Ik héb er uiteraard netjes een boekje (misschien zelfs twee, zo
nauwkeurig herinner ik me dat niet meer) voor in de plaats gelegd
toen ik Steden doorkruisen het heelal van James Blish aantrof
in een van die boekenkastjes die je sinds een aantal jaar her en der
kan vinden langs straten en op pleinen in Vlaanderen en in, al dan
niet verre, buitenlanden (in casu ergens in Zeeuws-Vlaanderen). Ik
heb er zelfs bijna mijn passagiers (waaronder eentje uit Letland)
voor laten koken terwijl ze zaten te wachten op mijn terugkeer vanaf
dat boekenkastje, maar gelukkig waren ze toch zo slim om zelf even de
deuren van de auto open te zetten. En ik heb de vier boeken waaruit
Steden doorkruisen het heelal bestaat met minstens veel
genoegen en voor het overgrote deel met veel genot gelezen.
En daarbij heb ik niet eens gemerkt dat die vier boeken (in het
Engels gebundeld onder de titel Cities in flight)
eigenlijk niet in die volgorde geschreven zijn waarin ze gebundeld
werden. Het eerste boek, They shall have stars, in het
Nederlands getiteld Zullen sterren hen tooien…, verscheen in
1957 onder de titel Year 2018! (jawel, we zitten intussen al
verder in wat toen nog de toekomst was), en vormt het raamwerk van de
serie. In dat raamwerk: hoe de mensheid zo goed als het eeuwige leven
krijgt, hoe ze hele steden (en eigenlijk eender wat) aan enorme
snelheden door het heelal leert verplaatsen, hoe de Aarde er aan toe
is (gezien vanuit een tijd waarin de Koude Oorlog volop woedde),
enzovoort. Het tweede boek, A life for the stars, ofte Een
leven voor de sterren, verscheen in 1962, en volgt logisch op het
eerste. Logisch, maar wel met een tijdssprong. Een tijdssprong waarin
de hoofdpersonen uit het eerste boek uit beeld verdwenen zijn, nieuwe
protagonisten opduiken, en de actie zich verplaatst van ons
sterrenstelsel naar ver daarbuiten (met alle gevaren van dien). Een
tijdssprong ook die, zoals de andere, Blish toelaat bepaalde
verhaallijnen, of minstens lijnen aan de rand van het verhaal, te
laten voor wat ze zijn als hij ze niet meer nodig heeft (wat nog niet
wil zeggen dat er naderhand, zoals bijvoorbeeld met “de Vromen”
het geval is, niet meer naar verwezen zou worden). Een tijdssprong
trouwens ook die, weerom zoals de andere, niet verhindert dat het
culturele referentiekader doorheen de serie, net zoals het
wetenschappelijke, twintigste-eeuws en Aards blijft. Een stukje uit
Wagners Tristan und Isolde zien opduiken, doet eerst nog raar
aan, maar het is uiteindelijk niet méér bizar dan een verwijzing
naar Herman Melville of Godfried van Bouillon (écht!), “Even uw
gazonnetje maaien, mevrouw?” als slogan van een stad, het via
“hypnopedie” leren over de theorieën van Oswald Spengler, “een
dichtregel van de Aardse dichter Theodore Roethke (…) [die] over de
vloer van zijn hersenen [kroop] als een salamander”, het
vergelijken van een buitenaards vliegend fort met “een soort
Beowolf, hun Cid, hun Sigurd, Gawaine, Roeland, Cuchulainn,
Prometheus, Lemminkainen”, of nú (en dan bedoel ik: in het
werkelijke 2026) lezen van wat bij het verschijnen van deze serie nog
grotendeels een voorspelling was maar inmiddels (met zo’n eeuw
voorsprong op de fictie) werkelijkheid is geworden: “Er had nooit
een daadwerkelijke militaire verovering van het Westen door de
Sovjets plaatsgevonden. Ja, in 2105, de datum die meestal wordt
toegekend aan de val van het Westen, zou een dergelijke oorlog de
Aarde van de ene dag op de andere vrijwel hebben ontvolkt. In plaats
daarvan hielp het Westen grif mee zichzelf te veroveren, in een lang
en pijnlijk proces, dat door vele mensen werd voorzien, maar dat
onmogelijk te stuiten was. In zijn angst door de vijand te worden
geïnfiltreerd, had het Westen zijn eigen denkpolitie in het leven
geroepen, die gedurig strenger werd. Op het laatst was er tussen de
twee tegenstanders geen verschil meer; en aangezien de Sovjets veel
meer ervaring hadden met een dergelijke monolithische regering dan
het Westen, werd zonder bloedvergieten de heerschappij der Sovjets
een voldongen feit”. Earthman, come home, in het Nederlands
Aardling, kom thuis, volgt daarop als derde boek, maar is dat
in feite niet: het werd vóór het eerste gepubliceerd, en wel in
1955, en was op zijn beurt gebaseerd op vier andere verhalen van
Blish: Okie (uit 1950), Bindlestiff (eveneens uit
1950), Sargasso of lost cities (gepubliceerd in 1952) en het
gelijknamige Earthman, come home (verschenen in 1953). Of
Blish kunstgrepen heeft moeten toepassen om de chronologie van They
shall have stars en A life for the stars helemaal op orde
te krijgen met de bundel die het derde boek eigenlijk was, weet ik
niet, maar áls het zo is, is het me niet opgevallen: de chronologie
lijkt in orde te zijn, een van de protagonisten uit het tweede deel
heeft intussen het loodje gelegd, maar de andere hoofdpersoon,
burgemeester Amalfi, leeft nog, en heeft alles onder controle of
krijgt het er wel onder. Net zoals dat van die chronologie met het
vierde boek in Steden doorkruisen het heelal, De
overwinning van de Tijd ofte The triumph of Time
het geval is: dat werd gepubliceerd in 1958, dus net ná het eerste
in deze bij Meulenhoff verschenen bundel, dat dus eigenlijk
het tweede was, en vóór het tweede in deze bundel, maar vormt
chronologisch effectief het einde van de serie. Een einde dat Blish
er, mijns inziens, moedwillig heeft willen aanbreien, al is daarna
dus nog het tweede deel, Een leven voor de sterren verschenen.
Ik neem bijgevolg aan dat Blish een aantal opzetten op hetzelfde
moment had lopen, maar dat hij ook besloten had niet aan de vliegende
steden en zijn hoofdpersonen te blíjven vastzitten: in De
overwinning van de Tijd zit nog wel wat van de andere delen, maar
het is onvermijdelijk het einde, en veel eerder psychologisch en
filosofisch dan dat het op actie gericht is. Voor de serie als geheel
wordt voortdurend de terminologie ‘space opera’ gebruikt,
maar wie de definitie van Wikipedia, zijnde “er is een held,
er zijn ruimteschepen, er is vaak militaire actie en het loopt goed
af”, voor dit deel wil gebruiken, moet dat toch met enige
ruimdenkendheid doen: burgemeester Amalfi is in De overwinning van
de tijd een held op zijn retour, de ‘ruimteschepen’ van de
drie andere delen zijn niet meer bruikbaar, de militaire actie (die
in deze serie sowieso vooral een kwestie is van zo clever
mogelijk zijn en dus niet vechten als het niet nodig is) speelt zich
ergens op het tweede plan af, en of je het einde van het heelal zoals
we dat ‘kennen’ nu werkelijk als een goede afloop moet
beschouwen, hangt geheel af van het geloof van degene die het
meemaakt, of degene die daarover leest, in het nieuwe begin dat
daarna zou komen. Ik ga niet zeggen dat u bladzijde 447 tot en met
570 van deze in 1970 voor het eerst als dusdanig verschenen, en in
1980 eveneens als geheel (helaas niet zonder nogal wat typfouten te
laten staan) vertaalde, bundel maar moet overslaan, maar voor mij had
dat deel niet gemoeten.
Los daarvan, en van de strikt inhoudelijke kant, zijn er echter
sowieso verschillen in de opzet van de delen. In Zullen sterren
hen tooien… bijvoorbeeld wordt ieder hoofdstuk, waarvan
overigens ook aangeduid wordt waar het zich afspeelt, ingeleid met
een stukje uit een denkbeeldig boek De melkweg: vijf
cultuurportretten van ene Acreff-Monales of een citaat van een
ook al in de jaren 1950 bekend auteur als J. Robert Oppenheimer,
Gerard Piel of Loren C. Eiseley. Dat eerste zijnde een truc die ook
Frank Herbert later zou gaan gebruiken in zijn Duin-cyclus
(besprekingen van Duin hier,
van Duin Messias hier,
en van Kinderen van Duin hier),
maar die eerder al gebruikt was door Isaac Asimov in zijn
Foundation-trilogie (die trouwens in een andere vorm lijkt op te duiken als er in de loop
van Aardling, kom thuis sprake is van het ineenstorten van de
Aardse heerschappij en het daaruit ontstaan van een “interregnum”
dat eeuwen zou gaan duren). Dat tweede wellicht te kaderen in Blish’
achtergrond: Oppenheimer is tegenwoordig dankzij de in 2023 aan hem
gewijde film zo’n beetje verworden van wetenschapper tot
cultfiguur, maar Gerard Piel, Loren C. Eiseley, en anderen zoals
Weston La Barre, Eric Temple Bell en de in Gent geboren George Sarton
– kennelijk auteur van de uitspraak: “Soms wordt beweerd dat
religieuze onverdraagzaamheid voortspruit uit geloof en overtuiging.
Wanneer men er absoluut van overtuigd is dat het eigen geloof het
juiste is, en alle andere verkeerd, dan zou het misdadig zijn de
naaste zijn dwaling en uiteindelijke verdoemenis toe te staan. Ik ben
echter geneigd te geloven dat godsdienstfanatisme vaak niet het
gevolg is van overtuiging maar van twijfel en onzekerheid” - zijn
nooit zover doorgedrongen in de publieke bekendheid dat ze van
wetenschappers veranderden in wat anders, terwijl Blish ze
(natuurlijk) wél kende. Blish – overigens ook degene die de term
‘gasreus’ bedacht, al gebruikte hij hem minder nauwkeurig dan
anderen dat naderhand zouden doen - was immers bioloog van opleiding
en vooral wetenschapsredacteur bij het toen ook al bekende
farmaceuticabedrijf Pfizer
(in het eerste boek
nauwelijks vermomd opduikend als Pfitzner).
Een wetenschapsredacteur die niet naliet – vooral in het eerste
boek, maar ook (en soms op het randje van het ergerlijke af) in de
andere – de lezers van zijn science fiction om de oren te
slaan met zijn kennis, of op kennis gebaseerde fictie. Iets waar hij
allicht buiten gekund had, maar wat hij kennelijk leuk vond. Moet
kunnen, ‘t is per slot van rekening science fiction, ook met
de nadruk op dat eerste woord. En als u zou vinden van niet, dan is
dat uiteindelijk een kwestie van geloof, geloof ik: “Ik wilde
zeggen dat het idee van de wiskundige, dat er een verband bestaat
tussen wiskunde en de werkelijke wereld, een kwestie van geloof is;
het valt niet te bewijzen maar hij is ervan overtuigd. Wat dat
betreft valt trouwens de veronderstelling van een volslagen
ongodsdienstig iemand, dat er een werkelijke wereld bestaat, die
overeenkomt met wat zijn zintuigen hem laten zien, ook niet te
bewijzen. Een kwestie van geloof, zowel voor de briljantste
natuurkundige, als voor de eerste de beste voorbijganger”.
Maar het bij momenten overdreven wetenschappelijke – als de
wetenschap in het boek trouwens échte wetenschap is, want dat kan ik
als leek niet zeggen – wordt ook goedgemaakt door, bijvoorbeeld,
bewust onwetenschappelijke passages als deze: “En toen kwam het
vaker: psjioewiiii! psjioewiii! psjioewiii! Bij
bijna elke gil bokte de kist en schudde woest heen en weer terwijl
hij boven de toppen van het oerwoud zwenkte en zwaaide. Amalfi had
zich nog nooit zo hulpeloos gevoeld. Hij wist zelfs niet wat het
geluid te betekenen had, alleen dat het kwaad bedoeld was. Hij
herkende het klaboem van zware explosieven toen het begon,
want de stad had vaak ontploffingen teweeg moeten brengen tijdens
opdrachten – maar er was hem absoluut niets bekend dat
kedoekedoekedoekedoekedoekedoeke deed, als een soort
dolgedraaide trilboor, en het onzichtbare ding dat onder het
voortsuizen z’n eigen oorlogskreet voortbracht –
ieiiiokerTSJAKketsjakketsjakketsjak – leek hem volslagen
ongerijmd en onmogelijk”. Of zinnen als deze: “Hoewel hij van de
Hevische spraak alleen de verknoeid verleden, opgewonden
tegenwoordige en onherstelbaar toekomstige tijden beheerste, hoewel
zijn woordenschat een volstrekt niet botanisch gefundeerd mengelmoes
was van stammen en wortels, en zijn verbuigingen eerder de neiging
hadden spontaan te barsten, had hij gemerkt dat hij een redelijke
vaardigheid aan de dag begon te leggen om de taal te verstaan,
tenminste wanneer er heel langzaam werd gesproken, zoals nu”. Of
werkelijk mooie stukjes filosofie als dit: “‘Ze zeggen dat leven
een voortdurend proces is van opnieuw geboren worden. Ik zal moeten
leren, denk ik, om die cruciale overgang op te vangen zonder elke
keer een geboortetrauma op te lopen. Het beste, John.’ (…) Hij
bedacht dat wat ze zei, waarschijnlijk wel waar zou zijn; voor een
vrouw. Voor een man, wist hij, is het leven een stervensproces, dat
steeds wordt herhaald; en de kunst daarbij, dacht hij, is om het maar
bij stukjes en beetjes te doen, en nooit van harte.” Of, ten
slotte, dit: “(…) dat zelfs de vele regelmatigheden die sinds de
eerste toepassing van de wetenschappelijke methode, ergens in de 17de
eeuw, waren ontdekt, alleen maar langdurige statistische toevallen
waren, een plaatselijke discontinuïteit in een alomvattend schema
waarvan de enige continuïteit chaos was. Als je alleen op het gehoor
het heelal zou rondgaan, zei Bonner vaak om zijn opvattingen te
verduidelijken, dan hoorde je miljarden jaren lang niets anders dan
een angstaanjagend gebulder zonder zin, dan drie minuten Bach, die
heel de georganiseerde kennis en wetenschap voorstelden, en dan weer
miljarden jaren lang geloei. En zelfs dat stukje Bach zou bij nadere
beschouwing al gauw verworden tot John Cage, en versmelten met het
heersende onblusbare geluidsgeweld.”
Dat er zo ver in de toekomst nog iemand zou weten wat John Cage voor
muziek maakte, lijkt me vergezocht (je stukken titels genre HPSCHD
geven, valt ook niet als een geniale zet in het kader van toekomstige
roem te definiëren), al is het maar omdat zelfs de tijd die
doorgebracht wordt met kennis opdoen via “hypnopedie”
ongetwijfeld nuttiger kan gebruikt worden, maar met die verwijzing
naar Bach beëindig ik graag deze boekbespreking. Als u ooit Steden
doorkruisen het heelal van James Blish tegenkomt, in zo’n
boekenkastje of elders, aarzel dan in ieder geval niet om het boek
mee te nemen. De weinige contra’s ervan wegen zeker niet op tegen
de pro’s.
Björn Roose






