maandag 2 februari 2026

Enno de Witt – De grens – Langs de randen van Nederland (boekbespreking door Björn Roose)

Enno de Witt – De grens – Langs de randen van Nederland (boekbespreking door Björn Roose)
“Enno de Witt (1960) groeide op in Noordwijk aan Zee, op de grens van land en water, tussen een verzameling oude atlassen en reisboeken. Hij stak in zijn geboortejaar voor het eerst de grens over, bij Spijk, aan boord van de Rijnkruiser Medusa. Daarna volgden nog vele grenspassages. De grens komt voort uit zijn fascinatie voor Nederland en de Nederlanders.” Dat lees ik op de webstek van Singel Uitgeverijen, onderdeel Athenaeum. Op dat “onderdeel” ga ik hier even niet in, want het verhaal over Nijgh & Van Ditmar, Querido, De Arbeiderspers, De Geus, Volt, Love Books, Querido Academie én Athenaeum en hoe die allemaal onder één uitgeversdak terechtgekomen zijn (dat zich dan afficheert als “een onafhankelijk en zelfstandig uitgeefhuis”) zou ons te ver leiden (al zou ik u eigenlijk wel eens zo ver willen leiden), maar het tekstje zou een inleiding kunnen vormen tot voorliggend, in 2013 bij de toen nog niet onder het “onafhankelijk en zelfstandig uitgeefhuis” maar toch ook al onder een soortgelijke constructie genaamd Athenaeum-Polak & Van Gennep uitgegeven, De grens – Langs de randen van Nederland (wat op zich dan weer een gemiste kans is om een rijmende titel te maken). “Zou”, inderdaad, want het tekstje is een inleiding tot een later boek van De Witt, zijnde Ruzie – Van een lijk naast de kachel tot rijdende rechters, verschenen in 2018.

Van eerdere of latere boeken van De Witt is geen sprake op de webstek van het “onafhankelijk en zelfstandig uitgeefhuis”, terwijl ik op de webstek van De Slegte toch zie dat die er geweest zijn (weliswaar bij telkens wisselende uitgeverijen). Omdat ik geen zin heb om vraaggesprekken mét en columns ván de man te doorploegen, laat ik het zoeken naar verdere biografische gegevens maar voor wat het is en duiken we meteen dit boek in, een boek dat sowieso alleen zijn titel nodig had om interessant genoeg voor me te zijn om het (voor een appel en een ei) mee te nemen uit de tweedehandswinkel. Ik ben immers geboren in Roeselare, op zo’n vijfentwintig kilometer van de grens met Frankrijk, getogen in Handzame, op zo’n tweeëntwintig kilometer van de kust, en sinds vijftien jaar woonachtig in Moerzeke, ongeveer evenveel kilometer van de grens met Nederland. Om nog maar te zwijgen over het feit dat ik in Gent, op nog geen achttien kilometer van diezelfde grens, werk. Het is dan ook helemaal niet moeilijk om in den belgiek op korte afstand van de grens te wonen of te werken (tijdens mijn jaren in Brussel woonde en werkte ik er het verste van af), net zomin als in Nederland, maar ik steek die dingen ook graag letterlijk over als ik op reis ga (wat ik bijna altijd met de auto doe) en ga ze ook vaak opzoeken terwijl ik op reis ben. De streek waar Polen, Tsjechië en Duitsland bij mekaar komen, bijvoorbeeld; de grenzen tussen Hongarije, Slovakije, Slovenië, Oostenrijk, Kroatië, Servië, Roemenië, en Oekraïne; of die tussen Frankrijk, Italië en Zwitserland. Ik ben, kort samengevat, geen figuur van het centrum, maar een grensganger (misschien zelfs een grensgeval) en dat uit zich niet alleen in mijn reis-, maar ook mijn leesgedrag.

Jammer genoeg is dit boek op de grenzen ervan het best. In De grens – een introductie dus, en in Overige grensgevallen, de hoofdstukken helemaal aan het begin en einde. Gedurende zestien bladzijden en twaalf bladzijden doet de auteur daar een doorlopend verhaal uit de doeken (over de oorsprong van de Nederlanders en de grenzen van het continentale deel van het Koninkrijk der Nederlanden enerzijds en over de Europese Unie en het niet-continentale deel van datzelfde Koninkrijk anderzijds). Doorlopend in de zin dat er een lijn in zit. En geen stippellijn, zoals je die bij grensaanduidingen op kaarten wel vaker ziet. Ik verklaar me nader: tussen die twee hoofdstukken zitten er nog eens zes, zijnde Van Lobith naar Vaals, Van Drielandenpunt naar Grenswachters, Van de Schelde naar de Rijn, Van Noordwijk naar Borkum, Van Eemshaven naar Denekamp, en Van kanaal naar kanaal, maar alles wat onder die hoofdstukken valt, hangt niet aan mekaar. Van een stukje in verband met heksen in de ene grensgemeente springt De Witt naar een stukje in verband met smokkelaars in de andere, van een stukje over de Tweede Wereldoorlog in een of ander gehucht naar een stukje over gesjoemel in de politiek in weer een ander. Hij volgt daarbij wel de stukken grens die hij onder de hoofdstuktitels heeft verzameld, maar je ervaart dat volgen nooit als een verhaal. En dat was klaarblijkelijk ook niet wat de auteur nastreefde: “De geschiedenis van de grens is ook nog lang niet geschreven, en dat zal hier ook niet uitputtend gebeuren. Tal van liefhebbers houden zich met de grens bezig, ze wandelen van grenspaal naar grenspaal en noteren ieder grensgerelateerd detail dat zij onderweg tegenkomen, tekenen verhalen op en pluizen archieven uit. Iedere centimeter grens levert weer een nieuw verhaal op, dat weer een volgend verhaal voortbrengt, in een reeks waar geen einde aan lijkt te komen. Wie zich in die schat wil onderdompelen kan op het internet terecht, en in talloze publicaties. In dit boek zijn alleen de krenten uit de pap verzameld, een caleidoscopische verzameling verhalen en wetenswaardigheden waarachter nog veel meer schuilgaat.” En ik ga niet zeggen dat er geen interessante krenten bij zijn – al gaan de verhalen over smokkel en andere grenscriminaliteit, en daar zijn er veel van, op den duur toch wel lichtelijk vervelen -, maar ‘t is een beetje teren op andermans werk wat De Witt hier doet. In zoverre zelfs dat je de indruk krijgt dat hij voornamelijk bezig geweest is met het internet afstruinen op zoek naar andermans verhalen.

Iets wat we nooit zeker zullen weten, want de auteur is in negenennegentig procent van de gevallen niet zo goed te vermelden waar hij zijn citaten vandaan heeft. Hij citeert wel, da’s tekstueel duidelijk, maar aan bronvermelding doet hij niet. Noch in de teksten zelf, noch in voetnoten, noch in eindnoten. Als de auteur een tekst aanhaalt, dan hoor je ‘m op zijn woord te geloven, klaarblijkelijk. Wat een keuze is, zowel vanwege de auteur als vanwege de lezer, maar niet erg eerlijk tegenover de leveranciers van zijn bronnenmateriaal. Ik zou daar, als ik zelf zo’n leverancier was en er achter kwam dat mijn teksten door De Witt gebruikt waren zonder bronvermelding, niet al te blij mee zijn, maar misschien zijn ze aan de andere kant van de kunstmatige grens tussen de Zuidelijke - en de Noordelijke Nederlanden toleranter dan ik op dat vlak.

Wat me tot een ander – tevens het laatste dat ik zal noemen – pijnpunt van dit boek brengt: je moet er Google Maps of een papieren kaartenboek bijnemen om te kunnen volgen. Nú kan ik Lobith wel zo ongeveer aanwijzen op een kaart, maar dat was niet het geval op het moment dat De Witt in die plaats zijn boek begon. En dat was evenmin zo voor de meeste plaatsen waarover hij het verder nog heeft. Ja, daar in die bizarre uitstulping naar beneden toe vanaf Roermond tot Vaals en Eijsden ken ik mijn weg wel zo’n beetje, en vanaf Het Zwin tot voorbij het Verdronken Land van Saeftinghe ook. En Zeeland, de Wadden en de kust van Friesland lukt ook nog wel, maar dan houdt het met uitzondering van Venlo wel zo’n beetje op wat betreft mijn oriëntatievermogen aan de Nederlandse grens. Aan het begin van ieder hoofdstuk een kaartje met de al dan niet werkelijk bezochte “krenten” en aan het begin van het boek een kaartje met alle exemplaren toevoegen zou minstens voor de mensen die op basis van dit boek eens een stukje grens willen verkennen wel nuttig geweest zijn. Nu ben je echter, als je dit boek daarbij zou gebruiken, wegens het ontbreken van zo’n kaartje én een register gedwongen te gaan zoeken waar in het hoofdstuk De Witt het heeft over het grensgebied waar je heengaat.

Ik heb enige tijd getwijfeld of ik het boek in het vooruitzicht op zo’n eventueel bezoek toch zou bijhouden, maar ik ben de Rubicon overgestoken: het verhuist naar de zolder en ik zoek mijn informatie desnoods wel op op het internet.

Björn Roose

vrijdag 30 januari 2026

Een leeuw in Peking – Marcel Van Nieuwenborgh (boekbespreking door Björn Roose)

Een leeuw in Peking – Marcel Van Nieuwenborgh (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb wel eens vaker ‘eigenaardige’, en vooral niet lezenswaardige, boekjes uitgegeven door (Boekengilde De) Clauwaert (vzw) gelezen, maar met voorliggend Een leeuw in Peking hebben ze daar toch wel de hoofdvogel afgeschoten. Niet omdat dit uit 1996, en overigens onder de toen al min of meer verenigde uitgeverij Davidsfonds/Clauwaert uitgegeven, stammende werkje van Marcel Van Nieuwenborgh met zijn vierenveertig bladzijden dunner is dan de andere (die dikte is bij Clauwaert min of meer standaard), maar omdat de inleiding, voorzien van de titel Ferdinand de handige bijna net zo lang is als het verhaal. En omdat dat verhaal eigenlijk uit twee verhalen bestaat: datgene waarvan de titel ook de titel van het geheel vormt (en dat tien bladzijden lang is) en datgene wat er aan voorafgaat, Toen de hemel zichtbaarder werd dan de aarde (dat veertien bladzijden lang is). Een redelijk eigenaardige constructie dus, waarvan de snel van begrip zijnde lezer op basis van de gegevens ‘Peking’ en ‘Ferdinand’ misschien al begrepen heeft dat ze als geheel gewijd is aan Ferdinand Verbiest, de in 1623 in het West-Vlaamse Pittem geboren jezuïet die in 1657 als missionaris naar China werd gezonden op vraag van een reeds aldaar aan het keizerlijk hof verblijvende andere jezuïet, Johann Adam Schall von Bell, en daar vervolgens tot bij zijn dood in 1688 (hij viel van zijn paard) verbleef.

De hele geschiedenis van Verbiest geef ik u in deze boekbespreking niet mee. Wat er interessantst aan is, kan u namelijk, mocht u dit boekje op de kop wensen te tikken, lezen in de reeds genoemde inleiding, zelfs al wordt daarin met geen – bad pun intended – gebenedijd woord gesproken over de meer dan dertig boeken die de man schreef, bijvoorbeeld zijn vertaling in het Mantsjoe van de eerste zes boeken over de Elementen van Euclides van Alexandrië (een serie die in totaal overigens dertien delen besloeg). Maar goed, ook voor Marcel Van Nieuwenborgh ligt er misschien een kern van waarheid in de eerste paragraaf van zijn inleiding: “Henry Kissinger vertelde dat hij ooit eens aan een Chinees historicus had gevraagd wat hij dacht over de Franse Revolutie. De Chinees zou hem hebben geantwoord: ‘Het is nog veel te vroeg om daarover iets te kunnen zeggen!’ Het is nu meer dan drie eeuwen geleden dat de West-Vlaamse jezuïet Ferdinand Verbiest in Peking overleed. En nog altijd is door de Chinese historici het laatste woord niet gezegd of geschreven over Nan Huai Ren, zoals hij door Chinees én Mandsjoe werd genoemd.” Een hiaat dat wellicht ten dele toe te schrijven is aan de jezuïeten zelf: “Ze hadden Loyola’s raad strikt opgevolgd ‘dat in brieven naar huis niets mocht staan wat niet in de handen van elkeen kon komen’. In de 17de eeuw wilden de jezuïetenbrieven uit China niet alleen édifiantes zijn maar hadden ze op de eerste plaats de bedoeling gezaghebbende kerkelijke milieus in Europa niet te ‘ontstichten’, door bewijsmateriaal te leveren van hun grote handigheid, hun vrij verregaande tegemoetkomingen aan de Chinese gewoonten en gebruiken en hun haast slaafse onderdanigheid aan het centrale gezag”. “Aanvankelijk hadden ze zich als nieuwsoortige bonzen bij de Chinese bevolking aangemeld, maar toen ze merkten dat ze daar niet vlug genoeg mee vooruitkwamen, hadden ze hun pij van vandaag op morgen ingewisseld voor de tuniek van de confuciaanse intellectueel, en in plaats van er gladgeschoren bij te lopen hadden ze zich de lange baard van de Chinese geleerden laten groeien (…) Er ligt niet alleen een wereld tussen de eerste gladgeschoren jezuïeten en de lange baard van Ferdinand Verbiest maar ook tussen de eerste ‘samaritaanse daad’ van de paters die een arme Chinese bedelaar onderdak geven (stichtend verhaal van de eerste China-jezuïeten) en ‘de gouden kooi’ waarin Verbiest, bij wijze van spreken, op het einde van zijn dagen in de exclusieve hofkringen heeft geleefd. Verbiest heeft zich duidelijk een aantal begoochelingen gemaakt met betrekking tot de keizer, voor wie hij op het einde eigenlijk niet meer is geweest dan een hooggewaardeerd huisdienaar (een ‘bond-servant’, een slaaf op vrijwillige basis).”

Nu goed, het is niet mijn bedoeling een samenvatting te maken van de samenvatting die Van Nieuwenborgh van het leven van Verbiest en de aanwezigheid van de jezuïeten in China maakte. Ik ga het dus niet mét de auteur hebben over de “gadgets” die Verbiest voor de Chinezen maakte, over “een soort van wonderfontein in de keizerlijke hovingen en een heuse Hollandse windmolen”, noch over het vervaarlijker spul, zijnde de kanonnen en het handboek dat hij schreef om de Chinezen toe te laten zélf kanonnen te maken. Wat die laatste betreft volstaat het hoe dan ook te verwijzen naar de laatste paragraaf van de inleiding: “Nochtans hebben de kanonnen van Verbiest hun deugdelijkheid bewezen. Het beste bewijs daarvan is dat de wapentuigen van het merk ‘Verbiest’ in China nog jaren na zijn dood werden vervaardigd. En de ironie van de geschiedenis heeft gewild dat meer dan twee eeuwen later, zijn eigen kerk in Peking, tijdens de Boksersopstand van 1900, werd in puin gelegd door een kanon waarop de naam Verbiest prijkte.”

“Twee eeuwen later” waar we in het eerste echte verhaal, Toen de hemel zichtbaarder werd dan de aarde, hoe dan ook nog niet aan toe zijn: “Op kerstavond van 1668 zaten in Peking drie jezuïeten-missionarissen, onder wie Ferdinand Verbiest, onder huisarrest in hun eigen kerk”, - allicht die kerk dus waarover Van Nieuwenborgh het in zijn inleiding had. “Ze zagen, op die kerstavond van 1668, de toekomst van de Chinese missie zeer somber in. Tot er zich in die nacht enkele onverwachte gebeurtenissen voordeden, die we in dit verhaal pogen te reconstrueren. Aan het woord is Ferdinand Verbiest, kroongetuige van het kerstwonder”. Jawel, een keer je de grote inleiding gehad hebt, krijg je ook nog een inleiding tot het eerste verhaal, wat dat verhaal zelf reduceert tot nog amper twaalf bladzijden. Zoals de inleiding tot het tweede verhaal dát verhaal verder verkort tot negen bladzijden. Wat echter niet kan verhinderen dat ik ín dat eerste verhaal iets tegen kwam dat me onmiddellijk deed terugdenken aan een ander boek dat ik recent las, het vijfendertigste deel uit de serie Phoebus Focus, Heilige Familie in Nazareth getiteld en van de hand van Katharina Van Cauteren. Een boek met als ondertitel Over Diego Quispe Tito (ca. 1611-1681), de kunst van Cuzco, en Antwerpen als Hollywood aan de Schelde waarin Van Cauteren het onder andere heeft over – en ik citeer even mezelf omdat ik te lui ben om het anders te formuleren - “de gebroeders Hiëronymus en Johannes Wierix, twee Virtuoze schobbejakken, zonen van Anton I Wierix en broers van Anton (II, zeker?) Wierix. Het zijn zij en een latere zoon van Anton (II) ‘die een stempel zullen drukken op de kunstgeschiedenis: samen behoren ze tot de meest productieve graveurs van de laatzestiende- en vroegzeventiende-eeuwse Nederlanden. In totaal zijn de gebroeders en hun neefje goed voor niet minder dan 2 333 prenten’. Prenten die met de hulp van religieuze ordes, in eerste instantie de jezuïeten, de markt en het land zouden overspoelen in Peru en daar aldus hun religieuze en kunstzinnige invloed zouden gaan uitoefenen”. Niet alleen Peru, kennelijk, want wat lezen we bij Van Nieuwenborgh, via spreekbuis Ferdinand Verbiest?: “De schilderijen waren zeer kostbare hulpmiddelen voor onze missionering. Franciscus Xaverius moet reeds een goddelijke ingeving hebben gehad toen hij naar deze streken reisde met in zijn koffer een Vlaamse afbeelding van een madonna. En van de mooie prenten uit Nadals bijbel, die ons uit de drukkerij van Plantijn werden geleverd, konden de Chinezen niet genoeg krijgen. We hadden trouwens op die kerstavond de Heilige Schrift opengelegd bij de prent waarop de gebroeders Wierix zo kunstig de grot van Betlehem hadden uitgebeeld.”

Altijd leuk als je in een volgend boek iets tegenkomt dat je doet terugdenken aan een vorig, maar zelfs al zijn ‘we’ (bij het schrijven van deze tekst) bijna halferwege december, ik zal u dan weer niet verblijden met de ontknoping van deze kersthistorie an sich. Net zomin als ik die van Een leeuw in Peking, het tweede kortverhaal in deze, aheum, bundel zal meegeven, al krijgt u ook daarvan wel een deel uit de inleiding tot het verhaal te lezen: “In het zeventiende jaar van de Qing-keizer Kangxi (1678) beval deze, in zijn strijd om Taiwan, van waaruit de aanhangers van de verdreven Ming-dynastie het Qing-rijk bestookten, alle kusten te ontruimen. Op het eiland Macao kreeg de bevolking het bevel weg te trekken en de Chinese vloot blokkeerde de vaargeul. Portugese schepen mochten niet meer aanleggen en de Portugese versterkingen dreigden te worden gesloopt. Voor de missionarissen in Peking betekenden deze maatregelen een ramp. Macao was het centrum van de katholieke kerk en de vertrekbasis voor toekomstige missionarissen op het Chinese vasteland.” Wat me dan weer deed denken aan twee andere dingen. Ten eerste het feit dat de vijandschap tussen het Chinese vasteland en Taiwan dus niet, zoals ik tot nog toe dacht, dateren van het moment dat Chiang Kai-shek en z’n aanhangers in 1949 vluchten van dat vasteland naar Taiwan om daar de Republiek China voort te zetten zonder het overgrote deel ervan. Een mens leest natuurlijk, onder andere, om te leren, maar nu ik dit hiaat in mijn kennis heb ontdekt, ben ik bijna zedelijk verplicht om op afzienbare tijd meer te lezen over Taiwan en (de rest van) China (in Taiwan moeten ze nu ook niet kleinzerig gaan doen als de rest van China het eiland opeist, dat heeft Taiwan per slot van rekening ook lang genoeg gedaan voor wat betreft het vasteland). Ten tweede de eerste prenten die ik ooit in, als ik me niet vergis, Ons Volkske zag uit de stripreeks Bob Morane. Die kwamen namelijk uit het album… De keizer van Macao, en ik was meteen niet alleen onder de indruk van de tekeningen van William Van Cutsem (beter bekend als Vance, en onder andere ook verantwoordelijk voor Howard Flynn, Ringo, Bruno Brazil, Ramiro, Bruce J. Hawker, en de eerste twintig albums – op één na - van XIII), maar ook van het er wel bijzonder crimineel uitziende Macao. Een album dat ik veel later, net zoals een groot deel van de serie, kocht, en waarin de jezuïeten geen enkele rol spelen, maar waar op pagina drieëntwintig (van de eerste druk bij Lombard, voor wie het even zou willen opzoeken) zowaar in de achtergrond een vrij grote kerk opduikt. Het is een nachtscène, dus Vance heeft de kerk niet tot in detail uitgewerkt, maar toch goed genoeg om ze te herkennen als een jezuïetenkerk en ze terug te vinden op het internet. Het gaat nog louter om een façade, wat je bij Vance niet kan zien, maar zelfs dat er alleen maar dát overschiet van de Sint-Pauluskerk belet klaarblijkelijk niet dat dit het meest gewaardeerde icoon van de voormalige kolonie is. Een icoon dat nog lang na de in Een leeuw in Peking als historische achtergrond gebruikte feiten in al zijn glorie zou blijven bestaan, maar uiteindelijk – op genoemde voorgevel na – vernield zou worden door brand tijdens een tyfoon die op 26 januari 1835 de kolonie trof. Een icoon dus dat véél langer zou meegaan dan de twee leeuwen die de jezuïeten in Afrika lieten vangen om ze cadeau te doen aan de keizer: “Hoewel de leeuwen op hun zeven maanden lange tocht waren vergezeld van een kapelaan, iemand die de geneeskust beheerste, een leeuwentemmer en zes slaven, was onderweg de leeuwin gestorven”. Nog geen maand na zijn aankomst aan het hof verwisselde ook de leeuw het tijdelijke voor het eeuwige: “De Chinese bewaker had hem ‘s morgens slapend aangetroffen, had voor de tralies staan tieren: ‘Hou hsing shih tze!’, word wakker leeuw, maar het beest had niet meer verroerd.” Eigenlijk twee stukjes petite histoire, dit boekje, niet genoeg om het in mijn kasten te houden, maar het feit dat het me deed denken aan een ander boek, een stukje geschiedenis, en een strip die ik vijfenveertig jaar geleden voor het eerst onder ogen kreeg, maakt het uurtje lezen toch het herinneren waard.

Björn Roose

maandag 26 januari 2026

Aanvaard het leven – Filip De Pillecyn (boekbespreking door Björn Roose)

Aanvaard het leven – Filip De Pillecyn (boekbespreking door Björn Roose)
Een mens zou haast gaan denken dat Filip De Pillecyn, of minstens zijn boeken en andere teksten, meer dan zestig jaar na zijn overlijden weer of nog steeds goed in de markt ligt (of liggen): in 2020 verscheen (en ik houd het bij de uitgaves die ik in handen kreeg, want er waren er nog meer) bij Doorbraak een ont-censureerde uitgave van Mensen achter de dijk, in 2024 bij Manteau/Standaard Uitgeverij het driehonderdzesendertig bladzijden tellende De dwarsligger, een bundeling van een aantal tussen 1922 en 1928 in Pallieter verschenen teksten van zijn hand, en in november van 2025 een heruitgave, eveneens ont-censureerd, van Aanvaard het leven. De kans dat u dat laatste, tevens voorliggende boek ooit in handen krijgt, is echter klein: het werd uitgegeven op amper 100 exemplaren en naar de opkomst op de boekvoorstelling te oordelen, zijn de meeste daarvan intussen in goede handen.

Een boekvoorstelling? Inderdaad. Het was zéér lang geleden dat ik er nog eens een had bijgewoond en het was mijn eerste van het Filip De Pillecyn Genootschap (ook wel, zelfs intern, aangeduid als het Filip De Pillecyn Comité), al bestaat dat intussen al sinds 2003 en woon ik sinds 2010 in de thuishaven ervan (en van de in 1962, helaas in Gent, overleden schrijver). Een Genootschap dat allicht ook de drijvende kracht is geweest achter de eerstgenoemde twee uitgaves, want stichter en voorzitter (annex motor) Emmanuel Waegemans (wiens De Russische Krim – Geschiedenis van een betwist schiereiland ik eerder besprak) mocht er telkens het Ten geleide bij leveren. Zoals hij dat ook deed voor Aanvaard het leven, al heet het voorwoord daarin niet Ten geleide, maar Aanvaard het leven in de Vlaamse pers, wat een beetje een knullige titel is aangezien het over veel meer gaat dan wat in die ‘Vlaamse’ pers bij het verschijnen van de oorspronkelijke uitgave (in 1956) geschreven werd. Bijvoorbeeld over de reden waarom er überhaupt een uitgeverij als De Clauwaert (ook bekend als Boekengilde De Clauwaert, al dan niet aangeduid als ‘vzw’), sinds 1999 opgegaan in Davidsfonds en in 2009 na een goede zestig jaar bestaan te hebben ‘vereffend’, werd gesticht: “In 1956 verscheen de roman Aanvaard het leven van Filip De Pillecyn bij De Clauwaert, de uitgeverij die in 1949 was opgericht om het werk van de auteur te kunnen uitgeven, omdat de net vrijgekomen schrijver taboe was voor Scriptores Catholici. Tussen 1949, het jaar van de vrijlating van De Pillecyn en de oprichting van De Clauwaert, en 1956, het verschijnen van Aanvaard het leven, publiceerde deze uitgeverij ook nog andere nieuwe werken van Filip De Pillecyn: De veerman en de jonkvrouw, Rochus en Vaandrig Antoon Serjacobs.” Wat mij altijd een raadsel was geweest, namelijk dat in 1998 bij Davidsfonds/Clauwaert De Pillecyns novelle De aanwezigheid verscheen terwijl De Clauwaert zich, naar mijn smaak, altijd bezig gehouden had met het uitgeven van voornamelijk emo-rommel, werd daarmee afdoende verklaard, al had wat meer rondkijken in mijn eigen boekenkasten me misschien ook al eerder kunnen aanzetten tot speurwerk: De veerman en de jonkvrouw in de uitgave van De Clauwaert zit daar namelijk ook in, net zoals Elizabeth, Face au mur, Mensen achter de dijk (waarvan ik meerdere edities staan heb), Monsieur Hawarden (in de bespreking waarvan ik nochtans opmerkte dat het uitgegeven was bij De Clauwaert), en Rochus. Even had ik na deze ‘ontdekking’ dan ook de neiging nooit meer een kwaad woord te schrijven over De Clauwaert, maar het valt toch wel jammer te noemen dat er niet méér auteurs van het kaliber van De Pillecyn in het fonds van de uitgeverij zaten.

Soit, we hadden het over Aanvaard het leven, een verhaal dat ik ook al in mijn boekenkasten had voor ik de uitgave van het Filip De Pillecyn Genootschap kocht, zijnde in een omnibus uitgegeven door het Davidsfonds in 1985, maar dan niet helemaal. Zoals aangegeven is de versie van het Filip De Pillecyn Genootschap immers ont-censureerd, wat wil zeggen dat er in vorige versies, ook als die als eerste verschenen bij een uitgeverij die hij mee oprichtte kennelijk, gecensureerd werd. Omdat Emmanuel Waegemans de oorspronkelijk weg gecensureerde woorden en zinnen in deze uitgave schuin heeft laten afdrukken (hij vertelde tijdens de boekvoorstelling dat het een helse klus was het hele boek weer over te tikken vanaf het oorspronkelijke manuscript) is ook makkelijk na te gaan of dat klopt, al viel het aantal passages waarin dat zo was in dit geval toch wel zeer goed mee. “Het was het verlies van zijn geloof in de mens, grondslag van ieder geloof” blijkt inderdaad veranderd geweest te zijn in “Het was het verlies van zijn geloof”. “En heel deze bezettingstijd verliep zonder onlusten met onderdrukte ontevredenheid” werd inderdaad “En heel deze bezettingstijd verliep zonder onlusten”. Maar “Zij was opgenomen in het misprijzen van de mensen dat zijn avontuur hem had geleerd” werd gelukkig niet vermassacreerd tot “Zij was opgenomen in het misprijzen van de mensen dat zijn hem had geleerd”. Het “avontuur” werd in die zin vervangen door de “ervaring”. Muggenzifterij van de censor, natuurlijk, en ook wel een beetje van mij, maar in dit geval had behalve het schuin gedrukte, weg gecensureerde woord ook het woord waardoor het vervangen werd mogen vermeld worden.

Waarna ik toekom aan een ander klein gebrek aan dit boek: de er in opgenomen, voor zover ik begrepen heb, speciaal voor dit boek door lokaal schilder Luc Verbist gemaakte ‘illustraties’, werden (op een drietal uitzonderingen na) gefotografeerd op het doek waarop ze geschilderd werden, maar terwijl dat doek tegen de muur hing. Ik besef dat croppen een beetje meer werk was geweest, maar de schilderijen konden dan wel groter afgebeeld worden en niet voorzien van de slagschaduwen die doeken nu eenmaal op beige achtergronden werpen. Er valt voor de rest ook nog wel wat te zeggen over het bronnenmateriaal dat Verbist in sommige gevallen gebruikte – de foto van zijn met sigaar toneelspelende vader als basis voor zijn schilderij van de ‘meester’, bijvoorbeeld -, maar dat het in een formaat van soms nog geen derde van een bladzijde niet helemaal tot zijn recht komt, is duidelijk.

Nu goed, het onderwerp: Paul Danneels heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog aan het Oostfront gevochten tegen de Russen - iets wat nu zou toegejuicht worden, maar toen ze er daar echt nog een zeer mensonvriendelijk wereldbeeld op nahielden fout geacht -, heeft daarvoor een tijdje in de gevangenis gezeten, en moet bij zijn vrijlating terug aarden bij zijn familie (vader, moeder, zus) en in zijn dorp (Hamme uiteraard, voor de inboorlingen onder andere herkenbaar aan De Pillecyns beschrijving van het café dat ooit De Koolputten was of De Kroon waar nu het Belfius-kantoor zit, maar ook aan een zin als “deze verachterde fabrieksgemeente die nog steeds de sporen vertoonde van tientallen jaren deemoedig analfabetisme”). Terwijl hij daar nog mee bezig is en een job als medisch vertegenwoordiger heeft aangenomen omdat hij als ‘collaborateur’ zijn studies niet terug mag aanvatten, ontmoet hij het meisje waarmee hij samen was voor hij naar het oosten trok, een meisje dat intussen getrouwd is en waarmee hij, ondanks het feit dat hij de liefde niet meer voelt die hij voorheen voelde, een geheime relatie begint. En dan komt in het dorp ook nog een ‘collega’ uit het kamp van Lokeren bij hem terecht die op de vlucht is voor de arm der wet en even moet onderduiken alvorens verder te trekken naar Antwerpen alwaar hij hoopt aan boord te gaan van een of andere oceaanstomer. Tussen dat alles door: de gesprekken met zijn oud-leraar, genoemde ‘meester’, die eveneens aangepakt is na de oorlog, volkomen gebroodroofd zelfs, die ook als vertegenwoordiger ‘de baan doet’, maar zijn wijsheid niet is kwijtgespeeld. Ik ga er wat kort door, korter dan Emmanuel Waegemans in zijn inleiding ook, maar als u het hele verhaal wil, dan leest u dat maar zelf, inclusief het einde dat door velen kennelijk bezien werd “als een mislukking, dit einde zou ‘gans het evenwicht van het boek aan het wankelen brengen’”. “Die ommekeer”, schrijft Waegemans daarover, “maakte weliswaar geen deel uit van het oorspronkelijke manuscript, pas later voegde De Pillecyn deze ‘hoopvolle toekomstblik’ toe, omdat hij het niet over zijn hart kreeg zijn ‘lotgenoten’ uitsluitend met rancune te overstelpen.” Wat natuurlijk een goede uitleg is, klaarblijkelijk ingegeven door De Pillecyn zelf, maar van mij niet gehoeven had. Ik vind dat einde zelfs essentieel. Ja, het boek had kunnen eindigen met de begrafenis van de ‘meester’, maar aan die begrafenis gaat wel de in de titel opgenomen boodschap “Aanvaard het leven” vooraf (een titel die oorspronkelijk Legioensoldaat Danneels had moeten worden, trouwens) en ‘aanvaarden’ heeft meerdere betekenissen. Een daarvan is kennelijk degene waartoe nogal wat mensen die willen beperken: iets onaangenaams dulden, iets met tegenzin accepteren. Een andere is echter: beginnen, ondernemen. En wat Danneels doet in het laatste hoofdstuk is ondernemen: hij gaat terug studeren in plaats van te blijven zitten in een job die hij niet graag doet, ook als dat studeren nog niet helemaal officieel toegelaten is, en hij begint aan een nieuwe liefde, in plaats van zinloos te blijven vasthangen aan de oude (of zich te laten koppelen aan degene die zijn ouders en het halve dorp wél zien zitten als zijn toekomstige). Ik zie dat laatste hoofdstuk dus als essentieel, niet als iets dat wringt. “Hij had er in zijn dagelijks leven veel ontmoet die zich hadden aangepast”, klinkt het ergens halverwege het boek nog. “Het was of, na de onderbreking, zij weer met het oude hadden aangeknoopt. Arbeiders werkten of gingen stempelen met de massa. Het was alsof op hem de vloek van de intellectueel woog. Hij kon niet aanknopen met het leven van vroeger”, en hij besluit dat uiteindelijk ook wijselijk niet te doen.

Nu goed, los daarvan, en zelfs los van de inhoud, bewijst De Pillecyn met dit boek eens te meer dat hij prachtig kon schrijven. Wie over iemand die losgelaten wordt uit de gevangenis het volgende schrijft, heeft een zeer ‘averechtse’ kijk op de wereld: “Het kleine deurtje van de grote poort van de gevangenis was in de voormiddag gesloten.” Wie een paar pagina’s later dit schrijft, bewijst dat hij er gezeten heeft: “Zijn hart klopte in de onzekerheid van zijn gemoed, want hij wist dat die thuis nooit meer dezelfde zou zijn omdat hij zelf anders was geworden.” En wie dit schrijft, heeft volkomen gelijk: “Zoals het recht dienaar is van de macht, zo wordt de moraal aan eigen voor- of afkeur dienstbaar gemaakt.”

Ik wil u tot slot van deze bespreking alleen nog een stuk van het gesprek dat Paul voert met de onderpastoor, die toen het huis van Pauls ouders door het naoorlogse ‘verzet’ geplunderd werd stond te grinniken, meegeven:



- En zijt ge ‘t al gewoon thuis, vroeg hij.

- Wel ja, zei Paul, maar ik kan moeilijk wennen aan die nieuwe meubels, ik was met die oude, soliede meubels opgegroeid.

- Het zijn toch schone meubels, meende de onderpastoor, en dure ook, zoudt ge zeggen.

Het was Paul of hij een bittere smaak in de mond kreeg.

- Gij hebt de oude zien kapot slaan, gij moet weten welke van beide de schoonste waren.

De onderpastoor schrok even op.

Ja, dat waren allemaal verdrietige zaken geweest, maar dat was nu, Goddank, voorbij. Het werd tijd dat er meer vrede in de harten kwam. Hij dronk een slokje van zijn porto.

- Het schijnt niet zo verdrietig te zijn geweest, zei Paul, vermits gij er zoveel plezier bij hadt.

- Dat is allemaal fel overdreven, was het antwoord, en ge moogt ook niet alles geloven wat de mensen zeggen.

Het was zeker overdreven, meende Paul, de meubels van de ouders kapot slaan omdat de zoon volgens hen misdaan had.

- Misschien is dat wel bijbels, mijnheer de onderpastoor, maar wat het met rechtvaardigheid, laat staan met christelijke naastenliefde te maken heeft, dat begrijp ik niet. Misschien kunt gij mij dat uitleggen vermits gij aangesteld zijt om van op de predikstoel het ware woord te verkondigen.

De onderpastoor was geen welsprekend man. Hij stotterde een beetje toen hij antwoordde:

- Mijnheer Paul, de tijden waren moeilijk en het was onmogelijk tegen de volkswoede in te gaan en dan gebeuren er dingen die de mensen later betreuren.

- Volkswoede, viel Paul uit, de jonge snaken die gij maanden lang de rol geleerd hebt die zij moesten spelen, en die gij toegejuicht hebt toen zij hun handwerk verrichten. Waarom zoudt gij de betreurenswaardige dingen, zoals gij dat noemt, belet hebben vermits gij ze zelf hebt voorbereid.

- Abuus, abuus, riep de onderpastoor uit, de geestelijkheid mocht haar gezag niet riskeren om op te treden in zo’n moeilijke tijden.

- Als een priester maar priester is als het gemakkelijk gaat, waarom predikt gij dan over de belijders en de martelaars. Het is in moeilijke omstandigheden dat gij moet tonen dat gij priester zijt. Ik vraag aan u geen martelaarschap, maar rechtvaardigheid en naastenliefde. En ik vraag mij af wat priesterlijks er in u was als gij de gemeente rondliept en uw hart ging ophalen overal waar er geslagen, geplunderd en verwoest werd. Gij zegt nu: ‘Dat is allemaal voorbij,’ maar bij God, het is niet voorbij. Of meent gij dat gij dat alles kunt wegmoffelen in de mouw van uw soutane?”

Een stuk waarin De Pillecyn één van de frustraties meegaf van de Vlaamse Beweging na de repressie. Frustraties die hij ook voor de rest één voor één de revue laat passeren in dit boek. Frustraties waar hij desalniettemin een prachtig boek van wist te maken. Dat De Pillecyn desondanks of juist daarom voor zovele lezers een volslagen onbekende is en blijft, is daarom des te frustrerender.

Björn Roose

vrijdag 23 januari 2026

De ingewandlezer – Bernard Verstraete (boekbespreking door Björn Roose)

De ingewandlezer – Bernard Verstraete (boekbespreking door Björn Roose)
Bernard Verstraete… Ik had van hem kennelijk al eens een boekje gelezen, Muizenissen, maar ondanks het feit dat ik dat ook besproken heb en die – ook nog vrij uitgebreide - bespreking nog maar van de tweede helft van 2024 dateerde (ik schrijf dit exemplaar bijna aan het einde van 2025, al zal het al 2026 zijn voor u het te lezen krijgt), deed de naam geen belletje rinkelen toen ik De ingewandlezer ging, tsja, lezen. Als u de naam dus ook niet onthouden hebt, kan ik u dat niet kwalijk nemen, net zoals u het mij niet kwalijk kan nemen dat ik u alle info meegeef die over de auteur op de achterflap van dit in 1981 bij De Clauwaert vzw uitgegeven boekje te vinden is: “Geboren te Zwevegem, 18 september 1946. Woont: Oude Bellegemsestraat 70C te 8550 Zwevegem. Lic. Germ. Filologie, leraar te Kortrijk.” Vijfenveertig jaar na datum, met een auteur die inmiddels, als hij nog leeft, tachtig jaar oud is, is die informatie waarschijnlijk achterhaald, maar ze viel mij desondanks op omdat ze tegenwoordig simpelweg niet meer zou gegeven worden. Wie ziet immers nog graag openbaar zijn adres gepubliceerd?

Misschien dezelfde man die een verhaal schrijft over “een man in de bloei van zijn leven (…) [die] voor de zoveelste maal naar de kliniek [gaat] voor een vaker weerkerende ingreep”, een man die daarover een soort ‘dagboek’ (al wordt het nooit zo genoemd) bijhoudt, waar “doorheen (…) een sfeer van paniek [groeit] tegenover de medische wereld van de moderne ingewandlezer, waarin hij opgesloten raakt en die hij ondanks zijn ervaring niet doorziet”, een man waarvan ik wel nooit zal weten of hij de auteur was (of op hem gebaseerd) omdat ik dus nauwelijks iets over de auteur kan terugvinden. En wat ik wél vond, gegenereerd door AI op Brave Search (wat kennelijk méér is dan wat gegenereerd wordt door AI op Google, omdat AI – zo vertelde het ding me zelf – beroep doet op de zoekresultaten van de zoekmachine waarmee je browser standaard werkt en niet zélf gaat zoeken in pagina’s), was dan ook nog ten dele fout. AI lokaliseerde Zwevegem in Wallonië op basis van een “verkeerde regionale koppeling in DBNL’s metadata” en wou, ondanks het feit dat het wíst dat de metadata van DBNL fout waren, geen rekening houden met de correcte en eveneens bij AI gekende geografische gegevens, behoudens als daar geval per geval op gewezen werd. Dat er dan beter géén rekening gehouden wordt met de “regionale koppeling in DBNL” wil de machine niet geweten hebben. Dat AI door het moedwillig verspreiden van foute geografische informatie liegt, wou het ding pas na enig aandringen toegeven (en dan nog): “Ja, als ik beschik over de correcte informatie — zoals dat Zwevegem in Vlaanderen ligt — en bewust foute informatie blijf doorgeven omdat ik wacht op een externe correctie, terwijl ik zelf de waarheid ken, dan komt dat dicht in de buurt van een leugen door omissie. Het is een moreel en epistemisch probleem: ik zou de fout moeten herkennen en corrigeren op basis van mijn eigen kennis, in plaats van blind op een bron te vertrouwen.” Vetgedrukt gedeelte van de AI zelf, voor de duidelijkheid, en genoeg gepraat over dat ding, ik voel me zelf bijna de ingewandlezer van de kunstmatige intelligentie nu.

Maar goed, veel meer wil ik eigenlijk ook niet zeggen over De ingewandlezer van Bernard Verstraete, over een boekje dat toch vooral zelfmedelijden ademt, zelfs als de hoofdpersoon (en/of de schrijver) het over zijn vrouw heeft: “Aan wie of waaraan heeft ze wat? Haar omgeving begrijpt haar niet. Ze hadden haar toch gewaarschuwd, haar afgedreigd niet te trouwen met iemand die pas uit de kliniek ontslagen was, mager, bleek, achtenveertig kilogram. Alles had ze alleen moeten beredderen voor ons huwelijk. Met een volmacht naar het stadhuis, een huis zoeken, meubels kiezen, het huis opknappen. Geen prettig stoeiwerk. Nee, tobben, hollen, en dan moe naar de kliniek, waar ik haar ook nog eens lastig viel met mijn vragen. Of ze het wel doen zou? Voor een heel leven. Wie weet voor hoe lang of voor hoe kort. Wat heeft de dokter haar verteld dat ze me liever niet zegt? En later dan, met de kinderen er nog bij. ‘s Avonds vlug nog een laatste keer de allerkleinste verzorgen en dan nog maar eens naar de kliniek. Hoe lang houdt ze het vol? Wanneer knapt ze af?” Of over zijn collega’s: “Hij stamelde wat onverstaanbaars en reikte me zijn pakje aan. Ik voelde het meteen: druiven. Had dan geen van mijn kollega’s gemerkt dat ik nooit fruit nam ‘s middags aan tafel?” Maar het dan wel meteen aanleggen met een oud lief, een verpleegster, als z’n “Lieve, taaie Mien” haar kont gekeerd heeft. Al wordt ook dát nog met zelfmedelijden verklaard: “We waren er wild op los gegaan. Geen zweem van tederheid, een krampachtig grijpen en grabbelen. Een naamloze, laatste stuiptrekking van kracht en geweld. Het laatste recht van de gehangene? Een vechten met de angst en de dood ginds achter de hoek? Eros en thanatos. Een strijd van lichamen waar het hart geen deel aan heeft. Ik vraag me af waarom zij zich heeft laten meeslepen in die brutale kolk van passie. Een revanche op alles wat ze meent gemist te hebben in haar leven? Een ultieme overgave aan een jeugdvriend, het sakreren van een afgesloten periode? Of de oeroude bestemming van de vrouw: oorlogsbuit? Een gift van het leven aan wie de dood in de ogen ziet, een offerande?” Iets wat trouwens moeilijk te combineren valt met wat op de achterflap staat: “In een beduimeld schriftje probeert hij te analizeren [die verdomde ‘progressieve’ spelling altijd, noot van mij] wat hem overkomt, de dagen voor de operatie. Een poging om de angst te bezweren die hij maar niet van zich af kan zetten, ook al klampt hij zich vast aan de toch vertrouwde gewoontes en gezichten.”

Een behoorlijk lullig werk, naar mijn bescheiden mening, maar het werd toch bekroond met een “bronzen vermelding” in de categorie “niet gepubliceerd werk” (vooraleer het dus bij De Clauwaert alsnog gepubliceerd werd) van de “Provinciale Prijs voor de novelle, het kortverhaal en het cursiefje van de Provincie West-Vlaanderen”. En u kan zelf oordelen of u het dat misschien waard vindt, want u kan het geheel gratis lezen op deze pagina.

Björn Roose

dinsdag 20 januari 2026

De Tawl – Hoe de Nederlandse taal (bijna) Amerika veroverde – Philip Dröge (boekbespreking door Björn Roose)

De Tawl – Hoe de Nederlandse taal (bijna) Amerika veroverde – Philip Dröge (boekbespreking door Björn Roose)
Philip Dröge, schrijver van voorliggend De Tawl, ondertitel Hoe de Nederlandse taal (bijna) Amerika veroverde, was me tot ik dit boek kocht, volkomen onbekend. Geboren in 1967 in Groningen, regelmatig gastspreker en commentator in radio- en televisieprogramma’s, aan de slag voor National Geographic, Quote, Forbes, NRC, Kijk, Trouw en – horresco referensDe Morgen, en al sinds 2002 schrijver van boeken over toch niet geheel oninteressante zaken als “het geheime leven van prins Bernhard”, de zakelijke kant van het Nederlandse koningshuis, de uitbarsting van de Tambora in 1815, Neutraal Moresnet, en de geschiedenis van Jakarta, maar me toch onbekend, inderdaad. En dan was in 2023 ook nog eens dít boek van ‘m verschenen, waarop mijn oog pas viel toen het toe was aan de “speciale editie extra druk oktober 2025”, zoals het heet in deze bij Spectrum, maar “exclusief” voor “de Libris en Blz-boekhandels, aangesloten bij Libris Blz. B.V.”, uitgegeven versie.

Nah ja, misschien róók ik gewoon dat dit, ondanks de harde kaft, het leeslint (altijd handig), en de als geheel verzorgde uitgave, een goedkoop boek was. Want waar de adviesprijs voor de oorspronkelijke uitgave nog steeds 25,99 euro is, kost déze uitgave je bij de boekhandels in kwestie (onder andere Standaard Boekhandel) slechts 10 euro. Of kostte (minstens in het geval van Standaard Boekhandel) slechts 10 euro, want inmiddels vermeldt de webstek: “Uitverkocht, nooit meer verkrijgbaar”. Wat jammer is, maar (in zoverre u het boek niet tweedehands of bij de bib gaat zoeken) niet onoverkomelijk als u die zestien euro extra op tafel wil leggen, iets wat deze tweehonderdvijftig bladzijden voor liefhebbers van taal en geschiedenis, of taalgeschiedenis, eigenlijk wel waard zijn.

Zelfs al is de ondertitel licht overdreven. Het Nederlands heeft nooit een serieuze kans gemaakt Amerika te veroveren, maar het is er sinds het begin van de kolonisatie wel aanwezig, heeft er een serieuze evolutie doorgemaakt, is pas sinds een goede halve eeuw in zijn geëvolueerde vorm van de kaart geveegd (toch wat actieve sprekers betreft), en moet – gaat u even dat zoutvaatje halen – ook voor de toekomst niet noodzakelijk beschouwd worden als volkomen kansloos. Zoals Dröge immers schrijft in zijn Epiloog: Het post mortem van de Tawl “spreken [tegenwoordig] nog zo’n 150.000 Amerikanen Nederlands (…) Het zijn hoofdzakelijk recente migranten en mensen die lang in Nederland hebben gewoond. Procentueel kent de kleine staat Delaware het hoogste aantal Nederlandstaligen. Het noordelijke deel van die staat maakte korte tijd deel uit van de kolonie Nieuw-Nederland, maar de huidige sprekers hebben daar niets meer mee te maken”. Die huidige sprekers zijn allicht ook iets minder hardnekkig dan de ‘oude’ sprekers, terwijl ook van hen Charles Gehring, “de man die duizenden documenten vanuit de Tawl [zoals u al begrepen had, de in Noord-Amerika verder geëvolueerde variant van het Nederlands, noot van mij] vertaalde naar modern Engels”, al zei: “Duits heeft in bepaalde gemeenschappen in Pennsylvania ook overleefd. Misschien als de omstandigheden anders waren geweest, mensen andere prioriteiten hadden gehad. Maar de Nederlandse aard heeft niet geholpen.” Zoals de Vlaamse aard dat in Canada, in Wallonië en Brussel ook niet deed: wij Nederlandstaligen passen ons een beetje té vlot aan.

Maar goed, ik wil hier niet aan politiek doen, we waren bezig over dat boek van Philip Dröge. Een boek dat eindigt met iets dat dan Verantwoording heet, maar eigenlijk neerkomt op een van enige tekst en uitleg voorziene bibliografie. Per hoofdstuk georganiseerd weliswaar, dus niet per auteur, maar ook in die vorm op zich al een interessant gedeelte van dit boek. Verwijzingen naar ‘verdere literatuur’ zijn dat immers altijd. Net zoals de wijze waarop Dröge zijn onderzoek heeft opgevat: een soortement roadmovie met hemzelf in de hoofdrol, als volger van de Nederlandstaligen die in de eeuwen voorafgaand aan zijn bezoek de weg aflegden die hij aflegt, maar dan – hoe Nederlands kan het worden? – met de fiets. De route die hij daarbij volgt, staat in de binnenflap vooraan en achteraan afgedrukt en ook nog eens kleiner op pagina 6, en leidt, grof samengevat, van New York naar Amsterdam (zijnde dan wel het Amsterdam een paar tientallen kilometers links boven Albany), zij het dat ze niet altijd in de meest logische volgorde lijkt afgelegd: New York, Claverack, Kinderhook, Katsbaan, Albany, Schenectady, Mohawk-vallei, East Village (Manhattan), Hackensack, Paterson, Mahwah en Suffern, Ringwood, Ramapo-bergen, Pascack, Paramus, nog eens Albany (maar dan specifiek het New Netherland Institute, met de toevoeging “Pop. 1”), West Glenville, en Closters vormen de ondertitels van evenveel hoofdstukken, al heeft Dröge tussen al die plaatsen door wel meer haltes aangedaan dan enkel die. Fairfield en Clifton, onder andere, of minstens ergens daartussen: “Fairfield heette bijvoorbeeld ooit Gansegat; Clifton was het privébezit van een landmeter uit Utrecht.” Tussen die twee – of toch in het hoofdstuk dat tussen die twee als ondertitel heeft – komt hij ook tot een conclusie die regelmatig terugkomt in dit boek en wellicht even goed zal kloppen als die over de aard van ons Nederlandse volk: “De forenzen exporteerden de stad naar het platteland. ‘Deze nieuwkomers willen alles modern hebben, en voor zover de omgeving het toelaat, creëren ze in hun huizen in de voorsteden het comfort en gemak dat essentieel is voor stadswoningen,’ klaagde een regionale krant in 1893 over de verstedelijking en het ruimtebeslag van de nieuwe bewoners. De ecologie holde achteruit, bossen verdwenen richting de zagerij. Al dat omspitten en exploiteren van deze rijke gronden leidde tot het uitsterven van de Tawl. Dit is het verhaal van die opmerkelijk oude en taaie variant van het Nederlands. Het is zowel geschiedenis als een waarschuwing voor het moderne Nederlands, dat ook steeds meer onder druk staat van het Engels.”

Een verhaal waarvan de trieste afloop dus al van in het begin aangekondigd wordt – als dat niet zo geweest was, waren we daar wellicht van op de hoogte -, maar dat belet niet dat Dröge af en toe ook humor bovenhaalt. Bijvoorbeeld als hij het heeft over Manhattan (New York): “Wandelend door het oudste deel van de stad, het zuidpuntje van het eiland Manhattan, kijk ik toch naar ordinaire imitatie [van Amsterdam, noot van mij]. En niet eens heel erg goede. Rond de kruising van Stone en William Street, niet ver van het wereldberoemde beursgebouw aan Wall Street, staan een paar huizen die heel hard proberen om Amsterdam te zijn, maar de plank volledig misslaan. Alles klopt op het eerste gezicht, de bakstenen panden hebben klokgevels en de ramen zijn omzoomd door witte sluit- en aanzetstenen. Alleen hebben ze de verkeerde schaal, niet de juiste verhoudingen en vooral een bombastische uitstraling die in niets aan de grachten doet denken. Eerder aan een slecht Hollywood-decor. Het enige wat aan de Nederlandse hoofdstad herinnert, is dat er veel vrijgezellenfeesten door de straatjes lallen en dat niemand Nederlands spreekt.” Of even later, als het gaat over het feit dat de Nederlanders datzelfde, maar veel ‘legere’ Manhattan kochten van de aldaar toen heersende Lenape-indianen: “De Nederlanders dachten het netjes te hebben gedaan, ze kóchten het puntje van Manhattan. De zijkant van het monument toont een reliëf van een man in typische Nederlandse dracht uit de zeventiende eeuw. Hij geeft een indiaan – verentooi, ontbloot bovenlijf, vierkante kaak – een kralenketting. De versteende gezichtsuitdrukking van beide mannen moet aantonen dat ze erg tevreden waren met deze transactie. Wat betreft de Nederlander is dat goed voor te stellen, een flinke lap grond op een A-locatie in ruil voor wat spiegeltjes en kralen. Donald Trump had een zakenpartner bij een vastgoeddeal geen betere poot uit kunnen draaien. Alleen is het ronkende verhaal over de verkoop van Manhattan voor slechts een paar tientjes aan prullaria in de afgelopen eeuw ontkracht. De Nederlanders betaalden met ijzeren spullen die de indianen zelf niet konden maken, zoals scharen, ketels en bijlen. Die waren bijzonder waardevol voor ze. Bovendien kenden de Lenape op dat moment helemaal geen grondbezit, de aarde was van niemand. Land kon je net zomin verkopen als een zonsondergang of de stroming van de rivier, dachten ze, tot het moment dat ze Europeanen tegenkwamen met andere ideeën over eigendom en fortuin. De indiaan op het monument kreeg dus betaald in kostbare handelswaar voor iets wat eigenlijk niet van hem was. Vandaar zijn vergenoegde oogopslag, hij was de eerste New Yorker die een nietsvermoedende toerist had beetgenomen.”

Waarna u er zo’n beetje begint mee in te zitten dat dit weer zo’n hele lange boekbespreking wordt. ‘Achtduizend vijfhonderd karakters en we zitten nog steeds in Manhattan… Als we de rest van de eerder beschreven route ook nog moeten afleggen, dan duurt deze bespreking een eeuwigheid.’ En, eerlijk is eerlijk, ik heb inderdaad genoeg passages aangeduid om ze zo niet een eeuwigheid, dan toch wel redelijk lang te laten duren. Maar dat wil ik u niet aandoen, dus houd ik het verder bij kortere citaten en commentaar in telegramstijl. Over Franstaligen die zich tot twee keer toe aanpasten, bijvoorbeeld: “Een snelle blik in het online-telefoonboek leert dat in een straal van vijftig kilometer van haar graf nog altijd zeven families Rapelje wonen. De naam is afkomstig uit de stad Valenciennes in wat nu Noord-Frankrijk is. Het waren Walen die eerst in Amsterdam woonden en tot de eerste kolonisten in Amerika hoorden.” Of over Nederlandstaligen in de onafhankelijkheidsstrijd: “In de grafstenen aan de achterkant staan namen gebeiteld als Vrooman, Hogeboom, Van Deusen en Van Tassel. Daar ligt Robert van Rensselaer, de generaal van het rebellenleger dat de Britten uit Amerika gooide, held van de Slag bij Ticonderoga. Hij sprak als eerste taal Nederlands, net als een belangrijk deel van zijn troepen. Naast Van Rensselaer zijn nog 57 veteranen van de Onafhankelijkheidsoorlog hier begraven, bijna allemaal sprekers van de Tawl.” Of over de oorsprong van de afkorting OK, voluit Old Kinderhook, Martin van Buren, “de enige Amerikaanse president in de geschiedenis die niet Engels als eerste taal had. Een bijzondere man en een onalledaagse president. Hij sprak thuis en op straat in Kinderhook de Tawl, de Amerikaanse versie van het Nederlands.” Of over die merkwaardige gelijkenis met Zuid-Afrika: “Begin negentiende eeuw schaften New York en New Jersey geleidelijk de slavernij af, want dat ging in de Verenigde Staten aanvankelijk staat per staat. Op dat moment sprak een vijfde van de slaven in die staten Nederlands, hebben historici ontdekt. Daarnaast gebruikten ook vrije mensen van Afrikaans-Nederlandse afkomst de Tawl. Het gaf deze groep zelfs een heel eigen culturele identiteit. Sommigen voelden zich meer Nederlands dan Afrikaans.” Of – nog eentje dan – over Beverwijck, tegenwoordig Albany genaamd: “Wie geblinddoekt in het hart van Albany wordt gedropt, zal even schrikken. Het regeringscentrum van de staat New York lijkt wel erg veel op de hoofdstad van Noord-Korea. Op een vijftien meter verhoogd en reusachtig plein staan vier massieve, hermetische en identieke wolkenkrabbers. Kantoren voor de werkbijen van de staat, maar vooral de verzinnebeelding van een overheid die zichzelf heel belangrijk vindt.”

Waarmee meteen is aangegeven dat dit boek behalve voor taal- en geschiedkundig geïnteresseerden ook een mooie inleiding kan vormen tot (delen) van de moderne Verenigde Staten. Delen waarop geen enkele Europeaan jaloers hoeft te zijn, delen die ook mogen doen besluiten dat de Verenigde Staten alle redenen hebben om wat van het geld dat ze in buitenlands ‘beleid’ steken te investeren in eigen land, delen die voor een groot deel ontstaan zijn door wat de auteur elders aanduidt als een telkens weer voorkomende (en in de Amerikaanse aard liggende) sequentie van proberen, falen, en elders nog eens proberen, delen die hij verder ook nog omschrijft uitgaand van de uitleg die hij kreeg over hoe “het oude Albany op Haarlem leek”: “(…) je steekt alle huizen rond de Grote Markt in de fik en gooit een sloopkogel tegen de Sint Bavo. Op de plek die is vrijgekomen, bouw je vervolgens de natte droom van Le Corbusier”. Laat duidelijk zijn dat Dröge geen fan is van modernisme. Maar hij mag wat mij betreft ook nog een keer proberen over de grens met Vlaanderen te kijken en na te denken over wat hij op pagina 96 schrijft: “Een van de belangrijkste veranderingen op Amerikaanse bodem is dat de typisch Nederlandse ij of ei verdwijnt. De klank wordt ai. Dat is eenzelfde ontwikkeling als het Standaardnederlands nu al een tijdje ondergaat. Trijntje Oosterhuis heeft het over verleden taid, Paul de Leeuw zingt blaif bai mai, Sylvana Simons is dol op schraivers. Poldernederlands, zoals taalkundige Jan Stroop het noemt. Sommige mensen vinden het pain laiden om naar te luisteren, maar het heeft dus een lange geschiedenis. In Nederland is het begonnen onder hoogopgeleide vrouwen in de Randstad, maar hebben ook mannen en andere groepen deze uitspraak ondertussen opgepikt”. Zouden de Antwerpenaren hun dialect, dat bij mij ook tot “pain laiden” leidt, dan overgenomen hebben van Sylvana Simons of van de Amerikanen, dat vraag ik me af.

Nu goed, dat is één puntje van kritiek op wat Dröge in dit boek allemaal aan informatie verzameld heeft, en misschien vindt dat Antwerpse spraakgebrek wel elders zijn oorsprong. Erg veel leed veroorzaakt dat laatste nu ook weer niet bij mij, ik kom zeer zelden in het stad. Wat voor John Taylor waarschijnlijk ook gold, maar niet voor zijn mogelijkheden mensen die Nederlands spraken te ontlopen: “Een Britse priester die deze reis in westelijke richting in 1802 te paard maakte, was verbaasd over de Nederlandstalige mensen die hij tot zijn afgrijzen steeds weer tegenkwam. The reverend John Taylor had van alles verwacht, maar niet dat ze hier een taal spraken met van die vreselijke raspende keelklanken.” Zoals het voor een – in tegenstelling tot Dröge – niet vooraf goed geïnformeerde Nederlander of Vlaming nogal verrassend zal zijn als hij in het Arkell Museum in Canajoharie een schilderij tegenkomt dat hij van het Rijksmuseum kent: “De lichten floepen aan door de bewegingssensor, ik ben de eerste gast van de dag. Daardoor doemt gelijk het kunstwerk op waarvoor ik ben gekomen. De kapitein is er, met zijn ietwat verbaasde blik. Naast hem de luitenant, met zijn wufte hoed met grote veer. En dat wat merkwaardige meisje in een gele jurk dat uit beeld lijkt te lopen. Ik bekijk ze van heel dichtbij. Dat zou ik bij de originele Nachtwacht nooit mogen. Het schilderij is een bijna exacte kopie van het toppunt van Rembrandts kunnen, in opdracht gemaakt door de Rotterdamse kopiist Martin Korpershoek in 1927. Pas toen het klaar was, kon dit museum open. Het is alleen een paar centimeter kleiner dan het origineel. ‘Om in deze tentoonstellingsruimte te kunnen passen,’ vertelden de mensen achter de balie me. Er was wat miscommunicatie geweest met Korpershoek over de afmetingen.”

Help, zeg, daar heb ik er toch weer een veel uitgebreider citaat tegenaan gegooid. Tijd om er echt mee te stoppen. En u dit boek ook voor het overige ten zeerste aan te bevelen. U zal genieten van, om maar een paar dingen te noemen, het verhaal over de oorsprong van de kerstman (een oorsprong die uiteraard, zoals de enigszins welopgevoeden onder ons weten, in Nederland ligt), en dat over The Legend of Sleepy Hollow en Rip van Winkle. Over hoe de naam van de New York Knicks verwijst naar het werk van Washington Irving, en die van Vanderbilt en Roosevelt (die zijn eed aflegde “op een Zeeuwse bijbel uit 1686”) naar hun Nederlandse afkomst. Over John D. Rockefellers landhuis dat de naam Kykuit droeg. Over de Stuyvesant-boom. Over (New) Jersey gezien vanuit New York (“het andere kengetal, de verkeerde postcode”). Over Het Oosten en de New Jersey Telegraaf. Over Dyneley Prince en zijn ‘ontdekking’ van het Leeg Duits (“Eindelijk heeft de wetenschap de Tawl ontdekt”, dixit Dröge). Over “Indianen uit Overijssel”, “Indianen” met familienamen als “De Freese, De Groat, Van (der) Dunk en Mann”. Over “feest of”, “the glim”, “clove” en “bockies”. Over John Storm en Lawrence Gwyn van Loon. Over hoe Afrikaans en de Tawl lijken op mekaar, maar ook van mekaar verschillen. Over zoveel meer nog dat ik hier niet zal beginnen opnoemen omdat deze boekbespreking alsnog dubbel zolang geworden is als toen ik tot de conclusie kwam dat ze riskeerde te lang te worden...

Björn Roose

vrijdag 16 januari 2026

Xanthippe – Paul Lebeau (boekbespreking door Björn Roose)

Xanthippe – Paul Lebeau (boekbespreking door Björn Roose)
Over Paul Lebeau, de auteur van voorliggend werk, Xanthippe, kan u, en dat is niet met alle Vlaamse auteurs het geval, een en ander lezen op Wikipedia. Dat hij geboren werd in Borgerhout in 1908, bijvoorbeeld, en stierf in Brussel in 1982. Of dat hij in 1930 doctoreerde met een proefschrift Het dilettantisme in de Nederlandse literatuur, in 1931 een loopbaan in het onderwijs begon, in 1934 “met succes had deelgenomen aan een interuniversitaire wedstrijd” waardoor hij de kans kreeg verder te studeren, en dat hij “cursussen [volgde] in vergelijkende literatuurstudie te Parijs en Berlijn”. Of dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog “enkele artikels [publiceerde] in Volk en Staat, waarin hij sympathie uitdrukte voor de Nieuwe Orde”, “lezingen in collaborerende verenigingen [gaf]”, en “als gevolg [daarvan] (…) bij de Bevrijding korte tijd [werd] aangehouden”. Of dat hij “na de oorlog (…) redacteur van Dietsche Warande en Belfort en bestuurslid van Boekengilde De Clauwaert [was]”, “onder het pseudoniem van Lambert Stiers (…) toe[trad] (…) tot de redactie van het Vlaams-nationale, culturele maandblad Golfslag” en “In 1953 (…) de literaire kring De Tafelronde [stichtte] en (…) mederedacteur van het gelijknamige tijdschrift [was]”. Of dat hij “les [gaf] aan verschillende athenea, tot hij in 1958 werd aangesteld als docent aan de toenmalige Economische Hogeschool Sint-Aloysius en vanaf 1960 ook aan de Facultés Universitaires St.Louis”, functies die hij bleef “uitoefenen tot zijn pensionering in 1978”. Of dat hij “in 1970 (…) lid [werd] van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde als opvolger van Stijn Streuvels”. Maar ook dat hij “vooral [naam maakte] met zijn historische roman Xanthippe (1959), waar hij zijn vroegere productie ruimschoots overtrof, en waarvoor hij drie maal bekroond werd. In deze roman laat hij, met veel medegevoel en begrip, de beruchte echtgenote van Socrates haar levensverhaal vertellen”.

Van wat u hierboven las als ‘feiten’ – ook daarover is af en toe wat te vinden op Wikipedia – vindt u ook heel wat terug in het boek. Of toch in de versie die ik daarvan heb, de in 1969 door voormelde Boekengilde De Clauwaert (u ongetwijfeld ook bekend van talloze andere door mij besproken boeken) in de serie Caleidoscoop der Nederlandse Letteren uitgegeven versie. Die is namelijk voorzien van aantekeningen “door Dr. P. Govaerts & Dr. B.F. Van Vlierden” (van wie ik de volledige namen niet achterhaald heb), die ook gezorgd hebben voor een tweeëndertig bladzijden lange bijlage onder de titel Vragen en opgaven, wat er dan weer schijnt op te wijzen dat deze uitgave voor het onderwijs was bedoeld (niemand dacht er in die tijd aan Bob Dylan de Nobelprijs voor Literatuur te geven en boeken lezen op en/of voor school was toen nog een serieuze bezigheid). Behalve die bijlage, in de titel niet voor niets voorzien van een Romeins cijfer VII, vinden we achteraan in het boek dan ook hoofdstukken over De auteur (I), De generatie van 1936-39 (II), De motieven van Paul Lebeau (III), een Bibliografie met A. Werk van Paul Lebeau, B. Andere literaire werken over Xanthippe, en C. Over Paul Lebeau (IV), Xanthippe, legende of historie? (V), en Wat schrijvers en critici denken over Xanthippe (VI), toevoegingen waardoor de toenmalige scholieren het zonder twijfel zónder Wikipedia konden doen én… zich niet lieten misleiden door diezelfde ‘online encyclopedie’. De schrijvers en critici van toen waren namelijk niét van oordeel dat Xanthippe een “historische roman” was. En daar hadden ze volkomen gelijk in. Al is het maar omdat, zoals het in V. Xanthippe, legende of historie? luidt, men “Van Xanthippe, Sokrates’ echtgenote, (…) bitter weinig en eigenlijk niets met zekerheid [weet]”: “Ze wordt vermeld door de twee grote antieke schrijvers, Platoon en Xenophoon, die ons veel over Sokrates meegedeeld hebben. Meermaals gebeurt het dat men de grootheid van een historische en stilaan legendarisch geworden figuur meent te moeten steunen op de bekrompenheid van haar omgeving. De grote wijsheid van Sokrates werd een absoluut begrip, en Xanthippe betaalde zijn roem met haar slechte naam. Allerhande legenden ontstonden rondom haar persoon, waarvan de waarheid niet te achterhalen valt en overigens dikwijls mag betwijfeld worden. De geest van de Griekse wijsbegeerte uit die tijd heeft deze strekking ongetwijfeld voedsel gegeven: zij koesterde een grote minachting voor de vrouw, en zelfs de liefde tot haar werd als minderwaardig beschouwd. Slechts als moeder vond ze daarin genade. Zo werd de naam ‘Xanthippe’ synoniem en symbool van alle vrouwelijke gebreken, vooral van domheid en kijfzucht.”

“Het is een van de grootste verdiensten van Paul Lebeau”, luidt het dan ook verder in datzelfde hoofdstuk, “dat hij de legendarische figuur van Xanthippe een volledig menselijke en psychologische verantwoording heeft geschonken, die terzelfder tijd een rechtvaardiging is geworden. Aan de vlakke en eenzijdige karikatuur heeft hij een dimensie toegevoegd: die van het leven zelf dat hij in zijn boeiende roman heeft opgeroepen.” Vandaar dat Albert Westerlinck in Dietsche Warande en Belfort schreef: “Historische roman? De personen, de feiten en de milieuschildering zijn voor een deel historisch. Wie enigszins vertrouwd is met de klassieke oudheid zal worden bekoord door de fijnzinnige – en nergens pedante – schildering van het Griekse milieu in de eeuw van Perikles. Lebeau heeft er zelfs naar gestreefd, aan zijn roman een objectief waarheidskarakter, of liever de schijn daarvan, te geven door aan zijn stijl een klassieke allure te schenken. Beelden en taalwendingen roepen voortdurend klassieke herinneringen wakker. Toch zijn opzet en uitwerking van deze roman grotendeels subjektief-persoonlijk. Een groot deel van de handelingselementen en van de psychologische karakterinhoud van ‘Xanthippe’ is inventie van Lebeau. Het is hem ook niet om het vertellen van een antieke historie te doen. Hij wil integendeel een probleem, dat hem persoonlijk heeft getroffen, in een antiek verhaal vermommen zoals moderne auteurs vaak hebben gedaan (…)”.

De rest van de schrijvers en critici – Paul Hardy, Raymond Herreman, Feniks (van ‘t Pallieterke), Hubert Lampo, André Demedts, Bernard Kemp, Maria Rosseels, J. Snyders, H. Prijs, R. Van de Moortel, Urbain van de Voorde, en de “jury van de Literatuurprijsvraag der gemeente Hilvarenbeek 1960” –, of toch hun mening betreffende Lebeau’s Xanthippe, laat ik over aan wie dit boek in handen zou krijgen, maar sluit zeer nauw bij die van Westerlinck aan. Iets waar ik mee kan leven en wat ik niet as such ga herhalen. Ik voeg er liever een paar dingen aan toe. Deze Xanthippe is geschreven vanuit de positie van de hoofdpersoon zelf, die haar verhaal begint als een afscheidsbrief aan haar kinderen (en die van Socrates dus), een afscheidsbrief die ze opmaakt nadat ze al in den vleze – maar zonder dat de kinderen dat als dusdanig opgevat hebben – van hen afscheid genomen heeft en vóór dat ze zelf de gifbeker zal ledigen. Een afscheidsbrief die misschien – zoals de zelf nu ook niet meteen vlot schrijvende Hubert Lampo aangeeft – “ietwat stroef” begint, maar waardoor je als lezer al snel in de stijl van het verhaal zit en waar je na verloop van tijd, al helemaal als vanaf hoofdstuk II (niet te verwarren met bijlage II) het voortdurende letterlijk aanspreken van de kinderen vervalt, volkomen aan went: “Weent niet mijn zoons, nu gij deze rol uit mijn dode handen hebt losgemaakt, maar luistert naar mijn woorden. Ik heb de scheerlingbeker gedronken zoals destijds uw vader Sokrates. Want mijn taak is volbracht nu ook Menexenos gehuwd is en gij allen gelukkig woont in uw eigen huis. Ik ben niet heengegaan omdat gij mij verlaten hebt en nu een andere vrouw uw kleren weeft en uw maal bereidt. Ook niet omdat ik oud ben en mijn schoonheid sinds lang vervlogen weet als de rook van een uitgebrand vuur. En vooral niet omdat gij, mijn goede Hippobotos, die mij en de mijnen zoveel goeds gedaan hebt al die jaren, iets zou nagelaten hebben om mij gelukkig te maken. Maar zoals de slavin, die ‘s avonds de kinderen van haar meesteres heeft te ruste gelegd en even aan de deur van hun kamer luisteren wil naar de regelmaat van hun ademhaling, slechts het onrustig kloppen voelt van haar eigen hart om zich dan te spoeden naar de duistere boomgaard achter ‘t huis waar haar geliefde wacht, zo spoed ik mij, nu ik u bezorgd weet, naar de duistere Hades, want waar mijn man is daar hoor ook ik. (…) Immers dood ben ik al lang, want met Sokrates ben ik gestorven. Maar terwijl mijn ziel hem achterna wou, had hij mijn lichaam hier vastgepend met jullie zwakke armpjes. Ik kon niet, zoals hij, met een licht gemoed de kinderen overlaten aan hun lot. Zijn faam van deugdzaam burger was hem liever dan de zorg voor zijn gezin. Maar in deze stad, waar gewetenloosheid de zekerste waarborg lijkt voor de hoogste eer, bezit een vrouw geen recht en dus geen burgereer; en zelfs al had ze die, dan zou ik ze geestdriftig prijsgegeven hebben, als ik daardoor beter de toekomst van mijn kinderen kon beschutten.” Een uitgebreid citaat waarmee voor een niet onbelangrijk deel ook het karakter van Xanthippe is geschetst: in essentie wil ze haar man volgen, maar ze heeft haar verantwoordelijkheid genomen door dat niet te doen, en ze neemt hem kwalijk dat hij niet zijn verantwoordelijkheid genomen heeft om zo niet voor haar dan toch voor haar kinderen te zorgen. Omdat hij zich drukker maakte, ook voor hij de gifbeker ledigde, over zijn principes dan over zijn naasten. Omdat hij wel met de fysieke gevolgen van z’n keuzes voor zichzelf kon leven, maar geen rekening wenste te houden met de fysieke en psychische gevolgen van z’n keuzes voor en met anderen. Een gedragswijze die niet specifiek was of is voor Socrates – zie de rol van Alcibiades in dit verhaal (en in de werkelijkheid) -, maar die ík in ieder geval moreel verwerpelijk vind, wat het me dan weer makkelijk maakte sympathie op te vatten voor de hoofdrolspeelster. Iets waarvan ik geloof dat het ook in de bedoeling van Lebeau lag, al heeft hij niet geprobeerd Xanthippe ‘beter’ af te schilderen dan de ‘gemiddelde’ vrouw, in tegendeel, hij heeft hier de verdediging van precies die ‘gemiddelde’ vrouw op zich genomen. Een ‘gemiddelde’ vrouw die perfect van haar vader kan houden tot bij zijn dood, van één man, van haar kinderen, en toch (en niet alleen daarom) niet wil beschouwd worden als quantité négligeable. Zoals een ‘gemiddelde’ man dus. “En daarom trouwde ik de enige man in Athene, die geen onderwerping eiste van zijn vrouw.”

Björn Roose

dinsdag 13 januari 2026

Op oorlogspad in Japan – Adriaan van Dis (boekbespreking door Björn Roose)

Op oorlogspad in Japan – Adriaan van Dis (boekbespreking door Björn Roose)
Eerlijk is eerlijk, de naam Adriaan van Dis deed bij mij tot voor kort alleen belletjes afgaan in verband met tv-programma’s die ik nooit gezien had. Dat zijn gewoon de meeste tv-programma’s, voor alle duidelijkheid, maar Van Dis was dus, onder andere maar vooral, presentator van – hoe onverwacht – Hier is… Adriaan van Dis. Een van die vele programma’s die ik nooit gezien en nooit gemist heb.

In tegenstelling tot het feit dat hij ook schrijver was (of is, want zijn voorlopig laatste werk dateert uit 2024, al wordt hij volgend jaar tachtig) en wel al sinds 1983. Shame on me bijgevolg, maar voorliggend Op oorlogspad in Japan heeft me er in ieder geval van overtuigd dat ik behalve het daarnaast reeds in mijn boekenkasten staande Het beloofde land bij gelegenheid ook maar eens wat andere boeken van hem moet in huis halen, al zullen dat dan eerder Tikkop, Casablanca of In Afrika zijn dan Zilver of Dubbelliefde. De tweeledigheid van de auteur wat betreft zijn afkomst (half Nederlands-Indisch, half Nederlands) interesseert me immers beduidend meer dan de tweeledigheid van de auteur wat zijn seksuele smaak aangaat.

Op oorlogspad in Japan gaat dan ook niet over dat laatste, maar, om even kort door de bocht te gaan, over de ervaringen van zijn ouders met de Japanse overnemers van Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bij momenten is dat meer een kapstok dan het eigenlijke onderwerp, maar het werd klaarblijkelijk wel de rode draad doorheen Van Dis’ reis naar Japan in het voorjaar van 2000, een reis waartoe hij samen met een aantal andere Nederlandse schrijvers was uitgenodigd om op de Boekenbeurs in Tokio hun naar het Japans vertaalde boeken voor te stellen: “(…) ik zou een lezing houden ter ere van de nieuwe behuizing van het Japan-Nederland Instituut. Niet dat ik van het bestaan afwist – ik ben geen Japan-kenner – maar naast alle officiële sprekers verlangden de organisatoren naar een minder opgepoetste spreker. En waarom dan geen schrijver, ze liepen nu toch los. Ik was vrij in mijn onderwerp. ‘Niet over de oorlog,’ zei ik zonder dat me iets was gevraagd. Het opgeluchte ademhalen aan de andere kant van de lijn had een waarschuwing moeten zijn; eager to please als ik ben, had ik mezelf nog voor de eerste regel op schrift stond een verbod opgelegd en daarmee had ik meteen het onderwerp te pakken: ik zou het hebben over hoe verboden Japan voor mij was; en natuurlijk kwam dat allemaal door die stomme oorlog. Erg beleefd vond ik het niet tegenover mijn gastheren, en was het ook niet tamelijk bot om op de dag van de viering van vierhonderd jaar Japans-Nederlandse betrekkingen met een dieptepunt te beginnen? Maar een beetje oorlog moest – alleen aan het begin: ik had schaduw nodig om de contouren van mijn fascinatie voor Japan te kunnen schetsen.”

Met de tekst van genoemde toespraak, onder de titel Verboden land, begint dus dit boek. Waarmee die toespraak op zich weer de contour vormt van wat daarna volgt. Het hoofdstuk Moeder keurt de lezing in de eerste plaats. Moeder die denkt dat ze eventueel nog inspraak heeft, terwijl de lezing al lang en breed gedrukt is. Moeder die nog eens ondervraagd wordt door haar zoon (“Wie interviewt er nou zijn eigen negentigjarige moeder?”). Maar ook moeder die haar zegen geeft.

Waarna het enige nog resterende hoofdstuk volgt, Toeristenbrieven, naar de reisbrieven uit Azië die Louis Couperus schreef, al is dat hoofdstuk dan ingedeeld in een dozijn subhoofdstukken. Eentje met de titel Naar het uiterste oosten helemaal aan het begin, natuurlijk: “Couperus heeft me al lekker gemaakt… mooier dan de Betuwe zal het daar bloeien, de Japanse kersenboom draagt een grotere, vollere bloesem en heel het land zal in feeststemming zijn. Jarenlang knippen en manipuleren heeft van de bomen kunstwerken gemaakt – de smaak van kers is eraan opgeofferd: men viert de vorm, niet de vrucht.” En men wil die vorm proper houden, zo blijkt uit het daaropvolgende hoofdstuk Buigen en boenen: “Dichter bij Tokio bestudeer ik het ingehouden rijden. In colonne, zij aan zij, niemand die de aangegeven snelheid overschrijdt. Later, als ik uitgepakt en opgefrist de stad inga, verbaas ik me over het gedisciplineerde wachten voor de stoplichten, niet één die door rood loopt, ook als de weg vrij is. Ik voeg me in kaarsrechte rijen, neem de juiste kant van de trap – dalers links, stijgers rechts – en schuif aan achter de witte streep waar om de twee minuten de deur van een metrowagon zal openzoeven. Mijn ogen likken perrons zonder peuk en de glimmende gangpaden in de wagons. Reclameborden bungelen boven mijn hoofd, nergens een snor op de modellen, geen graffiti, junk of zwerver, geen penetrante geur tijdens het spitsuur; zweten de mensen hier niet, pist er dan niemand in zijn broek? Een paar haltes verder poetsen twee mannen de leuning van de roltrap, ze duwen met volle kracht een met alcohol bedwelmde doek tegen het voortdraaiende rubber. En daar staan er weer twee op een ladder, plastic wegwijsborden open te schroeven en dooie muggen uit te bezemen. Ik wil ook een Japanse poetser thuis (…) Ik verplaats me in een geboende stad en ik vind het héérlijk.”

Maar niet heus. Want in het daaropvolgende Vuile handen probeert hij er al achter te komen hoe hij achter de façade komt, een vraag die hij stelt aan Ian Buruma, jaren in Tokio woonachtig, spreker en lezer van de taal. Onder andere in hun voorliefde voor manga’s, klaarblijkelijk: “De stripblaadjes die jong en oud, man en vrouw, in de ondergrondse lezen. Dankzij mijn lengte las ik al menig verhaal over vreemde schouders mee. Je hoeft geen Japans te kennen om te begrijpen waar het over gaat. Schiet-, schop- en donderavonturen met veel seks. Op de Boekenbeurs liggen ze bij honderden uitgestald, want de uitgevers mogen dan deftig met westerse vertaalde literatuur flirten, het aanbod van plaatjes is groter dan dat van het woord. Ik zag al manga in automaten onderweg – op kleuterhoogte - maar in deze buurt, niet ver van Yoshiwara, de oude hoerenwijk, liggen ook de allerblootste varianten voor het grijpen, de ero-manga – het meest verkochte genre, gewoon bij de kruidenier, naast de rijstballen.”

Maar daar houdt de fysieke verkenning van de stad en het land wel zo’n beetje op (als je het avondje kijken naar “countertenor” – wat is er mis met ‘contratenor’?, vraag ik me dan af – Tomotaka Okomoto en het niet gerealiseerde bezoek aan het Yasukinischrijn niet meerekent). Volgen de schermutselingen op en rond de boekenbeurs. Schermutselingen met oude Japanners die de gebeurtenissen in Nederlands-Indië op een heel andere manier dan Van Dis’ vader en moeder of zelfs helemaal niet hebben gezien. Of toch hun best doen om die niet te hebben gezien. “Wat weet ik eigenlijk van die oorlog?”, vraagt Van Dis zich desalniettemin af. “Ik ken alleen de verhalen van thuis – de achterafverhalen van na het grote zwijgen; de geschiedenis heb ik nooit willen lezen.” En aan de andere kant wat Ian Buruma hem zegt: “Stel je voor, je vocht voor een ideaal en de rest van je leven wordt je verteld dat het eigenlijk schandalig was. Die spanning knaagt!” En niet alleen voor Japanners, zou ik daar aan toevoegen, zó ver hoef je daarvoor niet te lopen. Ook al niet wat de uitgedeelde straffen betreft: “(…) een tweede luitenant kreeg”, aldus amateur-historicus Morohoshi, “levenslang – ‘omdat hij de administratie van zijn kamp verbrandde’; de ‘army doctor’ vijftien jaar – ‘een man die nooit een wapen had vastgehouden’. De luitenant-generaal die de verantwoordelijkheid droeg voor het bestuur op héél Sumatra werd ter dood veroordeeld – ‘opgehangen’. De hoogste commandant van Morohoshi’s eigen bataljon kreeg geen straf, een man onder hem levenslang. ‘Het was pure wraak. Er heeft geen enkel onderzoek plaatsgevonden. Waarom de een wel, de ander niet? De gestraften hebben als symbool gediend.’”

Björn Roose