Kinderen van Duin, ofte het derde deel van de oorspronkelijke,
door Frank Herbert geschreven serie Duin. Gelezen zo’n vijf
maanden nadat ik het tweede deel, zijnde Duin
Messias,
gelezen had, wat ik dan weer deed een viertal maanden nadat ik
het eerste deel, Duin (zonder meer), las. Ik heb het dus deze keer iéts langer volgehouden
vooraleer ik teruggreep naar de serie en dat ik deze, zoals ik in
mijn bespreking van het tweede deel nog mogelijk achtte, als geheel
zou gelezen hebben tegen pakweg eind augustus van dit jaar (2026), is
daarmee minder waarschijnlijk geworden. Niet echter omdat dat niet
zou kunnen: ik schrijf deze boekbespreking eind januari en kan zonder
enig probleem de drie verdere boeken verslonden hebben tegen half
februari. Wel omdat ik graag enige wilskracht aan de dag leg waar het
het ‘consumeren’ van mooie dingen betreft (een wilskracht die ik
graag ook zou hebben waar het het consumeren van lekkere
dingen aangaat) en ook dit derde deel van de Duin-serie onder
die noemer gevallen is, wat dus belooft voor de volgende drie delen.
“De leer van Muad’Dib”, ofte Paul Atreides, is, zoals
aangegeven op de achterflap van dit derde deel, in 1977 voor het
eerst in Nederlandse vertaling verschenen en in september 1996 reeds
aan zijn twaalfde druk bij Meulenhoff toe zijnde, “de
speelbal geworden van scholastiek, van bijgeloof en corruptie. Hij
onderwees een evenwichtige levenswijze, een filosofie waarmee een
mens problemen aankan die zich voordoen in een eeuwig-veranderlijk
heelal. Hij zei dat de mensheid zich nog steeds ontwikkelt, in een
proces waaraan nooit een eind komt. Hij zei dat deze ontwikkeling
beweegt volgens veranderlijke uitgangspunten die alleen bekend zijn
aan de eeuwigheid. Hoe kon ontaarde logica spelen met zo iets
wezenlijks?” U leest de verleden tijd (“onderwees”, “zei”)
waar het de acties van de zoon van hertog Leto Atreides I en vrouwe
Jessica betreft, een gegeven waarover ik niet meer ga vertellen dan
dat u om tot zover mee te zijn ook de eerste twee delen van de serie
kan lezen. Maar achter die raadselachtige inleiding komt ook nog de
volgende passage: “Met deze waarschuwende woorden van de Mentat
Duncan Idaho begint Kinderen van Duin, het derde deel van de
heelalsage, waarin na de verdwijning van Paul Muad’Dib zijn
kinderen Leto en Ghanima de macht over het heelalrijk in handen
nemen.” Een kernachtige zin waarin heel veel informatie zit: 1) er
wordt in de vorige zinnen nog in de verleden tijd gesproken over Paul
Atreides, maar in deze is hij slechts ‘verdwenen’; 2) Duncan
Idaho speelt ook in dit derde deel nog een rol (net zoals Stilgar,
vrouwe Jessica, Gurney Halleck, en prinses Irulan overigens, waarbij
ik allicht een aantal van de – tot nog toe – vaste waarden
vergeet op te noemen); 3) Leto (de kleinzoon van de oorspronkelijke
hertog) en Ghanima nemen de macht in handen en hebben hem dus aan het
begin van dit boek nog niet. Voeg daar het feit aan toe dat Alia,
Pauls zuster, die wél in handen heeft en dus (minstens ten dele) mee
verantwoordelijk is voor wat in de “waarschuwende woorden” van
Duncan Idaho beschreven wordt, plus het vanzelfsprekende feit dat
oude vijandschappen niet zomaar verdwijnen, en u hebt zo ongeveer de
toestand op het speelveld bij mekaar aan het begin van dit zo’n
vierhonderdvijftig bladzijden dikke boek. Een boek waarin, in
tegenstelling tot wat gold voor het tweede deel, géén korte
inleiding is voorzien, maar dat – zeker nu ik u die tóch bezorgd
heb – zonder onoverkomelijke moeilijkheden ook op zichzelf te lezen
valt en ook als dusdanig het lezen waard is.
Waarom? Omdat Kinderen van Duin dan wel op de actie en de
omstandigheden van de vorige twee boeken voortbouwt, daarmee in lijn
ligt, maar tegelijkertijd ‘nieuwe’ personages de hoofdrol laat
spelen, ‘nieuwe’ personages met een andere – soms aan die van
de personages in de voorgaande boeken tegenovergestelde –
strategie, ‘nieuwe’ personages ook met een andere denkwijze, een
denkwijze aangepast aan de intussen veranderde omstandigheden. Waar
de planeet Arrakis in het begin van deze serie nog een grote zandbak
is, die bijgevolg genoegzaam wordt aangeduid als Duin, is dat
intussen door menselijk ingrijpen niet meer zo, wat een ecologisch
wonder lijkt te zijn, een wonder dat tussen de acties in de vorige
delen ook nagestreefd wordt, maar onvoorziene, absoluut niét
nagestreefde gevolgen heeft. Gevolgen die niet ten goede komen van de
‘wormen’ (de wezens die voor de ‘specie’ zorgen) en daarmee
ook niet van de mensen (die van het eigendom van en de handel in die
‘specie’ de sterkte van de planeet en het rijk daarrond gemaakt
hebben). Een ingreep om de wereld te verbeteren heeft de wereld dus
verslechterd op een manier die het spiegelbeeld lijkt van die waarop
die wereld en het vanop die wereld bestuurde rijk geestelijk
geëvolueerd is. Van een zandbak werd een groene oase gemaakt, wat
achteraf een fout lijkt te zijn; uit een droom van voortdurende
evolutie werd een woestenij van geestelijke (lees ook: priesterlijke)
armoede gecreëerd. Twee fenomenen die verdedigd worden door de
regentes, Pauls zus Alia, maar aangevallen door zijn kinderen, Leto
en Ghanima, alle drie mensen die – en ook dat zal ik niet
toelichten – nooit ‘alleen’ zijn, geestelijke (in de
letterlijke zin van het woord) activiteiten ontwikkelen die niet tot
het standaard repertorium behoren (en daarom ook een uitdaging vormen
voor, bijvoorbeeld, de eerder genoemde ‘mentat’ Duncan Idaho en
de orde van de Bene Gesserit, waartoe ook vrouwe Jessica behoort), en
daarmee – vooral wat Leto en Ghanima betreft – een potje
simultaanschaak spelen op een niveau dat ook de nieuw
geïntroduceerde, maar daarom niet noodzakelijk nieuw zijnde,
personages niet halen.
Actie genoeg dus, maar door het feit dat de geestelijke schaakborden
aan belang toenemen ten opzichte van de fysieke ook een sterkere
gelijkenis met, bijvoorbeeld, het ook in mijn vorige
Duin-besprekingen genoemde meesterwerk van Isaac Asimov, de
Foundation-trilogie.
Met dien verstande, en da’s mijn grootste punt van kritiek op
Kinderen van Duin, dat Asimov nooit zoals Herbert zo’n
danige blabla begon te verkopen dat het leek alsof hij zelf
aan de ‘specie’ had gezeten. Ik durf aannemen dat Herbert, zoals
hij ook met zijn decor en een niet onbelangrijk deel van zijn
personages gedaan heeft, zijn mosterd in een of andere
woestijncultuur gaan halen is (een zin als “Deze djedida was aan de
woestijn teruggegeven nadat zijn qanat voor de vijfde maal in elf
maanden verwoest was”, zegt ter zake genoeg), dat zijn
hoogdravende, ‘spirituele’ beschouwingen niet helemaal uit zijn
eigen geest zijn gekomen, dat ze er voornamelijk zijn om een soort
ingewijdencultus onder zijn lezers te laten ontstaan (een cultus die
er voor Duin sowieso al was en nog steeds is), maar als ík
diagonaal begin te lezen bij zo’n passages, dan duren ze op zijn
minst te lang of erken ik ze voor wat ze zijn: overbodig. Iets wat
ik, voor de duidelijkheid, niet vind van de brokjes filosofie die
over het hele boek verspreid liggen. Zoiets als “Ambities hebben de
neiging onberoerd te blijven door de werkelijkheid”, verdient
bijvoorbeeld zonder meer in een citatenboek opgenomen te worden.
Hetzelfde met: “Macht moet je gebruiken door hem losjes in de hand
te houden. Als je steviger knijpt, betekent dat dat jij in de greep
van de macht bent geraakt en dus zijn slachtoffer bent geworden”.
Zoals het volgende een enigszins aangepaste richtlijn van Machiavelli
zou kunnen zijn: “Een grote bevolking die door een kleine, maar
machtige groep wordt bedwongen is in ons heelal een heel gewone
situatie. En wij kennen de belangrijkste omstandigheden waarin deze
grote bevolking zich tegen zijn onderdrukkers zal keren – Eén: Als
ze een leider vinden. Dit is het ongrijpbare gevaar voor de
machthebbers; zij moeten de leiders in bedwang houden. Twee: Als de
bevolking zich bewust wordt van zijn ketenen. Houd het volk blind en
ongeïnteresseerd. Drie: Als de bevolking hoop krijgt aan de dwang te
kunnen ontkomen. Ze moeten nooit zelfs maar gaan geloven dat ontkomen
mogelijk is!” Wie wil weten waarom onze parlementaire ‘democratie’
werkt, hoeft alleen maar te beseffen dat de bevolking aan geen van
deze drie punten voldoet. Wat ook de bedoeling is van die
parlementaire ‘democratie’: “Regeringen die stand houden, gaan
in toenemende mate neigen naar aristocratische vormen. Er is in de
geschiedenis geen regering bekend die aan dit patroon heeft kunnen
ontkomen. En naarmate de aristocratie zich ontwikkelt, neigt de
regering er steeds meer naar uitsluitend op te treden in het belang
van de heersende klasse – of die klasse nu bestaat uit erfelijke
vorsten, oligarchen van financiële machten of uit ingegraven
bureaucraten”. Dat de poppetjes in de zogenaamd
‘volksvertegenwoordigende’ organen regelmatig wisselen, is
daarbij overigens van nul en generlei belang.
Behoort de wijsheid “Als ik zwakker ben dan jij, vraag ik jou om
vrijheid omdat dat bij jouw opvattingen hoort; ben ik sterker dan
jij, dan neem ik jou je vrijheid af omdat dat bij mijn opvattingen
hoort” ook tot die brokjes filosofie? Uiteraard wel. Én tot de
keren dat Herbert verwijst naar planeet Aarde (wat hij bijvoorbeeld
ook doet als hij Leto zich laat bezig houden met “een
herbeschouwing van Chaucers tocht van Londen naar Canterbury waarbij
hij vanaf Southwark alle plaatsen opnoemde” of diezelfde Leto iets
laat opschrijven over “de gouden dagen (…) van voor Heisenberg,
die de mensen liet zie door wat voor muren onze voorbeschikte
redeneringen zijn ingesloten”), want van deze woorden zegt hij dat
het “Woorden van een filosoof uit de oudheid”, zijn, “door Harq
al-Ada toegeschreven aan ene Louis Veuillot”, een echt bestaand
hebbende Franse ultramontaanse journalist uit de 19de eeuw. Maar
“toegeschreven” staat kennelijk niet duidelijk uitgelegd in het
woordenboek voor Wikipedia-schrijvelaars, want daar, in de
‘online encyclopedie’, wordt gezegd dat ze “misattributed”
zijn, ten onrechte toegeschreven dus. Wat net het punt is van het
genuanceerde woord ‘toeschrijven’. Al helemaal als je het
‘toeschrijven’ aan een ander, bijvoorbeeld ene Harq al-Ada overlaat.
Bij Wikipedia kunnen ze dus (zoals bekend) wel wat wijsheid
gebruiken. En met die woorden ga ik deze boekbespreking eindigen.
Kwestie van misschien ook ooit nog eens een Harq al-Ada te worden,
een “Doorbreker van Gewoonte”, wat betreft het niet tot in het
oneindige laten uitdijen van mijn boekbesprekingen. Gewoon lezen, dit
Kinderen van Duin, zou ik zeggen, net zoals de vorige twee delen.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !