Posts tonen met het label Michel Houellebecq. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Michel Houellebecq. Alle posts tonen

vrijdag 18 oktober 2024

Nader tot de ontreddering – De koude revolutie 2022 – Michel Houellebecq (boekbespreking door Björn Roose)

Nader tot de ontreddering – De koude revolutie 2022 – Michel Houellebecq (boekbespreking door Björn Roose)

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: ik ben zelden zo onder de indruk geweest van een non-fictieboek als van dit Nader tot de ontreddering – De koude revolutie 2022 van Michel Houellebecq. Terwijl ik na lezing van Elementaire deeltjes, De wereld als markt en strijd, en een paar weken terug nog De kaart en het gebied nog dacht dat Houellebecq een begenadigd fictieschrijver was die ook een aardig stukje kon filosoferen, weet ik nu bovendien dat de filosofie bij hem op de eerste plaats komt (misschien ook de poëzie, maar daarvan heb ik tot op heden niks gelezen) en dat de inhoud van zijn romans daar slechts een logisch gevolg van is.

En wát een filosofie! In de vierhonderdzestig bladzijden die dit boek dik is komen niet alleen (voornamelijk) Franse schrijvers en (andere) artiesten als Jacques Prévert (Jacques Prévert is een lul), Jean-Claude Guiguet (Le Mirage van Jean-Claude Guiguet), Lakis Proguidis (Brief aan Lakis Proguidis), en Philippe Muray (Philippe Muray in 2002 en verder: “toen hij nog leefde was ik het niet met hem eens, en nu besef ik dat hij in feite in alles gelijk had”) aan bod in hoofdstukken waar ‘we’ bij gebrek aan een doorgedreven kennis van het Franse eigentijdse culturele ‘landschap’ misschien minder aan hebben, maar onder andere ook, naast een aantal vraaggesprekken waarin bijvoorbeeld gesproken wordt over Plateforme (Platform. Midden in de wereld) en Soumission (Onderworpen), vraaggesprekken waarin de achtergrond bij deze verhalen al met al mooi naar voor komt, – en ik doe slechts een wilde greep uit de inhoudstafel – De hedendaagse architectuur als doorstroombevorderingsfactor, een lofzang op de stomme film, De pedofiele kwestie, Neil Young (die op een zeker moment zelfs vergeleken wordt met Schubert), een semi-rehabilitatie van de plurk, Conservatisme als bron van vooruitgang, Donald Trump is een goede president (een stelling waarvoor hij, zeker vanuit Europees standpunt, een aantal uitmuntende redenen opnoemt), een uitgebreid (en zeer lezenswaardig) “gesprek” met journalist Geoffroy Lejeune over het christendom, een heel hoofdstuk over Schopenhauer (voor mij het enige deel waar ik af en toe wel eens diagonaal doorging), zijn bekende essay Leven, lijden, schrijven – methode, en een – zeer diepgaand en uiterst interessant om lezen zijnd - interview van zo’n dertig bladzijden met Martin de Haan. Martin de Haan, zijnde zijn vaste Nederlandse vertaler én initiator voor het verzamelen van de tientallen essays van Houellebecq. In 2004 stelde die, ook toén al Houellebecqs vaste vertaler zijnde, dixit de achterflap, “onder de titel De koude revolutie. Confrontaties en bespiegelingen een vuistdikke bundel samen waarin voor het eerst al zijn essays in één band werden verzameld. In het Frans bestond een dergelijke bundel niet, de schrijver had de losse stukken ook nooit goed bewaard, en in 2009 fungeerde De koude revolutie dus als inspiratiebron voor de eerste uitgebreide Franse bundeling. Ruim tien jaar later, in 2020, bracht Houellebecq daarvan een fors uitgebreide nieuwe editie uit die hijzelf als definitief beschouwt”, wat voor De Haan dan weer “een goede aanleiding [was] om ook de Nederlandse bundel bij te werken”. In zoverre zelfs dat er in die bijwerking zestien teksten staan die in de vorige bundel niet stonden, “inclusief een pleidooi tegen euthanasie dat niet in de Franse bundel staat”.

Het is dus wachten tot er een nieuwe “definitieve” editie in het Frans verschijnt die nog wat niet in de Nederlandstalige bundel opgenomen teksten bevat, waarna er een nieuwe Nederlandse versie kan verschijnen, maar De Haan is intussen in ieder geval zo vriendelijk geweest om aan het begin van ieder hoofdstuk de informatie omtrent eerdere publicaties mee te geven. Het “pleidooi tegen euthanasie”, bijvoorbeeld, wordt voorafgegaan door de vermelding “Zonder titel, in Le Figaro (5 april 2021). Niet eerder in het Nederlands verschenen, titel van de vertaler.”, Alleen wat erger – Antwoord aan een paar vrienden door “En un peu pire – réponse à quelques à amis” [wat me een zetfout lijkt, noot van mij], verschenen op de website van France Inter (4 mei 2020). Opgenomen in Interventions (2020). De vertaling is eerder verschenen in de Volkskrant (15 mei 2020)”.

Maar intussen zit ik ook met een probleem: ik heb het boek niet in mijn bezit. Ik leende het van de openbare bibliotheek, niet vermoedend dat ik het zó goed zou vinden, maar nu wil ik het hebben. Dus moet ik het ergens kopen terwijl ik het al gelezen heb. Misschien moet ik maar rekenen op een portie geluk, want herlezen wil ik het ook. En wellicht nog eens herlezen. Een essay ineens dan, niet allemaal na mekaar. Af en toe eentje zo, om er van te genieten. En om er eventueel elk op zich besprekingen aan te wijden (dan wellicht niet als boekbespreking, maar onder een andere vorm), want één bespreking van dit hele boek kan eigenlijk alleen slechts leiden tot het niét bespreken van zoveel mooie dingen erin. En het citeren van slechts een heel klein beetje van wat het citeren waard is. Dit bijvoorbeeld: “Als u de anderen een mengeling van angstig medelijden en minachting inboezemt, weet u dat u op de goede weg zit. U kunt gaan schrijven”. Of dit: “Gedichten schrijven is geen werk; het is een opdracht”. Of dit: “Een dode dichter schrijft niet meer. Het is dus belangrijk dat u blijft leven”. Of dit: “Naarmate u dichter in de buurt van de waarheid komt, neemt uw eenzaamheid toe. Het gebouw is prachtig, maar verlaten. U loopt door de lege zalen, die de echo van uw stappen weerkaatsen. De lucht is klaar en strak; de dingen lijken versteend. Soms begint u te huilen, zo meedogenloos helder is het zicht. U zou rechtsomkeert willen maken, terug willen keren naar de nevelen van de onkennis; maar in uw hart weet u dat het al te laat is. Ga door. Wees niet bang. Het ergste hebt u al achter de rug. Natuurlijk zal het leven u blijven verscheuren; maar van uw kant hebt u niet zo heel veel boodschap meer aan het leven. Denk eraan: in de kern van de zaak bent u al dood. U staat nu oog in oog met de eeuwigheid”. En u bent alleen nog maar het eerste essay, Leven, lijden, schrijven – methode gepasseerd.

Zet dat tegenover het begin van Jacques Prévert is een lul en je beseft dat hoewel Houellebecq naar eigen zeggen geen ironie nastreeft in zijn teksten het humoristisch effect van dat begin nog groter is dan dat je het los van het voornoemde essay leest, wat dan weer wil zeggen dat je dit boek misschien toch één keer als geheel moet gelezen hebben: “Jacques Prévert is iemand van wie je gedichten leert op school. Uit die gedichten blijkt dat hij van bloemen, vogels, de wijken van het oude Parijs en dat soort dingen hield. Liefde gedijde volgens hem in een sfeer van vrijheid – vrijheid, daar was hij sowieso wel vóór. Hij droeg een pet en rookte Gauloises, soms lijkt hij als twee druppels water op Jean Gabin. Hij heeft trouwens ook de scenario’s geschreven van films als Quai des brumes en Les Portes de la nuit, en van Les Enfants du paradis, dat als zijn meesterwerk geldt. Alles bij elkaar zijn dat heel wat goede redenen om de pest te hebben aan Jacques Prévert (…)”. En: “Prévert schrijft omdat hij iets te zeggen heeft; dat siert hem. Jammer genoeg is wat hij te zeggen heeft van een mateloze achterlijkheid, je wordt er soms gewoon misselijk van.” En: “Op het filosofische vlak is Jacques Prévert vooral een vrijdenker – dat wil zeggen, in de kern van de zaak, een imbeciel.”

Een genot om te lezen, zelfs al ken je Préverts werk niet, en zelfs al kan je misschien geen lezer meer zijn: “Vleugellam als hij is door de laffe dwanggedachte van de politieke correctheid, begoocheld door een stroom van pseudo-informatie die de illusie wekt dat de categorieën van het bestaan voortdurend veranderen (je kunt niet meer denken wat tien, honderd of duizend jaar geleden werd gedacht), kan de westerling van nu geen lezer meer zijn. Hij kan geen gehoor meer geven aan de nederige bede van een boek dat voor hem ligt: gewoon een mens te zijn, zelfstandig te denken en te voelen.” Waarna, en zo volgen er nog vele, voor het eerst in deze bundel van essays, en wel in het titelstuk Nader tot de ontreddering (oorspronkelijk uit 1993), een eerste verwijzing naar het voor ons in het algemeen en voor de auteur in het bijzonder (“God wil me niet, weet u. Hij heeft me afgewezen.” en “ik ben katholiek in de zin dat ik uitdrukking geef aan de gruwelijkheid van een wereld zonder God… maar alleen in die zin.”) verloren gegane christendom volgt: “De dood van God in de westerse wereld vormde de opmaat tot een geweldig metafysisch feuilleton, dat nog altijd voortduurt. Elke mentaliteitshistoricus zou de verschillende stadia nauwkeurig kunnen reconstrueren. Samenvattend kunnen we stellen dat het christendom een huzarenstukje heeft geleverd door het krachtige geloof in het individu – in vergelijking met de brieven van apostel Paulus komt de hele antieke beschaving ons tegenwoordig wonderlijk geciviliseerd en saai voor – te combineren met de belofte van een eeuwig deelhebben aan het absolute Zijn. Toen die droom eenmaal was vervlogen, werden er verschillende pogingen ondernomen om het individu een zijnsminimum te beloven en de zijnsdroom die het in zich meedroeg te verzoenen met de kwellende alomtegenwoordigheid van het worden. Tot op heden zijn al die pogingen op niets uitgelopen, en de ellende grijpt steeds verder om zich heen.” Wie in voorgaande citaten nog de Houellebecq van de romans herkende, weet nu – met mij – dat de Houellebecq van de essays die van de romans waar het filosofische teksten betreft ver overstijgt. Iets wat alleen maar bevestigt wordt als hij (zo lijkt het in ieder geval toch) voor de vuist weg uit Kants Die Metaphysik der Sitten citeert in het Interview met Jean-Yves Jouannais en Christophe Duchatelet (oorspronkelijk verschenen in 1995), of via de “Kopenhaagse interpretatie” in Productieve absurditeit (ook al uit 1995) een verband legt tussen de natuurkundige Niels Bohr en de filosoof Jean Cohen (geboren in 1919 in Oran, dat als decor voor Albert Camus’ De pest diende), wat hem evenwel niet belet een soort Attenboroughiaans verslag te doen over De Duitser in het hoofdstuk Dode momenten, een verslag dat ook zeer sterk doet denken aan de afstandelijke stijl die hij hanteert in De kaart en het gebied, een afstandelijke stijl die óók weer garant staat voor humor, zelfs al is die gebracht in een volkomen ernstig kader: “Aldus verloopt het leven van de Duitser. Gedurende zijn jeugd en zijn volwassen leven werkt de Duitser (over het algemeen in Duitsland). Soms is hij werkloos, zij het minder vaak dan de Fransman. Maar de jaren gaan voorbij en de Duitser bereikt de pensioengerechtigde leeftijd; vanaf dat moment kan hij kiezen waar hij wil wonen. Betrekt hij een boerderijtje in Zwabenland? Een villa in een buitenwijk van München? Soms, maar in werkelijkheid steeds minder vaak. Tussen het vijfenvijftigste en zestigste levensjaar voltrekt zich bij de Duitser een diepe transformatie. Net als de ooievaar in de winter, net als de hippie in vroeger tijden, net als de Israëli die zweert bij de Goa trance, trekt de Duitse zestiger naar het zuiden. We vinden hem in Spanje, vaak aan de kust tussen Cartagena en Valencia. Er zijn ook exemplaren – over het algemeen uit een welgesteld sociocultureel milieu – op de Canarische Eilanden en Madeira gesignaleerd.”

Om het volgende moment, of toch bij een van de volgende essays, met name De pedofiele kwestie, dan weer over te gaan naar een striemende maatschappijkritiek overigens. In antwoord op een aantal vragen die hem gesteld worden naar aanleiding van de affaire Dutroux zegt hij daar, terwijl hij trouwens ook in interviews duidelijk maakt dat hij absoluut geen intentie heeft politiek correct te worden (“(…) wat win ik daar dan mee? Ze beloven me niet eens zeventig maagden. Ze beloven me alleen dat ik me rot mag blijven vervelen, dat ik poloshirts van Ralph Lauren mag blijven kopen”): “Tussen de regels van uw vragen door voel ik een subtiele uitnodiging om politiek incorrecte uitspraken te doen – waarschijnlijk door waarde toe te kennen aan seksuele driften waarvan wordt aangenomen dat ze bij kinderen aanwezig zijn [een van de vragen luidt: “Vindt u dat de deskundigen en woordvoerders van het kind ons alles vertellen? Hebt u er iets aan toe te voegen?”, noot van mij]; dat is een weg die ik niet zal bewandelen. Die seksuele driften van kinderen bestaan in werkelijkheid niet; ze zijn domweg een verzinsel. In alle affaires waarover de media zo uitvoerig hebben bericht, is het kind totaal en absoluut een slachtoffer.” “Wat niet wegneemt”, voegt hij er echter aan toe, “dat die nare aandacht voor pedofilie en incest me op een bepaalde manier op mijn gemak stelt; de pedofiel lijkt me de ideale zondebok van een samenleving die de begeerte op een georganiseerde wijze opzweept zonder de middelen aan te dragen om die te bevredigen. Dat laatste is in zekere zin normaal (reclame en economie in het algemeen berusten op begeerte, niet op bevrediging), maar ik denk toch dat het nuttig is om deze waarheid als een koe nog eens te noemen; bij de huidige stand van de seksuele economie heeft de volwassen man zin om te neuken, maar niet de mogelijkheid; hij heeft niet eens echt het recht meer. We moeten er dus niet al te veel van opkijken als hij zich vergrijpt aan het enige wezen dat zich niet tegen hem kan verweren: het kind. (…) De adolescentie is in onze hedendaagse samenleving geen ondergeschikte, voorbijgaande toestand meer; het is integendeel de toestand waarin wij allen, langzaam ouder wordend in ons stoffelijk omhulsel, tegenwoordig gedwongen zijn te leven, vrijwel tot de dood toe.” Een kritiek die kan tellen dus, in het volgende hoofdstuk, het volgende essay, Het mensdom, tweede fase, naadloos gevolgd door een kritiek op het feminisme: “Persoonlijk heb ik feministes altijd als sympathieke, in principe onschadelijke tuttekoppen beschouwd, die helaas gevaarlijk zijn door hun ontwapenende gebrek aan scherpzinnigheid. In de jaren 70 kon je ze bijvoorbeeld zien strijden voor anticonceptie, abortus, seksuele vrijheid enzovoort, net alsof het ‘patriarchale systeem’ een uitvinding van de slechte mannetjes was, terwijl het aloude doel van de mannen er overduidelijk in bestond om zo veel mogelijk lekkere wijven te neuken zonder zich een gezin op de hals te halen. Die arme vrouwen dreven hun naïviteit zelfs zover door dat ze in de lesbische liefde, een erotische specerij die door vrijwel alle actieve heteroseksuelen wordt gewaardeerd, een gevaarlijke ondermijning van de mannelijke macht zagen. En ten slotte, dat was nog het treurigste van alles, legden ze een onbegrijpelijke honger aan den dag ten aanzien van de beroepswereld en het bedrijfsleven; de mannen, die allang wisten hoe het ervoor stond met de door het werk mogelijk gemaakte ‘vrijheid’ en de ‘ontplooiing’, lachten in hun vuistje. Dertig jaar na de doorbraak van het ‘massa’-feminisme zijn de gevolgen verbijsterend. Niet alleen hebben vrouwen massaal de wereld van het bedrijfsleven betreden, ze vervullen daar ook het leeuwendeel van de taken (iedereen die echt heeft gewerkt, weet hoe het ervoor staat: de mannelijke werknemers zijn dom, lui, lichtgeraakt, ongedisciplineerd en doorgaans niet in staat zich in dienst te stellen van welke collectieve taak dan ook). En sinds de markt van de begeerte zijn invloed aanzienlijk heeft vergroot, moeten ze zich parallel aan hun werk toeleggen op het onderhoud van hun ‘verleidingskapitaal’, soms tientallen jaren lang, waarbij ze waanzinnige hoeveelheden energie en geld uitgeven voor een resultaat dat over het geheel genomen niet bijster overtuigend is (want de gevolgen van de veroudering blijven ondanks alles niet uit). Omdat ze allerminst van het moederschap hebben afgezien, moeten ze ten slotte ook nog in hun eentje het kind of de kinderen opvoeden die ze hebben weten te ontfutselen aan de mannen die hun pad hebben gekruist – en hen inmiddels hebben verlaten voor een jongere vrouw; ze mogen nog blij zijn als het ze lukt de alimentatie uitgekeerd te krijgen. Samengevat, de onmetelijke temmingsarbeid die de vrouwen in de loop van de voorafgaande millennia hebben verricht om de primitieve neigingen van de man te beteugelen (geweld, geneuk, drank, gokken) en een schepsel van hem te maken dat min of meer in staat is een sociaal leven te leiden, is in het bestek van één generatie volledig tenietgedaan. Het doel van de feministes (als ‘vrije en gelijke’ leden te worden geaccepteerd in de mannenmaatschappij, desnoods door en passant een deel van de vrouwelijke waarden op te offeren) is in ieder geval bereikt, in het Westen enminste.”

Intussen, de tekst dateert van 1998, hebben de feministes en hun opvolgers het geweer van schouder veranderd en voluit ingezet op het ontmannen van mannen en het volledig ontvrouwelijken van vrouwen door honderdentienduizend zogenaamde ‘genders’ in het leven te roepen (uitgerekend nadat ze gedurende jaren beweerd hebben dat geslacht alleen maar een ‘constructie’ is), maar de kritiek van Houellebecq staat nog steeds als een huis. Veel beter dan deze bewering in Ik heb een droom overigens: “Ik heb nu vier benen, dat is fantastisch. Ik sta veel beter. Ik sta stevig op de grond, en zelfs als ik te veel drink ben ik niet bang dat ik omval.” Wie ooit een hond heeft gezien met zelfs maar een halve Duvel in zijn lijf – ik pleit schuldig, het beest was enorm bang van het geluid rondom hem en slaappilletjes had ik niet bij de hand – weet dat hij met die vier poten van hem totaal geen blijf weet als hij wat gedronken heeft.

Wat misschien ook gold, al sleep ik dat er hier enkel bij om een verband te creëren met de vorige paragraaf (wat niet altijd evident is als je het over een boek hebt met in principe los van elkaar staande teksten), voor een aantal van de schrijvers waarover Houellebecq het, al dan niet in vraaggesprekken, in dit boek heeft. Schrijvers die absoluut niet alleen van Franstalige origine zijn of hun werk geschreven hebben op Franstalige bodem (bijvoorbeeld de al genoemde Muray, maar ook Alain Finkielkraut, Pierre-André Taguieff, Christopher Lasch, en Maurice Dantec, die net zoals Houellebecq zelf op een zeker moment vanwege de linkse pers de bijnaam “nouveaux réactionnaires” kregen), schrijvers als H.P. Lovecraft (aan wie Houellebecq zijn eerste essay wijdde, een essay dat helaas niet werd opgenomen in dit boek, maar wel in de eerste versie stond, en van wie ik begin 2024 Het gefluister in de duisternis besprak), J.G. Ballard (zie mijn besprekingen van Het keizerrijk van de zon, De zachtheid van vrouwen, De dag van de schepping, en Super-Cannes, Kurt Vonnegut (wiens Slaughterhouse-Five nog in mijn kasten staat), Charles Dickens (“de heerlijke Dickens”), Jules Verne, Gilbert Keith Chesterton (van wie ik eerder de Father Brown-omnibus besprak en aan wiens werken Gaston Durnez aandacht besteedde in De lach van Chesterton), maar ook schrijvers als Clifford Simak en R.A. Lafferty, van wie ik nog nooit gehoord had en die ik na lezing van wat Houellebecq over hen zegt nu wel degelijk moét lezen. Wat bijvoorbeeld niet kan gezegd worden van Alain Robbe-Grillet, van wie overigens als ik dat goed heb ook nauwelijks wat vertaald is in het Nederlands: “Hoewel de boeken van Alain Robbe-Grillet me van meet af aan een diepe, radicale verveling hebben ingeboezemd, heb ik toch uren, zo niet dagen mijn best gedaan om ze te lezen. Ik ging te werk zoals je dat doorgaans doet in zo’n geval: ik sloeg vijftig bladzijden over om te kijken of het verderop beter werd, ik pakte een ander boek, ik besloot het later nog eens te proberen, op een ander moment van de dag, onder gunstiger omstandigheden. Maar niets kon mijn verveling temperen, niets ondermijnde mijn zekerheid dat het allemaal totaal geen belang of betekenis had.”

Wat eventueel kan gelegen hebben aan de wandelgewoonten van Robbe-Grillet: “Deze lockdown [onze maanden van opsluiting naar aanleiding van de corona-‘pandemie’, noot van mij] lijkt me een buitenkans om een oud meningsverschil tussen Flaubert en Nietzsche te beslechten. Ergens (ik ben vergeten waar) beweert Flaubert dat je alleen zittend goed kunt denken en schrijven. Protesten en spotternijen van Nietzsche (ik ben ook vergeten waar), die hem zelfs voor nihilist uitmaakt (het is dus in de periode dat hij dat woord al te pas en te onpas is gaan gebruiken): hijzelf heeft al zijn boeken lopend geconcipieerd, alles wat niet lopend wordt geconcipieerd is waardeloos, hij is trouwens altijd een dionysische danser geweest, enzovoort. Nu zal ik niet snel van overdreven sympathie voor Nietzsche worden verdacht, maar ik moet toch erkennen dat hij in dit geval degene is die gelijk heeft. Proberen te schrijven als je niet elke dag meerdere uren kunt wandelen in een constant ritme, moet sterk worden afgeraden: de opgehoopte zenuwspanning komt niet los, de gedachten en beelden blijven pijnlijk ronddraaien in het arme hoofd van de schrijver, die dan algauw prikkelbaar of zelfs gek wordt.” Een kleine doch bevestigende aanvulling op Fietsen met Nietzsche van Babs van den Bergh, Wandelen – Een filosofische gids van Frédéric Gros, en Ode aan het wandelen van David Le Breton dus.

Een kleine doch bevestigende aanvulling op alles wat ik hierboven geschreven en meegegeven heb, zou ik verder nog kunnen doen met het citeren en becommentariëren van talloze andere stukken tekst uit dit boek, maar dat zou na wat u hierboven al gelezen hebt eigenlijk volkomen overbodig moeten zijn. Dit boek is simpelweg groots!

Björn Roose

vrijdag 27 september 2024

De kaart en het gebied – Michel Houellebecq (boekbespreking door Björn Roose)

De kaart en het gebied – Michel Houellebecq (boekbespreking door Björn Roose)
Het is alweer meer dan twee jaar geleden dat ik nog een werk van Michel Houellebecq besprak. De wereld als markt en strijd, zijn eerste boek (gepubliceerd in 1994 onder de titel Extension du domaine de la lutte), passeerde begin maart 2022 de revue, terwijl het toen zelfs al bijna drieënhalf jaar geleden was dat ik z’n (qua publicatie daar op volgende) boek Elementaire deeltjes las. Over beide boeken was ik zéér te spreken, wat ook geldt voor voorliggend De kaart en het gebied en tot gevolg heeft gehad dat ik nog vóór ik aan deze boekbespreking begon weer een ander boek van hem geleend heb uit de openbare bibliotheek. Na De kaart en het gebied zijn de boeken van Houellebecq in mijn bibliotheek namelijk jammer genoeg op.

Nu goed, De kaart en het gebied dus: “De roman beschrijft”, aldus de Franstalige Wikipedia, “het biografische en creatieve parcours van Jed Martin, een Franse kunstenaar die [ondertussen wat reclame makend voor andere werken van de schrijver, noot van mij] Michel Houellebecq ontmoet in Ierland om hem te vragen een tekst voor een tentoonstellingscatalogus te schrijven en van hem een geschilderd portret maakt. De auteur heeft dus de gelegenheid een deels fictieve versie van zichzelf te beschrijven, in een soms onaangenaam misantropisch licht”. Houellebecq, de echte dan, voegt daar volgens Wikipedia nog aan toe dat Jed Martin “zijn leven wijdt aan het reproduceren van representaties van de wereld waarin echter nergens mensen moeten wonen”.

Da’s allemaal waar (al noteert hij waar hij het heeft over de “Michelinkaart op 1:150.000 van de Creuse en de Haute-Vienne” dat je “in elk van de gehuchten en dorpen, weergegeven naar omvang, (…) de hartslag [voelde], de roep van tientallen mensenlevens, van tientallen of honderden zielen – sommige voorbestemd tot de verdoemenis, andere tot het eeuwige leven”), zij het zeer kort door de bocht, net zoals de actie die ene Florent Gallaire op poten zette ten einde La Carte et le territoire, zoals dit boek in het Frans heet, gratis te verspreiden omdat Houellebecq in dit boek stukken tekst uit Wikipedia had overgenomen zonder bronvermelding. Iets wat Houellebecq uiteindelijk erkende en waarvoor hij zich excuseerde, maar waarbij ik meteen wil aangeven dat bronvermelding schadelijk zou geweest zijn voor de structuur van dit boek, een structuur die in zijn geheel namelijk zeer biografisch - encyclopedisch - overkomt en waarin bijvoorbeeld een stuk over de huisvlieg (musca domestica) net de afstand van de auteur ten opzichte van genaamde Jed Martin (van wie hij op zeker moment bijvoorbeeld, wat getuigt van enige kennis of opzoekingswerk ter zake, ook de gebruikte verven gaat beschrijven) én z’n eigen alter ego nog sterker doet overkomen. Wat begint als een ‘standaard’ vertelling over een derde persoon die een probleem heeft met z’n ‘combiketel’ evolueert op die manier zonder enige bruuske overgang naar een verhaal dat eindigt met een volkomen encyclopedische passage als deze: “Het werk dat de laatste levensjaren van Jed Martin in beslag nam kan zodoende worden gelezen – dat is de meest voor de hand liggende interpretatie – als een nostalgische bespiegeling over het eind van het industriële tijdperk in Europa, en meer in het algemeen over de vergankelijke voorbijgaande aard van alle menselijke bedrijvigheid. Die interpretatie kan evenwel niet het onbehagen verklaren dat ons bevangt bij het zien van die aandoenlijke Playmobil-poppetjes, verdwaald in een abstracte, onmetelijke futuristische stad die zelf verbrokkelt en vergaat, tot hij geleidelijk uiteen lijkt te vallen in de plantaardige onmetelijkheid, die zich uitstrekt zover het oog reikt. En evenmin het gevoel van diepe verlatenheid dat zich van ons meester maakt wanneer we de afbeeldingen van de mensen die Jed Martin op zijn aardse pad hadden vergezeld, zien verweren, verrotten en aan flarden gaan, waarbij ze zich in de laatste video’s lijken te willen opwerpen tot symbool van de algehele vernietiging van de menselijke soort. Ze zinken weg, lijken nog even tegen te stribbelen, en worden dan gesmoord door de over elkaar schuivende plantenlagen. Daarna komt alles tot rust, er is alleen nog gras dat wuift in de wind. De triomf van de vegetatie is volledig.”

Een passage die op een meta-manier ook een samenvatting van de hele roman is en behalve uit een encyclopedie ook uit een kunstcatalogus zou kunnen komen. Het soort catalogus dat uitgegeven wordt bij een retrospectieve, het soort catalogus waarvoor dan een schrijvelaar ingehuurd wordt (doorgaans helaas niet van het niveau van Houellebecq) om even een samenvatting van het leven en het werk van de artiest uit zijn duim te zuigen, een samenvatting waarover het personage Michel Houellebecq toch zo’n vijftig bladzijden doet, vijftig bladzijden waaraan in dit boek nauwelijks enige aandacht wordt besteed en dat in tegenstelling tot wat geldt voor een berg thema’s (of thema’s die alles samen weer één thematische berg vormen) waaraan de auteur Michel Houellebecq aandacht besteed terwijl “het biografische en creatieve parcours” van hoofdpersonage Jed Martin zich ontrolt, met een regelmatige fast forward van de ene eindejaarsperiode naar de andere, waarin Jed zijn vader Jean-Pierre ontmoet voor een etentje. Bijvoorbeeld het oeverloze gelul dat allerlei ‘experten’ over zichzelf verkondigen zonder dat ze zelfs maar de kwaliteit kunnen leveren van wie het vroeger simpelweg zónder gelul deed: “Om zes uur ‘s ochtends had hij de laatste liters uit de boiler gebruikt voor een snelle wasbeurt, toen had hij een kop koffie gezet in afwachting van de technicus van De Installatiespecialist – ze hadden beloofd ‘s morgens vroeg meteen iemand te sturen. Op zijn website nam De Installatiespecialist zich voor ‘het loodgieten een plaats te geven in het derde millennium’; ze zouden om te beginnen hun afspraken eens kunnen nakomen, mopperde Jed tegen elven, terwijl hij rondjes door het atelier liep zonder warm te worden. (…) De hele volgende dag wachtte hij opnieuw op De Installatiespecialist, maar ook op De Installatiekoning, die hij in de tussentijd had weten te bereiken. De Installatiekoning beloofde de ambachtelijke waarden van de ‘grote loodgieterstraditie’ te respecteren, maar bleek al evenmin in staat om een afspraak na te komen.” Of de overname en het vervolgens weer in de steek laten van hele landstreken door rijke buitenlanders: “De vroeggepensioneerde Engelse traders, die zich eerst al meester hadden gemaakt van de Dordogne, verspreidden zich destijds golfsgewijs in de richting van de Bordelais en het Centraal Massief, snel oprukkend vanuit de bezette stellingen, en hadden de centrale Limousin al veroverd; hun verschijning in de Creuse viel op korte termijn te verwachten, met navenante stijging van de prijzen. Maar door de koersval van de Londense beurs, de kredietcrisis en het uiteenspatten van de speculatieve zeepbel zag het plaatje er nu heel anders uit: in plaats van plannen te maken voor de inrichting van pittoreske buitenhuizen hadden de vroeggepensioneerde Engelse traders nu grote moeite om de hypotheek van hun huis in Kensington af te lossen, ze dachten juist steeds vaker aan verkopen, kortom de prijzen waren volledig ingezakt.” Of, ten slotte (omdat ik niet kan blijven doorgaan), de ergerlijkheid van het steeds weer uit de rekken verdwijnen van dingen die je wil hebben: “Terwijl de meest onbetekenende diersoorten er duizenden, soms miljoenen jaren over doen om te verdwijnen, worden fabricaten binnen enkele dagen van de aardbol weggevaagd, ze krijgen nooit een tweede kans, ze kunnen enkel machteloos het onverantwoordelijke, fascistische dictaat van de verantwoordelijken voor de productielijnen ondergaan, die natuurlijk beter dan wie ook weten wat de consument wil, die bij de consument een vernieuwingswens pretenderen waar te nemen, maar zijn leven in werkelijkheid alleen maar transformeren in een uitputtende, wanhopige zoektocht, een eindeloos ronddolen tussen telkens veranderende schappen.”

Wat overigens niet wil zeggen dat de humor, ook in dit boek toch wel kenmerkend voor Houellebecq, ver uit de buurt blijft: “Men denkt vaak dat de Russen hun grote anticommunistische revolutie alleen op touw hebben gezet om Big Macs en Tom Cruise-films te kunnen consumeren; daar zit een grote kern van waarheid in, maar bij een minderheid van hen bestond ook het verlangen om pouilly-fuissé te degusteren of de Sainte-Chapelle te bezoeken.” Of: “(…) hij zocht opnieuw naar zijn woorden, dat heb je met alumni van de École Polytechnique, ze zijn wat goedkoper in de aanschaf dan die van de École Normale Supérieure, maar ze moeten langer naar hun woorden zoeken”. Om maar (niet) te zwijgen van ronduit sarcastische passages als deze: “Door zijn dappere stellingname voor de legalisering van drugs en de invoering van een officieel statuut voor prostitués van beiderlei kunnen, en zijn wat clichématiger stellingname ten aanzien van het illegalenvraagstuk en de leefomstandigheden van gevangenen, was Frédéric Beigbeder geleidelijk aan een soort Sartre van de jaren 2010 geworden, tot verbazing van iedereen en ook een beetje van hemzelf, want door zijn gegoede komaf was hij eerder voorbestemd tot de rol van schrijvers als Jean-Edern Hallier of Gonzague Saint-Bris. Als kritisch lid van de Nieuwe Antikapitalistische Partij van Olivier Besancenot, waarvan hij in een recent interview met Der Spiegel de latente antisemitische uitwassen had gehekeld, had hij de half-burgerlijke, half-aristocratische oorsprong van zijn familie en zelfs de aanwezigheid van zijn broer binnen de top van de Franse werkgeversorganisaties kunnen doen vergeten. Ook Sartres familie was trouwens verre van behoeftig.”

Bij zo’n passages zit je je als niet-kenner van de Franse beau monde in ieder geval toch af te vragen over welke concrete personen Houellebecq het heeft, of op welke van hen hij zich geïnspireerd heeft (allicht op de échte Frédéric Beigbeder, want die bestaat, ontdekte ik zonet). Wat niet geldt voor waar het mensen uit de kunstwereld betreft, kunstenaars of theoretici. Vooral in de gesprekken tussen Jed en zijn vader Jean-Pierre toont Houellebecq zich als veel meer dan een ‘romancier’ en gaat hij voluit – nog meer dan elders in dit boek, want De kaart en het gebied is natuurlijk als geheel nogal ‘filosofisch’ – op de filosofische toer. De kunstfilosofische toer, that is, en da’s toch een domein waar weinig schrijvers (of lezers) zich op begeven, maar ook, pakweg, het utopisme. Le Corbusier, Van der Rohe, “het primaat van de functionaliteit”, de “woonmachine”, Charles Fourier (“een goeroe, de eerste in zijn soort”), “open spaces”, René Guénon, William Morris (de Britse schrijver, sterk geassocieerd met de Arts and Crafts movement), de prerafaëlieten, Gropius, het Bauhaus-Manifest, Tocqueville (Over de democratie in Amerika), Gilbert Keith Chesterton (wiens The Return of Don Quixote, waarin hij kennelijk eer bewijst aan genoemde William Morris, ik ook noemde in mijn bespreking van Gaston Durnez’ De lach van Chesterton), enzovoort, enzoverder, ze komen allemaal aan de beurt, wat toch wel een aangename ontdekking is in een boek dat desondanks blijft lezen als een trein. En als een roman, natuurlijk, want aan een goeie biografie ontbreekt uiteraard geen goeie ‘affaire’ en zélfs in door mindere goden geschreven boeken gebeuren moorden, dus is er zeker niks mis mee als die elementen ook in een boek als De kaart en het gebied zitten, al ga ik er hier niet over uitweiden. Niet omdat ik dat niet zou willen, in tegendeel, maar omdat ik u absoluut niet wil verklappen wié er vermoord wordt en op welke manier, terwijl net het hoofdstuk dat over de moord handelt zó’n bocht veroorzaakt in het boek dat je aan het begin ervan even de kluts kwijt raakt, een kluts die je overigens al snel weer terugvindt, waarna je je toch wel een beetje gaat afvragen hoe lang het gaat duren vooraleer de speurders de clou vinden die je als verstandige lezer (daarbij uiteraard een stevig handje geholpen door de auteur) allang ontdekt hebt.

Nog vóór de epiloog, zo’n veertig bladzijden lang, laat ik u alleen. Met enige trots, eerlijk gezegd, want ik ben er in geslaagd op een aantal voor mij belangrijke punten in dit boek te wijzen zónder het verhaal weg te geven. En dat terwijl er, geloof me, nog veel meer verhaal is dan genoemde moord en affaire. Er zit zelfs een stukje in dat ik ga gebruiken voor de volgende TeKoS of die daarna. Een stukje dat aardig te combineren valt met stukken uit het boek dat ik na dít ga bespreken. Leuke vooruitzichten alweer.

Björn Roose

dinsdag 1 maart 2022

De wereld als markt en strijd – Michel Houellebecq (boekbespreking door Björn Roose)

De wereld als markt en strijd – Michel Houellebecq (boekbespreking door Björn Roose)
Het gebeurt zelden dat ik de achterflap van een boek lees vooraleer aan dat boek te beginnen. ‘t Is te zeggen, misschien heb ik die achterflap wel gelezen toen ik het boek kocht in een boekenwinkel of op een rommelmarkt, maar door de band genomen gaan er minstens een paar maanden, vaak zelfs vele jaren, tussen het moment dat ik een boek koop en het moment dat ik het ook léés, dus kan die achterflap als ongelezen beschouwd worden.

Dat was ook het geval met die van De wereld als markt en strijd van Michel Houellebecq uitgegeven onder het insigne Singel Pockets, een samenwerkingsverband tussen – het kan niet op – “Uitgeverij De Arbeiderspers, Uitgeverij Archipel, Athenaeum – Polak & Van Gennep, Nijgh & Van Ditmar en Em. Querido’s Uitgeverij BV”.

Als ik die achterflap wél gelezen had, had ik vooraf geweten dat dit boek dateert van 4 jaar vóór zijn Elementaire Deeltjes, dus van 1994, en zijn “debuut” was. En na enig opzoekwerk meteen kunnen concluderen dat dat samenwerkingsverband ter zake loog: Houellebecq, geboren in 1956, debuteerde immers al in 1978 als filmregisseur (met een kortfilm genaamd Cristal de Souffrance), kreeg z’n eerste gedichten gepubliceerd in 1985 (in het magazine La Nouvelle Revue), schreef een biografie van de Amerikaanse auteur Howard Phillips Lovecraft (H.P. Lovecraft: Contre le monde, contre la vie, gepubliceerd bij Éditions du Rocher in 1991), en kreeg vooraleer De wereld als markt en strijd van de persen rolde ook nog de dichtbundel La Poursuite du bonheur (1992) en het in 2016 door de Nederlander Erik Lieshout verfilmde essay Rester vivant, méthode (1991) gepubliceerd.

Nu ja, met wat goede wil kunnen we zeggen dat Extension du domaine de la lutte, in het Nederlands De wereld als markt en strijd, het debuut van Houellebecq als romancier was. Een zéér sterk debuut op het commerciële vlak, aldus zijn vaste vertaler Martin de Haan in zijn nawoord onder de titel De romanpoëzie van Michel Houellebecq: “Houellebecqs romandebuut was in 1994 verschenen bij de kleine uitgeverij van de bekende criticus Maurice Nadeau, en in de jaren na de verschijning had het alle verkoop- en marketingwetten aan zijn laars gelapt: zonder enige reclame had het een prominente plaats in de boekhandels weten te veroveren en behouden, en de Franse literaire wereld raakte maar niet uitgepraat over dat merkwaardige boek. Het literair-kritische tijdschrift L’Atelier du roman, bijvoorbeeld, besteedde tussen 1995 en 1997 maar liefst vijf keer aandacht aan Extension du domaine de la lutte, en minder genuanceerde geesten riepen Houellebecq maar meteen uit tot de grote belofte van de Franse literatuur.” In dié jaren had ik het boek dus zeker niet gekocht – ik koop zelden boeken uit de bestsellerlijsten, tenzij eventueel uit de bestsellerlijsten van een paar decennia geleden –, maar ik kan niet zeggen dat ik me beklaag het later wél ergens op de kop getikt te hebben (bijkomend heb je dan in dit geval het genoeg als beroepsmatig nogal nauw bij “aajtie” aanleunend mens in een wereld terecht te komen waarin secretaresses nog nooit een computerscherm van dichtbij gezien hebben en Minitel het dichtste tegen internet aankomt).

“Voortdurend relativeert de schrijver zichzelf en steekt hij de draak met zijn eigen boude stellingen door ze tot groteske proporties op te blazen of er ineens een komische draai aan te geven”, aldus de Haan: helemaal wáár, al verdwijnt die “komische draai” nagenoeg volledig in de laatste drie hoofdstukjes, De bekentenis van Jean-Pierre Buvet, Venus en Mars, en Saint-Cirgues-en-Montagne. “Twee jonge Arabieren volgden me met hun blik, een van hen spoog op de grond toen ik voorbijkwam. In ieder geval had hij me niet in mijn gezicht gespogen”, klinkt triest, de “komische draai” in dat laatste zinnetje maakt de eerste zin alleen maar triester. Een passage als “Algauw krijg ik een erectie. Op het tafeltje naast mijn bed ligt een schaar. Het idee dringt zich onomkoombaar op: mijn geslachtsdeel afknippen. Ik zie mezelf voor me met de schaar in mijn hand, de korte tegenstand van het vlees, en plotseling het bloederige stompje, de waarschijnlijke bezwijming. Het stompje, op het tapijt. Kleverig van het bloed”, maakt nogal duidelijk dat enige hoop op beterschap voor het personage volkomen onterecht is, zeker omdat je maar zo’n vijftien bladzijden van het einde van het boek meer af bent. Maar zelfs dán nog hier en daar een “komische draai” die wél wat verlichting biedt: “De hoofdarts, die van Colombiaanse origine was, kon niet veel voor me doen. Met de onwankelbare ernst die neurotici eigen is bracht ik allerlei onweerlegbare argumenten naar voren die tegen mijn eigen voortbestaan pleitten; zelfs het minst zwaarwegende argument leek me al voldoende om stante pede tot zelfmoord over te gaan. Hij leek naar me te luisteren; of in ieder geval zweeg hij; hooguit onderdrukte hij af en toe een lichte geeuw. Pas na een paar weken drong de waarheid tot me door: ik praatte zacht, en hij had maar een zeer beperkte kennis van het Frans; in feite begreep hij geen woord van wat ik vertelde.”

En vóór je aan die laatste drie hoofdstukjes toekomt, zo’n 150 bladzijden lang dus, geldt wel degelijk onverminderd wat de Haan verder in zijn nawoord nog schrijft: “Typerend zijn de alomtegenwoordige ironie (in het proza althans, de poëzie is een ander verhaal), de nonchalance ten aanzien van de heersende stijlopvattingen (woordherhalingen storen hem niet in het minst) en de voorliefde voor schokeffecten: vaak verandert hij plotseling van toon of register of plaatst hij zinnen naast elkaar die niets met elkaar te maken lijken te hebben.” Waardoor je in dit boek over – aldus weer de achterflap – “een jonge, depressieve werknemer van een softwarebedrijf (…) [die] de opdracht [krijgt] een reeks cursussen te verzorgen in de provincie” al snel de indruk krijgt dat je hier te maken hebt met een schrijver die er meteen al van bij zijn debuut in geslaagd is prestaties te leveren waar een Herman Brusselmans nooit toe in staat is geweest. Niet zeker waarom Herman Brusselmans bij me opkwam toen ik De wereld als markt en strijd las, misschien het feit dat het hoofdpersonage depressief is, het gegeven dat datzelfde personage al in de eerste bladzijden moet kotsen, dat hij rookt als een ketter, het idee dat Brusselmans zeker in zijn eerste boeken af en toe die “komische draai” probeerde te vinden zonder meteen in grofheden te vervallen, ik weet het niet, maar dat kwam dus bij me op.

Leest u even een paar passages mee, misschien ziet ú het wel:

– “Toen ik wakker werd kwam ik tot de ontdekking dat ik had overgegeven op het tapijt. Het feestje liep ten einde. Ik verborg het braaksel onder een stapel kussens en stond op om te proberen thuis te komen. Op dat moment merkte ik dat ik mijn autosleutels kwijt was.”;

– “Ik ken het leven, ik heb er ervaring in.”;

– “Later op de avond werd mijn eenzaamheid pijnlijk tastbaar. Op de keukentafel lagen velletjes papier verspreid, lichtelijk bezoedeld door een restje tonijn in Catalaanse saus van Saupiquet.”;

Maar Houellebecq laat Brusselmans vér achter zich, Brusselmans verdwijnt gewoon helemaal uit beeld, als pakweg zijn personage zich manifesteert als schrijver (wat nog net wat anders is dan wanneer een schrijver zich manifesteert als de “ik” in het verhaal) en de lezer rechtstreeks aanspreekt: “Het water lijkt steeds kouder, en vooral steeds zilter. Je bent niet zo heel jong meer. Je gaat nu sterven. Het geeft niet. Ik ben er. Ik zal je niet laten vallen. Blijf doorlezen.” Of “Het is mogelijk, mijn sympathieke vriend en lezer, dat je zelf een vrouw bent. Maak je niet druk, die dingen gebeuren nu eenmaal. Het verandert trouwens niets aan wat ik je te zeggen heb. Ik heb een brede boodschap.” Of “De romanvorm is niet bedoeld om onverschilligheid of absolute leegte te beschrijven; daarvoor zou een vlakkere, beknoptere en fletsere uitdrukkingsvorm moeten worden uitgevonden.”

Of wanneer hij tussen de avonturen van het hoofdpersonage door gaat citeren uit diens dierenverhalen (waanzinnig ernstig, alsof je leest uit het werk van een filosoof die een tik met de hamer heeft gekregen) of als het op maatschappijkritiek aankomt, natuurlijk, want daar is ook dit boek van Houellebecq mee doorspekt. De titel maakt zulks al duidelijk en Wikipedia kan het altijd nog wat duidelijker maken (“In zijn oeuvre beschrijft hij het bankroet van de libertijnse en neoliberale westerse maatschappij die de individuele vrijheid als ultieme maatstaf aanneemt en ontspoort in een koude, egoïstische samenleving waarin onder andere new age, vrije liefde, abortus, euthanasie en zelfmoord, maar ook een tot het uiterste doorgedreven commercialisering en ontspoord marktdenken alomtegenwoordige en gebanaliseerde verschijnselen worden.”), maar Houellebecq heeft, aldus weerom de Haan, “niet de indruk dat hij ‘romans met een boodschap’ schrijft: de theoretische laag vormt voor hem niet het uitgangspunt, maar gewoon een van de vele stemmen die in het boek doorklinken, en niet noodzakelijkerwijs een stem die de definitieve waarheid verkondigt.”

Die “stem” zegt dan dingen als: “Het is ergens in het dertiende arrondissement. Wanneer je per bus aankomt zou je serieus denken dat er net een derde wereldoorlog heeft plaatsgevonden. Nee hoor, het is gewoon een stadsvernieuwingsplan.” Of “Het kwam er ongeveer op neer dat hij de samenleving met de hersenen vergeleek en de individuen met afzonderlijke hersencellen, die inderdaad gebaat zijn bij zoveel mogelijk koppelingen. Maar daar hield de analogie op. Want hij was een liberaal, en hij was absoluut geen voorstander van iets wat voor de hersenen onontbeerlijk is: een verbindend program.” Of “Tot overmaat van ramp zijn er tientallen straatjongeren die de stad doorkruisen per motor of brommer met afgezaagde uitlaat. Ze komen uit de voorsteden van Rouen, die door de malaise in de industrie volledig aan het verloederen zijn. Het doel van de jongeren is een doordringend, zo onaangenaam mogelijk geluid te produceren, een geluid dat voor de omwonenden nauwelijks te verdragen mag zijn. Daar slagen ze wonderwel in.”

Over de actie vertel ik u lekker niks, tenzij datgene wat ook Wikipedia u meegeeft, zijnde dat er “een dubbele verwijzing naar Camus [in zit]: een poging tot moord op een strand (vgl. Camus, L’Étranger) mislukt jammerlijk en een van de hoofdpersonen komt om bij een auto-ongeluk.” Houellebecq is niet meteen een medicijn contra il mondo moderno, maar door die zo hard weer te geven, zo zonder franje, pleegt hij er op zijn manier toch wel een beetje een rivolta tegen. En zo’n verzet kunnen we zevenentwintig jaar na het verschijnen van Extension du domaine de la lutte nog steeds, en meer dan ooit, gebruiken. Een aanrader dus, dit De wereld als markt en strijd.

Björn Roose

donderdag 2 augustus 2018

Elementaire deeltjes (Michel Houellebecq)

Wat kan ik – los van het feit dat ik er niet per se naar streef origineel te zijn- zeggen over dit boek dat nog niet eerder gezegd is ? Weinig wellicht. Desondanks toch een poging.

Elementaire deeltjes verscheen voor het eerst in het Frans in 1998 (Flammarion) en al meteen het jaar daarna in Nederlandse vertaling bij De Arbeiderspers. Tegen die tijd waren er 300.000 exemplaren van het boek verkocht in Frankrijk en de eerste druk bij De Arbeiderspers werd nog dezelfde maand gevolgd door een tweede druk en de volgende maand door een derde druk. Dat zegt voldoende over de immense populariteit die het boek op geen tijd verwierf, me dunkt.

Alhoewel, populariteit ... De auteur kreeg zo’n beetje verzameld “links” – of toch datgene wat zichzelf als dusdanig betitelde – over zich heen en ging lopen met eretitels genre “seksist”, “anti-feminist”, “homohater”, “racist”, “stalinist”, “pornograaf” en dergelijke meer. En het is nog maar de vraag hoéveel van de kopers het boek ook effectief gelezen hebben. Het fenomeen van “voor in de boekenkast” duikt per slot van rekening wel vaker op bij boeken die om een of andere reden gehypet worden. En dat fenomeen is voor mij al een paar decennia een zeer goede reden om immens populaire boeken pas te kopen een keer ze op de rommelmarkt terecht komen (dat doen ze sowieso) en het stof er rond gaan liggen is.

Misschien koop ik dus binnen een paar jaar wel Soumission (2015) van dezelfde auteur, maar deze maand heb ik dus uiteindelijk Elementaire deeltjes gelezen. En goed bevonden. De stijl van de auteur sluit perfect aan bij de inhoud (onderkoeld, afstandelijk), filosofisch is er voor het overgrote deel geen speld tussen te krijgen, je blijft lezen tot je aan het einde bent. Of toch aan het einde min twee hoofdstukken, want hoofdstuk 7 van het derde deel, Emotionele oneindigheid, en de Epiloog hoefden wat mij betreft niet. Ik snap wel dat Houellebecq het geheel daar tracht te kaderen, maar als het kader na zo’n 300 bladzijden voor een of andere lezer nog niet duidelijk is, dan heeft dat ook geen enkele zin meer.

Voor de rest: als u ter gelegenheid van het “halfeeuwfeest” van de revolutie die nooit plaats vond, genaamd mei ’68, één boek zou willen lezen en u hebt Elementaire deeltjes nog niet gelezen, dan is het daarvoor nu een uitstekend moment.

Was getekend,

Björn Roose