maandag 27 april 2026

De ziekte van Kahler – Jan Veulemans (boekbespreking door Björn Roose)

De ziekte van Kahler – Jan Veulemans (boekbespreking door Björn Roose)
In september 2024 besprak ik van Jan Veulemans De leegte, een, zoals voorliggend De ziekte van Kahler, bij De Clauwaert v.z.w. uitgegeven kortverhaal, en ook na het lezen van dat laatste (waarmee me van de auteur nu alleen nog De wapens als niet gelezen overblijft) kan ik niet anders dan vaststellen dat Veulemans (die intussen, tenzij het internet van niets weet en hij toch zou overleden zijn, bijna achtennegentig jaar oud moet wezen) over een zeer sterk inlevingsvermogen moet beschikken. Alleen gold dat in De leegte een werkloze (nee, geen ‘profiteur’), terwijl het in De ziekte van Kahler een ten dode opgeschreven docent betreft, een man op wie alle behandelingen geprobeerd zijn en die nu, iedere dag wat verder gedreven door de beendermergkanker die onder die voor leken weinig zeggende naam schuilgaat, op weg is naar die uitgang waar we uiteindelijk allemaal door moeten.

Op weg, onvermijdelijk alleen, maar toch niet echt. Een van zijn dochters bezoekt hem regelmatig, en steeds regelmatiger. Oud-collega’s proberen hem nog wijs te maken dat hij zal verrast worden door de evoluties op school als hij weer terugkomt. Een student wijdt zijn proefschrift en dus ook een groot deel van zijn aandacht en tijd aan de man en zijn ziekte. Dokter en verpleegster doen wat ze kunnen, inclusief hem blaasjes wijsmaken en uiteindelijk in het ziekenhuis proberen krijgen. Zijn vrouw, Britta, eerder overleden dan hij, wacht op hem, of dat hoopt hij toch. En met dat alles vult hij, laat ons het dan maar zo noemen, een soortement dagboek, dat dit boek vormt, en zo begint: “Over anderhalf uur komt de student weer. Net voor hij aanbelt, zal hij het sigarettepeukje wegknippen, in de kamer mag niet gerookt worden, maar zijn adem zegt telkens nog tabak. Het blauwe kunstlederen mapje met het alsmaar lijviger stel papieren onder de arm. Het proefschrift, waarvoor ik de grondstof ben.”

Veulemans heeft niet alleen een stevige portie inlevingsvermogen, hij weet ook met onze moedertaal om te gaan. En structuur te brengen in een verhaal dat, gezien het amper zestig bladzijden lang is, nauwelijks behoefte heeft aan structuur. Dat doet hij door op het einde van ieder hoofdstuk een schuingedrukt gedeelte in te lassen waarin hij uitleg geeft bij een foto die hij zogezegd vanop zijn ziekbed of vanuit zijn zetel aan het bekijken is. “Het kleine mannetje dat onbegrijpend naar de mensen kijkt, misschien pas gehuild heeft, niet weet wat er in de wereld te koop is. De wereld is begrensd door de beukenhaag, die het eigendomsrecht van twee buren regelt, de achtergevel van het veilige huis, het muurtje dat op zomerdagen lekker warm wordt. Een vergeeld prentje is het geworden, je zou het tussen de bladen van een oude bijbel kunnen stoppen, ter hoogte van het scheppingsverhaal. Want met zand en stokjes schept het mannetje de aarde. Als er een glimmende kever over de dwergheuveltjes kruipt, weet het mannetje dat dit leven is. Achter hem staat het kleine kruiwagentje, waarop hij de dromen laadt. Niets weet hij van de grote wereld, van de mensen die elkaar toelachen en elkaar opvreten, van de kleur van nutteloos bloed op eindeloze velden. Op onzekere, kromme pootjes staat hij, het is zijn geluk, de mensen kijken rakelings over hem heen. Dat zijn naam in het diepste blauw van de hemel geschreven staat, weet hij niet. Als ik heel lang naar het mannetje blijf kijken, komt er leven in het ronde gezichtje. Wij herkennen elkaar. Dag, zeg ik en lach stilletjes in een spiegel”. Zo klinkt het aan het einde van het achtste hoofdstuk, net voor het ik-personage afscheid van de wereld neemt en naar zijn vrouw gaat. En ik... ik vind dat zeer poëtisch.

Ik, de lezer, heb dat mannetje / de verteller in ieder geval wél gezien in dit verhaal. Al zal ik, de lezer, hem ook niet meer zien na zijn dood. Zoals hij zijn vrouw niet meer had mogen zien: “Had ik Britta zien sterven, dan zou ik alles misschien anders ondergaan. Eigenlijk stierf Britta niet, zij werd letterlijk door een dolle wegpiraat weggerukt. Ik heb haar niet meer mogen zien. De vrouw, met wie ik ruim een kwarteeuw veel gedeeld had en zonder wie het leven mij steeds minder denkbaar had geschenen, mocht ik na haar ruwe einde niet meer weerzien. De ziekenzuster, kennelijk voor dit soort berichten aangesteld, meende dat het mij enkel schade kon brengen. Het betekende dat Britta een afzichtelijk verminkt hoopje geworden was. Ik kon haar beter in herinnering bewaren, zoals zij voor het laatst van me was weggegaan, meende de zuster. Een kinderlijke wijsheid, ik drong niet aan, staarde verwezen naar de mooie , lichtbruine kist.” Iets wat we ons beslist niet moeten laten aandoen, zelfs al is de overledene toegetakeld.

Dat fysieke afscheid, dat is namelijk belangrijk. Al is het maar omdat je bij leven nooit écht afscheid van mekaar neemt. Omdat afscheid nemen bij leven iets voor helden is, het soort helden dat we met z’n allen niet zijn: “Telkens loop ik tegen dezelfde waarheid aan, het leven is zo effen verlopen, ik heb geen avonturen ondernomen, geen aanstoot gegeven, geen beweging voor of tegen iets op gang gebracht. Ik ben niet erg moedig geweest, dat is de waarheid die mij telkens weer voor ogen springt, het schuldgevoel kweekt (…) Ik heb tot vandaag eenvoudig geleefd, zeg ik, voor wijs gehouden dat ik de behoeften beperkt hield (…) Misschien heb ik vrijheid altijd boven alles verkozen, het recht om mijzelf te zijn, het recht op stilte (…) Ik heb niets méér verricht dan ontelbare enge burgers. Wat overblijft is leegte, moeheid, een vervloekt verdriet.” En dat is, dat geloof ik werkelijk, ook wat er zal overblijven voor wie wél een ‘held’ geweest is. Waarmee ook die zich moet bewijzen. Wie immers bij volle bewustzijn door die uitgang gaat, niet uit angst voor het leven maar omdat de dood als onderdeel van het leven onvermijdelijk is, als onderdeel van het éigen leven, die heeft moed nodig. Of hij nu gelooft dat er iets aan de andere kant van die deur is of niet. “De angst is weg”, schrijft Veulemans helemaal aan het einde, “is misschien enkel verbeelding geweest, alles is mysterie.”

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !