Uit de titel van dit boek kon u al opmaken dat het in het Nederlands
verschenen is, maar de naam van de auteur zou u – zelfs in politiek
correcte tijden waarin u niet geacht wordt op zo’n dingen te letten
– tot de gedachte kunnen brengen dat hij een Duitser is of was. Dat
klopt en dat klopt niet: Fritz Wöss, eigenlijk Friedrich Weiss,
overleden in 2004, was een in Wenen geboren Oostenrijker, maar nam na
de Anschluss (wie niet weet wat dat is, gaat het maar
opzoeken) op zijn achttiende als Fahnenjunker (een
onderofficiersgraad, dat wil ik u wél meegeven, want dat moest ik
óók gaan opzoeken) dienst in de Duitse Wehrmacht. Als
frontofficier nam hij vervolgens deel aan de Slag om Duinkerke
en de inname van Normandië, waarna hij met de Heeresgruppe Nord
deelnam aan de invasie van de Sovjet-Unie. In december 1941 was hij,
intussen gepromoveerd tot Batterieführer, betrokken bij de
gevechten rond het Ladogameer, raakte gewond, werd weer opgelapt, en
kon vervolgens deelnemen aan de Slag om Stalingrad als
verbindingsofficier met de in Nariman gelegerde 20ste Roemeense
Divisie. Hij overleefde de Slag (en wie gevechten als de Slag
om Stalingrad een beetje bestudeerd heeft, weet opeens wel zeker
waarom een Slag in het Duits ‘Schlacht’ heet), kwam
op 29 januari 1943 in Sovjet-gevangenschap terecht, en kon pas in
1948 terugkeren naar Wenen. Daar schreef hij zich in aan de
universiteit, haalde z’n doctoraat, werd beambte, schrijver
(uiteraard), directeur van de Hochschule für Bodenkultur,
richtte een denkgroep rond directe democratie op, stichtte de Union
für Direkte Demokratie en een vijftal jaar later de eerste
milieubeweging in Oostenrijk, de Österreichische
Umweltschutzbewegung (later omgedoopt naar Wahlgemeinschaft
für Bürgerinitiativen und Umweltschutz), deed vervolgens een
jaar of dertig niks dat de gazetten haalde (of net wel, waardoor ‘het
internet’, inclusief de aan de auteur gewijde pagina, het
niet nodig vindt er aandacht aan te besteden), en ging toen dood.
Misschien zit er in die dertig stille jaren nog wel een verhaal, maar
voor deze bespreking volstaat het dat u weet dat dit boek, De vis
begint aan de kop te stinken (in het Duits: Der Fisch beginnt
am Kopf zu Stinken), aanvangt nadat de Slag om Stalingrad
verloren is, als centrale figuur ene Wisse heeft, ten tijde van de
Slag verbindingsofficier met de 20ste Roemeense Divisie, en
eindigt ergens bij het einde van de Tweede Wereldoorlog met het
vertrek van diezelfde Wisse uit het ene krijgsgevangenenkamp naar een
volgend. Maakt dat het boek autobiografisch? Wel, dat staat niet met
zoveel woorden op de omslag vermeld: “Gedreven door een belofte aan
zijn kameraden om te vertellen over de hel van Stalingrad, schreef
Fritz Wöss een aangrijpende roman over het lijden en de ellende van
de Duitse soldaten bij de strijd in Rusland”, dat wel, maar
desalniettemin “een roman”. Net zoals de voorganger ervan, in het
Nederlands getiteld Honden wilt ge eeuwig leven?… (wellicht
eveneens in de jaren 1980 verschenen bij De Boekerij), in het
Duits Hunde wollt ihr ewig leben?, het verhaal over de Slag
zelf, en het er op volgende derde deel van wat dan een trilogie werd
genoemd, Die Deutschen an die Front, dat zich afspeelt in het
inmiddels in twee bezettingszones (eigenlijk vier, maar de westerse
bezetters gooiden hun zones samen) opgedeelde Duitsland. Dat eerste
deel en dat laatste deel van de trilogie heb ik niet gelezen, maar de
stijl van het tweede maakt, net zoals het feit dat er op de al eerder
genoemde aan de auteur gewijde pagina gewoon gezegd wordt dat het om
“seinem autobiographischen Werk” gaat, wel degelijk
duidelijk dat De vis begint aan de kop te stinken
autobiografisch ís, zelfs al kunnen de belevenissen van Wisse/Wöss
dan perfect als voorbeeld dienen van wat “die körperlichen und
seelischen Qualen [waren], durch die die rund 90.000 deutschen
überlebenden der Schlacht von Stalingrad gehen mussten und denen der
Grossteil der Gefangenen erlag”. Wat goed is en ook weer niet:
wie De vis begint aan de kop te stinken (waarvan de titel
uiteraard verwijst naar het gedrag van de hogere rangen – de
besluiteloze Paulus in de eerste plaats, maar ook de officieren die
zelfs ná de slag twijfelen “of ze zich van een zekere heer Hitler
en de hele zaak moeten distanciëren of de geliefde Führer
onvoorwaardelijk trouw en gehoorzaam blijven” -, al is Wöss/Wisse
zeker niet iemand die die per definitie veroordeelt of de lagere
rangen per definitie goedpraat) leest als een verslag van de
dodenmarsen (na de eerste in een serie van vele blijven er van de
gevangenen nog zeventien van de honderdzevenentwintig over) en
dodentreinen (“Ook tijdens het soms dagen en nachten durende
oponthoud op zijsporen blijven de gevangenen in de wagons opgesloten
en worden de schuifdeuren alleen opengemaakt om eten aan te geven,
doden naar buiten te schuiven en ontlasting kwijt te raken.”), de
kampen, de martelingen, de honger (“Omdat er behalve de snee brood
alleen een halve liter watersoep te eten is, knaagt de honger
langzaam het verstand weg”), de ziekten (met vlektyfus als de meest
gevreesde daarvan, en de ondanks de beperkte middelen toch serieuze
pogingen van het Russische verplegend personeel om de gevangenen weer
op de been te brengen), het verraad (“De Roemenen (…) wachten
niet meer tot de dragers van andere rugzakken ineenstorten, maar
overvallen en beroven er een paar. Ze laten de bewakers in hun buit
delen, want die missen toch de moed, zelf de gevangenen tijdens de
mars met geweld te plunderen.”), het kamp binnen het kamp (met
Duitse baasjes onder auspiciën van Sovjet-baasjes), de oorlog van
allen tegen allen (“Wie een stuk hout heeft, een mes, een paar
medicamenten, wie een paar woorden Russisch kent of op zijn minst nog
wat meer lichaamskracht heeft dan de anderen, ziet zich verheven tot
een machtspositie en wordt het middelpunt van een groep. In die
groepen worden bepaalde figuren opgenomen, anderen worden er
uitgestoten. Bondgenootschappen worden dikwijls voor de duur van
dagen, soms uren gesloten, versterkt en dan weer uiteengeslagen.
Geniepigheid en meedogenloosheid voeren de boventoon.”), de extreme
weersomstandigheden, de pogingen om toch iets van cultuur te
onderhouden een keer de krijgsgevangenen weer enigszins aan de betere
hand zijn, systeem-overschrijdende liefdes, de valse beloftes van de
gijzelnemers, enzovoort, zal door dit boek zeker niet teleurgesteld
worden; wie het wil beschouwen als een roman, zal dat wél zijn.
Omdat het eerste, korte hoofdstuk zich afspeelt in Münster, met een
aantal soldatenmoeders in de hoofdrol, en het tweede “duizenden
kilometers verder, aan de Wolga” met een aantal van hun zonen in de
hoofdrol, heb je nog héél even het idee dat het wel degelijk een
roman zou kunnen worden, maar die sprong in de tijd en die wisseling
van hoofdrollen is ook de laatste, en je krijgt in de volgende
driehonderd bladzijden ook nergens de indruk dat er een ontsnapping
op til is (gezien de omstandigheden ook niet waarschijnlijk), een
grootschalige opstand, een martelaarsdood, wat dan ook dat van dit
boek – overigens gedrukt in een afgrijselijk lettertype - een roman
zou kunnen maken.
Een roman die ook al snel als té melodramatisch zou afgedaan worden
als je bijna aan het begin ervan al afkomt met feiten als deze: “Als
ze de vijf Duitsers zien, die alleen onder bewaking van de oude,
dronken Rus staan, stormen ze naar voren en vallen hen vloekend en
met woedende dreigementen aan. Het zijn dezelfden, die het eerst met
de Duitsers hielden; nu gooien zij ze met brokken ijs, worden dan
brutaler, komen dichter bij, spuwen en slaan ze met vuisten en
stokken. De bewaker gromt en vloekt wel, maar ziet geen kans, de
mannen tegen het gepeupel te beschermen. De vijf gevangenen begrijpen
eerst niets van deze behandeling, maar zijn al gauw dol van angst. Er
komen zelfs nog Russische soldaten, die de mensen verder ophitsen.
Enigszins klein uitgevallen leden van het Rode Leger. Jongens in
Russische uniformen met machinepistolen, een soort hulppolitie
blijkbaar. Ze schieten de gevangenen een beetje voor hun voeten en
over hun hoofd, zodat Wisse steeds moet bukken om geen lading in zijn
hersens te krijgen. Ze hebben veel plezier om de majoor, die bij
ieder schot snotterend van angst door zijn knieën gaat.”
De werkelijkheid is sterker dan de fictie, maar niet als je die
werkelijkheid probeert te lezen als een roman, zoveel is duidelijk.
En dat verandert niet als de kleine groep naar een “balka”
gebracht wordt, een soort loopgraaf, waarvan de bodem “vol donkere
vlekken” is, “honderden Duitse soldaten, die afgemaakt zijn”.
“Het is alsof ze aan een besmettelijke ziekte zijn gestorven”,
schrijft Wöss, “En dat is ook zo; ze zijn het slachtoffer van de
ergste ziekte die de mensheid bedreigt: de beestachtigheid”.
Waarmee hij toch de naakte voorstelling van de feiten onderbreekt met
een beetje filosofie, een filosofie die duidelijk eigen is aan de
schrijver, aan de hoofdpersoon dus ook, maar daarmee dit verslag nog
steeds niet optilt tot een literair niveau. Net zomin als: “Je bent
een bekend type, jongeman, maar niet in mijn straatje. Blijkbaar zo
een, die fiks gedresseerd is op de partijscholen, om bij de elite te
komen. Precies hetzelfde soort als bij ons een afdelingsleider van de
Hitlerjeugd of een napola-student. Een arrogante knaap, fanatiek,
hersenloos, gevoelloos en onbarmhartig.” Of: “Gedachten? De
kapitein kan er geen meer grijpen. Hij zoekt alleen nog naar iets
bekends, vertrouwds. Zijn moeder, broers, zusters, zijn huis, Wenen,
dat is allemaal te ver weg, onwezenlijk geworden, niet meer voor de
geest te halen en al voorbij: daarvan kun je geen afscheid meer
nemen.” Na de eerste hoofdstukken doet de auteur ook geen moeite
meer om dat soort zaken te herhalen: een lezer die zich zelfs maar
een héél klein beetje probeert in te leven in de omstandigheden
waarin de krijgsgevangenen verkeren, moet óók geen moeite doen zich
in te beelden dat het al een kunst is om niet geheel te verdierlijken.
Het interessantste – een oneindige opsomming van leed is helaas ook
niet van aard om te blijven boeien – dat zich dan ook verderop in
het verhaal nog afspeelt, zijn de pogingen van de Sovjets om van de
Duitsers ‘anti-fascisten’ te maken, die ze vervolgens uiteraard
willen gaan gebruiken als propagandamiddel, al maken ze ze bij
gelegenheid ook wel eens wijs dat ze zich aan de zijde van de Russen
gewapend een weg zullen mogen vechten naar Duitsland. Pogingen die
met alle mogelijke middelen ondernomen worden:
propagandavoorstellingen en -lezingen, extra voedsel, de beste ‘jobs’
in en buiten het kamp, minder voedsel voor wie dan nog niet wil, geen
‘job’ meer (en bijgevolg minder kansen om aan broodnodige
extraatjes te komen), chantage, oplichting (‘die is er al bij,
waarom kom jij er dan niet bij?’), en uiteraard de – ook binnen
hedendaagse zogenaamd ‘antifascistische’ kringen nog steeds
opgeld makende – stelling dat wie geen ‘antifascist’ is dan wel
een ‘fascist’ moet zijn: “(…) aan het eind van de vergadering
wordt met veel tamtam aangekondigd dat er die middag een feestmaal is
voor de eerste nieuwe groep, ongeveer dertig gevangenen die al enkele
dagen geleden hun toetreding tot de ‘Antifa’ (anti-fascistische
organisatie) bekendgemaakt hebben en nu, officieel als
anti-fascisten, voor het eerst in het openbaar treden. Op twee of
drie echte anti-fascisten na zijn het mannen zonder overtuiging, een
paar meelopers die bang zijn voor het verlies van hun functie, een
stel baantjesjagers en vooral hongerlijders die graag eens een vol
bord willen zien. (…) Grote en kleine partijgenoten van Adolf
Hitler duiken vlug in de nieuwe beweging onder, uit angst voor
vervolging. Diegenen, die werkelijk iets te vrezen hebben, omdat
bepaalde ‘oorlogshandelingen’ van hen door de sowjets wel eens
als misdaden uitgelegd konden worden, verdwijnen zo onopvallend
mogelijk in de Antifa en brengen het daar tot een nog roemrijker
bestaan dan onder Hitler. Geheel vrijwillig en openlijk komen de
fanatieke liefhebbers van politiek in al haar vormen; met beide
handen grijpen zij de kans aan, weer aan politiek te kunnen doen. Zij
ontdekken ogenblikkelijk de verwantschap tussen nationaal-socialisme
en communisme en worden in hun nieuwe clubverband even radicaal als
in het oude.” En dat allemaal – wat ook de meest voor de hand
liggende reden is waarom het hoofdpersonage niét meegaat in het
verhaal (naast het feit dat de oorlog nog niet voorbij is en dat hij
ook een eed als militair heeft afgelegd) – onder auspiciën van de
Sovjets, die, wat niemand onbekend is, toch óók geen democraten
zijn. Geen Freies Deutschland (de organisatie die van het
naoorlogse Duitsland zogezegd een ‘antifascistische’ staat gaat
maken) dus voor Wisse, maar ook geen Bund Deutscher Offiziere,
zogezegd onafhankelijk van de Sovjets opgericht met de bedoeling een,
uiteraard óók tegen Hitler zijnd, alternatief te vormen voor wie
zich niet bij Freies Deutschland wil aansluiten. Een
frontorganisatie dus, een gevel, zeg maar, die – al heeft Wöss het
daar verder niet over – al zeer snel na de oprichting in de
praktijk opgenomen werd ín dat Freies Deutschland.
Best een interessant deel van wat zonder meer een ooggetuigenverslag
mag genoemd worden, zeker omdat dat een geschiedenis is waarover
zelden verhaald wordt, maar om nu, mét de achterflap, te zeggen dat
deze “roman (…) zo indringend is (…) dat men het relaas van
Fritz Wöss nooit meer zal kunnen vergeten”, sterker nog, dat deze
“roman (…) een bezit is voor het leven, waard om vele malen
herlezen te worden”, nee, dat is overdreven. Als u hem ergens kan
lenen, dan moet u dat beslist doen, maar één keer lezen zal wel
genoeg zijn.
Björn Roose






