vrijdag 2 oktober 2026

Kind onder kannibalen – Charles Bukowski (boekbespreking door Björn Roose)

Kind onder kannibalen – Charles Bukowski (boekbespreking door Björn Roose)
In mijn bespreking van Warmwatermuziek, het vorige boek dat ik (al begin 2023) van Charles Bukowski las, wist ik al te vertellen dat ik eerder van de auteur Kind onder kannibalen had aangetroffen bij een of andere kringwinkel en dat Warmwatermuziek zeker een aanbeveling was om naar andere boeken van de auteur op zoek te gaan. Dat laatste is tot nog toe een mission failed geweest: ik ga voortdurend op zoek naar boeken (aan een zacht prijsje), maar heb er in de bijna vier jaar die intussen verstreken zijn geen meer aangetroffen van Bukowski. Maar ik heb nú dan toch, zoals u al kon afleiden uit het feit dat u deze bespreking aan het lezen bent, Kind onder kannibalen gelezen, en dat is me eveneens zeer goed bevallen.

U kon in wat ik eerder schreef over Warmwatermuziek al lezen dat Herman Brusselmans enige aanknopingspunten had bij Bukowski – voor het fijne daarvan leest u die bespreking maar eens (opnieuw) – en dat Bukowski bekend staat omwille van z’n harde, directe stijl en het feit dat hij schreef (hij overleed in 1994 op zijn 74ste) over de onderkant van de Amerikaanse maatschappij, een onderkant waar hij zelf grote delen van zijn leven doorbracht. En dat is ook wat hij doet in Kind onder kannibalen, met dat verschil dat Kind onder kannibalen helemáál autobiografisch is (hoofdpersoon Henry ‘Hank’ Chinaski ís Charles Bukowski) en dat het over zijn kinder- en jeugdjaren gaat: de hoofdstukken zijn titelloos, maar het hoofdstuk met nummer 1 begint met zijn eerste bewuste ervaring (of toch de eerste ervaring die hij zich herinnert, het bekijken van de wereld van onder een tafel toen hij een jaar of twee oud was), en het hoofdstuk met nummer 58 (het laatste dus) eindigt (bijna) met het vertrek van zijn vriend Robert Becker (werkelijke naam Robert Baun) – “Mijn verhalen waren somberder dan die van Becker, vreemder, maar ze hadden niets. Nou ja, een paar hadden wel wat – voor mij tenminste – maar het was eigenlijk alsof ze zelf de goede vorm gevonden hadden in plaats van dat ik ze daarin had gegoten. Becker was stukken beter. Misschien moest ik maar gaan schilderen.” - die na de Japanse aanval op Pearl Harbor (december 1941) opgeroepen wordt om ten strijde te trekken.

De lezer krijgt dus brokstukken uit het jonge leven van Bukowski voorgeschoteld, vanaf zijn ongeveer twee jaar tot zijn eenentwintigste, brokstukken die weliswaar óók in een ‘harde, directe stijl’ geschreven zijn en zich eveneens aan de onderkant van de maatschappij afspelen, geschreven door de volwassen Bukowski (het boek verscheen onder de titel Ham on Rye pas in 1982), maar toch is dit boek anders dan Warmwatermuziek. Minder grof, nog weemoediger, iets milder misschien voor zichzelf en voor de wereld, soit, het soort beeld dat een mens krijgt als hij kijkt naar zijn leven, hoe miserabel het ook geweest is, van op de afstand die meer dan veertig jaar tijd onvermijdelijk gecreëerd heeft.

Laat dat u echter niet tot de veronderstelling leiden dat Kind onder kannibalen (los van de eerste literaire verwijzingen, die je bij een schrijver uiteraard mag verwachten en ook van Bukowski krijgt) toch wel zo’n beetje jeugdherinneringen als andere zullen zijn, maar dan misschien nog wat armoediger dan andere. Ten eerste omdat de onderkant van de Amerikaanse maatschappij, toen en nu, nog een heel stuk onder de onderkant van de gemiddelde Europese maatschappij ligt (waarbij zulks geen waardeoordeel inhoudt, maar louter de bevestiging van het feit dat waar de bovenkant hoger kan liggen de onderkant dat óók kan). Ten tweede omdat arm zijn gepaard kán gaan met een hele hoop andere dingen, zoals criminaliteit, (familiaal) geweld, alcoholisme, schoolverlaten, of een slechte gezondheid, allemaal dingen die óók kunnen gepaard gaan met rijker zijn, maar door dat rijker zijn mogelijk in enige mate gecompenseerd worden, terwijl ze armoede erger maken. En bij Bukowski kwam het allemáál voor. Zijn vader dronk niet, maar “had twee broers. De jongste heette Ben en de oudste heette John. Het waren allebei alcoholisten en nietsnutten.” Wat van zijn vader niet kon gezegd worden. Die was wel heel lang werkloos, maar ook dan bleef hij iets zijn, met name gewelddadig: “Hij was één meter vijfentachtig, een boom van een vent. Alles verdween op slag, de stoel waarin ik zat, het behang, de muren, al mijn gedachten. Hij was de duisternis die de zon bedekte, het gewelddadige in hem deed alles in het niet verdwijnen. Hij was een en al neus, oor en mond, ik kon niet naar zijn ogen kijken, ik zag alleen zijn rode boze gezicht.” En de scheerriem waarmee hij hem sloeg. Tot de dag dat het effect van die om de haverklap gegeven ‘straf’ uitgewerkt was: “Hij sloeg me weer. Maar er kwamen geen tranen. Mijn ogen waren eigenaardig droog. Ik dacht over hem vermoorden. Dat er een manier moest zijn om hem te vermoorden. Over een paar jaar zou ik hem dood kunnen slaan. Maar ik wilde hem nu dood hebben. Hij was een nul. Ik was vast geadopteerd. Hij sloeg me weer. De pijn was er nog steeds maar de angst ervoor was weg. Weer kwam de riem neer. De kamer was niet langer wazig. Ik zag alles scherp. Mijn vader scheen de verandering in me te merken en hij begon harder te ranselen, keer op keer, maar hoe meer hij me sloeg, hoe minder ik voelde. Het leek haast of hij degene was die er hulpeloos bij stond. Er was iets gebeurd, iets was veranderd. Mijn vader hield op, buiten adem, en ik hoorde hem de riem ophangen. Hij liep naar de deur. Ik draaide me om. ‘Hé,’ zei ik. Mijn vader draaide zich om. ‘Geef me nog een paar van hetzelfde,’ zei ik tegen hem, ‘als je je daar beter bij voelt.’ ‘Heb het lef niet om zo tegen me te praten!’ zei hij. Ik bekeek hem. Ik zag de vleesplooien onder zijn kin en in zijn nek. Ik zag zielige rimpels en kloven. Zijn gezicht was dofroze stopverf. Hij had een hangbuik en was in zijn hemd, dat kreukte door zijn pens. De ogen waren niet langer fel. Zijn ogen keken weg en durfden de mijne niet te kruisen. Er was iets gebeurd. De handdoeken wisten het, de badkuip en de wc wisten het. Mijn vader draaide zich om en liep naar buiten. Hij wist het. Dit was mijn laatste pak ransel geweest. Van hem.” Hij zou hem alleen nog het huis uit gooien, maar toen was Bukowski al lang klaar om dat zelf te verlaten.

En dat alles te midden van een wereld die – we hebben het hier over de crisis van het einde van de jaren 1920 – helemaal de dieperik in leek te glijden: “Na de vijfde klas kwam de zesde en ik begon erover te denken om van huis weg te lopen maar ik bedacht dat de meesten van onze vaders geen werk konden krijgen, dus dat iemand van nog geen één meter vijftig een baan wel helemaal kon vergeten. John Dillinger was de held van iedereen, net zo goed van grote mensen als van kinderen. Hij beroofde banken. En je had Pretty Boy Floyd en Ma Barker en Machine Gun Kelly. De mensen begonnen braakliggende stukken grond op te zoeken waar onkruid groeide. Ze hadden gehoord dat je sommige soorten onkruid kon koken en eten. Er braken vechtpartijen tussen mannen uit op die braakliggende terreinen en op straathoeken. Iedereen was kwaad. De mannen rookten Bull Durham en lieten zich door niemand afbekken. Ze lieten het Bull Durham-loodje uit de borstzak van hun shirt hangen en allemaal konden ze met één hand een sjekkie draaien. Als je een man zag met een Bull Durham-loodje bungelend uit zijn zak, dan betekende dat: opgepast. Overal hadden de mensen het over tweede en derde hypotheken. Op een avond kwam mijn vader thuis met een gebroken arm en twee blauwe ogen. Mijn moeder had ergens een onderbetaald baantje. En elke jongen uit de buurt had één zondagse broek en één daagse broek. Als schoenen versleten raakten waren er geen nieuwe. De warenhuizen hadden zolen en hakken die ze met lijm voor 15 of 20 cent verkochten en die werden onder de versleten schoenen geplakt.” Wat niet belette dat er ook in de Verenigde Staten gepoogd werd het nationalisme aan te wakkeren: “De ouders van rijke kinderen waren meestal vaderlandslievender omdat ze meer te verliezen hadden als het land naar de knoppen ging. De arme ouders waren veel minder patriottisch en ze liepen vaak alleen maar te koop met hun patriottisme omdat dat werd verwacht of omdat ze zo waren opgevoed. Onbewust wisten ze dat zij niet beter of slechter af zouden zijn als de Russen of de Duitsers of de Chinezen of de Japanners het hier voor het zeggen hadden, vooral als ze een donkere huid hadden. Misschien gingen ze er zelfs wel op vooruit. Maar goed, een hoop ouders van Chelsey-scholieren waren rijk en daarom hadden we een van de grootste trainingskorpsen van de stad.” En later: “Het was onder intellectuelen populair en obligaat om voor een oorlogsverklaring aan Duitsland te zijn, om de verspreiding van het fascisme een halt toe te roepen. Ik voor mij had totaal geen trek om te gaan vechten voor de bescherming van het leven dat ik leidde of de toekomst die ik misschien zou krijgen. Ik had geen Vrijheid. Ik had niets. Onder Hitler zou ik misschien nu en dan zelfs een mokkel krijgen en meer dan een dollar zakgeld per week. Voor zover ik het kon beredeneren, had ik niets te beschermen. En omdat ik in Duitsland geboren was, voelde ik een natuurlijke loyaliteit en zag ik niet graag dat het hele Duitse volk, de mensen, overal werd afgeschilderd als een stel monsters en idioten. In de bioscopen draaiden ze het journaal sneller af om Hitler en Mussolini voor te stellen als dollemannen. Verder vond ik het persoonlijk onmogelijk om het klakkeloos met de docenten eens te zijn omdat ze allemaal anti-Duits waren. Uit pure vervreemding en ingeboren dwarsheid besloot ik recht tegen hun standpunt in te gaan. Ik had Mein Kampf nooit gelezen en ik had er ook geen behoefte aan. Hitler was voor mij gewoon de zoveelste dictator, alleen las hij me niet aan tafel de les maar zou hij waarschijnlijk mijn hersens of mijn ballen kapot schieten als ik ging vechten om hem tegen te houden.”

Om nog maar te zwijgen – of beter: om dat niet te doen – over het soort dingen dat alle kneusjes of halfkneusjes meemaken, een categorie waaronder Bukowski viel (zei het dat hij het op sommige vlakken aardig wist te compenseren, bijvoorbeeld door op zijn beurt gewelddadig te worden) en die ik vrij goed ken (omdat ik er óók een was; ik ben daar min of meer overheen, dank u). Nog érgere losers aantrekken, bijvoorbeeld: “Toen begreep ik dat ik niet welkom was. David en ik waren niet welkom. De anderen wilden me ‘uit’ hebben omdat ze vonden dat ik er niet bij hoorde. Ze wisten dat David en ik bevriend waren. Het kwam door David dat ze mij er niet bij wilden. Toen ik van het veld liep zag ik David in zijn kniebroek het derde honk bewaken. Zijn blauwgele kousen waren afgezakt tot op zijn voeten. Waarom had hij mij uitgekozen? Nu was ik ook een pispaal. Die middag na school haastte ik me het lokaal uit en liep in mijn eentje naar huis, zonder David. Ik wilde niet zien hoe hij weer een pak slaag kreeg van onze klasgenoten of van zijn moeder. Ik wilde niet naar zijn treurige viool luisteren. Maar toen hij de volgende dag in de middagpauze naast me kwam zitten, at ik van zijn chips.” En: “Ik zag al hoe het verder met me zou lopen. Ik was arm en arm zou ik blijven. Maar ik wilde ook niet per se geld. Ik wist niet wat ik wilde. Of toch wel. Ik wilde een plek waar ik me kon verstoppen, een plek waar je niets hoefde te doen. Het idee om iets te wezen vond ik niet alleen eng, ik vond het weerzinwekkend. Het idee om advocaat of wethouder of ingenieur of zo te worden leek me krankzinnig. Trouwen, kinderen krijgen, gevangen raken in de familiestructuur. Elke dag ergens heen gaan om te werken en dan weer naar huis. Dat was krankzinnig. Dingen doen, doodeenvoudige dingen, meedoen aan familiepicknicks, kerstmis, Onafhankelijkheidsdag, de Dag van de Arbeid, Moederdag… werd je alleen maar geboren om dat soort dingen uit te zitten en dan de pijp uit te gaan? Dan was ik nog liever bordenwasser. Dan zou ik na het werk in mijn eentje naar mijn piepkleine kamertje gaan om me in slaap te zuipen.”

Wat overigens niet wil zeggen dat de meeste jeugdervaringen specifiek voor kneusjes weggelegd waren of zijn en dat Bukowski daarover zwijgt. Er, als schijnbaar laatste van de buurt, achter komen hoe kinderen gemaakt worden. Masturbatie. Alcohol (“Ik had me nog nooit zo tof gevoeld. Het was lekkerder dan masturberen”). Meisjes met lange benen en korte rokjes. Leraressen met lange benen en korte rokjes. Moeders van andere pubers met lange benen en korte rokjes. Gestoef over geneukt hebben. Klasgenoten die zelfmoord plegen. Pukkels (in het geval van Bukowski steenpuisten, in zijn gezicht, over zijn hele lijf, met oneindige behandelingen die niet schenen te helpen). Graduation day (“Daar zat ik dan, Henry Chinaski, lichting 1939, die een stralende toekomst tegemoetreed”). De eerste job (al gingen de rijkeluiskinderen natuurlijk niet, zoals Bukowski, rekkenvuller spelen in een supermarkt), de eerste prikklok, het eerste vermoeden dat de firma niet echt uit is op mensen met persoonlijke ambitie, het er achter komen dat afhankelijk zijn van anderen je job niet makkelijker maakt: “Daar stond ik dan mooi in mijn stofjas. Zo ging het meestal. Je was gouverneur of vuilnisman, je was koorddanser of bankrover, je was tandarts of fruitplukker, je was dit of je was dat. Je wilde je werk goed doen. Je was op je post en dan moest je wachten op een of andere lul. Ik stond in mijn stofjas naast mijn groene karretje terwijl de liftbediende ging schijten. Toen drong goed tot me door waarom die rijke jongens en meisjes altijd lachten. Ze wisten hoe het in elkaar zat.”

Ten bate van de structuur van deze bespreking heb ik de chronologische lijn van het boek wat geweld aan gedaan, dat had u ongetwijfeld al gemerkt, maar ik moet mezelf zeker niet forceren om ook u de lezing van dit boek aan te raden.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !