vrijdag 11 september 2026

De vis begint aan de kop te stinken – Fritz Wöss (boekbespreking door Björn Roose)

De vis begint aan de kop te stinken – Fritz Wöss (boekbespreking door Björn Roose)
Uit de titel van dit boek kon u al opmaken dat het in het Nederlands verschenen is, maar de naam van de auteur zou u – zelfs in politiek correcte tijden waarin u niet geacht wordt op zo’n dingen te letten – tot de gedachte kunnen brengen dat hij een Duitser is of was. Dat klopt en dat klopt niet: Fritz Wöss, eigenlijk Friedrich Weiss, overleden in 2004, was een in Wenen geboren Oostenrijker, maar nam na de Anschluss (wie niet weet wat dat is, gaat het maar opzoeken) op zijn achttiende als Fahnenjunker (een onderofficiersgraad, dat wil ik u wél meegeven, want dat moest ik óók gaan opzoeken) dienst in de Duitse Wehrmacht. Als frontofficier nam hij vervolgens deel aan de Slag om Duinkerke en de inname van Normandië, waarna hij met de Heeresgruppe Nord deelnam aan de invasie van de Sovjet-Unie. In december 1941 was hij, intussen gepromoveerd tot Batterieführer, betrokken bij de gevechten rond het Ladogameer, raakte gewond, werd weer opgelapt, en kon vervolgens deelnemen aan de Slag om Stalingrad als verbindingsofficier met de in Nariman gelegerde 20ste Roemeense Divisie. Hij overleefde de Slag (en wie gevechten als de Slag om Stalingrad een beetje bestudeerd heeft, weet opeens wel zeker waarom een Slag in het Duits ‘Schlacht’ heet), kwam op 29 januari 1943 in Sovjet-gevangenschap terecht, en kon pas in 1948 terugkeren naar Wenen. Daar schreef hij zich in aan de universiteit, haalde z’n doctoraat, werd beambte, schrijver (uiteraard), directeur van de Hochschule für Bodenkultur, richtte een denkgroep rond directe democratie op, stichtte de Union für Direkte Demokratie en een vijftal jaar later de eerste milieubeweging in Oostenrijk, de Österreichische Umweltschutzbewegung (later omgedoopt naar Wahlgemeinschaft für Bürgerinitiativen und Umweltschutz), deed vervolgens een jaar of dertig niks dat de gazetten haalde (of net wel, waardoor ‘het internet’, inclusief de aan de auteur gewijde pagina, het niet nodig vindt er aandacht aan te besteden), en ging toen dood.

Misschien zit er in die dertig stille jaren nog wel een verhaal, maar voor deze bespreking volstaat het dat u weet dat dit boek, De vis begint aan de kop te stinken (in het Duits: Der Fisch beginnt am Kopf zu Stinken), aanvangt nadat de Slag om Stalingrad verloren is, als centrale figuur ene Wisse heeft, ten tijde van de Slag verbindingsofficier met de 20ste Roemeense Divisie, en eindigt ergens bij het einde van de Tweede Wereldoorlog met het vertrek van diezelfde Wisse uit het ene krijgsgevangenenkamp naar een volgend. Maakt dat het boek autobiografisch? Wel, dat staat niet met zoveel woorden op de omslag vermeld: “Gedreven door een belofte aan zijn kameraden om te vertellen over de hel van Stalingrad, schreef Fritz Wöss een aangrijpende roman over het lijden en de ellende van de Duitse soldaten bij de strijd in Rusland”, dat wel, maar desalniettemin “een roman”. Net zoals de voorganger ervan, in het Nederlands getiteld Honden wilt ge eeuwig leven?… (wellicht eveneens in de jaren 1980 verschenen bij De Boekerij), in het Duits Hunde wollt ihr ewig leben?, het verhaal over de Slag zelf, en het er op volgende derde deel van wat dan een trilogie werd genoemd, Die Deutschen an die Front, dat zich afspeelt in het inmiddels in twee bezettingszones (eigenlijk vier, maar de westerse bezetters gooiden hun zones samen) opgedeelde Duitsland. Dat eerste deel en dat laatste deel van de trilogie heb ik niet gelezen, maar de stijl van het tweede maakt, net zoals het feit dat er op de al eerder genoemde aan de auteur gewijde pagina gewoon gezegd wordt dat het om “seinem autobiographischen Werk” gaat, wel degelijk duidelijk dat De vis begint aan de kop te stinken autobiografisch ís, zelfs al kunnen de belevenissen van Wisse/Wöss dan perfect als voorbeeld dienen van wat “die körperlichen und seelischen Qualen [waren], durch die die rund 90.000 deutschen überlebenden der Schlacht von Stalingrad gehen mussten und denen der Grossteil der Gefangenen erlag”. Wat goed is en ook weer niet: wie De vis begint aan de kop te stinken (waarvan de titel uiteraard verwijst naar het gedrag van de hogere rangen – de besluiteloze Paulus in de eerste plaats, maar ook de officieren die zelfs ná de slag twijfelen “of ze zich van een zekere heer Hitler en de hele zaak moeten distanciëren of de geliefde Führer onvoorwaardelijk trouw en gehoorzaam blijven” -, al is Wöss/Wisse zeker niet iemand die die per definitie veroordeelt of de lagere rangen per definitie goedpraat) leest als een verslag van de dodenmarsen (na de eerste in een serie van vele blijven er van de gevangenen nog zeventien van de honderdzevenentwintig over) en dodentreinen (“Ook tijdens het soms dagen en nachten durende oponthoud op zijsporen blijven de gevangenen in de wagons opgesloten en worden de schuifdeuren alleen opengemaakt om eten aan te geven, doden naar buiten te schuiven en ontlasting kwijt te raken.”), de kampen, de martelingen, de honger (“Omdat er behalve de snee brood alleen een halve liter watersoep te eten is, knaagt de honger langzaam het verstand weg”), de ziekten (met vlektyfus als de meest gevreesde daarvan, en de ondanks de beperkte middelen toch serieuze pogingen van het Russische verplegend personeel om de gevangenen weer op de been te brengen), het verraad (“De Roemenen (…) wachten niet meer tot de dragers van andere rugzakken ineenstorten, maar overvallen en beroven er een paar. Ze laten de bewakers in hun buit delen, want die missen toch de moed, zelf de gevangenen tijdens de mars met geweld te plunderen.”), het kamp binnen het kamp (met Duitse baasjes onder auspiciën van Sovjet-baasjes), de oorlog van allen tegen allen (“Wie een stuk hout heeft, een mes, een paar medicamenten, wie een paar woorden Russisch kent of op zijn minst nog wat meer lichaamskracht heeft dan de anderen, ziet zich verheven tot een machtspositie en wordt het middelpunt van een groep. In die groepen worden bepaalde figuren opgenomen, anderen worden er uitgestoten. Bondgenootschappen worden dikwijls voor de duur van dagen, soms uren gesloten, versterkt en dan weer uiteengeslagen. Geniepigheid en meedogenloosheid voeren de boventoon.”), de extreme weersomstandigheden, de pogingen om toch iets van cultuur te onderhouden een keer de krijgsgevangenen weer enigszins aan de betere hand zijn, systeem-overschrijdende liefdes, de valse beloftes van de gijzelnemers, enzovoort, zal door dit boek zeker niet teleurgesteld worden; wie het wil beschouwen als een roman, zal dat wél zijn. Omdat het eerste, korte hoofdstuk zich afspeelt in Münster, met een aantal soldatenmoeders in de hoofdrol, en het tweede “duizenden kilometers verder, aan de Wolga” met een aantal van hun zonen in de hoofdrol, heb je nog héél even het idee dat het wel degelijk een roman zou kunnen worden, maar die sprong in de tijd en die wisseling van hoofdrollen is ook de laatste, en je krijgt in de volgende driehonderd bladzijden ook nergens de indruk dat er een ontsnapping op til is (gezien de omstandigheden ook niet waarschijnlijk), een grootschalige opstand, een martelaarsdood, wat dan ook dat van dit boek – overigens gedrukt in een afgrijselijk lettertype - een roman zou kunnen maken.

Een roman die ook al snel als té melodramatisch zou afgedaan worden als je bijna aan het begin ervan al afkomt met feiten als deze: “Als ze de vijf Duitsers zien, die alleen onder bewaking van de oude, dronken Rus staan, stormen ze naar voren en vallen hen vloekend en met woedende dreigementen aan. Het zijn dezelfden, die het eerst met de Duitsers hielden; nu gooien zij ze met brokken ijs, worden dan brutaler, komen dichter bij, spuwen en slaan ze met vuisten en stokken. De bewaker gromt en vloekt wel, maar ziet geen kans, de mannen tegen het gepeupel te beschermen. De vijf gevangenen begrijpen eerst niets van deze behandeling, maar zijn al gauw dol van angst. Er komen zelfs nog Russische soldaten, die de mensen verder ophitsen. Enigszins klein uitgevallen leden van het Rode Leger. Jongens in Russische uniformen met machinepistolen, een soort hulppolitie blijkbaar. Ze schieten de gevangenen een beetje voor hun voeten en over hun hoofd, zodat Wisse steeds moet bukken om geen lading in zijn hersens te krijgen. Ze hebben veel plezier om de majoor, die bij ieder schot snotterend van angst door zijn knieën gaat.”

De werkelijkheid is sterker dan de fictie, maar niet als je die werkelijkheid probeert te lezen als een roman, zoveel is duidelijk. En dat verandert niet als de kleine groep naar een “balka” gebracht wordt, een soort loopgraaf, waarvan de bodem “vol donkere vlekken” is, “honderden Duitse soldaten, die afgemaakt zijn”. “Het is alsof ze aan een besmettelijke ziekte zijn gestorven”, schrijft Wöss, “En dat is ook zo; ze zijn het slachtoffer van de ergste ziekte die de mensheid bedreigt: de beestachtigheid”. Waarmee hij toch de naakte voorstelling van de feiten onderbreekt met een beetje filosofie, een filosofie die duidelijk eigen is aan de schrijver, aan de hoofdpersoon dus ook, maar daarmee dit verslag nog steeds niet optilt tot een literair niveau. Net zomin als: “Je bent een bekend type, jongeman, maar niet in mijn straatje. Blijkbaar zo een, die fiks gedresseerd is op de partijscholen, om bij de elite te komen. Precies hetzelfde soort als bij ons een afdelingsleider van de Hitlerjeugd of een napola-student. Een arrogante knaap, fanatiek, hersenloos, gevoelloos en onbarmhartig.” Of: “Gedachten? De kapitein kan er geen meer grijpen. Hij zoekt alleen nog naar iets bekends, vertrouwds. Zijn moeder, broers, zusters, zijn huis, Wenen, dat is allemaal te ver weg, onwezenlijk geworden, niet meer voor de geest te halen en al voorbij: daarvan kun je geen afscheid meer nemen.” Na de eerste hoofdstukken doet de auteur ook geen moeite meer om dat soort zaken te herhalen: een lezer die zich zelfs maar een héél klein beetje probeert in te leven in de omstandigheden waarin de krijgsgevangenen verkeren, moet óók geen moeite doen zich in te beelden dat het al een kunst is om niet geheel te verdierlijken.

Het interessantste – een oneindige opsomming van leed is helaas ook niet van aard om te blijven boeien – dat zich dan ook verderop in het verhaal nog afspeelt, zijn de pogingen van de Sovjets om van de Duitsers ‘anti-fascisten’ te maken, die ze vervolgens uiteraard willen gaan gebruiken als propagandamiddel, al maken ze ze bij gelegenheid ook wel eens wijs dat ze zich aan de zijde van de Russen gewapend een weg zullen mogen vechten naar Duitsland. Pogingen die met alle mogelijke middelen ondernomen worden: propagandavoorstellingen en -lezingen, extra voedsel, de beste ‘jobs’ in en buiten het kamp, minder voedsel voor wie dan nog niet wil, geen ‘job’ meer (en bijgevolg minder kansen om aan broodnodige extraatjes te komen), chantage, oplichting (‘die is er al bij, waarom kom jij er dan niet bij?’), en uiteraard de – ook binnen hedendaagse zogenaamd ‘antifascistische’ kringen nog steeds opgeld makende – stelling dat wie geen ‘antifascist’ is dan wel een ‘fascist’ moet zijn: “(…) aan het eind van de vergadering wordt met veel tamtam aangekondigd dat er die middag een feestmaal is voor de eerste nieuwe groep, ongeveer dertig gevangenen die al enkele dagen geleden hun toetreding tot de ‘Antifa’ (anti-fascistische organisatie) bekendgemaakt hebben en nu, officieel als anti-fascisten, voor het eerst in het openbaar treden. Op twee of drie echte anti-fascisten na zijn het mannen zonder overtuiging, een paar meelopers die bang zijn voor het verlies van hun functie, een stel baantjesjagers en vooral hongerlijders die graag eens een vol bord willen zien. (…) Grote en kleine partijgenoten van Adolf Hitler duiken vlug in de nieuwe beweging onder, uit angst voor vervolging. Diegenen, die werkelijk iets te vrezen hebben, omdat bepaalde ‘oorlogshandelingen’ van hen door de sowjets wel eens als misdaden uitgelegd konden worden, verdwijnen zo onopvallend mogelijk in de Antifa en brengen het daar tot een nog roemrijker bestaan dan onder Hitler. Geheel vrijwillig en openlijk komen de fanatieke liefhebbers van politiek in al haar vormen; met beide handen grijpen zij de kans aan, weer aan politiek te kunnen doen. Zij ontdekken ogenblikkelijk de verwantschap tussen nationaal-socialisme en communisme en worden in hun nieuwe clubverband even radicaal als in het oude.” En dat allemaal – wat ook de meest voor de hand liggende reden is waarom het hoofdpersonage niét meegaat in het verhaal (naast het feit dat de oorlog nog niet voorbij is en dat hij ook een eed als militair heeft afgelegd) – onder auspiciën van de Sovjets, die, wat niemand onbekend is, toch óók geen democraten zijn. Geen Freies Deutschland (de organisatie die van het naoorlogse Duitsland zogezegd een ‘antifascistische’ staat gaat maken) dus voor Wisse, maar ook geen Bund Deutscher Offiziere, zogezegd onafhankelijk van de Sovjets opgericht met de bedoeling een, uiteraard óók tegen Hitler zijnd, alternatief te vormen voor wie zich niet bij Freies Deutschland wil aansluiten. Een frontorganisatie dus, een gevel, zeg maar, die – al heeft Wöss het daar verder niet over – al zeer snel na de oprichting in de praktijk opgenomen werd ín dat Freies Deutschland.

Best een interessant deel van wat zonder meer een ooggetuigenverslag mag genoemd worden, zeker omdat dat een geschiedenis is waarover zelden verhaald wordt, maar om nu, mét de achterflap, te zeggen dat deze “roman (…) zo indringend is (…) dat men het relaas van Fritz Wöss nooit meer zal kunnen vergeten”, sterker nog, dat deze “roman (…) een bezit is voor het leven, waard om vele malen herlezen te worden”, nee, dat is overdreven. Als u hem ergens kan lenen, dan moet u dat beslist doen, maar één keer lezen zal wel genoeg zijn.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !