‘Waarover ging dat boek ook alweer?’ Ik stel me niet zo héél
vaak die vraag als ik aan een boekbespreking begin, maar met Morgen
wellicht van Leen Wuyts was dat wél het geval. Omdat het bijna
vier weken geleden was dat ik dat boekje, vijfenzestig bladzijden dik
en uitgegeven bij De Clauwaert v.z.w. in 1983, gelezen had,
natuurlijk. En omdat ik er sindsdien elf andere gelezen heb,
uiteraard. Maar ook simpelweg omdat de inhoud niet van die aard is,
dat hij bij mij bleef hangen.
Morgen
wellicht is namelijk, zoals De belofte van dezelfde auteur en zoals het merendeel van de boekjes dat in de
Novellenbibliotheek van genoemde uitgeverij verschenen is, de
beschrijving van een tranche de vie, en het leven waaruit in
dat soort gevallen dan een stukje gehaald wordt, is nooit van dien
aard dat ik er enthousiast, gepassioneerd, zelfs maar simpelweg
vrolijk van wordt, of – als dat dan toch buiten de mogelijkheden
ligt – eventueel triest of kwaad. Het enige dat verhindert dat ik
ergens onderweg het lezen staak omwille van een boreout is het
eenvoudige feit dat dat lezen maar een uurtje of zo kost en dat ik
een mens met (een slecht) karakter ben. Een karakter dat me ook nog
toelaat een bespreking van het boek te schrijven. Al ga ik daar nu
niet echt, om het met Gerrit Callewaert uit Bavikhove te zeggen, ‘ne
meerderen effort’ voor doen.
Hier is wat u, desgewenst, ook kan lezen op de achterflap: “Een klein
meisje gaat voor de eerste maal naar de grote school. Een jonge vrouw
mag voor een halve dag de psychiatrische instelling verlaten. En
beiden, Elsje en Greet, ontmoeten elkaar. Zonder echt weet te hebben
van elkaars leven, terwijl ze toch eenzelfde weg volgen, die van het
zoeken en tasten, falen en hopen, vinden en toch ook weer niet
vinden. De weg van kleine en grote tragedies, verdriet en verlangen,
verborgen, niet begrepen, of zichtbaar voor ieder en toch niet
herkend. De weg van iedereen, gisteren en morgen. Zij raken elkaar,
Elsje en Greet, in hun verleden en hun toekomst, in hun intense
behoefte zich te uiten, lief te hebben met de zachtheid en de sterkte
van hun lichaam. In hun verlangen naar geborgenheid, erkenning,
aandacht. Allebei ontwikkelen ze zich via de mensen rondon [sic] hen:
de mensen van elke dag. Via gebeurtenissen waarvan het tragische
vooral ligt in het onvermogen van het kind of de vrouw om vrij en
eerlijk te reageren. In het niet begrepen, niet opgevangen worden. In
een isolement dat groeit bij Elsje, in een geremdheid die langzaam
overwonnen wordt door Greet. Zij raken elkaar, Elsje en Greet, in de
realiteit van angst, onzekerheid en hoop. In dezelfde droom.” Een
flaptekst dus die ofwel geschreven is door de auteur zelf of door
haar grootste fan, een flaptekst die nogal kort door de bocht gaat
(veel meer dan elkaar hier en daar raken doen Elsje en Greet niet),
een flaptekst die niet zo heel veel zegt, vooral niet over Elsje, die
toch, zo leert de lezer tijdens het lezen van het boek, te maken
krijgt met een kinderverkrachter. Dat op zich zou thema kunnen zijn
voor een boek, en is dat wellicht ook al nu en dan geweest, maar
lijkt in de constellatie van Morgen wellicht de ondergeschikte
lijn te vormen. Maar meer analyse is dat nu ook weer niet waard.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !