Verschillen zijn belangrijk. Misschien niet zo belangrijk als
gelijkenissen, maar toch. Zo is er een gelijkenis tussen Frans van
Isacker en Karel van Isacker. Hun familienaam, inderdaad, maar ook
hun afkomst: beiden waren zonen van Philip van Isacker. Beiden waren
ook Vlaamsgezind (net als hun vader), en beiden ontplooiden enige
activiteit als schrijver. Van Karel van Isacker heb ik Het land
van de dwazen, De zaak Irma Laplasse – Stukken voor een
dossier, Herderlijke brieven over politiek 1830/1966, en
Ontwijding in mijn kasten zitten; van Frans van Isacker
Posthume wandeling, Kortstondige onthoofding, Averechts
verloop: Kroniek van een meedogenloze eeuw, Vijftig aan de
wand, voorliggend De wereld verandert, en, ten slotte,
Maar er is een uitweg.
Uit die titels zou u kunnen afleiden dat Frans van Isacker meer naar
fictie neigde dan zijn broer, en die afleiding zou correct zijn, maar
niet per se – als dat al zou kunnen – helemaal los van de
werkelijkheid staande fictie. De wereld verandert inderdaad wel eens,
maar zelden zo sterk als hij dat deed tijdens de Tweede Wereldoorlog.
En daarna, zou ik zeggen, maar da’s voer voor een volgende
boekbespreking: de veranderingen tijdens die Tweede Wereldoorlog zijn
het onderwerp van De wereld verandert. Veranderingen die zich
allemaal afspelen binnen en rond twee families: de Toorops
(houtvesters en aanverwanten) en de Brands (een dokter op rust en
zijn dochters). Twee families die in eenzelfde straat wonen, een
straat aan de rand van het Zoniënwoud waar verder niemand anders
woont. Twee families die niet alleen voortdurend elkaars deur
platlopen, maar ook meer en meer familiaal met elkaar verbonden
raken. Twee families ook die ondanks de wil om niet ‘uit mekaar te
vallen’, de wil ook om zich niet te laten betrekken bij de
oorlogshandelingen, toch geleidelijk uit mekaar vallen en betrokken
raken bij die oorlogshandelingen (“Geen sterke familie, maar mensen
met uiteenlopende gedachten”). Waar een aantal van de volwassen,
nog thuis wonende kinderen aan het begin van de oorlog terugkeert uit
Frankrijk, waar ze, zoals zovele Vlamingen en Walen, heen
gegaan/gestuurd waren, en alles blijdschap is bij zowel de kinderen
als de (groot)ouders, doen al snel de andere met de oorlog gepaard
gaande keuzes hun intrede: attentisme, al dan niet gewapende
collaboratie (“You are a patriot” – “Some people call me a
Quisling” – “You are not, believe me, you are not” –
“Believe me, believe me, dacht hij, nochtans als jullie winnen,
word ik de kas ingedraaid”), een relatie aangaan met iemand die als
‘bezetter’ gebrandmerkt wordt, node ‘ja’ zeggen of moedwillig
‘nee’, actief of passief in verzet komen, enzovoort, enzoverder.
Enfin, de gebruikelijke dingen dus, niets waar wie dan ook die
zich ter zake een beetje ingelezen heeft nog verbaasd van staat, maar
doordat het om zo’n grote gezinnen gaat, worden al de verschillende
keuzes belichaamd bínnen die gezinnen. Die keuzes en een hoop andere
zaken: overlijdens, huwelijken, geboortes, vrijages, feestelijkheden,
rouw, angst, vreugde (“Drie februari, zes uur tweeëntwintig, toen
stierf grootvader. Enkele uren voordien werd zijn eerste
achterkleinzoon geboren, die zijn naam zal dragen. In hetzelfde huis.
En weinig tijd nadien, niet zo heel ver van het lijk, knoopte Louise
haar zwellende borsten bloot en voor het eerst zoog haar zoon”).
Terwijl ik dit boek las, dacht ik erover na in mijn bespreking te
vermelden dat het een beetje Tweede Wereldoorlog in Vlaanderen meets
Het geslacht Björndal was, maar dat zou gelogen zijn: in De wereld verandert
passeren de feiten aan een veel sneller tempo en er wordt veel meer
gekletst. Plus: van Het geslacht Björndal kreeg ik zelden of
nooit de indruk dat de auteur op tearjerken uit was, maar
Frans van Isacker leek dat duidelijk wel (‘t is dat of ik was ‘in
mijn bleiten’ toen ik dit boek las). Wat een beetje goedkoop
is, maar misschien geen zeldzaamheid voor iemand die in 1948 met dit
boek aan zijn debuutroman toe was. Een kleine tachtig jaar geleden
werd er nog dramatischer gedaan over liefde en andere kwalen dan
tegenwoordig het geval is, óók door schrijvers.
Nu goed, dat stoorde me een beetje. Bloedgetuigen van Johan de Boose, bijvoorbeeld, uitgegeven in 2011 bij De Bezige
Bij, heeft eveneens gezinnen, buren en toevallige kennissen
tijdens de Tweede Wereldoorlog tot onderwerp, is prachtig geschreven,
laat ook ruimte voor persoonlijke levensgeschiedenissen, maar bij het
lezen daarvan had ik nooit de indruk dat de auteur die persoonlijke
levensgeschiedenissen als bladvulling gebruikte of dat die de ‘grote’
geschiedenis achteruit drukten. En dat heb ik dus wél bij De
wereld verandert. Wat mij betreft had dit boek best (minstens)
een derde korter mogen wezen, terwijl het toch werkelijk zélden over
datgene gaat wat ergens op bladzijde 300 vermeld wordt: “Want
hoeveel tragedies die oorlog ook veroorzaakt heeft, toch moeten wij
telkens opnieuw het gewone dagelijkse werk hervatten en voortzetten.
Zoveel dagelijkse sleur, terwijl zich over de hele aardbol de
grootste som van rampen afspeelt of voorbereidt, die de wereld ooit
gekend heeft. Moeder ging voort met haar huis te regeren. Denise
bracht verder haar kinderen groot. Vader bekommerde zich alle dagen
om het hoogste rechtsleven van zijn land. En ik studeerde”. Pakweg
tweehonderd bladzijden in plaats van driehonderdvijfendertig hadden
volstaan. Zoals het nu is, raakt immers de doelstelling wat
ondergesneeuwd die Eric Toorop in zijn ‘inleiding’, ook al
serieus langdradig, nu ik er zo even over nadenk, meegeeft: “Dit is
het verhaal van ons. Van ons die het hebben beleefd, van ons die het
hebben geschreven. Wij hebben het beleefd. Wij, de familie Toorop;
wij, de familie Brand. Wij hebben het geschreven (…) Zo is het
verhaal van ons. Omdat wij het schreven, omdat wij het beleefden. Wij
schreven het, doch voor allen hebben wij het geleefd. Geleefd
en geleden. Wij allen met ons leven; sommigen van ons met hun dood.
Het is het verhaal van ons. Maar het is ook het verhaal van geheel
Europa. Het is onze haat, ons bloed en onze dood. Het is onze liefde
en ons hart. Maar het is ook de haat, het bloed en de dood; de liefde
en het hart van allen die leefden en stierven in dit sombere Europa,
waar het kabaal heeft gewoed. Het is het verhaal van ons, het verhaal
van ons somber en nachtelijk Europa en wij sturen het tot hen, die
leefden ver van ons en die deze bange nacht niet hebben gekend. Wij
sturen het tot hen, de onzen nochtans, doch die jaren leefden in de
zon van overzee. Tot hen, die ons zwarte Europa hebben verlaten en
bij hun terugkeer, toen de nacht reeds voorbij was, ons zo smadelijk
hebben beschimpt. Opdat ze weten zouden hoe onze handen werden
afgehakt, hoe onze ogen werden uitgestoken en hoe ons hart heeft
gebloed. Tot hen sturen wij het, opdat ze voelen zouden dat ze geen
recht hebben tot schimpen en opdat ze zwijgen zouden voortaan, zij
die gezeten hebben, jarenlang, met handen en ogen in het licht van de
zon. Wij sturen het tot hen die vochten aan de fronten, opdat ze
weten zouden, dat ook hier bij ons de oorlog heeft gewoed, dat hij
mensen heeft gedood en harten heeft vernield. Dat hij voortschreed en
sloeg, niet met de snelheid van het vuur en de wapens, doch met de
traagheid van de twijfel en de haat. Het is het verhaal van ons en
wij sturen het tot geheel de wereld, opdat de wereld weten zou wat
het was, dit kabaal in Europa.”
Kabaal dat bijvoorbeeld gemaakt werd door Paul Reynaud in Frankrijk, die
sprak van “verraad” toen de belgische koning Leopold III zich
samen met zijn troepen overgaf, en dat wat meer aandacht had mogen
krijgen, maar al snel verloren gaat in het komen en gaan van
familieleden en buren. Kabaal dat gepaard gaat met uitwisselingen van
woorden die wél het onthouden waard zijn, maar al even snel verloren
gaan in het belangeloze familiegekwetter: “Vóór de oorlog was jij
Dinaso en je hebt de totaal onafhankelijke houding gepredikt,
onverduits [sic] en onverfranst. België wordt in de oorlog gesleurd
en het is natuurlijk normaal dat je partij kiest voor de bondgenoten.
Het is je staatsburgerlijke plicht en ik doe het ook zo. Maar dan
plots al je persoonlijkheid te verliezen en meer anglofiel te worden
dan de Koning van Engeland! A priori, al wat de Engelsen doen is goed
gedaan en ze hebben gelijk; en al wat de anderen doen, is slecht
gedaan en ze hebben ongelijk. Nou, neen, dat is geen houding en ze
sluit onlogisch aan bij je voorgaande gedrag. Neen, dat verwondert
mij van een oud-Dinaso. – Dinaso is opgedoekt, man. Moreel
ontbonden sinds de moord op Van Severen. Afgelopen. Daarbij, ‘t is
oorlog. – Kijk, dat is nog zo een van je onlogische houdingen.
Omdat Van Severen dood is en omdat het oorlog is, laat je plots al je
vroegere ideeën varen. Ik ben nooit Dinaso geweest, om vele redenen.
Omdat het, behalve in het laatste stadium van zijn evolutie, te grote
neiging vertoonde tot militarisme en monocratie. En ook, omdat ik nou
eenmaal niet graag tot een partij behoor. Doch de
disciplinaire hervorming die het voorstelde, zijn realistisch inzicht
in buitenlandse politiek, in de grenzenpolitiek en vóóral zijn
aristocratische zin heb ik steeds goed gevonden en vind ik nog goed.
Ik, die nooit Dinaso was, ik blijf het; meer dan jij, die het geweest bent.”
Kabaal dat, zoals dat ‘vroeger’ gebruikelijk was, in dit boek ook wel
eens in het Frans neergeschreven staat of in het Duits, zonder dat
een vertaling voorzien is. De mensen die nu door de jeugd verweten
worden toch zo achterlijk te zijn, konden immers nog wel andere talen
dan die van hun moeder en steenkoolengels. “Et comment vont les
affaires? vraagt Alfred aan onze ome Ka, on devra bien se mettre
d’accord avec eu, maintenant qu’ils ont gagné la guerre. En tout
cas, ils sont bien corrects maintenant, les Boches… pardon, les
Allemands, on ne les appelle plus Boches à présent”, was toen op
z’n minst voor wie een béétje belezen was perfect verstaanbaar.
Zeker als die lezer uit de duidelijk internationaal gerichte milieus
komt waarin de Toorops en de Brands vertoeven, een situatie die Van
Isacker wellicht van thuis uit gekend heeft.
Kabaal ook dat af en toe aan het begin van een hoofdstuk wordt samengevat
langs twee lijnen, zijnde ‘Wat gebeurde er toen in de wereld?’
(“De Engelsen walsen de Italianen uit Noord-Afrika, de Engelsen
nemen Tobroek in, de Engelsen nemen Bengasi in, maar dan verschijnt
Rommel op het Afrikaans toneel. De Engelsen worden tegengehouden, de
Engelsen vliegen achteruit en Rommel storm hen na. De Engelsen
vluchten weg uit Bengasi. Rommel in Bengasi.”) en ‘Wat gebeurde
er in belgië?’ (“De verschillende verradersgroepen verbinden
zich tot een eenheidspartij. Het Verdinaso ligt uiteen met zijn
onafhankelijkheidswaan. En de mensen hier lopen op straat. Ze worden
aangehouden. Blijf stilstaan! Door een bende vagebonden in zwarte
uniform. Waarom worden ze tegengehouden? Omdat hun gezicht die
schoelies niet bevalt? Neen, daarom niet! Maar omdat die schoelies
een bende rotzooi zijn, die graag de Feldgendarm uithangen.”), maar
waarbij de helft van die samenvatting soms al achterhaald is door wat
in een eerder hoofdstuk is geschreven. Niet meer nagelezen? Zou
kunnen als ik het nawoord van de auteur lees: “Dit verhaal werd
gebrouwd tijdens de bezetting zelf. In oktober 1942 kwam ik op het
idee, en de maanden nadien ging mijn verbeelding haar gang. Slechts
nu en dan nam ik enkele nota’s om mijn geheugen te helpen. Pas na
de bevrijding stelde ik het definitieve plan op en begon onmiddellijk
te schrijven. Toen ging het vlug, op zes maanden was ik klaar. Ik
schreef het als student, tussen twee examens in, in de maanden
december 1944 en januari-mei 1945.”
Maar eindigen wil ik deze bespreking toch met een zeer ware, maar tevens
schitterend geformuleerde vaststelling: “Het kost veel last en
pijn, oneindig veel pijn om een mens ter wereld en groot te brengen…
en toch, alsof het een kleinigheid gold, stellen ze een decreet op,
het wordt ondertekend en de man is dood. Begrijpen die mensen dan
niet wat het gekost heeft, dat wat ze zo lichtzinnig vernietigen?
Maar wààrom, om godswil, moeten wij dan kinderen geven aan onze
vrouwen, die ze in zoveel pijn en angsten baren? Als er toch net om
de twintig jaar een oorlog moet komen, om ze elkaar te laten
uitmoorden?”
Björn Roose






