dinsdag 31 maart 2026

Help, ik ga de pijp uit – Leo Derksen (boekbespreking door Björn Roose)

Help, ik ga de pijp uit – Leo Derksen (boekbespreking door Björn Roose)
De vorige twee boeken die ik van Leo Derksen besprak, Geef mijn portie maar aan fikkie en De kater van tante Agaath, waren bundelingen van cursiefjes, dus had ik voorliggend Help, ik ga de pijp uit (verschenen in 1976 bij Teleboek bv) in de boekenkasten met dat soort werkjes gezet, maar dat was ten onrechte: de delen een tot en met veertien, allemaal dus, zijn geen bijzonder getitelde cursiefjes, maar échte hoofdstukken. Hoofdstukken van een boek waarover op de achterflap, behalve met betrekking tot de auteur, alleen maar volgende uitleg te lezen is: “ ‘Ga maar naar huis,’ zei de dokter. ‘Je mankeert niets.’ ‘Maar ik ga dood,’ riep ik. ‘Dat is dan ook de enige zekerheid, die ik je kan geven,’ zei hij. Wie in dit boek dus zichzelf meent te herkennen, heeft dan ook onmiddellijk gelijk.”

Die uitleg kan enigszins treurig lijken, maar geeft ook meteen aan wat het hoofdpersonage van dit, door Nico Rolle (overleden in 1976) van een hele hoop illustraties voorziene, boek werkelijk mankeert: hypochrondrie. Voor wie geen daar aan lijdende lieden, hypochonders genaamd, zou kennen: ziektevrees. Ofte (en ik haal er voor het gemak even Wikipedia bij) “een stoornis waarbij een persoon ervan overtuigd is een ernstige ziekte te hebben. Allerlei gewone of onschuldige lichamelijke verschijnselen worden gezien als teken van een ernstige ziekte, zoals een steek, jeuk of kramp. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot uitgebreid zoeken op internet naar de vermeende ziekte of het dwangmatig checken van het eigen lichaam. Als een arts de patiënt heeft onderzocht en de patiënt probeert gerust te stellen, heeft dit vaak alleen kortdurend, of helemaal geen effect.”

Het hoofdpersonage krijgt dat pas op de voorlaatste pagina van dit honderdzesentwintig bladzijden dikke boekje te horen – niet dat dat wat helpt overigens, wat dan weer, zoals hierboven aangegeven, tot de verwachtingen behoort -, terwijl de lezer het (als ie een beetje bij zijn verstand is) al van bij de eerste hoofdstukken door heeft, en het bedient zich ook niet van het internet (wegens toen nog in zijn kinderschoenen) maar van Coëlho’s Zakwoordenboek der Geneeskunde, een naslagwerkje met daarin zo’n veertigduizend medische termen dat intussen ook als app bestaat (een handige tip voor mocht u zelf neigingen tot hypochondrie hebben), maar in de honderdvierentwintig pagina’s daarvóór (en in die ene pagina daarna) zijn de avonturen ervan meer dan eens ‘buikpijnwekkend’ hilarisch (om de terminologie te gebruiken die De Telegraaf, waarvoor hij van 1974 tot 1988 schreef, bezigde in zijn in memoriam).

Met een hypochonder leven zal dat ongetwijfeld niét zijn, maar zelfs van dát gegeven, samen met het feit dat de hele familie meegaat in het ziektebeeld (of beter: de opeenvolging van ziektebeelden), weet Derksen met de gortdroge stijl die hij doorheen het hele boek hanteert een aanleiding tot voortdurend schuddebuiken te maken. Passages die die bewering kunnen staven uit dit boek halen is verliezen, want kiezen is verliezen, maar ik neem er toch maar eentje uit hoofdstuk een om dat te doen: “De nutteloosheid van mijn bestaan had ik al enige tijd vermoed, en het thans gerijpte besef dat ik zou kunnen sterven deed een grote vreugde in mij ontstaan: hierdoor immers zou ik verlost worden van de gedwongenheid van het leven. Opgewekt ging ik dus een onderzoek instellen naar het aantal mogelijkheden waarop wij kunnen overlijden. Het resultaat was bemoedigend. Mijn lichaam bleek zo ingewikkeld geconstrueerd, dat het aantal ziekten met dodelijke afloop zelfs niet door een computer was vast te stellen. Ik kon dus gerust zijn. Alle pogingen in de wereld enig aanzien te verwerven kon ik opgewekt staken: ze waren zinloos.” Wat uiteraard de fase nog net vóór de hypochondrie is: “Wat ik echter niet besefte was, dat deze vreugde zich zelf zou torpederen. Sinds jaren had ik mij niet zo opgewekt gevoeld en het was derhalve onomkoombaar dat ik op een kwade dag het leven plezierig begon te vinden. De paradox in dit psychisch proces ontging mij, maar de wetenschap zelf was moordend. Ik had geleerd het leven lief te hebben vanuit de zekerheid dat er wel spoedig een eind aan zou komen; nu ik het liefhad wenste ik onder geen beding te sterven.” Waarna het nog een kleine stap is naar: “Mijn angst had nog geen enkele concrete rechtvaardiging gevonden. Dat ik iets mankeerde was zeker; het was alleen zaak een ziekte te zoeken die volkomen bij mijn verschijnselen paste.” Een ziekte die desnoods te zoeken is in de afwezigheid daarvan: “Vervolgens ging ik op bed liggen met beide handen aan de keel en viel in slaap. Ik werd evenwel ook weer wakker. Opnieuw viel ik in slaap en door een merkwaardige samenloop van omstandigheden ontwaakte ik eveneens opnieuw. De vanzelfsprekendheid van dit gebeuren maakte mij echter geheel van streek. Ik meende dat een thermometer wellicht een aanwijzing kon geven in welke richting ik mijn naspeuringen diende te richten. Ik riep dus om een thermometer; maar die was er niet. Alleen een barometer. Deze voorspelde enkel slecht weer.”

“(…) slecht weer” dat van een vermeend hartprobleem naar “Ik heb een hersentumor” leidt. Van tante Jeanne die “een schriftelijke cursus psychologie aan een vermaard instituut” volgt, “dat de diploma’s bij inschrijving reeds voor verzending gereedhoudt”, naar tante Cor die “een optrekje [bewoonde] in de villa van een oude dame, die zij met veel liefde de levensavond hielp verkorten”. Van een dokter die niet getrouwd was “en wellicht juist daardoor (…) met drie vrouwen tegelijk uit zijn auto [stapte], precies op het moment dat ik aan zijn deurbel trok” naar een apotheker met avonddienst die “een fles bromatum-natrium en een met bromatum-nog-wat en nog-wat [nam], zodat zij uiteindelijk drie soorten broom bijeen had waarna zij er nog wat valeriaan aan toevoegde”. Van “een soort epistolaire reünie” waaruit hij afleid dat hij “hierdoor vermocht (…) [zijn] gezondheid te herwinnen, maar [dat] tegelijk (…) [zijn] leven alle kleur [zou] verliezen, zodat de zinloosheid van deze adviezen al in de resultaten besloten lag”, naar een volkstuintje waarin hij “verbazingwekkende kuilen” graaft (en weer dichtgooit). Van de reeds genoemde Coëlho naar Koenen-Endepols, of toch het door hen in het leven geroepen Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal. Van neurasthenie naar neurasthenia sexualis. Van tic impulsif, over tic d’attitude en tic rotataire, naar torticollis. Van zijn woonplaats naar Vaals, met de fiets, omdat zijn dokter hem gezegd heeft zomaar ‘nergens heen’ te fietsen, en vervolgens “naar Rome en Madrid, naar Oslo en Parijs”. Van het “duivels misverstand” waardoor hij “nog steeds niet gestorven was” naar weer een nieuwe dokter (een getrouwde, dit keer), die hem duidelijk maakt dat hij niet zal doodgaan aan een ontstoken haarzakje. Van ziende blind zijn naar nóg een dokter (“die wel een eigen vrouw had gehad, maar nu nog slechts een huishoudster bezat, omdat zijn vrouw inmiddels aan zijn eigen adviezen was overleden”). Van een de huiskamer in geslingerd “diuretisch hormoon” naar “de snelheid waarmee een zenuw een prikkel naar de hersenen overbrengt” (volgens Coëlho “drieëndertig meter per seconde”). Van “kleine gele vlekjes in mijn keelholte” naar het piepen van het Wilhelmus. Van de menslievende communist Bitter naar een ijverige dokter (“want er hing een kapstokje vol met kleine jasjes”), en van weer een dokter (die hij niet kan omschrijven omdat hij “voornamelijk leefde in het schimmige donker van een ruimte, waar telkens weer het onderdrukt gegiechel van een meisje tussen de wanden opklonk” terug naar zijn eerste dokter (“de zelfde die in eerste instantie achter mijn oogleden had gekeken, terwijl zijn drie vrouwen giechelend hadden gewacht”). En ten slotte van zijn eigen divan naar die van psychiater Frick: “Het is niet duidelijk wat een psychiater precies beoogt. Ogenschijnlijk sluipt hij voortdurend als een krab om zijn slachtoffer heen, wachtend op het moment waarop hij het onverhoeds in de nek kan bijten. Dat moment komt nooit. Het is derhalve schijn. De psychiater is een beroepsluistervink, die niets anders kan dan wat laatdunkend lachen. Men hangt de vuile was op aan zijn vrije tijd. En daarover blijkt hij in ruime mate te beschikken.” “[Ik begon hem] te vertellen dat ik telkens dacht te zullen doodgaan, bang was blind te worden, hersentumor te hebben, angina pectoris en een maagzweer (…) Ik vertelde hem hoe ik als jongen musjes doodschoot met een kattepult door het wc-raampje en hoe mijn moeder mijn vader onder een autobus wenste of in de gracht; dat maakte weinig verschil, vond ze, als hij maar dood was (…) Ik vertelde hem hoe ik als kind in de kelder zat te huilen omdat het op zolder zo tochtte (…) Ik zei hem ook dat mijn broer soms bezeten raakte van een vreemde ijver en dan bordjes vol belegde broodjes door het huis begon te smijten (…) Ten slotte trof hij mij onder het middenrif: hij wenste te weten wat ik gewoonlijk met mijn vrouw deed.” Als u niet per se dát wil vernemen, maar toch hoe elk van die van-naars verloopt, dan raad ik u ten zeerste de lezing van dit boekje aan. Iets erger dan een lachkramp kan u er niet aan overhouden.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !