Posts tonen met het label Amélie Nothomb. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Amélie Nothomb. Alle posts tonen

maandag 13 april 2026

Cosmetica van de vijand – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)

Cosmetica van de vijand – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)
Amélie Nothomb houdt er al sinds haar eerste boek, Hygiène de l’assassin (1992), in het Nederlands vertaald als Hygiëne van de moordenaar (1995), een dusdanig verschroeiend tempo op na wat haar publicaties betreft, dat het voor iemand als ik, die de meeste van zijn boeken tweedehands koopt, quasi onmogelijk wordt álles, of zelfs maar het meeste, van de auteur in huis te hebben. Als u weet dat ik, voorliggend Cosmetica van de vijand inbegrepen, op dit moment zeventien boeken van haar in mijn kast heb staan, maar dat ze er sinds 1992 ook ieder jaar minstens één gepubliceerd heeft, dan weet u ook dat ik best nog wat van Nothombs werk te verzamelen heb (en naar alle waarschijnlijkheid nog even te verzamelen zál hebben).

Desalniettemin, en dat gezegd zijnde, ben ik bij deze toch al aan mijn zevende bespreking van een van haar werken toe: De hongerheldin, Zwavelzuur, Met angst en beven, Peplos, De spiegel van Mercurius, en Antichrista gingen Cosmetica van de vijand vooraf. En weerom kan ik alleen maar vaststellen dat Nothomb er telkens weer in slaagt met iets ánders uit de hoek te komen. Geen herkauwen van wat ze eerder heeft gedaan, geen doorslagjes, geen variaties op een thema, maar telkens iets nieuws, iets origineels, iets waarvan je het spijtig vindt dat het uit is. Wat ook met dit een kleine honderd bladzijden tellende Cosmetica van de vijand weer veel te snel gebeurd was. De clou van het verhaal geef ik u natuurlijk niet mee, maar gezien u de achterflap toch zou lezen bij aankoop van het boek, krijgt u dié wel van me: “De zenuwen van zakenman Jérôme Angust waren al tot het uiterste gespannen toen hij in de vertrekhal van de luchthaven geconfronteerd werd met een aanzienlijke vertraging van zijn vliegtuig. Tot overmaat van ramp klampt een buitengewoon opdringerige medereiziger zich aan hem vast. Geen enkel argument van Jérôme, geen enkele woedeaanval of bedreiging kunnen de ongewenste indringer ervan afbrengen zijn levensverhaal tot in het kleinste detail uit de doeken te doen aan onze vermoeide protagonist. Dit walgelijke levensverhaal, dat begint met een onwaarschijnlijke verkrachting op een kerkhof en dat eindigt met een moord, wordt met een satanisch genoegen en een grote welsprekendheid verteld als was het een benijdenswaardig avontuur. Later blijkt dat het slachtoffer van de duivelse moord niemand minder was dan de teerbeminde echtgenote van Jérôme. Dan neemt de roman een verrassende wending. De vertelling van Textor Texel [“een heel gewoon patroniem, dat mijn Nederlandse origine verraadt”, aldus de eigenaar van de familienaam, noot van mij], zo heet de kwelgeest, fungeert als een eindeloze spiegel waarin het leven van Jérôme weerkaatst wordt, totdat de hallucinante waarheid tot hem doordringt en hij beseft dat zijn leven gevaar loopt. Een moderne parabel over waarheid en leugen, hypocrisie en geweten.”

Een uitleg die u met een korrel zout moet nemen, die af en toe wat kort door de bocht gaat (onder andere wat het begin van het levensverhaal van Textor Texel betreft), maar die nog net niet over het randje zit van té veel vertellen. Iets wat ik óók niet doe als ik u nog meegeef welke uitleg genoemde Texel geeft aan de in de titel genoemde cosmetica: “(…) de wetenschap van de universele orde, de hoogste moraal die de wereld regeert”. Iets wat niet de hele titel verklaart, maar als ik de hele titel zou verklaren, dan zou dat ook betekenen dat ik de clou van het verhaal (waarmee Texel overigens pas twintig bladzijden voor het einde op de proppen komt) weggaf, en dat is uiteraard niet de bedoeling.

De clou weggeven is iets wat al evenmin gebeurt als ik u zeg dat Nothomb zich bediend heeft van wat dichterlijke vrijheid als ze de ‘kwelgeest’ laat zeggen dat Textor “een van de vele voornamen van Goethe was”. Textor was namelijk de familienaam van diens moeder, Catharina Elisabeth Textor. Een detail zoals één moord dat wordt als je er honderden gepleegd hebt: “Alleen de eerste dode telt. Dat is de moeilijkheid met de schuldgevoelens van een moordenaar: het kan niet meer erger worden. Aan de moord op honderd mensen wordt even zwaar getild als aan de moord op één enkele. Dus als je er één hebt vermoord, kun je er evengoed meteen honderd ombrengen”. Wat dan weer een variant is op de vaak aan Stalin toegeschreven uitspraak (dit is dus geen citaat, voor wie dat zou willen gaan opzoeken, nog los van het feit dat ik me niet bedien van artificial intelligence voor het schrijven van mijn boekbesprekingen) dat “de dood van één man (…) een tragedie [is], de dood van een miljoen (…) een statistiek”.

Een theorie als een ander, zou ik zeggen, bijvoorbeeld als het jansenisme (of ‘jansénisme’, zoals de beweging in het Frans heette, zelfs al werd ze dan genoemd naar de Leuvense bisschop Cornelius Jansen), iets waar Texel regelmatig op terugkomt, zonder er evenwel grote theologische redeneringen aan op te hangen (net zomin als hij dat doet als hij, bijvoorbeeld, Max Stirner en diens De enige en zijn eigendom noemt). Ik zal dat dus óók niet doen, grote theologische redeneringen verkopen, maar weten dat de jansenisten van oordeel waren dat hun tegenstanders, de jezuïeten, veel te veel belang hechtten aan de menselijke vrijheid, terwijl ze zelf van oordeel waren dat de mens na de verdrijving uit de tuin van Eden geen invloed meer kon uitoefenen op zijn eigen verlossing, kan in het kader van dit verhaal nuttig zijn. Onder andere om het standpunt van Texel over een aantal van de fenomenen in zijn leven te begrijpen. “U wordt verteerd door schuldgevoelens omdat u het voer van de katten opeet, maar over een verkrachting hebt u in het geheel geen berouw?”, vraagt Jérôme hem op zeker moment, waarop Texel antwoordt: “Die verkrachting vond ik namelijk lekker, iets wat ik van het kattenvoer niet kon zeggen.”

Een uitspraak die zelfs als er niet ergens een theologische uitleg voor zou zijn (en er is, voor wie maar ver genoeg zoekt, voor zo ongeveer álles wel een theologische uitleg te vinden) natuurlijk nog steeds gewoon grappig is. Zoals volgende passage, deel van een stuk waarin Texel vertelt over al de jaren dat hij na de verkrachting op het kerkhof zijn toenmalige slachtoffer probeerde terug te vinden: “‘Tien jaar geleden, dat wil zeggen tien jaar na de verkrachting, liep ik in het tiende arrondissement van een overheerlijke hotdog te genieten. En wat zag mijn oog, op de boulevard de Ménilmontant? Mijn slachtoffer! Zij was het, zonder enige twijfel. Ik zou haar uit vier miljard anderen hebben herkend. Seksueel geweld schept nu eenmaal een band. In die tien jaar was ze alleen maar mooier, slanker en aangrijpender geworden. Ik ging haar achterna. Kunt u geloven hoe erg het is als je net een warme worst die druipt van de mosterd aan het verschalken bent, wanneer je na een tien jaar durende tocht door de woestijn de vrouw van je leven terugziet? Ik verslikte me voortdurend onder het lopen.’ ‘U had uw snack weg moeten gooien.’ ‘Bent u niet wijs? Ik kan wel merken dat u de hotdogs van de boulevard de Ménilmontant niet kent: die gooi je niet weg. Als ik dat had gedaan, zou ik het mijn aanbedene kwalijk hebben genomen, wat een smet op mijn liefde zou hebben geworpen. Onwillekeurig zou ik haar het verlies van mijn worst hebben aangerekend.’”

Zelfs zonder de ontegenzeggelijke dubbelzinnigheid daarvan zou dat nog enorm grappig zijn. Net zoals de rest van het verhaal eigenlijk, waarmee Amélie Nothomb (nog maar een keer) bewijst dat je zelfs “een moderne parabel over waarheid en leugen, hypocrisie en geweten”, een ernstig verhaal dus, met een portie humor op smaak kan brengen.

Björn Roose

vrijdag 3 oktober 2025

Antichrista – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)

Antichrista – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)
Moet ik na mijn besprekingen van De spiegel van Mercurius, Peplos, Met angst en beven, Zwavelzuur, en De hongerheldin nog zeggen dat ik eigenlijk niet verwacht ooit iets ‘slecht’ van Amélie Nothomb te lezen? Of iets lang? Of iets waarvan je toch wel de behoefte voelt het af en toe weg te leggen? Of iets dat niet goed vertaald is? Ik denk het niet. Antichrista, zoals de meeste (elk?) van Nothombs boeken in het Nederlands vertaald door Marijke Arijs, en bij Manteau/De Bezige Bij verschenen in 2004, telt dus zo’n honderdvijfentwintig bladzijden en sinds ik het gelezen heb weer een contente lezer méér. En dat terwijl ik het boek op basis van de beschrijving op de achterflap nooit zou gekocht hebben: “Amélie Nothomb [neemt] ons mee naar een van haar lievelingsthema’s bij uitstek: de vriendschap tussen twee jongvolwassenen. Wat begint als een veelbelovende vriendschap tussen de timide enigszins kleurloze zestienjarige Blanche en de exuberante zelfbewuste Christa, verandert al snel in een uitputtende strijd waarin Christa vastbesloten lijkt Blanche te vernederen en te domineren. Blanche wordt heen en weer geslingerd tussen gevoelens van haat en bewondering, teleurstelling en minachting. De intrigante Christa drijft zelfs een wig tussen Blanche en haar ouders. Op het dieptepunt van haar ellende besluit de anders zo verlegen Blanche te handelen en haar kwelgeest te overrompelen.”

Niet dat zulks niet interessant kan zijn, maar het is simpelweg niet het soort verhaal waar ik op uit ben. Tenzij het van een schrijfster als Amélie Nothomb is dus. Die weet kennelijk van zo’n beetje álles goud te maken, “hoe onwaarschijnlijk de intriges van Amélie ook lijken en hoe verwonderend haar dialogen ook mogen zijn”, dixit nog eens de auteur van de achterflap. Kortom, zelfs al schreef Nothomb over mijn eigen saaie leventje, een leventje dat ik elke dag meemaak en van binnen en van buiten ken, dan zou ze er nog iets van weten te maken dat ik zou willen lezen. Nothomb lees je – ik in ieder geval – immers om haar stijl alleen al: “Ze liet zich op mijn bed vallen, zodat ik het met de stretcher moest stellen. Ik had me weliswaar voorgenomen mijn bed aan haar af te staan, maar vond het niet prettig dat ze het voortouw nam. Meteen daarop schaamde ik me over die verwerpelijke gedachten.” Dat líjkt niet veel voor te stellen als stijl, maar het leest verdomd, tsja, lekker. Niet dat ik elke dag boeken in die stijl wil lezen, dat niet, maar de uitgepuurdheid, het droge, het tot zijn essentie gereduceerd zijn van elke zin zorgt voor exact het tempo dat nodig is om élk van de ‘werkjes’ van Nothomb aan sneltempo te lezen en elk van die ‘werkjes’ wordt er daarmee een waarvan je het na lezing spijtig vindt dat het ‘voorbij’ is. Zelfs al is de hoofdpersoon werkelijk een zestienjarig meisje: “Ik was zestien. Ik bezat niets, materiële goederen noch geestelijk welzijn. Ik had vriend noch vrijer en had nog niets meegemaakt. Ik had geen benul. Ik wist niet zeker of ik wel een ziel bezat. Mijn lichaam was alles wat ik had.” “En dan ging het alleen nog maar over de liefde tussen minnaars. Op mijn zestiende was het niet zo vreemd dat ik die nog niet had leren kennen. Helaas, dat verwachtte ik ook niet. Kon ik maar een liefde beleven, in welke vorm dan ook! Mijn ouders koesterden voor mij alleen maar genegenheid en ik kwam er stilaan achter hoe precair die was. Kennelijk hoefde er maar een aantrekkelijk meisje over de vloer te komen om me in hun hart tot vijfde wiel aan de wagen te degraderen. De hele nacht lag ik te piekeren: had er ooit iemand van mij gehouden?”

Een bakvis dus, dat hoofdpersonage, maar het is niet alleen maar omwille van de “ik” dat je de indruk krijgt dat Nothomb in haar eigen jeugdherinneringen is gaan graven. De bakvis lijkt namelijk qua karakter zo sterk op vele van haar andere personages, ook de (min of meer) autobiografische, dat je daar niet naast kan kijken: “Op de muren werden gezichten ontrold van individuen van wie de populariteit me tot dan toe gelukkig ontgaan was, maar waar ik voortaan mee zou moeten leren leven. Ik nam me voor hun namen te vergeten.” “Ik belde nog eens en zag een vaalblonde dikkerd verschijnen die op een halfwassen zwijn leek. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei ik, ‘ik zou Detlev willen spreken.’ ‘Dat ben ik.’ Ik viel bijna achterover. ‘Weet je dat wel zeker?’ ‘Ik dacht van wel.’ ‘Is Christa hier?’ ‘Nee, ze is thuis.’ Hij was het dus echt? Het was om je dood te lachen. Ik deed mijn best om niets te laten merken.” Ofwel ís dat Nothomb, ofwel is dat haar favoriete soort personage, maar dat het er zelfs in het geval van Blanche uitkomt, is in ieder geval opvallend. En het doet me goesting krijgen om snel weer naar een ander boek van Nothomb te grijpen. Iets waartoe ik, met de huidige stand van zaken in mijn boekenkasten, maar elf keer de kans meer heb, en dat ik dus beter niet kan overhaasten.

Björn Roose

vrijdag 15 november 2024

De spiegel van Mercurius – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)

De spiegel van Mercurius – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)

Wegens een aantal weken verlof en het daar zeer snel op aansluitende overstappen naar een andere werkgever ben ik een viertal weken niet aan het schrijven van een boekbespreking toegekomen. Iets waarvan ú als lezer niet meteen wat dan ook ondervindt – ik had immers nog voor een tweetal maanden reeds geschreven boekbesprekingen in voorraad -, maar wat mij wel met een stroef gevoel in de ganzenveer (of in het klavier, maar dat klinkt helemáál niet) laat worstelen. Iets waarvan de lezers van Amélie Nothomb zich toch ook af en toe moeten afvragen of zij er nooit last van heeft.

Laat ons immers wel wezen: Nothomb is intussen achtenvijftig jaar oud (iets meer dan zes jaar ouder dan ondergetekende), maar was vorig jaar (in 2023 dus) met Psychopompos (Psychopompe in de oorspronkelijke, Franse versie) ook al aan haar achtendertigste boek toe. Geen dikke dingen allemaal (standaard telt een boek van haar zo’n honderdzeventig bladzijden), maar sinds het jaar (1992) waarin haar eersteling, Hygiène de l’assassin, drie jaar later uitgebracht onder de Nederlandse titel Hygiëne van de moordenaar, verscheen, heeft ze ook geen enkel jaar verstek laten gaan wat het aan de wereld toevertrouwen van weer een nieuw boek betrof. Een tempo dat uiteraard, ook qua aantal bladzijden, in Vlaanderen nog ruim overtroffen wordt door, pakweg, Herman Brusselmans, met dat verschil dat ik nog geen enkel van haar door mij gelezen boeken als bagger heb moeten afserveren (iets wat mij bij Brusselmans met zo ongeveer élk van zijn boeken sinds Zijn er kanalen in Aalst?, daterend van inmiddels zevenendertig jaar geleden, helaas wél gebeurd is).

Niet als bagger afgeserveerd en zelfs – weerom, net zoals met De hongerheldin, Zwavelzuur, Met angst en beven, en Peplos het geval was – aan te duiden als ergens zeer dicht in de buurt van schitterend. Niet gewoonweg ‘schitterend’ omdat er altijd wel kritiek te leveren valt en ik er de mens niet naar ben dat dan maar na te laten als er genoeg positieve dingen te vertellen zijn: een eulogie moet u van mij nooit verwachten en voor een elegie is Nothomb nog te zeer in leven. En toch: alleen al het feit dat Nothomb voor dit boek zowaar twéé eindes heeft geschreven, verdient enige lof, al was dat dan ook naar haar eigen zeggen, weergegeven in de Noot van de schrijfster die tussen die twee eindes in werd geplaatst, “niet de bedoeling”. Het ene einde is lichtjes sprookjesachtig – het loopt dan ook uit op een “happy ending” en het klassiek klinkende “Ze beleefden allebei nog een heleboel wederwaardigheden, maar zouden elkaar nooit verlaten” -, iets wat me minder in de lijn van Nothomb leek te liggen, maar desalniettemin niet voor een teleurstelling zou gezorgd hebben; het andere einde is misschien óók wel sprookjesachtig, maar dan enkel als gothic novels (een genre waarnaar Nothomb ook verwijst als ze haar personages laat spreken over boeken en daarbij Carmilla van Sheridan le Fanu noemt) eveneens als sprookjes dienen beschouwd te worden. Dat laatste einde beviel me meer omdat het gewoon nóg een laag psychologie toevoegt aan een verhaal dat psychologisch al zeer gelaagd (én geslaagd) is. En omdat het eigenlijk de gehele aan dat einde voorafgaande tussenkomst van het hoofdpersonage, de verpleegster Françoise, tenietdoet, daarmee het verhaal vertelt zoals het had kunnen zijn als die tussenkomst er niet geweest was, dus in essentie niet alleen een ander einde, maar ook een geheel ander verhaal oplevert. Die veertien bladzijden extra betekenen dus ook een tweede boek (een naar mijn aanvoelen béter boek), een tweede boek dat evenwel minder uit de verf zou gekomen zijn als het éérste einde er niet was geweest. Ik ben dus bereid aan te nemen dat Nothomb niet van in het begin voorzien had twee eindes te publiceren, maar kan alleen maar toejuichen dat ze dat wel degelijk gedaan heeft.

Wat kan en wil ik u verder nog meegeven? Wel, dat de tussenkomst van de verpleegster plaatsvindt op een eiland voor de Franse kust, alwaar “een oude man en zijn pleegdochter” op een aantal zeer discrete personeelsleden na zich geheel alleen teruggetrokken hebben. Om een dubieuze reden waarin de “pleegdochter” gelooft en waarvan de “oude man” de bewijzen in stand houdt door die niet te laten zien. De “spiegel” in de titel De spiegel van Mercurius geeft u ook al mee welk instrument (of het ontbreken van welk instrument op het eiland) daarin een hoofdrol speelt, waarmee die Nederlandse titel verklarender is dan de Franse, die simpelweg Mercure luidt. Aan de andere kant: Mercurius heeft weinig met dit verhaal te maken (slechts in één passage wordt er naar hem verwezen), maar zijn Franstalige tegenhanger Mercure dan weer wel, en zelfs als er in de Nederlandse titel gekozen zou zijn voor de oude benaming voor Mercurius, ‘Merkuur’, zou voor de meeste Nederlandstalige lezers de frank/euro niet gevallen zijn: ‘mercurius’ is een alternatieve naam voor kwik en antieke spiegels bestonden doorgaans uit een laag glas bedekt met een laag kwik, waarbij het spiegelen gerealiseerd werd door het kwik. Nothombs vaste vertaalster Marijke Arijs heeft dus met de titel gezorgd voor zowel een verwijzing naar de originele titel als voor verstaanbaarheid voor de gemiddelde Nederlandstalige (een categorie waartoe ik ook mezelf reken), wat toch een goed begin is.

Maar voor de rest houd ik wat de inhoud van dit boek betreft de lippen op mekaar. Het vierenzestig keer lezen, zoals Hazel, de “pleegdochter”, gedaan heeft met De Kartuize van Parma (door de vertaalster – iedereen maakt fouten - verkeerdelijk De Chartreuse van Parma gedoopt), zou wellicht meer dan overdreven zijn, maar De spiegel van Mercurius verdient het absoluut gelezen te worden. En niet alleen door “bepaalde kringen van kunstliefhebbers, literaire critici of filosofen (zoals Nietzsche)", kringen aan wie Marie-Henri Beyle (beter bekend als Stendhal) zijn boek opdroeg, maar door iedereen die een paar uurtjes tijd kan investeren in een, zelfs al ligt de psychologie er zeer dik op en komen er uitgebreide literaire discussies in voor, bijzonder vlot leesbaar boek. Zo vlot leesbaar dat er nauwelijks wat uit te citeren valt helaas, maar dit deel uit een scène waarin Françoise uit het kasteel op het eiland probeert te ontsnappen wil ik u toch niet onthouden: “Zoals in alle kamers van dit huis was er maar één raam, te hoog om erbij te kunnen. Françoise zette een stoel op de tafel, maar dat was nog veel te laag. Daarom gebruikte ze de boeken, zoals ze zich had voorgenomen. Ze pakte eerst de grootste en dikste, om een stabiele basis te krijgen: de verzamelde werken van Victor Hugo leenden zich daar uitstekend voor. Daarop kwamen compilaties van barokke poëzie, waarvoor ze Agrippa d’Aubigné dankbaar was. Na De Scudéry’s Clélie was Guy de Maupassant aan de beurt, zonder dat de bouwmeesteres besefte hoe ongerijmd deze combinatie was. De anachronistische trap werd verder opgebouwd uit de heilige Franciscus Salesius, Taine, Villon, madame de Staël en madame de La Fayette (met voldoening bedacht ze hoe prettig deze adellijke dames het zouden vinden om zich in elkaars gezelschap te bevinden), Portugese brieven, Honoré d’Urlé, Flaubert, Cervantes, Genji monogatari, Nerval, de Elisabethaanse verhalen van lady Amelia Northumb, Les provinciales van Pascale, Swift en Baudelaire – alles wat een ontwikkeld, gevoelig en romantisch meisje bij het begin van deze eeuw ingekeken moest hebben. Ze kwam net een tweetal boeken te kort om het raam te kunnen bereiken. Ze herinnerde zich dat De Chartreuse (sic) van Parma en Carmilla nog in de la van de commode lagen. Toen was de boekentoren hoog genoeg.” Escapistische literatuur in z’n puurste vorm dus. Of De spiegel van Mercurius dat óók is, hangt echter niet af van het al dan niet omvallen van die boekentoren.

Björn Roose


maandag 29 april 2024

Peplos – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)

Peplos – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)
De hongerheldin
, Zwavelzuur, Met angst en beven … drie boeken die ik eerder gelezen heb van Amélie Nothomb en slechts een paar van haar boeken die ik samen met voorliggend Peplos in mijn boekenkasten zitten heb. Nadat ik jaren geleden namelijk voor het eerst Met angst en beven gelezen had, besloot ik dat het werk van Nothomb het lezen waard was en ik ben sindsdien nooit in dat besluit teleurgesteld geweest.

Dat geldt ook voor Peplos: zoals gebruikelijk bij Nothomb een verhaal dat qua omvang ergens tussen een kortverhaal en een ‘volwaardige’ roman in zit (honderdtweeënvijftig bladzijden in pocketformaat, uitgegeven bij Meulenhoff / Manteau in 1997), maar dat je quasi niet toelaat na welke bladzijde dan ook te stoppen (er zijn nauwelijks hoofdstukken en je wíl gewoon doorlezen), en dat ik ondanks het feit dat ik het gelezen heb op een werkdag (en dus af en toe wel moést stoppen) op een dag tijd verslonden heb. Een verhaal ook dat, zoals Zwavelzuur, getuigt van het vermogen van Nothomb om zich helemaal in te leven in een zelf gecreëerd mini-universum, al is Peplos dan behalve maatschappijkritisch (zoals weerom Zwavelzuur) ook en vooral enorm grappig (zoals Met angst en beven).

En… al is Peplos dan een beetje een eigenaardige titel voor dit verhaal. Een peplos (in het Frans ‘péplum’, zoals de roman in die taal ook heet) is namelijk een – en ik haal er even Wikipedia bij – “type kledingstuk specifiek voor vrouwen in het Oude Griekenland”. Wie ooit een Griekse vaas gezien heeft, weet meteen hoe dat kledingstuk er uit ziet, want “we vinden de peplos hoofdzakelijk op de zwart en roodkleurige vazen bij de statueske plastiek sinds de archaïsche periode, waarin zowel de korè als de metopen bekleed zijn met een peplos”. Enfin, ‘t is een soort gedrapeerd laken, maar niet het soort dat in het antieke Rome gedragen werd. Dát soort lakens (in verschillende vormen) heette namelijk ‘ricinium’, ‘palla’ of ‘tunica’ (al droegen hoeren en echtbreeksters ook wel eens het mannelijke laken, de toga) en zouden qua naam méér aangesloten hebben bij het onderwerp van dit boek, Pompeï (al lieten de Grieken daar naar verluidt eveneens sporen na, een feit dat ook even aangehaald wordt in dit boek).

Enfin, misschien vond Nothomb Péplum gewoon beter klinken dan ‘tunica’, of was de titel behalve een verwijzing naar het soort kledingstuk dat ze (of toch de ik-persoon genaamd ‘A.N.’, een schrijfster uit de twintigste eeuw) tijdens het grootste deel van het boek inderdaad draagt, ook een verwijzing naar de vorm van dat boek, een dialoog. Een dialoog die zeker niet in alle opzichten socratisch is – het oordeel van de gesprekspartners, vooral over elkaar, is er namelijk van in het begin, en da’s niet de bedoeling -, maar op andere vlakken toch weer wel: het is een ‘denkgesprek’, een gesprek dat over vragen gaat die je alleen kan beantwoorden door er over na te denken. Naar het antwoord op zoek gaan in de feiten, de materiële kant van de zaken, heeft daarbij geen enkele zin. Terwijl die materiële kant wel het uitgangspunt van dit boek is: het feit dat Pompeï bedolven werd onder de assen van de vulkaan Vesuvius.

Een feit dat Nothomb als denkoefening niet wijt aan de natuur, maar aan een menselijke tussenkomst, en wel een menselijke tussenkomst vanuit de toekomst. Het soort menselijke tussenkomst waaraan Het einde van Eeuwigheid van Isaac Asimov, dat ik in oktober 2021 besprak, gewijd is dus, maar dan iets amateuristischer: de manipulators van Asimov slagen er in het verleden (en daarmee hun toekomst) zodanig te wijzigen dat niemand ooit iets doorkrijgt, die van Nothomb botst op een schrijver die spontaan op het idee komt dat iemand aan het verleden heeft zitten morrelen. Zoals het op de achterflap luidt: “In deze doldwaze en meedogenloze roman komt de schrijfster A.N. erachter dat de uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Christus geen toeval was, maar het werk van zesentwintigste-eeuwse wetenschappers uit de verre toekomst [de schrijver van de achterflap was zich kennelijk niet bewust van de overtolligheid van dat “uit de verre toekomst”, noot van mij], die zo Pompeï voor het nageslacht hebben willen bewaren. Deze geniale ingeving wordt haar niet in dank afgenomen. Celsius, de dader, bezorgt de visionaire schrijfster prompt een enkele reis naar het jaar 2580. Een vergissing, zo blijkt, want met haar onuitputtelijke arsenaal van doldrieste ongerijmdheden, paradoxen en anachronismen drijft A.N. hem algauw tot het uiterste.”

“(…) doldrieste ongerijmdheden, paradoxen en anachronismen”… tsja, zo kan je ze noemen, maar die ongerijmdheden, paradoxen en anachronismen zijn feitelijk eigen aan het hele gegeven van tijdsprongen en tijdmanipulaties. Wat Nothomb aanduidt als een “aporie” is dan ook niets anders dan wat volbloed science-fictionauteurs aanduiden als een tijdparadox, een type paradox waarvan de grootvaderparadox de bekendste is (onder andere uit Back to the future), al komt die hier niet te pas, wat niet kan gezegd worden van Celsius betoudovergrootvader: “‘Iedereen kent dat fenomeen: je hoeft maar “nu” te zeggen en het is al voorbij. Het heden bestaat niet. Als je het “nu” aan de noties van plaats en persoon koppelt, krijg je een punt dat door drie factoren wordt bepaald, namelijk…’ ‘Het I.H.N.! Het ik-hier-nu-punt.’ ‘Hoe weet ú dat nou?’ ‘Mijn waarde Celsius, toen uw betoudovergrootvader nog niet eens potentieel in de spermatozoïden van zijn betoudovergrootvader aanwezig was, hadden de linguïsten het al over dat punt.’ ‘Wie een punt wil verplaatsen, moet de coördinaten opheffen. Het “nu” uitschakelen was een fluitje van een cent. Om het “hier” weg te werken, hoefden we datgene wat we wilden verplaatsen – naar alle waarschijnlijkheid zou dat een menselijk wezen zijn, met andere woorden een individu – alleen maar in een toestand van gewichtloosheid te brengen. Voor het “ik” lag het een stuk moeilijker. Hoe kun je een mens zijn ik-besef ontnemen zonder zijn psychisch evenwicht te verstoren?’ ‘Die scrupules had ik van u niet verwacht.’ ‘Het waren geen scrupules. Zonder een geestelijk gezonde reiziger had die reis geen enkele zin. Dat spreekt vanzelf.’” Net zoals het vanzelf spreekt dat het “aforisme van Marnix”, waarnaar eerder genoemde Celsius verwijst, een variant is op Schrödingers kat: “Tussen wat gebeurd is en wat niet, is er evenveel verschil als tussen plus en min nul”.

Nah ja, los van het interessante ideetje over voorgeslacht en nageslacht dat Celsius later in het boek nog naar voor brengt, reden waarom schrijfster A.N. het boek geschreven heeft, is het gepruts met de tijd ook niet de essentie van de honderdveertig bladzijden durende dialoog (het is alleen hinderlijk als je hibiscus water nodig heeft). Die essentie zit hem, volgens mij toch, veeleer in de verschillende ook heden ten dage belangrijke filosofische onderwerpen langs waar dat gesprek holderdebolder passeert. Bijvoorbeeld de vraag waarom Pompeï uitgerekend aan de voet van die vulkaan werd gebouwd en waarom precies die stad – “de verfijndste en luxueuste” – er aan moest geloven. Of rijken die bij zo’n gelegenheden omkomen stakkers zijn, of een verwoesting niet ook “een kwestie van geluk” kan zijn, of het – áls je dat kan – geoorloofd is mensen op te offeren om dingen te redden voor de toekomst, of openlijke tirannie niet beter is dan verholen tirannie, of het niet méér schade veroorzaakt een bevel dat onlogisch is niet op te volgen dan om het wél op te volgen. Of huwelijkscontracten voor een beperkte termijn niet beter zijn dan voor een in principe ‘eeuwige’ termijn (Celsius vindt uiteindelijk van niet), of liefde wel verantwoord is, of oorlog dat kan zijn (A.N. vindt van niet en daar heeft ze gelijk in). Of je iets aan den lijve moet ondervinden om er over te oordelen, of het anders benoemen van feiten die feiten ook verandert, of besluiten dat een niet-feit een feit wordt dat feit ook effectief kan doen ontstaan (iets waarop wereldverbeteraars allerhande in ieder geval altijd blijven geld inzetten). Of je het bestaan van wat dan ook kan bewijzen op basis van zuiver logische gronden, of het veroordelen van een misdaad iets verandert aan “de zaak”, en wat het verschil is tussen een statistiek en een moord: “Zelfs zogenaamd groothartige lui kunnen slechts honderd personen in hun hart sluiten, wat een record is, maar uw hart is piepklein, zoals dat van de meeste mensen. Ik zal u eens wat vertellen: in uw hart is hoogstens plaats voor vier personen. Anders gezegd, u bent alleen met het lot van die vier enkelingen begaan. Wat vijftig miljard onbekenden [ja, in de toekomst is er nóg meer volk op de planeet, noot van mij] wordt aangedaan, interesseert u niet! Daarom is het veel gemakkelijker om een genocide te plegen dan om een moord te begaan: geen mens is groothartig genoeg om zich het lot van vijftig miljard doden aan te trekken, terwijl ieders hart groot genoeg is voor een aan mootjes gehakte vrouw.”

Allemaal serieuze zaken, natuurlijk, maar dat belet niet dat het geheel (die dialoog op het scherp van de snede) – zoals gezegd – zeer grappig is en dat er bij momenten zelfs passages in dit boek staan waarvan je ook zonder de context strike gaat liggen: “‘De struisvogel heeft de kip verdrongen. Ze worden gekweekt in fabrieken: elk dier legt twee kilo eieren per dag. Het rendement is dus veel hoger dan bij kippen.’ ‘Kunnen die arme beesten in uw fabrieken de kop in het zand steken?’ ‘In geen geval. De vloer is van virtueel beton.’ ‘Zo, is zelfs het beton virtueel tegenwoordig? Stuur me naar 1995 terug.’”

Een schrijfster die nergens macht over heeft, kan in ieder geval de macht hebben over andermans lachspieren: “‘(…) Ik had geen macht.’ ‘U had toch de macht om de mensen de ogen te openen? U was schrijfster: kon u dan geen boek wijden aan de ramp die u boven het hoofd hing?’ ‘Ik schreef een ander soort boeken.’ ‘Wat een antwoord! U doet me aan Braham denken, de eenentwintigste-eeuwse romancier die de ellende van zijn volk niet wilde beschrijven, zogenaamd omdat hij niet wist hoe hij hun familienamen moest spellen!’ ‘Zijn volk? Welk volk?’ ‘Dat gaat u niet aan. We hadden het over uw eeuw. Zo, dus u “schreef een ander soort boeken”. Welke dan wel, als ik vragen mag?’ ‘Wel… eh… dat is moeilijk te zeggen.’ ‘Stamel niet zo en verklaar u nader. Waar handelden uw boekjes over?’ ‘Handelden? Het waren geen verhandelingen. Ik schreef verhalen waarin allerlei dingen gebeurden.’ ‘Verhalen waarin allerlei dingen gebeurden! Wat een fijnzinnige literatuurbeschouwing!’ ‘Jazeker. Joubert, een uitmuntend moralist die bevriend was met Chateaubriand, schreef: “Een sterk boek is een boek waarin je vele dingen kunt behandelen.”’ ‘Hoe langer hoe beter. Ik zie dat u tot de intellectuele elite van uw generatie behoorde.’ ‘U moet niet met Joubert spotten. Het is gewoon niet verheven genoeg voor u.’ ‘En uw boeken zijn nog minder verheven, als ik u goed begrijp?’ ‘O, ik was dol op malle fratsen en vulde er mijn boeken mee van voor- tot achterplat.”

Daarmee en met een stevige portie filosofie in dit geval, wat toch maar weer eens mooi bewijst dat die twee best kunnen samengaan.

Björn Roose

dinsdag 20 december 2022

Met angst en beven – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)

Met angst en beven – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)
Op het einde van deze uitgave van Met angst en beven is behalve enige Uitspraken over haar werk, uitleg over de Thematiek, en een Bibliografie, ook een (zeer beknopte) Biografie toegevoegd, die besloten wordt met de zinnen: “Ze [Amélie Nothomb dus, noot van mij] is in elk geval een schrijfster en een mediafiguur die door sommigen aanbeden en door anderen verguisd wordt. Ze heeft heel veel succes bij (vooral jonge) lezers en krijgt van jury’s en critici allerlei prijzen”. Bij mij vallen er natuurlijk geen prijzen te halen (ik ben dan ook maar een gewone lezer, geen jurylid of criticus), ik val volgens de meeste mensen niet meer in de categorie “jong” (al kan daarover gediscussieerd worden), en ik heb geen ervaring met het aanbidden van wie of wat dan ook, maar laat duidelijk zijn dat ik geen enkele reden heb om Amélie Nothomb te verguizen, in tegendeel. Dat ik met dit boek aan mijn tweede boek van haar in nog geen half jaar tijd toe ben – het eerste was Zwavelzuur – zegt ter zake niks (er zijn auteurs waarvan ik zo ongeveer het ene boek na het andere gelezen heb om ze vervolgens allemaal af te voeren naar de zolder), maar dat ik vorige week toch zeer blij was het te kunnen vinden, wél.

Met angst en beven was namelijk het eerste boek (boekje eigenlijk, want het is amper honderd bladzijden dik) dat ik ooit van Nothomb las en het bleef me – met uitzondering van de titel – altijd bij. Zó bij dat ik het nóg eens wou lezen, maar niet zo bij dat ik me er meer van herinnerde dan dat ik het grappig vond. Zoals ik in mijn bespreking van haar De hongerheldin schreef: “Ik kan me eerlijk gezegd niet meer herinneren wanneer ik voor het eerst een boek las van jonkvrouw Fabienne Claire, kortweg Amélie, Nothomb. Maar het is járen geleden en het eerste verhaal er in (ik herinner me vagelijk dat het om een bundel ging) handelde over haar tijd in dienst van een Japanse firma. Ik vond het in ieder geval bijzonder grappig”. Ik ben nog altijd niet zeker of ik het verhaal destijds als deel van een bundel gelezen heb, maar ik weet nú wel dat het verhaal – zoals wel méér verhalen van Nothomb – behalve bijzonder grappig eigenlijk ook bloedserieus is.

Daarvan moge een passage – gevolgd door een verdere uitwijding over het thema, die ik hier helaas niet in zijn geheel kan weergeven – als deze getuigen: “Fubuki was Satan noch God: ze was gewoon een Japanse. Niet alle Japanse vrouwen zijn mooi. Maar als een Japanse mooi is, dan kunnen de anderen het wel schudden. Mooie vrouwen zijn altijd aangrijpender. Ten eerste omdat die lelieblanke teint, die zachte blik, die weergaloze neusvleugels, die welgevormde lippen en die onbegrijpelijk zachte trekken de fraaiste gezichten in de schaduw stellen. Ten tweede omdat hun houding die schoonheid stileert en in een kunstwerk verandert dat het verstand te boven gaat. En last but not least omdat een schoonheid die zoveel lichamelijke en geestelijke beperkingen, zoveel verplichtingen, tegenwerking, absurde verbodsbepalingen, dogma’s, dwingelandij, pesterijen, sadisme, doodverklaringen en vernederingen heeft overleefd – zo’n schoonheid dus, een wonder van heroïsme is. Niet dat Japanse vrouwen zielenpoten zijn, wel integendeel. Van alle vrouwen ter wereld zijn ze heus niet het slechtste af. Hun macht is aanzienlijk, en ik kan het weten. Nee, als Japanse vrouwen bewondering verdienen – en dat verdienen ze – is het omdat ze geen zelfmoord plegen”.

Die passage mag behalve van ernst uiteraard ook getuigen van kennis. Nothomb heeft, mede omdat ze in Japan het eerste deel van haar jeugd heeft doorgebracht (ze werd er ook geboren in Kobe – “mijn hart klopte voor die streek, sinds ik op mijn vijfde van de Japanse bergen was verhuisd naar de Chinese woestenij. Die eerste verbanning had me zo sterk aangegrepen dat ik bereid was alles voor lief te nemen, als ik maar terug kon keren naar dat land, dat ik zo lang als mijn bakermat had beschouwd”), duidelijk doorzicht in de Japanse cultuur, en als ze het nog niet had toen ze ging werken voor de firma Yumimoto (een verzonnen naam, voor de duidelijkheid), dan kreeg ze het daar wel: “Het was de normaalste zaak van de wereld dat een nieuweling in een Japans bedrijf begon met de ‘ôchakumi’ – het inschenken van de eerbiedwaardige thee”; “(…) de meest autoritaire systemen leiden, in de landen waar ze ingevoerd zijn, tot de meest hallucinante gevallen van afwijkend gedrag – en bijgevolg ook tot een betrekkelijk grote verdraagzaamheid tegenover de bizarste menselijke gedragingen. Wie nog nooit een Japanse excentriekeling heeft ontmoet, weet niet wat een excentriekeling is (…) In Japan weten ze wat ‘doordraaien’ betekent”; “Een Japanner die zijn oprecht gemeende excuses aanbiedt, dat gebeurt ongeveer een keer in de honderd jaar”; en, ten slotte, “De vorm verklaarde een heleboel aspecten van de Japanse geschiedenis. Om een einde te maken aan dat afschuwelijke gebrul was ik tot de gruwelijkste dingen in staat geweest: Mantsjoerije binnenvallen, duizenden Chinezen over de kling jagen, zelfmoord plegen in naam van de keizer, me met mijn vliegtuig op een Amerikaans pantserschip storten en misschien zelfs voor twee Yumimoto-bedrijven werken”.

Maar één was al meer dan voldoende. Van zodra ze daar aan de slag gegaan is, begint ze immers ook de race naar de bodem, een bodem die ze – al bevindt die zich dan op de vierenveertigste verdieping – bereikt op zo’n drievierde van het boek, alwaar ze ook een samenvatting geeft van haar carrière tot dan toe (over het eerste deel daarvan heeft ze het overigens ook in De hongerheldin): “Als kind wilde ik God worden. Al spoedig zag ik in dat dit te hoog gegrepen was en deed ik wat wijwater bij de miswijn: ik zou Jezus zijn. Ik besefte al gauw dat ik te ambitieus was en nam er genoegen mee om later, als ik groot zou zijn, voor martelares te ‘spelen’. Als volwassene besloot ik het minder megalomaan aan te pakken en als tolk voor een Japans bedrijf te gaan werken. Dat was helaas te veel gevraagd en ik moest een stapje terugzetten om boekhoudster te worden. Er was echter nog geen einde gekomen aan mijn pijlsnelle afdaling van de maatschappelijke ladder. Ik werd dus overgeplaatst naar een functie van niks. Jammer genoeg was niks nóg te goed voor mij – ik had het kunnen weten. Toen kreeg ik mijn ultieme job: de plee schoonmaken”. De toiletten op de vierenveertigste verdieping worden dus “de plaats van (…) [haar] promotie” en in die toiletten brengt ze vervolgens de zeven maanden door die ze nog te gaan heeft tot het einde van haar één jaar durende contract. Zeven maanden die ze, naar eigen zeggen, nooit als vernederend heeft ervaren, maar die ze voor een groot deel doorbracht met haar “voorhoofd tegen het glas te drukken en uit het raam te springen. Ik ben de enige persoon ter wereld wie dit wonder is overkomen: die defenestraties hebben me het leven gered. Tot op heden moeten er in de hele stad stukjes van mijn lichaam te vinden zijn”.

Als ze uiteindelijk haar ontslag geeft, omdat ze vond dat ze “niet doodleuk de avond van de zevende januari [kon] afwachten en naar huis gaan”, maar “de traditie in ere wilde houden” en dus haar “ontslag [moest] indienen bij al (…) [haar] meerderen”, moet ze dat ook nog doen zonder “de goede betrekkingen tussen belgië en het land van de rijzende zon (…) in gevaar [te] brengen”, want dat heeft haar vader, belgisch ambassadeur Patrick Nothomb, haar opgedragen: “Ik mocht dus niet suggereren dat een Japanner in het bedrijf me onheus behandeld had. Ik mocht alleen redenen aanvoeren – want ik zou moeten verantwoorden waarom ik die florissante betrekking eraan gaf – die in de eerste persoon enkelvoud waren geformuleerd”.

Daar slaagt ze niet helemáál in, maar laat ons wel wezen, ze heeft haar parcours ook niet helemáál aan zichzelf te danken: van een tolk een boekhouder maken is vanwege het management (dat misschien iets zou hebben aan Het ministerie van werkplezier van Ilse Ceulemans) ook geen briljante beslissing. Talenknobbels en wiskundeknobbels mogen dan al – zie daarvoor mijn op komst zijnde boekbespreking van De botten van Bach van Jan Huijbrechts – een product van de fantasie zijn, Amélie Nothomb heeft die laatste zelfs met de best werkende fantasie ter wereld niét: “Mijn Danaïdenvat werd onophoudelijk gevuld met cijfers, die vervolgens door de gaten in mijn hoofd weglekten. Ik was de Sisyphus van de boekhouding en zoals de mythische held gaf ik de moed nooit op, deed ik de onontkoombare berekeningen wel honderd, misschien wel duizend keer over. Ik ben het overigens aan mijn eer verplicht om de volgende merkwaardigheid niet onvermeld te laten: ik zat er duizend keer naast, wat net zo verbazend zou zijn als repetitieve muziek, als mijn duizend fouten niet elke keer verschillend waren geweest. Eenzelfde berekening leverde duizend verschillende uitkomsten op. Ik was geniaal.”

Waarmee we, als die uit de voorafgaande citaten nog niet duidelijk geworden was, toch bij de humor van de auteur uitkomen. Nooit boertig, altijd subtiel. “Ze heeft een eigen stem en die spreekt een taal die een heel grote beheersing van het Frans verraadt”, luidt het in het al eerder genoemde stukje Thematiek op het einde van deze bij Malmberg in 2006 als Boektopper verschenen editie, maar de vertaler lijkt dan toch ook zeer goed zijn werk gedaan te hebben. “Ze stond tegen me te praten en ik genoot van de klank van haar lieflijke en begripvolle stem. Ze liet me ordners zien, legde me uit waar ze voor dienden en glimlachte. Ik was me er niet van bewust dat ik niet naar haar luisterde”, zegt Nothomb op pagina acht. “De hoeveelheid geld die omging bij Yumimoto, ging het menselijk begrip te boven. Naarmate de nullen zich aaneenregen, verlieten de bedragen de wereld van de getallen voor die van de abstracte kunst”, klinkt het op pagina tien. “We keken elkaar verbluft aan. Van mijn kant was dat heel normaal: eindelijk kreeg ik de god van Yumimoto te zien. Wat hem betreft was het minder evident: wist hij eigenlijk wel dat ik bestond? Kennelijk wel, want hij riep, met een buitengewoon welluidende, voorname stem: ‘U bent ongetwijfeld Amélie san!’”, schrijft ze op pagina eenenvijftig. “Zijn Nederlandse nationaliteit was een pluspunt: die zo goed als Duitse origine compenseerde het feit dat hij een blanke was”, geeft ze op pagina eenenzestig mee over ene bij haar bazin in de smaak vallende Piet Kramer. “Ze kwam dreigend op me af. In haar rechteroog zag ik Hiroshima en in haar linker Nagasaki”, zegt ze over diezelfde bazin weer tien bladzijden verder.

Ik ben geneigd hier nog even door te gaan over haar brokkenparcours bij Yumimoto – vooral omdat het, los van ongetwijfeld aanwezige, dichterlijke vrijheden, toch gebaseerd is op waar gebeurde feiten –, maar ik laat een nadere kennismaking daarmee toch maar aan de lezer over. Ik ga het dus niet hebben over Nothombs kennis van de Japanse taal (té goed om goed te zijn), haar kennis van de Duitse taal (gebrekkig, minstens wat de term GmbH aangaat), haar neiging om het werk van een ander op zich te nemen, de jaloezie van haar bazin en – desondanks – Nothombs medeleven met haar, noch over haar enige kans op werkelijke promotie, maar nog slechts over twee dingen. Twee – voor mij dan toch – verwijzingen naar verdere literatuur. Op pagina zevenenveertig las ik er een naar het door mij recent besproken De Meester en Margarita van Michail Boelgakov: “Pontius Pilatus wist ook niet dat hij bijdroeg tot de triomf van Christus”. Op pagina veertien las ik dan weer: “Als de taal een woud was, kon ik de reusachtige Japanse ceders – die in het Frans ‘cryptomères’ oftewel ‘cryptomoeders’ heten, wat in dit geval bijzonder toepasselijk is – misschien verstoppen achter de Franse beuken, Engelse linden, Latijnse eiken en Griekse olijfbomen”. Iets wat u wellicht niks zal zeggen, maar wat mij deed denken aan het allerlaatste, tot dit jaar nooit vertaalde, deel van de stripserie Schipbreuk in de tijd (van de hand van Paul Gillon), Le Cryptomère. Nooit geweten dat dát de Franse benaming voor een Japanse ceder was. Misschien ontdek ik dat dus wel opniéuw als ik binnen zoveel jaar nóg eens Met angst en beven lees…

Björn Roose

vrijdag 26 augustus 2022

Zwavelzuur – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)

Zwavelzuur – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)
Ik schreef bij mijn vorige boekbespreking, die van De tranengoochelaars van Lázló Darvasi, dat ik dat boek ter hand had genomen kort voor ik deze zomer op reis vertrok. Dat klopte, maar wat ik er u niet bij vertelde, is dat dat boek – zoals wel vaker gebeurt – al uit was vóór ik uiteindelijk de auto instapte om andere oorden te gaan bezoeken. Goed dat ik daar op voorzien was en in mijn koffer ook nog volgende stukken leesvoer meenam: De veerman en de jonkvrouw van Filip De Pillecyn, Reizen van toen – Met de automobiel door Frankrijk van Cyriel Buysse, Graaf Frederik of De beste van alle werelden van Hans Jörgen Lembourn, en voorliggend Zwavelzuur van Amélie Nothomb. Perfect idee, zo bleek, want ondanks het feit dat reizen voor mij nooit platte rust betekent en eigenlijk nauwelijks extra tijd oplevert om te lezen, kwam ik met nog slechts een paar bladzijden te lezen over terug thuis. En dus uiteraard ook met een vrachtje boeken te bespreken.

Wat dat van Amélie Nothomb betreft: dat is niet het eerste dat ik in mijn besprekingen aan de beurt laat komen, die eer was voorbehouden aan De hongerheldin, maar wat gold voor dat laatste boek, dat ik besprak in december 2020, geldt ook voor Zwavelzuur: het leest als een trein. Reken daarbij het feit dat het boekje, uitgegeven bij Manteau/De bezige bij in 2006, amper 160 bladzijden in vrij grote druk telt en u begrijpt dat ik al na amper twee avonden aan een van de andere meegebrachte boeken toe was. Met enige spijt weliswaar, want behalve dat het vlot las, was het ook ongemeen boeiend.

Ik ben nauwelijks thuis in televisieprogramma’s – ik heb een toestel om af en toe een video op te kijken, maar geen abonnement, antenne of wat dan ook, en dat al meer dan een decennium –, maar weet uit de laatste jaren dat ik nog wel af en toe televisie keek en uiteraard van de verhalen van vrienden en collega’s (die het wel een beetje vreemd vinden dat je zonder televisie je dagen weet te vullen, maar toch graag over wat er op de kijkbuis is lullen) nog wél wat zogenaamde realityprogramma’s zijn, en over zo’n programma heeft Nothomb het in Zwavelzuur. Dixit de achterflap: “In de veertiende roman van Nothomb is een concentratiekamp de setting van een realityprogramma. De slachtoffers worden door de programmamakers van de straat geplukt, de kapo’s zorgvuldig geselecteerd op brutaliteit en meedogenloosheid”. Nu ja, concentratiekamp… Het is inderdaad niet de bedoeling dat wat er aan gevangenen ingaat er weer levend uitkomt, maar het is ook niet de bedoeling dat ze zo vlug mogelijk het hoekje om geholpen worden, want de kijkers moeten er ook nog wat aan hebben en de makers kunnen niet blijven slachtoffers van de straat plukken. Iedere dag worden er dus op een of andere manier mensen van tussen de onvrijwillige spelers gehaald (de kapo’s zijn vrijwilligers), maar intriges krijgen wel de kans zich te ontwikkelen, in het bijzonder die tussen de twee hoofdpersonages: “Zdena, een ‘lelijk’ meisje uit een lager milieu, heeft geen vrienden en krijgt in haar leven geen kansen; ze wordt als meest opvallende kapo door de camera’s op de voet gevolgd. Pannonique is een ‘engel’, een mooi meisje, welopgevoed, intelligent. Als gevangene wordt ze het mikpunt van de spot, de haat én de liefde van Zdena”. “Het publiek krijgt er niet genoeg van”, aldus nog steeds de auteur van de achterflap, en de lezer wil er, begeleid door de commentaar van Nothomb, die zorgt dat je ook te weten komt wat zich buiten het kamp afspeelt, eigenlijk wel uit, maar is ter gelijker tijd razend benieuwd hoe dit afloopt.

Niet met het naar huis stemmen van de kapo’s, voor alle duidelijkheid, en ook niet met een happy end voor alle gevangenen, maar het loopt nu ook weer niet precies af zoals dat ándere boek over een moordend realityprogramma dat ik decennia geleden las, maar nooit vergeten ben: The running man van Stephen King, die onder het pseudoniem Richard Bachman met dit verhaal, The Long Walk, Roadwork en Rage, in het Nederlands verzameld in de omnibus 4 x Stephen King, wat mij betreft zijn beste werk schreef. En… “de kijker” krijgt in het realityprogramma van Nothomb inspraak, niet alleen door zijn “kijkgedrag”, maar uiteindelijk ook door zogenaamde televoting:“‘(...)U bepaalt zelf wie mag blijven en wie niet’. Het woord ‘dood’ werd angstvallig vermeden”. Amélie Nothomb schrijft immers over, om nog een laatste keer de achterflap aan te halen, “de macabere spelletjes van deze hedendaagse kermis van vermaak” en doet dat, zoals eveneens aangegeven, “met haar gebruikelijke gruwelijke humor”, zij het dat die humor deze keer wel erg diep onder de oppervlakte zit. Wie zijn boek met deze zinnen begint, heeft niet de intentie er een grapje van te maken: “Op een gegeven moment was andermans leed hun niet meer genoeg. Ze wilden het ook op de televisie zien. Om het even wie kon opgepakt worden. De razzia’s werden om het even waar gehouden en ze namen iedereen mee, zonder uitzondering. Het was voldoende dat je een mens was.”

Da’s bittere maatschappijkritiek, net zoals Nothomb die héél gevat weergeeft op zoveel andere plaatsen in dit boekje, waarvan je aan het eind eigenlijk spijt hebt dat het al uit is. Over mensen die verblind worden door de camera: “Voortaan zou ze kunnen zeggen dat ze bij de televisie werkte. Als ongeschoolde had ze nu op haar twintigste haar eerste baan gevonden: eindelijk zou haar omgeving haar niet meer uitlachen”. En: “Zij veroordelen me tenminste niet. Het bewijs is dat ze me betalen. En goed ook. Één vergissing per zin: de bazen keken neer op Zdena. Ze betaalden haar met misprijzen. En ze werd slecht betaald”. Over de prioriteiten van programmamakers: “‘Waar het om gaat is dat we respect hebben voor de kijkers’” (niet voor de slachtoffers dus). Over de voorwendselen van wie aan de “goede” kant van het geweer terechtkomt: “‘Weet u, ik denk dat die mensen niet voor niets gevangenzitten. U kunt zeggen wat u wilt, maar ik geloof dat het geen toeval is als je bij de zwakkeren terechtkomt”. Over de mensen die alleen maar kijken (of doen wat de ‘experten’, de politici hen zeggen, zeg maar): “‘De politici zijn een emanatie van het publiek. Wat de organisatoren betreft, dat zijn hyena’s die alleen maar handig inspelen op ondeugden, dat wil zeggen op alles waar een markt voor bestaat die hun geld opbrengt. De kijkers zijn schuldig aan het creëren van een markt die deze mensen geld opbrengt.’ ‘Denkt u niet dat het de organisatoren zijn die een markt creëren, zoals reclamejongens een behoefte creëren?’ ‘Nee. De verantwoordelijkheid ligt uiteindelijk bij degene die er geen been in ziet om naar een schouwspel te kijken waar je zo gemakkelijk nee tegen kunt zeggen.’” En over de reusachtige hypocrisie van diezelfde kijkers én de commentatoren: “‘Jullie zijn allemaal weerzinwekkend. Hoe groter jullie verontwaardiging, hoe massaler jullie kijken.’ Die schandelijke paradox werd door alle media overgenomen en uitentreuren herhaald.”

Maar ook over waarom beulen en administraties mensen liefst zien als een dossier, als een nummer: “Het is niet voor niets dat mensen geen nummers maar namen hebben: de voornaam is de sleutel tot het individu. Het is de zachte klik van het slot waarmee we ons toegang verschaffen tot de ander. Het is de metalen klank die overgave mogelijk maakt. Het nummer is voor het kennen van de ander wat het identiteitsbewijs is voor het individu: niets”. Of: “‘Het merkwaardigste woord in deze zin’, schreef een journalist, ‘is “ik”. Dat meisje, dat voor onze verbijsterde ogen blootstaat aan de allerergste gruwel, aan ontmenselijking, vernederingen, extreem geweld, dat meisje dat we zullen zien sterven, dat ten dode opgeschreven is, heeft nog voldoende eigenwaarde om een zin te beginnen met een triomfantelijk “ik”, een bevestiging van haar eigen identiteit”. Een naam en een persóónlijk voornaamwoord, geen nummer, geen politiek correcte uitdrukking van wat dan als maakbaar beschouwd wordt (je geslacht) in een wereld waarin je verder vooral geacht wordt behalve een “burger” een product te wezen (wie kent de slogans niet waarin mensen beweren dat ze pakweg Adidas zijn?), het besef dat je een individu bent, dat is de enige waardigheid die je uiteindelijk over kan houden, ook en zeker tegen de door politici en allerlei ‘experten’ geclaimde “we” in.

Nothomb geeft trouwens ook blijk van het feit dat ze zich heeft ingelezen in de materie. Via de gevangenen verwijst ze naar Romain Gary, naar Tahar Djaout, maar ze kan niet nalaten bij die mensen ook nog uitleg te geven in voetnoten, wat nauwelijks past bij de stijl van het boek, maar op zich ook weer de lezer kan aanzetten tot verder lezen. Daar lijken ook goede redenen toe: Romain Gary - door Nothomb aangeduid als “Franse schrijver”, maar als Roman Kacew geboren in de Litouwse stad Vilnius (toen nog Russisch overigens) en pas op zijn elfde samen met zijn moeder vanuit Warschau naar Frankrijk geëmigreerd – was na Operatie Overlord (hij schreef trouwens mee aan het scenario van The Longest Day) Duits krijgsgevangene en had het in een van zijn werken over de manier waarop hij en zijn collega-gedetineerden omgingen met hoe ze “in meelijwekkende wilden, in zieke beesten veranderden”; Tahar Djaout was een Algerijnse journalist die in 1993 vermoord werd door het Front Islamique du Salut en van wie volgende uitspraak bekend is: “Als je spreekt, dan sterf je. Als je zwijgt, dan sterf je. Dus spreek en sterf.”

En toch… Toch kwam ik onderweg in dit boek iets tegen dat me een dwaling leek: “Het was vreselijk om te beseffen dat het slechtste wezen in deze hele affaire bij het kamp van de gedetineerden hoorde en niet bij dat van de schurken. Logisch was het wel, want de duivel is datgene wat tweedracht zaait. ZHF 911 oefende een verlammende invloed uit op hun kamp, dat zonder haar wellicht dat van de goeden zou zijn geweest, terwijl het door haar schuld hooguit een meelijwekkend, door interne twisten verscheurd zootje ongeregeld was.” Terwijl ik altijd van oordeel ben geweest dat net een gebrek aan verdeeldheid, een te hoge mate van eendracht, er voor zorgt dat mensen die door daartoe geplaatste personen (weerom: politici, ‘experten’) aangeduid worden als schadelijk voor “de maatschappij”, voor “we”, voor “de volksgezondheid”, uiteindelijk in gedwongen isolatie (al dan niet gegarandeerd via apps en testen), gevangenissen en ten slotte concentratiekampen terechtkomen. Die Reihen fest geschlossen is als frase nu eenmaal niet verdwááld in het Horst-Wessel-lied, maar integraal deel van elke ideologie die neigt naar de One Vision waarover Queen het had en waarvan de tekst door Laibach in het cover-nummer Geburt einer Nation in het Duits vertaald werd: “Ein Fleisch, ein Blut,/ ein wahrer Glaube./ Eine Rasse und ein Traum,/ ein starker Wille./ So reicht mir eure Hände,/ und gebt mir eure Herzen./ Ich warte./ Es gibt nur eine Richtung,/ eine Erde und ein Volk./ Ein Leitbild./ Nicht Neid, nicht Streit./ Nur die Begeisterung./ Die ganze Nacht/ feuren wir Einigung./ Ein Fleisch, ein Blut,/ ein wahrer Glaube./ Ein Ruf, ein Traum, ein starker Wille/ Gebt mir eine Nacht./ Gebt mir einen Traum./ Nichts als das:/ ein Mensch,/ ein Man,/ ein Gedanke,/ eine Nacht,/ ein-mal”.

Enfin, ik eindig met een meer technisch puntje van kritiek: één keer komen we in het decor terecht, in de aanvankelijke opzet van het boek. Kennelijk was er in dat opzet nog sprake van innerlijke dialogen, van niet uitgesproken ik-stukken, van gedachten kortom die rechtstrééks aan de lezer werden kond gedaan. Op pagina 130 krijgen we daarmee na een beschrijving van wat Zdena (“ze”) denkt en voorafgaand aan een volgend stuk beschrijving van wat Zdena (“ze”) denkt het denken zélf van Zdena: “Het ergste is nog dat ik ondanks dat nog steeds van haar hou. Het lijkt wel of ik haar nog aantrekkelijker ben gaan vinden. Sinds ze zo moeilijk doet over iets dat zo weinig moeite kost, verontwaardigd reageert alsof ik haar had gevraagd haar vader en haar moeder te verraden, ben ik dodelijk verliefd op haar.” Dát lezend, kan ik alleen maar blij wezen met de beschrijvende stijl die Nothomb uiteindelijk heeft gekozen, want dít zou beslist niet zo goed gewerkt hebben. In tegenstelling tot wat geldt voor het boek zoals het er nu ligt.

Topper!

Björn Roose

dinsdag 27 april 2021

Groepsfoto met dame – Heinrich Böll (boekbespreking door Björn Roose)

Groepsfoto met dame – Heinrich Böll (boekbespreking door Björn Roose)
Een tijdje geleden besprak ik hier al Biljarten om half tien van dezelfde schrijver. Ik kan me dus weer eens de voorstelling van de schrijver besparen, maar kan er meteen wél bij zeggen dat Groepsfoto met dame een totaal ander boek is. Ja, uiteraard, denkt u nu wellicht, anders zou het toch weinig nut hebben het ene te lezen als je het andere al gelezen hebt. Maar da’s dan ook niet wat ik bedoel en dus handel ik ineens ook uw tegenargument af: met “een totaal ander boek” bedoel ik dat het totaal anders geschreven is. Als je zou zeggen dat hier een andere schrijver aan het werk geweest is, zou ik het geloven. Nu “moet” ik nog een derde boek van Heinrich Böll lezen, Meningen van een clown, maar zelfs als hij daarin niet nóg eens zo’n kameleon-act opvoert, durf ik stellen dat Böll een groot schrijver is en die Nobelprijs voor Literatuur dik verdiend heeft.

Kenners van het oeuvre van Böll zullen bij het lezen van de titels Biljarten om half tien, Groepsfoto met dame, en Meningen van een clown, misschien denken aan een omnibus uitgegeven door De Boekerij (Amsterdam) in een onbekend jaar en ze hebben daarin gelijk: ik heb eigenlijk maar één boek van Böll in mijn bibliotheek zitten, zijnde die in een onbekend jaar uitgegeven omnibus. Maar de verschillende verhalen daarin verdienen – en daarover is mijn mening na het lezen van het tweede dus zeker niet veranderd – elk een boekbespreking, vandaar.

En de dame uit Groepsfoto met dame verdiende dus een boek. Daarin speelt ze uiteraard de hoofdrol, maar speelt ze nauwelijks een rol. Ze is passief aanwezig, onderwerp van gesprek. Ze presteert niet, wil dat ook niet, en zelfs als ze de kans krijgt actief aanwezig te zijn, omdat de auteur haar die kans biedt, grijpt ze die niet. “Wie is eigenlijk Leni Pfeiffer, geboren Gruyten, de dame op de groepsfoto?”, vraagt de schrijver van het omslag zich af. “Deze vraag wordt beantwoord, niet doordat de 48-jarige, gevoelige en goedwillende Leni zelf naar voren treedt, maar doordat er over haar wordt gepraat, opgerakeld en geroddeld. Zo’n vijftig getuigen worden aan het woord gelaten.” En via die getuigen “trekt Heinrich Böll van leer tegen alles wat hij verkeerd acht in de maatschappij en legt hij de crisis in het mens-zijn bloot.” Mocht dat laatste u afschrikken, mocht u vrezen hier met een belerende, vingerwijzende, vingers in gapende wonden draaiende auteur te maken te krijgen, vrees dan niet langer: dat is niet het geval. Böll is eerlijk gezegd mild: mild voor pennelikkers, mild voor huisjesmelkers, mild voor partijcreaturen, mild voor rokkenjagers, mild voor mannenverslindsters, mild voor aanpakkers, mild voor mensen die zich drukken, mild voor ketters, mild voor nonnen, en mild voor zichzelf.

Voor zichzelf? Inderdaad, of toch minstens voor z’n alter ego, want Böll treedt als “schrijver” (schr.) veelvuldig op in z’n eigen verhaal. Hij “verhoort” de getuigen, hij reist van hot naar her, hij komt er af en toe – letterlijk – niet zonder kleerscheuren van af, hij is de samensteller van wat een klinisch verslag zou kúnnen zijn, maar dat niet geworden is. Hij is de agerende figuur, zelfs al bestaat dat ageren alleen maar in het luisteren naar en uithoren van anderen en brengt hij ook een, min of meer, afstandelijk verslag van zijn ander handelen als hij daartoe overgaat. Ik neem aan dat dat dat Böll niet alleen “post-war” maar ook “postmodern” maakt, maar dat zal me eerlijk gezegd worst wezen. De stijl werkt minstens voor Groepsfoto met dame; ik kan me er niet over uitspreken of hij voor nóg een boek misschien ook zou werken, eventueel op de zenuwen.

Over dat laatste gesproken: sla, mocht u ze in uw versie vinden, de inleiding van C.J.E. Dinaux, Een en ander over Leni en H.B. over, want die werkt wel degelijk op de zenuwen. Dinaux schreef kennelijk zelf gedichten en proza, “maar daarvan werd vrijwel niets gepubliceerd”. Terecht ook als het breedvoerige geleuter uit deze inleiding enige overeenkomst vertoont met de rest van zijn werk. Een zin als deze moge ter illustratie volstaan: “En hij is het des te meer en in het grootste van zijn schrijverschap doordat hij zijn thema krachtens de vormgeving ervan menselijk veralgemeende en zodoende een roman schreef die ten aanzien van plaats en tijd, van milieu en gebeurtenis, nu wel gesitueerd is in een tijdvak dat in zijn historische signatuur specifiek lijkt voor Duitsland tijdens enkele decenniën voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, maar – hoe paradoxaal dat ook schijnt – juist dóór het penetrante detail, door de intensiteit van de verbijzonderde gegevens, de menselijke situatie van deze tijd, deze crisis in het mens-zijn blootlegt, zó blootlegt dat men de zenuwen ziet trillen.” Als ik zoiets lees, dan gaan mijn zenuwen dus trillen en moet ik me verzetten tegen de neiging het boek dat ná die inleiding komt niét meer te lezen. Al goed dat ik een sterk karakter heb dus.

Zoals Leni Gruyten, het onderwerp van dat boek, maar dan zonder belangrijk genoeg te zijn om er een boek aan te wijden. Alhoewel, Böll (of z’n alter ego “schr.”) had z’n onderzoek naar Leni kunnen afronden na één paragraaf: “De vrouw die draagster is van de handeling in het eerste gedeelte is achtenveertig jaar, een Duitse; ze is 1,71 m lang, weegt 68,8 kg (in negligé) en ligt dus maar ca. 300-400 gram onder het ideale gewicht; ze heeft ogen die wisselen van donkerblauw naar zwart, ietwat grijsgeworden, heel dik, blond, loshangend haar; glad als een helm omgeeft het haar hoofd. De vrouw heet Leni Pfeiffer, ze is een meisje Gruyten van zichzelf; tweeëndertig jaar lang is ze, uiteraard met enige onderbrekingen, onderhevig geweest aan dat merkwaardig proces dat het arbeidsproces wordt genoemd: vijf jaar lang als ongeschoolde hulpkracht op het kantoor van haar vader, zevenentwintig jaar als ongeschoold arbeidster op een kwekerij. Doordat ze een aanzienlijk vermogen in onroerend goed, een voor onderverhuur geschikt, solide huis in het nieuwe stadsgedeelte dat vandaag de dag gemakkelijk vierhonderdduizend mark zou opbrengen, onder inflatoire omstandigheden lichtvaardig van de hand heeft gedaan, beschikt ze over nauwelijks voldoende middelen van bestaan sedert ze zonder enige reden en zonder daarvoor ziek of oud genoeg te zijn haar werk heeft opgegeven. Aangezien ze in 1941 eens drie dagen lang getrouwd is geweest met een beroeps-onderofficier van de Duitse weermacht, geniet ze een oorlogsweduwenrente; aanvulling hiervan door een sociale uitkering laat nog op zich wachten. We kunnen gerust zeggen dat het Leni momenteel – niet alleen in financieel opzicht – tamelijk beroerd gaat, vooral sedert haar geliefde zoon in de gevangenis zit.”

Dat Böll het niét bij die paragraaf gelaten heeft, maar vervolgens 350 bladzijden lang elk detail, elk stukje achtergrond, elk beetje gebrek aan kennis heeft ingevuld, is natuurlijk de hele essentie. Dat Böll dat, zoals gezegd, klinisch lijkt te doen, moge onder andere blijken uit zinnen als de volgende: “(…) volgens betrouwbare getuigenissen (getuige: Marja van Doorn) zit ze urenlang in haar huis te huilen, haar bindweefselzakjes en haar traanklierbuizen zijn volop in werking”. Op die tranen gaat schrijver later overigens nog door. Een aantal paragrafen over een hele rij emoties, vervolgens afgekort tot één letter en ook zo verder gebruikt in het boek, worden daar voorafgegaan door: “Aangezien schr. niet in staat is en zichzelf ongeschikt acht om te mediteren over tranen, kan men zich over het ontstaan van tranen, het chemisch en fysisch tot stand komen, het beste informeren in een naslagwerk dat men bij de hand heeft (...)”

Dat het verhaal Duits is en dat Böll geen moeilijkheden schuwt moge dan weer blijken uit, bijvoorbeeld, dit: “De buitenwereld zou Leni het liefst helemaal terzijde willen schuiven en zich van haar ontdoen; er wordt haar zelfs achternageroepen: ‘duvel op’, of ‘weg met jou’, en het is bewezen dat men er af en toe naar verlangt haar te vergassen, het verlangen daarnaar staat vast, of de mogelijkheid daartoe zou bestaan is schr. onbekend; hij kan er alleen nog maar aan toevoegen dat de wens heftig wordt geuit.” Of: “De stadswijk is ten gevolge van niet nader te onderzoeken toevalligheden van bommen verschoond gebleven, in ieder geval tamelijk verschoond; er werd maar 35 % verwoest, het lot was de buurt dus gunstig.” Of: “A.’s haar was objectief gezien – om zo te zeggen in kappersogen – verdomd mooi: dik, donker, met een natuurlijke golf. Dat het golfde gaf aanleiding tot talrijke speculaties, omdat het Pfeifferhaar – zoals bij Leni! – glad en strak was etc. etc. We kunnen als objectief vaststaand aannemen dat er vanaf de eerste dag van zijn geboorte te veel drukte werd gemaakt om deze Alois. Zoals precies overeenkwam met de Pfeifferse praktijken werd uit de nood snel een deugd gemaakt en ging hij door voor ‘onze zigeuner’, zulks alleen tot het jaar 1933, van toen af heette hij ‘klassiek westers-mediterraan’; schr. hecht waarde aan de constatering dat A. in geen geval een Keltisch type was, deze verkeerde duiding ligt voor de hand aangezien donker haar en lichte ogen bij de Kelten dikwijls voorkomen; A. miste gewoon – zoals nog zal blijken – de Keltische sensibiliteit en fantasie; wil men hem bepaald rassenkundig indelen dan verdient hij alleen de kwalificatie: mislukte Germaan.” Of, ten slotte: “Wat is dat voor een man, vraagt de steeds ongeduldiger wordende lezer zich beslist af, wat is dat voor een man die om zo te zeggen kuis leeft, aan oorlogsvoorbereidingen en aan de uitgebroken oorlog verdient, wiens omzet (volgens Hoyser) van ongeveer een miljoen per jaar in 1935 is gestegen tot een miljoen per maand in 1943 en die in 1939, als zijn omzet in ieder geval een miljoen per kwartaal moet hebben bedragen, alles in het werk stelt om te proberen zijn zoon te onttrekken aan die geschiedenis waaraan hij zelf rijk wordt?”

Dat het wel degelijk om een groepsportret gaat en niet alléén om de dame, moge ten slotte blijken uit het feit dat schrijver z’n getuigen à charge en à décharge bijna even goed beschrijft als de dame. Dat elk van die mensen op een of andere manier getuige is … getuigt immers van het feit dat hun leven beïnvloed is door de dame of haar leven door hen of beide door dat van de ander. Zo’n beetje zoals wijzelf ook beïnvloed worden door wat we lezen. En zoals wat we lezen beïnvloed wordt door onszelf. Zelfs onbewust, zo lijkt het af en toe, want eigenaardig genoeg bestaan er verbanden tussen boeken waar je die bij aankoop nooit zou vermoed hebben. Ik moest bijvoorbeeld héél sterk denken aan Amélie Nothombs De hongerheldin toen ik volgende passage las: “Leni was beslist in staat tot leren, ze had zelfs honger of dorst naar leren, en alle betrokkenen deden hun best haar honger resp. dorst te stillen. De geboden spijzen en dranken echter kwamen niet overeen met haar intelligentie, niet met haar aanleg, niet met haar opnamevermogen. In de meeste, we kunnen bijna zeggen in alle gevallen, ontbrak aan de aangeboden leerstof die zinnelijke dimensie zonder welke Leni niet in staat was iets te begrijpen. Schrijven bijv. gaf haar nooit de minste moeilijkheden, hoewel bij dit in hoge mate abstracte proces het tegendeel verwacht had kunnen worden, maar schrijven was voor Leni verbonden met optische, met tast- en zelfs met reukwaarnemingen (men denke aan de geuren van verschillende inkten, potloden, papiersoorten), en zo bracht ze het zelfs tot geslaagde gecompliceerde schrijfoefeningen en tot grammaticale finesse (…)”. Of aan Hondehart van Michail Boelgakov (en Dokter Zjivago van Boris Pasternak) bij volgende passage: “Intussen, terwijl Pelzer zijn rozen-zorgen had, liep Leni gevaar slachtoffer te worden van huisvestingsmaatregelen: de autoriteiten achtten de bezetting van een zevenkamerwoning-met-keuken-en-bad door in totaal zeven personen (meneer Hoyser sr., mevrouw Hoyser sr., Lotte met Kurt en Werner, Leni, Marja van Doorn) te gering.”

Nu, ik ben geen onmens (als u het boek ooit gelezen heeft of in de toekomst gelezen zult hebben – voor de duidelijkheid, ik heb me niét op de vooravond van Der Untergang gedistantieerd van wat dan ook - zal u weten waarnaar ik met die uitspraak verwijs), dus ga ik deze bespreking ook niet veel langer dan dit laten duren. Ik zou u nog kunnen wijzen op zéér sarcastische tussenkomsten van schrijver (“hier [is] een korte geografische schets op zijn plaats; het enkele malen genoemde Duitse Rijk was half maart ‘45 nog ongeveer 800-900 kilometer breed en niet erg veel langer”, bijvoorbeeld); op werkelijk gevoelige scènes zoals diegene die zich afspeelt in die bunker tijdens het bombardement van 2 maart 1945 tussen twee vrouwen en twee, waarschijnlijke, deserteurs; over de Persil-papiertjes (een gegeven waarbij ik moest terugdenken aan de ouderwetse, allicht gereconstrueerde Persil-reclamezuil die ik een aantal jaren terug in Duitsland zag); over ‘68ers (die klaarblijkelijk niet hetzelfde zijn als mei-’68ers) en de communistische propaganda van net na de Tweede Wereldoorlog; over joodse nonnen en hun kap over de haag gooiende nonnen; over happy endings (“massaal”, zoals schrijver schrijft) en minder happy endings; over psg. (prestatiestijging) en pwg. (prestatieweigering); en over nog zoveel dingen meer die ik verder had aangeduid in het boek.

Maar eigenlijk zou dat maar één doel dienen: u ertoe aanzetten dat boek te lezen. Dat moet u dan ook gewoon doen. Groepsfoto met dame is – en laat dat gezegd zijn van iemand die nog zóveel te lezen heeft dat ie het nooit meer allemaal zal gedaan krijgen – een must read. Punt.

Björn Roose

dinsdag 1 december 2020

De hongerheldin (Amélie Nothomb)

Björn Roose bespreekt - De hongerheldin (Amélie Nothomb)
Ik kan me eerlijk gezegd niet meer herinneren wanneer ik voor het eerst een boek las van jonkvrouw Fabienne Claire, kortweg Amélie, Nothomb. Maar het is járen geleden en het eerste verhaal er in (ik herinner me vagelijk dat het om een bundel ging) handelde over haar tijd in dienst van een Japanse firma. Ik vond het in ieder geval bijzonder grappig. Sindsdien heb ik voor mezelf een aantal van haar boeken tweedehands gekocht (Cosmetica van de vijand, Gods ingewanden, De spiegel van Mercurius, Filippica’s, Zwavelzuur en het voorliggende De Hongerheldin) en voor mijn vriendin (die de schrijfster gaarne leest) een aantal nieuw (vraag me niet welke), maar ben ik aan het lezen daarvan niet meer toegekomen. Waarom? Ach ja, te veel te lezen, te weinig tijd.

Sinds ik echter, met dank aan cojona, drie keer per dag ga wandelen en daarbij de gewoonte heb aangenomen tijdens dat wandelen ook nog te lezen, is mijn leestempo (dat eigenlijk al niet laag lag) sterk toegenomen. Wetende dat De hongerheldin leest als een trein, was dit boekje van een grote 200 bladzijden dan ook uitgelezen op een tweetal dagen tijd.

Plotseling herinner ik me trouwens ook – het boekje is al een tijdje gelezen, ik loop tig besprekingen achter – waarom ik De hongerheldin ter hand genomen heb en niet een van haar andere boeken: ik wou weer eens een autobiografie lezen, snuffelde met dat doel in het deel van mijn bibliotheek dat aan autobiografieën is voorbehouden en vond dit boekje – in het Frans overigens Biographie de la faim geheten – daarin terug. In dit werk vat, aldus de tekst op de achterflap, “Amélie voor het eerst in haar tienjarige schrijversloopbaan haar leven op een systematische manier samen. Haar bestaan wordt gekenmerkt door een niet te stillen honger. (…) Honger niet alleen naar eten maar ook naar een volheid van het eigen ik, want waar geen volheid is, liggen de leegte en de leegheid op de loer! Honger geeft richting aan ons leven en streven.”

“In haar jonge jaren”, zo gaat die achterflaptekst verder, “ziet Amélie alles zeer absoluut: haar vriendschappen doen bijna pijn, haar bewondering is grenzeloos en haar kritiek op de volwassenen en hun vreemde manier van leven is dodelijk. Haar lichaam wil ze plooien naar haar wil: de anorexia is een weloverwogen stap om haar anatomie te kennen en te bedwingen. Haar geest wil ze vormen via lectuur en haar geestdrift voor boeken kan het best als boulimie worden omschreven.”

Maar wie al ooit iets van Nothomb gelezen heeft, weet dat ze niet alleen “in haar jonge jaren (…) alles zeer absoluut [ziet]”. Net die absolute, en daarmee vaak absurde, kijk op dingen is wat haar voor mij interessant maakt. Alleen komt dat, als een auteur het over zijn kinderjaren heeft, over alsof hij zich nog zeer goed kan inleven in het gevoel/de sfeer die zo bepalend is voor iéders kinderjaren. Niemand is relativistisch als ie jong is. Iedereen is een solipsist.

En ja, de wereld draait om jou. Als de wereld dat niét doet, is de wereld fout. Wat niet belet uiteraard dat andere mensen ook wel eens denken dat de wereld om hén draait. Zo bijvoorbeeld de inwoners van Vanuatu, een eilandengroep in Oceanië. Deze werd in de 19de eeuw zo’n beetje onder de voet gelopen door Fransen en Engelsen (die er onder andere zo’n 40,000 mensen wegvoerden als slaven), kwam in 1906 (toen nog onder de naam die James Cook er in 1774 aan gaf, Nieuwe Hebriden) in gemeenschappelijk Brits-Frans bezit, maar slaagde er uiteindelijk in om zich in 1980, na jaren discussie over de mogelijkheid daartoe, onafhankelijk te laten verklaren. Aan dat soort “details” gaat Nothomb voorbij in haar “inleiding”: “Je denkt bij jezelf dat Oceanië het excentriekste gebied van de atlas is. Te midden van zoveel buitenissigheden valt Vanuatu op door zijn kleurloosheid. Het heeft geen enkel excuus: wie onder het gemeenschappelijke bestuur heeft gestaan van twee landen die elkaar zo’n eeuwenoude vijandschap toedragen als Frankrijk en Groot-Brittannië en er niet eens in geslaagd is ook maar één miezerig conflictje uit te lokken, geeft blijk van slechte wil. Wie zijn onafhankelijkheid heeft verworven zonder dat iemand ze betwist, is een tikkeltje zielig, vooral als dat feit geheel onopgemerkt voorbijgaat.”

Ook hier, los van haar kindertijd, die absolute kijk op de dingen dus. Een kijk die niet noodzakelijk strookt met de werkelijkheid, maar wel tot grappige teksten leidt. Zoals ook dit stukje uit hetzelfde hoofdstuk illustreert: “Maar zodra een voorwerp verveling opwekte, hoefde ik niet eens naar het onderschrift te kijken: het was steevast een kam – of een masker, of een beeld – afkomstig uit Vanuatu, die nauwelijks te onderscheiden was van de kammen – of maskers, of beelden – die te bezichtigen zijn in negenennegentig procent van de gemeentemusea met antiquiteiten over de hele wereld, waar je tot vervelens toe de eeuwige stukken silex en tandenkettingen te zien krijgt waarmee onze verre voorouders zo nodig hun grotten vol moesten stouwen. Ik heb altijd gevonden dat het net zo idioot is om dat soort dingen tentoon te stellen als wanneer de archeologen van de toekomst het in hun hoofd zouden halen om onze plastic vorken en kartonnen borden te exposeren.”

Maar goed, via de inleiding over Vanuatu komt Nothomb dus tot haar kinderjaren. En haar ouders. En dat eten, waarnaar de titel verwijst: “Papa is een martelaar als het op eten aankomt. Hij is iemand die ze tegen wil en dank hebben opgezadeld met een hongergevoel, dat vervolgens voortdurend beteugeld moest worden. Om het zwakke, gevoelige en ziekelijke jongetje dat hij was tot eten te dwingen, werd er zo’n emotionele chantage gepleegd dat hij de zaak van zijn vrouwelijke beulen – zijn oma van moederszijde in het bijzonder – ten slotte tot de zijne maakte en een buik cultiveerde die het hele universum kon verzwelgen. Die man hebben ze een gemene streek geleverd: ze hebben hem een obsessie met eten aangepraat en zodra hij daarmee behept was, werd hij voor de rest van zijn leven op dieet gezet. Dit absurde lot viel mijn arme vader te beurt: nooit komt hij aan zijn trekken.”

Eetstoornissen zitten dus in de familie. Maar ook het reizen. Want vader Patrick, op 17 maart van dit jaar overleden, was een diplomaat en diplomaten slepen hun gezin overal mee heen. En dat levert onder andere qua talenkennis eigenaardige zaken op bij de kinderen, zeker als je die zaken dan ook nog eens uitdrukt in culinaire termen: “Zelf sprak ik maar één taal: het Frapans. Degenen die dachten dat dit in werkelijkheid twee verschillende talen waren, gaven blijk van oppervlakkigheid. Ze bleven stilstaan bij details als woordenschat en syntaxis. Ondanks die bijkomstigheden hadden ze moeten inzien dat er objectieve punten van overeenkomst waren, zoals de Latijns klinkende woorden of de precieze grammatica, en vooral dat er een metafysische verwantschap bestond op een hoger niveau: ze waren een streling voor de tong. Wie zou het Frapans niet doen watertanden? De woorden met hun duidelijk van elkaar gescheiden lettergrepen en hun heldere klanken waren net sushi’s, bonbons of plakken chocola die je makkelijk in talige stukjes kon verdelen, het waren koekjes voor bij de theeceremonie, die individueel verpakt waren, zodat je ze fijn kon uitpakken en de verschillende smaken kon ontdekken. Ik had geen behoefte aan Engels, een taal die leek op een tot moes gekookt gerecht, een brij van slisklanken, uitgekauwde bubbelgum die van mond tot mond werd doorgegeven. Het Amerikaanse Engels had geen benul van rauw serveren, stoven, sudderen of stomen, maar alleen van koken. Het werd nauwelijks gearticuleerd en deed me denken aan een stel uitgeputte mensen die hun eten naar binnen werken zonder een woord te zeggen. Het was een ongeciviliseerde soepzooi.”

Een mens kan zich daar zowaar inderdaad iets bij indenken. Dat is minder het geval bij de kleine Amélie die zich te buiten gaat aan alcohol. Niet één keer, maar met de regelmaat van de klok: “(…) alcohol was zoetigheid van de bovenste plank, het bewijs van de goddelijkheid van suiker, zijn hoogste verschijningsvorm”. “Zonder reclame te willen maken voor alcoholisme bij kinderen”, voegt de schrijfster er dan nog aan toe, “moet ik er toch op wijzen dat mijn drankzucht nooit enig probleem heeft opgeleverd. Als kind kon ik uitstekend met mijn ondeugden overweg. Ik kon tegen een stootje, mijn spichtige lijf raakte tegen de Überhunger gehard.” Wat uiteraard élke alcoholist van zichzelf denkt.

Om terug te komen op het eerder genoemde solipsisme trouwens ook nog dit: “Ik geloofde dus in God zonder uit te sluiten dat ik zelf God was – en zonder het tegen iemand te zeggen, want ik had uitstekend begrepen dat die kwestie bij ons thuis niet in een reuk van heiligheid stond.” Die kwestie had ze overigens tegen haar vierde achter zich gelaten, schrijft ze verder, “ook al probeerde Nishio-san [haar oppas, noot van mij] me nog van het tegendeel te overtuigen. Hoewel ik diep in mijn binnenste in mijn goddelijkheid bleef geloven, constateerde ik dagelijks, op de yôchien en elders, dat ik in de ogen van de anderen voortaan deel uitmaakte van de ordinaire stervelingen. Van meet af aan was duidelijjk dat de verglijdende tijd alleen rampen in petto had.”

En dan de verhuis van Japan naar China en weer een nieuwe taal: “In Peking sprak kameraad Trê, die uitsluitende belast was met de taak me ’s morgens aan mijn haar te trekken, de taal die gehanteerd werd in de tijd van de Bende van Vier, een soort van anti-Mandarijnen-Chinees, dat zich verhield tot het Chinees als het Duits van Hitler tot dat van Goethe: als een foeilelijke perversie die klonk alsof er iemand op zijn bek getimmerd werd.” Geen keukentermen deze keer, maar door de reductio ad Hitlerum desalniettemin duidelijk.

Wat Amélie Nothomb denkt van het Nederlands, wordt niet meteen duidelijk, maar dat onze taal in diplomatieke kringen niet gesproken wordt wel. Pas in Peking komt ze er achter dat er Fransen bestaan, maar “tegelijk ontdekte ik de nationale verscheidenheid: ik leerde Belgen kennen die geen Frans spraken. De wereld zat wel bijzonder vreemd in elkaar.”

Wat ze over het communisme dacht of denkt, is dan weer minder moeilijk te bevroeden: “Die grotten van Ali Baba waren afgesloten met een hangslot, maar niets is makkelijker door te vijlen dan een hangslot van communistische makelij.” Of nog: “Alles wat authentiek Chinees was in China vonden we prachtig. Helaas bleef van dat China bijna niets meer over. De culturele revolutie had het land in één grote strafgevangenis veranderd.

Van de communistische dictatuur China naar the land of the free is een kleine stap in de diplomatenwereld, van de VS naar Bangladesh eveneens, al is de schok bij de laatste stap ook voor Nothomb duidelijk groter. “Ik stond versteld”, schrijft ze over haar aankomst in New York, “Het verschil met het Peking van 1975 kon niet groter zijn. We hadden de ene planeet verruild voor een andere, die kennelijk in een ander zonnestelsel lag. Toen ik de skyline zag, in de gele taxi, zette ik het op een brullen. Mijn geschreeuw was drie jaar lang niet van de lucht.” Over haar voorziene vertrek naar Bangladesh: “Zonder er ooit geweest te zijn wisten we dat Bangladesh, het armste land ter wereld, het tegendeel van New York zou zijn. Uit voorzorg verdubbelde ik mijn dosissen whisky. Een mens kon niet vooruitziend genoeg zijn.” En na aankomst aldaar: “Het land bezat geen andere rijkdom of schoonheid dan zijn overtalrijke bevolking, die tegelijk de hoofdoorzaak was van zijn ontstellende armoede. We bezochten alle provincies en nooit zagen we iets bezienswaardigs, behalve de mensen, die overal even bevallig waren. Jammer genoeg lag de helft constant te sterven. Dat was de voornaamste bezigheid in Bangladesh.”

Daarna … de fysieke quasi-ondergang ten gevolge van anorexia. En zeer dunne hoofdstukjes over vier jaar in belgië (amper vier bladzijden) en de terugkeer naar Japan en de vroegere kinderjuffrouw Nishio-san. Geen idee of die vier jaar Brussel te hard waren voor de auteur, te zat, te onduidelijk, te oninteressant, maar op deze manier lijken ze in het boek niks te zoeken te hebben. Misschien omdat de lezer er niks in te zoeken heeft, wie zal ‘t zeggen? Misschien omdat net in die jaren de sleutel zit tot de zogenaamde coming of age? Misschien doet het er gewoon niet toe: De hongerheldin is sowieso een knap geschreven en lezenswaardig boek.

Björn Roose