maandag 16 maart 2026

Kinderen van Duin – Frank Herbert (boekbespreking door Björn Roose)

Kinderen van Duin – Frank Herbert (boekbespreking door Björn Roose)
Kinderen van Duin
, ofte het derde deel van de oorspronkelijke, door Frank Herbert geschreven serie Duin. Gelezen zo’n vijf maanden nadat ik het tweede deel, zijnde Duin Messias, gelezen had, wat ik dan weer deed een viertal maanden nadat ik het eerste deel, Duin (zonder meer), las. Ik heb het dus deze keer iéts langer volgehouden vooraleer ik teruggreep naar de serie en dat ik deze, zoals ik in mijn bespreking van het tweede deel nog mogelijk achtte, als geheel zou gelezen hebben tegen pakweg eind augustus van dit jaar (2026), is daarmee minder waarschijnlijk geworden. Niet echter omdat dat niet zou kunnen: ik schrijf deze boekbespreking eind januari en kan zonder enig probleem de drie verdere boeken verslonden hebben tegen half februari. Wel omdat ik graag enige wilskracht aan de dag leg waar het het ‘consumeren’ van mooie dingen betreft (een wilskracht die ik graag ook zou hebben waar het het consumeren van lekkere dingen aangaat) en ook dit derde deel van de Duin-serie onder die noemer gevallen is, wat dus belooft voor de volgende drie delen.

“De leer van Muad’Dib”, ofte Paul Atreides, is, zoals aangegeven op de achterflap van dit derde deel, in 1977 voor het eerst in Nederlandse vertaling verschenen en in september 1996 reeds aan zijn twaalfde druk bij Meulenhoff toe zijnde, “de speelbal geworden van scholastiek, van bijgeloof en corruptie. Hij onderwees een evenwichtige levenswijze, een filosofie waarmee een mens problemen aankan die zich voordoen in een eeuwig-veranderlijk heelal. Hij zei dat de mensheid zich nog steeds ontwikkelt, in een proces waaraan nooit een eind komt. Hij zei dat deze ontwikkeling beweegt volgens veranderlijke uitgangspunten die alleen bekend zijn aan de eeuwigheid. Hoe kon ontaarde logica spelen met zo iets wezenlijks?” U leest de verleden tijd (“onderwees”, “zei”) waar het de acties van de zoon van hertog Leto Atreides I en vrouwe Jessica betreft, een gegeven waarover ik niet meer ga vertellen dan dat u om tot zover mee te zijn ook de eerste twee delen van de serie kan lezen. Maar achter die raadselachtige inleiding komt ook nog de volgende passage: “Met deze waarschuwende woorden van de Mentat Duncan Idaho begint Kinderen van Duin, het derde deel van de heelalsage, waarin na de verdwijning van Paul Muad’Dib zijn kinderen Leto en Ghanima de macht over het heelalrijk in handen nemen.” Een kernachtige zin waarin heel veel informatie zit: 1) er wordt in de vorige zinnen nog in de verleden tijd gesproken over Paul Atreides, maar in deze is hij slechts ‘verdwenen’; 2) Duncan Idaho speelt ook in dit derde deel nog een rol (net zoals Stilgar, vrouwe Jessica, Gurney Halleck, en prinses Irulan overigens, waarbij ik allicht een aantal van de – tot nog toe – vaste waarden vergeet op te noemen); 3) Leto (de kleinzoon van de oorspronkelijke hertog) en Ghanima nemen de macht in handen en hebben hem dus aan het begin van dit boek nog niet. Voeg daar het feit aan toe dat Alia, Pauls zuster, die wél in handen heeft en dus (minstens ten dele) mee verantwoordelijk is voor wat in de “waarschuwende woorden” van Duncan Idaho beschreven wordt, plus het vanzelfsprekende feit dat oude vijandschappen niet zomaar verdwijnen, en u hebt zo ongeveer de toestand op het speelveld bij mekaar aan het begin van dit zo’n vierhonderdvijftig bladzijden dikke boek. Een boek waarin, in tegenstelling tot wat gold voor het tweede deel, géén korte inleiding is voorzien, maar dat – zeker nu ik u die tóch bezorgd heb – zonder onoverkomelijke moeilijkheden ook op zichzelf te lezen valt en ook als dusdanig het lezen waard is.

Waarom? Omdat Kinderen van Duin dan wel op de actie en de omstandigheden van de vorige twee boeken voortbouwt, daarmee in lijn ligt, maar tegelijkertijd ‘nieuwe’ personages de hoofdrol laat spelen, ‘nieuwe’ personages met een andere – soms aan die van de personages in de voorgaande boeken tegenovergestelde – strategie, ‘nieuwe’ personages ook met een andere denkwijze, een denkwijze aangepast aan de intussen veranderde omstandigheden. Waar de planeet Arrakis in het begin van deze serie nog een grote zandbak is, die bijgevolg genoegzaam wordt aangeduid als Duin, is dat intussen door menselijk ingrijpen niet meer zo, wat een ecologisch wonder lijkt te zijn, een wonder dat tussen de acties in de vorige delen ook nagestreefd wordt, maar onvoorziene, absoluut niét nagestreefde gevolgen heeft. Gevolgen die niet ten goede komen van de ‘wormen’ (de wezens die voor de ‘specie’ zorgen) en daarmee ook niet van de mensen (die van het eigendom van en de handel in die ‘specie’ de sterkte van de planeet en het rijk daarrond gemaakt hebben). Een ingreep om de wereld te verbeteren heeft de wereld dus verslechterd op een manier die het spiegelbeeld lijkt van die waarop die wereld en het vanop die wereld bestuurde rijk geestelijk geëvolueerd is. Van een zandbak werd een groene oase gemaakt, wat achteraf een fout lijkt te zijn; uit een droom van voortdurende evolutie werd een woestenij van geestelijke (lees ook: priesterlijke) armoede gecreëerd. Twee fenomenen die verdedigd worden door de regentes, Pauls zus Alia, maar aangevallen door zijn kinderen, Leto en Ghanima, alle drie mensen die – en ook dat zal ik niet toelichten – nooit ‘alleen’ zijn, geestelijke (in de letterlijke zin van het woord) activiteiten ontwikkelen die niet tot het standaard repertorium behoren (en daarom ook een uitdaging vormen voor, bijvoorbeeld, de eerder genoemde ‘mentat’ Duncan Idaho en de orde van de Bene Gesserit, waartoe ook vrouwe Jessica behoort), en daarmee – vooral wat Leto en Ghanima betreft – een potje simultaanschaak spelen op een niveau dat ook de nieuw geïntroduceerde, maar daarom niet noodzakelijk nieuw zijnde, personages niet halen.

Actie genoeg dus, maar door het feit dat de geestelijke schaakborden aan belang toenemen ten opzichte van de fysieke ook een sterkere gelijkenis met, bijvoorbeeld, het ook in mijn vorige Duin-besprekingen genoemde meesterwerk van Isaac Asimov, de Foundation-trilogie. Met dien verstande, en da’s mijn grootste punt van kritiek op Kinderen van Duin, dat Asimov nooit zoals Herbert zo’n danige blabla begon te verkopen dat het leek alsof hij zelf aan de ‘specie’ had gezeten. Ik durf aannemen dat Herbert, zoals hij ook met zijn decor en een niet onbelangrijk deel van zijn personages gedaan heeft, zijn mosterd in een of andere woestijncultuur gaan halen is (een zin als “Deze djedida was aan de woestijn teruggegeven nadat zijn qanat voor de vijfde maal in elf maanden verwoest was”, zegt ter zake genoeg), dat zijn hoogdravende, ‘spirituele’ beschouwingen niet helemaal uit zijn eigen geest zijn gekomen, dat ze er voornamelijk zijn om een soort ingewijdencultus onder zijn lezers te laten ontstaan (een cultus die er voor Duin sowieso al was en nog steeds is), maar als ík diagonaal begin te lezen bij zo’n passages, dan duren ze op zijn minst te lang of erken ik ze voor wat ze zijn: overbodig. Iets wat ik, voor de duidelijkheid, niet vind van de brokjes filosofie die over het hele boek verspreid liggen. Zoiets als “Ambities hebben de neiging onberoerd te blijven door de werkelijkheid”, verdient bijvoorbeeld zonder meer in een citatenboek opgenomen te worden. Hetzelfde met: “Macht moet je gebruiken door hem losjes in de hand te houden. Als je steviger knijpt, betekent dat dat jij in de greep van de macht bent geraakt en dus zijn slachtoffer bent geworden”. Zoals het volgende een enigszins aangepaste richtlijn van Machiavelli zou kunnen zijn: “Een grote bevolking die door een kleine, maar machtige groep wordt bedwongen is in ons heelal een heel gewone situatie. En wij kennen de belangrijkste omstandigheden waarin deze grote bevolking zich tegen zijn onderdrukkers zal keren – Eén: Als ze een leider vinden. Dit is het ongrijpbare gevaar voor de machthebbers; zij moeten de leiders in bedwang houden. Twee: Als de bevolking zich bewust wordt van zijn ketenen. Houd het volk blind en ongeïnteresseerd. Drie: Als de bevolking hoop krijgt aan de dwang te kunnen ontkomen. Ze moeten nooit zelfs maar gaan geloven dat ontkomen mogelijk is!” Wie wil weten waarom onze parlementaire ‘democratie’ werkt, hoeft alleen maar te beseffen dat de bevolking aan geen van deze drie punten voldoet. Wat ook de bedoeling is van die parlementaire ‘democratie’: “Regeringen die stand houden, gaan in toenemende mate neigen naar aristocratische vormen. Er is in de geschiedenis geen regering bekend die aan dit patroon heeft kunnen ontkomen. En naarmate de aristocratie zich ontwikkelt, neigt de regering er steeds meer naar uitsluitend op te treden in het belang van de heersende klasse – of die klasse nu bestaat uit erfelijke vorsten, oligarchen van financiële machten of uit ingegraven bureaucraten”. Dat de poppetjes in de zogenaamd ‘volksvertegenwoordigende’ organen regelmatig wisselen, is daarbij overigens van nul en generlei belang.

Behoort de wijsheid “Als ik zwakker ben dan jij, vraag ik jou om vrijheid omdat dat bij jouw opvattingen hoort; ben ik sterker dan jij, dan neem ik jou je vrijheid af omdat dat bij mijn opvattingen hoort” ook tot die brokjes filosofie? Uiteraard wel. Én tot de keren dat Herbert verwijst naar planeet Aarde (wat hij bijvoorbeeld ook doet als hij Leto zich laat bezig houden met “een herbeschouwing van Chaucers tocht van Londen naar Canterbury waarbij hij vanaf Southwark alle plaatsen opnoemde” of diezelfde Leto iets laat opschrijven over “de gouden dagen (…) van voor Heisenberg, die de mensen liet zie door wat voor muren onze voorbeschikte redeneringen zijn ingesloten”), want van deze woorden zegt hij dat het “Woorden van een filosoof uit de oudheid”, zijn, “door Harq al-Ada toegeschreven aan ene Louis Veuillot”, een echt bestaand hebbende Franse ultramontaanse journalist uit de 19de eeuw. Maar “toegeschreven” staat kennelijk niet duidelijk uitgelegd in het woordenboek voor Wikipedia-schrijvelaars, want daar, in de ‘online encyclopedie’, wordt gezegd dat ze “misattributed” zijn, ten onrechte toegeschreven dus. Wat net het punt is van het genuanceerde woord ‘toeschrijven’. Al helemaal als je het ‘toeschrijven’ aan een ander, bijvoorbeeld ene Harq al-Ada overlaat.

Bij Wikipedia kunnen ze dus (zoals bekend) wel wat wijsheid gebruiken. En met die woorden ga ik deze boekbespreking eindigen. Kwestie van misschien ook ooit nog eens een Harq al-Ada te worden, een “Doorbreker van Gewoonte”, wat betreft het niet tot in het oneindige laten uitdijen van mijn boekbesprekingen. Gewoon lezen, dit Kinderen van Duin, zou ik zeggen, net zoals de vorige twee delen.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !