatig wisselen, is daarbij overigens van nul en generlei belang.

Behoort de wijsheid “Als ik zwakker ben dan jij, vraag ik jou om vrijheid omdat dat bij jouw opvattingen hoort; ben ik sterker dan jij, dan neem ik jou je vrijheid af omdat dat bij mijn opvattingen hoort” ook tot die brokjes filosofie? Uiteraard wel. Én tot de keren dat Herbert verwijst naar planeet Aarde (wat hij bijvoorbeeld ook doet als hij Leto zich laat bezig houden met “een herbeschouwing van Chaucers tocht van Londen naar Canterbury waarbij hij vanaf Southwark alle plaatsen opnoemde” of diezelfde Leto iets laat opschrijven over “de gouden dagen (…) van voor Heisenberg, die de mensen liet zie door wat voor muren onze voorbeschikte redeneringen zijn ingesloten”), want van deze woorden zegt hij dat het “Woorden van een filosoof uit de oudheid”, zijn, “door Harq al-Ada toegeschreven aan ene Louis Veuillot”, een echt bestaand hebbende Franse ultramontaanse journalist uit de 19de eeuw. Maar “toegeschreven” staat kennelijk niet duidelijk uitgelegd in het woordenboek voor Wikipedia-schrijvelaars, want daar, in de ‘online encyclopedie’, wordt gezegd dat ze “misattributed” zijn, ten onrechte toegeschreven dus. Wat net het punt is van het genuanceerde woord ‘toeschrijven’. Al helemaal als je het ‘toeschrijven’ aan een ander, bijvoorbeeld ene Harq al-Ada overlaat.

Bij Wikipedia kunnen ze dus (zoals bekend) wel wat wijsheid gebruiken. En met die woorden ga ik deze boekbespreking eindigen. Kwestie van misschien ook ooit nog eens een Harq al-Ada te worden, een “Doorbreker van Gewoonte”, wat betreft het niet tot in het oneindige laten uitdijen van mijn boekbesprekingen. Gewoon lezen, dit Kinderen van Duin, zou ik zeggen, net zoals de vorige twee delen.

Björn Roose

vrijdag 13 maart 2026

Flor Grammens 1899-1985 – Louis De Lentdecker (boekbespreking door Björn Roose)

Flor Grammens 1899-1985 – Louis De Lentdecker (boekbespreking door Björn Roose)
Van Louis De Lentdecker, auteur van voorliggend Flor Grammens 1899-1985, besprak ik een goed jaar geleden Requiem voor Leopold II. Ondanks een aantal, mijns inziens (anders zou ik ze niet hebben), terechte bezwaren tegen dat boek hield ik het in mijn boekenkasten, maar ik denk eerlijk gezegd niet dat ik hetzelfde zal doen met Flor Grammens 1899-1985.

Waarom? Omdat van de negentig bladzijden die dit in 1985 bij – wat een toeval! – Uitgeverij Grammens verschenen boekje telt, het overgrote deel bladvulling is. Grammens was, wat Louis De Lentdecker zelf overigens blijft benadrukken (zij het dan in andere woorden en door zichzelf tegengesproken waar hij beweert dat dit boek een “vluchtige benadering van een complex, ingewikkeld buitengewoon boeiend idealist (…) met al zijn kleine kanten, tekorten en zwakheden” is), een one-track mind, wat ook precies is wat hem zo onuitstaanbaar maakte voor zijn tegenstanders (en bij momenten voor zijn vrienden/volgelingen), wiens actieterrein doorheen de jaren quasi onveranderd bleef, waardoor het vrij zinloos is je aandacht als biograaf te richten op zaken die daar niks mee te maken hebben. Grammens leidde geen verborgen leven (hij had nauwelijks tijd om wat voor leven dan ook te leiden), zocht zelfs voortdurend de publiciteit op (dat was een essentieel deel van zijn actie): wat er over de man te vertellen valt, is dan ook perfect samen te vatten in een paar bladzijden, en dat is iets wat bijvoorbeeld de mensen van (De digitale) Encyclopedie van de Vlaamse Beweging gedaan hebben op deze webpagina (die, toegegeven, uiteraard nog niet bestond in het jaar dat Grammens overleed en dit boekje verscheen).

Nu zou ik voor de mensen die de naam Flor Grammens absoluut niet kennen, enigszins moeten uitweiden over wie hij was, maar laat ons wel wezen: wie nog nooit iets gehoord heeft over “de kladschilder van Edingen” (hij was ook kort parlementslid, maar dat is nauwelijks van belang, al werd door zijn aanwezigheid in het parlement de taalwetgeving ook daar nauwgezetter toegepast), is gewoon niet geïnteresseerd in de geschiedenis van de Vlaamse Beweging of denkt dat de resultaten die deze (helaas binnen belgië, iets wat Grammens zeker in de beginjaren van zijn activisme niét zou betreurd hebben) bereikt heeft er vanzelf gekomen zijn (ik denk dat je het resultaat van zijn acties kan samenvatten met de woorden van De Lentdecker: “De taalwetten lagen in hun wieg als onmondige borelingen: hij heeft ze tot volwassenen geschopt”). Ik ga dat dus niet doen, dat uitweiden, maar wel, om aan te geven dat De Lentdeckers stijl in Flor Grammens 1899-1985 helaas niet anders is dan degene die hij hanteerde in Requiem voor Leopold III (wat meteen nog een reden is om de voorkeur te geven aan een kortere biografie), één zin, de eerste, uit het boek meegeven: “Kristelijk gelijk een Vaderons en een Weesgegroet, vergroeid met het geloof en de tradities van zijn volk, katoliek gelijk de Heer het van Zijn heiligen niet meer dromen durft, eerlijker en onbaatzuchtiger dan de linkerhand die nooit wist wat de rechter kreeg of gaf, dapper, sportief, opvliegender dan een Waalse haan die Vlaamse kiekens op het erf krijgt, koppiger dan een kei die door de tijd toch het vel werd afgestroopt, sluwer dan een Reinaert die de passie voor de vossen preekt, strijdlustiger en oprechter dan een gedicht van Albrecht Rodenbach, beleefder dan de hoed die beseft aan welke handschoen hij het best door het hele land komt, koleriek gelijk een onweer in een zwoele zomer, akteur zoals men die in de teaters zelden aantreft, keurig burgerman in het avontuur van een condottiere, kleine ‘mei 68’ avant la lettre van jongeren die met een kongres van Zedenadel en een pauselijke boodschap over de rozenkrans als sterkste wapen, naïef, naar de slachterij van de Tweede Wereldoorlog togen, vitter en haarkliever, overtuigd demokraat die, waar hij kwam, alleen baas en leider wilde zijn, wantrouwige die nauwgezet de mening van anderen vroeg om des te beter zijn wil op te dringen, onvermoeibaar, ontembaar: Flor Grammens (85) was al jaren legende, monument en museum toen hij op 28 maart 1985 in Deinze overleed.” Wie zich dáár door geworsteld heeft, kan ook de rest van het boek wel aan, maar geef toe: mijn zinnen zijn daar niks tegen. Én De Lentdecker deed het erom. Zelfs als het veel korter kon, maakte hij het langer door hele series bijvoeglijke naamwoorden te gebruiken: “Hij moest lastig, onredelijk, onverdraagzaam, onverdraaglijk en onmogelijk zijn omdat hij bezeten was en gedreven werd door een geheimzinnige, uitzonderlijke, verterende kracht die het hem mogelijk maakte het belangrijke te realizeren dat Vlaanderen op een bepaald ogenblik nodig had, omdat hij gedreven werd door een zonderlinge zeldzame kracht die ook via zijn keikoppigheid en onmogelijkheid, voor Vlaanderen in korte tijd verwezenlijkte wat anders in geen jaren zou gebeurd zijn.” Dat is niet meer aangenaam om lezen, dat doet pijn aan je ogen.

Zoals het pijn aan het hart moet gedaan hebben om Grammens’ vrouw te zijn, iets wat dan ook niet vol te houden bleek: “Emilie De Roeck aanvaardde met geestdrift zijn huwelijksvoorstel. Zij heeft in hem geloofd, ze heeft om hem armoe geleden, affronten verbeten, zwaar leed gedragen. Zij heeft hem verdedigd, zij heeft hun kind groot gebracht. Zij heeft van hem gehouden. Hij, hij hield van Vlaanderen (…) Jaren is ze moedig en trouw geweest. Tot ze van verdriet en uitputting hem verliet, hem moest verlaten en, vergeten van teveel medestanders, diskreet dood ging (…) Toen hij vrij kwam [ten gevolge van zijn acties zat hij regelmatig voor kortere periodes vast, wat ook deel uitmaakte van zijn strategie, maar ten gevolge van de repressie na de Tweede Wereldoorlog spendeerde hij haast vijf jaar in de gevangenis, noot van mij] bleek weldra dat samenleven met hem onmogelijk was. Grammens aanvaardde dat in al die jaren Vlaanderen anders geworden was, hij aanvaardde niet, hij begreep niet dat, gemolesteerd door alle naweeën van de oorlogsverschrikking, zijn vrouw en zijn zoon geen slaven meer konden zijn, geen onrecht, geen dwingelandij meer konden torsen. Vanwaar of van wie die ook kwam… In de dagen dat zij van hem wegging – en er is méér moed nodig om een monument en een sieraad van Vlaanderen te verlaten dan om een gewone man adieu te zeggen – heb ik hem ontmoet. Dermate was hij doordrongen van het ‘onrecht’ hem aangedaan dat hij niet de moed had om naar mogelijke eigen schuld te zoeken bij het stranden van zijn huwelijk. Wat hem werd aangedaan, werd Vlaanderen aangedaan. Hij is nooit een Uilenspiegel geweest [iets wat hij zelf en zijn aanhangers wel beweerden, noot van mij]: hij heeft wel gedacht dat hij een martelaar was. ‘Ik heb dat niet verdiend, na al wat ik voor Vlaanderen heb gedaan’, zei hij. Alsof het offeren en het verwaarlozen van het geluk, het welzijn, de gezondheid, het leven, de liefde van een vrouw steevast met dankbaarheid moet onthaald worden omdat het ‘voor Vlaanderen’ gebeurt. Vlaanderen moet soms een brede rug hebben. De dag dat men het leed gaat beschrijven dat vrouwen moesten dragen om Vlaamse politici en idealisten van allerlei pluimage mogelijk te maken zal men niet genoeg hebben aan heelder biblioteken.” Dat De Lentdecker dat in deze biografie van Flor Grammens op zijn minst aangekaart heeft en Emilie De Roeck, en zovele andere vrouwen die in volstrekte anonimiteit hun offer brachten, niet heeft beschouwd als quantité négligeable, en dat in tegenstelling tot, bijvoorbeeld, de schrijver(s) van het lemma in de eerder genoemde Encyclopedie, is voor mij dan ook wat deze biografie nog wél het lezen waard maakt.

Björn Roose

maandag 9 maart 2026

Maximiliaan Robespierre, de moordenaar van de Franse Revolutie – Ralph Korngold (boekbespreking door Björn Roose)

Maximiliaan Robespierre, de moordenaar van de Franse Revolutie – Ralph Korngold (boekbespreking door Björn Roose)
Om maar meteen enige mogelijke verwarring uit de wereld te helpen: Maximiliaan Robespierre, de moordenaar van de Franse Revolutie is de titel die ík koos voor dit boek van Ralph Korngold. Uit de ‘voorgestelde’ mogelijkheden weliswaar. Laat ons immers wel wezen, rond de eigenlijke titel kan enige onzekerheid bestaan. Zélfs als we het alleen maar over deze in 1986 bij Uitgeverij Kadmos verschenen vertaling hebben. Binnenin het boek is de titel namelijk wel degelijk Maximiliaan Robespierre, ondertitel De moordenaar van de Franse Revolutie, maar op de cover en de rug heet het simpelweg Robespierre, ondertitel De moordenaar van de Franse Revolutie. Als oorspronkelijke titel van het boek waarop deze vertaling gebaseerd is, staat er dan simpelweg vermeld Maximilien Robespierre, maar ook dat kan niet kloppen. Als het uit het Frans vertaald is (wat kan, gezien Korngolds boek eerst in het Frans is verschenen), dan zou die titel Robespierre, le premier des dictateurs modernes geweest zijn; als het uit het Engels vertaald is (de taal waarin het boek naderhand vertaald werd) Robespierre: First Modern Dictator. Het is me dus niet duidelijk of de voornaam van de dictator in de titel er alleen maar bij gekomen is in deze Nederlandstalige versie (al staat ze zeker niet op de binnenpagina van de Engelse), maar door dat te doen (én van de ondertitel niet ‘De eerste moderne dictator’ of iets dergelijks te maken, maar De moordenaar van de Franse Revolutie) heeft de uitgever in ieder geval óók zijn steentje bijgedragen aan de onduidelijkheid die Korngold zelf schijnt te willen zaaien hebben. Met betrekking tot het onderwerp van dit boek, zou ik zeggen, maar ook met betrekking tot zichzelf.

Ralph Korngold is namelijk óók een biografie waard, zij het geen van zo’n driehonderdzeventig bladzijden (zoals degene die hij schreef over Robespierre). Hij werd geboren in Warschau in 1882, als zoon van een Poolse jodin en een Nederlandse jood (met het enigszins voor de hand liggende beroep van diamanthandelaar). Hij bracht het grootste deel van zijn jeugd vervolgens in Amsterdam door, waar hij vanaf zijn zeventien jaar meewerkte aan De Telegraaf en op zijn negentien jaar een prijs won voor een in De Twintigste Eeuw (een literaire krant, geen tijdvak) gepubliceerd kortverhaal. Op zijn eenentwintigste verhuisde hij naar de Verenigde Staten om daar aan de slag te gaan als buitenlands correspondent voor De Telegraaf, een bezigheid die hem kennelijk een vijftal jaar later (in 1908 dus) inspireerde tot het lid worden van de Socialist Party of America, een marxistische partij die in 1901 gesticht was (en er pas met oudejaar 1972 het bijltje zou bij neerleggen), waarvoor hij ook zou gaan schrijven in de Chicago Daily Socialist. Vanaf 1911 begon hij de Verenigde Staten rond te trekken als spreker voor de partij; in 1912 trouwde hij met partijgenote Janet Fenimore; in 1914 werd hij verantwoordelijke voor de afdeling Literatuur en bedrijfsleider van het wekelijkse nationale nieuwsblad The American Socialist; en in datzelfde jaar… verliet hij de ‘beweging’. Waarna hij in één – bad pun intended – beweging naar de andere kant van het politieke spectrum trok en baas werd van een succesvolle zaak in bestek, en zo genoeg geld wist binnen te rijven om zich daar verder even niet mee te moeten bezighouden. In 1924 trok hij naar de Franse Rivièra, in de hoop daar een succesvol fictieschrijver te worden, maar dat leverde hem in de eerste plaats de scheiding van zijn vrouw (en zoon) op en vervolgens de noodzaak terug te keren naar de Verenigde Staten om daar terug in zaken te gaan. Na drie jaar, in 1933, was hij er echter in geslaagd financieel weer boven water te komen, en trok hij opnieuw naar Frankrijk om daar dit keer een carrière te beginnen als non-fictieschrijver, een voornemen waaruit in de eerste plaats Robespierre: le premier des dictateurs modernes voortvloeide, en opnieuw te trouwen, dit keer met een Hongaarse jodin, Piri Helen Ozer. Een huwelijk dat, wegens de Duitse inval in Frankrijk, al snel gevolgd werd door een nieuwe emigratie naar de Verenigde Staten, waar Korngold opnieuw een carrière als zakenman opnam en wel tot een hartaanval in 1946 hem dwong met pensioen te gaan, een gebeurtenis die hem er toe aanzette een derde loopbaan als schrijver aan te vatten.

Van die bezigheden, én van de bezigheden in zijn eerdere jaren, bleef genoeg bewaard om een en ander op te nemen in de collectie van The Newberry, een in Chicago gevestigd cultureel instituut, maar ook zónder dat begrijpt u allicht al wat ik bedoelde als ik eerder in deze bespreking schreef dat Korngold ook over zichzelf verwarring zaaide. Communist of kapitalist, zakenman of schrijver, Amerikaan of Europeaan, Korngold leek afwisselend allerlei kanten op te gaan en dat is ook iets wat hij frequent heeft gedaan in deze biografie van Maximiliaan Robespierre, in de woorden van Wikipedia “Frans advocaat, staatsman en lid van de Nationale Conventie en van het Comité de salut public, tijdens de Franse Revolutie”, organisator van de Terreur, en “verantwoordelijk voor een groot aantal arrestaties en slachtoffers door de guillotine”, maar volgens Korngold altijd welmenend, eerlijk waar anderen dat niet waren, voor de gek gehouden door de stouteriken rond hem (“De samenzwering om Robespierre ten val te brengen is op touw gezet door mannen ‘die verzadigd waren van bloed en roof’ en die Robespierre ter verantwoording wilden roepen voor al het machtsmisbruik waaraan zij zich als proconsuls schuldig hadden gemaakt”), en altijd weer ziek of op andere wijze geheel van het toneel verdwenen als anderen, al dan niet in zijn naam, misdaden begingen (nadat hij zo’n zes weken in Atrecht gedaan heeft alsof hij niet bestond, keert hij op 28 november 1791 terug naar Parijs, een reis waarvan Korngold durft beweren dat het “wel erg belangrijk voor hem [moet] zijn geweest om op de hoogte te komen van de stand van zaken, want hoe lang en vermoeiend de reis van Atrecht naar Parijs per diligence ook was geweest, toch verscheen hij nog dezelfde avond in de Jakobijnenclub”). Een beeld dat Korngold weet te bewerkstelligen door telkens een passende ‘take’ op een gebeurtenis te bezigen, een ‘take’ die de ene keer geheel tegen de logica van die van een andere keer kan ingaan, een ‘take’ die er moet toe leiden dat de lezer aan het einde van de biografie de conclusie kan trekken die Korngold in zijn Inleiding al trekt: “De meeste geschiedschrijvers zijn van mening dat de Franse Revulutie [sic] met de val van Robespierre geëindigd is. Zij hebben gelijk. De gemeenschap had toen voor een tijd haar politiek evenwicht ongeveer gevonden. Robespierres bekwame leiding had aan de werkende klasse een veel grotere politieke invloed gegeven dan haar economische positie wel toestond. Hijzelf was zich daarvan bewust en in de Wetten van Ventôse probeerde hij aan de vierde stand een steviger economische grondslag te geven. Die poging faalde en onvermijdelijk volgde zijn val.” Robespierre als jammerlijk gefaalde held van de werkende klasse dus, een soort protomarxist, iemand “aan wiens eerlijkheid bijna geen geschiedschrijver heeft getwijfeld” en wiens “bedoelingen (…) zuiver zijn geweest”, een man die er bovendien niet kon aan doen als hij al eens een fout pad koos, een “tijdelijke inzinking” had, want “maar weinigen van ons kunnen met zekerheid weten hoe zij zouden handelen, wanneer hun onder buitengewone omstandigheden een grote macht in handen was gegeven.” Alsof Robespierre die macht niet eens gewild heeft, alsof hij niet de keuze heeft gehad die niet te grijpen, alsof hij per ongeluk op het voorplan kwam te staan, alsof hij een Chinese vrijwilliger was.

Een Chinese vrijwilliger van wie Korngold de diepste zieleroerselen bij mekaar weet te verzinnen overigens: “Toen zijn moeder stierf, was hij nog geen zeven jaar oud, te jong om diep getroffen te worden, maar zijn vaders dood wierp een schaduw over hem. Hij werd stil, in zichzelf gekeerd. De gedachte aan die eenzame dood en dat ontwrichte leven scheen hem niet los te laten. Zijn houding tegenover zijn broertje en zusjes werd bijna vaderlijk, alsof hij voelde dat op hem, de oudste, een deel van de verantwoordelijkheid was overgegaan.” Een idee dat andere, kennelijk óók van de innerlijke diepten van de jonge Robespierre op de hoogte, schrijvers niet deelden – die noemden hem “een slechtgehumeurde, heerszuchtige jongen, die geen kritiek kon verdragen” -, maar die anderen waren, volgens Korngold, en allicht in tegenstelling tot hemzelf, “niet geheel onbevooroordeeld”. En waarschijnlijk ook totaal niet zo goed geïnformeerd als Korngold, want die heeft zelfs gezien/geweten dat Robespierre in zijn studententijd tijdens de “godsdienstoefeningen (…) zijn gebedenboek in de hand [hield] zonder de bladzijden om te slaan” en dat “zijn lippen (…) niet [bewogen]”, wat zo niet van totale onbevooroordeeldheid dan toch van een tot in de details gaande kennis van zelfs Robespierres op dat moment voor anderen volkomen incognito bestaan getuigt. En dat terwijl… Korngold een paar bladzijden verder genoegen neemt met het zo goed als niks ‘weten’ over de amoureuze verhoudingen van zijn onderwerp: “(…) hoe de aard van deze liefdesbetrekkingen ook was, van veel betekenis kunnen zij niet geweest zijn. Robespierre was een geboren asceet. Zijn houding tegenover vrouwen was ironisch. Geen revolutionair is meer door vrouwen aanbeden en heeft zich onverschilliger ten opzicht van hen betoond.” “Ironisch” zoals Korngold in volgend stukje tekst, durft een mens dan hopen: “In die dagen schreef hij gedichten, die hij voor zijn medeleden reciteerde. Een dozijn van deze gedichten is bewaard gebleven. Zij zijn een afdoende bewijs dat hij geen dichter is geweest”. Of “ironisch” zoals een mens geneigd is dit kort daarna volgende stukje te beschouwen?: “Kort nadat hij naar Atrecht was teruggekeerd, had de bisschop hem tot rechter in de Kerkelijke Rechtbank benoemd. Het was geen bijzonder belangrijk ambt. Toch kon het gebeuren dat er een doodvonnis uitgesproken moest worden. Toen zich ten slotte werkelijk zo’n geval voordeed (het ging om een moordenaar) was hij vreselijk van streek en twee dagen en nachten lang kon hij nauwelijks eten of slapen. Hij liep in zijn kamer op en neer en herhaalde voortdurend: ‘De man is een schurk. Hij verdient te sterven. Maar, een mens te doden! Een mens te doden!’ Dit voorval is ons door Charlotte [zijn zus, noot van mij] verteld en haar vermelding van zijn weerzin tegen het tekenen van een doodvonnis wordt bevestigd in een brief van zijn mederechter Guffroy. Maar er is geen enkel bewijs dat hij daarom ontslag uit zijn ambt heeft genomen, zoals Charlotte ons graag wilde doen geloven.” Allicht niet, want Robespierre was niet alleen een hypocriet in de zin dat hij, de man wiens “lippen (…) niet bewogen” als er gebeden werd, een ambt bij een kerkelijke rechtbank opnam, maar ook als het om het ombrengen van mensen ging. Zelf heeft hij bij mijn weten nooit iemand vermoord, maar er is geen enkel teken van te vinden dat hij er een probleem mee had het een ander te laten doen. Zelfs niet om het bevel te geven het te doen, al vindt hij dan wel weer een ander om dat ook uit te spreken: “Hoewel het voorstel om de koning zonder proces terecht te stellen door Saint-Just werd gedaan, stamt het ongetwijfeld van Robespierre”. “Toch was hij geen aanhanger van geweld”, schrijft Korngold dan, “Dit was in strijd met zowel zijn temperament als zijn methode.”

Geen probleem om zoiets te verkondigen uiteraard als je even later, bij het bespreken van Robespierres uitroep “Weg met de koloniën!”, verklaart dat dat “zuivere retoriek” was en dat Robespierre “bij verschillende gelegenheden idealisme dat zich van realisme had losgemaakt, afkeurde”. Een theorie die Korngold dan weer helemaal omkeert als hij het heeft over het feit dat Robespierre “zijn stem niet [verhief]” toen er een wet werd voorgesteld (en aanvaard) “waarbij stakingen en zelfs verenigingen, zowel van werklieden als van werkgevers, verboden werden”: “Hoewel hijzelf nog ver van de macht verwijderd was, verwachtte hij toch dat het niet lang meer zou duren voor de regering in handen van het volk zou overgaan en hij wilde niet dat dit door speciale belangen zou worden belemmerd; zelfs niet door de speciale belangen van de arbeiders. Hij hoopte het arbeidersprobleem met politieke middelen te kunnen oplossen.” De ene keer moet idealisme wijken voor ‘realisme’, de andere keer realiteit voor ‘idealisme’, Korngold weet er altijd wel een draai aan te geven. Zoals hij een draai weet te geven aan het gedraai van Robespierre rond een keuze voor een koninkrijk of een republiek en de vrijheid van meningsuiting (“Natuurlijk bestond er een indirecte censuur. Redacteurs merkten al spoedig dat zij ter verantwoording geroepen werden als zij bepaalde grenzen overschreden en gedroegen zich daarnaar”), zijn bewuste afwezigheid bij de moordpartij op het Marsveld en de aanval op de Tuilerieën (“Toen de moorden plaatsvonden, is hij eenvoudig de hele dag thuisgebleven”, want “hij [had] geen enkele reden om naar het Champ de Mars te komen”), de Terreur (“Hij was overtuigd van de noodzaak van de Terreur en waarschijnlijk zou hij die ook zonder de aanval van de Hébertisten hebben ingevoerd” – door mij schuin gedrukte delen), zijn aan Hitlers omgang met de SA doen denkende manoeuvre rond het “nationale leger” (“Hij vond het wel degelijk nodig, ten minste voor een bepaalde tijd. Later kwam hij tot de overtuiging dat het een gevaar voor de staat was en liet het ontbinden”), enzovoort, enzoverder. “Hem te beschuldigen van ontrouw aan grondbeginselen, omdat hij voorstander was van maatregelen die hij onder andere omstandigheden had afgekeurd, zou betekenen hem kwalijk te nemen dat hij een praktische idealist was”, weet Korngold op een zeker moment zelfs uit zijn pen te wringen. Wat toch bijna zo gek is als het neerpennen van de zin “Hij heeft elk misbruik van de Terreur, de slachting in het blinde weg, veroordeeld en heeft zich tegen iedere wraakneming, zowel van particulieren als van staatswege, verzet” kort na deze passage: “Robespierre en Saint-Just stelden nu plannen op om deze nieuwe sociale klasse te scheppen en tegelijkertijd de armoede te bestrijden. Zij wilden de bezittingen van rijke royalisten en burgers die vijandig tegenover de republiek stonden, confisqueren en ze onder arme republikeinen verdelen (…) Dit is de betekenis van de Lois de Ventôse, de meest revolutionaire wetten die gedurende de Franse Revolutie zijn aangenomen en die door Robespierre en Saint-Just zijn voorgesteld. Op dat ogenblik bevatten de Franse gevangenissen een grote menigte royalistische verdachten. Desmoulins schatte hun aantal op tweehonderdduizend. Mathiez, die een speciale studie van dit onderwerp heeft gemaakt, schatte het aantal een keer op honderd-, een andere keer op driehonderdduizend. Robespierre en Saint-Just stelden nu voor afzonderlijke commissies te benoemen, die de macht zouden krijgen deze verdachten te selecteren om vrijgelaten, gedeporteerd of naar het Tribunal Révolutionnaire verwezen te worden. De bezittingen van de gedeporteerden en van hen die door het Tribunal veroordeeld waren, zouden worden geconfisqueerd en verdeeld onder behoeftige burgers (…)”.

“Het is niet mogelijk Brissots [bedoeld wordt Jacques Pierre Brissot, een van de leiders van de girondijnen, noot van mij] redevoeringen te lezen zonder getroffen te worden door zijn verbluffende inconsequentie”, schrijft Korngold op pagina 138. Een passage die ik aanduidde omdat me tegen dan al lang Korngolds eigen “verbluffende inconsequentie” was duidelijk geworden. Het enige waarin hij zich wél consequent toont, is in zijn vasthoudendheid om Robespierres acties en niet-acties recht te lullen én… in het feit dat hij Robespierre niet voor een democraat houdt, en dat hij zelfs in tegenstelling met zijn ideeën over democratie handelde: “Het ligt (…) in de lijn van Robespierres filosofie dat een verlichte minderheid de ziel van het volk kan belichamen en dus het recht heeft, indien nodig, ten behoeve van het volk op te treden. De betekenis van zo’n opvatting is duidelijk genoeg. Ontdaan van zijn metafysische jasje, is het de grondslag van zowel de moderne communistische als de fascistische leer en juist de ontkenning van democratie. Voor Robespierre werd die verlichte minderheid gevormd door de Jacobijnen, de Commune, de werklieden uit de voorsteden. En hij was des te meer geneigd in hun zending te geloven, omdat zij uitsluitend tussenbeide kwamen om hem te steunen.” “Hij is nog altijd de verdediger van de armen en de verdrukten”, heet het verder, “maar beschouwt zichzelf steeds meer als bij uitstek geschikt voor deze taak, daartoe als het ware door de godheid aangewezen; steeds dieper zal hij zich beledigd voelen wanneer iemand de geringste twijfel daaromtrent laat blijken. Zijn eerbied voor het volk – zijn overtuiging dat de stem van het volk de stem van God is – is verstard tot een dogma, waarin hij in zijn hart niet meer gelooft. Wat hij blijft geloven, is dat ‘de deugd altijd in de minderheid is geweest’. Steeds meer zal hij op de ‘verlichte minderheid’ steunen, maar hij zal deze alleen verlicht vinden als die het met hem eens is.” “Het was (…) noodzakelijk om de kans te wagen”, schrijft Korngold ten slotte, als Robespierre de ultieme putsch binnen de putsch wil uitvoeren, vóór zijn mede-revolutionairen hém aan de kant zetten, “want die overwinning [die bij Fleurus, waar de Franse revolutionaire troepen een inval in Frankrijk hadden afgeslagen, noot van mij] bracht de dag waarop het Gouvernement Révolutionnaire zou moeten aftreden, dichterbij. Wilde hij dus de Jakobijnse Republiek op een duurzame grondslag vestigen en de Witte Terreur afwenden, dan was er geen tijd te verliezen.”

Er valt dus wel een en ander aan te merken op de manier waarop Korngold het leven van Robespierre heeft ingekleurd. “Waar lof op zijn plaats scheen, heb ik die onvoorwaardelijk gegeven”, schrijft hij in zijn Inleiding, maar de stelling “(…) hoewel ik mij niet van kritiek onthoud, [heb ik] mijn onderwerp benaderd (…) met het verlangen te begrijpen en te verklaren, meer dan te kritiseren en te veroordelen” dient met enige omzichtigheid benaderd te worden: dat “verlangen” heeft zich kennelijk gematerialiseerd in de dubbelzinnige aanpak waarvan ik hierboven enige voorbeelden gaf.

Maar, en die ‘maar’ is belangrijk, Korngold heeft met dit boek wel een werk afgeleverd waarin het kluwen van de Franse Revolutie enigszins begrijpbaar wordt weergegeven. Een kluwen - “Wat een grimmige ironie is er gelegen in de golvende beweging van een revolutie! Eens hadden de Girondijnen de koning in de Tuilerieën belegerd. Nog geen jaar later waren zijzelf door Robespierre ingesloten en nu zou Robespierre datzelfde lot ondergaan!” - bestaande uit ‘Jakobijnen’ en ‘Girondijnen’ (benamingen waarvan de auteur de oorsprong onderweg ook uitlegt), Feuillants, “ultra-terroristen”, Fédérés, de Plaine en de Montagne, de Enragés, Danton en de Dantonisten, Hébert en de Hébertisten, facties en fracties waaraan je van op enige afstand anders kop noch staart kan krijgen. Bovendien zie je naast en rond en tegenover Robespierre figuren opduiken als Marie-Joseph Paul Yves Roch Gilbert du Motier ofte markies de La Fayette (voor wie Korngold de in de Verenigde Staten gebruikelijke naam Lafayette bezigt), Manon Roland, Lucie Simplice Camille Benoist Desmoulins, Anacharsis Cloots (“tot de minst bewonderenswaardige eigenschappen van Robespierre behoorde de onmacht om te kunnen erkennen dat ook een tegenstander eerlijke bedoelingen kon hebben”), Pierre-Joseph Cambon (“De grootste fout, die hem dan ook noodlottig is geworden, was echter dat hij de beschuldigden niet bij name noemde, behalve dan Cambon, en die had hij er juist buiten moeten laten”), de Zwitser Jean-Paul Marat (“een wanstaltige dwerg, nog geen anderhalve meter hoog, met kromme benen, brede borst en schouders, een korte, dikke hals en een mager, verwrongen gezicht”, die “om hoofden en om steeds meer hoofden [riep]”), of – omdat ik ze niet allemaal kan opnoemen – Robespierres naaste vriend Louis-Antoine Léon de Saint-Just (“Wanneer Saint-Just op het toneel verschijnt, dan voelt de biograaf van Robespierre voor het eerst dat dit een persoonlijkheid is die, hadden de voorvallen van negen thermidor niet plaatsgegrepen, misschien van meer betekenis was geworden dan de ‘Onomkoopbare’”), wier levens hier natuurlijk niet zo in detail beschreven worden als dat van het onderwerp van deze biografie, maar ook allemaal een rol hebben gespeeld in het geharrewar. Een index zou nuttig geweest zijn, maar het pleit in ieder geval voor Korngolds werk dat hij ook aan elk van hen de nodige aandacht heeft besteed.

Voor wie tussen de lijntjes van Ralph Korngolds gebrek aan objectiviteit kan en wil lezen (iets wat per slot van rekening voor elke biografie moet gedaan worden), en voor zichzelf enige helderheid wil scheppen in voornoemd kluwen, is Maximiliaan Robespierre, de moordenaar van de Franse Revolutie dus zeker het lezen waard.

Björn Roose


vrijdag 6 maart 2026

Dood in Arles – Axel Bouts (boekbespreking door Björn Roose)

Dood in Arles – Axel Bouts (boekbespreking door Björn Roose)
Ik was wat boeken bij mekaar aan het zoeken vooraleer op reis te vertrekken toen ik Dood in Arles van Axel Bouts tegenkwam. Bij het zien van de titel en de auteursnaam wíst ik dat ik dit bij De Clauwaert vzw verschenen exemplaar eerder gelezen had, maar toen ik het opzocht onder mijn boekbesprekingen vond ik het nergens. Toch maar meegenomen dus en van bij de eerste bladzijde lezen, wíst ik dat ik me niet vergist had: ik had dat eerder gedaan. Een déjà vu dan? Nee, een geval – en zo zijn er klaarblijkelijk meerdere (zie een van mijn volgende boekbesprekingen) – waarin ik een korte boekbespreking geplaatst had op Librarything, maar nergens anders. Niet iets wat ik vaak gedaan heb, denk ik, maar als ik nóg eens een boek vast heb waarvan ik vermoed dat ik het al eerder gelezen heb, moet ik dat dus ook dáár even gaan controleren.

Tweede eigenaardigheid: het zát nog in mijn boekenkasten. Ik heb immers al jaren de gewoonte boeken die me niet bevallen zijn of die me minstens niet interesseren (en waarvan ik dus niet wil dat ze nog plaats innemen in die kasten) naar mijn zolder te verhuizen, en Dood in Arles had maar één ster (op vijf) van me gekregen (waarmee het zeker onder de te verhuizen categorie thuishoorde). Waarom was dit exemplaar dan niet verhuisd? Mogelijk om dezelfde reden dat ik de gegevens ervan niet correct had aangepast op het al eerder genoemde Librarything. Daar had ik immers de uitgave op Den Gulden Engel (Wommelgem) 1987 laten staan (waar het ook werkelijk oorspronkelijk uitgegeven is, met dezelfde cover dan nog), terwijl de editie die ik nu (en toen) voor me liggen heb (en had) wel uit hetzelfde jaar dateert maar dus bij een andere uitgever verschenen is. Slordigheid, met andere woorden. Of het nog niet vermoeden dat ik van boekbesprekingen ooit min of meer ‘ernstig’ werk zou maken.

“Iedereen verdient een tweede kans”, schreef ik in die eerste, na jaren terug opgedoken boekbespreking. Iets wat toen op een ander werkje van hem, Oorlog in Kieltje, sloeg (een boekje waarvan ik de bespreking meteen maar meenam in die van Dood in Arles, wat ik nu niet zal doen), maar waarvan ik dan maar besloten heb nog eens voor hetzelfde boek toe te passen ook. Al blijft de eindconclusie wel dezelfde: “Ik kon de stijl van dat boekje (…) als niets anders dan vreselijk pretentieus omschrijven en het verhaal als voorspelbaar en volkomen overbodig. Op de vraag ‘Hoe lang blijft een literair werk overeind?’ die het hoofdpersonage in het boekje zichzelf stelt, kon ik in dit geval alleen maar antwoorden met: ‘Niet meer dan een paar bladzijden’. En de stelling ‘De recensenten hebben gelijk: zijn laatste werken zijn inderdaad te cerebraal, te weinig vlees en bloed, te weinig leven.’, kon ik van harte beamen, al vind ik aan dikdoenerij weinig cerebraals.”

Ik voeg daar bij deze echter graag aan toe dat schrijvers die over zichzelf als een andere schrijver gaan schrijven wellicht de automatische neiging hebben zo’n dingetjes te creëren, of dat wie zo’n dingetjes creëert dikwijls zichzelf als onderwerp neemt zonder zulks rechtstreeks te doen. Vervang ‘ik’ door ‘hij’ en noem Axel Bouts Thomas Adam en dan mag dat, lijkt het wel.

Ik voeg daar eveneens aan toe dat Bouts in deze, wat dan op de achterflap genoemd wordt, “intrigerende en compositorisch sterke novelle die je in één adem uitleest”, bij nader inzien geprobeerd lijkt te hebben een magisch-realistisch verhaal af te leveren. Magisch-realisme zijnde een genre dat me ligt, maar waarbinnen ik al bijna zoveel mislukkingen gelezen heb als successen. Een wereld creëren die zeer sterk overlapt met de bekende, maar daar door bepaalde elementen iets aan toevoegen dat duidelijk maakt dat hij de onze niet is, en dan overstappen van de ene wereld naar de andere en terug, lijkt iets te zijn dat nogal wat schrijvers geprobeerd hebben, maar die andere wereld lijkt maar al te vaak nauwelijks het niveau van de (late) teenage fantasy nauwelijks te overtreffen en de weg terug komt maar al te vaak neer op ‘Het was maar een droom’. Bouts kleedt het met wat meer woorden in, maar daar komt het ook bij Dood in Arles op neer. Na het ternauwernood vermijden van een kritiek die ik al eerder gegeven heb op een aantal andere uitgaves van De Clauwaert, zijnde dat ze af en toe op geromantiseerde reisgidsjes lijken, heeft hij dié kritiek niét weten te vermijden.

Ik zou die ook kunnen leveren wat de belachelijke keuze van de naam ‘Walter Stichelbaut’ voor een chocoladefabricant betreft (iedereen weet waar Bouts daarvoor zijn, euh, cacao heeft gehaald), maar wil deze bespreking – al was het maar omdat ik dat vorige keer nagelaten heb – wel beëindigen met een stuk uit een zogezegd spontaan gesprek dat die chocoladefabricant met de eveneens per trein naar Arles op reis zijnde auteur Thomas Adam heeft. Adam heeft daarbij de Divina Commedia van Dante Alighieri voor zich liggen en de twee heren hebben net daarvoor ruzie gemaakt over wie de coupé gereserveerd heeft, maar dan krijg je dit:

“‘Ik heb geen van uw boeken gelezen, mijnheer Adam, maar hebt u zo’n personage reeds beschreven?’

‘Ik ben méér met het avontuur van de geest dan met dat van het lichaam begaan.’

‘Een mooi lichaam aanschouwen schenkt ook geestelijk genot. Of niet, mijnheer Adam?’

‘Over het verband tussen eros en schoonheid had Socrates het reeds. Tot Phaidros zei dat we van de schoonheid moeten houden, omdat zij de enige idee is die we met onze ogen kunnen aanschouwen. Niet zien of bekijken, maar aanschouwen zoals u treffend zei. Pas in het aanschouwen beroert schoonheid de geest, maar…’ Thomas lachte wrang. ‘Socrates had het over jonge knapen.’

‘Dan zal Dante hem wel diep in de hel hebben geduwd.’ Stichelbaut wees de Commedia aan.

‘Toch niet. Reeds in de eerste limbus treffen we de klassieke trits aan: Socrates, Plato, Aristoteles. Voor de verdedigers van lichamelijke schoonheid was Dante zeer goedertierend, en voor wie het in de praktijk toepasten evenzeer, want in de tweede limbus verblijven de grote minnaars: Helena en Paris, Tristan en Isolde… Weliswaar in de hel, maar toch in de meer comfortabele verdiepingen. Geweldigaards, bedriegers en verraders zitten helemaal onderaan in de nabijheid van Lucifer.’”

Mogelijk gaat een chocoladefabricant daar niet meteen bij lopen (persoonlijk ken ik er geen), maar ik als lezer ben bij het lezen van zo’n, zogenaamd ‘spontaan’ gesprek toch wel blij dat het boekje niet meer dan een zestigtal bladzijden duurt. Zestig bladzijden van een geblaseerdheid die mij bij een toevallige ontmoeting met de auteur alvast zou doen kiezen voor een plaatsje op de gang in plaats van het delen van de coupé.

Björn Roose