Ik kondigde het al aan in mijn bespreking van de korte biografie van
Knut Hamsun, toepasselijk Knut Hamsun getiteld, door Piet Schepens: dat ik De ontwrichten van
diezelfde Knut Hamsun zou gaan lezen. En wat boeken lezen betreft,
kan ik iets wat me bij andere voornemens niet altijd lukt, zijnde die
quasi onmiddellijk nakomen. Dus hier is ze, nog geen anderhalve maand
later, de bespreking van De ontwrichten. Een boek, ook bekend
onder de titel De stad Segelfoss, waar biograaf Piet Schepens
– ter herinnering – slechts zoveel woorden voor over had: “De
stad Segelfoss (1915), de geschiedenis van het Noorse
kuststadje, is een vervolg van Kinderen van hun tijd. De
hoofdpersoon is Holmengraa maar ook de andere inwoners nl. de
arbeiders, de hoteleigenaars, de handelaars, de intellectuelen –
allen ontwrichten in hun streven naar eer, macht en prestige; mensen
die zichzelf en elkander kwellen – spelen een belangrijke rol.
Stilaan ziet Holmengraa zijn ster tanen. Hij moet de handschoen
opnemen tegen de opkomende arbeidersstand, die in zich een opstandige
geest voelt opborrelen. Het enige Hamsunse type in deze roman, de
telegrafist Baardsen, gaat in dit midden van bekrompen mensen ten gronde.”
Kinderen van hun tijd had ik niet, noch heb ik, zoals ik u in
eerdergenoemde boekbespreking liet weten, in mijn bezit, en ik
vreesde een beetje dat ik daardoor een deel van De ontwrichten
zou missen, gezien het er toch een vervolg op is, maar ik had
uiteindelijk niet de indruk dat dat effectief zo was. Wat
waarschijnlijk voor een niet onbelangrijk deel aan de vertelstijl van
Hamsun ligt. Om het filmisch uit te drukken: hij begint met een soort
overzicht over het gebied, zoomt daarbij in op een niet echt
belangrijk personage (“Een man op den nieuwen vlagheuvel, wat voert
hij daar uit?”), legt verbanden tussen dat personage en een ander,
zoomt weer uit, gaat naar dat ander personage, enzovoort, enzovoort.
Op vrij korte termijn worden de meeste ‘spelers’ zo aan je
voorgesteld en begrijp je ook min of meer de verbanden tussen hen,
waarna Hamsun verder kan gaan met het iets langer volgen van elk van
die ‘spelers’. Zonder dat hij dat evenwel hele hoofdstukken lang
doet. Hamsun blijft nu eens met zijn schrijverscamera dié persoon
volgen, dan weer de andere, en dat is zelfs niet anders waar het “de
hoofdpersoon (…) Holmengraa” aangaat. Ja, die heeft een
belangrijke rol in het geheel te spelen (en niet alleen als quasi
gezagsloze “eigenaar van het molenbedrijf” en “koning op
Segelfoss”), maar ik ben niet zeker dat ik hem zelf wel “de
hoofdpersoon” zou noemen. Dat kan namelijk ook de ambitieuze
winkelier Theodor Jensen (zoon van de “lam en kapot op zijn bed”
liggende Per) zijn, of de (tijdelijk) teruggekeerde zoon Willatz van
de jaren eerder overleden luitenant Holmsen, of de genoemde
telegrafist Baardsen, al hebben de ándere personages (schoenmaker
Nils, dienstmeid Florentine, Lars Manuelsen, “mijnheer”
Diddriksen, advocaat Rasch, een toneelgezelschap, en noem maar op),
inderdaad net iets minder belangrijke, zij het nooit louter blad
vullende rollen.
Al wil dát dan weer niet noodzakelijk zeggen dat die laatste een
betere intro krijgen dan, pakweg, genoemde Theodor “van den
winkel”: “Die Theodor had een gelukkige hand bij alles wat hij
uitdacht en op touw zette, hij stelde zijn vader in de schaduw, hij
verdiende geld, terwijl zijn vader alleen maar geld gespaard had. Die
jonge man was nog maar in de twintig en hij had het klaar gespeeld om
al zijn concurrenten van de baan te duwen, pas nog had hij den bakker
met zijn heele bakkerij opgeslokt vanwege de schulden, die deze bij
hem had. Maar al had hij ook een taai hardnekkig karakter, toch was
hij bekrompen, die kerel, die goudklomp. Wat kon men ook anders van
hem verwachten? Als een geboren boer, als een uitgeslapen vos dreef
hij zijn handelsaffaire op uitstekende wijze, maar buiten zijn
bedrijf was hij niet meer dan de andere jongens van zijn stand, ja,
hij was misschien nog een beetje ijdeler en onnoozeler. De menschen
zagen hem met ringen aan zijn beide handen en soms liep hij met
zijden strikken aan zijn schoenen over den afschuwelijken vloer van
het magazijn. Zelfs de lui uit het dorp maakten zich vrolijk over
hem. ‘Dat had zijn vader eens moeten zien.’” Een vader die
trouwens niets te klagen heeft over het succes van zijn winkel in
handen van zijn zoon, gezien iedereen in de stad zo niet boven zijn
stand leeft, dat dan toch wíl doen: “En dan die vijfduizend kronen
[een gift van Holmengraa aan de gemeenschap, noot van mij] – wat
een treurige comedie kwam daaruit voort. De arbeiders stichtten
daarmee een bank, een arbeidersbank, de ‘Segelfossche Spaar- en
Leenkas’, en de advocaat en twee andere mannen werden tot
directeuren benoemd. Die leenden gedurende enkele weken al het geld
uit, de lui kregen voorschotten, ze verpandden hun woningen, hun
meubels en hun vee. Als Jens geld kreeg, moest Jacob het ook hebben;
dat werd een kleine epidemie, de een stond borg voor den ander.
Theodor van den winkel kreeg in die dagen heel wat contant geld
binnen; hij verkocht groote hoeveelheden stoffen, horlogekettingen en
fijne kaas. Tenslotte was er geen geld meer in de ‘Segelfossche
Spaar- en Leenkas’; de directie schraapte de laatste restjes bij
elkaar om haar eigen salaris binnen te rijven. De directeuren zeiden
tot elkaar: ‘Wat nu?’ Zij waren ten einde raad. Nu was het de
beurt van advocaat Rasch. ‘Als ik vrijheid krijg, dan zal ik de
bank redden,’ sprak hij. Hij kreeg de vrije hand, hij alleen bleef
directeur met een dubbel salaris. En nu volgden de incasseeringen en
advocaat Rasch verdiende daar goed geld mee. Hij stuurde den menschen
dagvaardigingen, hun boel werd in beslag genomen en hij belegde
veilingen. Theodor van den winkel kocht menigmaal groot slachtvee,
dat hij met de vrachtboot naar het Zuiden stuurde, en de advocaat
palmde een paar huisjes in, waar de bewoners hem huur voor moesten
betalen. O, dat was een omwenteling, een aardbeving; goede God,
niemand had van tevoren kunnen vermoeden, welke groote gevolgen deze
goede gift van vijfduizend kronen met zich mee zou brengen.”
Waarmee ook duidelijk moge worden dat Hamsun niet verlegen zit om
enig sarcasme. Een feit dat overal in dit boek opduikt, maar –
louter om die stelling te illustreren – bijvoorbeeld ook in deze
passage zit: “‘Ik zal je één ding zeggen,’ antwoordde Lars
Manuelsen met nadruk. Lars Manuelsen was er toe overgegaan een
heeleboel dingen met nadruk te zeggen, sinds hij de vader van een
groot man was geworden, sinds hij een pruik droeg, sinds hij geld
verdiende bij de handelsreizigers in het hotel. En bovendien was Lars
Manuelsen nu eigengeërfde op zijn stukje grond, waar twee koeien
graasden, hij kon nu zijn grooten zoon ontvangen, wanneer die zou
komen (…) Er waren ook anderen dan de ekster [een vogel die Hamsun
een paar hoofdstukken laat introduceren, noot van mij], die zich op
de lente voorbereidden; daar had je bij voorbeeld advocaat Rasch. Hij
liet alle sneeuwplekken op zijn stuk grond met zout bestrooien, om
den dooi te bespoedigen. Advocaat Rasch had in een paar jaren van dit
stuk grond een heelen tuin, een heel park gemaakt. Vroeger was het
een armzalig grasland voor twee koebeesten geweest, maar nu graasden
die er niet meer; overal waren struiken, boomen en gewassen geplant,
die het huis versierden en waarop alle menschen en het heele
Segelfoss trotsch waren. Advocaat Rasch had groote dingen tot stand
gebracht, sinds hij de middelen in handen had. Wat moest hij met
weideland en met koeien beginnen?” Een sarcasme dat een paar
tientallen bladzijden verder een niet eens sarcastisch vervolg krijgt
in de beschrijving van wat schoenmaker Nils overkomt als hij van
Baardsen geld gekregen heeft om zijn zoon achterna te reizen naar de
Verenigde Staten: “Nu het zoo geloopen was, kwam er niets van die
reis naar Amerika; hij kocht alleen maar voedsel om wat merg in zijn
beenderen te krijgen. De stakkerd kon dat goed gebruiken. Maar het
ongeluk was, dat het bederf hem aangreep en dat hij een steeds
grootere behoefte aan goede spijzen kreeg; het eene sleepte het
andere met zich mee. Hij had nu ook trek in veel sterkere koffie, dan
hij vroeger had gebruikt; de buitenlandsche kaas in den winkel lokte
hem eveneens aan. Dat werd een echte krankzinnigheid. Hij werd door
een wervelstorm meegesleurd, hij begreep niet, hoe hij vroeger zonder
blikjes had kunnen leven. Nu kon men versche vischcroquetjes middenin
den zomer krijgen. Je hadt tegenwoordig van die blinkende doosjes met
visch. Nils, de schoenmaker, had zelf een paar honderd meter door de
baai kunnen roeien om in zee schelvissen, botten en koolvisschen te
vangen; maar waarom zou hij dat doen? In den winkel vond hij blikjes
visch en allerlei delicatessen, die door het lange liggen nog
smakelijker waren geworden. Het was alsof zij in die olie helemaal
veranderd waren. Nils, de schoenmaker, had twee menschenleeftijden
tevreden in ontbering doorgebracht, nu had de tijd hem met zijn
nieuwe artikelen ingehaald en een caricatuur van hem gemaakt.” Of
hoe ‘vooruitgang’ en ‘luxe’ in veel gevallen achteruitgang en
armoede kunnen betekenen. Een vaststelling waarbij inderdaad geen
sarcasme komt kijken. Net zomin als bij het feit dat stedelingen door
de band genomen neerkijken op ‘plattelanders’, zelfs als dat
‘platteland’ voor een niet onbelangrijk deel uit stadjes bestaat
en de stedelingen in kwestie dat alleen maar zijn omdat ze van
buitenaf in die steden zijn gaan wonen: “Ik ben natuurlijk hier in
het Noorden geboren, zooals wij, ambtenaarskinderen, bijna allemaal,
maar daarna trok ik Zuidelijker en Zuidelijker en eindelijk belandden
wij in het Osterdal. Elverum en Hamar waren onze provinciesteden,
maar we hadden Christiana immers als onze hoofdstad. En later – dat
weet u toch ook, mijnheer de advocaat – later brachten wij al onze
studiejaren in Christiana door, is dat waar of niet? Zijn we daar
niet, om zoo te zeggen, gedoopt? We hadden natuurlijk onze basis van
ons ontwikkeld ouderlijk huis, maar de ontwikkeling van onze
levensbeschouwing, van onze politiek, onze kennis van het theater,
van de kunst, onze wetenschap – dat stamt alles uit het groote
Christiana. Dat is dus eigenlijk ons geboorteland.”
Nu ja, ik kan nog wel even doorgaan met de citaten, al heb ik, merk
ik, gaandeweg minder en minder als mee te nemen uit dit boek
aangeduid. Uitzonderingen daar gelaten als een zeer humoristisch stuk
zin genre “hij kon er aan denken zich uit zijn zaken terug te
trekken om een onderkin te cultiveeren” of “Muis had wel degelijk
een zwakke maag: een product van de verfijning van heele geslachten
voorouders”. Minder en minder dus omdat de verwachting die je aan
het begin hebt, zijnde dat uit de caleidoscoop van gebeurtenissen,
uit de opeenvolging van al die kleinzieligheden (want zelfs de
“opstandige geest” van de “opkomende arbeidersstand” waarover
Piet Schepens het had, produceert nauwelijks meer dan dat) toch
ergens een grote lijn zal voortkomen, wordt helaas niet positief
beantwoord. De zich vormende lijnen lopen allemaal nog vóór het
einde van het boek dood en het einde van dat ene personage, zijn
eenzame dood in een zinloos opgetrokken gebouw, vormt finaal óók
niet meer dan voer voor een al snel vergeten roddel: “De beide
mannen loopen haastig naar de stad Segelfoss en naar den winkel. Zij
komen de oplossing van een raadsel brengen – zij lossen het
misschien niet op, maar zij zijn gezwollen van het nieuws. Zij
kletsen en kletsen: ‘Hij zat in den kelder, hij was dood…’ Alle
menschen komen het te weten; zij luisteren ernaar, zij denken erover
na en zij hervatten hun dagelijksche werkzaamheden weer. Dan is het
afgeloopen en buiten in het Zuiden zingen de zwanen.” Ik vermoed
niét dat Knut Hamsun het belang van z’n eigen vertelling daarmee
onderuit wou halen, maar hij lijkt dat wel degelijk te doen. Of hij
wist voor het geheel ook geen beter einde te verzinnen dan dat. Ik
kan daar als lezer mee leven, maar het zorgt er wél voor dat de
positieve, stilistische kanten van dit bijna vijfhonderd bladzijden
dikke boek, ‘gecompenseerd’ worden door de negatieve inhoudelijke.
Björn Roose






