maandag 23 maart 2026

Tribunaal van Neurenberg – Het nazi-regime voor zijn rechters – Werner Maser (boekbespreking door Björn Roose)

Tribunaal van Neurenberg – Het nazi-regime voor zijn rechters – Werner Maser (boekbespreking door Björn Roose)
Laat ons wel wezen, als een Duitstalige informatiebron je aanduidt als “geschichtsrevisionistischer Historiker”, heeft die je nog net niet als een crimineel bestempeld, maar toch z’n best gedaan er de rest van de wereld van te overtuigen dat je min of meer openlijk een nazi bent. Dat is dus allicht ook wat de bedoeling is als Werner Maser, auteur van voorliggend Tribunaal van Neurenberg – Het nazi-regime voor zijn rechters, op Wikipedia aldus aangeduid wordt. Terwijl een sterke neiging tot revisionisme volgens mij het absolute en enige waarmerk van een waarachtig historicus is: wie de geschiedenis niet wenst te herschrijven, kan beter drukker worden en oude ‘waarheden’ verspreiden. Iets waar elk weldenkend mens het ongetwijfeld mee eens is – ja, dat is een retorische truc, ik geef het toe – als het bijvoorbeeld de officiële Sovjet-literatuur aangaat of de propagandageschriften van Mao of de verkoopspraatjes van Pol Pot, maar wat nog steeds not done is waar het geofficialiseerde ‘waarheden’ over de geschiedenis van het nationaal-socialisme betreft. Die dienen, ook los van bepaalde cijfers, niet onder de lamp gehouden te worden, want dan zouden er direct slechte mensen opstaan die de hele zaak nog eens, euh, zouden overdoen.

Dat gezegd zijnde: Werner Maser - die overigens in de eerste helft van de jaren 1950 als wetenschappelijk assistent van nationaal-bolsjewiek en openlijk (en veroordeeld) tegenstander van Adolf Hitler Ernst Niekisch aan de Oost-Berlijnse Humboldt-universiteit werkte - trekt voor zover ik (ook in dat artikel) gelezen heb nergens de massamoord op de Europese joden in twijfel, doet geen moeite af te bieden op de cijfers, beweert niet dat Hitler van niks wist, heeft zich niet druk gemaakt over het al dan niet echt zijn van het dagboek van Anne Frank, beweerde (hij stierf in 2007) niet dat de gaskamers nooit bestaan hadden of écht doucheruimtes waren, niets van dat alles, maar hij permitteerde het zich onderzoek te doen naar dingen waar hij van anderen moest afblijven, én… ontdekte zo toch een en ander dat de dappere, niet “geschichtsrevisionistischer Historiker” nog niet gezien hadden. De door sommige ‘ernstige’ historici als ‘Amateurhistoriker’ betitelde Maser, die in 1954 promoveerde op een doctoraat gewijd aan Die Organisierung der Führer-Legende, slaagde er in 1951 in als eerste West-Duitse historicus toegang tot het hoofdarchief van de NSDAP te krijgen en kon daarin onder andere de verloren gewaande ziekenberichten van Hitlers artsen vinden. Hij wist in 1981 ook aan Der Stern te verklaren dat er geen enkel bewijs was dat Hitler ooit dagboeken had geschreven, en toen in 1983 datzelfde blad die zogenaamde dagboeken publiceerde, kon hij meedelen dat die hem al in 1976 waren aangeboden, maar dat hij ze meteen herkend had als in de DDR gefabriceerde vervalsingen. En met betrekking tot het tribunaal van Neurenberg, het onderwerp van dit boek, wist hij dankzij door hem gevonden documenten aan te tonen dat de Geallieerden, voorafgaand aan de uitwerking van de ‘wetten’ die ze in Neurenberg tegen de terechtstaande nationaal-socialisten zouden inroepen, het voor hun eigen militairen geldende strafrecht in geval van bevelsweigering pas in 1944 gemilderd hadden om de verwachte Duitse verdediging op basis van ‘Befehl ist Befehl’ te kunnen weigeren.

Typisch voor zo’n “geschichtsrevisionistischer Historiker”, natuurlijk, zoals het voor de ‘goeie’ historici niet atypisch is een heel werk af te kraken op basis van niet meer dan een drietal punten (en dan nog): 1) de geheime afspraken tussen de Amerikaanse hoofdaanklager bij het Internationaal Militair Tribunaal (zoals het ding voluit heette) en Albert Speer konden niet bewezen worden door Speer zelf en de zoon van Jackson (waaruit dan moest volgen dat ze niet bestonden); 2) Maser werd er door Eugene Davidson op gewezen dat Stalin zelf opdracht had gegeven tot het bloedbad van Katyn (dat door de Russen, niet door Maser, op de rug van de Duitsers werd geschoven) en dat zijn officieren hem niet verkeerd begrepen hadden toen ze de gevangenen overbrachten uit de kampen om ze te (laten) vermoorden; en 3) Maser zou de rol van Joachim von Ribbentrop verkeerd hebben weergegeven (terwijl hij hem nu toch niet meteen als onschuldig, zij het misschien wel als licht onnozel, heeft afgeschilderd). De nieuwe uitgave van 2005 “fand”, aldus Wikipedia, “ab da nur noch im rechtsextremen Spektrum Zustimmung”, maar dat zal wellicht toch anders geweest zijn met de uit 1980 daterende Nederlandse vertaling die verscheen bij Uitgeverij Het Spectrum, tegenwoordig eigendom van Lannoo en voor zover ik weet nooit extreem-rechts (wat daar dan ook onder mag begrepen worden) geweest, de vertaling die ik in mijn bezit heb en oorspronkelijk (Leve de stempels!) in de Speciale Openbare Bibliotheek voor Caritas Verzorgingsinstellingen v.z.w. te Leuven zat, wat dan wel een katholieke organisatie was, maar toch ook geen extreem-rechtse.

Ik houd het dus wat de beoordeling van de schrijver betreft bij wat op de achterflap staat: “Als biograaf van Hitler en geschiedschrijver van het nationaal-socialisme heeft Werner Maser internationale erkenning verworven. Nu hij na jarenlang onderzoek ook een uitvoerige en kritische beschouwing over de processen van Neurenberg heeft samengesteld, wordt zijn reputatie als oorspronkelijk geschiedschrijver opnieuw bevestigd”. En ik geef u nu al graag mee wat óók nog op die achterflap staat: “De wettige en juridische basis van het tribunaal en dus de bevoegdheid en de gevolgde procedures worden door de auteur ‘aanvechtbaar’ genoemd en dit leidt soms tot scherp geformuleerde conclusies. Dit boek is ‘verplichte’ lectuur voor een ieder die geïnteresseerd is in eigentijdse geschiedenis en in het bijzonder in de Tweede Wereldoorlog”. Of in het idee dat overwinnaars goed geplaatst zijn om de overwonnenen in het algemeen te berechten, zou ik daar aan toevoegen, want de prestaties van het IMT (Internationaal Militair Tribunaal dus) werden als zó groots gezien dat ze nog zelden als voorbeeld genomen worden, maar helaas niet kunnen verhinderen dat, pakweg, de Amerikanen, pakweg, Venezuela kunnen binnenvallen om de lokale dictator te ontvoeren, voor een Amerikaanse rechtbank te brengen, en daarbij op nauwelijks enig verzet van de rest van de wereld stuiten.

Trouwens, Maser eindigt zijn boek met de stelling dat “het proces van Neurenberg noodzakelijk [was], en dat niet alleen voor de toekomst van de mensheid. In de periode voor Neurenberg waren Hitler, Mussolini, Stalin, Roosevelt en Churchill de personificatie van de grote beslissingen op het wereldpolitieke toneel. Deze beslissingen mondden uit in de Tweede Wereldoorlog en vormden het onderwerp van het overwinnaarstribunaal in Neurenberg. Dat geen van deze leiders na 1939 serieus een vrede op basis van onderhandelingen wilde zolang ze de kans hadden buit te veroveren en hun machtspolitieke doelstellingen te realiseren, behoeft geen nader betoog. Dat ze hun leven op een zeer verschillende manier beëindig[d]en, hing samen met Neurenberg en de voorbereiding ervan sinds 1941. Hitler pleegde in 1945 zelfmoord. Mussolini werd kort daarvoor zonder proces door zijn politieke tegenstanders gefusilleerd. De andere leidende figuren uit deze periode van de geschiedenis stierven als geëerde staatslieden in hun bed, hoewel ze zich voor een deel evenzeer aan misdrijven schuldig hadden gemaakt als Hitler en Mussolini. Als het alleen zou gaan om deze mannen als individu en om de oorlogsmisdadigers die in 1945 in Neurenberg veroordeeld werden als overtreders van het volkenrecht, dan zou de historicus er met enige gelatenheid op kunnen wijzen hoezeer er ten aanzien van deze mannen met een dubbele maat werd gemeten. Maar de historicus mag zich een houding van gelatenheid en afstandelijkheid niet toestaan, niet vanwege het lot van deze mannen, maar omdat het gezag van het volkenrecht nog steeds door staatslieden, politici en militairen met voeten wordt getreden. Sinds Neurenberg en Tokio [waar tegenover de onderworpen Japanners een zelfde soort ‘gerechtigheid’ werd toegepast, noot van mij] voelt de historicus zich verplicht zich in te zetten voor het volkenrecht op grond van de houding van de politici, die wel het minst bereid zijn hun les uit de geschiedenis te trekken. De overwinnaars van 1945 hebben de revolutionaire stap ondernomen en de historicus moet dat accepteren. Maar nu Neurenberg achter de rug is rest de taak niet alleen voor de toenmalige overwinnaars, maar meer nog voor hun opvolgers en die van elk ander land, om door hun houding tegenover het volkenrecht duidelijk te maken welke waarde de geschiedenis aan het overwinnaarstribunaal moet toekennen.”

Waarna ik een stapje ‘achteruit’ in dit boek doe en wijs op een andere, op het moment dat ik dit schrijf zeer actuele, passage: “De moordenaar die op heterdaad wordt betrapt en weet dat hij zijn leven op de guillotine zal moeten beëindigen zodra men hem voor het gerecht sleept en veroordeelt, zal doorgaans niet erg verstandig reageren. De geallieerde eis van een onvoorwaardelijke overgave had een soortgelijk effect.” Een effect dat nog altijd blijkt te bestaan. Toen Trump Iran niet alleen liet bombarderen, maar ook liet weten dat de Amerikanen daar pas mee zouden ophouden als Iran zich ‘onvoorwaardelijk overgaf’, werd het vuur waarmee het lokale regime zich verdedigde niet minder, maar meer. Om exact dezelfde redenen. Een feit waar in de Verenigde Staten bijvoorbeeld Tucker Carlson een aantal keren op gewezen heeft, maar waar in onze contreien kennelijk geen enkele journalist commentaar op wilde leveren.

Wat in de ogen van de (toekomstige) overwinnaar uiteraard geen probleem is, maar in tegendeel dapper moet volgehouden worden: “Misdrijven tegen de vrede, agressie, schendingen van de wetten van de oorlog en misdrijven tegen de menselijkheid zijn niet uit de wereld gebannen door een verslagen vijand te vernederen (zoals de Romeinen door de Samnieten), noch door verdragen zoals die van Osnabrück en Münster waarbij christelijke vroomheid het wachtwoord was, noch door de Heilige Alliantie tussen Rusland, Oostenrijk en Pruisen waarvan de voorwaarden meer lijken op een preek dan op een politiek akkoord, noch door het verdrag van Versailles, dat algemeen beschouwd wordt als ongewoon streng. Schande bleek niet preventief te werken. De praktijk heeft zich niet gehouden aan de christelijke boodschap van naastenliefde en vertrouwen op Gods genade; de strenge bepalingen van het verdrag van Versailles na de Eerste Wereldoorlog leverden het tegendeel op van wat de zegevierende machten ervan hadden verwacht. Die gevolgen – Hitler, de Tweede Wereldoorlog, Neurenberg – waren zo overduidelijk dat het IMT de verdachten en hun verdedigers verbood het verdrag van Versailles aan te halen als rechtvaardiging of motivering.”

En als er dan toch (te veel) gesproken wordt, dan zorg je ervoor dat de spreker het zwijgen opgelegd wordt: “De verdedigers stonden niet alleen in hun verwijt aan het hof dat het in de berechtiging van Krupp [de industrieel die ook als een van de hoofd-‘verdachten’ terechtstond, maar dan wel tijdens een apart proces voor een zuiver Amerikaanse rechtbank, noot van mij] onder meer voorbij was gegaan aan de traditionele rechtsopvattingen en rechtsnormen. Nog voordat de beschuldiging tegen Krupp was ingebracht, had hij Carl J. Carroll, een Amerikaanse jurist uit San Francisco, gevraagd zijn verdediging op zich te willen nemen en Carroll had gezegd daartoe bereid te zijn. Zijn argumenten spreken voor zich. In december 1947 had Carroll van generaal Clay de verzekering gekregen dat hij Krupp zou mogen verdedigen ‘op dezelfde basis als elke andere Amerikaanse advocaat’. Maar in werkelijkheid mocht hij dat niet; de Amerikanen losten het probleem ‘diplomatiek’ op: ze weigerden hem een inreisvergunning.”

Wat weer eens wat anders was dan wat de Russen, met toestemming van de Amerikanen, Fransen en Engelsen, deden: “Al tijdens het proces hing er een schaduw over het gebeuren omdat Russen fungeerden als aanklagers en rechters, terwijl zij een tijdlang aan dezelfde kant hadden gestaan als de verdachten, aanvalsoorlogen hadden gevoerd tegen Finland en Japan en zich in Oost-Pruisen, Silezië, Pommeren en Mecklenburg in 1944-1945 schuldig hadden gemaakt aan verschrikkelijke misdrijven.” Iets wat dan toch bij sommigen in het geheugen bleef hangen: “Op 11 oktober 1950 berichtte de Chicago Daily News: ‘Telford Taylor heeft gisteren de instelling voorgesteld van een VN-tribunaal dat alle oorlogsmisdrijven die in Korea begaan zijn – door de Koreanen, de VN-geallieerden en zelfs de Russen – zou moeten bestraffen. De aanklager zei in een interview dat de processen geen herhaling zouden moeten vormen van die van Neurenberg, waar alleen maar verslagen Duitsers in de verdachtenbank zaten. ‘Als het volkerenrecht nog enige betekenis wil hebben,’ zei hij, ‘moeten we beide partijen ter verantwoording roepen óf herkennen dat voor beide partijen verzachtende omstandigheden gelden en iedereen laten lopen.’” Ik geef u op een blaadje dat dat bijvoorbeeld niét zal gebeuren, die gelijkberechtiging, als Rusland het onderspit moet delven tegen Oekraïne, en dat ondanks het feit dat, bijvoorbeeld, “Tijdens een debat in november 1950 over de juridische principes welke in Neurenberg gehanteerd werden (…) de juridische commissie van de algemene vergadering van de Verenigde Naties [verklaarde]: ‘Duitsers werden veroordeeld en geëxecuteerd op basis van principes waarvan de rechtsgeldigheid nu omstreden is.’” Of zoals de Amerikaanse senator Robert Taft zei: “In deze processen hebben we het Russische standpunt overgenomen dat een proces gericht is op een bepaald doel; met andere woorden: we hebben de doelstellingen van het regeringsbeleid nagejaagd, het was ons niet te doen om recht. Door een proces te gebruiken als een omhulsel voor politiek handelen, hebben wij de idee van gerechtigheid in Europa voor vele jaren in diskrediet gebracht. Alle vonnissen die in Neurenberg geveld werden, waren doordrongen van de geest van wraak.”

Een wraak die de Sovjets voortzetten na het proces: “Na Neurenberg overtraden zij niet alleen het handvest van Neurenberg, maar ook de letter en de geest van het volkenrecht, de wetten van de oorlog, en het recht op zelfbeschikking zoals dat geformuleerd is in het Atlantische Handvest, de Geneefse conventie van 1949, talrijke verklaringen van de Verenigde Naties en het verdrag van Wenen van 1969. De Duitse burgers, waarvan er meer dan 2 miljoen hun leven verloren, werden onder afschuwelijke omstandigheden uit hun huis verdreven en mochten er nooit meer terugkeren. Russen, Polen en Tsjechen werden in de geannexeerde Duitse gebieden ondergebracht, hetgeen allemaal in strijd is met het volkenrecht volgens de bepalingen van artikel 8 en artikel 22 van de Geneefse Conventie van 1949.” En ze kregen daarbij al van vóór het proces hulp van de andere ‘rechters’: “Na de Duitse overgave bijvoorbeeld hielpen de Britten de Russen bij een genocide-actie die resulteerde in de dood van duizenden kozakken in de buurt van het Oostenrijkse Lienz [als er iets mis is met dit boek, zijn het de vele schrijffouten wel, noot van mij]. Het feit dat noch de Neurenbergse verdachten noch hun verdedigers daarvan op de hoogte werden gebracht is niet belangrijk, omdat het IMT het tegen elkaar afwegen van schuld niet toestond.” Om van latere gebeurtenissen maar te zwijgen, natuurlijk: “Hoe kortzichtig en weinig realistisch de vonnissen van het IMT in dit opzicht waren, wordt duidelijk wanneer men ziet welke rol in latere gebeurtenissen gespeeld is door leden van de strijdkrachten van de landen die in 1945-1946 in Neurenberg de aanklagers en de rechters leverden. Om een paar van die gebeurtenissen te noemen: Hirosjima en Nagasaki, Korea en Indo-China, Hongarije en Tsjechoslowakije en Vietnam. In 1946 werden Duitse officieren gestraft met de meest zware vonnissen – waaronder de ‘dood door de strop’, wat door soldaten overal ter wereld als een schandelijke dood wordt gezien, en jarenlange gevangenschap – terwijl hun opvolgers daarentegen een heel andere behandeling kregen, vooropgesteld dat ze tot de voormalige zegevierende landen behoorden.”

En dan moeten we het nog over de inhoudsloosheid van de benaming Internationaal Militair Tribunaal hebben: “Geen van de eigenlijke leden van het Tribunaal was militair in actieve dienst. De Duitse officieren die als hoofd-oorlogsmisdadigers terechtstonden en hun verdedigers dachten aanvankelijk dat dit in hun voordeel was, maar ze werden al gauw uit de droom geholpen, met name door het feit dat het IMT het gehoorzamen van bevelen van hogerhand niet als verweer wenste te accepteren.” Plus: “Het Neurenbergse gerechtshof noemde zichzelf ‘Internationaal’ Militair Tribunaal, hoewel het college van rechters uitsluitend was samengeteld uit vertegenwoordigers van de vier zegevierende mogendheden.” Zegevierende mogendheden die ook vastbesloten waren te zegevieren op de door hen georganiseerde processen: “Het proces was voornamelijk gebaseerd op documenten en hun aantal[,] evaluatie en presentatie leverden aanzienlijke problemen op. Ze bevonden zich allemaal in het bezit van de geallieerden, die ze selecteerden en soms eigenmachtig veranderden alvorens ze vrij te geven. Wanneer de verdediging belangrijk bewijsmateriaal wilde hebben, ‘verdween’ dit plotseling.” Wat dan weer geheel paste in de rest van de ‘regels’: “De procesregels verschilden sterk van die op het continent. Zo hoefde het ‘aan bewijsregels niet gebonden’ hof geen bewijzen te eisen voor ‘algemeen bekende feiten’, maar kon het ambtshalve voor kennisgeving aannemen. Dit deed onvermijdelijkerwijs afbreuk aan de rechten van de verdachten. Net zo min als hun verdedigers mochten zij bijvoorbeeld over ‘de dwang en de onrechtvaardigheid van Versailles’ [spreken], zodat de beweegredenen voor het optreden en het denken van de verdachten niet aan de hand van feiten toegelicht konden worden. Bovendien kon het hof de pleidooien van de verdedigers van tevoren inzien en ze inkorten – wat in enkele gevallen ook gebeurde – en kon het van de verdediging inlichtingen eisen over de aard van de bewijsmiddelen om de ‘relevantie’ te bepalen, waarmee zo iets als een censurering door de aanklagers gewaarborgd was.”

Waarbij het enige wat ten voordele van die censurering kan gezegd worden, is dat ze op z’n minst niet zoals de “misdrijven tegen de vrede” met terugwerkende kracht werd ingevoerd. Zoals het in het Verzoekschrift van de gezamenlijke verdedigers werd geformuleerd: “Het huidige proces kan zich derhalve, voor zover het misdrijven tegen de vrede dient te bestraffen, niet baseren op geldend volkenrecht, maar is een proces op basis van nieuwe strafbepalingen… die pas na de daad werden opgesteld. Dit is in strijd met een in de hele wereld geheiligd principe van rechtspleging, een principe dat in Hitler-Duitsland gedeeltelijk werd overtreden, hetgeen zowel binnen als buiten het rijk fel werd afgekeurd. Dit principe behelst dat alleen hij bestraft mag worden die een reeds ten tijde van zijn daad bestaande wet, die hem met straf bedreigt, heeft overtreden. Deze bepaling behoort tot de grote basisprincipes van de staatsorde van juist die staten die het handvest van dit Tribunaal hebben ondertekend, namelijk Engeland sinds de middeleeuwen, de Verenigde Staten van Amerika sinds haar ontstaan, Frankrijk sinds zijn Grote Revolutie, en de Sovjet-Unie.” Helaas… “Pas in november 1950, ongeveer twee jaar na de Algemene Verklaring van de Rechten van de Mens door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en zo’n vier jaar nadat de als hoofdoorlogsmisdadigers aangeklaagde Duitsers veroordeeld waren, werd men het in de Verenigde Naties erover eens dat het met terugwerkende kracht toepassen van strafrechtelijke bepalingen in strijd was met de mensenrechten.”

Waarmee ik rückwärts aufmarschierend van de laatste alinea’s van dit boek tot bij het begin van hoofdstuk 14, Neurenberg als historisch gebeuren, ben gewandeld, louter om wie niet bijzonder geïnformeerd is over de processen van Neurenberg een eerste blik te gunnen op wat daar gebeurd is. Gezien ik er zelf niet veel méér over wist dan dat van die met terugwerkende kracht ingevoerde ‘wetten’, leek me dat wel nuttig. Maar dit boek is véél meer dan een analyse van de procedure in Neurenberg. De tweehonderdnegentig bladzijden voorafgaand aan het vijfenveertig bladzijden lange laatste hoofdstuk, dat alleen nog gevolgd wordt door een Register, zijn evengoed het lezen waard.

Hoofdstuk 1, met als titel Voor het einde der vijandelijkheden, begint met een scène waarin “Amerikaanse soldaten in aanwezigheid van het hoofd van de gravendienst van het Amerikaanse leger, majoor Rex S. Morgan” assen uitstrooien in de Conwentzbach, de assen van de kort daarvoor opgehangen Herman Göring, Julius Streicher, Wilhelm Keitel, Alfred Jodl, Alfred Rosenberg, Hans Frank, Wilhelm Frick, Joachim von Ribbentrop, Ernst Kaltenbrunner, Fritz Sauckel en Arthur Seyss-Inquart, maar handelt eigenlijk over de voorbereidingen die de Geallieerden troffen om na de oorlog die heren en anderen te veroordelen (laat ons wel wezen: de mogelijkheid dat ze vrijgesproken zouden worden, was geen piste waar ernstig rekening mee werd gehouden).

Hoofdstuk 2, Na de oorlog getiteld, begint bij de zelfmoord van Adolf Hitler, maar gaat dieper in op wat tussen de Geallieerden overeengekomen werd over de te voeren processen, waarbij Maser zelfs uitgeschreven gesprekken tussen Stalin, Churchill en Truman (iedereen weet dat De Gaulle alleen maar diende als bloempot) citeert, en de hele ‘Bekendmaking” van het IMT meegeeft.

Hoofdstuk 3, Op weg naar Neurenberg, behandelt de arrestatie, vrijwillige overgave, het in de val lokken van de beklaagden. Göring (“Hij werd hartelijk en met een kameraadschappelijke handdruk begroet door de Amerikaanse generaal Robert J. Stack”), Robert Ley (“Reichsorganisationsleiter van het Duitse Arbeitsfront en aan het eind van de oorlog de initiator van de partizanenorganisatie Werwolf”), Alfred Rosenberg (“op 19 mei 1945 in het ziekenhuis van Flensburg-Mürwik, dat in de vroegere krijgsschool voor de marine gevestigd was, gearresteerd door Britse soldaten, die overigens niet op zoek waren naar hem maar naar Heinrich Himmler”), Julius Streicher (“naar het oordeel van de topfunctionarissen was hij van 1940 tot mei 1944 ‘verbannen’ geweest: hij had geen contact met de toonaangevende nazi’s en woonde teruggetrokken in zijn buitenhuis”), Baldur von Schirach (naar wie niet eens gezocht werd, “want de Amerikanen dachten dat hij dood was”), … ze passeren stuk voor stuk de revue.

In hoofdstuk 4, De gevangenis, wordt – hoe kan het ook anders? - uitgebreid het leven van de ‘verdachten’ en in veel gevallen de getuigen in de geallieerde gevangenissen verteld: “‘Een bijzonder genoegen voor de bewakers (minder voor de gevangenen) was het douchen,’ schreef de al eerder geciteerde getuige à décharge. ‘De gevangenen moesten douchen in groepen van 6 tot 8 man. Onder het geklepper van de knuppels en het roepen van de bewakers marcheerde men snel naar de in de kelder gelegen doucheruimten, waarbij men zich zo mogelijk al tijdens het lopen grotendeels moest uitkleden, want onmiddellijk na het betreden van de doucheruimte was er een minuut lang water, daarna een minuut tijd om zich in te zepen en vervolgens nog een minuut water om zich af te spoelen. Terwijl men zich amper had afgedroogd en men zich onder het lopen in de kleren wrong, werden de ‘badgasten’ weer in de cellen teruggedreven met: ‘Mak snell, mak snell.’ Iedereen keek altijd verlangend uit naar de ‘scheerdag’ omdat de meeste gevangenen het natuurlijk vervelend vonden steeds met een ‘tuchthuisbaard’ rond te moeten lopen. De Duitse kapper werd altijd begeleid door een of twee bewakers die er blijkbaar voor moesten zorgen dat de kapper geen berichten door kon geven of in ontvangst kon nemen en hem het scheermes niet door gevangenen met zelfmoordplannen uit de handen werd getrokken. Als de bewakers zich ergens aan stoorden, dan kon het gebeuren (…) dat zij het scheren of het haar knippen lieten afbreken en dat de juist ‘behandelde’ Duitser het ‘genoegen’ smaakte tot de volgende scheerdag met een halve baard rond te moeten lopen.’”

In hoofdstuk 5, Het proces begint, neemt Maser de lezer mee naar de begindagen van het eerste proces van Neurenberg, begindagen waarin “de hoop van de meeste verdachten dat er tegen ieder van hen een aparte aanklacht zou worden ingediend”, de grond in werd geboord: “Allemaal hoorden ze nu dat ze beticht werden van alle gruweldaden die in de akte van beschuldiging in globale termen waren samengevat.” “De tekst van de ongeveer 25 000 woorden tellende akte van beschuldiging”, schrijft Maser daarover, “klinkt ondanks de daarin beschreven gruweldaden tegelijk nuchter en onwerkelijk. De vaak in al te gevoelige termen geschilderde misdrijven zijn zo onvoorstelbaar dat ze scènes lijken te zijn uit een griezelfilm. Dat enkele beweringen van de aanklagers als ronduit dwaas te bestempelen zijn, is onder het gewicht van de aangevoerde feiten niet meer dan bijzaak. De bewering dat loutere veronderstellingen een belangrijke rol speelden in deze waslijst van misdaden, is een puur verzinsel. Wat voor verschil zou het bijvoorbeeld hebben uitgemaakt als, zoals in de aanklacht beweerd werd, Hitler het testament van Hindenburg echt ten gunste van zichzelf vervalst had, of als – een bewering waar de aanklagers eveneens mee kwamen – hij gedreigd had Chamberlain tijdens een bijeenkomst met persfotografen in de buik te slaan?”

Hoofdstuk 6, Wraak of gerechtigheid?, gaat over precies de in de titel van het hoofdstuk gestelde vraag. Een vraag die hoofdaanklager Jackson in zijn openingstoespraak met onder andere deze onzin beantwoordde: “Deze mannen zijn de eerste oorlogsleiders van een verslagen natie die vervolgd worden in naam van de wet, maar zij zijn ook de eersten die een kans krijgen zich namens de wet te verweren. Het handvest van dit Tribunaal volgens welke zij berecht worden, in (sic) in feite ook hun enige bron van hoop. Het kan zijn dat deze mannen met een slecht geweten, wier enige wens is dat de wereld hen vergeet, een proces niet beschouwen als een gunst. Maar zij hebben een eerlijke kans zich te verdedigen – een mogelijkheid die zij, toen ze nog aan de macht waren, maar zelden hebben gegeven aan hun landgenoten. We menen dat wij deze mensen voor onschuldig moeten houden tot het tegendeel is bewezen, ook al worden hun daden nu al door de publieke opinie veroordeeld; wij nemen het op ons het bewijs te leveren dat misdrijven gepleegd werden en dat deze verdachten voor het plegen van die misdrijven verantwoordelijkheid dragen.”

Van hoofdstuk 7, spreekt de titel, Het bewijsmateriaal, ook al voor zich. Ik had het daar al eerder over, maar citeer toch nog even dit stukje uit een hoofdstuk dat bulkt van het bewijsmateriaal dat het bewijsmateriaal niet al te pluis was: “Wanneer ze [de verdedigers, noot van mij] de aanklagers om de geciteerde documenten vroegen, waren deze niet zelden ‘verdwenen’. Ze kregen slechts beschikking over een onvoldoende aantal kopieën van de documenten van de aanklagers. Vaak kregen ze die documenten te laat, ongeordend, onvertaald en soms ook onvolledig. Documenten waar de verdedigers om vroegen moesten steeds eerst voorgelegd worden aan de aanklagers, die beslisten of ze vertaald moesten worden. In enkele beslissende gevallen werd het werk van de verdedigers hierdoor onvermijdelijkerwijs belemmerd, omdat volgens het handvest alleen ‘relevante’ passages vertaald hoefden te worden en dat alleen nog maar ‘in algemene termen’. Grove vertaalfouten en verdraaiingen kwamen vaak voor, wat in de rechtszaal tot misverstanden leidde. De verdedigers konden nauwelijks enige invloed uitoefenen op het besluit welke documenten ter tafel zouden komen. Het werk van de verdedigers – de meesten waren benoemd en werden vertaald door het Tribunaal – werd nog verder bemoeilijkt door het bestaan van vervalste documenten; ze verzopen letterlijk in een berg papier; ze moesten hun werk doen in een zeer krappe ruimte en werden plotseling geconfronteerd met vragen waar ze in de verste verte geen antwoord op wisten doordat ze helemaal niet voldoende waren uitgerust om zich te oriënteren.”

Hoofdstuk 8 heeft Het kruisverhoor van de militairen als onderwerp. Met deze alinea begint het: “Hoe de militaire voorbereidingen van Duitsland er werkelijk voorstonden bleek zeer duidelijk uit het kruisverhoor van Jodl van 4 juli 1946. Dit deed niet alleen twijfel rijzen aan de grondslag van de aanklacht tegen de militairen, maar bewees ook duidelijk hoe bedenkelijk het in 1945 en 1946 was om enkele verdachten persoonlijk verantwoordelijk te stellen voor militaire gebeurtenissen, of strafbare handelingen en overtredingen van het internationale recht die onder Hitlers leiding begaan waren, en daarop een veroordeling te baseren. Alfred Jodl werd op alle vier punten schuldig verklaard; desalniettemin had hij zich meer dan eens moedig tegen Hitler verweerd en was hij zelf nooit bereid geweest opdracht te geven tot duidelijk misdadige handelingen. Het feit dat hij zulke bevelen soms ondertekend of geparafeerd had – waardoor die bevelen voor de massa van de soldaten de schijn van wettigheid kregen – was voornamelijk het resultaat van een tragische discrepantie tussen zijn opvatting van de traditionele militaire deugden en de rol die hij onder Hitler speelde. Bij de justitie in Neurenberg legde dat echter weinig gewicht in de schaal.”

Hoofdstuk 9 is geheel gewijd aan Karl Dönitz, “die vanaf 1943 opperbevelhebber van de Duitse marine was geweest en vanaf 1 mei 1945 staatshoofd, als opvolger van Hitler.” De zogenaamde duikbotenoorlog speelt in dit hoofdstuk uiteraard een grote rol: “(…) Kranzbühler [kon] bewijzen dat Amerikaanse onderzeeërs in de Grote Oceaan van meet af aan de Londense Vlootovereenkomst van 1930 hadden overtreden en gehandeld hadden in strijd met het volkenrecht door zich onmiddellijk van de methoden te bedienen die de Duitse onderzeeërs na hun eigen ervaringen met de Britten hadden overgenomen. Hij was er zich zeer wel van bewust dat hij anderen en het IMT daarmee in grote verlegenheid kon brengen, omdat tegenbeschuldigingen in Neurenberg niet toegestaan waren. Onwettige acties van de Duitsers mochten niet weggestreept worden tegen soortgelijke acties van de zegevierende mogendheden.”

Dat Gehoorzaamheid als misdrijf werd beschouwd in Neurenberg blijkt dan weer niet alleen uit de titel van hoofdstuk 10, maar – zoals eerder aangegeven – dat was het vóór 1944 al evenmin bij de Amerikanen als de Britten, net zomin als in welk leger ter wereld dan ook. Anderzijds: “In Neurenberg kwamen zaken aan het licht die zonder het IMT misschien nooit ontdekt zouden zijn: de stelselmatige moordcampagnes van onvoorstelbare omvang bijvoorbeeld, waartoe Hitler het bevel had gegeven. Uit de getuigenverklaringen en de documenten kon echter worden afgeleid dat deze gruweldaden zozeer in het geheim werden bedreven dat zelfs sommige hoofdverdachten niet meer dan een vage of volkomen onjuiste voorstelling hadden van wat er werkelijk gaande was.”

In hoofdstuk 11 heeft Maser het in ieder geval over De grenzen van de verantwoordelijkheid, grenzen die Maser mooi illustreert met de gevallen Speer (“Het optreden van Speer had wel wat weg van de monumentale gebouwen die door de Führer waren ontworpen en door hem waren gebouwd: toegespitst op het effect”), von Ribbentrop (“ik was nu eenmaal Adolf Hitlers minister van Buitenlandse Zaken en de politiek eist daarom mijn veroordeling”), Streicher (“Zijn beweringen dat hij niets had afgeweten van de massamoord op de joden en die niet gewild had, maar dat hij via zijn ophitsende tirades in Der Stürmer geprobeerd had de joden een nationaal tehuis buiten het rijk te bezorgen, waren niet meer dan doorzichtige uitvluchten”), Wilhelm Frick (“die in het vonnis werd betiteld als een hoge ‘nazi-specialist en bureaucraat’” en “er verantwoordelijk voor gesteld [werd] met meedogenloze energie en met behulp van door hem ontworpen en ondertekende wetten de oppositiepartijen te hebben afgeschaft, de kerken en vakbonden te hebben onderdrukt, de landsregeringen volkomen onder het rijksgezag te hebben gebracht en de Duitse natie onder volledige controle van de NSDAP (…) - wat allemaal vooral naar de mening van von Ribbentrop en Hess, in Neurenberg geen zaak kon zijn van het IMT”), Ernst Kaltenbrunner (“aangeklaagd (…) op de punten een, drie en vier, (…) op punt een vrijgesproken”), Fritz Sauckel (“niet schuldig bevonden aan misdrijven tegen de vrede”), Arthur Seys-Inquart (“een in 1892 in Moravië geboren advocaat, wiens intelligentie door de Amerikaanse gevangenispsychologen in Neurenberg zeer hoog werd aangeslagen”), Hans Frank (wiens vonnis “aan[toonde] hoe absurd het idee was dat in Neurenberg de ronde deed, dat een vertoon van berouw en schuldbekentenissen tegenover het IMT doorgaans in een mild vonnis resulteerde”), en Alfred Rosenberg (“de ijverige, excentrieke, fanatieke, bezeten antisemiet en antibolsjevist” die “zichzelf al de filosoof van de nazi-beweging [zag], maar wat Hitler betrof (…) zelfs al dood [was] nog voor de geallieerden een voet over de grenzen van het rijk hadden gezet”).

Met hoofdstuk 12 zijn we dan aan het einde van de gang door het ‘gerecht’ gekomen, De pleidooien. Pleidooien waarin ontegenzeglijk waarheden werden verkondigd door de aanklagers: “De afgelopen veertig jaren… zullen in de boeken der geschiedenis genoteerd worden als de bloedigste periode aller tijden. Twee wereldoorlogen hebben meer doden achtergelaten dan alle legers die in de oudheid of de middeleeuwen ooit op enigerlei wijze slag hebben geleverd. Geen halve eeuw is ooit getuige geweest van bloedbaden op zo’n grote schaal, van zulke gruweldaden en onmenselijkheden, van het op zo grote schaal deporteren van mensen in slavernij, van een zo vergaande uitroeiing van de minderheden.” Pleidooien ook waarin dingen die om andere redenen waarheid kunnen genoemd worden, werden verkondigd: “De terreur van Torquemada is niets vergeleken met de nazi-inquisitie, deze daden zijn de alles overschaduwende historische feiten die toekomstige generaties zich van dit decennium zullen herinneren”. Waarheden omdat die “toekomstige generaties” zich niet “herinneren” wat er in de jaren daarna speelde in China, in de Sovjet-Unie, in Cambodja, in Noord-Korea. Waarheden waarmee scholieren om een of andere reden niet telkens weer om de oren zijn geslagen. Waarheden die misschien niet pasten in het narratief dat Hitler ‘rechts’ was en ‘rechts’ het alleenrecht had op wandaden. Waarheden waarvan de verkondiging misschien simpelweg door de een of andere verboden was: “Over het IMT mocht alleen gerapporteerd worden wat de geallieerden wensten. Wie niet bereid was zich aan hun aanwijzingen te houden kreeg geen plaats, noch in het paleis van justitie, noch in de oude Neurenbergse school. Een toenmalige medewerkster van de Britse persofficier voor Rheinland-Westfalen vertelde bijvoorbeeld: ‘Bij de voorbereiding van het Neurenbergse proces zocht de Britse persofficier voor Rheinland-Westfalen naar een Duitse verslaggever. Het Duitse secretariaat van zijn afdeling stelde Margret Boveri voor; ze kwam uit Berlijn om over de zaak te praten. Maar ze wees de opdracht van de hand met ongeveer de volgende motivering: ‘U wilt dat ik in een heel bepaalde geest rapporteer, en daartoe ben ik niet bereid. Natuurlijk zult u zeggen dat ik ook in het Derde Rijk in kranten geschreven heb (onder andere in Das Reich). Maar toen wist elk verstandig mens dat een vrije verslaggeving niet mogelijk was en de lezer was eraan gewend om tussen de regels door te lezen. Nu gelooft men hier in de vrijheid van de pers naar het Engelse voorbeeld.” Een geloof dat ook nog bestaat in onze tijden, terwijl daar objectief gezien geen enkele reden voor is.

Blijft nog slechts Het vonnis en de gevolgen daarvan over, waarvan in de titel van hoofdstuk 13 sprake is. In dat hoofdstuk heeft Maser het onder andere over de IQ-tests die gevangenispsycholoog Gilbert bij de veroordeelden uitvoerden en hun oordeel over Hitler. IQ-tests die Schacht, Seyss-Inquart, Göring (die ook intelligent genoeg was om, ondanks alle maatregelen om dat te verhinderen, met een cyanidecapsule een einde aan zijn leven te maken en zo de Geallieerden het genoegen ontnam hem op te hangen) en Dönitz aanwezen als “geniaal’ en Schacht en Seyss-Inquart zelfs bij het één procent van slimste mensen ter wereld, maar waarin ook Wilhelm Keitel nog uitkwam op 129 punten, Joachim von Ribbentrop op hetzelfde aantal, Albert Speer op 128, Alfred Jodl op 127, Konstantin von Neurath op 125, en Walter Funk op 124 (Streicher haalde niet meer dan 106 punten, “van gemiddelde intelligentie”). Wat niet belette dat ze allen van oordeel waren dat Hitler hen versloeg in intelligentie, belezenheid en… eigenzinnigheid. Of zoals von Neurath het uitdrukte: “Mijn persoonlijke ervaring had mij al geleerd dat Hitler geen tegenspraak duldde en dat hij niet vatbaar was voor enig verzoek wanneer dit voor een betrekkelijk grote groep werd gedaan, want hij kreeg dan altijd het idee dat hij met een of andere vorm van verzet te maken had… Wanneer je hem alleen sprak, was de situatie heel anders. Dan was hij – althans in de beginjaren – open en was hij bereid onbevangen naar redelijke argumenten te luisteren; op zo’n manier kon veel bereikt worden ter matiging of afzwakking van radicale maatregelen.”

Ik besef dat dit een zeer lange boekbespreking is geworden, maar elke letter aan dit boek is – zelfs ondanks de vele niet gecorrigeerde tikfouten van de vertaler – dan ook bijzonder interessant. Een absolute aanrader voor eender wie die in geschiedenis geïnteresseerd is of voor wie wegens een gebrek aan kennis daarvan zou denken dat staten die buitenlandse staatshoofden simpelweg liquideren, ze ontvoeren, ze voor hun eigen ‘gerecht’ slepen, de pers muilkorven, zichzelf niet onderhevig achten aan de regels die ze anderen opleggen, voor rechter en partij spelen, enzovoort, een nieuw fenomeen zijn. Dit boek kan de lezer méér leren dan alleen het feit dat ook ideeën die door sommige mensen goed bedoeld zijn wel eens totale aberraties kunnen worden als ze in de praktijk gebracht worden.

Björn Roose


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !