In september 2024 besprak ik van Jan Veulemans De leegte,
een, zoals voorliggend De ziekte van Kahler, bij De
Clauwaert v.z.w. uitgegeven kortverhaal, en ook na het lezen van
dat laatste (waarmee me van de auteur nu alleen nog De wapens
als niet gelezen overblijft) kan ik niet anders dan vaststellen dat
Veulemans (die intussen, tenzij het internet van niets weet en hij
toch zou overleden zijn, bijna achtennegentig jaar oud moet wezen)
over een zeer sterk inlevingsvermogen moet beschikken. Alleen gold
dat in De leegte een werkloze (nee, geen ‘profiteur’),
terwijl het in De ziekte van Kahler een ten dode opgeschreven
docent betreft, een man op wie alle behandelingen geprobeerd zijn en
die nu, iedere dag wat verder gedreven door de beendermergkanker die
onder die voor leken weinig zeggende naam schuilgaat, op weg is naar
die uitgang waar we uiteindelijk allemaal door moeten.
Op weg, onvermijdelijk alleen, maar toch niet echt. Een van zijn
dochters bezoekt hem regelmatig, en steeds regelmatiger.
Oud-collega’s proberen hem nog wijs te maken dat hij zal verrast
worden door de evoluties op school als hij weer terugkomt. Een
student wijdt zijn proefschrift en dus ook een groot deel van zijn
aandacht en tijd aan de man en zijn ziekte. Dokter en verpleegster
doen wat ze kunnen, inclusief hem blaasjes wijsmaken en uiteindelijk
in het ziekenhuis proberen krijgen. Zijn vrouw, Britta, eerder
overleden dan hij, wacht op hem, of dat hoopt hij toch. En met dat
alles vult hij, laat ons het dan maar zo noemen, een soortement
dagboek, dat dit boek vormt, en zo begint: “Over anderhalf uur komt
de student weer. Net voor hij aanbelt, zal hij het sigarettepeukje
wegknippen, in de kamer mag niet gerookt worden, maar zijn adem zegt
telkens nog tabak. Het blauwe kunstlederen mapje met het alsmaar
lijviger stel papieren onder de arm. Het proefschrift, waarvoor ik de
grondstof ben.”
Veulemans heeft niet alleen een stevige portie inlevingsvermogen, hij weet ook
met onze moedertaal om te gaan. En structuur te brengen in een
verhaal dat, gezien het amper zestig bladzijden lang is, nauwelijks
behoefte heeft aan structuur. Dat doet hij door op het einde van
ieder hoofdstuk een schuingedrukt gedeelte in te lassen waarin hij
uitleg geeft bij een foto die hij zogezegd vanop zijn ziekbed of
vanuit zijn zetel aan het bekijken is. “Het kleine mannetje dat
onbegrijpend naar de mensen kijkt, misschien pas gehuild heeft, niet
weet wat er in de wereld te koop is. De wereld is begrensd door de
beukenhaag, die het eigendomsrecht van twee buren regelt, de
achtergevel van het veilige huis, het muurtje dat op zomerdagen
lekker warm wordt. Een vergeeld prentje is het geworden, je zou het
tussen de bladen van een oude bijbel kunnen stoppen, ter hoogte van
het scheppingsverhaal. Want met zand en stokjes schept het mannetje
de aarde. Als er een glimmende kever over de dwergheuveltjes kruipt,
weet het mannetje dat dit leven is. Achter hem staat het kleine
kruiwagentje, waarop hij de dromen laadt. Niets weet hij van de grote
wereld, van de mensen die elkaar toelachen en elkaar opvreten, van de
kleur van nutteloos bloed op eindeloze velden. Op onzekere, kromme
pootjes staat hij, het is zijn geluk, de mensen kijken rakelings over
hem heen. Dat zijn naam in het diepste blauw van de hemel geschreven
staat, weet hij niet. Als ik heel lang naar het mannetje blijf
kijken, komt er leven in het ronde gezichtje. Wij herkennen elkaar.
Dag, zeg ik en lach stilletjes in een spiegel”. Zo klinkt het aan
het einde van het achtste hoofdstuk, net voor het ik-personage
afscheid van de wereld neemt en naar zijn vrouw gaat. En ik... ik
vind dat zeer poëtisch.
Ik,
de lezer, heb dat mannetje / de verteller in ieder geval wél gezien
in dit verhaal. Al zal ik, de lezer, hem ook niet meer zien na zijn
dood. Zoals hij zijn vrouw niet meer had mogen zien: “Had ik Britta
zien sterven, dan zou ik alles misschien anders ondergaan. Eigenlijk
stierf Britta niet, zij werd letterlijk door een dolle wegpiraat
weggerukt. Ik heb haar niet meer mogen zien. De vrouw, met wie ik
ruim een kwarteeuw veel gedeeld had en zonder wie het leven mij
steeds minder denkbaar had geschenen, mocht ik na haar ruwe einde
niet meer weerzien. De ziekenzuster, kennelijk voor dit soort
berichten aangesteld, meende dat het mij enkel schade kon brengen.
Het betekende dat Britta een afzichtelijk verminkt hoopje geworden
was. Ik kon haar beter in herinnering bewaren, zoals zij voor het
laatst van me was weggegaan, meende de zuster. Een kinderlijke
wijsheid, ik drong niet aan, staarde verwezen naar de mooie ,
lichtbruine kist.” Iets wat we ons beslist niet moeten laten
aandoen, zelfs al is de overledene toegetakeld.
Dat fysieke afscheid, dat is namelijk belangrijk. Al is het maar omdat je
bij leven nooit écht afscheid van mekaar neemt. Omdat afscheid nemen
bij leven iets voor helden is, het soort helden dat we met z’n
allen niet zijn: “Telkens loop ik tegen dezelfde waarheid aan, het
leven is zo effen verlopen, ik heb geen avonturen ondernomen, geen
aanstoot gegeven, geen beweging voor of tegen iets op gang gebracht.
Ik ben niet erg moedig geweest, dat is de waarheid die mij telkens
weer voor ogen springt, het schuldgevoel kweekt (…) Ik heb tot
vandaag eenvoudig geleefd, zeg ik, voor wijs gehouden dat ik de
behoeften beperkt hield (…) Misschien heb ik vrijheid altijd boven
alles verkozen, het recht om mijzelf te zijn, het recht op stilte (…)
Ik heb niets méér verricht dan ontelbare enge burgers. Wat
overblijft is leegte, moeheid, een vervloekt verdriet.” En dat is,
dat geloof ik werkelijk, ook wat er zal overblijven voor wie wél een
‘held’ geweest is. Waarmee ook die zich moet bewijzen. Wie immers
bij volle bewustzijn door die uitgang gaat, niet uit angst voor het
leven maar omdat de dood als onderdeel van het leven onvermijdelijk
is, als onderdeel van het éigen leven, die heeft moed nodig. Of hij
nu gelooft dat er iets aan de andere kant van die deur is of niet.
“De angst is weg”, schrijft Veulemans helemaal aan het einde, “is
misschien enkel verbeelding geweest, alles is mysterie.”
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !