In mijn bespreking van Warmwatermuziek,
het vorige boek dat ik (al begin 2023) van Charles Bukowski las, wist
ik al te vertellen dat ik eerder van de auteur Kind onder
kannibalen had aangetroffen bij een of andere kringwinkel en dat
Warmwatermuziek zeker een aanbeveling was om naar andere
boeken van de auteur op zoek te gaan. Dat laatste is tot nog toe een
mission failed geweest: ik ga voortdurend op zoek naar boeken
(aan een zacht prijsje), maar heb er in de bijna vier jaar die
intussen verstreken zijn geen meer aangetroffen van Bukowski. Maar ik
heb nú dan toch, zoals u al kon afleiden uit het feit dat u deze
bespreking aan het lezen bent, Kind onder kannibalen gelezen,
en dat is me eveneens zeer goed bevallen.
U kon in wat ik eerder schreef over Warmwatermuziek al lezen
dat Herman Brusselmans enige aanknopingspunten had bij Bukowski –
voor het fijne daarvan leest u die bespreking maar eens (opnieuw) –
en dat Bukowski bekend staat omwille van z’n harde, directe stijl
en het feit dat hij schreef (hij overleed in 1994 op zijn 74ste) over
de onderkant van de Amerikaanse maatschappij, een onderkant waar hij
zelf grote delen van zijn leven doorbracht. En dat is ook wat hij
doet in Kind onder kannibalen, met dat verschil dat Kind
onder kannibalen helemáál autobiografisch is (hoofdpersoon
Henry ‘Hank’ Chinaski ís Charles Bukowski) en dat het over zijn
kinder- en jeugdjaren gaat: de hoofdstukken zijn titelloos, maar het
hoofdstuk met nummer 1 begint met zijn eerste bewuste ervaring (of
toch de eerste ervaring die hij zich herinnert, het bekijken van de
wereld van onder een tafel toen hij een jaar of twee oud was), en het
hoofdstuk met nummer 58 (het laatste dus) eindigt (bijna) met het
vertrek van zijn vriend Robert Becker (werkelijke naam Robert Baun) –
“Mijn verhalen waren somberder dan die van Becker, vreemder, maar
ze hadden niets. Nou ja, een paar hadden wel wat – voor mij
tenminste – maar het was eigenlijk alsof ze zelf de goede vorm
gevonden hadden in plaats van dat ik ze daarin had gegoten. Becker
was stukken beter. Misschien moest ik maar gaan schilderen.” - die
na de Japanse aanval op Pearl Harbor (december 1941) opgeroepen wordt
om ten strijde te trekken.
De lezer krijgt dus brokstukken uit het jonge leven van Bukowski
voorgeschoteld, vanaf zijn ongeveer twee jaar tot zijn
eenentwintigste, brokstukken die weliswaar óók in een ‘harde,
directe stijl’ geschreven zijn en zich eveneens aan de onderkant
van de maatschappij afspelen, geschreven door de volwassen Bukowski
(het boek verscheen onder de titel Ham on Rye pas in 1982),
maar toch is dit boek anders dan Warmwatermuziek. Minder grof,
nog weemoediger, iets milder misschien voor zichzelf en voor de
wereld, soit, het soort beeld dat een mens krijgt als hij
kijkt naar zijn leven, hoe miserabel het ook geweest is, van op de
afstand die meer dan veertig jaar tijd onvermijdelijk gecreëerd heeft.
Laat dat u echter niet tot de veronderstelling leiden dat Kind
onder kannibalen (los van de eerste literaire verwijzingen, die
je bij een schrijver uiteraard mag verwachten en ook van Bukowski
krijgt) toch wel zo’n beetje jeugdherinneringen als andere zullen
zijn, maar dan misschien nog wat armoediger dan andere. Ten eerste
omdat de onderkant van de Amerikaanse maatschappij, toen en nu, nog
een heel stuk onder de onderkant van de gemiddelde Europese
maatschappij ligt (waarbij zulks geen waardeoordeel inhoudt, maar
louter de bevestiging van het feit dat waar de bovenkant hoger kan
liggen de onderkant dat óók kan). Ten tweede omdat arm zijn gepaard
kán gaan met een hele hoop andere dingen, zoals criminaliteit,
(familiaal) geweld, alcoholisme, schoolverlaten, of een slechte
gezondheid, allemaal dingen die óók kunnen gepaard gaan met rijker
zijn, maar door dat rijker zijn mogelijk in enige mate gecompenseerd
worden, terwijl ze armoede erger maken. En bij Bukowski kwam het
allemáál voor. Zijn vader dronk niet, maar “had twee broers. De
jongste heette Ben en de oudste heette John. Het waren allebei
alcoholisten en nietsnutten.” Wat van zijn vader niet kon gezegd
worden. Die was wel heel lang werkloos, maar ook dan bleef hij iets
zijn, met name gewelddadig: “Hij was één meter vijfentachtig, een
boom van een vent. Alles verdween op slag, de stoel waarin ik zat,
het behang, de muren, al mijn gedachten. Hij was de duisternis die de
zon bedekte, het gewelddadige in hem deed alles in het niet
verdwijnen. Hij was een en al neus, oor en mond, ik kon niet naar
zijn ogen kijken, ik zag alleen zijn rode boze gezicht.” En de
scheerriem waarmee hij hem sloeg. Tot de dag dat het effect van die
om de haverklap gegeven ‘straf’ uitgewerkt was: “Hij sloeg me
weer. Maar er kwamen geen tranen. Mijn ogen waren eigenaardig droog.
Ik dacht over hem vermoorden. Dat er een manier moest zijn om hem te
vermoorden. Over een paar jaar zou ik hem dood kunnen slaan. Maar ik
wilde hem nu dood hebben. Hij was een nul. Ik was vast geadopteerd.
Hij sloeg me weer. De pijn was er nog steeds maar de angst ervoor was
weg. Weer kwam de riem neer. De kamer was niet langer wazig. Ik zag
alles scherp. Mijn vader scheen de verandering in me te merken en hij
begon harder te ranselen, keer op keer, maar hoe meer hij me sloeg,
hoe minder ik voelde. Het leek haast of hij degene was die er
hulpeloos bij stond. Er was iets gebeurd, iets was veranderd. Mijn
vader hield op, buiten adem, en ik hoorde hem de riem ophangen. Hij
liep naar de deur. Ik draaide me om. ‘Hé,’ zei ik. Mijn vader
draaide zich om. ‘Geef me nog een paar van hetzelfde,’ zei ik
tegen hem, ‘als je je daar beter bij voelt.’ ‘Heb het lef
niet om zo tegen me te praten!’ zei hij. Ik bekeek hem. Ik zag de
vleesplooien onder zijn kin en in zijn nek. Ik zag zielige rimpels en
kloven. Zijn gezicht was dofroze stopverf. Hij had een hangbuik en
was in zijn hemd, dat kreukte door zijn pens. De ogen waren niet
langer fel. Zijn ogen keken weg en durfden de mijne niet te kruisen.
Er was iets gebeurd. De handdoeken wisten het, de badkuip en de wc
wisten het. Mijn vader draaide zich om en liep naar buiten. Hij wist
het. Dit was mijn laatste pak ransel geweest. Van hem.” Hij zou hem
alleen nog het huis uit gooien, maar toen was Bukowski al lang klaar
om dat zelf te verlaten.
En dat alles te midden van een wereld die – we hebben het hier over
de crisis van het einde van de jaren 1920 – helemaal de dieperik in
leek te glijden: “Na de vijfde klas kwam de zesde en ik begon
erover te denken om van huis weg te lopen maar ik bedacht dat de
meesten van onze vaders geen werk konden krijgen, dus dat iemand van
nog geen één meter vijftig een baan wel helemaal kon vergeten. John
Dillinger was de held van iedereen, net zo goed van grote mensen als
van kinderen. Hij beroofde banken. En je had Pretty Boy Floyd en Ma
Barker en Machine Gun Kelly. De mensen begonnen braakliggende stukken
grond op te zoeken waar onkruid groeide. Ze hadden gehoord dat je
sommige soorten onkruid kon koken en eten. Er braken vechtpartijen
tussen mannen uit op die braakliggende terreinen en op straathoeken.
Iedereen was kwaad. De mannen rookten Bull Durham en lieten zich door
niemand afbekken. Ze lieten het Bull Durham-loodje uit de borstzak
van hun shirt hangen en allemaal konden ze met één hand een sjekkie
draaien. Als je een man zag met een Bull Durham-loodje bungelend uit
zijn zak, dan betekende dat: opgepast. Overal hadden de mensen het
over tweede en derde hypotheken. Op een avond kwam mijn vader thuis
met een gebroken arm en twee blauwe ogen. Mijn moeder had ergens een
onderbetaald baantje. En elke jongen uit de buurt had één zondagse
broek en één daagse broek. Als schoenen versleten raakten waren er
geen nieuwe. De warenhuizen hadden zolen en hakken die ze met lijm
voor 15 of 20 cent verkochten en die werden onder de versleten
schoenen geplakt.” Wat niet belette dat er ook in de Verenigde
Staten gepoogd werd het nationalisme aan te wakkeren: “De ouders
van rijke kinderen waren meestal vaderlandslievender omdat ze meer te
verliezen hadden als het land naar de knoppen ging. De arme ouders
waren veel minder patriottisch en ze liepen vaak alleen maar te koop
met hun patriottisme omdat dat werd verwacht of omdat ze zo waren
opgevoed. Onbewust wisten ze dat zij niet beter of slechter af
zouden zijn als de Russen of de Duitsers of de Chinezen of de
Japanners het hier voor het zeggen hadden, vooral als ze een donkere
huid hadden. Misschien gingen ze er zelfs wel op vooruit. Maar goed,
een hoop ouders van Chelsey-scholieren waren rijk en daarom hadden we
een van de grootste trainingskorpsen van de stad.” En later: “Het
was onder intellectuelen populair en obligaat om voor een
oorlogsverklaring aan Duitsland te zijn, om de verspreiding van het
fascisme een halt toe te roepen. Ik voor mij had totaal geen trek om
te gaan vechten voor de bescherming van het leven dat ik leidde of de
toekomst die ik misschien zou krijgen. Ik had geen Vrijheid. Ik had
niets. Onder Hitler zou ik misschien nu en dan zelfs een mokkel
krijgen en meer dan een dollar zakgeld per week. Voor zover ik het
kon beredeneren, had ik niets te beschermen. En omdat ik in Duitsland
geboren was, voelde ik een natuurlijke loyaliteit en zag ik niet
graag dat het hele Duitse volk, de mensen, overal werd afgeschilderd
als een stel monsters en idioten. In de bioscopen draaiden ze het
journaal sneller af om Hitler en Mussolini voor te stellen als
dollemannen. Verder vond ik het persoonlijk onmogelijk om het
klakkeloos met de docenten eens te zijn omdat ze allemaal anti-Duits
waren. Uit pure vervreemding en ingeboren dwarsheid besloot ik recht
tegen hun standpunt in te gaan. Ik had Mein Kampf nooit
gelezen en ik had er ook geen behoefte aan. Hitler was voor mij
gewoon de zoveelste dictator, alleen las hij me niet aan tafel de les
maar zou hij waarschijnlijk mijn hersens of mijn ballen kapot
schieten als ik ging vechten om hem tegen te houden.”
Om nog maar te zwijgen – of beter: om dat niet te doen – over het
soort dingen dat alle kneusjes of halfkneusjes meemaken, een
categorie waaronder Bukowski viel (zei het dat hij het op sommige
vlakken aardig wist te compenseren, bijvoorbeeld door op zijn beurt
gewelddadig te worden) en die ik vrij goed ken (omdat ik er óók een
was; ik ben daar min of meer overheen, dank u). Nog érgere losers
aantrekken, bijvoorbeeld: “Toen begreep ik dat ik niet welkom was.
David en ik waren niet welkom. De anderen wilden me ‘uit’ hebben
omdat ze vonden dat ik er niet bij hoorde. Ze wisten dat David en ik
bevriend waren. Het kwam door David dat ze mij er niet bij wilden.
Toen ik van het veld liep zag ik David in zijn kniebroek het derde
honk bewaken. Zijn blauwgele kousen waren afgezakt tot op zijn
voeten. Waarom had hij mij uitgekozen? Nu was ik ook een pispaal. Die
middag na school haastte ik me het lokaal uit en liep in mijn eentje
naar huis, zonder David. Ik wilde niet zien hoe hij weer een pak
slaag kreeg van onze klasgenoten of van zijn moeder. Ik wilde niet
naar zijn treurige viool luisteren. Maar toen hij de volgende dag in
de middagpauze naast me kwam zitten, at ik van zijn chips.” En: “Ik
zag al hoe het verder met me zou lopen. Ik was arm en arm zou ik
blijven. Maar ik wilde ook niet per se geld. Ik wist niet wat ik
wilde. Of toch wel. Ik wilde een plek waar ik me kon verstoppen, een
plek waar je niets hoefde te doen. Het idee om iets te wezen vond ik
niet alleen eng, ik vond het weerzinwekkend. Het idee om advocaat of
wethouder of ingenieur of zo te worden leek me krankzinnig. Trouwen,
kinderen krijgen, gevangen raken in de familiestructuur. Elke dag
ergens heen gaan om te werken en dan weer naar huis. Dat was
krankzinnig. Dingen doen, doodeenvoudige dingen, meedoen aan
familiepicknicks, kerstmis, Onafhankelijkheidsdag, de Dag van de
Arbeid, Moederdag… werd je alleen maar geboren om dat soort dingen
uit te zitten en dan de pijp uit te gaan? Dan was ik nog liever
bordenwasser. Dan zou ik na het werk in mijn eentje naar mijn
piepkleine kamertje gaan om me in slaap te zuipen.”
Wat overigens niet wil zeggen dat de meeste jeugdervaringen specifiek
voor kneusjes weggelegd waren of zijn en dat Bukowski daarover
zwijgt. Er, als schijnbaar laatste van de buurt, achter komen hoe
kinderen gemaakt worden. Masturbatie. Alcohol (“Ik had me nog nooit
zo tof gevoeld. Het was lekkerder dan masturberen”). Meisjes met
lange benen en korte rokjes. Leraressen met lange benen en korte
rokjes. Moeders van andere pubers met lange benen en korte rokjes.
Gestoef over geneukt hebben. Klasgenoten die zelfmoord plegen.
Pukkels (in het geval van Bukowski steenpuisten, in zijn gezicht,
over zijn hele lijf, met oneindige behandelingen die niet schenen te
helpen). Graduation day (“Daar zat ik dan, Henry Chinaski,
lichting 1939, die een stralende toekomst tegemoetreed”). De eerste
job (al gingen de rijkeluiskinderen natuurlijk niet, zoals Bukowski,
rekkenvuller spelen in een supermarkt), de eerste prikklok, het
eerste vermoeden dat de firma niet echt uit is op mensen met
persoonlijke ambitie, het er achter komen dat afhankelijk zijn van
anderen je job niet makkelijker maakt: “Daar stond ik dan mooi in
mijn stofjas. Zo ging het meestal. Je was gouverneur of vuilnisman,
je was koorddanser of bankrover, je was tandarts of fruitplukker, je
was dit of je was dat. Je wilde je werk goed doen. Je was op je post
en dan moest je wachten op een of andere lul. Ik stond in mijn
stofjas naast mijn groene karretje terwijl de liftbediende ging
schijten. Toen drong goed tot me door waarom die rijke jongens en
meisjes altijd lachten. Ze wisten hoe het in elkaar zat.”
Ten bate van de structuur van deze bespreking heb ik de
chronologische lijn van het boek wat geweld aan gedaan, dat had u
ongetwijfeld al gemerkt, maar ik moet mezelf zeker niet forceren om
ook u de lezing van dit boek aan te raden.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !