Een boek dat voor een niet onbelangrijk deel handelt over een ander
boek eerder bespreken dan dát boek, ik kan dat. En ik deed dat ook.
Met De wondergrijsaard –Portret van Harry Mulisch van Onno Blom, een boek waarin
De ontdekking van de hemel van genoemde Harry Mulisch
uiteraard een rol speelt.
Niet dat ik de boeken ook in die volgorde las: zoals aangegeven in
mijn bespreking van De wondergrijsaard was ik immers De
ontdekking van de hemel aan het lezen toen mijn vriendin De
wondergrijsaard meebracht van de openbare bibliotheek. Door een
zinnetje waarop ze me in dat boek wees, was ik ‘genoodzaakt’ dat
hele boek te lezen. Wat niet tot gevolg had moeten hebben dat ik dat
boek ook eerder besprak dan voorliggend De ontdekking van de
hemel, maar in tegenstelling tot wat geldt voor boeken uit mijn
bibliotheek zijn er inlevertermijnen voor boeken uit de openbare
bibliotheek, wat dan weer wél een snelle bespreking nodig maakte.
Aldus geschiedde en zo kwamen mijn trouwe lezers (een enorme schaar,
zonderling genoeg uit te drukken in één cijfer) te weten dat nogal
wat personen en evenementen uit het leven van Harry Mulisch zelf
ofwel model gestaan hadden voor of ongeveer letterlijk overgenomen
waren in De ontdekking van de hemel. Ik ga daar niet op
terugkomen, u leest die andere bespreking maar. En ik zal ook niet de
korte inhoud meegeven die op de achterflap van mijn bij De Bezige
Bij in 1998 verschenen eenentwintigste druk staat (simpelweg
omdat die korte inhoud er niét staat), maar ik kan me wel volkomen
akkoord verklaren met wat recensent Carel Peeters in Vrij
Nederland schreef (en wat wél op de achterflap van deze uitgave
staat): “Het indrukwekkendste van De ontdekking van de hemel
is misschien wel de volmaakte eenvoud waarmee dit toch allerminst
simpele verhaal wordt verteld.” De ontdekking van de hemel
telt negenhonderd bladzijden (zij het in niet al te kleine druk),
opgedeeld in vijfenzestig hoofdstukken, een Proloog, een
Epiloog, en een paar intermezzi, maar wordt nooit
ingewikkelder dan, pakweg, een aflevering van Tiktak. En dat
is een hele kunst. Een kunst die Mulisch – minstens hier, want voor
de rest heb ik op dit ogenblik nog geen boeken van hem gelezen –
tot in de puntjes beheerste.
Een “volmaakte compositie”, noemde de recensent van Der Stern
het, en dat in “een boek met een dusdanig overweldigende rijkdom
aan stof, met een dusdanig dolzinnig verloop”. Een “volmaakte
compositie” (“Alles verliep met de onverbiddelijke precisie van
een variatie van Bach”, schrijft Mulisch zelf ergens), die, aldus
nog die laatste recensent, er op lijkt te wijzen “dat daarin
inderdaad een hemelse regie schijnt te heersen”. Een “hemelse
regie” waarmee de lezer al in de Proloog kennismaakt, die
opnieuw opduikt in de Epiloog, en telkens weer in de
intermezzi aan het begin van de delen Het einde van het begin,
Het begin van het einde, en Het einde van het Einde
(waarbij ik de titel van het éérste deel niet noem omdat ik die al
genoemd heb in mijn bespreking van De wondergrijsaard). Een
“hemelse regie” ook die haar uitwerking al heeft gehad van bij
het begin van de Proloog (“Opdracht volbracht. De zaak is
rond.”, luidt het daar), waardoor de lezer zich alvast niet meer
moet afvragen of de zaak voor de actoren in die Proloog goed
afgelopen is, maar wel direct in het daarna komende verhaal over de
afhandeling van de zaak wordt meegezogen. Een zaak die duidelijk
nogal wat te maken heeft met genetica: “Geschreven in de
drie-letterwoorden van het vierletteralfabet wordt een mens bepaald
door een genetisch verhaal, waarmee het equivalent van vijfhonderd
bijbels gevuld kan worden. Daar zijn de mensen zelf intussen ook
achter gekomen.” Wat dan weer niet wil zeggen dat de mensen dat
genetische verhaal helemaal zelf in handen hebben: “Het decoderen
van het genoom, de volledige, geheime naam van een mens, is voor de
mensen zelf nu alleen nog een kwestie van geld, een dollar per
nucleotide om precies te zijn, dus van drie miljard dollar, en overal
op aarde wordt aan dat project gewerkt. Met hun biotechnologie zullen
zij de genetische essentie van een bepaalde eicel en van zo’n
bepaalde celkern met een staart binnen afzienbare tijd veel sneller
en eenvoudiger kunnen fabriceren dan wij die kunnen selecteren met
onze romantische, rijkelijk ouderwetse fokkerij, - maar het moest zo
nodig vóór het jaar tweeduizend.” Een “romantische, rijkelijk
ouderwetse fokkerij” echter die, een beetje zoals die waarmee de
Bene Gesserit in de Duin-cyclus bezig zijn, het voordeel van veel tijd heeft: “Ondanks alle
problemen zag ik zeventig mensenjaar geleden opeens een mogelijkheid,
de gewenste Vonk niet in vier maar al in drie generaties in de geest
en het vlees te krijgen.” Zeventig jaar geleden op het moment dat
Mulisch zijn boek begon te schrijven, dus tijdens de Eerste
Wereldoorlog, en wel bij ene Wolfgang Delius en een Eva Weiß, die de
ouders zullen worden van Max Delius, die dan weer bevriend raakt met
Onno Quist en een lief vindt met de naam Ada Brons, waarna die Onno
Quist en die Ada Brons, enzovoort, enzovoort. Het zou als een soort
familiegeschiedenis kunnen klinken (hoewel een wel zéér bizarre),
maar doordat je weet dat er een hemelse interventie gebeurd is, en
dus kan verwachten dat er nog méér van die hemelse tussenkomsten
zullen geschieden, vraag je je bij ieder hoofdstuk vooral af waar dit
heen gaat. En wáár het heengaat, kan ik u natuurlijk niet zeggen,
want dit boek is veel te mooi om zelfs maar stukken van de plot weg
te geven.
Wat me niet belet bijvoorbeeld te wijzen op de ongelooflijke
bondigheid waarmee Mulisch dingen schetst. Bijvoorbeeld hier: “De
papieren bleken te deugen, want met de kille handbeweging die de
politie overal ter wereld beheerste, of het nu in dienst was van het
communisme, het kapitalisme of het fascisme, werden zij doorgelaten.”
Of als hij de omgeving beschrijft van een of ander hippiemeisje
waarmee Max Delius het in het eerste deel aanlegt: “Zij woonde in
een fantasieloos flatgebouw, ruw neergeplant in een straat met
negentiende-eeuwse arbeiderswoningen. Ook toen zij over de galerij
aan de achterkant liepen, bleef zij zwijgen. In een klein, warm
appartement stak zij kaarsen en wierookstokjes aan, en gaf hem een
fles wijn met een etiket dat hem geen vertrouwen inboezemde. Terwijl
hij de fles tussen zijn knieën nam en het staal in de kurk zette,
vulde sitarmuziek de kamer. ‘Vanzelfsprekend,’ zie hij. ‘Ravi
Shankar.’” Ik weet niet of u het type ooit ontmoet heeft, maar ik
zag het in ieder geval weer zo voor me.
Zoals ik HAL weer voor me zie als ik deze scène lees: “Als
de croquetten op waren wandelden zij de stad in, waar de winterse kou
uit de lucht was verdwenen. Soms gingen zij eerst naar de bioscoop,
naar een James Bond-film, of naar de nieuwe Stanley Kubrick, 2001:
A Space Odyssey, waarin een computer, genaamd ‘HAL’, de macht
overnam in het ruimteschip. Toen zij op straat kwamen, - in de
uitgeloogde toestand waarin men dan buiten op de werkelijkheid stoot,
als op een grijze vijl, - vroeg Onno waarom die computer volgens Max
‘HAL’ heette. Vanwege de associatie met ‘hell’, opperde Max.
Verdraaid, daar had Onno nu weer niet aan gedacht. Maar of Max nu
eens van de letters H, A en L één letter verder wilde tellen in het
alfabet. ‘I,’ zei Max, ‘B, M, IBM!’ riep hij. ‘Chapeau!’
Onno trok een bescheiden gezicht. ‘Het is een gave.’” Een gave
die ook anderen, in de werkelijkheid, hadden, maar die volgens Arthur
C. Clarke, auteur van het boek waarop de film gebaseerd is en waarvan
ik in 2022 Deel 1 en 2 (2010: Odyssee 2 getiteld) besprak, tot onterechte conclusies
leidde. Wat op zich weer bijzonder was omdat in de film echte product
placement voor IBM zit en Kubrick, maker van de film, aan
IBM gevraagd had of ze zich bij de firma niet geërgerd zouden
voelen als hij een computer met een psychose zou gebruiken in zijn
film, iets waar Isaac Asimov zich in zijn robotverhalen nooit echt zorgen over gemaakt had (wat
misschien te verklaren viel door het feit dat hij zijn
computers/robots ondanks dát perfect liet beantwoorden aan
menselijke normen, zijnde de zogenaamde Drie wetten van de
robotica).
Ik heb die film pas met vele jaren vertraging gezien – ik was immer
nog niet geconcipieerd, alhoewel misschien wel door een of andere
engel in de hemel - toen hij uitkwam, maar de scène was wel een
leuke herinnering aan film en boek(en). Zoals de paragraaf over Freud
en Mahler me deed terugdenken aan Uitersten van A.J. Dunning. Of de dialoog “‘Vannacht stapt er een mens op
de maan.’ ‘Nou en? Als hij maar niet uitglijdt.” aan de koude
drukte rond het rondje langs de duistere zijde van de satelliet
vorige week. Zoals de zin over Leeghwater me terug bij Ingenieurs
van de ziel van Frank Westerman bracht. Of de uitweiding over Faust bij de
gelijknamige boeken van Johann Wolfgang von Goethe (die sowieso regelmatig ter sprake komt in De ontdekking van de
hemel). Of de vraag van de verpleegster bij de geboorte van
Quinten – “Mag ik hem hebben? (…) Zo’n schitterend kind heb
ik nog nooit meegemaakt.” – bij Het merkwaardige geval van Benjamin Button. Of zoals ik bij de scènes in Dwingeloo en de
sterrenwacht van Westerbork voortdurend beelden op mijn netvlies
kreeg van de foto’s die ik daar gemaakt had in 2017 (zelfs bij het
dorp naburige Amen had ik een directe herinnering), of zoals iedere
reislustige zich dít wel voor de geest kan halen: “Wie terugkomt
van een reis, draagt de afgelegde afstanden nog met zich mee als
gespreide vleugels – tot hij de sleutel in zijn voordeur steekt.
Dan vouwen zij zich op, en hij is weer in zijn huis als in het
middelpunt van een onoverschrijdbare stalen ring aan de horizon. Op
het moment dat hij de deur achter zich dichtdoet, kan hij zich al
niet meer voorstellen dat hij ooit weg geweest is.” Wat altijd weer
een goede reden is, toch in mijn geval, om er zo snel mogelijk nog
eens van door te gaan, en tussen de ene en de andere reis gemaakte
foto’s te verwerken en nieuwe reizen te plannen. Zoals ik telkens
weer het lezen van ‘nieuwe’ boeken plan of soms (zeg maar
meestal) al andere boeken heb gelezen tegen dat ik aan een bespreking
toekom en dan bij het lezen van wat ik aangeduid heb voor die
bespreking herinneringen ‘in de vooruit’ heb. Zoals die aan
Eyeless in Gaza van Aldous Huxley, bijvoorbeeld, bij het lezen
van deze passage: “‘(…) Voorbestemming is trouwens onmogelijk
in dit heelal, in verband met de constante van Planck. Die maakt
alles onzeker.’ ‘God heeft in zijn oneindige wijsheid ook de
constante van Planck geschapen,’ riep Onno met opgestoken
wijsvinger. ‘De constante van Planck is de openbaring Gods in de
natuur. Daardoor hebben wij een vrije wil en kunnen wij zondigen.
Waartoe zijn wij op aarde? Wij zijn op aarde om te zondigen en zo God
te verheerlijken.’”
Of om ook nog heel poëtische frases in een boek als dit te steken,
natuurlijk. Poëtische frases waarvan er veel zijn, maar waarvan ik
slechts deze meegeef: “Op het bordes haalde Max een paar keer diep
adem. Wat was dit voor nacht? Maar nu trof het hen, andere
nachten trof het anderen, en ook vannacht trof het ontelbare anderen,
- er was nooit een dag of een nacht of maar een moment, waarop zoiets
niet aan de gang was voor iemand, zo lang de mensheid bestond. Zonder
onderbreking waarde het onheil rond op aarde, als een zwaluw door een
muggenzwerm, met scherpe zwenkingen, zijn snavel wijd open.” Wat
dan weer niet zo heel veel later gevolgd wordt door een
filosofisch-ethische overweging als deze: “‘Ik zou,’ zei hij,
‘te weten willen komen, of die neuroloog en die chirurg werkelijk
voor honderd procent er van overtuigd zijn, dat Ada echt hersendood
is, dat er geen sprankje individualiteit meer rest van haar. Want al
is het maar nog zo’n klein beetje, dan is het moord. Zo steil ben
ik ook wel. Stel, er is alleen nog zoiets van haar over als een
eenjarig kind, dan mag het niet. Ook baby’s mag je niet vermoorden.
Maar als er echt helemaal niets meer is, nul procent, echt alleen nog
maar een plant, dan betekent het niets. Dan mag het.” Wat uiteraard
wil zeggen dat het nooit mag, want geen van ons kan weten of er niet
nog iets is. Iets tussen hemel en aarde, zou ik zeggen, iets dat daar
ergens zweeft, wachtend op ontdekking misschien. “Met hun raketten
verplaatsen zij zich al sneller dan de wind, dan het geluid zelfs, en
op een dag zullen zij de snelheid van het licht benaderen; met hun
televisie zijn zij in feite al bijkans alomtegenwoordig, zij kunnen
zien in het donker, zij kunnen het binnenste van een mens bekijken
zonder hem open te maken, met hun computers bezitten ze een
totalitair besturings- en controlesysteem, (...) zij kunnen
elementaire deeltjes waarnemen en zij weten al wat er tien tot de min
drieënveertigste seconde na onze lichtexplosie gebeurde. Voorbij die
grens falen hun theorieën tot nu toe, daar komen al hun berekeningen
voorlopig nog op oneindig uit (…)”.
Ik zou het ook nog kunnen hebben over filosofisch-esthetische
overwegingen (de merkwaardige gelijkenissen tussen verpleegtehuizen
en crematoria, bijvoorbeeld), Mulisch’ kijk op de vaderlandse
politiek, Piranesi’s Carceri, Germania, paasvuren en
zwerfkeien, provo’s en de Culturele Revolutie, Quintens Burcht,
quasar MQ 3412, Durchgangslager Westerbork, architecten en
muziek, Ptolemaes, Copernicus, Giordano Bruno, de opkomst en
ondergang van kastelen, de Very Long Baseline Interferometry,
Tsjernenko en Fidel, Einstein en Bohr, Cantor en Pythagoras, de
Gouden Muur en de Klaagmuur, Margaret Thatcher en Cleopatra, Leni
Riefenstahl en haar Triumph des Willens, de Italienische
Reise (van Goethe uiteraard, want daarnaar verwijst de titel van
het hoofdstuk, maar ook en vooral van Onno en vervolgens Quinten
Quist), de Wachau aan de Donau (ook een persoonlijke herinnering),
Edgar Allan Poe en zijn The Raven, de horentjes van Mozes (een
vertaalfout die nog steeds in vele kerken haar gevolgen heeft),
Sint-Jan van Lateranen en het Sancta Sanctorum, de ark, de
vernietiging van de zogenaamde tweede tempel in Jeruzalem, Pápa
Woytila, het testimonium, de Kettingkapel, en de fantastische
Indiana-Jonesachtige laatste hoofdstukken van dit boek,
hoofdstukken die ik in alle eerlijkheid niet verwacht had aan te
treffen op het einde van wat aan het begin ervan een ingewikkelde
familiegeschiedenis leek, maar als ik dat uitgebreid deed, dan zou ik
beslist te veel weg geven van het plot. En als ik te veel de
filosofische toer op ging eveneens. Dus doe ik dat niet, maar houd
het hierbij.
Boeken mogen dan immers al “kleine dingen” zijn, “zelden groter
dan een klinker, maar lichter, en bijkans onvindbaar tussen de
myriaden andere dingen die het aardoppervlak bedekten, en op weg
steeds onbeduidender te worden in de steeds sneller uit de abstractie
verrijzende, elektronische wereld”, zoals Mulisch schrijft aan het
begin van hoofdstuk zesendertig, Het monument, dit boek is een
monument en het verdient ook na de – gok ik – elfendertigste druk
nog steeds door iedereen gelezen te worden die ook maar een beetje
liefde voor boeken voelt. Met wat geluk vindt u het ergens voor een
appel en een ei (bij mij was dat in ieder geval zo) of in een goede
bibliotheek, maar ook de aankoop tegen de volle prijs lijkt mij de
moeite waard.
Björn Roose






