maandag 13 april 2026

Cosmetica van de vijand – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)

Cosmetica van de vijand – Amélie Nothomb (boekbespreking door Björn Roose)
Amélie Nothomb houdt er al sinds haar eerste boek, Hygiène de l’assassin (1992), in het Nederlands vertaald als Hygiëne van de moordenaar (1995), een dusdanig verschroeiend tempo op na wat haar publicaties betreft, dat het voor iemand als ik, die de meeste van zijn boeken tweedehands koopt, quasi onmogelijk wordt álles, of zelfs maar het meeste, van de auteur in huis te hebben. Als u weet dat ik, voorliggend Cosmetica van de vijand inbegrepen, op dit moment zeventien boeken van haar in mijn kast heb staan, maar dat ze er sinds 1992 ook ieder jaar minstens één gepubliceerd heeft, dan weet u ook dat ik best nog wat van Nothombs werk te verzamelen heb (en naar alle waarschijnlijkheid nog even te verzamelen zál hebben).

Desalniettemin, en dat gezegd zijnde, ben ik bij deze toch al aan mijn zevende bespreking van een van haar werken toe: De hongerheldin, Zwavelzuur, Met angst en beven, Peplos, De spiegel van Mercurius, en Antichrista gingen Cosmetica van de vijand vooraf. En weerom kan ik alleen maar vaststellen dat Nothomb er telkens weer in slaagt met iets ánders uit de hoek te komen. Geen herkauwen van wat ze eerder heeft gedaan, geen doorslagjes, geen variaties op een thema, maar telkens iets nieuws, iets origineels, iets waarvan je het spijtig vindt dat het uit is. Wat ook met dit een kleine honderd bladzijden tellende Cosmetica van de vijand weer veel te snel gebeurd was. De clou van het verhaal geef ik u natuurlijk niet mee, maar gezien u de achterflap toch zou lezen bij aankoop van het boek, krijgt u dié wel van me: “De zenuwen van zakenman Jérôme Angust waren al tot het uiterste gespannen toen hij in de vertrekhal van de luchthaven geconfronteerd werd met een aanzienlijke vertraging van zijn vliegtuig. Tot overmaat van ramp klampt een buitengewoon opdringerige medereiziger zich aan hem vast. Geen enkel argument van Jérôme, geen enkele woedeaanval of bedreiging kunnen de ongewenste indringer ervan afbrengen zijn levensverhaal tot in het kleinste detail uit de doeken te doen aan onze vermoeide protagonist. Dit walgelijke levensverhaal, dat begint met een onwaarschijnlijke verkrachting op een kerkhof en dat eindigt met een moord, wordt met een satanisch genoegen en een grote welsprekendheid verteld als was het een benijdenswaardig avontuur. Later blijkt dat het slachtoffer van de duivelse moord niemand minder was dan de teerbeminde echtgenote van Jérôme. Dan neemt de roman een verrassende wending. De vertelling van Textor Texel [“een heel gewoon patroniem, dat mijn Nederlandse origine verraadt”, aldus de eigenaar van de familienaam, noot van mij], zo heet de kwelgeest, fungeert als een eindeloze spiegel waarin het leven van Jérôme weerkaatst wordt, totdat de hallucinante waarheid tot hem doordringt en hij beseft dat zijn leven gevaar loopt. Een moderne parabel over waarheid en leugen, hypocrisie en geweten.”

Een uitleg die u met een korrel zout moet nemen, die af en toe wat kort door de bocht gaat (onder andere wat het begin van het levensverhaal van Textor Texel betreft), maar die nog net niet over het randje zit van té veel vertellen. Iets wat ik óók niet doe als ik u nog meegeef welke uitleg genoemde Texel geeft aan de in de titel genoemde cosmetica: “(…) de wetenschap van de universele orde, de hoogste moraal die de wereld regeert”. Iets wat niet de hele titel verklaart, maar als ik de hele titel zou verklaren, dan zou dat ook betekenen dat ik de clou van het verhaal (waarmee Texel overigens pas twintig bladzijden voor het einde op de proppen komt) weggaf, en dat is uiteraard niet de bedoeling.

De clou weggeven is iets wat al evenmin gebeurt als ik u zeg dat Nothomb zich bediend heeft van wat dichterlijke vrijheid als ze de ‘kwelgeest’ laat zeggen dat Textor “een van de vele voornamen van Goethe was”. Textor was namelijk de familienaam van diens moeder, Catharina Elisabeth Textor. Een detail zoals één moord dat wordt als je er honderden gepleegd hebt: “Alleen de eerste dode telt. Dat is de moeilijkheid met de schuldgevoelens van een moordenaar: het kan niet meer erger worden. Aan de moord op honderd mensen wordt even zwaar getild als aan de moord op één enkele. Dus als je er één hebt vermoord, kun je er evengoed meteen honderd ombrengen”. Wat dan weer een variant is op de vaak aan Stalin toegeschreven uitspraak (dit is dus geen citaat, voor wie dat zou willen gaan opzoeken, nog los van het feit dat ik me niet bedien van artificial intelligence voor het schrijven van mijn boekbesprekingen) dat “de dood van één man (…) een tragedie [is], de dood van een miljoen (…) een statistiek”.

Een theorie als een ander, zou ik zeggen, bijvoorbeeld als het jansenisme (of ‘jansénisme’, zoals de beweging in het Frans heette, zelfs al werd ze dan genoemd naar de Leuvense bisschop Cornelius Jansen), iets waar Texel regelmatig op terugkomt, zonder er evenwel grote theologische redeneringen aan op te hangen (net zomin als hij dat doet als hij, bijvoorbeeld, Max Stirner en diens De enige en zijn eigendom noemt). Ik zal dat dus óók niet doen, grote theologische redeneringen verkopen, maar weten dat de jansenisten van oordeel waren dat hun tegenstanders, de jezuïeten, veel te veel belang hechtten aan de menselijke vrijheid, terwijl ze zelf van oordeel waren dat de mens na de verdrijving uit de tuin van Eden geen invloed meer kon uitoefenen op zijn eigen verlossing, kan in het kader van dit verhaal nuttig zijn. Onder andere om het standpunt van Texel over een aantal van de fenomenen in zijn leven te begrijpen. “U wordt verteerd door schuldgevoelens omdat u het voer van de katten opeet, maar over een verkrachting hebt u in het geheel geen berouw?”, vraagt Jérôme hem op zeker moment, waarop Texel antwoordt: “Die verkrachting vond ik namelijk lekker, iets wat ik van het kattenvoer niet kon zeggen.”

Een uitspraak die zelfs als er niet ergens een theologische uitleg voor zou zijn (en er is, voor wie maar ver genoeg zoekt, voor zo ongeveer álles wel een theologische uitleg te vinden) natuurlijk nog steeds gewoon grappig is. Zoals volgende passage, deel van een stuk waarin Texel vertelt over al de jaren dat hij na de verkrachting op het kerkhof zijn toenmalige slachtoffer probeerde terug te vinden: “‘Tien jaar geleden, dat wil zeggen tien jaar na de verkrachting, liep ik in het tiende arrondissement van een overheerlijke hotdog te genieten. En wat zag mijn oog, op de boulevard de Ménilmontant? Mijn slachtoffer! Zij was het, zonder enige twijfel. Ik zou haar uit vier miljard anderen hebben herkend. Seksueel geweld schept nu eenmaal een band. In die tien jaar was ze alleen maar mooier, slanker en aangrijpender geworden. Ik ging haar achterna. Kunt u geloven hoe erg het is als je net een warme worst die druipt van de mosterd aan het verschalken bent, wanneer je na een tien jaar durende tocht door de woestijn de vrouw van je leven terugziet? Ik verslikte me voortdurend onder het lopen.’ ‘U had uw snack weg moeten gooien.’ ‘Bent u niet wijs? Ik kan wel merken dat u de hotdogs van de boulevard de Ménilmontant niet kent: die gooi je niet weg. Als ik dat had gedaan, zou ik het mijn aanbedene kwalijk hebben genomen, wat een smet op mijn liefde zou hebben geworpen. Onwillekeurig zou ik haar het verlies van mijn worst hebben aangerekend.’”

Zelfs zonder de ontegenzeggelijke dubbelzinnigheid daarvan zou dat nog enorm grappig zijn. Net zoals de rest van het verhaal eigenlijk, waarmee Amélie Nothomb (nog maar een keer) bewijst dat je zelfs “een moderne parabel over waarheid en leugen, hypocrisie en geweten”, een ernstig verhaal dus, met een portie humor op smaak kan brengen.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !