Een mens zoú wat anders kunnen verwachten achter de titel Ingenieurs
van de ziel, maar reeds de eerste zin van de achterflaptekst
neemt alle mogelijke verwarring weg: dit boek “legt de worsteling
bloot van schrijvers in totalitaire tijden. Het is een fascinerende
zoektocht naar de fundamenten van een van de meest bizarre
experimenten uit de geschiedenis van de mensheid: het
Sovjet-systeem”. Een heldere inleiding bij dit in 2002 bij
Uitgeverij Atlas verschenen boek, die wordt gevolgd door:
“Reizend in het nu en het verleden ontrafelt Frank Westerman de
tragische levensloop van de romanticus Konstantin Paustovski en diens
tijdgenoten. Hij maakt de lezer deelgenoot van de geestdrift van de
Russische Revolutie, wanneer de kunst én de werkelijkheid op een
radicaal nieuwe leest worden geschoeid.”
“(…) deelgenoot”? Werkelijk? In mijn geval niet echt. Ik heb al
té veel boeken gelezen over allerhande revoluties - de fascistische,
de nationaal-socialistische, en een hele zooi communistische – om
naast de “geestdrift” van een aantal van de toenmalige
‘deelgenoten’ niet telkens meteen een verdoemde toekomst te zien
opdagen, maar goed, ik snap wat de achterflapschrijver wil zeggen. En
ik lees daarna iets wat van Ingenieurs van de ziel een
bijzonder boek ter zake maakt: “Schrijvers van naam bezingen de
bouw van kanalen en stuwdammen in titels als Energie, De
waterkrachtcentrale en Voorwaarts, tijd! Maar hun
opgewektheid, eerst nog spontaan en idealistisch, slaat om in een
verplichte lofzang. Terwijl de kolossale waterwerken tot dwang en
vernietiging leiden, bouwen de Sovjet-schrijvers onverminderd voort
aan een illusiemaatschappij (...) Aan de hand van actuele reportages
en verrassende inzichten voert Frank Westerman de lezer mee naar de
dramatische ontknoping: het duel tussen schrijvers en waterbouwers
dat de val van het Sovjet-imperium inluidt.”
Een “duel” waar u mogelijk nooit van gehoord heeft en wat ook
nooit as such uitgevochten is, maar waar Westerman de lezer
desondanks deskundig heen leidt terwijl hij het pad van Paustovski –
van wie ik zowaar toch een kortverhaal in mijn bibliotheek heb staan
– richting De baai van Kara Bogaz volgt. Die baai
zijnde een boek van Paustovski over “de uitroeiing der woestijnen”,
een onderneming waartoe “enthousiaste vijfjarenplanners een
fabriekscomplex voor zoutchemie op de oostkust van de Kaspische Zee
[projecteren]”. “Zo’n complex zal de woestijn een dodelijke
klap toebrengen”, aldus Paustovski, “Door de winning van water en
olie en door de ontginning van steenkool zullen rond het complex
oases worden geschapen vanwaaruit een planmatige veldtocht tegen de
zandvlakte begint.” De minder argeloze lezer – een categorie die
niet het publiek van Paustovski, of van de
‘socialistisch-realistische’ Sovjet-literatuur in het algemeen,
vormde – zal al voelen dat, na enig aanvankelijk succes, de “oases”
in kwestie luchtspiegelingen bleven (een fenomeen dat zelfs zó erg
was dat Kara Bogaz op een zeker moment van de kaart verdween), maar
dat was nog niet zo toen Paustovski zijn boek schreef, al moet hij
ook toen al enigszins zijn best hebben gedaan om minder in het
plaatje passende feiten te negeren: “Dat ik als eerste naar
Paustovski greep lag voor de hand: hij gold als de meesterchroniqueur
van de Russische Revolutie, de daaropvolgende burgeroorlog en de
opbouwjaren van het socialisme. Alle correspondenten in Moskou
droomden ervan om net zo van binnenuit verslag te kunnen doen als hij.”
Wat niet belet dat Westerman ná zijn inleiding overschakelt van
Paustovski naar Schrijver nummer 1, Maksim Gorki. Een
schrijver die zéér droog wordt ingeleid met de woorden: “De
hersenen van Maksim Gorki worden bewaard in een weckfles in het
Moskouse Neurologisch Instituut. Ze wegen 1420 gram en plakjes ervan
zijn onder de microscoop onderzocht op sporen van genialiteit.” Een
schrijver ook bij wie Westerman, enigszins in tegenspraak met wat hij
eerder schreef (“Dat ik als eerste naar Paustovski greep”), zijn
“verkenning van de Sovjet-letteren” begint. Een keuze die hem
toelaat een tik uit te delen aan Johan Daisne, “de bibliothecaris
uit Gent”, die van Gorki’s roman De moeder vond dat het
“een heerlijk werk” was, gekenmerkt door een nieuwigheid in de
Russische literatuur, zijnde “De introductie van de
volksrevolutionair, tegenover de adellijke opstandeling die Tolstoj
er reeds in had gebracht (…) Het weeklagen is uit; de opgewekte
heldhaftige toon van het dagende socialistische realisme breekt
door.” Daisne, “die ik heb aangeduid als directeur van de
stadsbibliotheek van Gent, was behalve dat ook een bekend dichter,
schrijver, slavist en filmhistoricus”, schrijft Westerman in zijn
Verantwoording, maar iets zegt me toch dat hij desondanks niet
in zijn bovenste schuif ligt, net zomin als Gorki. Gorki die Lenin,
die volgens hem “‘ironisch’ uit zijn ogen kijkt”, financieel
steunt, maar zich vervolgens tegen hem begint af te zetten (“Ware
idioten zijn het, die bolsjewieken. In hun spreekkoren eisen ze: ‘Weg
met de tien bourgeois ministers.’ Hoe bestaat het! Het zijn er maar
acht!’”), “nachtwaken van intellectuelen bij paleizen en
monumenten” organiseert “om de beeldenstorm van de massa’s in
te tomen”, Lenin “een denkende guillotine” noemt, op instigatie
van die moordenaar naar Italië verhuist, maar dan, overstelpt met
brieven en cadeautjes van Stalin, op verzoek van die laatste
terugkeert, en tijdens zijn tweede rondreis door de Sovjet-Unie “als
eerste en enige buitenstaander toegang tot het Kamp met de Speciale
Bestemming” SLON krijg en daar ook nog vol lof over is. Iets wat
Aleksander Solzjenitsyn in De Goelag Archipel zou beschrijven
als “een tragisch voorval”: “Gorki zou een Potjomkingevangenis
hebben gezien”, desondanks gemerkt hebben dat dat zo was, en dat
vervolgens genegeerd hebben. Toen Stalin in de maanden na zijn
positieve verslag nog wat verder stroop aan Gorki’s baard had
gesmeerd, verhuisde Gorki definitief naar Moskou, alwaar hij – een
communist moet toch iets, nietwaar? – “een miljonairswoning aan
de Malaja Nikitskaja” betrok, “de art-nouveauvilla van Stepan
Riaboesjinski, de puissant rijke handelsmagnaat die op de vlucht voor
de bolsjewistische horden zijn huis met inboedel en al had moeten
achterlaten.” “Gorki is een ijdel man”, zei Stalin, “We
moeten hem met kabels aan de Partij binden.” Luxekabels waren
kennelijk voldoende om Gorki zover te krijgen de leiding op zich te
nemen van het schrijversgild (voor wie hij onder andere een reisje
naar de Goelag wist te organiseren, zonder dat dat evenwel inhield
dat ze niet meer konden terugkeren) en als trouwe hond van Stalin de
lijnen voor dat schrijversgild uit te zetten. “Hier merkte iemand
op”, zei Stalin tijdens een overhaast ten huize Gorki belegde
‘meeting’ met de andere kandidaat-‘volksschrijvers’, “dat
schrijvers niet stil moeten zitten, dat zij het leven in hun land
moeten kennen. De mens wordt herschapen door het leven, en jullie
moeten behulpzaam zijn bij het herscheppen van zijn ziel. Dat is
belangrijk, de productie van menselijke zielen. En daarom hef ik mijn
glas op jullie, schrijvers, op de ingenieurs van de ziel.”
Ingenieurs die het voor de simpele zielen niet al te ingewikkeld
moeten maken: “Van romanpersonages eist Gorki dat ze of goed of
slecht zijn. Voor twijfelaars en tobbers (en ‘Oblomovs’ die hun
bed niet uit kunnen komen) is het te laat. De negentiende-eeuwse
Russen, Dostojevski en zijn discipelen voorop, hebben volgens hem
waardeloze werken voortgebracht, ‘waarin het wemelt van de
nutteloze helden’. Helden horen types uit één stuk te zijn. Hun
karakter is eenduidig en zij gaan bij voorkeur gehuld in een lange
jas, waaronder zij geen seksuele verlangens koesteren. Deze asceet,
lid van de Communistische Partij, is tegelijk een doorbijter en een
drakendoder, maar let wel: zonder hulp van ‘het collectief’ zal
hij het niet redden. Gorki verklaart het individualisme ‘bankroet’
en ‘opgebrand’. Het tiert nog voort op het kapitalistische
halfrond, helaas, maar dat komt doordat de najagers van het
privébezit het ‘zoölogische stadium’ nog niet zijn ontgroeid.
Als je de redenering doorvoert, wat Gorki consequent doet, is ook de
schrijver als individu een anachronisme. Kunst onder het communisme
wordt door het volk voortgebracht, nog even en de naam van de maker
doet er niet meer toe. Gorki: ‘Als arbeiders in brigades beton
kunnen storten, waarom zouden brigades van schrijvers dan geen
gezamenlijk boek kunnen produceren?’” Iets wat na het
plezierreisje naar de Goelag ook gebeurt: zesendertig schrijvers
samen publiceren Belomor, ofte voluit Belomor, de
geschiedenis van de bouw van het kanaal genaamd J.V. Stalin tussen de
Witte Zee en de Baltische Zee, daarmee het fundament leggend van
een heel genre, een genre dat – mijns inziens – dodelijk
oninteressant is (wat niet geeft, want er wordt ook niet uit
geciteerd in dit boek), maar waarrond Westerman zijn ‘plot’ heeft
opgebouwd, een plot bestaande uit feiten, uit wat de schrijvers
daarmee uitgevreten hebben, en uit wat er van die feiten én
schrijvers is geworden.
En zo neemt Westerman de lezer mee van de jeugd van Paustovski
(waarin hij wellicht “zijn haast encyclopedische kennis van bloemen
en planten” opdeed), over – hij is nu eenmaal Schrijver nummer
1 – nog eens Gorki (die “verkondigde dat, zodra de
klassestrijd getreden was, de Sovjet-mens zijn handen vrij had om het
gevecht aan te gaan met zijn laatste vijand: de natuur”), naar Ilja
Iljitsj, directeur van het Paustovskicentrum in Moskou, dat
Westerman, die gedurende een aantal jaren als schrijver-journalist
woonde en werkte in de stad, al een paar keer eerder had gezien, maar
nog niet eerder bezocht: “Ilja Iljitsj pakte een beduimeld schrift
uit de vensterbank, zette zijn leesbril op en tuurde over een
handgeschreven lijst Paustovskivertalingen. ‘Kara Bogaz is
er, eens kijken… in het Deens, Duits, Grieks, Japans en aha… in
het Nederlands. Uitgeverij Pegasus. Amsterdam, 1935. Vertaald door
‘Ban het Reve’. Spreek ik dat goed uit?’ De professor keek mij
triomfantelijk over zijn halve glazen aan. Ik stond versteld. Ik wist
dat Gerard van het Reve senior, destijds voorzitter van de
Vereeniging Vrienden van de Sovjet-Unie, samen met zijn tienerzoon
Karel in de jaren dertig twee Paustovskititels had vertaald (Kara
Bogaz en Kolchis, het land der nieuwe argonauten). Maar ik
had niet durven vermoeden dat deze wetenschap tot een rommelzolder in
Moskou was doorgedrongen.”
Iets wat Paustovski kennelijk niét
tot Kara Bogaz gedaan heeft: “Hij is tot Krasnovodsk gekomen, daar
raakte hij door zijn voorschot heen. Toen is hij via Bakoe
teruggereisd.” Wat Paustovski niet in zijn memoires schrijft, in
tegendeel: “Ik woon in een huis van triplex aan de oever van de
baai van Kara Bogaz.” “(…) kleine omgerijmdheden”, zoals
Iljitsj zegt, wat in een staat als de Sovjet-Unie
ongetwijfeld ook klopte.
Of Paustovski kwam niet alleen “zielskracht en tijd te kort om
behoorlijk wijs te kunnen worden uit de bliksemsnelle vlucht die de
geschiedenis nam”. Een “vlucht” die zo snel moest verlopen dat
zelfs de volledigheid van woorden er bij moest inboeten: “Natuurlijk
stond niemand afwijzend tegenover de alfabetisering, ook Paustovski
niet. Hij had alleen bedenkingen bij de manier waarop het instrument
van de taal onder het volk werd verbreid. In het Russisch heette deze
campagne likvidatsija bezgramotnosti
(letterlijk: de liquidatie van de ongeletterdheid). Aangezien dit een
tongbreker was waar uitgerekend analfabeten moeite mee hadden, werd
dit begrip afgekort tot ‘LikBez’. Er verschenen ‘LikBez’-scholen
en ‘LikBez’-onderwijzers. In diezelfde tijd raakten ProletKoelt
(proletarische cultuur) en AgitProp (agitatie-propaganda) in zwang
ter ondersteuning van de KomPartija (Communistische Partij).
Paustovski gruwde van zulke ‘bespottelijke afkortingen’ die
binnen een paar jaar ‘de omvang van een ramp’ aannamen. Ze
transformeerden de Russische taal in gutturaal gestotter. Het
Sovjet-instituut dat zich bezighield met de waterbouw in Midden-Azië
heette SredAzHidroProjekt en de zusterinstelling die zich toelegde op
de katoenteelt: SredAzHidroVodChlopok. Binnen de marges die de
censuurinstelling Glavlit hem toestond, verzette Paustovski zich met
al zijn lyrische kracht tegen dit ambtenarengebrabbel.”
Maar goed, verder reizen we weer,
door tijd en door ruimte. Naar Isaak Babel, bijvoorbeeld, waarmee
Paustovski in 1921 in Odessa bevriend raakte en die volgens hem “De
eerste echte Sovjet-schrijver” was. Naar de “lichtcampagne” van
Lenin: “Communisme = Sovjet-macht + Elektrificatie van het hele
land”. Naar Gleb Krzjizjanovski (niet te verwarren met Sigizmoend
Krzjizjanovski, wiens De terugkeer van
Münchhausen ik eerder besprak) die “de volmacht van Stalin [kreeg] om de loop
van drie rivieren om te keren”, wat meteen het rijmpje deed
ontstaan dat “Sovjet-rivieren stromen/waarheen de bolsjewieken
dromen”. Naar Andrej Platonov
en in het bijzonder diens De sluizen van Jepifan,
een verhaal dat opgenomen werd in de bundel In deze
prachtige, grimmige wereld die ik eerder besprak. Naar Karl Wittfogel en zijn boek over Oriental
Despotism: “In dat werk, zo
verzekerde onze antropologiedocent, wordt de stelling onderbouwd dat
irrigatie tot tirannie leidt”, een stelling die Westerman
uiteindelijk tegen het licht van de grote ‘waterwerken’ in het
algemeen gaat houden. Naar Boris Pilnjak, geboren als Boris
Andrejevitsj Vogau, die in 1929 zijn novelle Roodhout
uitgaf “bij een Russische emigrantenuitgeverij in Berlijn” en
daarmee “literair hoogverraad” pleegde, maar makkelijker dan
Platonov de kans kreeg zijn naam te zuiveren: “Haastig componerend
begint hij aan een socialistisch-realistische roman: De
Wolga mondt uit in de Kaspische Zee.
Het boek is één lange weg naar Canossa. Pilnjak wijkt in dit
productie-epos geen millimeter af van de partijlijn, en wat betreft
zijn thematiek speelt hij op zeker: dammenbouw, navigatie, irrigatie,
de titanenstrijd van een Sovjet-ingenieur tegen een saboteur –
alles zit erin”. Naar het eerder genoemde GlavLit: “Zonder
GlavLit was het totalitarisme in de Sovjet-Unie ondenkbaar.
Routinematig bemoeide de censuurinstelling zich met het ontwerp van
rijbewijzen, de belettering van zwemdiploma’s, motiefjes van
zakdoeken, de handleiding bij koffiemolentjes. Zij bezat alle
papiervoorraden van de Sovjet-Unie. Lenin had de Glavnoje
Oepravdenije po delam Literatoeroe
in juni 1922 in het leven geroepen als onderdeel van het ministerie
van Onderwijs, met de opdracht ‘alle vormen van censuur te
verenigen.’” Wie meent een tegenstelling te zien tussen onderwijs
en censuur, is duidelijk noch een Sovjetleider, noch een ‘democraat’
zoals die tegenwoordig in het westen de dans leidt. Noch overigens
zou hij een geschikte, zij het dan niet noodzakelijk geschikt
blijvende, inwoner van Peredelkino geweest zijn, “de eerste van
staatswege onderhouden schrijverskolonie ter wereld.”: “Meteen al
in de eerste zomer, die van 1935, broeit er iets aan de politieke
horizon. De schrijvers krijgen Lev Kamenev en zijn vrouw Olga (een
zus van Trotski) nooit te zien; hun huis van opgestapelde boomstammen
blijft leeg. Kamenev blijkt te zijn opgepakt bij de massale
arrestaties in verband met de moord op de Leningradse partijchef
Sergej Kirov, in december 1934. In de kranten heet hij al
gauw het brein achter de aanslag. Samen met een andere bolsjewiek van
het eerste uur zou hij een ‘trotskistische staatsgreep’ hebben
beraamd – met het dodelijke schot op Kirov als startsein.” “Gorki
maant Stalin tot terughoudendheid”, “Uit gepikeerdheid neemt de
Georgiër in het Kremlin maandenlang geen telefoontjes meer van hem
aan”, Gorki “besluit terug te keren naar Italië om zich te
bezinnen op zijn verzoening met de Sovjet-macht. Maar Stalin laat
zijn buit niet meer gaan: hij weigert Gorki een uitreisvisum. De
machtige voorzitter van de Sovjet-Schrijversbond is op slag een
gevangene in eigen land en eigen huis, maar het is de vraag of hij
van dat laatste iets merkt: Pjotr, zijn privésecretaris, is door de
geheime dienst gerekruteerd; hij zorgt ervoor dat bepaalde brieven
zijn meester niet meer bereiken. Op die manier schermt hij hem af van
‘schadelijke contacten’ met buitenlandse intellectuelen, die zich
steeds kritischer uitlaten naarmate de rechtsgang tegen Kamenev en
zijn ‘trotskistisch-terroristische cellen’ groteskere vormen aanneemt.”
Kamenev wordt in augustus 1936
geëxecuteerd, zijn tweede zoon (op zeventienjarige leeftijd) in
januari 1938, zijn oudste zoon in juli 1939, zijn eerste vrouw in
september 1941. Intussen redde componist Dmitri Sjostakovitsj zich
het vege lijf door zijn Vierde Symfonie
‘terug te trekken’, een symfonie waarvan de Pravda,
die uiteraard de waarheid en niks dan de waarheid publiceerde (of
toch de waarheid van het regime op een zeker moment), schreef dat het
om “nerveuze, verkrampte, hysterische wanklanken” zou gaan,
“chaos in plaats van muziek”. Of dat ook in de Pravda
stond die Gorki op zijn ziekenbed te lezen kreeg, is me niet
duidelijk, maar dat het de eerste krant was die gepersonaliseerde
versies uitbracht, lijkt me dat
wél
te zijn:
“Om te voorkomen dat de achtenzestigjarige schrijver zich op zijn
sterfbed nog onnodig opwindt, krijgt GlavLit opdracht om speciale
edities van de Pravda
te prepareren, exemplaren die uitsluitend bedoeld zijn voor Gorki, en
waaruit mogelijk onthutsende berichten zijn weggelaten (…) De op de
Pravda gestationeerde
GlavLit-redacteur beleeft drukke nachten. Om te beginnen neemt hij
alle kopij door. Zitten er schokkende meldingen bij? Verhulde
formuleringen waar Gorki’s verzwakte hart niet meer tegen kan? En
zo ja, is er reservekopij voorhanden? Er wordt een zetter vrijgemaakt
die met de aparte pagina aan de slag gaat, en ‘s nachts na het
drukken van de reguliere oplage mag niemand naar huis voordat ook
deze pagina van de persen is gerold en er een toonbaar
Gorki-exemplaar in elkaar is gevouwen. Een van deze bewerkte
exemplaren is bewaard gebleven: een artikel over Gorki’s naderende
einde op de voorpagina van de landelijke editie blijkt in zijn
persoonlijke Pravda te
zijn vervangen door een even groot stuk over gunstige oogstprognoses.
En zo sterft Aleksej Pesjkov de Bittere [‘Gorki’ betekent
‘Bittere’, noot van mij] op 18 juni 1936 – met een als
‘Waarheid’ verpakte leugen in zijn hand.”
Niet meer dan passend voor een
schrijver die leugens verkocht als waarheid, zou ik durven zeggen, en
híj kreeg in ieder geval de kans een natuurlijke dood te sterven. In
tegenstelling tot, bijvoorbeeld, “De eerste echte Sovjet-schrijver”
Isaak Babel. Die werd “als een van de laatsten [der oorspronkelijk
door de staat zeer ‘gewaardeerde’ schrijvers, noot van mij]
opgehaald, toen de terreurgolf alweer over zijn hoogtepunt heen was”.
Een goed half jaar later, eind januari 1940, werd hij op bevel van
Stalin geëxecuteerd en in een massagraf gedumpt. “Evenals Babel
(een jood met connecties in Frankrijk en België) had ook Pilnjak
(een Wolga-Duitser) zijn arrestatie van tevoren zien aankomen. De
flamboyante Pilnjak was niet eens verbaasd dat hij van alle
Peredelkinoschrijvers in oktober 1937 als eerste aan de beurt kwam”.
In april 1938 werd hij geëxecuteerd en zoals Babel na hem in een
massagraf gegooid. En tussen die feiten in vraagt Louis Aragon, Frans
dichter en fan van Stalin zolang die leefde en communist tot in zijn
kist, zich af of “de nieuwe stalinistische grondwet”,
“schitterende pagina’s over werk en vreugde van 160 miljoen
mensen”, “niet de eerste plaats toekomt onder de kostbare
schatten van de menselijke cultuur, nog voor de koninklijke werken
van Shakespeare, Rimbaud, Goethe en Poesjkin”. Dat Aragon gezellig
in Frankrijk kon blijven wonen, verhinderde in ieder geval dat hij
hetzelfde lot onderging als zijn Russische collega’s: “De idylle
van Peredelkino werd in de jaren ‘37-’39 zeven keer verstoord
door de komst van een NKVD-arrestatieteam. Ook voor de enthousiast
onthaalde Pool Bruno Jasienski, die wegens zijn communistische
agitatie uit Frankrijk was gezet, was geen plaats onder het
Sovjet-gesternte. Dat hij als enige buitenlander was beloond me een
datsja in de schrijverskolonie maakte op de geheime dienst geen
indruk. Zijn roman De mens wisselt van huid
(over de aanleg van bevloeiingskanalen langs de Amoe Darja) werd na
zijn terechtstelling als een subversief boek in de ban gedaan – nog
geen vier jaar na verschijning. En zo dunde Gorki’s
waterbouwbibliotheek steeds verder uit. Ook de laatst toegevoegde
bijdrage over de aanleg van het Moskou-Wolgakanaal (Van
misdaad tot arbeid), was gelijk
met de auteur (Leopold Averbach) van het toneel verwijderd. De
waarschuwing van Andrej Platonov uit De sluizen van
Jepifan, dat grootschalige
waterwerken tot grootschalige terreur uitnodigen [een variant op de
bewering van Karl Wittfogel dus, noot van mij], kwam uit.”
Maar daarmee is dit boek nog niet…
uit. Westerman neemt de lezer na een uitgebreide stop bij Peredelkino
verder mee op reis naar Turkmenistan, voormalig wingewest, zeg maar
kolonie, van de centrale Sovjet-instanties in Moskou, al mocht het
dan uiteraard niet zo genoemd worden: “(…) ze reserveerden het
[woord] alleen voor de overzeese gebiedsdelen van de Europese
roofstaten, die de wereldzeeën afschuimden omdat ze zich in het
‘terminale stadium van het kapitalisme’ bevonden.” “De
selectieve toepassing van het Sovjet-vocabulaire was mij hoe langer
hoe meer gaan fascineren”, schrijft Westerman. “Van
‘imperialisme’ of ‘expansiedrift’ kon onder de dictatuur van
het proletariaat uiteraard geen sprake zijn; daarom heette het dat de
Turks- en Perzischtalige volken van Midden-Azië door de
roodgardisten waren ‘bevrijd’; ze kregen als broedernaties
technische bijstand bij het overwinnen van hun achterlijkheid.” Wie
wil weten wat het nog levende erfgoed van de Sovjets is, kan volstaan
met luisteren naar uitleg van Donald Trump over het ‘bevrijden’
van Venezuela, Iran of – daar is op het moment waarop ik deze
boekbespreking schrijf, half maart 2026,
ook al sprake van – Cuba. Wie dan weer het bouwkundig erfgoed van
de Sovjets wil zien, kan bijvoorbeeld gaan kijken naar het
Leninkanaal, later Turkmeens hoofdkanaal genoemd,
vervolgens Turkmenbaşikanaal,
dat weigerde te doen wat de ingenieurs (van het water, niet die van
de ziel) er van wilden, zijnde het water van de Amu Darja
vlotjes langs de steppen van de Karakum laten doorstromen tot dicht
bij de Kaspische Zee, en tegenwoordig nog moet opengehouden worden
door “hypophthalmichthys molitrix
(…) ook wel bekend als de zilverkarper”, een ideetje van Dzjamar
Alijev, een van de gesprekspartners van Westerman in Turkmenistan.
Dat laatste – “Westerman in
Turkmenistan” - rijmt, dus
het is waar, wordt dan wel eens beweerd, al was
dat in de Sovjet-Unie van na
de Tweede Wereldoorlog, waar we intussen tijdsgewijs in
schrijversland heen gereisd zijn, niet noodzakelijk
een aanbeveling: “Met een reeks oekazes had Stalin een einde
gemaakt aan de uitzonderingstoestand die in de oorlogsjaren van
kracht was geweest. De implementatie van het aangescherpte beleid
liet hij over aan Andrej Zjdanov, die namens het Politbureau over het
domein van de schone kunsten waakte. Als gezant van Stalin was deze
strenge ideoloog ook diegene die het Sovjet-schrijverscongres in 1934
had voorgehouden wat het socialistisch realisme precies inhield. Maar
de naleving van die doctrine was verwaterd. Zjdanov pakte zijn nieuwe
opdracht sluw aan. Om te beginnen zocht hij twee zondebokken uit: de
Leningradse satiricus Michail Zjosjenko, en de dichteres Anna
Achmatova. ‘Onze literatuur kent niets weerzinwekkenders dan de
moraal die Zjosjenko verkondigt,’ betoogde Zjdanov. ‘Zijn
geschriften zijn ideologisch leeg, vulgair en gericht op het
desoriënteren van de Sovjet-jeugd.’ Voor Achmatova toonde hij nog
minder respect, omdat haar poëzie opzettelijk pessimistisch en
esthetisch zou zijn. ‘Zij is half hoer, half non,’ oordeelde de
cultuurinspecteur.” Goed dat er nog eerlijke lieden als Aleksej
Tolstoj (niet te verwarren met zijn verre verwant Leo Tolstoj) waren,
iemand die de ‘Schrijversbond’ uit de veilige handen van Gorki
had overgenomen, een “letterknecht”, zoals Westerman hem
terecht noemt, “die eerder tsaar Peters biografie had aangepast aan
Stalins voorkeuren” en “in 1945 een toneelstuk over het leven van
de gevreesde Ivan [voltooide], dat onmiddellijk werd verfilmd”
omdat de heer Stalin zich graag aan genaamde Ivan de Verschrikkelijke
spiegelde. “Gorki was gestorven, terwijl grootheden als Pilnjak,
Babel en Mandelsjtam fysiek uit de weg waren geruimd. Er was niemand
meer van enige statuur om je op te verlaten. Boris Pasternak, die in
1944 weer een cyclus gedichten in de legerkrant Rode Ster
had mogen publiceren, vluchtte in vertaalwerk. Met Shakespeare en
Goethe kon hij jarenlang vooruit. Een veilige wijkplaats waren ook de
kinderrijmpjes (waar de Peredelkinobewoner Tsjoekovski zich in
specialiseerde) en de fabels (de nieuwe bezigheid van de natuurvorser
Michail Privsjin). Anderen, zoals Joeri Olesja uit Odessa, zochten
het in de drank; weer anderen volgden het voorbeeld van Marina
Tsvetajeva, de dichteres die zich in 1941 had verhangen.” “In De
familie Ivanov”, eveneens
opgenomen in de bundel die ik eerder van hem vernoemde, “ontleedde
Platonov zin voor zin de vertwijfeling van de soldaat die vreest dat
hij nooit meer zal kunnen aarden als vader en kostwinner. De
herkenbaarheid van de situatie greep de lezer bij de keel en voerde
hem ademloos naar het explosieve, maar pedagogisch verantwoorde slot:
op weg naar zijn minnares springt Ivanov uit de rijdende trein
wanneer hij in de verte zijn twee kinderen achter hem aan ziet
hollen. ‘Een cynische aanfluiting en een ontering van de
Sovjet-mens,’ schreef een door Zjdanov geïnspireerde criticus.
Want welke Sovjet-militair, een triomfator nog wel, toont er nu
zwakheid van karakter? ‘De familie Ivanov
is een lasterlijke vervalsing van onze Sovjet-werkelijkheid.’ Na
deze veroordeling lag Andrej Platonov er definitief uit. De laatste
jaren van zijn leven bewoonde hij kamer 27 in een zijvleugel van het
Gorki Literatuur Instituut. Hij greep naar de wodka, verwaarloosde
zichzelf en werd door leerling-schrijvers aangezien voor de
conciërge. Als docent aan deze schrijversvakschool zag Konstantin
Paustovki hem op de binnenplaats wegkwijnen. ‘Die man die daar de
stoep veegt,’ zo had hij eens in de beslotenheid van het klaslokaal
opgemerkt. ‘Dat is een genie.’ Toch durfde geen van de
literatuurdocenten, ook Paustovski niet, zich over hem te ontfermen.
Wie zich associeerde met een uitgestotene liep het gevaar zelf
uitgestoten te worden, en de vrees daarvoor was zo groot dat niemand
zich na Platonovs dood (hij stierf op 9 januari 1951) aan een lovende
necrologie of een andere geste van waardering had gewaagd.”
Iets wat Westerman met dit boek wél heeft gedaan en dat niet alleen
voor Platonov. Ook voor die Sovjet-schrijvers waarvoor die necrologie
onmogelijk waarderend kon zijn. En die in het laatste hoofdstuk
Liriki vs fiziki dan wel niet in een duel tegenover de
ingenieurs (de genaamde “fiziki”) komen te staan, maar bij
monde van professor Aleksandr Velikanov, werkzaam aan het nog steeds
bestaande (of minstens in de tijd dat Westerman dit boek schreef nog
bestaande) Moskouse Instituut voor Watervraagstukken wel schuldig
verklaard worden aan het falen van die laatste: “Aleksandr
Velikanov was een ombuiger van het eerste uur. Juist in de tijd dat
hij afstudeerde, in 1955, gelastte het Centraal Comité het treffen
van voorbereidingen voor de omkering van vijf rivieren (drie in
Europees Rusland en twee in Siberië). Het Instituut voor
Watervraagstukken kreeg de supervisie over al het benodigde
vooronderzoek. ‘Onze middelen waren onbeperkt,’ zei de professor
met een zweem van nostalgie. ‘We kregen een eigen vloot, een
netwerk van meetstations, helikopters voor onze veldexpedities, wat
we maar nodig hadden.’ Al gauw werkten er 68 000 stafmedewerkers
van een zeventigtal wetenschappelijke instellingen aan de bestudering
van de deelfacetten. ‘Maar let wel: er bestaat een verschil tussen
een project en een prozject.’ Dat laatste woord sprak hij zo
geaffecteerd mogelijk uit, op z’n Frans. In die aanstellerige
variant, zo verduidelijkte hij, had Nikolaj Gogol – zijn favoriete
schrijver – dat woord al in de negentiende eeuw voorbehouden aan
luchtfietserij. ‘Perebroska op zich was een gewoon project. Nuttig,
haalbaar. Maar sommigen van ons lieten zich het hoofd op hol brengen.
Die droomden er bijvoorbeeld van om kanalen te graven meet behulp van
gecontroleerde kernexplosies.’ ‘Een prozject?’ ‘Ja,’ zei
Velikanov. ‘Maar het trieste was: zulke kernproeven zijn
daadwerkelijk genomen in de Oeral, in het kader van ‘Vredesatoom’.
Dat was een onderzoek naar vreedzame toepassingen van kernexplosies
in de waterbouw.’ Volgens de professor lag de verantwoordelijkheid
voor het ‘prozject-denken’ bij de Sovjet-schrijvers: die dreven
de fiziki tot steeds grotere, en op den duur onzinnige prestaties. In
de tijd van Gogol, nota bene onder het strenge tsarenbewind, leverden
de schrijvers ten minste nog maatschappijkritiek. ‘Maar wij werden
uitsluitend bedolven onder loftuitingen. De dammen en de gemalen die
we ontwierpen heetten steevast ‘monumentaler dan de Egyptische
piramiden’. Zo stond het in onze kranten. Zie dan maar eens de
juiste proporties in het oog te houden!’”
De schrijvers hadden het dus gedaan, de ingenieurs van de ziel hadden
ook de ziel van de ingenieurs bewerkt. In dwingende opdracht van
Stalin, maar – volgens de ingenieurs - kennelijk ook nog na diens
dood en afschrijving. Ondanks het feit dat zélfs een Ilja Ehrenburg,
de man die bijna in zijn eentje de Russische propagandamachine
draaiende hield tijdens de Tweede Wereldoorlog en voor wie de
Sovjet-soldaten onmogelijk ooit genoeg konden moorden, verkrachten en
plunderen, in 1954 een novelle onder de titel Dooi, “de
benaming die het tijdperk-Chroesjtsjov zal typeren”, gepubliceerd
had “waarin een kunstenaar voorkomt ‘die net als iedereen kuipt,
intrigeert en liegt’”. Ondanks het gegeven ook dat Jevgeni
Jevtoesjenko (die van 1989 tot 1991 nog lid van de Opperste, en
laatste, Sovjet zou worden) er voor pleitte om “de woorden hun
oorspronkelijke klank terug te geven”. En ondanks de kritiek die
Paustovski leverde “op de gekunsteldheid van de Sovjet-literatuur:
te veel boeken stralen volgens hem ‘onmacht’ uit; ze ademen ‘een
schijnopgewektheid die echte vreugde, vooral arbeidsvreugde, moet
suggereren’”. “In december 1962 verscheen er”, onder
“persoonlijke supervisie” van Chroesjtsjov, “een novelle over
de Goelag. Het ging om Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj
van Aleksandr Solzjenitsyn, een onbekende wiskundige die een
literaire vorm had gegeven aan zijn kampervaring in Kazachtstan. Zijn
kille registratie van alledaagse wreedheid in een van Stalins
strafkolonies, van ochtend- tot avondappel, zou het culminatiepunt
van Chroesjtsjovs dooi blijken: de verschijning van een zo
ontluisterend relaas voerde de conservatieve leden van het Politburo
te ver. Nog geen twee jaar later, op het partijplenum van 14 oktober
1964, moest de mijnwerkerszoon Chroesjtsjov het veld ruimen voor
Leonid Brezjnev.” De schrijver had zijn werk gedaan met niet alleen
de goedkeuring van de opvolger van Stalin, maar ook onder diens
persoonlijke toezicht, en dit keer kostte dat de leider zelfs eerder
zijn carrière dan de schrijver.
Wat niet belette dat schrijvers zelfs de ‘waterwerken’ gingen
bekritiseren vanaf halverwege de jaren 1960: “Voor het eerst sinds
Gorki de Sovjet-schrijver heeft opgedragen om de opbouw van het
socialisme met heel zijn artistieke vermogen te prijzen, zetten de
liriki vraagtekens bij het werk van de fiziki. Jevgeni Jevtoesjenko
breekt in zijn gedicht ‘De elektrische centrale van Bratsk’
(1965) met de traditie om stuwdammen te vergelijken met de Egyptische
piramiden. Die laatste zijn immers ‘het zinnebeeld van
nutteloosheid en vernederende slavernij’? Twee jaar later
omschrijft een van Paustovski’s leerlingen van het Gorki Instituut
de aanleg van het Turkmeense Hoofdkanaal als een ‘zinloze
onderneming’. Nog even, en ook de zegeningen van de stuwdammenbouw
worden in twijfel getrokken. Wanneer Valentin Raspoetin [u mogelijk
bekend van het door mij eerder besproken De laatste
termijn,
noot van mij] in 1976 een manuscript indient over het leven in een
Siberisch dorp zijn de censors met een handvol schrappingen tevreden.
Zij beseffen niet dat Afscheid van Matjora zich laat lezen als
een aanklacht tegen de bouwwerken van de Sovjet-ingenieur. Het boek
beschrijft de laatste zomer van het gehucht Matjora voordat het door
het stuwmeer van Bratsk wordt opgeslokt. De notie dat de lezer partij
zou kunnen kiezen voor de kibbelende baboesjka’s van Matjora, en
dus tegen de elektriciteitsopwekking voor nieuwe socialistische
fabriekscomplexen, gaat er bij de GlavLit-ambtenaren niet in.” Tot
het protest aanzwelt allicht: “Na decennia wikken en wegen kiest de
USSR onder (…) leiding [van Brezjnev] voor de daadwerkelijke
uitvoering van de rivieromkering: onder de naam ‘De Zuidelijke
Strategie’ beveelt Brezjnev in 1977 een versnelde ombuiging van
vijf rivieren in Europees Rusland en Siberië. Twee jaar later
presenteren de waterbouwers hun definitieve ontwerp voor de
jaarlijkse overheveling van zestig kubieke kilometer water. Het
eerste en makkelijkste onderdeel van deze ‘rationele herverdeling
van Sovjet-watervoorraden’, de afsluiting van de baai van Kara
Bogaz, is in februari 1980 voltooid. Maar dan zwelt het koor van
tegenstemmen aan. Een vlijmscherp protest van een van de
dorpsschrijvers, door GlavLit geweigerd, verschijnt in 1981 in
tamizdat in Parijs. De liriki uit de dorpen blijken geen onschuldige
nostalgici, maar een Gideonsbende die zich op de rivierombuiging
stort. Professor Velikanov was zich rot geschrokken van het
‘kudde-instinct’ van zijn tegenstanders. ‘Altijd hadden de
Sovjet-schrijvers ons werk bejubeld,’ zei hij verontwaardigd. ‘Maar
nu sloegen deze ‘patriotten’ als een blad aan de boom om.’”
Of ze de ingenieurs nu toejuichten of hen aanvielen, of ze dat deden
omdat de dictator hen daartoe dwong of net omdat de dictator hen niet
meer dwong: als de plannen van de ingenieurs niet slaagden of als er
uiteindelijk zelfs niet aan begonnen werd, waren de schrijvers
daarvoor verantwoordelijk. Mij lijkt het dan dat de ingenieurs zielig
doen, maar de weg vanaf Gorki’s terugkeer naar Rusland tot het
moment dat Michail Gorbatsjov in 1986 de stopzetting van de
“perebroska” beval, is met dat alles bijzonder sterk in beeld
gebracht. Ik heb aan dit boek van Frank Westerman dan ook geen letter
commentaar te veel besteed.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !