Toen ik aan dit boek begon, of beter: toen ik het leende uit de
openbare bibliotheek (een mens heeft zelfs met een uitgebreide
persoonlijke bibliotheek nooit alle boeken in huis die hij op een
zeker moment in huis zou wíllen hebben), had ik van de auteur ervan,
filmmaker (of, zoals Wikipedia het met veel meer woorden
beschrijft: “filmregisseur, -producent, scenarioschrijver en
acteur”) Werner Herzog, slechts één film gezien (dacht ik toch,
want ik kwam er pas tijdens het lezen van dit boek achter dat Bad
Lieutenant: Port of Call – New Orleans óók van hem was) en
dat al een hele tijd geleden: Fitzcarraldo. Die film – met
als centraal punt het over een berg slepen van een stoomboot, iets
wat voor de opnames écht gedaan is, dus zonder gebruik te maken van
speciale effecten, zo leerde ik uit dit boek - op zich zou een goede
reden geweest zijn om deze autobiografie, want dat is Ieder voor
zich en god tegen allen – Herinneringen, te lezen, maar toen ik
die film zag was dit boek nog niet verschenen. Dat gebeurde pas in
2022 bij uitgeverij Carl Hanser Verlag GmbH & Co, waarna
in datzelfde jaar de (niet altijd even correcte) Nederlandse
vertaling verscheen bij De Arbeiderspers. En bovendien ben ik
– eerlijk is eerlijk – toen ook niet op zoek gegaan naar een al
dan niet bestaande (auto)biografie. De reden dat ik dat dit jaar
(2026 dus, voor de latere lezers) wél deed, was het vorige boek dat
ik las (en besprak): Verzamelde verhalen van Maarten ‘t
Hart. Daarin zit namelijk een, eveneens autobiografisch, verhaal,
getiteld Ongewenste zeereis, waarin de auteur uitgebreid kond
doet van zijn avonturen met, inderdaad, Werner Herzog, met wie hij
samenwerkte aan de film Nosferatu: Phantom der Nacht, en met
wie hij zijn ontmoeting als volgt beschreef: “In de gang naderde
een man die mij, ofschoon hij niet langer was dan ik, duidelijk de
indruk gaf dat hij van de ‘schouders opwaarts groter was dan al het
volk’, een man met die onmiskenbare vleug Christus in zijn gezicht,
iets wat je, hoewel niemand weet hoe Christus eruit heeft gezien,
toch zonder aarzeling vaststelt. Hij werd aan mij voorgesteld, Werner
Herzog, en begon onmiddellijk te vertellen dat de ratten [waarvoor ‘t
Hart zou instaan, noot van mij] ‘ausserordentlich wichtig’ voor
hem waren en er kwam iets dramatisch in zijn stem, iets wat je de
overtuiging schonk dat je hem moest helpen omdat het bijna een
kwestie van leven en dood voor hem was. Toen ik later met hem, omdat
hij mij het steegje wilde laten zien waarin het allemaal moest
gebeuren, over de Delftse grachten liep, zei hij me, wijzend op de
bomen waarvan het eerste groen de takken jeugdig maakte: ‘Ik moet
nu eerst om technische redenen de opnamen maken die in de film
helemaal aan het eind komen maar het probleem is dat over drie weken
de bomen helemaal groen zijn. Als ik nu ga filmen, komt de lente in
de film omgekeerd op het doek.’ (…) Ik kon het Herzog niet
vertellen want m’n Duits was niet toereikend maar het feit dat hij
met zoiets rekening hield nam mij nog meer voor hem in.” En mij dus
ook, in ieder geval in de mate dat ik Ieder voor zich en god tegen
allen – Herinneringen opzocht in de openbare bibliotheek en er
ook die ene dvd-box meenam die ze er van hem hadden: een exemplaar
met daarin eerder genoemd Fitzcarraldo, Aguirre (der
Zorn Gottes), Kaspar Hauser (met de ondertitel die Herzog
vervolgens gebruikte voor deze autobiografie, Jeder für sich und
Gott gegen alle), en een documentaire óver Herzog. Een
documentaire waaraan ik nog niet toegekomen ben (‘bingewatchen’
is nu eenmaal verre van mijn ding), maar in ieder geval drie films
waar ik zeer van genoten heb en nog wel een paar keer wil van
genieten (in het geval van Fitzcarraldo is dat dus ook na een
tweede keer kijken niet veranderd), temeer omdat ik dingen gelezen
heb in deze autobiografie die daar aanleiding toe geven. Waarmee
Ieder voor zich en god tegen allen – Herinneringen ondanks
zijn gebreken – een zeker gebrek aan chronologie, een zekere
selectiviteit (de samenwerking met Maarten ‘t Hart komt er niet in
voor en van Nosferatu wordt met moeite gesproken, om maar iets
te noemen), het ook binnen de hoofdstukken van de hak op de tak
springen, zaken die inderdáád eigen zijn aan herinneringen, maar
minder aan een autobiografisch werk – in ieder geval bij mij iets
heeft veroorzaakt wat ik na het lezen van andere (auto)biografieën
van schrijvers of (beeldende) kunstenaars niet altijd heb: méér
interesse voor hun eigenlijke werken.
En dat begint al van bij het Woord vooraf, waarin Herzog het
heeft over het einde dat hij oorspronkelijk voorzien had voor
Aguirre, der Zorn Gottes, en over “een onbevestigd verhaal
over het einde van de historische Aguirre” (voor wiens persona
Herzog zich overigens niet op de historische figuur baseerde, maar op
John Okello, leider van de Revolutie van Zanzibar en naderhand
nog een tijdje in het gezelschap vertoevend van Idi Amin Dada), dat
uiteraard weer een ander is: “Ik weet zeker dat van alle
alternatieven de film het mooiste slot heeft gekregen met de apen,
maar ik vraag mij af hoeveel mogelijkheden, hoeveel niet-geleefde
alternatieven ikzelf voortdurend heb gehad, niet alleen bij het
bedenken van verhalen, maar ook in mijn leven zelf, zonder dat ze
werkelijkheid werden of pas vele jaren later. (…) Waar heeft het
noodlot iemand – mij – doen belanden? Hoe geeft het een leven
telkens nieuwe wendingen? Veel, zie ik, is echter ook constant: een
visioen dat mij nooit verlaten heeft, en als bij een goede soldaat
ook het gevoel voor plicht, loyaliteit en moed. Ik heb altijd
buitenposten willen behouden die door alle anderen al haastig waren
verlaten.” Of Herzog ooit de Foundation-trilogie van Isaac Asimov heeft gelezen, weet ik niet, maar wie dat wél
gedaan heeft, zal begrijpen dat ik aan het lezen van wat ná dat
Woord vooraf kwam alleen al omwille van die “niet-geleefde
alternatieven” en dat “altijd buitenposten willen behouden die
door alle anderen al haastig waren verlaten” met meer dan genoegen
begonnen ben.
Waaraan ik meteen toe kan voegen dat dat genoegen niet afgenomen is
na het lezen van de eerste hoofdstukken, Sterren, de zee, El
Alamein, Mythische helden, hoofdstukken die, zoals ook een
aantal latere, voornamelijk handelen over de jeugd van Herzog (zoon
van twee “betrekkelijk vroeg overtuigde nationaalsocialisten”,
die evenwel ook betrekkelijk vroeg tot inzicht kwamen dat het
nationaal-socialisme een dwaalweg was, zij het dat zijn vader
“jarenlang verbitterd [was] dat Duitsland verslagen was en zich in
West-Duitsland een Amerikaanse levensstijl verspreidde”), een
hongerige jeugd beleefd en geleefd in de Beierse bergen (in en
rond Sachrang, nog net binnen Duitsland en zo’n tien kilometer
rechtsboven het Oostenrijkse Kufstein, een van de laatste niet door
de geallieerden bezette enclaves waar ook de Werwolfgroeperingen zich
probeerden samen te trekken) en (na de Tweede Wereldoorlog) in
München, maar ook als visser op Kreta, als nachtdiensten draaiende
puntlasser, als rodeorijder en smokkelaar in Mexico, en… als
inspiratiebron voor een aantal van zijn latere films. Dat hij in 1974
een documentaire maakte (veel van zijn niet-documentaire films lijken
overigens óók documentaires, wat ze bijzonder maakt) over de
Zwitserse schansspringer Walter Steiner, Die grosse Ekstase des
Bildschnitzers Steiner, heeft bijvoorbeeld alles te maken met het
skiën en schansspringen dat hij zelf in zijn jeugd deed; dat Klaus
Kinski in München in hetzelfde huis woonde, zal (ondanks het feit
dat hij hem toen al, op zijn dertien, leerde kennen als een
behoorlijk gestoord figuur) ongetwijfeld hebben bijgedragen tot het
feit dat die als hoofdacteur in onder andere Aguirre en
Fitzcarraldo optrad; dat hij op zijn dertien gefascineerd
raakte door “een boek over grotschilderingen” zorgde ervoor dat
hij in 2009 toestemming ging vragen aan de Franse minister van
Cultuur Frédéric Mitterrand (neef van de voormalige president van
die naam) om een documentaire, La Grotte des rêves perdus
genaamd, te mogen draaien in de niet voor het publiek toegankelijke
grot van Chauvet en die ook kreeg; dat hij aan het einde van zijn
gymnasiumtijd nog eens naar Kreta trok en daar per toeval in het Dal
van de Tienduizend Windmolens (het Lassithi Plateau) terechtkwam,
speelde een rol in het scenario van Lebenszeichen (waarbij een
“soldaat (…) bij de aanblik van de windmolens krankzinnig
[wordt]”; dat hij parkeerwachter speelde op het Oktoberfest
in München zorgde naderhand voor de inspiratie voor “de lege,
zelfrijdende auto” in Auch Zwerge haben klein angefangen;
dat hij vanaf Kreta verder trok naar Alexandrië, daarna naar
Zuid-Soedan, en vervolgens doodziek net niet tot in Congo raakte,
veroorzaakte in eerste instantie bijna zijn dood, maar leidde er ook
toe dat hij in 1992 de Poolse schrijver Ryszard Kapuściński
uitnodigde op de Viennale in Wenen en met hem een film
probeerde op poten te zetten; dat hij ervan overtuigd was dat hij
niet lang zou leven, leidde tot film maken tout court: “In
mijn diepste wezen was ik er vast van overtuigd dat ik mijn
achttiende levensjaar niet zou halen. Daarna leek het mij, toen ik
nog altijd in leven die leeftijd had bereikt, uitgesloten dat ik
ouder dan 25 zou worden. Als gevolg daarvan begon ik films te maken,
waarbij ik ervan uit kon gaan dat ik verder niets meer tot stand zou
brengen. Waarom niet de moed hebben om vormen te vinden die nooit
hadden bestaan: Letzte Worte uit 1967, een korte film in het
Nieuwgrieks, met zijn eindeloze dwangmatige herhalingen; Fata
Morgana uit 1969, waarbij ik luchtspiegelingen in de Sahara heb
gefilmd; materiaal als Auch Zwerge haben klein angefangen, uit
1970, waarschijnlijk mijn radicaalste film, waarin alle acteurs
lilliputters zijn. Ik was me er ook van bewust dat ik – gelet op
mijn nagenoeg volledige onwetendheid omtrent film – op mijn eigen
manier zelf moest uitvinden wat film was.” Iets waar hij wonderwel
in slaagde, al is er natuurlijk een wereld van verschil tussen,
bijvoorbeeld, Auch Zwerge haben klein angefangen (hier te zien) en Bad Lieutenant: Port of Call – New Orleans wat
techniek én – uiteraard – budget betreft.
Het budget, zijnde een probleem dat
bijvoorbeeld ook nog meespeelde bij Aguirre,
waarvoor hij een budget had van welgeteld 380.000 dollar, “een
schertsbedrag voor een grote film die zich in het midden van de
jungle in de zestiende eeuw afspeelde, met kostuums, geweren, lama’s
en vlotten, en bovendien nog aan het begin meer dan vierhonderd
figuranten, indianen uit het hoogland, die Quechua spraken. Als je de
film vandaag bekijkt in termen van zijn production value,
denk ik dat niemand in de hele filmindustrie het project zou
aandurven met een budget van minder dan vijftig miljoen dollar. Er
werd gefilmd op drie moeilijk bereikbare bovenlopen van de Amazone,
verder was er een dolende en razende hoofdrolspeler in de vorm van
Klaus Kinski. We verkeerden voortdurend in geldnood, de cashflow uit
Duitsland werkte niet, de overschrijvingen waren vaak weken
onderweg.” En dat waren verre van de enige problemen waar Herzog en
zijn ploeg mee vochten tijdens de opnames van die film en andere.
Toen hij Into the Inferno
opnam, kreeg hij wel een filmvergunning in Noord-Korea, maar werd hij
voortdurend “in de gaten gehouden door agenten van de geheime
dienst” en speelde hij door een toevallige opname van iets dat
volgens de overheid niet bestond (een soldaat die zich in uniform aan
het amuseren was met een eveneens in uniform gestoken soldate) bijna
niet alleen zijn vergunning, maar ook alle film kwijt die hij
gedurende vier dagen gemaakt had. Toen de opnames van Fitzcarraldo
ongeveer halverwege waren, werd hoofdacteur Jason Robards ernstig
ziek, moest de rol van Mick Jagger (die de co-hoofdrol speelde) er
uit geschreven worden, en diende de film – “dit keer met Klaus
Kinski” – van meet af aan opnieuw opgenomen te
worden (wat nog de minste van
de rampen was die gebeurde: Herzog kreeg ten onrechte de wind van
voren vanwege internationale media en mensenrechtenorganisaties, twee
Cessna’s crashten, ze kregen te maken met gewapende overvallen van
Amehuaca-indianen, een
hand van cameraman Thomas Mauch spleet “tussen zijn onderste twee
vingers tot aan zijn pols”, ze kregen “het zwaarste regenseizoen
in 65 jaar te verduren”, de waterstanden waren de ene keer veel te
hoog en de andere keer quasi onbestaande,…). Toen alles in
gereedheid gebracht was voor de opnames van Lebenszeichen
pleegden de kolonels hun staatsgreep in Griekenland en toen hij
ondanks het intrekken van de vergunningen toch bleef filmen (en
alleen een verbod kreeg om de havenpromenade van Kos te beschieten
met vuurwerk), brak hoofdacteur Peter Brogle zijn hielbeen en kon die
zich ook na “zes maanden ziekenhuis en rehabilitatie (…) alleen
maar voortbewegen met een gecompliceerd loopapparaat dat aan zijn
heup was verankerd”, waardoor alleen nog shots
van boven de heup konden worden gemaakt, wat niet echt handig is als
een personage een helling moet beklimmen. Toen Herzog tijdens de
opnames van Gasherbrum, der leuchtende Berg
“een beginnende hoogteziekte” opdeed bij een snelle klim van 5000
naar 6500 meter hoogte lieten de Spanjaarden waarmee hij het traject
had afgelegd hem alleen terugkeren en kwam hij louter
door de snelheid waarmee hij dat deed heelhuids over een onzichtbare
gletsjerspleet heen. Toen de opnames van Cerro Torre:
Schrei aus Stein zich vanwege
het perfecte weer uiteindelijk konden verplaatsen naar de top van de
berg zelf, sloeg dat weer razendsnel om van zodra Herzog en cameraman
Stefan Glowacz boven op de berg waren, stak “een storm van zo’n
200 kilometer per uur [op] bij een temperatuur van 20 graden onder
nul”, moesten ze zich met één ijspriem ingraven in de sneeuw, en
het verder met een proviand bestaand uit twee chocoladerepen weten te
redden voor vijfenvijftig uur. En Klaus Kinski was altijd een gevaar
voor zijn omgeving – tijdens de opnames van Aguirre was het louter
toeval dat hij niemand doodschoot -, maar de wederzijdse moordplannen
tussen hem en Herzog “waren eerder groteske gestes, pantomines”,
dixit die laatste.
Maar daarnaast weet Herzog – die
als acteur in Brennendes Herz
overigens alleen door een moment van intuïtie zijn ogen niet verloor
– ook boeiend te vertellen over zijn werk aan opera-ensceneringen
(vooral Wagner, maar bijvoorbeeld ook Verdi, Mozart en Rossini), How
Much Wood Would a Woodchuck Chuck
(een film over “het wereldkampioenschap voor veeveilingmeesters),
plannen om “in het plaatsje North Pole in Alaska een oratorium en
danstheaterstuk voor elfen [te] schrijven en daar uit [te] voeren”,
documentaires gedraaid op death row,
het idee om “een requiem te schrijven over de ergste tsunami in
Noord-Italië” (de ramp met het stuwmeer van de Vajontdam in 1963,
waarbij zo’n 2400 mensen omkwamen), Mike Tyson als kenner van de
Frankische geschiedenis, een mogelijke speelfilm “over de
tweelingzussen Freda en Greta Chaplin”, z’n eigen acteerwerk in
films als Geschichten vom Kübelkind,
Die andere Heimat,
Incident at Loch Ness,
The Grand, Julien
Donkey-Boy, z’n stemmenwerk
voor The Simpsons, de
discus van Phaistos (zie Harry Mulisch’ De
ontdekking van de hemel)
enzovoort, enzoverder. Of over (meer) filosofische dingen als dit:
“De waarheid moet niet met de feiten overeenstemmen. Het
telefoonboek van Manhattan zou anders het Boek der Boeken zijn. Vier
miljoen regels, allemaal feitelijk correct, allemaal verifieerbaar.
Maar dat vertelt ons niets over een van de tientallen James Millers
die erin staan. Zijn nummer en zijn adres zijn correct. Maar waarom
ligt hij iedere nacht op zijn kussen te huilen? Alleen poëzie,
alleen de bedenksels van dichters kunnen een diepere laag, een soort
waarheid zichtbaar maken. Ik heb daarvoor het begrip ‘extatische
waarheid’ gemunt. Om dat uit te leggen zou een heel eigen boek
nodig zijn, daarom zal ik hier slechts een paar schetsmatige
opmerkingen maken. Over deze vraag heb ik tot op heden wel de
openbare strijd gezocht met de vertegenwoordigers van de zogenaamde
cinéma vérité, die de waarheid voor het hele genre van de
documentaire voor zich opeisen. Als maker van een film moet je
volledig verdwijnen, je moet een vlieg op de muur zijn. Volgens deze
opvatting zouden de camera’s in bankfilialen het voorbeeld van
filmmaken zijn. Ik wil geen vlieg zijn, ik wil een horzel zijn die
steekt. Cinéma vérité was een idee uit de jaren zestig van de
vorige eeuw, haar huidige vertegenwoordigers noem ik slechts
‘boekhouders van de waarheid’.”
Alles bij elkaar een meer dan
interessante autobiografie. Als ik ze ooit eens tegenkom in een
kringwinkel zal ik ze ook graag aan mijn eigen bibliotheek toevoegen.
Björn Roose






