donderdag 30 april 2026

Bommen voor Napoleon – Het bewogen leven van Felice Orsini, patriot en terrorist – Michael St. John Packe (boekbespreking door Björn Roose)

Bommen voor Napoleon – Het bewogen leven van Felice Orsini, patriot en terrorist – Michael St. John Packe (boekbespreking door Björn Roose)
Kossuth Lajos utca, Petőfi Sándor utca,  István Széchenyi utca… Vele jaren heb ik iedere zomer (en soms lente) Hongarije bereisd en zelfs al zou ik alles van dat prachtige land vergeten, de kans dat ik dat ook doe met die in ieder dorp en in iedere stad weer opduikende straatnamen is vrij klein. In Italië ben ik daarentegen nog maar één keer geweest, maar het is me desondanks opgevallen dat daar nogal wat straten Via Felice Orsini heten. Zoals die in Hongarije genoemd naar een held van de nationale opstand tegen de Oostenrijkers dus, een held die in de ondertitel van voorliggend boek, Bommen voor Napoleon, aangeduid wordt als “patriot en terrorist”.

Om maar te beginnen met dat “terrorist”: dat was inderdaad de laatste functie die hij vervulde. Als leider van een commando dat het op zich had genomen bommen te gooien naar Napoleon. Niet de Napoleon waar zo goed als iedereen dan aan denkt, maar diens neef, Karel Lodewijk Napoleon Bonaparte, de man die als keizer Napoleon III vanaf 1852 op de Franse troon zou zitten. De man ook die daar na 1858, het jaar waarin Orsini en zijn medeplichtigen de aanslag pleegden waarnaar het boek in zijn titel verwijst, nog steeds op zat en wel tot 1870, het jaar waarin hij door de Pruisen werd gevangengenomen, waarna – let op dat u de tel niet kwijtraakt – de Derde Franse Republiek werd uitgeroepen, de voormalige keizer werd vrijgelaten en hij samen met zijn dynastie (al werd zijn zoon door zijn aanhangers nog uitgeroepen tot Napoleon IV) begraven werd in Engeland.

Orsini mislukte dus (ook, mag ik wel zeggen) in het opblazen van genoemde dictator, maar… niet echt in wat hij daarmee hoopte te verwezenlijken, zijnde het forceren van een hernieuwde opstand in Italië (dat er al enkele, niet altijd even geslaagde, achter de rug had) en zo de Risorgimento tot een goed einde brengen. Een fenomeen waarover Michael St. John Packe, kortweg Michael Packe, behalve voor deze vlot geschreven en behoorlijk stevig gedocumenteerde biografie van Orsini overigens ook verantwoordelijk voor onder andere een exemplaar over John Stuart Mill, het heeft in de delen IV, V en VI van het vijfde hoofdstuk (zoals het boek zelf Bommen voor Napoleon getiteld). Napoleon (III dus) had namelijk op het punt gestaan zijn eerdere beloften aan Italië, die onder meer inhielden dat de Oostenrijkers er niet langer baas zouden spelen, uiteindelijk na te komen en wou dat ook ná de aanslag door Orsini en z’n bondgenoten nog steeds doen: “(…) de aanslag vervulde Napoleon (...) met het vaste besluit om zijn pact met de Revolutie te hernieuwen”, citeert Packe dan de Oostenrijkse diplomaat Josef Hafenbredi, ofte Joseph Alexandre de Hübner. Een voornemen waar hij uiteindelijk de voor de rechtbank staande Orsini voor wist te winnen: “‘Bevrijd mijn land!’ De coup de théâtre van de keizer was op schitterende wijze geslaagd. Het proces was niets minder geweest dan de heiligverklaring van de hoofdmisdadiger.” Een “hoofdmisdadiger” die het er, in tegenstelling tot wat Napoleon en vooral diens vrouw gewild hadden, niet levend van af bracht, maar die Napoleon wel toeliet zijn ‘goed hart’ te laten zien en het volgende jaar “aan het hoofd van tweehonderdduizend man de Alpen over [te steken]”, alwaar hij, met zware verliezen, overwinningen bij Magenta en Solferino op zijn conto wist te schrijven, “Lombardije voor Piémont te bemachtigen”, maar Venetië in handen van de Oostenrijkers moest laten en de rest van Italië in die van hun (pauselijke) vazallen. “Maar toch, de gebeurtenissen die door de keizer aan het rollen waren gebracht konden niet door zijn ontmoediging tot staan gebracht worden. De weg lag open voor Garibaldi [naar wie er ongetwijfeld nog meer Italiaanse straten genoemd zijn dan naar Orsini, noot van mij] om Pisacanes noodlottige onderneming te herhalen, ditmaal met de steun van, en niet tegen de uitdrukkelijke wens van Cavour in, en heel Zuid-Italië was aan koning Victor Emmanuels kroon toegevoegd. In maart 1860 was de inlijving van de Kerkelijke Staat en de overige centrale provincies bij Piémont een voldongen feit; de keizer kon niet anders doen dan Savoye en Nice cynisch als prijs voor zijn goedkeuring aanvaarden. In 1866, na Sadowa, stond Oostenrijk Venetië af en was het koninkrijk Italië compleet.” Of dat allemaal niet óók zo zou gelopen zijn zonder Orsini’s aanslag? Misschien. Maar iedereen die enigszins in geschiedenis geïnteresseerd is, weet dat die uiteindelijk van toevalligheden aan mekaar hangt. Zoals dat in alle eerlijkheid mínder het geval was met het leven van de, laat ons hem maar zo noemen, held van deze biografie, Felice Orsini.

Ik heb u namelijk zo ongeveer meteen meegenomen naar het einde van dat leven – in het boek volgen na voorgaand citaat alleen nog een Aanhangsel over Het proces tegen Orsini en zijn medeplichtigen, een lijst met Geraadpleegde werken (ingedeeld in Biografische bronnen, Ter sprake gebrachte personen, en Algemene historische achtergrond), een lijst met Aantekeningen, en een Register -, maar Orsini, die “nooit een proponent van sluipmoord [was] geweest”, “speelde een jaar lang met de ontstellende suggestie eer hij eindelijk de rol van Brutus aanvaardde”, een rol waarmee hij vooral Giuseppe Mazzini een hak wou zetten, die jaren met dat plan had rondgelopen en mogelijk nog langer Orsini’s geestelijke leider was geweest (wat van Orsini een republikein maakte, die absoluut niet ingenomen zou zijn geweest met het idee dat het verenigde Italië een koninkrijk werd), en had daarvóór, terwijl hij toch maar negenendertig jaar is geworden, al zoveel meegemaakt en gedaan (veelal in opdracht of op instigatie van Mazzini) dat Packe beslist niet overdreven heeft door aan hoofdstuk V tweehonderdvijftig bladzijden over de rest van Orsini’s leven vooraf te laten gaan. “Orsini was een man van daden en niet van woorden”, schrijft Packe ergens op pagina 271, en ondanks het feit dat Orsini ook wel eens gebruik maakte van woorden (een deel van de biografische gegevens in dit boek zijn dan ook afkomstig uit door hem geschreven werken en hij hield gedurende enige tijd regelmatig lezingen in Engeland, waar hij, zoals Ian Buruma meegeeft in Anglomanie, bijvoorbeeld ook wel eens op de gastenlijst van het Amerikaanse consulaat stond bij een herdenking van George Washington, en wel samen met, onder andere, de al genoemde Lajos Kossuth en de eveneens eerder genoemde Mazzini en Garibaldi), weet je op dat moment al lang dat dat geheel en al correct is. Dat Orsini, zoals hij Mazzini antwoordde voor de twee definitief uit mekaar gingen, “altijd bereid was om zich met iedere onderneming ten behoeve van Italië die een goede kans van slagen had te belasten”, is dan ook understatement (ook als die ondernemingen nauwelijks kans van slagen hadden, deed hij mee), zelfs al voegde hij er aan toe “dat hij weigerde nog langer deel te nemen aan halfbakken opstanden”, wat het uiteindelijk bijna allemaal waren.

Maar ook de weg naar die “halfbakken opstanden” legde Orsini niet meteen vanuit zijn wieg af. Net zomin als die naar zijn laatste functie als “terrorist”, ondanks het feit dat – en dat zijn de woorden waarmee Packe deze biografie begint – “volgens de openbare aanklager tijdens zijn terechtzitting (…) Felice Orsini een geboren samenzweerder [was]”. Iets waarop Packe zeer humoristisch reageert met wat de rest van de eerste paragraaf uitmaakt: “Of men dat geloven kan of niet, vast staat in ieder geval dat zijn moeder er niet het flauwste idee van had. Zij was een zachtaardig, beschaafd meisje van twintig; geboortig uit Florence, bekoorlijk, vriendelijk en oprecht. Zij zoogde hem en zong versjes voor hem op de normale manier. Zij behandelde hem zoals ze ongeveer een jaar daarvoor zijn zusje Rosina had behandeld, zoals ze drie jaar later zijn broertje Leonidas behandelen zou, in beide gevallen met de beste resultaten. Zij besefte niet dat zijn kinderlijke gedachten een verdrongen en heimelijke richting namen: dat hij, als hij met zijn houten lepel zwaaide en een klokkend geluidje maakte, geheime legers aanvoerde in steile rotsgebergten; of dat zijn verbaasd kijkende, ondoorgrondelijke ogen, gitzwart en glanzend, een wereld voor haar maskeerden van beginnende revolutie, waarin hij reeds keizers de lucht in liet vliegen en pausen van de troon stootte.”

Niet het gezwam dus waarmee Ralph Korngold komt aandraven in zijn biografie over Robespierre, niet het met fantasietjes opvullen van biografische leemten, geen emotioneel gedoe, wel dit: “Felices vader kwam uit Lugo, aan de andere zijde van de Via Emilia uit Meldola. Toen de strijdkrachten van Bonaparte [de originele, noot van mij] in hun eerste overwinningsroes zijn geboorteland onder de voet liepen, was hij, met duizenden van zijn landgenoten, gedwongen dienst te nemen in het leger van de vijand. Onder hun zogenaamde koning, Eugène Beauharnais, stiefzoon van de keizer, staken zij later de Alpen over om zich bij de hoofdmacht van het Grote Leger te voegen dat langs de Njemen samengetrokken was voor de aanval op Rusland. Van de zevenentwintigduizend Italianen die de tocht meegemaakt hadden, keerden er minder dan vierhonderd behouden terug. Andrea Orsini, die de rang van kapitein had verworven, werd ergens onderweg krijgsgevangen gemaakt. Na de vrede keerde hij naar de Romagna terug”, trouwde er, kreeg er kinderen, “joeg geheime afspraken na waar hij met niemand over sprak”, “placht ‘s nachts plotseling uit te gaan”, ontving mannen “die de indruk maakten alsof ze veel haast en dringende boodschappen hadden”, en werd uiteindelijk gearresteerd tijdens een bezoek met zijn gezin aan de opera van Firenze: “Op deze wijze drongen politieke zaken reeds vroeg, toen hij nog maar negen jaar was, het leven van Felice Orsini binnen. Voortaan zou hij hun slaaf zijn.” Waarna een gedegen uitleg over die “politieke zaken” volgt – de Risorgimento is per slot van rekening niet uit de lucht komen vallen -, gaande van de toestand vóór de inval van Napoleon the original, over de gevolgen van die inval, naar de toestand erna, inclusief de Carbonari (“de Adelfi van Parma, de Federali van Lombardije, de Welf Ridders van Piémont”, enzovoort), de ambities van Lodewijk Napoleon (“zoon van ‘s keizers broer Lodewijk, een tijdlang een gewetensvol koning van Holland, een gemelijke, reumatiekerige, misprijzende man” en vader van de Napoleon uit de titel van dit boek) en zijn zoon (de Napoleon uit de titel van dit boek), plus de terugkeer van de Oostenrijkers.

Genoeg om je in te leiden in de feiten en je bezig te houden tot de dag dat Orsini, wellicht per ongeluk, zijn eerste wapenfeit pleegde, zijnde het omver schieten van de kok van zijn oom, Domenico Spada, iets wat uiteindelijk leidt tot zijn toetreding tot een augustijnenklooster nadat hij middels kerkelijke tussenkomst vrijgesproken is van moord “doch schuldig aan onopzettelijke doodslag” wordt bevonden, “en veroordeeld werd zes maanden in het klooster te verblijven”. “Men stelde voor dat hij, om zijn berouw te tonen, van de paus een definitieve ontheffing van zijn misdaad moest zien te verkrijgen, zodat hij lid kon worden van een religieuze orde.” Wat hij wel wou, maar wat niet echt wou lukken. In plaats daarvan ging hij ten slotte rechten studeren, “verwierf hij zich een ondergrond van kennis in al de militaire wetenschappen, mechanica, scheikunde, fysica, aardrijkskunde, wiskunde, zonder welke men niets kan doen vooral op het gebied van versterkingen”, las hij “Livius en Tacitus; Macchiavelli; Thiers’ Franse Revolutie en Napoleons Commentaren”, en zat hij tegen zijn tweeëntwintigste “de ene nacht na de andere (…) over de romans van Rousseau gebogen en te peinzen of hij door zelfmoord een eind aan zijn leven zou maken”. “In plaats daarvan sloot hij zich op zijn tweeëntwintigste jaar bij Jong Italië aan”, het geesteskind van de reeds eerder genoemde Giuseppe Mazzini, mislukt als ‘actieve’ revolutionair, maar nadat hij ook nog een Jong Zwitserland had gesticht (“omdat hij de Zwitsers afschuwelijk achterlijk vond in hun smerige kleine kantons”) wel zeer actief als prediker van de revolutie vanuit zijn zelf gekozen verbanningsoord Engeland. Een ideale combinatie met Orsini dus: “De jezuïeten hadden de spijker op de kop geslagen, in hun mening over Orsini. Hij was voor soldaat in de wieg gelegd [en niet voor “samenzweerder”, noot van mij]. Als kind had hij ademloos geluisterd naar zijn vaders verhalen over de veldtocht naar Moskou. Als jongen was hij weggelopen om zich in Ancona bij de Fransen aan te sluiten. Als student had hij getracht bij de Zwitserse lijfwacht van de paus te komen. Al zijn spelletjes, zijn lichaamsoefeningen, waren van soldateske aard geweest. Een dienstmeisje van zijn tante Lucrezia in Meldola herinnerde zich op hoge leeftijd nog hoe hij aan tafel placht te zitten en legers van vorken en messen tegen elkaar liet optrekken. Zelfs zijn afschuw van de Oostenrijkse onderdrukkers was al gauw in bewondering omgeslagen toen hij de flonkerende praal van hun militaire plechtigheden had gezien. Hij had het typische wantrouwen van de soldaat voor de politiek. Hij had nu het starre en agressieve eergevoel van een soldaat. Alles wat hij nodig had om tot grimmige, onwankelbare trouw in staat te zijn was onomwonden soldatengeloof. In Jong Italië vond hij wat hij verlangde.”

Gevolg: in april 1844, nog geen vijfentwintig jaar oud, wordt hij samen met zijn vader voor het eerst gearresteerd wegens revolutionaire activiteiten, maar een jaar later komt hij vrij nadat de heersende paus, Gregorius XVI, overleden is en de nieuwe paus, Giovanni Maria Mastai-Ferretti, voormalig bisschop van Imola en nu Pius IX geworden (ofte Pio Nono, zoals hij in Italië wordt geheten), hem gratie heeft verleend op voorwaarde dat hij en z’n kameraden “zich nooit meer tegen de paus (…) [zouden] verzetten”, een verklaring die ze graag aflegden, maar waarvan de nieuwe paus had kunnen weten dat Orsini zich daar niet noodzakelijk aan zou houden: hij was immers ook degene die Orsini in een religieuze orde had willen krijgen in ruil voor zijn onschuldigverklaring aan moord.

Orsini ging dus quasi direct weer aan de revolutionaire slag. “Hij nam vol vuur deel aan de strijd om de vrijheid van drukpers, het voornaamste strijdpunt op dat moment. In weerwil van de censuur werden overal illegale geschriften verspreid, als confetti in de schouwburgen omlaaggestrooid, in het rijtuig van de aartsbisschop geworpen, zelfs per post verstuurd. Orsini vond dergelijke constitutionele protesten veel te tam. In april 1847 werd een douanebeambte in Terra del Sole vermoord, en ontplofte een bom in het huis van een commissaris van de koning in Rocca San Casciano. Dat leek er meer op; hij schreef een vurig artikel waarin hij deze twee incidenten verdedigde (…)”. “In augustus 1847 publiceerde hij een Rede tot de Jeugd van Italië, een anonieme lofzang op de Bandiera’s, opgedragen aan Eusebio Barbetti en heimelijk in Livorno gedrukt”, maar – ondanks de anonimiteit ervan – genoeg om hem te verbannen uit Firenze. De tweede keer al, maar niet echt nuttig – hij bleef “Toscane binnenkomen en verlaten zoals en wanneer hem dat goeddunkte” -, zoals kan gezegd worden van elke maatregel die tegen de “patriot en terrorist” genomen werd, ook toen hij definitief het militaristische pad opging, iets wat gebeurde toen door de regelrechte terreur van ‘Papa’ Radetzky, ofte Josef Radetzky von Radetz, ter wiens ere om een of andere reden op het jaarlijkse Neujahrskonzert van de Wiener Philharmoniker nog steeds de Radetzkymars gespeeld wordt, Milaan in opstand kwam, al snel gevolgd door Venetië en Bologna, waar Orsini terechtkwam nadat hij dienst had genomen “in de 21ste sectie van de burgerwacht” van Meldola. Van korporaal schopte hij het daar in geen tijd tot kapitein, maar daarmee eindigde de opstand voor hem dan ook zo’n beetje: de Oostenrijkers raakten de toestand terug meester en opnieuw raakte Orsini, met zijn compagnie, slechts weg door een belofte aan de vijand af te leggen: “gedurende een periode van drie maanden niet meer te zullen vechten”. Een belofte waar hij zich – Wat dacht u dan? – uiteraard niet aan hield.

Het begin van de militaire carrière van Orsini krijgt dus een uitgebreid vervolg, al mag die carrière daarna eigenlijk niet meer ‘militair’ heten. Hij wordt, wat dan heet, paramilitair. In dienst van de Pauselijke Staat soms, aan de zijde van Guglielmo Pepe een andere keer, direct onder Mazzini bij de vestiging van de Romeinse Republiek (die het toch volhield van 9 februari tot 3 juli 1849), en onder ‘leiding’ van diezelfde Mazzini in de jaren daarna. Del modo di cospirare heet het derde hoofdstuk niet voor niks, want vanaf halverwege 1849 wordt het inderdaad wel een kwestie van samenzweren, op de vlucht zijn, “halfbakken opstanden” organiseren, voortdurend falen, en ontsnappen uit onmogelijke situaties (waaronder de gevangenis van Mantua). Het zou deze boekbespreking veel te lang maken als ik dáár ook nog eens allemaal op inging, maar Packe heeft dat uitgebreid en duidelijk gedaan (iets wat overigens ook moet gezegd worden van de figuren waarmee Orsini al dan niet rechtstreeks te maken krijgt, figuren waarvan Packe telkens een soort van mini-biografie heeft opgenomen in dit boek) en met deze biografie van Orsini meteen ook een vrij volledige geschiedenis van de Risorgimento geschreven. Een opstand die bij momenten – en dat zijn de momenten die de Italianen, zoals elk volk dat zich heeft weten te bevrijden van binnen- en buitenlandse onderdrukkers, graag in herinnering brengen – behoorlijk goed georganiseerd is verlopen, maar het grootste deel van de tijd één grote chaos was. Typisch Italiaans, heeft een mens de neiging daar aan toe te voegen, maar da’s natuurlijk niet echt waar. Alhoewel… de volgende passage is toch wel hilarisch en, zo lijkt het, erg, laat ons maar zeggen, zuiders: “De volgende dag verschenen de twee hoofdsamenzweerders weer: Orsini zag er kalm en om door een ringetje te halen uit, Mathieu’s kleren hingen in flarden aan zijn lijf en hij zat van top tot teen onder de modder. Er was een of andere vergissing in het spel geweest, zie hij. Het overeengekomen wachtwoord om de gendarmes te bedriegen was het loeien van een koe geweest. Terwijl Orsini de wacht hield onder de berijpte bergen en de sterren had hij, Mathieu, de hele nacht aan één stuk door lopen loeien. Telkens als hij een antwoord had opgevangen, was hij de kant van waaruit het geklonken had heengestrompeld door de moerassen en de doornstruiken heen, om iedere keer tot de ontdekking te komen dat het door een echte koe was voortgebracht.”

En wat te denken van de, minstens aan de exploten die Che Guevara in De Afrikaanse droom heeft beschreven herinnerende, in september 1853 door Mazzini ‘georganiseerde’ en door Orsini uitgevoerde inval in Italië?: “Toen het tegen twee uur liep, haalde Orsini zijn prachtige gouden horloge te voorschijn en schudde verwijtend zijn hoofd. Zij hadden alles bij elkaar negenentwintig man en veertien musketten, nu niet bepaald een indrukwekkende strijdmacht. Op dat ogenblik evenwel kondigde een regelmatig gestamp op de weg vanuit Sarzana de nadering van een flinke, georganiseerde troepenmacht aan. Onder grote opwinding werden er gidsen uitgezonden om de versterkingen op te vangen, doch de uitgelatenheid ging abrupt in verslagenheid over toen zij bij hun terugkeer verklaarden dat een compagnie Piémontesische beroepssoldaten met grimmige vastberadenheid recht op het kamp afmarcheerde. Ze hadden nog maar juist tijd om hun wapens te verbergen, een boodschap naar Carrara te sturen en zich te verspreiden.”

En de poging om op 6 mei 1854 een invasie van op zee uit te voeren?: “Het bleek dat Ricci niet over land met zijn versterkingen en voorraden over de grens had kunnen komen ten gevolge van de waakzaamheid van de Piémontesische politie. Hij had daarom besloten, zonder Orsini of de mannen uit Carrara te waarschuwen, om Orsini en de wapens op zee op te halen en op eigen initiatief een landing te ondernemen. De veertien man die hij bij zich had, vormden zijn hele leger. De hele invasievloot bestond uit twee schepen. Ricci zat rillend van ellende aan boeg en ontkende alles.” Een feit dat kort nadien gevolgd wordt door: “Er kwam een antwoord van de beeldhouwer waarin deze de regelingen die Orsini voor de aanval op Massa getroffen had bevestigde en beloofde dat er zich in elk geval zestig van de tweeduizend Modenezen waarop oorspronkelijk gehoopt was op de afgesproken plaats zouden bevinden.”

Of, ten slotte, de poging van half juli 1854: “Mazzini had zijn hoop gevestigd op honderd vijftig bannelingen die hij geld voor de reis had gegeven en opdracht zich in St. Moritz te verzamelen. Om hen van de echte toeristen te onderscheiden – wat anders misschien nog niet zo eenvoudig was geweest – had hij luchthartig en op typisch Mazziniaanse wijze bepaald dat zijn ‘broeders’ bij hun aankomst allen bloemen in hun haar moesten dragen en Conti werd daarom toen de tijd daarvoor gekomen was op de Juliërweg geposteerd om iedereen die zich zo opgesierd had op te vangen. Het toeval wilde dat het dat seizoen de gewoonte was dat iedereen die naar St. Moritz ging zich vrolijk uitdoste met alpenrozen die hij aan de kant van de weg had geplukt. Zo ver het oog reikte was de Juliërweg één lachende, luidruchtige zee van prachtige ruikers en Conti moest volkomen op goed geluk zijn keuze doen. De eerste man die hij aanriep met het esoterische wachtwoord was een bejaarde Duitse Zwitser die een verschrikt Ich weiss nichts tussen zijn tanden door siste. De volgende bleek een houten been te hebben. Een derde, die meer in aanmerking leek te komen, deelde Conti bruusk mee dat hij zich met zijn eigen zaken moest bemoeien. Mensen van allerlei nationaliteiten, vrouwen en kinderen, rijken en armen, ouden en jongen, werden op de proef gesteld, doch slechts twee jeugdige knapen reageerden: Carlo di Rudio en Fumagalli, die uitgehongerd en afgemat aankwamen en door Orsini doorgestuurd werden om op krachten te komen in het berggebied waar hij zijn troepen zou concentreren. Toen Mazzini en Maurice Quadrio een paar dagen voor de datum waarop de operatie zou beginnen uit Genève arriveerden, bestond het expeditieleger waarover zij beschikten uit negen man.”

Mislukkingen waarvan Mazzini geen last had: “Ondertussen was Mazzini druk in de weer met plannen voor zijn volgende opstand. Dat het een nadeel was dat de vorige telkenmale waren mislukt, scheen hem niet op te vallen.” Mislukkingen echter ook die zelfs de immer doorzettende Orsini uiteindelijk op zijn systeem begonnen te werken. Mislukkingen die hem deden besluiten zijn geestelijke leider af te vallen en met een knal te gaan. Hij had immers geen plan voorzien voor ná de aanslag op Napoleon. Een aanslag die, zoals gezegd, uiteindelijk wél tot het beoogde effect leidde. Eind goed, al goed dus. Toch voor de onafhankelijkheid van Italië.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !