Amélie Nothomb houdt er al sinds haar eerste boek, Hygiène de
l’assassin (1992), in het Nederlands vertaald als Hygiëne
van de moordenaar (1995), een dusdanig verschroeiend tempo op na
wat haar publicaties betreft, dat het voor iemand als ik, die de
meeste van zijn boeken tweedehands koopt, quasi onmogelijk wordt
álles, of zelfs maar het meeste, van de auteur in huis te hebben.
Als u weet dat ik, voorliggend Cosmetica van de vijand
inbegrepen, op dit moment zeventien boeken van haar in mijn kast heb
staan, maar dat ze er sinds 1992 ook ieder jaar minstens één
gepubliceerd heeft, dan weet u ook dat ik best nog wat van Nothombs
werk te verzamelen heb (en naar alle waarschijnlijkheid nog even te
verzamelen zál hebben).
Desalniettemin, en dat gezegd zijnde, ben ik bij deze toch al aan
mijn zevende bespreking van een van haar werken toe: De
hongerheldin,
Zwavelzuur,
Met angst en beven,
Peplos,
De spiegel van Mercurius,
en Antichrista gingen Cosmetica van de vijand vooraf. En weerom kan ik alleen
maar vaststellen dat Nothomb er telkens weer in slaagt met iets
ánders uit de hoek te komen. Geen herkauwen van wat ze eerder heeft
gedaan, geen doorslagjes, geen variaties op een thema, maar telkens
iets nieuws, iets origineels, iets waarvan je het spijtig vindt dat
het uit is. Wat ook met dit een kleine honderd bladzijden tellende
Cosmetica van de vijand weer veel te snel gebeurd was. De clou
van het verhaal geef ik u natuurlijk niet mee, maar gezien u de
achterflap toch zou lezen bij aankoop van het boek, krijgt u dié wel
van me: “De zenuwen van zakenman Jérôme Angust waren al tot het
uiterste gespannen toen hij in de vertrekhal van de luchthaven
geconfronteerd werd met een aanzienlijke vertraging van zijn
vliegtuig. Tot overmaat van ramp klampt een buitengewoon opdringerige
medereiziger zich aan hem vast. Geen enkel argument van Jérôme,
geen enkele woedeaanval of bedreiging kunnen de ongewenste indringer
ervan afbrengen zijn levensverhaal tot in het kleinste detail uit de
doeken te doen aan onze vermoeide protagonist. Dit walgelijke
levensverhaal, dat begint met een onwaarschijnlijke verkrachting op
een kerkhof en dat eindigt met een moord, wordt met een satanisch
genoegen en een grote welsprekendheid verteld als was het een
benijdenswaardig avontuur. Later blijkt dat het slachtoffer van de
duivelse moord niemand minder was dan de teerbeminde echtgenote van
Jérôme. Dan neemt de roman een verrassende wending. De vertelling
van Textor Texel [“een heel gewoon patroniem, dat mijn Nederlandse
origine verraadt”, aldus de eigenaar van de familienaam, noot van
mij], zo heet de kwelgeest, fungeert als een eindeloze spiegel waarin
het leven van Jérôme weerkaatst wordt, totdat de hallucinante
waarheid tot hem doordringt en hij beseft dat zijn leven gevaar
loopt. Een moderne parabel over waarheid en leugen, hypocrisie en geweten.”
Een uitleg die u met een korrel zout moet nemen, die af en toe wat
kort door de bocht gaat (onder andere wat het begin van het
levensverhaal van Textor Texel betreft), maar die nog net niet over
het randje zit van té veel vertellen. Iets wat ik óók niet doe als
ik u nog meegeef welke uitleg genoemde Texel geeft aan de in de titel
genoemde cosmetica: “(…) de wetenschap van de universele
orde, de hoogste moraal die de wereld regeert”. Iets wat niet de
hele titel verklaart, maar als ik de hele titel zou verklaren, dan
zou dat ook betekenen dat ik de clou van het verhaal (waarmee Texel
overigens pas twintig bladzijden voor het einde op de proppen komt)
weggaf, en dat is uiteraard niet de bedoeling.
De clou weggeven is iets wat al evenmin gebeurt als ik u zeg dat
Nothomb zich bediend heeft van wat dichterlijke vrijheid als ze de
‘kwelgeest’ laat zeggen dat Textor “een van de vele voornamen
van Goethe was”. Textor was namelijk de familienaam van diens
moeder, Catharina Elisabeth Textor. Een detail zoals één moord dat
wordt als je er honderden gepleegd hebt: “Alleen de eerste dode
telt. Dat is de moeilijkheid met de schuldgevoelens van een
moordenaar: het kan niet meer erger worden. Aan de moord op honderd
mensen wordt even zwaar getild als aan de moord op één enkele. Dus
als je er één hebt vermoord, kun je er evengoed meteen honderd
ombrengen”. Wat dan weer een variant is op de vaak aan Stalin
toegeschreven uitspraak (dit is dus geen citaat, voor wie dat zou
willen gaan opzoeken, nog los van het feit dat ik me niet bedien van
artificial intelligence voor het schrijven van mijn
boekbesprekingen) dat “de dood van één man (…) een tragedie
[is], de dood van een miljoen (…) een statistiek”.
Een theorie als een ander, zou ik zeggen, bijvoorbeeld als het
jansenisme (of ‘jansénisme’, zoals de beweging in het Frans
heette, zelfs al werd ze dan genoemd naar de Leuvense bisschop
Cornelius Jansen), iets waar Texel regelmatig op terugkomt, zonder er
evenwel grote theologische redeneringen aan op te hangen (net zomin
als hij dat doet als hij, bijvoorbeeld, Max Stirner en diens De enige en zijn eigendom noemt). Ik zal dat dus óók niet doen, grote theologische
redeneringen verkopen, maar weten dat de jansenisten van oordeel
waren dat hun tegenstanders, de jezuïeten, veel te veel belang
hechtten aan de menselijke vrijheid, terwijl ze zelf van oordeel
waren dat de mens na de verdrijving uit de tuin van Eden geen invloed
meer kon uitoefenen op zijn eigen verlossing, kan in het kader van
dit verhaal nuttig zijn. Onder andere om het standpunt van Texel over
een aantal van de fenomenen in zijn leven te begrijpen. “U wordt
verteerd door schuldgevoelens omdat u het voer van de katten opeet,
maar over een verkrachting hebt u in het geheel geen berouw?”,
vraagt Jérôme hem op zeker moment, waarop Texel antwoordt: “Die
verkrachting vond ik namelijk lekker, iets wat ik van het kattenvoer
niet kon zeggen.”
Een uitspraak die zelfs als er niet ergens een theologische uitleg
voor zou zijn (en er is, voor wie maar ver genoeg zoekt, voor zo
ongeveer álles wel een theologische uitleg te vinden) natuurlijk nog
steeds gewoon grappig is. Zoals volgende passage, deel van een stuk
waarin Texel vertelt over al de jaren dat hij na de verkrachting op
het kerkhof zijn toenmalige slachtoffer probeerde terug te vinden:
“‘Tien jaar geleden, dat wil zeggen tien jaar na de verkrachting,
liep ik in het tiende arrondissement van een overheerlijke hotdog te
genieten. En wat zag mijn oog, op de boulevard de Ménilmontant? Mijn
slachtoffer! Zij was het, zonder enige twijfel. Ik zou haar uit vier
miljard anderen hebben herkend. Seksueel geweld schept nu eenmaal een
band. In die tien jaar was ze alleen maar mooier, slanker en
aangrijpender geworden. Ik ging haar achterna. Kunt u geloven hoe erg
het is als je net een warme worst die druipt van de mosterd aan het
verschalken bent, wanneer je na een tien jaar durende tocht door de
woestijn de vrouw van je leven terugziet? Ik verslikte me voortdurend
onder het lopen.’ ‘U had uw snack weg moeten gooien.’ ‘Bent u
niet wijs? Ik kan wel merken dat u de hotdogs van de boulevard de
Ménilmontant niet kent: die gooi je niet weg. Als ik dat had gedaan,
zou ik het mijn aanbedene kwalijk hebben genomen, wat een smet op
mijn liefde zou hebben geworpen. Onwillekeurig zou ik haar het
verlies van mijn worst hebben aangerekend.’”
Zelfs zonder de ontegenzeggelijke dubbelzinnigheid daarvan zou dat
nog enorm grappig zijn. Net zoals de rest van het verhaal eigenlijk,
waarmee Amélie Nothomb (nog maar een keer) bewijst dat je zelfs “een
moderne parabel over waarheid en leugen, hypocrisie en geweten”,
een ernstig verhaal dus, met een portie humor op smaak kan brengen.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !