Posts tonen met het label Maarten 't Hart. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Maarten 't Hart. Alle posts tonen

dinsdag 1 september 2026

Verzamelde verhalen – Maarten ‘t hart (boekbespreking door Björn Roose)

Verzamelde verhalen – Maarten ‘t hart (boekbespreking door Björn Roose)
Ik moet toegeven dat ik minder lang gelezen heb aan de Verzamelde verhalen van Maarten ‘t Hart (verschenen bij De Arbeiderspers in 2001) dan ik er over gedaan heb om aan de bespreking ervan te beginnen. Ten eerste omdat ik eindelijk werk moest maken van de voorbereiding van onze Italiaanse reis (al was die qua literair niveau uiteraard niet te vergelijken met de Italienische Reise van Johann Wolfgang von Goethe); ten tweede omdat ik nadat ik als vervolg op het boek in kwestie Werner Herzogs Ieder voor zich en god tegen allen had gelezen eerst dát boek moest bespreken (wegens geleend in de openbare bibliotheek en dus niet voor een eeuwigheid ter beschikking); ten derde omdat ik per slot van rekening maar één avondje werk had aan de bespreking van Steden doorkruisen het heelal van James Blish; ten vierde… ach wat, ik had in deze bespreking eigenlijk geen zin en uitstelgedrag was daarvan het gevolg.

Maar waaróm had ik in deze bespreking geen zin? Wel, alvast niet omdat Maarten ‘t Hart geen goede schrijver zou zijn, want dat is hij wel, en dat wist ik ook al van bij mijn bespreking van zijn Mozart en de anderen. En ook niet omdat de in deze bundel verzamelde verhalen van mindere kwaliteit zouden zijn dan zijn andere werk. Daarvan ken ik ten eerste alleen maar het voornoemde Mozart en de anderen en ten tweede moet ik het eens zijn met wat de op de achterflap geciteerde recensenten te vertellen hebben: “Ook als Maarten ‘t Hart geen romans had geschreven zou hij zijn meesterschap in onze literatuur hebben vastgelegd […] als verhalenschrijver”; “Deze bundel bewijst ten overvloede dat hij als een van de weinigen in staat is een op zichzelf niet opzienbarende anekdote om te werken tot een voortreffelijke vertelling”; en “Hij vertelt bevlogen waar dat moet, wordt ironisch waar dat passend is. De dialogen zijn pittig. De nostalgie waarmee hij terugblikt op zijn kindertijd heeft een warmte waaraan velen zich graag koesteren”. Maar misschien zag ik wél tegen het schrijven van deze bespreking op omdat meer dan duizend bladzijden met daarop zesenzeventig verhalen (ik kan er een naast zitten) nu eenmaal nauwelijks samen te vatten zijn en ik u niet wil lastig vallen met een bespreking van 30.000 tekens.

Laten we het dus maar systematisch aanpakken: “In deze verzamelbundel zijn”, zoals ‘t Hart zelf schrijft in de helemaal aan het einde opgenomen Verantwoording, “alle verhalen uit Het vrome volk, Mammoet op zondag, De zaterdagvliegers, De huismeester en De unster [waarvan ik het titelverhaal, me dunkt, al eens gelezen had, noot van mij] opgenomen, evenals drie verhalen die in de bundel Ongewenste zeereis waren verstopt”. Als u al die boeken dus gelezen heeft, kan u zich het lezen van de Verzamelde verhalen wel besparen, ware het niet dat “ten slotte (…) ook [zijn] opgenomen ‘Een treurige geschiedenis’, dat eerder verscheen in Tussen de vesten, dertien Leidse schrijvers (Bzztôh, Den Haag 1977), ‘De posthoornspion’, dat eerder verscheen in Intermagazine van december 1981, ‘De witte nacht’, dat eerder verscheen in het winternummer van De tweede ronde van 1981 en ‘Sex-appeal’, eerder verschenen in Liefde, anders niet (De Arbeiderspers, Amsterdam 1992)”.

Als u alléén al Een treurige geschiedenis niét zou gelezen hebben, dan moet u – zelfs als u alle eerder genoemde boeken wél gelezen heeft, uiteraard dit boek toch in huis halen, want het is – al zou ik de verhalen van ‘t Hart in doorsnee niet als humoristisch kenmerken – een hilarisch exemplaar. Terwijl het toch ook “sterk autobiografisch” is, zoals “alle in deze verzamelbundel opgenomen verhalen, behalve de verhalen ‘De beproeving’ en ‘De vogelbezorging’ uit De huismeester en de verhalen ‘Mijn vrouw’, ‘Bethesda’, ‘De veenmollenplaag’ en ‘De draagmoeder’ uit De unster [waarvan Mijn vrouw en Bethesda overigens beslist tot de minder goede in deze bundel horen, noot van mij] (…) of zoals in ‘Een principieel weekend’, ‘Huwelijk rijmt op gruwelijk’ en ‘De ruitenwissers’ aan (…) [de auteur] als ik-figuur verteld worden”. Voor wie al vele verhalen van ‘t Hart gelezen heeft, is dít misschien een extra motivatie om alsnog deze bundel ter hand te nemen: “(…) voor deze uitgave [heb ik ze] gerangschikt in chronologische volgorde naar de leeftijd van de ik- of hij-figuur. Een enkele maal leverde dat problemen op omdat sommige verhalen zich op verschillende tijdstippen in het leven van de ik-figuur afspelen. In die gevallen zijn de verhalen zo veel mogelijk in de meest passende context geplaatst”. En, als kers op de taart: “Aan deze herdruk”, want een eerste druk verscheen in 1992, “zijn vier nieuwe verhalen toegevoegd. Omdat zij, daar ze alle in een recent verleden spelen, geen specifieke problemen opleverden ten aanzien van de chronologie, zijn ze niet tussen de eerdere verhalen geplaatst, maar aan het eind van deze verhalenbundel.” Die verhalen heten De glazen toren (over hoe de auteur er voor het eerst op uittrekt verkleed als vrouw), De hockeystick (over sadomasochisme), Kramsvogels (over zijn hartstoornissen) en Het gouden kruisje (over het verdriet van een vriend om een hoer), en die moet u dus missen als u wél alle andere boeken van ‘t Hart heeft gelezen (tenzij er intussen weer een andere verzameling is verschenen, natuurlijk), maar Verzamelde verhalen niét.

Aan dat uitgebreide geciteer uit de Verantwoording – had ie die maar niet moeten schrijven – voeg ik graag nog een en ander toe dat Wikipedia weet te melden en dat ook als materiaal gebruikt is in deze (grotendeels) autobiografische verhalen: ‘t Hart werd geboren in een gereformeerd gezin (al zegt dat een gemiddelde Vlaming zo goed als niks) als zoon van een grafmaker en bezocht het Groen van Prinstererlyceum in Vlaardingen alvorens biologie te gaan studeren aan de Rijksuniversiteit Leiden. Hij werkte als etholoog en was de auteur van “populair-wetenschappelijke” publicaties als Ratten (1973) en De stekelbaars (1978). Hij brak met het christelijk geloof (en dat niet op de manier waarop katholieken dat doorgaans doen, zijnde door het ergens in een hoek te laten liggen omdat ze er sowieso geen last van hadden, maar vanuit een kwaadheid die hij ook al wist te verzamelen in Wie God verlaat heeft niets te vrezen en De bril van God), brak als romanschrijver door met Een vlucht regenwulpen (verfilmd met onder andere Jeroen Krabbé en Willeke van Ammelrooy, een film die het onderwerp is van het verhaal De witte nacht), kreeg vanwege De vrouw bestaat niet de wind van voren vanuit “feministische kringen”, en verkleedde zich – zoals hierboven reeds kort vermeld - wel eens als vrouw. En dat hij “een zeer hartstochtelijk liefhebber en kenner van klassieke muziek” is, iets wat onder andere te pas komt in de verhalen Hoogzomer in april en Het Russische Concert, dat wist u natuurlijk al, tenminste als u mijn bespreking van Mozart en de anderen heeft gelezen.

Ik ga u dus – ik lui, u blij – verder niet meer al te veel lastig vallen met het (auto)biografische aspect van deze verhalen. Het is voldoende dat u weet dat dat groot is en voor móói werk heeft gezorgd. Mooi werk dat in verhalen als Het dal van Hinnom, Het braakland, De bunzing, en Het paard ook enorm nostalgisch is en getuigt (of moet getuigen, ook autobiografieën worden nu eenmaal bijgekleurd vanuit het latere ik) van een vroege dierenliefde, een niet passen in het ruwe milieu dat de jonge ‘t Hart omringde, en een wel zeer premature twijfel aan het geloof dat ook al eigen is aan dat milieu. Het brandende braambos lijkt bij die verhalen aan te sluiten, het handelt per slot van rekening over het eerste – niet echt doorgegane – seksuele avontuur van de auteur, maar ‘t Hart weet het zo grappig te brengen, dat heen en weer geslingerd worden tussen hel (een ongelovig meisje) en hemel (waar hij en zij heen kunnen als hij haar kan bekeren), dat ik er een aantal keren strike van gelegen heb en dat het beslist aparte vermelding verdient.

Bij De aardbeving komt nauwelijks een aardbeving kijken, maar wel veel school, in De hond komt de hond er met de schrik vanaf, in Velasques Keurkorps Major is de man van de sigarenbandjes de sigaar, in Jaap Schaap mag het Schaap uiteindelijk eens de kudde toespreken, en bij De tegenspeler draait het om schaatsen en schaken en krijg je er deze prachtige beschrijving van kou en blauw bovenop: “De koude kreeg steeds meer vat op me, bevond zich al onder mijn muts en achter mijn oren, had, op twee fronten aanvallend, ook mijn knieën al bereikt, begon zich tussen mijn dijen te nestelen. Maar de wereld was blauw, diepblauw, enkel nog blauw – een kleur die geen kleur was, maar iets duurzamers, wezenlijkers en tegelijk onwerkelijkers.”

De vloekende dievegge is eigenlijk te kort om er wat over te vertellen, tenzij dan dat de dievegge in kwestie geen ekster is maar een kauw. Het stilleven roept toch wel een en ander wakker bij degene voor wie het bestemd is. In Derde liefde speelt de jonge Maarten een beetje buiten zijn leeftijdscategorie (met een gevoel dat iedere jongen kent die wel eens verliefd geweest is op, pakweg, die toch niet zo veel oudere juffrouw van tekenen). In Handel speelt diezelfde Maarten al orgel. En Concurrentie blijkt er ook in diens vaders business te zijn.

In Tijdelijk dienstverband maken we kennis met de vrijgezel tegen heug en meug Hendrik Boog. In De zaterdagvliegers vernemen we dat er ook zondagvliegers zijn van wie één zaterdagvlieger in het bijzonder verneemt wat vliegen op weduwschap is. In Een nachtgezicht compenseert een man voor zijn leven als quasi-weduwnaar. In Sintmichielszomer leert ‘t Hart waar kinderen vandaan komen. En in Mammoet op zondag komt een mammoet-droogdok voorbij het Maassluis waar ‘t Hart opgroeit en leert de lezer dat ‘hervormd’ iets anders is dan ‘gereformeerd’ en zélfs nog iets anders dan ‘hervormd op grote wielen’: “Zij zou niet in de kerk zitten, zij was hervormd op grote wielen, een groot gevaar dus voor elke geformeerde jongen. Erger dan hervormd op grote wielen bestond niet: dat het mogelijk zou zijn om iets met een meisje te hebben dat helemaal niets was, was zo ondenkbaar dat er niet eens over gesproken werd. Hervormd op grote wielen was de uiterste grens. Misschien was ik daarom wel verliefd op haar geworden”.

En in deze boekbespreking ga ik beslist niet élk verhaal op deze manier afhandelen. Ouderlingenbezoek deed me wat denken aan een bepaalde scène in Een vlucht regenwulpen. Die waarin de ouderlingen op bezoek komen, inderdaad. Maar in dat verhaal duidde ik ook deze ene zin aan: “Bij elke naam stokte hij even; sommige namen verlieten in brokstukken zijn mond.” Zoals ik in Microklimaat die ene zin helemaal aan het begin aanstreepte: “Het alfabet had ons samengebracht”. En in Het betegelde pad: “Ik nam een paar kroketten die zo goedkoop bleken te zijn dat ze wel voor driekwart uit subsidie moesten bestaan.” En in Rat op rum deze paar zinnen: “Hier zou zo dadelijk, daar kon vergif op worden ingenomen, het vreselijkste beginnen dat de schepping te bieden heeft: een vergadering. Ja, misschien zijn concentratiekampen nog veel erger maar aan de stichting daarvan liggen ongetwijfeld ook steeds vergaderingen ten grondslag”. En in De waterstaafwants deze: “Kennen jullie overigens, nu we het over kevers hebben, het mooie verhaal van Schrödinger die het prachtige boekje What is life schreef? Als je de hele schepping nu overziet, meneer Schrödinger, vroegen ze hem, wat kun je dan concluderen over God? Dat Hij een abnormale voorliefde voor kevers heeft, zei Schrödinger. Dat is goed gezien: veertig procent van alle insectensoorten zijn kevers, en er zijn op de hele wereld veel meer kevers dan enig ander soort dier”. En in De onbekenden wou ik de hele eerste paragraaf citeren, maar uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat de kennismaking van ‘t Hart met die andere Maarten, Biesheuvel (beter bekend als J.M.A. Biesheuvel, auteur van onder andere de verhalenbundel In de bovenkooi) als geheel zo grappig was dat het niet loont er één paragraaf uit te halen. Iets wat ook geldt voor De ziekte van Ménière, De huismeester, Engagement, Drempel, Zondagavondslang, Een principieel weekend, De eerste lichting, Onder de witte knop (over voortdurend gestoord worden door de telefoon in tijden waarin er nog niet eens sprake was van gsm’s), De glasplaat, en het al eerder vermelde Een treurige geschiedenis (een verre van treurige geschiedenis), maar in het geheel niet voor De versnijdenis en Het longvolume, waar de lezer vooral uit kan leren waar een leraar moet mee leven als hij, zoals ‘t Hart, absoluut niet geschikt is om dat vak uit te oefenen: “De eerste leerlingen betraden joelend het lokaal. Dat moment – het is niet te beschrijven. Het lijkt of er iets in je afsterft, of je spijsvertering tot stilstand komt, op de galblaas na. Vanaf de nek tot het staartbeentje kruipt er een schorpioen over je ruggenwervels en de tenen krommen zich als voor een noodsprong.”

Iets wat mijn tenen niet doen als ‘t Hart aan een van zijn verhalen over zijn liefdesperikelen begint (zie onder andere Paard jagend op buizerd en De beproeving), verhalen die zoals de andere mooi verteld zijn, verhalen waar ik niet van ga lopen, maar verhalen die voor mij ook niet hoeven. Andermans zieleroerselen interesseren me eigenlijk bitter weinig – van de mijne ben ik ook niet meteen bezeten –, evenmin als de pathetische afkeer die ‘t Hart voelt voor het Sinterklaasfeest (zie De oneindigheid), of z’n interesse voor hoeren (zie Wonen op de Wallen), maar ik eindig deze boekbespreking graag met het feit dat zijn beschrijving van zijn ontmoeting met Werner Herzog, die ik uiteraard niet zomaar noemde in het begin van deze bespreking, een ontmoeting waarvan de gevolgen beschreven worden in het meer dan dertig bladzijden lange verhaal Ongewenste zeereis (klaarblijkelijk echt een soortement gruwelavontuur voor ‘t Hart), me aanzette om me te verdiepen in werken van en over Herzog. Zeker geen ongewenst vervolg van een zeer graag gelezen verhalenbundel.

Björn Roose

vrijdag 6 december 2024

Mozart en de anderen – Maarten ‘t Hart (boekbespreking door Björn Roose)

Mozart en de anderen – Maarten ‘t Hart (boekbespreking door Björn Roose)

Eerlijk is eerlijk, ik heb van de auteur van Mozart en de anderen geen enkel ander boek in mijn bibliotheek staan. Noch Een vlucht regenwulpen, noch De vrouw bestaat niet, noch Het woeden der gehele wereld, om er maar een paar van de bekendere te noemen, maar met de titel van dat laatste boek verwees Maarten ‘t Hart ook al naar iets wat hem zeer nauw aan het hart ligt: klassieke muziek. Of muziek, tout court, want de auteur verbergt niet, etaleert in dit boek zelfs, dat hij in essentie alleen klassieke muziek als muziek erkent. Een standpunt waarover, zoals over elk standpunt, kan gediscussieerd worden, maar toen ik kort nadat ik Mozart en de anderen had gelezen van op een honderdtal meter afstand mocht mee ‘genieten’ van een of ander ‘live’ optreden hier in het dorp kon ik hem toch niet helemaal ongelijk geven als hij over moderne muziek (inclusief jazz, blues, musical en dergelijke meer overigens, allemaal “gedegenereerde rommel”) schrijft: “Al mag ik dan uiterst onverdraagzaam en sterk bevooroordeeld zijn ten aanzien van de daverdreun, ik zou het nooit in mijn hoofd halen, of zelfs kunnen halen, om mijn grote liefdes, Bach, Mozart, Schubert, Brahms, Schumann, Bruckner, Verdi, Wagner en al die anderen, zo hard via mijn geluidsinstallatie door mijn openstaande ramen naar buiten te laten schallen dat dorpsgenoten er op anderhalve kilometer afstand van mee kunnen genieten. Mij dunkt dat een muzieksoort die elke vorm en mate van wellevendheid, elke vorm van beschaving, elke vorm van besef dat zij anderen weleens tot last zou kunnen zijn al bij voorbaat in de kiem lijkt te smoren, alleen al daarom aangemerkt kan worden als barbarij.” De rest van zijn in het hoofdstuk De daverdreun meegegeven kritiek op de “gedegenereerde rommel”, onder andere met betrekking tot de quasi onveranderlijke paar minuten die de “nummers” lang zijn, het feit dat er “in harmonisch opzicht doorgaans totaal niets [aan] te beleven [is]”, en dat je “in ieder geval aan de kwaliteit van de teksten onmogelijk een argument ten gunste van popmuziek [kan] ontlenen”, geef ik slechts even in het kort mee, maar ik voeg er toch graag aan toe dat ‘t Hart het volgens mij enigszins verkeerd voor heeft als hij ook nog schrijft dat “de ergste uitwassen zoals de Red Hot Chili Peppers en Metallica” hem (gelukkig) bespaard blijven, zonder de Peppers evenwel over dezelfde kam te scheren als Metallica: de Peppers zijn (of waren tijdens mijn jeugd), mijns inziens, vooral geschikt om gedurende de obligate drie minuten even de ziel uit je lijf te hossen (‘dansen’ is niet hoe ik mijn bewegingen destijds zou definiëren), veel “nummers” van Metallica behoren echter net tot die categorie van moderne muziek waar wél sprake is van een grotere lengte, muzikaal interessantere composities, en teksten die de moeite waard zijn. Weinig kans allicht dat ‘t Hart dat ooit zou toegeven, maar ik ben zelf liefhebber van heavy metal (en aanverwanten) én klassieke muziek en kan niet zeggen dat de twee liefhebberijen een onoverkomelijke kortsluiting in mijn brein veroorzaken (al kan ik bij, pakweg, het lezen van een boek wél klassieke muziek hebben maar géén moderne).

Nu, met dit alles begin ik dit boek, overigens uitgegeven bij De Arbeiderspers in 2006, zo’n beetje achteraan, waardoor ik meteen ook maar dáár voortga. Met name met twee ontbrekende zaken: de cd die er oorspronkelijk nog bij zat, maar die ik tijdens het (zoals wel vaker) wandelend lezen ben kwijtgespeeld en een soortement register. Die cd is min of meer vervangbaar – de auteur heeft een lijstje toegevoegd van de muziek die er op staat, mét de uitvoerders en (waar aanwezig) de dirigent -, maar het ontbreken van dat ‘soortement register’ is lichtelijk rampzalig voor een gulzige lezer als ik. Dit boek bulkt namelijk van de klassieke stukken (en stukjes) waarvan ‘t Hart om verscheidene en verschillende reden het beluisteren aanbeveelt, maar een register van al die aanbevelingen is dus niet opgenomen. Wie zich daar niet van bewust is tijdens het lezen en, zoals ik deed, denkt ‘Ik moet na lezing van dit boek (of dit hoofdstuk) beslist eens gaan luisteren naar die stukken’, is er aan voor zijn moeite. Geen enorm probleem na de hoofdstukken over Händel, Bach, Haydn, Beethoven, Spohr, Schubert, Chopin, Verdi, Wagner, en de andere anderen, want dat zijn relatief korte hoofdstukken die je (ter gelegener tijd) vrij snel herlezen hebt, maar het hoofdstuk over Mozart, vrij lui getiteld als Wolfgang Amadeus Mozart, waarmee het boek begint (en waarin ‘t Hart overigens ook ingaat op, bijvoorbeeld, de rangorde van andere componisten onder hun broers en zusters, hun grootte, de leeftijd die ze haalden, de door Mozart gehanteerde toonsoorten en langzame inleidingen, zijn variaties en niet voltooide werken, de Haffner, de Linzer, enzovoort) is honderd bladzijden lang, dus daaraan begin je niet meteen opnieuw. Jammer voor mij dus en voor andere lezers die zich het probleem net zomin als ik vooraf gerealiseerd hadden, maar u (ja u, beste lezer van deze boekbespreking) bent vooraf gewaarschuwd en kan ofwel een blocnote bij u nemen om de vernoemde stukken op te schrijven of, zoals ik van plan ben alsnog te doen, de stukken te beluisteren tijdens het (her)lezen van de hoofdstukken, als onderbreking daarvan, met als bijkomend voordeel dat je met de gedegen uitleg van ‘t Hart ook nog weet waar je eventueel in het bijzonder moet (of minstens kan) op letten.

Al zijn de tips voor mensen met weinig ‘technische’ kennis van muziek (‘t Hart musiceert nota bene zelf) – een categorie waar ik me zonder enige twijfel onder schaar – mogelijk niet altijd even makkelijk te vatten. Een passage als “Via Beethovens vijfde symfonie die ik bij een vriend thuis herhaaldelijk hoorde – het was, naast twee platen met Music for the Millions, de enige klassieke plaat waarover ze beschikten – betrad ik voor het eerst het rijk der instrumentale klassieke muziek, en diezelfde Beethoven werd, samen met Bach, in mijn puberteit een van mijn twee grote helden. Beethoven was de grootste componist, wist ik (…), (…) [wat] bleek uit XYZ der Muziek, het eerste boek over muziek dat ik stiekem aanschafte”, valt voor eenvoudige zielen als ik eenvoudig te begrijpen (Beethoven is de grootste omdat een ander hem tot die status gebombardeerd heeft), maar met deze is dat al een stuk moeilijker: “(…) toen hoorde ik, op mijn zolderkamertje voor de radio die ik had aangeschaft van het geld dat ik als deeltijdbroodbezorger had verdiend, zomaar midden op de dag de negenentwintigste symfonie van Mozart. Zelden heb ik zo vol verbazing, zo sprakeloos, en uiteindelijk zo ontroerd, naar een compositie geluisterd. Vanaf de octaafsprong waarmee Mozart inzet tot aan de twee abrupte slotakkoorden in A grote terts die voorafgegaan worden door een uit het niets opduikende, opstijgende toonladderfiguur, zat ik onbeweeglijk met mijn oor tegen de radio, steeds bang dat mijn vader of moeder zou opduiken om mij vertoornd toe te brullen: ‘Zet af die troep.’” Niet omdat wij muzikaal minder onderlegden geen ter zake nóg minder onderlegde ouders kunnen hebben, maar omdat we (ik toch) nog geen octaafsprong, grote terts of toonladderfiguur zouden herkennen als die naar ons toe kwam gelopen, in ons gezicht sloeg en zichzelf luidop identificeerde als zijnde een octaafsprong, grote terts of toonladderfiguur. Het enige wat de welwillende lezer dan nog kan, is, me dunkt, die negenentwintigste symfonie er bij nemen en op z’n minst proberen die sprong, figuur en slotakkoorden te identificeren. En als je dát gedaan hebt nóg een keer naar het stuk luisteren. En als je het dan (des te meer) weet te waarderen Maarten ‘t Hart dankbaar zijn omdat hij je de weg heeft gewezen. Doorheen een zee van prutsers dan nog: “Luister maar eens naar al die tijdgenoten van Mozart. Behalve Joseph Haydn was er niet één bij die ook maar een beetje draaglijk componeren kon.” En zónder werkelijk alles te waarderen aan zelfs de componisten die dat wél konden overigens, bijvoorbeeld de libretti bij hun opera’s of de teksten bij hun cantates: “Het is waar: de teksten van de cantates zijn over het algemeen verschrikkelijk, maar Bach componeerde bij woorden als ‘sodomsappels’, ‘hellevuur’, ‘zondehuis’, ‘helleliederen’, ‘satanskinderen’ soms hartverscheurende muziek. In cantate 206 zingen sopranen en alten in het slotkoor in canon over ‘bemoste kanalen’, en iets liefelijkers, gracieuzers, mozartiaanser is in het heel werk van Bach nauwelijks te vinden.” Of: “Bij Strauss [Richard, uiteraard, niet een van de Weners, noot van mij] levert de relatie tussen tekst en muziek stof voor een dissertatie, zeker als men daarbij ook in aanmerking neemt dat hij soms zo opging in zijn werk dat hij, zoals herhaaldelijk bij opera’s op teksten van Von Hofmannsthal is gebeurd, per ongeluk ook de toneelaanwijzingen van Von Hofmannsthal op muziek zette.” Of nog: “Tegenwoordig beschouw ik het als een zegen als ik niet kan verstaan wat er gezongen wordt, en als ik de taal wel kan verstaan, luister ik met een half oor. Gelukkig zingen de meeste zangers zo onduidelijk dat je doorgaans slecht kunt volgen wat er gebeurt, behalve bijvoorbeeld bij een componist als Eugène d’Albert. In Die Toten Augen hoor je akelig goed wat zich afspeelt. Een draak van een verhaal, maar wat een grandioze muziek.”

Het gaat hem ‘t Hart dus voornamelijk om de muziek. En bij klassieke muziek - meer dan bij moderne muziek, want in dat laatste geval spreekt men van een cover en daar verwacht niemand van dat die ‘uitgevoerd’ wordt zoals het origineel - is de uitvoering daarbij van zeer groot belang ongeacht hoe goed het oorspronkelijk geschreven stuk ook is: “Nog weer wat later hoorde ik, in dat programma Populaire klassieken op zaterdagavond van de KRO, toen ik met hoge koorts in bed lag, het drieëntwintigste pianoconcert in A-groot. Opgetild in mijn ziekbed werd ik regelrecht, rillend van de koorts, de hemel in geschoven. Nu staat natuurlijk vast dat zelfs in het oeuvre van Mozart dit drieëntwintigste pianoconcert een mirakel is, zo’n groot mirakel zelfs dat ik eigenlijk nooit meer een uitvoering hoor die naar mijn smaak recht doet aan de warme, herfstige melancholie van deze boodschap uit een betere wereld waaruit alle lasten en zorgen en tobberijen van dit aardse bestaan verbannen lijken, of het moest de schitterende vertolking zijn van Murray Perahia met het English Chamber Orchestra.” Een vaststelling, in het algemeen, die iedere liefhebber van klassieke muziek zal beamen en waarop bijvoorbeeld vroeger (geen idee of dat nog zo is, ik luister nog zelden naar de radio) op zondagnamiddag een programma bij Klara gebaseerd was: drie uitvoeringen van één stuk, waarbij de juryleden mochten zeggen welke voor hen de beste was. Ik denk niet dat ik het altijd met hen eens was, maar man, wat een ongelooflijk ‘platte’ versies van in se goede stukken muziek zijn er op plaat/cd gezet. Versies op basis waarvan je zo’n stuk muziek naar de prullenmand zou verwijzen tot je een goede versie ervan hoort. Versies die overigens niet noodzakelijk iets zeggen over andere muziek die dezelfde uitvoerder/dirigent zou brengen: “Een dozijn jaar geleden gaf ik een lezing in het raadhuis van Damme. Na mijn voordracht was, zoals het programma vermeldde, ‘klavecimbelmuziek voorzien’. Een aantrekkelijke jongedame, lerares aan het conservatorium, speelde enkele delen uit de tweede Franse suite van Bach, plus een mij onbekend stuk muziek: Les barricades mystérieuses van François Couperin. In Bachs suite speelde het mooie meisje adembenemend veel fouten. ‘Dat zou ik zelf waarachtig beter hebben gedaan,’ mopperde ik. Toen klonk Couperin. Of ook daarin fouten werden gemaakt, weet ik niet, want ik kende het stuk niet. Wel weet ik dat ik vanaf de eerste maten ademloos zat te luisteren. Het helaas zo zeldzame wonder voltrok zich, het wonder dat je iets hoort waarvan je helemaal ondersteboven bent.”

Een wonder dat ‘t Hart af en toe ook ontdekt bij Händel: “Wat een eigenaardige componist! Zo’n ontzaglijk oeuvre, en zo veel daarvan dodelijk vervelend, maar overal, verspreid door dat hele oeuvre heen, van die uitzonderlijke, ongeëvenaarde, sublieme ingevingen (…)”. Een bewondering die hij niet vertoont voor sommige andere schrijvers/boeken over muziek, bijvoorbeeld voor Geert Lernout en diens Iets anders: de Goldbergvariaties van Bach, zelfs niet als die van leer trekken tegen componisten waar ‘t Hart óók niet dol op is (zij het dat hij Wagner absoluut niet de belachelijke verwijten maakt die sommige anderen hem gemaakt hebben en zijn brieven als jonge schrijver zeer weet te waarderen): “Op pagina 218 en 219 trekt Lernout hevig van leer tegen wat hij noemt de ouverture van de opera Tristan und Isolde van Wagner. ‘Het meest manipulatieve stukje muziek aller tijden zou weleens de ouverture van Tristan und Isolde kunnen zijn.’ Helaas, die opera heeft helemaal geen ouverture. Wagner zelf zette boven de inleidende maten: ‘Einleitung’. Van een ouverture is geen sprake, en alleen al daarom is al wat Lernout erover beweert regelrechte onzin. ‘Met de ouverture en apotheose van Tristan und Isolde is Wagner de vader van Hollywood,’ aldus Lernout. Wat een ongelofelijke kletspraat, en dat nota bene naar aanleiding van een niet-bestaande ouverture!”

Soit, daarbij ga ik het laten. Ik kan u nog doodslaan met citaten uit ‘t Harts teksten over César Franck (als Luikenaar geboren in de te dien tijde weerom verenigde Nederlanden, een feit waarop de auteur niet nalaat te wijzen), Bruckners zesde (“Ik lag onder de dekens en hoorde de zesde van Bruckner. Mijn gewaarwordingen – ik kan ze moeilijk beschrijven. Eén ding staat vast. Sindsdien ben ik niet alleen een onvoorwaardelijk bewonderaar van Bruckner, maar hoort die zesde thuis in het zeer selecte rijtje van de allermooiste symfonieën.”), Het clair-obscur van Brahms (“ik houd zielsveel van Brahms”), Hermann Goetz (“in al die muziek van Goetz klinkt een toon die je nergens anders vindt”), Dvořák (“Zoals in Nederland de heer Malheur, zoals Debussy hem beliefde te noemen, op het belachelijke af wordt overschat, zo wordt Dvořák in onze moerasdelta volstrekt onderschat.”), De salondeuren van Chausson, Skrjabin (“Skrjabin? Dat was toch de Russische term voor geluidsoverlast?”), Ralph Vaughan Williams (“na The Pilgrim’s Progress uit 1951 bracht hij niets meer voort waar je echt van ophoort”), Max Reger (“Zo slecht als ik Simon Vestdijk volgen kan in zijn liefde voor Gustav Mahler, zo goed lukt mij dat in zijn liefde voor Max Reger.”), Rachmaninov (“Je hebt bij deze componist echt van die stukken waar je als een baksteen voor valt, die je dagenlang loopt te neuriën, waar je domweg dolverliefd op wordt”), Bohuslav Martinů (“Daar heb je die dorre naaimachinemuziek weer, riep ik steevast uit, als een van mijn vrienden met Martinů aankwam”), en nog een paar anderen, maar ik ga dat – na het stiekem toch gedaan te hebben – dus niet doen. Net zomin als ik er uitgebreid mee ga lachen dat ‘t Hart het heeft over een boek van ene Karel Van Eycken over laatst genoemde componist dat “vol vermakelijke taalfouten [staat]”, waarna ‘t Hart een fout maakt in de naam van de gemeente waar het boek uitgegeven is: van Steenokkerzeel maakt hij ‘Steenkorrelzeel’. Da’s immers slechts een schoonheidsfoutje in een bijzonder nuttig, zeer interessant, en mooi geschreven boek.

Björn Roose