Om maar meteen enige mogelijke verwarring uit de wereld te helpen:
Maximiliaan Robespierre, de moordenaar van de Franse Revolutie
is de titel die ík koos voor dit boek van Ralph Korngold. Uit de
‘voorgestelde’ mogelijkheden weliswaar. Laat ons immers wel
wezen, rond de eigenlijke titel kan enige onzekerheid bestaan. Zélfs
als we het alleen maar over deze in 1986 bij Uitgeverij Kadmos
verschenen vertaling hebben. Binnenin het boek is de titel namelijk
wel degelijk Maximiliaan Robespierre, ondertitel De
moordenaar van de Franse Revolutie, maar op de cover en de
rug heet het simpelweg Robespierre, ondertitel De
moordenaar van de Franse Revolutie. Als oorspronkelijke titel van
het boek waarop deze vertaling gebaseerd is, staat er dan simpelweg
vermeld Maximilien Robespierre, maar ook dat kan niet kloppen.
Als het uit het Frans vertaald is (wat kan, gezien Korngolds boek
eerst in het Frans is verschenen), dan zou die titel Robespierre,
le premier des dictateurs modernes geweest zijn; als het uit het Engels vertaald is (de taal waarin het
boek naderhand vertaald werd) Robespierre: First
Modern Dictator.
Het is me dus niet duidelijk of de voornaam van de dictator in de
titel er alleen maar bij gekomen is in deze Nederlandstalige versie
(al staat ze zeker niet op de binnenpagina van de Engelse), maar door
dat te doen (én van de ondertitel niet ‘De eerste moderne
dictator’ of iets dergelijks te maken, maar De moordenaar
van de Franse Revolutie) heeft de uitgever in ieder geval óók
zijn steentje bijgedragen aan de onduidelijkheid die Korngold zelf
schijnt te willen zaaien hebben. Met betrekking tot het onderwerp van
dit boek, zou ik zeggen, maar ook met betrekking tot zichzelf.
Ralph Korngold is namelijk óók een biografie waard, zij het geen
van zo’n driehonderdzeventig bladzijden (zoals degene die hij
schreef over Robespierre). Hij werd geboren in Warschau in 1882, als
zoon van een Poolse jodin en een Nederlandse jood (met het enigszins
voor de hand liggende beroep van diamanthandelaar). Hij bracht het
grootste deel van zijn jeugd vervolgens in Amsterdam door, waar hij
vanaf zijn zeventien jaar meewerkte aan De Telegraaf en op
zijn negentien jaar een prijs won voor een in De Twintigste Eeuw
(een literaire krant, geen tijdvak) gepubliceerd kortverhaal. Op zijn
eenentwintigste verhuisde hij naar de Verenigde Staten om daar aan de
slag te gaan als buitenlands correspondent voor De Telegraaf,
een bezigheid die hem kennelijk een vijftal jaar later (in 1908 dus)
inspireerde tot het lid worden van de Socialist Party of America,
een marxistische partij die in 1901 gesticht was (en er pas met
oudejaar 1972 het bijltje zou bij neerleggen), waarvoor hij ook zou
gaan schrijven in de Chicago Daily Socialist. Vanaf 1911 begon
hij de Verenigde Staten rond te trekken als spreker voor de partij;
in 1912 trouwde hij met partijgenote Janet Fenimore; in 1914 werd hij
verantwoordelijke voor de afdeling Literatuur en bedrijfsleider van
het wekelijkse nationale nieuwsblad The American Socialist; en
in datzelfde jaar… verliet hij de ‘beweging’. Waarna hij in één
– bad pun intended – beweging naar de andere kant van het
politieke spectrum trok en baas werd van een succesvolle zaak in
bestek, en zo genoeg geld wist binnen te rijven om zich daar verder
even niet mee te moeten bezighouden. In 1924 trok hij naar de Franse
Rivièra, in de hoop daar een succesvol fictieschrijver te worden,
maar dat leverde hem in de eerste plaats de scheiding van zijn vrouw
(en zoon) op en vervolgens de noodzaak terug te keren naar de
Verenigde Staten om daar terug in zaken te gaan. Na drie jaar, in
1933, was hij er echter in geslaagd financieel weer boven water te
komen, en trok hij opnieuw naar Frankrijk om daar dit keer een
carrière te beginnen als non-fictieschrijver, een voornemen waaruit
in de eerste plaats Robespierre: le premier des dictateurs
modernes voortvloeide, en opnieuw te trouwen, dit keer met een
Hongaarse jodin, Piri Helen Ozer. Een huwelijk dat, wegens de Duitse
inval in Frankrijk, al snel gevolgd werd door een nieuwe emigratie
naar de Verenigde Staten, waar Korngold opnieuw een carrière als
zakenman opnam en wel tot een hartaanval in 1946 hem dwong met
pensioen te gaan, een gebeurtenis die hem er toe aanzette een derde
loopbaan als schrijver aan te vatten.
Van die bezigheden, én van de bezigheden in zijn eerdere jaren,
bleef genoeg bewaard om een en ander op te nemen in de collectie van
The Newberry,
een in Chicago gevestigd cultureel instituut, maar ook zónder dat
begrijpt u allicht al wat ik bedoelde als ik eerder in deze
bespreking schreef dat Korngold ook over zichzelf verwarring zaaide.
Communist of kapitalist, zakenman of schrijver, Amerikaan of
Europeaan, Korngold leek afwisselend allerlei kanten op te gaan en
dat is ook iets wat hij frequent heeft gedaan in deze biografie van
Maximiliaan Robespierre, in de woorden van Wikipedia “Frans
advocaat, staatsman en lid van de Nationale Conventie en van het
Comité de salut public, tijdens de Franse Revolutie”, organisator
van de Terreur, en “verantwoordelijk voor een groot aantal
arrestaties en slachtoffers door de guillotine”, maar volgens
Korngold altijd welmenend, eerlijk waar anderen dat niet waren, voor
de gek gehouden door de stouteriken rond hem (“De samenzwering om
Robespierre ten val te brengen is op touw gezet door mannen ‘die
verzadigd waren van bloed en roof’ en die Robespierre ter
verantwoording wilden roepen voor al het machtsmisbruik waaraan zij
zich als proconsuls schuldig hadden gemaakt”), en altijd weer ziek
of op andere wijze geheel van het toneel verdwenen als anderen, al
dan niet in zijn naam, misdaden begingen (nadat hij zo’n zes weken
in Atrecht gedaan heeft alsof hij niet bestond, keert hij op 28
november 1791 terug naar Parijs, een reis waarvan Korngold durft
beweren dat het “wel erg belangrijk voor hem [moet] zijn geweest om
op de hoogte te komen van de stand van zaken, want hoe lang en
vermoeiend de reis van Atrecht naar Parijs per diligence ook was
geweest, toch verscheen hij nog dezelfde avond in de
Jakobijnenclub”). Een beeld dat Korngold weet te bewerkstelligen
door telkens een passende ‘take’ op een gebeurtenis te
bezigen, een ‘take’ die de ene keer geheel tegen de logica
van die van een andere keer kan ingaan, een ‘take’ die er
moet toe leiden dat de lezer aan het einde van de biografie de
conclusie kan trekken die Korngold in zijn Inleiding al trekt:
“De meeste geschiedschrijvers zijn van mening dat de Franse
Revulutie [sic] met de val van Robespierre geëindigd is. Zij hebben
gelijk. De gemeenschap had toen voor een tijd haar politiek evenwicht
ongeveer gevonden. Robespierres bekwame leiding had aan de werkende
klasse een veel grotere politieke invloed gegeven dan haar
economische positie wel toestond. Hijzelf was zich daarvan bewust en
in de Wetten van Ventôse probeerde hij aan de vierde stand een
steviger economische grondslag te geven. Die poging faalde en
onvermijdelijk volgde zijn val.” Robespierre als jammerlijk
gefaalde held van de werkende klasse dus, een soort protomarxist,
iemand “aan wiens eerlijkheid bijna geen geschiedschrijver heeft
getwijfeld” en wiens “bedoelingen (…) zuiver zijn geweest”,
een man die er bovendien niet kon aan doen als hij al eens een fout
pad koos, een “tijdelijke inzinking” had, want “maar weinigen
van ons kunnen met zekerheid weten hoe zij zouden handelen, wanneer
hun onder buitengewone omstandigheden een grote macht in handen was
gegeven.” Alsof Robespierre die macht niet eens gewild heeft, alsof
hij niet de keuze heeft gehad die niet te grijpen, alsof hij per
ongeluk op het voorplan kwam te staan, alsof hij een Chinese
vrijwilliger was.
Een Chinese vrijwilliger van wie Korngold de diepste zieleroerselen
bij mekaar weet te verzinnen overigens: “Toen zijn moeder stierf,
was hij nog geen zeven jaar oud, te jong om diep getroffen te worden,
maar zijn vaders dood wierp een schaduw over hem. Hij werd stil, in
zichzelf gekeerd. De gedachte aan die eenzame dood en dat ontwrichte
leven scheen hem niet los te laten. Zijn houding tegenover zijn
broertje en zusjes werd bijna vaderlijk, alsof hij voelde dat op hem,
de oudste, een deel van de verantwoordelijkheid was overgegaan.”
Een idee dat andere, kennelijk óók van de innerlijke diepten van de
jonge Robespierre op de hoogte, schrijvers niet deelden – die
noemden hem “een slechtgehumeurde, heerszuchtige jongen, die geen
kritiek kon verdragen” -, maar die anderen waren, volgens Korngold,
en allicht in tegenstelling tot hemzelf, “niet geheel
onbevooroordeeld”. En waarschijnlijk ook totaal niet zo goed
geïnformeerd als Korngold, want die heeft zelfs gezien/geweten dat
Robespierre in zijn studententijd tijdens de “godsdienstoefeningen
(…) zijn gebedenboek in de hand [hield] zonder de bladzijden om te
slaan” en dat “zijn lippen (…) niet [bewogen]”, wat zo niet
van totale onbevooroordeeldheid dan toch van een tot in de details
gaande kennis van zelfs Robespierres op dat moment voor anderen
volkomen incognito bestaan getuigt. En dat terwijl… Korngold een
paar bladzijden verder genoegen neemt met het zo goed als niks
‘weten’ over de amoureuze verhoudingen van zijn onderwerp: “(…)
hoe de aard van deze liefdesbetrekkingen ook was, van veel betekenis
kunnen zij niet geweest zijn. Robespierre was een geboren asceet.
Zijn houding tegenover vrouwen was ironisch. Geen revolutionair is
meer door vrouwen aanbeden en heeft zich onverschilliger ten opzicht
van hen betoond.” “Ironisch” zoals Korngold in volgend stukje
tekst, durft een mens dan hopen: “In die dagen schreef hij
gedichten, die hij voor zijn medeleden reciteerde. Een dozijn van
deze gedichten is bewaard gebleven. Zij zijn een afdoende bewijs dat
hij geen dichter is geweest”. Of “ironisch” zoals een mens
geneigd is dit kort daarna volgende stukje te beschouwen?: “Kort
nadat hij naar Atrecht was teruggekeerd, had de bisschop hem tot
rechter in de Kerkelijke Rechtbank benoemd. Het was geen bijzonder
belangrijk ambt. Toch kon het gebeuren dat er een doodvonnis
uitgesproken moest worden. Toen zich ten slotte werkelijk zo’n
geval voordeed (het ging om een moordenaar) was hij vreselijk van
streek en twee dagen en nachten lang kon hij nauwelijks eten of
slapen. Hij liep in zijn kamer op en neer en herhaalde voortdurend:
‘De man is een schurk. Hij verdient te sterven. Maar, een mens te
doden! Een mens te doden!’ Dit voorval is ons door Charlotte [zijn
zus, noot van mij] verteld en haar vermelding van zijn weerzin tegen
het tekenen van een doodvonnis wordt bevestigd in een brief van zijn
mederechter Guffroy. Maar er is geen enkel bewijs dat hij daarom
ontslag uit zijn ambt heeft genomen, zoals Charlotte ons graag wilde
doen geloven.” Allicht niet, want Robespierre was niet alleen een
hypocriet in de zin dat hij, de man wiens “lippen (…) niet
bewogen” als er gebeden werd, een ambt bij een kerkelijke rechtbank
opnam, maar ook als het om het ombrengen van mensen ging. Zelf heeft
hij bij mijn weten nooit iemand vermoord, maar er is geen enkel teken
van te vinden dat hij er een probleem mee had het een ander te laten
doen. Zelfs niet om het bevel te geven het te doen, al vindt hij dan
wel weer een ander om dat ook uit te spreken: “Hoewel het voorstel
om de koning zonder proces terecht te stellen door Saint-Just werd
gedaan, stamt het ongetwijfeld van Robespierre”. “Toch was hij
geen aanhanger van geweld”, schrijft Korngold dan, “Dit was in
strijd met zowel zijn temperament als zijn methode.”
Geen probleem om zoiets te verkondigen uiteraard als je even later,
bij het bespreken van Robespierres uitroep “Weg met de koloniën!”,
verklaart dat dat “zuivere retoriek” was en dat Robespierre “bij
verschillende gelegenheden idealisme dat zich van realisme had
losgemaakt, afkeurde”. Een theorie die Korngold dan weer helemaal
omkeert als hij het heeft over het feit dat Robespierre “zijn stem
niet [verhief]” toen er een wet werd voorgesteld (en aanvaard)
“waarbij stakingen en zelfs verenigingen, zowel van werklieden als
van werkgevers, verboden werden”: “Hoewel hijzelf nog ver van de
macht verwijderd was, verwachtte hij toch dat het niet lang meer zou
duren voor de regering in handen van het volk zou overgaan en hij
wilde niet dat dit door speciale belangen zou worden belemmerd; zelfs
niet door de speciale belangen van de arbeiders. Hij hoopte het
arbeidersprobleem met politieke middelen te kunnen oplossen.” De
ene keer moet idealisme wijken voor ‘realisme’, de andere keer
realiteit voor ‘idealisme’, Korngold weet er altijd wel een draai
aan te geven. Zoals hij een draai weet te geven aan het gedraai van
Robespierre rond een keuze voor een koninkrijk of een republiek en de
vrijheid van meningsuiting (“Natuurlijk bestond er een indirecte
censuur. Redacteurs merkten al spoedig dat zij ter verantwoording
geroepen werden als zij bepaalde grenzen overschreden en gedroegen
zich daarnaar”), zijn bewuste afwezigheid bij de moordpartij op het
Marsveld en de aanval op de Tuilerieën (“Toen de moorden
plaatsvonden, is hij eenvoudig de hele dag thuisgebleven”, want
“hij [had] geen enkele reden om naar het Champ de Mars te komen”),
de Terreur (“Hij was overtuigd van de noodzaak van de
Terreur en waarschijnlijk zou hij die ook zonder de aanval van
de Hébertisten hebben ingevoerd” – door mij schuin gedrukte
delen), zijn aan Hitlers omgang met de SA doen denkende
manoeuvre rond het “nationale leger” (“Hij vond het wel
degelijk nodig, ten minste voor een bepaalde tijd. Later kwam hij tot
de overtuiging dat het een gevaar voor de staat was en liet het
ontbinden”), enzovoort, enzoverder. “Hem te beschuldigen van
ontrouw aan grondbeginselen, omdat hij voorstander was van
maatregelen die hij onder andere omstandigheden had afgekeurd, zou
betekenen hem kwalijk te nemen dat hij een praktische idealist was”,
weet Korngold op een zeker moment zelfs uit zijn pen te wringen. Wat
toch bijna zo gek is als het neerpennen van de zin “Hij heeft elk
misbruik van de Terreur, de slachting in het blinde weg, veroordeeld
en heeft zich tegen iedere wraakneming, zowel van particulieren als
van staatswege, verzet” kort na deze passage: “Robespierre en
Saint-Just stelden nu plannen op om deze nieuwe sociale klasse te
scheppen en tegelijkertijd de armoede te bestrijden. Zij wilden de
bezittingen van rijke royalisten en burgers die vijandig tegenover de
republiek stonden, confisqueren en ze onder arme republikeinen
verdelen (…) Dit is de betekenis van de Lois de Ventôse, de meest
revolutionaire wetten die gedurende de Franse Revolutie zijn
aangenomen en die door Robespierre en Saint-Just zijn voorgesteld. Op
dat ogenblik bevatten de Franse gevangenissen een grote menigte
royalistische verdachten. Desmoulins schatte hun aantal op
tweehonderdduizend. Mathiez, die een speciale studie van dit
onderwerp heeft gemaakt, schatte het aantal een keer op honderd-, een
andere keer op driehonderdduizend. Robespierre en Saint-Just stelden
nu voor afzonderlijke commissies te benoemen, die de macht zouden
krijgen deze verdachten te selecteren om vrijgelaten, gedeporteerd of
naar het Tribunal Révolutionnaire verwezen te worden. De bezittingen
van de gedeporteerden en van hen die door het Tribunal veroordeeld
waren, zouden worden geconfisqueerd en verdeeld onder behoeftige burgers (…)”.
“Het is niet mogelijk Brissots [bedoeld wordt Jacques Pierre
Brissot, een van de leiders van de girondijnen, noot van mij]
redevoeringen te lezen zonder getroffen te worden door zijn
verbluffende inconsequentie”, schrijft Korngold op pagina 138. Een
passage die ik aanduidde omdat me tegen dan al lang Korngolds eigen
“verbluffende inconsequentie” was duidelijk geworden. Het enige
waarin hij zich wél consequent toont, is in zijn vasthoudendheid om
Robespierres acties en niet-acties recht te lullen én… in het feit
dat hij Robespierre niet voor een democraat houdt, en dat hij zelfs
in tegenstelling met zijn ideeën over democratie handelde: “Het
ligt (…) in de lijn van Robespierres filosofie dat een verlichte
minderheid de ziel van het volk kan belichamen en dus het recht
heeft, indien nodig, ten behoeve van het volk op te treden. De
betekenis van zo’n opvatting is duidelijk genoeg. Ontdaan van zijn
metafysische jasje, is het de grondslag van zowel de moderne
communistische als de fascistische leer en juist de ontkenning van
democratie. Voor Robespierre werd die verlichte minderheid gevormd
door de Jacobijnen, de Commune, de werklieden uit de voorsteden. En
hij was des te meer geneigd in hun zending te geloven, omdat zij
uitsluitend tussenbeide kwamen om hem te steunen.” “Hij is nog
altijd de verdediger van de armen en de verdrukten”, heet het
verder, “maar beschouwt zichzelf steeds meer als bij uitstek
geschikt voor deze taak, daartoe als het ware door de godheid
aangewezen; steeds dieper zal hij zich beledigd voelen wanneer iemand
de geringste twijfel daaromtrent laat blijken. Zijn eerbied voor het
volk – zijn overtuiging dat de stem van het volk de stem van God is
– is verstard tot een dogma, waarin hij in zijn hart niet meer
gelooft. Wat hij blijft geloven, is dat ‘de deugd altijd in de
minderheid is geweest’. Steeds meer zal hij op de ‘verlichte
minderheid’ steunen, maar hij zal deze alleen verlicht vinden als
die het met hem eens is.” “Het was (…) noodzakelijk om de kans
te wagen”, schrijft Korngold ten slotte, als Robespierre de ultieme
putsch binnen de putsch wil uitvoeren, vóór zijn
mede-revolutionairen hém aan de kant zetten, “want die overwinning
[die bij Fleurus, waar de Franse revolutionaire troepen een inval in
Frankrijk hadden afgeslagen, noot van mij] bracht de dag waarop het
Gouvernement Révolutionnaire zou moeten aftreden, dichterbij. Wilde
hij dus de Jakobijnse Republiek op een duurzame grondslag vestigen en
de Witte Terreur afwenden, dan was er geen tijd te verliezen.”
Er valt dus wel een en ander aan te merken op de manier waarop
Korngold het leven van Robespierre heeft ingekleurd. “Waar lof op
zijn plaats scheen, heb ik die onvoorwaardelijk gegeven”, schrijft
hij in zijn Inleiding, maar de stelling “(…) hoewel ik mij
niet van kritiek onthoud, [heb ik] mijn onderwerp benaderd (…) met
het verlangen te begrijpen en te verklaren, meer dan te kritiseren en
te veroordelen” dient met enige omzichtigheid benaderd te worden:
dat “verlangen” heeft zich kennelijk gematerialiseerd in de
dubbelzinnige aanpak waarvan ik hierboven enige voorbeelden gaf.
Maar, en die ‘maar’ is belangrijk, Korngold heeft met dit boek
wel een werk afgeleverd waarin het kluwen van de Franse Revolutie
enigszins begrijpbaar wordt weergegeven. Een kluwen - “Wat een
grimmige ironie is er gelegen in de golvende beweging van een
revolutie! Eens hadden de Girondijnen de koning in de Tuilerieën
belegerd. Nog geen jaar later waren zijzelf door Robespierre
ingesloten en nu zou Robespierre datzelfde lot ondergaan!” -
bestaande uit ‘Jakobijnen’ en ‘Girondijnen’ (benamingen
waarvan de auteur de oorsprong onderweg ook uitlegt), Feuillants,
“ultra-terroristen”, Fédérés, de Plaine en de
Montagne, de Enragés, Danton en de Dantonisten,
Hébert en de Hébertisten, facties en fracties waaraan je van
op enige afstand anders kop noch staart kan krijgen. Bovendien zie je
naast en rond en tegenover Robespierre figuren opduiken als
Marie-Joseph Paul Yves Roch Gilbert du Motier ofte markies de La
Fayette (voor wie Korngold de in de Verenigde Staten gebruikelijke
naam Lafayette bezigt), Manon Roland, Lucie Simplice Camille Benoist
Desmoulins, Anacharsis Cloots (“tot de minst bewonderenswaardige
eigenschappen van Robespierre behoorde de onmacht om te kunnen
erkennen dat ook een tegenstander eerlijke bedoelingen kon hebben”),
Pierre-Joseph Cambon (“De grootste fout, die hem dan ook noodlottig
is geworden, was echter dat hij de beschuldigden niet bij name
noemde, behalve dan Cambon, en die had hij er juist buiten moeten
laten”), de Zwitser Jean-Paul Marat (“een wanstaltige dwerg, nog
geen anderhalve meter hoog, met kromme benen, brede borst en
schouders, een korte, dikke hals en een mager, verwrongen gezicht”,
die “om hoofden en om steeds meer hoofden [riep]”), of – omdat
ik ze niet allemaal kan opnoemen – Robespierres naaste vriend
Louis-Antoine Léon de Saint-Just (“Wanneer Saint-Just op het
toneel verschijnt, dan voelt de biograaf van Robespierre voor het
eerst dat dit een persoonlijkheid is die, hadden de voorvallen van
negen thermidor niet plaatsgegrepen, misschien van meer betekenis was
geworden dan de ‘Onomkoopbare’”), wier levens hier natuurlijk
niet zo in detail beschreven worden als dat van het onderwerp van
deze biografie, maar ook allemaal een rol hebben gespeeld in het
geharrewar. Een index zou nuttig geweest zijn, maar het pleit in
ieder geval voor Korngolds werk dat hij ook aan elk van hen de nodige
aandacht heeft besteed.
Voor wie tussen de lijntjes van Ralph Korngolds gebrek aan
objectiviteit kan en wil lezen (iets wat per slot van rekening voor
elke biografie moet gedaan worden), en voor zichzelf enige helderheid
wil scheppen in voornoemd kluwen, is Maximiliaan Robespierre, de
moordenaar van de Franse Revolutie dus zeker het lezen waard.
Björn Roose






