maandag 9 maart 2026

Maximiliaan Robespierre, de moordenaar van de Franse Revolutie – Ralph Korngold (boekbespreking door Björn Roose)

Maximiliaan Robespierre, de moordenaar van de Franse Revolutie – Ralph Korngold (boekbespreking door Björn Roose)
Om maar meteen enige mogelijke verwarring uit de wereld te helpen: Maximiliaan Robespierre, de moordenaar van de Franse Revolutie is de titel die ík koos voor dit boek van Ralph Korngold. Uit de ‘voorgestelde’ mogelijkheden weliswaar. Laat ons immers wel wezen, rond de eigenlijke titel kan enige onzekerheid bestaan. Zélfs als we het alleen maar over deze in 1986 bij Uitgeverij Kadmos verschenen vertaling hebben. Binnenin het boek is de titel namelijk wel degelijk Maximiliaan Robespierre, ondertitel De moordenaar van de Franse Revolutie, maar op de cover en de rug heet het simpelweg Robespierre, ondertitel De moordenaar van de Franse Revolutie. Als oorspronkelijke titel van het boek waarop deze vertaling gebaseerd is, staat er dan simpelweg vermeld Maximilien Robespierre, maar ook dat kan niet kloppen. Als het uit het Frans vertaald is (wat kan, gezien Korngolds boek eerst in het Frans is verschenen), dan zou die titel Robespierre, le premier des dictateurs modernes geweest zijn; als het uit het Engels vertaald is (de taal waarin het boek naderhand vertaald werd) Robespierre: First Modern Dictator. Het is me dus niet duidelijk of de voornaam van de dictator in de titel er alleen maar bij gekomen is in deze Nederlandstalige versie (al staat ze zeker niet op de binnenpagina van de Engelse), maar door dat te doen (én van de ondertitel niet ‘De eerste moderne dictator’ of iets dergelijks te maken, maar De moordenaar van de Franse Revolutie) heeft de uitgever in ieder geval óók zijn steentje bijgedragen aan de onduidelijkheid die Korngold zelf schijnt te willen zaaien hebben. Met betrekking tot het onderwerp van dit boek, zou ik zeggen, maar ook met betrekking tot zichzelf.

Ralph Korngold is namelijk óók een biografie waard, zij het geen van zo’n driehonderdzeventig bladzijden (zoals degene die hij schreef over Robespierre). Hij werd geboren in Warschau in 1882, als zoon van een Poolse jodin en een Nederlandse jood (met het enigszins voor de hand liggende beroep van diamanthandelaar). Hij bracht het grootste deel van zijn jeugd vervolgens in Amsterdam door, waar hij vanaf zijn zeventien jaar meewerkte aan De Telegraaf en op zijn negentien jaar een prijs won voor een in De Twintigste Eeuw (een literaire krant, geen tijdvak) gepubliceerd kortverhaal. Op zijn eenentwintigste verhuisde hij naar de Verenigde Staten om daar aan de slag te gaan als buitenlands correspondent voor De Telegraaf, een bezigheid die hem kennelijk een vijftal jaar later (in 1908 dus) inspireerde tot het lid worden van de Socialist Party of America, een marxistische partij die in 1901 gesticht was (en er pas met oudejaar 1972 het bijltje zou bij neerleggen), waarvoor hij ook zou gaan schrijven in de Chicago Daily Socialist. Vanaf 1911 begon hij de Verenigde Staten rond te trekken als spreker voor de partij; in 1912 trouwde hij met partijgenote Janet Fenimore; in 1914 werd hij verantwoordelijke voor de afdeling Literatuur en bedrijfsleider van het wekelijkse nationale nieuwsblad The American Socialist; en in datzelfde jaar… verliet hij de ‘beweging’. Waarna hij in één – bad pun intended – beweging naar de andere kant van het politieke spectrum trok en baas werd van een succesvolle zaak in bestek, en zo genoeg geld wist binnen te rijven om zich daar verder even niet mee te moeten bezighouden. In 1924 trok hij naar de Franse Rivièra, in de hoop daar een succesvol fictieschrijver te worden, maar dat leverde hem in de eerste plaats de scheiding van zijn vrouw (en zoon) op en vervolgens de noodzaak terug te keren naar de Verenigde Staten om daar terug in zaken te gaan. Na drie jaar, in 1933, was hij er echter in geslaagd financieel weer boven water te komen, en trok hij opnieuw naar Frankrijk om daar dit keer een carrière te beginnen als non-fictieschrijver, een voornemen waaruit in de eerste plaats Robespierre: le premier des dictateurs modernes voortvloeide, en opnieuw te trouwen, dit keer met een Hongaarse jodin, Piri Helen Ozer. Een huwelijk dat, wegens de Duitse inval in Frankrijk, al snel gevolgd werd door een nieuwe emigratie naar de Verenigde Staten, waar Korngold opnieuw een carrière als zakenman opnam en wel tot een hartaanval in 1946 hem dwong met pensioen te gaan, een gebeurtenis die hem er toe aanzette een derde loopbaan als schrijver aan te vatten.

Van die bezigheden, én van de bezigheden in zijn eerdere jaren, bleef genoeg bewaard om een en ander op te nemen in de collectie van The Newberry, een in Chicago gevestigd cultureel instituut, maar ook zónder dat begrijpt u allicht al wat ik bedoelde als ik eerder in deze bespreking schreef dat Korngold ook over zichzelf verwarring zaaide. Communist of kapitalist, zakenman of schrijver, Amerikaan of Europeaan, Korngold leek afwisselend allerlei kanten op te gaan en dat is ook iets wat hij frequent heeft gedaan in deze biografie van Maximiliaan Robespierre, in de woorden van Wikipedia “Frans advocaat, staatsman en lid van de Nationale Conventie en van het Comité de salut public, tijdens de Franse Revolutie”, organisator van de Terreur, en “verantwoordelijk voor een groot aantal arrestaties en slachtoffers door de guillotine”, maar volgens Korngold altijd welmenend, eerlijk waar anderen dat niet waren, voor de gek gehouden door de stouteriken rond hem (“De samenzwering om Robespierre ten val te brengen is op touw gezet door mannen ‘die verzadigd waren van bloed en roof’ en die Robespierre ter verantwoording wilden roepen voor al het machtsmisbruik waaraan zij zich als proconsuls schuldig hadden gemaakt”), en altijd weer ziek of op andere wijze geheel van het toneel verdwenen als anderen, al dan niet in zijn naam, misdaden begingen (nadat hij zo’n zes weken in Atrecht gedaan heeft alsof hij niet bestond, keert hij op 28 november 1791 terug naar Parijs, een reis waarvan Korngold durft beweren dat het “wel erg belangrijk voor hem [moet] zijn geweest om op de hoogte te komen van de stand van zaken, want hoe lang en vermoeiend de reis van Atrecht naar Parijs per diligence ook was geweest, toch verscheen hij nog dezelfde avond in de Jakobijnenclub”). Een beeld dat Korngold weet te bewerkstelligen door telkens een passende ‘take’ op een gebeurtenis te bezigen, een ‘take’ die de ene keer geheel tegen de logica van die van een andere keer kan ingaan, een ‘take’ die er moet toe leiden dat de lezer aan het einde van de biografie de conclusie kan trekken die Korngold in zijn Inleiding al trekt: “De meeste geschiedschrijvers zijn van mening dat de Franse Revulutie [sic] met de val van Robespierre geëindigd is. Zij hebben gelijk. De gemeenschap had toen voor een tijd haar politiek evenwicht ongeveer gevonden. Robespierres bekwame leiding had aan de werkende klasse een veel grotere politieke invloed gegeven dan haar economische positie wel toestond. Hijzelf was zich daarvan bewust en in de Wetten van Ventôse probeerde hij aan de vierde stand een steviger economische grondslag te geven. Die poging faalde en onvermijdelijk volgde zijn val.” Robespierre als jammerlijk gefaalde held van de werkende klasse dus, een soort protomarxist, iemand “aan wiens eerlijkheid bijna geen geschiedschrijver heeft getwijfeld” en wiens “bedoelingen (…) zuiver zijn geweest”, een man die er bovendien niet kon aan doen als hij al eens een fout pad koos, een “tijdelijke inzinking” had, want “maar weinigen van ons kunnen met zekerheid weten hoe zij zouden handelen, wanneer hun onder buitengewone omstandigheden een grote macht in handen was gegeven.” Alsof Robespierre die macht niet eens gewild heeft, alsof hij niet de keuze heeft gehad die niet te grijpen, alsof hij per ongeluk op het voorplan kwam te staan, alsof hij een Chinese vrijwilliger was.

Een Chinese vrijwilliger van wie Korngold de diepste zieleroerselen bij mekaar weet te verzinnen overigens: “Toen zijn moeder stierf, was hij nog geen zeven jaar oud, te jong om diep getroffen te worden, maar zijn vaders dood wierp een schaduw over hem. Hij werd stil, in zichzelf gekeerd. De gedachte aan die eenzame dood en dat ontwrichte leven scheen hem niet los te laten. Zijn houding tegenover zijn broertje en zusjes werd bijna vaderlijk, alsof hij voelde dat op hem, de oudste, een deel van de verantwoordelijkheid was overgegaan.” Een idee dat andere, kennelijk óók van de innerlijke diepten van de jonge Robespierre op de hoogte, schrijvers niet deelden – die noemden hem “een slechtgehumeurde, heerszuchtige jongen, die geen kritiek kon verdragen” -, maar die anderen waren, volgens Korngold, en allicht in tegenstelling tot hemzelf, “niet geheel onbevooroordeeld”. En waarschijnlijk ook totaal niet zo goed geïnformeerd als Korngold, want die heeft zelfs gezien/geweten dat Robespierre in zijn studententijd tijdens de “godsdienstoefeningen (…) zijn gebedenboek in de hand [hield] zonder de bladzijden om te slaan” en dat “zijn lippen (…) niet [bewogen]”, wat zo niet van totale onbevooroordeeldheid dan toch van een tot in de details gaande kennis van zelfs Robespierres op dat moment voor anderen volkomen incognito bestaan getuigt. En dat terwijl… Korngold een paar bladzijden verder genoegen neemt met het zo goed als niks ‘weten’ over de amoureuze verhoudingen van zijn onderwerp: “(…) hoe de aard van deze liefdesbetrekkingen ook was, van veel betekenis kunnen zij niet geweest zijn. Robespierre was een geboren asceet. Zijn houding tegenover vrouwen was ironisch. Geen revolutionair is meer door vrouwen aanbeden en heeft zich onverschilliger ten opzicht van hen betoond.” “Ironisch” zoals Korngold in volgend stukje tekst, durft een mens dan hopen: “In die dagen schreef hij gedichten, die hij voor zijn medeleden reciteerde. Een dozijn van deze gedichten is bewaard gebleven. Zij zijn een afdoende bewijs dat hij geen dichter is geweest”. Of “ironisch” zoals een mens geneigd is dit kort daarna volgende stukje te beschouwen?: “Kort nadat hij naar Atrecht was teruggekeerd, had de bisschop hem tot rechter in de Kerkelijke Rechtbank benoemd. Het was geen bijzonder belangrijk ambt. Toch kon het gebeuren dat er een doodvonnis uitgesproken moest worden. Toen zich ten slotte werkelijk zo’n geval voordeed (het ging om een moordenaar) was hij vreselijk van streek en twee dagen en nachten lang kon hij nauwelijks eten of slapen. Hij liep in zijn kamer op en neer en herhaalde voortdurend: ‘De man is een schurk. Hij verdient te sterven. Maar, een mens te doden! Een mens te doden!’ Dit voorval is ons door Charlotte [zijn zus, noot van mij] verteld en haar vermelding van zijn weerzin tegen het tekenen van een doodvonnis wordt bevestigd in een brief van zijn mederechter Guffroy. Maar er is geen enkel bewijs dat hij daarom ontslag uit zijn ambt heeft genomen, zoals Charlotte ons graag wilde doen geloven.” Allicht niet, want Robespierre was niet alleen een hypocriet in de zin dat hij, de man wiens “lippen (…) niet bewogen” als er gebeden werd, een ambt bij een kerkelijke rechtbank opnam, maar ook als het om het ombrengen van mensen ging. Zelf heeft hij bij mijn weten nooit iemand vermoord, maar er is geen enkel teken van te vinden dat hij er een probleem mee had het een ander te laten doen. Zelfs niet om het bevel te geven het te doen, al vindt hij dan wel weer een ander om dat ook uit te spreken: “Hoewel het voorstel om de koning zonder proces terecht te stellen door Saint-Just werd gedaan, stamt het ongetwijfeld van Robespierre”. “Toch was hij geen aanhanger van geweld”, schrijft Korngold dan, “Dit was in strijd met zowel zijn temperament als zijn methode.”

Geen probleem om zoiets te verkondigen uiteraard als je even later, bij het bespreken van Robespierres uitroep “Weg met de koloniën!”, verklaart dat dat “zuivere retoriek” was en dat Robespierre “bij verschillende gelegenheden idealisme dat zich van realisme had losgemaakt, afkeurde”. Een theorie die Korngold dan weer helemaal omkeert als hij het heeft over het feit dat Robespierre “zijn stem niet [verhief]” toen er een wet werd voorgesteld (en aanvaard) “waarbij stakingen en zelfs verenigingen, zowel van werklieden als van werkgevers, verboden werden”: “Hoewel hijzelf nog ver van de macht verwijderd was, verwachtte hij toch dat het niet lang meer zou duren voor de regering in handen van het volk zou overgaan en hij wilde niet dat dit door speciale belangen zou worden belemmerd; zelfs niet door de speciale belangen van de arbeiders. Hij hoopte het arbeidersprobleem met politieke middelen te kunnen oplossen.” De ene keer moet idealisme wijken voor ‘realisme’, de andere keer realiteit voor ‘idealisme’, Korngold weet er altijd wel een draai aan te geven. Zoals hij een draai weet te geven aan het gedraai van Robespierre rond een keuze voor een koninkrijk of een republiek en de vrijheid van meningsuiting (“Natuurlijk bestond er een indirecte censuur. Redacteurs merkten al spoedig dat zij ter verantwoording geroepen werden als zij bepaalde grenzen overschreden en gedroegen zich daarnaar”), zijn bewuste afwezigheid bij de moordpartij op het Marsveld en de aanval op de Tuilerieën (“Toen de moorden plaatsvonden, is hij eenvoudig de hele dag thuisgebleven”, want “hij [had] geen enkele reden om naar het Champ de Mars te komen”), de Terreur (“Hij was overtuigd van de noodzaak van de Terreur en waarschijnlijk zou hij die ook zonder de aanval van de Hébertisten hebben ingevoerd” – door mij schuin gedrukte delen), zijn aan Hitlers omgang met de SA doen denkende manoeuvre rond het “nationale leger” (“Hij vond het wel degelijk nodig, ten minste voor een bepaalde tijd. Later kwam hij tot de overtuiging dat het een gevaar voor de staat was en liet het ontbinden”), enzovoort, enzoverder. “Hem te beschuldigen van ontrouw aan grondbeginselen, omdat hij voorstander was van maatregelen die hij onder andere omstandigheden had afgekeurd, zou betekenen hem kwalijk te nemen dat hij een praktische idealist was”, weet Korngold op een zeker moment zelfs uit zijn pen te wringen. Wat toch bijna zo gek is als het neerpennen van de zin “Hij heeft elk misbruik van de Terreur, de slachting in het blinde weg, veroordeeld en heeft zich tegen iedere wraakneming, zowel van particulieren als van staatswege, verzet” kort na deze passage: “Robespierre en Saint-Just stelden nu plannen op om deze nieuwe sociale klasse te scheppen en tegelijkertijd de armoede te bestrijden. Zij wilden de bezittingen van rijke royalisten en burgers die vijandig tegenover de republiek stonden, confisqueren en ze onder arme republikeinen verdelen (…) Dit is de betekenis van de Lois de Ventôse, de meest revolutionaire wetten die gedurende de Franse Revolutie zijn aangenomen en die door Robespierre en Saint-Just zijn voorgesteld. Op dat ogenblik bevatten de Franse gevangenissen een grote menigte royalistische verdachten. Desmoulins schatte hun aantal op tweehonderdduizend. Mathiez, die een speciale studie van dit onderwerp heeft gemaakt, schatte het aantal een keer op honderd-, een andere keer op driehonderdduizend. Robespierre en Saint-Just stelden nu voor afzonderlijke commissies te benoemen, die de macht zouden krijgen deze verdachten te selecteren om vrijgelaten, gedeporteerd of naar het Tribunal Révolutionnaire verwezen te worden. De bezittingen van de gedeporteerden en van hen die door het Tribunal veroordeeld waren, zouden worden geconfisqueerd en verdeeld onder behoeftige burgers (…)”.

“Het is niet mogelijk Brissots [bedoeld wordt Jacques Pierre Brissot, een van de leiders van de girondijnen, noot van mij] redevoeringen te lezen zonder getroffen te worden door zijn verbluffende inconsequentie”, schrijft Korngold op pagina 138. Een passage die ik aanduidde omdat me tegen dan al lang Korngolds eigen “verbluffende inconsequentie” was duidelijk geworden. Het enige waarin hij zich wél consequent toont, is in zijn vasthoudendheid om Robespierres acties en niet-acties recht te lullen én… in het feit dat hij Robespierre niet voor een democraat houdt, en dat hij zelfs in tegenstelling met zijn ideeën over democratie handelde: “Het ligt (…) in de lijn van Robespierres filosofie dat een verlichte minderheid de ziel van het volk kan belichamen en dus het recht heeft, indien nodig, ten behoeve van het volk op te treden. De betekenis van zo’n opvatting is duidelijk genoeg. Ontdaan van zijn metafysische jasje, is het de grondslag van zowel de moderne communistische als de fascistische leer en juist de ontkenning van democratie. Voor Robespierre werd die verlichte minderheid gevormd door de Jacobijnen, de Commune, de werklieden uit de voorsteden. En hij was des te meer geneigd in hun zending te geloven, omdat zij uitsluitend tussenbeide kwamen om hem te steunen.” “Hij is nog altijd de verdediger van de armen en de verdrukten”, heet het verder, “maar beschouwt zichzelf steeds meer als bij uitstek geschikt voor deze taak, daartoe als het ware door de godheid aangewezen; steeds dieper zal hij zich beledigd voelen wanneer iemand de geringste twijfel daaromtrent laat blijken. Zijn eerbied voor het volk – zijn overtuiging dat de stem van het volk de stem van God is – is verstard tot een dogma, waarin hij in zijn hart niet meer gelooft. Wat hij blijft geloven, is dat ‘de deugd altijd in de minderheid is geweest’. Steeds meer zal hij op de ‘verlichte minderheid’ steunen, maar hij zal deze alleen verlicht vinden als die het met hem eens is.” “Het was (…) noodzakelijk om de kans te wagen”, schrijft Korngold ten slotte, als Robespierre de ultieme putsch binnen de putsch wil uitvoeren, vóór zijn mede-revolutionairen hém aan de kant zetten, “want die overwinning [die bij Fleurus, waar de Franse revolutionaire troepen een inval in Frankrijk hadden afgeslagen, noot van mij] bracht de dag waarop het Gouvernement Révolutionnaire zou moeten aftreden, dichterbij. Wilde hij dus de Jakobijnse Republiek op een duurzame grondslag vestigen en de Witte Terreur afwenden, dan was er geen tijd te verliezen.”

Er valt dus wel een en ander aan te merken op de manier waarop Korngold het leven van Robespierre heeft ingekleurd. “Waar lof op zijn plaats scheen, heb ik die onvoorwaardelijk gegeven”, schrijft hij in zijn Inleiding, maar de stelling “(…) hoewel ik mij niet van kritiek onthoud, [heb ik] mijn onderwerp benaderd (…) met het verlangen te begrijpen en te verklaren, meer dan te kritiseren en te veroordelen” dient met enige omzichtigheid benaderd te worden: dat “verlangen” heeft zich kennelijk gematerialiseerd in de dubbelzinnige aanpak waarvan ik hierboven enige voorbeelden gaf.

Maar, en die ‘maar’ is belangrijk, Korngold heeft met dit boek wel een werk afgeleverd waarin het kluwen van de Franse Revolutie enigszins begrijpbaar wordt weergegeven. Een kluwen - “Wat een grimmige ironie is er gelegen in de golvende beweging van een revolutie! Eens hadden de Girondijnen de koning in de Tuilerieën belegerd. Nog geen jaar later waren zijzelf door Robespierre ingesloten en nu zou Robespierre datzelfde lot ondergaan!” - bestaande uit ‘Jakobijnen’ en ‘Girondijnen’ (benamingen waarvan de auteur de oorsprong onderweg ook uitlegt), Feuillants, “ultra-terroristen”, Fédérés, de Plaine en de Montagne, de Enragés, Danton en de Dantonisten, Hébert en de Hébertisten, facties en fracties waaraan je van op enige afstand anders kop noch staart kan krijgen. Bovendien zie je naast en rond en tegenover Robespierre figuren opduiken als Marie-Joseph Paul Yves Roch Gilbert du Motier ofte markies de La Fayette (voor wie Korngold de in de Verenigde Staten gebruikelijke naam Lafayette bezigt), Manon Roland, Lucie Simplice Camille Benoist Desmoulins, Anacharsis Cloots (“tot de minst bewonderenswaardige eigenschappen van Robespierre behoorde de onmacht om te kunnen erkennen dat ook een tegenstander eerlijke bedoelingen kon hebben”), Pierre-Joseph Cambon (“De grootste fout, die hem dan ook noodlottig is geworden, was echter dat hij de beschuldigden niet bij name noemde, behalve dan Cambon, en die had hij er juist buiten moeten laten”), de Zwitser Jean-Paul Marat (“een wanstaltige dwerg, nog geen anderhalve meter hoog, met kromme benen, brede borst en schouders, een korte, dikke hals en een mager, verwrongen gezicht”, die “om hoofden en om steeds meer hoofden [riep]”), of – omdat ik ze niet allemaal kan opnoemen – Robespierres naaste vriend Louis-Antoine Léon de Saint-Just (“Wanneer Saint-Just op het toneel verschijnt, dan voelt de biograaf van Robespierre voor het eerst dat dit een persoonlijkheid is die, hadden de voorvallen van negen thermidor niet plaatsgegrepen, misschien van meer betekenis was geworden dan de ‘Onomkoopbare’”), wier levens hier natuurlijk niet zo in detail beschreven worden als dat van het onderwerp van deze biografie, maar ook allemaal een rol hebben gespeeld in het geharrewar. Een index zou nuttig geweest zijn, maar het pleit in ieder geval voor Korngolds werk dat hij ook aan elk van hen de nodige aandacht heeft besteed.

Voor wie tussen de lijntjes van Ralph Korngolds gebrek aan objectiviteit kan en wil lezen (iets wat per slot van rekening voor elke biografie moet gedaan worden), en voor zichzelf enige helderheid wil scheppen in voornoemd kluwen, is Maximiliaan Robespierre, de moordenaar van de Franse Revolutie dus zeker het lezen waard.

Björn Roose


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !