De vorige twee boeken die ik van Leo Derksen besprak, Geef
mijn portie maar aan fikkie en De kater van tante Agaath,
waren bundelingen van cursiefjes, dus had ik voorliggend Help, ik
ga de pijp uit (verschenen in 1976 bij Teleboek bv) in de
boekenkasten met dat soort werkjes gezet, maar dat was ten onrechte:
de delen een tot en met veertien, allemaal dus, zijn
geen bijzonder getitelde cursiefjes, maar échte hoofdstukken.
Hoofdstukken van een boek waarover op de achterflap, behalve met
betrekking tot de auteur, alleen maar volgende uitleg te lezen is: “
‘Ga maar naar huis,’ zei de dokter. ‘Je mankeert niets.’
‘Maar ik ga dood,’ riep ik. ‘Dat is dan ook de enige zekerheid,
die ik je kan geven,’ zei hij. Wie in dit boek dus zichzelf meent
te herkennen, heeft dan ook onmiddellijk gelijk.”
Die uitleg kan enigszins treurig lijken, maar geeft ook meteen aan wat
het hoofdpersonage van dit, door Nico Rolle (overleden in 1976) van
een hele hoop illustraties voorziene, boek werkelijk mankeert:
hypochrondrie. Voor wie geen daar aan lijdende lieden, hypochonders
genaamd, zou kennen: ziektevrees. Ofte (en ik haal er voor het gemak
even Wikipedia bij) “een stoornis waarbij een persoon ervan
overtuigd is een ernstige ziekte te hebben. Allerlei gewone of
onschuldige lichamelijke verschijnselen worden gezien als teken van
een ernstige ziekte, zoals een steek, jeuk of kramp. Dit kan
bijvoorbeeld leiden tot uitgebreid zoeken op internet naar de
vermeende ziekte of het dwangmatig checken van het eigen lichaam. Als
een arts de patiënt heeft onderzocht en de patiënt probeert gerust
te stellen, heeft dit vaak alleen kortdurend, of helemaal geen effect.”
Het hoofdpersonage krijgt dat pas op de voorlaatste pagina van dit
honderdzesentwintig bladzijden dikke boekje te horen – niet dat dat
wat helpt overigens, wat dan weer, zoals hierboven aangegeven, tot de
verwachtingen behoort -, terwijl de lezer het (als ie een beetje bij
zijn verstand is) al van bij de eerste hoofdstukken door heeft, en
het bedient zich ook niet van het internet (wegens toen nog in zijn
kinderschoenen) maar van Coëlho’s Zakwoordenboek der
Geneeskunde, een naslagwerkje met daarin zo’n veertigduizend
medische termen dat intussen ook als app bestaat (een handige tip voor mocht u zelf neigingen tot hypochondrie
hebben), maar in de honderdvierentwintig pagina’s daarvóór (en in
die ene pagina daarna) zijn de avonturen ervan meer dan eens
‘buikpijnwekkend’ hilarisch (om de terminologie te gebruiken die
De Telegraaf, waarvoor hij van 1974 tot 1988 schreef, bezigde
in zijn in memoriam).
Met een hypochonder leven zal dat ongetwijfeld niét zijn, maar zelfs van
dát gegeven, samen met het feit dat de hele familie meegaat in het
ziektebeeld (of beter: de opeenvolging van ziektebeelden), weet
Derksen met de gortdroge stijl die hij doorheen het hele boek
hanteert een aanleiding tot voortdurend schuddebuiken te maken.
Passages die die bewering kunnen staven uit dit boek halen is
verliezen, want kiezen is verliezen, maar ik neem er toch maar eentje
uit hoofdstuk een om dat te doen: “De nutteloosheid van mijn
bestaan had ik al enige tijd vermoed, en het thans gerijpte besef dat
ik zou kunnen sterven deed een grote vreugde in mij ontstaan:
hierdoor immers zou ik verlost worden van de gedwongenheid van het
leven. Opgewekt ging ik dus een onderzoek instellen naar het aantal
mogelijkheden waarop wij kunnen overlijden. Het resultaat was
bemoedigend. Mijn lichaam bleek zo ingewikkeld geconstrueerd, dat het
aantal ziekten met dodelijke afloop zelfs niet door een computer was
vast te stellen. Ik kon dus gerust zijn. Alle pogingen in de wereld
enig aanzien te verwerven kon ik opgewekt staken: ze waren zinloos.”
Wat uiteraard de fase nog net vóór de hypochondrie is: “Wat ik
echter niet besefte was, dat deze vreugde zich zelf zou torpederen.
Sinds jaren had ik mij niet zo opgewekt gevoeld en het was derhalve
onomkoombaar dat ik op een kwade dag het leven plezierig begon te
vinden. De paradox in dit psychisch proces ontging mij, maar de
wetenschap zelf was moordend. Ik had geleerd het leven lief te hebben
vanuit de zekerheid dat er wel spoedig een eind aan zou komen; nu ik
het liefhad wenste ik onder geen beding te sterven.” Waarna het nog
een kleine stap is naar: “Mijn angst had nog geen enkele concrete
rechtvaardiging gevonden. Dat ik iets mankeerde was zeker; het was
alleen zaak een ziekte te zoeken die volkomen bij mijn verschijnselen
paste.” Een ziekte die desnoods te zoeken is in de afwezigheid
daarvan: “Vervolgens ging ik op bed liggen met beide handen aan de
keel en viel in slaap. Ik werd evenwel ook weer wakker. Opnieuw viel
ik in slaap en door een merkwaardige samenloop van omstandigheden
ontwaakte ik eveneens opnieuw. De vanzelfsprekendheid van dit
gebeuren maakte mij echter geheel van streek. Ik meende dat een
thermometer wellicht een aanwijzing kon geven in welke richting ik
mijn naspeuringen diende te richten. Ik riep dus om een thermometer;
maar die was er niet. Alleen een barometer. Deze voorspelde enkel
slecht weer.”
“(…) slecht weer” dat van een vermeend hartprobleem naar “Ik heb een
hersentumor” leidt. Van tante Jeanne die “een schriftelijke
cursus psychologie aan een vermaard instituut” volgt, “dat de
diploma’s bij inschrijving reeds voor verzending gereedhoudt”,
naar tante Cor die “een optrekje [bewoonde] in de villa van een
oude dame, die zij met veel liefde de levensavond hielp verkorten”.
Van een dokter die niet getrouwd was “en wellicht juist daardoor
(…) met drie vrouwen tegelijk uit zijn auto [stapte], precies op
het moment dat ik aan zijn deurbel trok” naar een apotheker met
avonddienst die “een fles bromatum-natrium en een met
bromatum-nog-wat en nog-wat [nam], zodat zij uiteindelijk drie
soorten broom bijeen had waarna zij er nog wat valeriaan aan
toevoegde”. Van “een soort epistolaire reünie” waaruit hij
afleid dat hij “hierdoor vermocht (…) [zijn] gezondheid te
herwinnen, maar [dat] tegelijk (…) [zijn] leven alle kleur [zou]
verliezen, zodat de zinloosheid van deze adviezen al in de resultaten
besloten lag”, naar een volkstuintje waarin hij “verbazingwekkende
kuilen” graaft (en weer dichtgooit). Van de reeds genoemde Coëlho
naar Koenen-Endepols, of toch het door hen in het leven geroepen
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal. Van
neurasthenie naar neurasthenia sexualis. Van tic impulsif,
over tic d’attitude en tic rotataire, naar
torticollis. Van zijn woonplaats naar Vaals, met de fiets, omdat zijn
dokter hem gezegd heeft zomaar ‘nergens heen’ te fietsen, en
vervolgens “naar Rome en Madrid, naar Oslo en Parijs”. Van het
“duivels misverstand” waardoor hij “nog steeds niet gestorven
was” naar weer een nieuwe dokter (een getrouwde, dit keer), die hem
duidelijk maakt dat hij niet zal doodgaan aan een ontstoken
haarzakje. Van ziende blind zijn naar nóg een dokter (“die wel een
eigen vrouw had gehad, maar nu nog slechts een huishoudster bezat,
omdat zijn vrouw inmiddels aan zijn eigen adviezen was overleden”).
Van een de huiskamer in geslingerd “diuretisch hormoon” naar “de
snelheid waarmee een zenuw een prikkel naar de hersenen overbrengt”
(volgens Coëlho “drieëndertig meter per seconde”). Van “kleine
gele vlekjes in mijn keelholte” naar het piepen van het Wilhelmus.
Van de menslievende communist Bitter naar een ijverige dokter (“want
er hing een kapstokje vol met kleine jasjes”), en van weer een
dokter (die hij niet kan omschrijven omdat hij “voornamelijk leefde
in het schimmige donker van een ruimte, waar telkens weer het
onderdrukt gegiechel van een meisje tussen de wanden opklonk” terug
naar zijn eerste dokter (“de zelfde die in eerste instantie achter
mijn oogleden had gekeken, terwijl zijn drie vrouwen giechelend
hadden gewacht”). En ten slotte van zijn eigen divan naar die van
psychiater Frick: “Het is niet duidelijk wat een psychiater precies
beoogt. Ogenschijnlijk sluipt hij voortdurend als een krab om zijn
slachtoffer heen, wachtend op het moment waarop hij het onverhoeds in
de nek kan bijten. Dat moment komt nooit. Het is derhalve schijn. De
psychiater is een beroepsluistervink, die niets anders kan dan wat
laatdunkend lachen. Men hangt de vuile was op aan zijn vrije tijd. En
daarover blijkt hij in ruime mate te beschikken.” “[Ik begon hem]
te vertellen dat ik telkens dacht te zullen doodgaan, bang was blind
te worden, hersentumor te hebben, angina pectoris en een maagzweer
(…) Ik vertelde hem hoe ik als jongen musjes doodschoot met een
kattepult door het wc-raampje en hoe mijn moeder mijn vader onder een
autobus wenste of in de gracht; dat maakte weinig verschil, vond ze,
als hij maar dood was (…) Ik vertelde hem hoe ik als kind in de
kelder zat te huilen omdat het op zolder zo tochtte (…) Ik zei hem
ook dat mijn broer soms bezeten raakte van een vreemde ijver en dan
bordjes vol belegde broodjes door het huis begon te smijten (…) Ten
slotte trof hij mij onder het middenrif: hij wenste te weten wat ik
gewoonlijk met mijn vrouw deed.” Als u niet per se dát wil
vernemen, maar toch hoe elk van die van-naars verloopt, dan
raad ik u ten zeerste de lezing van dit boekje aan. Iets erger dan
een lachkramp kan u er niet aan overhouden.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !