vrijdag 27 maart 2026

Ingenieurs van de ziel – Frank Westerman (boekbespreking door Björn Roose)

Ingenieurs van de ziel – Frank Westerman (boekbespreking door Björn Roose)
Een mens zoú wat anders kunnen verwachten achter de titel Ingenieurs van de ziel, maar reeds de eerste zin van de achterflaptekst neemt alle mogelijke verwarring weg: dit boek “legt de worsteling bloot van schrijvers in totalitaire tijden. Het is een fascinerende zoektocht naar de fundamenten van een van de meest bizarre experimenten uit de geschiedenis van de mensheid: het Sovjet-systeem”. Een heldere inleiding bij dit in 2002 bij Uitgeverij Atlas verschenen boek, die wordt gevolgd door: “Reizend in het nu en het verleden ontrafelt Frank Westerman de tragische levensloop van de romanticus Konstantin Paustovski en diens tijdgenoten. Hij maakt de lezer deelgenoot van de geestdrift van de Russische Revolutie, wanneer de kunst én de werkelijkheid op een radicaal nieuwe leest worden geschoeid.”

“(…) deelgenoot”? Werkelijk? In mijn geval niet echt. Ik heb al té veel boeken gelezen over allerhande revoluties - de fascistische, de nationaal-socialistische, en een hele zooi communistische – om naast de “geestdrift” van een aantal van de toenmalige ‘deelgenoten’ niet telkens meteen een verdoemde toekomst te zien opdagen, maar goed, ik snap wat de achterflapschrijver wil zeggen. En ik lees daarna iets wat van Ingenieurs van de ziel een bijzonder boek ter zake maakt: “Schrijvers van naam bezingen de bouw van kanalen en stuwdammen in titels als Energie, De waterkrachtcentrale en Voorwaarts, tijd! Maar hun opgewektheid, eerst nog spontaan en idealistisch, slaat om in een verplichte lofzang. Terwijl de kolossale waterwerken tot dwang en vernietiging leiden, bouwen de Sovjet-schrijvers onverminderd voort aan een illusiemaatschappij (...) Aan de hand van actuele reportages en verrassende inzichten voert Frank Westerman de lezer mee naar de dramatische ontknoping: het duel tussen schrijvers en waterbouwers dat de val van het Sovjet-imperium inluidt.”

Een “duel” waar u mogelijk nooit van gehoord heeft en wat ook nooit as such uitgevochten is, maar waar Westerman de lezer desondanks deskundig heen leidt terwijl hij het pad van Paustovski – van wie ik zowaar toch een kortverhaal in mijn bibliotheek heb staan – richting De baai van Kara Bogaz volgt. Die baai zijnde een boek van Paustovski over “de uitroeiing der woestijnen”, een onderneming waartoe “enthousiaste vijfjarenplanners een fabriekscomplex voor zoutchemie op de oostkust van de Kaspische Zee [projecteren]”. “Zo’n complex zal de woestijn een dodelijke klap toebrengen”, aldus Paustovski, “Door de winning van water en olie en door de ontginning van steenkool zullen rond het complex oases worden geschapen vanwaaruit een planmatige veldtocht tegen de zandvlakte begint.” De minder argeloze lezer – een categorie die niet het publiek van Paustovski, of van de ‘socialistisch-realistische’ Sovjet-literatuur in het algemeen, vormde – zal al voelen dat, na enig aanvankelijk succes, de “oases” in kwestie luchtspiegelingen bleven (een fenomeen dat zelfs zó erg was dat Kara Bogaz op een zeker moment van de kaart verdween), maar dat was nog niet zo toen Paustovski zijn boek schreef, al moet hij ook toen al enigszins zijn best hebben gedaan om minder in het plaatje passende feiten te negeren: “Dat ik als eerste naar Paustovski greep lag voor de hand: hij gold als de meesterchroniqueur van de Russische Revolutie, de daaropvolgende burgeroorlog en de opbouwjaren van het socialisme. Alle correspondenten in Moskou droomden ervan om net zo van binnenuit verslag te kunnen doen als hij.”

Wat niet belet dat Westerman ná zijn inleiding overschakelt van Paustovski naar Schrijver nummer 1, Maksim Gorki. Een schrijver die zéér droog wordt ingeleid met de woorden: “De hersenen van Maksim Gorki worden bewaard in een weckfles in het Moskouse Neurologisch Instituut. Ze wegen 1420 gram en plakjes ervan zijn onder de microscoop onderzocht op sporen van genialiteit.” Een schrijver ook bij wie Westerman, enigszins in tegenspraak met wat hij eerder schreef (“Dat ik als eerste naar Paustovski greep”), zijn “verkenning van de Sovjet-letteren” begint. Een keuze die hem toelaat een tik uit te delen aan Johan Daisne, “de bibliothecaris uit Gent”, die van Gorki’s roman De moeder vond dat het “een heerlijk werk” was, gekenmerkt door een nieuwigheid in de Russische literatuur, zijnde “De introductie van de volksrevolutionair, tegenover de adellijke opstandeling die Tolstoj er reeds in had gebracht (…) Het weeklagen is uit; de opgewekte heldhaftige toon van het dagende socialistische realisme breekt door.” Daisne, “die ik heb aangeduid als directeur van de stadsbibliotheek van Gent, was behalve dat ook een bekend dichter, schrijver, slavist en filmhistoricus”, schrijft Westerman in zijn Verantwoording, maar iets zegt me toch dat hij desondanks niet in zijn bovenste schuif ligt, net zomin als Gorki. Gorki die Lenin, die volgens hem “‘ironisch’ uit zijn ogen kijkt”, financieel steunt, maar zich vervolgens tegen hem begint af te zetten (“Ware idioten zijn het, die bolsjewieken. In hun spreekkoren eisen ze: ‘Weg met de tien bourgeois ministers.’ Hoe bestaat het! Het zijn er maar acht!’”), “nachtwaken van intellectuelen bij paleizen en monumenten” organiseert “om de beeldenstorm van de massa’s in te tomen”, Lenin “een denkende guillotine” noemt, op instigatie van die moordenaar naar Italië verhuist, maar dan, overstelpt met brieven en cadeautjes van Stalin, op verzoek van die laatste terugkeert, en tijdens zijn tweede rondreis door de Sovjet-Unie “als eerste en enige buitenstaander toegang tot het Kamp met de Speciale Bestemming” SLON krijg en daar ook nog vol lof over is. Iets wat Aleksander Solzjenitsyn in De Goelag Archipel zou beschrijven als “een tragisch voorval”: “Gorki zou een Potjomkingevangenis hebben gezien”, desondanks gemerkt hebben dat dat zo was, en dat vervolgens genegeerd hebben. Toen Stalin in de maanden na zijn positieve verslag nog wat verder stroop aan Gorki’s baard had gesmeerd, verhuisde Gorki definitief naar Moskou, alwaar hij – een communist moet toch iets, nietwaar? – “een miljonairswoning aan de Malaja Nikitskaja” betrok, “de art-nouveauvilla van Stepan Riaboesjinski, de puissant rijke handelsmagnaat die op de vlucht voor de bolsjewistische horden zijn huis met inboedel en al had moeten achterlaten.” “Gorki is een ijdel man”, zei Stalin, “We moeten hem met kabels aan de Partij binden.” Luxekabels waren kennelijk voldoende om Gorki zover te krijgen de leiding op zich te nemen van het schrijversgild (voor wie hij onder andere een reisje naar de Goelag wist te organiseren, zonder dat dat evenwel inhield dat ze niet meer konden terugkeren) en als trouwe hond van Stalin de lijnen voor dat schrijversgild uit te zetten. “Hier merkte iemand op”, zei Stalin tijdens een overhaast ten huize Gorki belegde ‘meeting’ met de andere kandidaat-‘volksschrijvers’, “dat schrijvers niet stil moeten zitten, dat zij het leven in hun land moeten kennen. De mens wordt herschapen door het leven, en jullie moeten behulpzaam zijn bij het herscheppen van zijn ziel. Dat is belangrijk, de productie van menselijke zielen. En daarom hef ik mijn glas op jullie, schrijvers, op de ingenieurs van de ziel.” Ingenieurs die het voor de simpele zielen niet al te ingewikkeld moeten maken: “Van romanpersonages eist Gorki dat ze of goed of slecht zijn. Voor twijfelaars en tobbers (en ‘Oblomovs’ die hun bed niet uit kunnen komen) is het te laat. De negentiende-eeuwse Russen, Dostojevski en zijn discipelen voorop, hebben volgens hem waardeloze werken voortgebracht, ‘waarin het wemelt van de nutteloze helden’. Helden horen types uit één stuk te zijn. Hun karakter is eenduidig en zij gaan bij voorkeur gehuld in een lange jas, waaronder zij geen seksuele verlangens koesteren. Deze asceet, lid van de Communistische Partij, is tegelijk een doorbijter en een drakendoder, maar let wel: zonder hulp van ‘het collectief’ zal hij het niet redden. Gorki verklaart het individualisme ‘bankroet’ en ‘opgebrand’. Het tiert nog voort op het kapitalistische halfrond, helaas, maar dat komt doordat de najagers van het privébezit het ‘zoölogische stadium’ nog niet zijn ontgroeid. Als je de redenering doorvoert, wat Gorki consequent doet, is ook de schrijver als individu een anachronisme. Kunst onder het communisme wordt door het volk voortgebracht, nog even en de naam van de maker doet er niet meer toe. Gorki: ‘Als arbeiders in brigades beton kunnen storten, waarom zouden brigades van schrijvers dan geen gezamenlijk boek kunnen produceren?’” Iets wat na het plezierreisje naar de Goelag ook gebeurt: zesendertig schrijvers samen publiceren Belomor, ofte voluit Belomor, de geschiedenis van de bouw van het kanaal genaamd J.V. Stalin tussen de Witte Zee en de Baltische Zee, daarmee het fundament leggend van een heel genre, een genre dat – mijns inziens – dodelijk oninteressant is (wat niet geeft, want er wordt ook niet uit geciteerd in dit boek), maar waarrond Westerman zijn ‘plot’ heeft opgebouwd, een plot bestaande uit feiten, uit wat de schrijvers daarmee uitgevreten hebben, en uit wat er van die feiten én schrijvers is geworden.

En zo neemt Westerman de lezer mee van de jeugd van Paustovski (waarin hij wellicht “zijn haast encyclopedische kennis van bloemen en planten” opdeed), over – hij is nu eenmaal Schrijver nummer 1 – nog eens Gorki (die “verkondigde dat, zodra de klassestrijd getreden was, de Sovjet-mens zijn handen vrij had om het gevecht aan te gaan met zijn laatste vijand: de natuur”), naar Ilja Iljitsj, directeur van het Paustovskicentrum in Moskou, dat Westerman, die gedurende een aantal jaren als schrijver-journalist woonde en werkte in de stad, al een paar keer eerder had gezien, maar nog niet eerder bezocht: “Ilja Iljitsj pakte een beduimeld schrift uit de vensterbank, zette zijn leesbril op en tuurde over een handgeschreven lijst Paustovskivertalingen. ‘Kara Bogaz is er, eens kijken… in het Deens, Duits, Grieks, Japans en aha… in het Nederlands. Uitgeverij Pegasus. Amsterdam, 1935. Vertaald door ‘Ban het Reve’. Spreek ik dat goed uit?’ De professor keek mij triomfantelijk over zijn halve glazen aan. Ik stond versteld. Ik wist dat Gerard van het Reve senior, destijds voorzitter van de Vereeniging Vrienden van de Sovjet-Unie, samen met zijn tienerzoon Karel in de jaren dertig twee Paustovskititels had vertaald (Kara Bogaz en Kolchis, het land der nieuwe argonauten). Maar ik had niet durven vermoeden dat deze wetenschap tot een rommelzolder in Moskou was doorgedrongen.”

Iets wat Paustovski kennelijk niét tot Kara Bogaz gedaan heeft: “Hij is tot Krasnovodsk gekomen, daar raakte hij door zijn voorschot heen. Toen is hij via Bakoe teruggereisd.” Wat Paustovski niet in zijn memoires schrijft, in tegendeel: “Ik woon in een huis van triplex aan de oever van de baai van Kara Bogaz.” “(…) kleine omgerijmdheden”, zoals Iljitsj zegt, wat in een staat als de Sovjet-Unie ongetwijfeld ook klopte. Of Paustovski kwam niet alleen “zielskracht en tijd te kort om behoorlijk wijs te kunnen worden uit de bliksemsnelle vlucht die de geschiedenis nam”. Een “vlucht” die zo snel moest verlopen dat zelfs de volledigheid van woorden er bij moest inboeten: “Natuurlijk stond niemand afwijzend tegenover de alfabetisering, ook Paustovski niet. Hij had alleen bedenkingen bij de manier waarop het instrument van de taal onder het volk werd verbreid. In het Russisch heette deze campagne likvidatsija bezgramotnosti (letterlijk: de liquidatie van de ongeletterdheid). Aangezien dit een tongbreker was waar uitgerekend analfabeten moeite mee hadden, werd dit begrip afgekort tot ‘LikBez’. Er verschenen ‘LikBez’-scholen en ‘LikBez’-onderwijzers. In diezelfde tijd raakten ProletKoelt (proletarische cultuur) en AgitProp (agitatie-propaganda) in zwang ter ondersteuning van de KomPartija (Communistische Partij). Paustovski gruwde van zulke ‘bespottelijke afkortingen’ die binnen een paar jaar ‘de omvang van een ramp’ aannamen. Ze transformeerden de Russische taal in gutturaal gestotter. Het Sovjet-instituut dat zich bezighield met de waterbouw in Midden-Azië heette SredAzHidroProjekt en de zusterinstelling die zich toelegde op de katoenteelt: SredAzHidroVodChlopok. Binnen de marges die de censuurinstelling Glavlit hem toestond, verzette Paustovski zich met al zijn lyrische kracht tegen dit ambtenarengebrabbel.”

Maar goed, verder reizen we weer, door tijd en door ruimte. Naar Isaak Babel, bijvoorbeeld, waarmee Paustovski in 1921 in Odessa bevriend raakte en die volgens hem “De eerste echte Sovjet-schrijver” was. Naar de “lichtcampagne” van Lenin: “Communisme = Sovjet-macht + Elektrificatie van het hele land”. Naar Gleb Krzjizjanovski (niet te verwarren met Sigizmoend Krzjizjanovski, wiens De terugkeer van Münchhausen ik eerder besprak) die “de volmacht van Stalin [kreeg] om de loop van drie rivieren om te keren”, wat meteen het rijmpje deed ontstaan dat “Sovjet-rivieren stromen/waarheen de bolsjewieken dromen”. Naar Andrej Platonov en in het bijzonder diens De sluizen van Jepifan, een verhaal dat opgenomen werd in de bundel In deze prachtige, grimmige wereld die ik eerder besprak. Naar Karl Wittfogel en zijn boek over Oriental Despotism: “In dat werk, zo verzekerde onze antropologiedocent, wordt de stelling onderbouwd dat irrigatie tot tirannie leidt”, een stelling die Westerman uiteindelijk tegen het licht van de grote ‘waterwerken’ in het algemeen gaat houden. Naar Boris Pilnjak, geboren als Boris Andrejevitsj Vogau, die in 1929 zijn novelle Roodhout uitgaf “bij een Russische emigrantenuitgeverij in Berlijn” en daarmee “literair hoogverraad” pleegde, maar makkelijker dan Platonov de kans kreeg zijn naam te zuiveren: “Haastig componerend begint hij aan een socialistisch-realistische roman: De Wolga mondt uit in de Kaspische Zee. Het boek is één lange weg naar Canossa. Pilnjak wijkt in dit productie-epos geen millimeter af van de partijlijn, en wat betreft zijn thematiek speelt hij op zeker: dammenbouw, navigatie, irrigatie, de titanenstrijd van een Sovjet-ingenieur tegen een saboteur – alles zit erin”. Naar het eerder genoemde GlavLit: “Zonder GlavLit was het totalitarisme in de Sovjet-Unie ondenkbaar. Routinematig bemoeide de censuurinstelling zich met het ontwerp van rijbewijzen, de belettering van zwemdiploma’s, motiefjes van zakdoeken, de handleiding bij koffiemolentjes. Zij bezat alle papiervoorraden van de Sovjet-Unie. Lenin had de Glavnoje Oepravdenije po delam Literatoeroe in juni 1922 in het leven geroepen als onderdeel van het ministerie van Onderwijs, met de opdracht ‘alle vormen van censuur te verenigen.’” Wie meent een tegenstelling te zien tussen onderwijs en censuur, is duidelijk noch een Sovjetleider, noch een ‘democraat’ zoals die tegenwoordig in het westen de dans leidt. Noch overigens zou hij een geschikte, zij het dan niet noodzakelijk geschikt blijvende, inwoner van Peredelkino geweest zijn, “de eerste van staatswege onderhouden schrijverskolonie ter wereld.”: “Meteen al in de eerste zomer, die van 1935, broeit er iets aan de politieke horizon. De schrijvers krijgen Lev Kamenev en zijn vrouw Olga (een zus van Trotski) nooit te zien; hun huis van opgestapelde boomstammen blijft leeg. Kamenev blijkt te zijn opgepakt bij de massale arrestaties in verband met de moord op de Leningradse partijchef Sergej Kirov, in december 1934. In de kranten heet hij al gauw het brein achter de aanslag. Samen met een andere bolsjewiek van het eerste uur zou hij een ‘trotskistische staatsgreep’ hebben beraamd – met het dodelijke schot op Kirov als startsein.” “Gorki maant Stalin tot terughoudendheid”, “Uit gepikeerdheid neemt de Georgiër in het Kremlin maandenlang geen telefoontjes meer van hem aan”, Gorki “besluit terug te keren naar Italië om zich te bezinnen op zijn verzoening met de Sovjet-macht. Maar Stalin laat zijn buit niet meer gaan: hij weigert Gorki een uitreisvisum. De machtige voorzitter van de Sovjet-Schrijversbond is op slag een gevangene in eigen land en eigen huis, maar het is de vraag of hij van dat laatste iets merkt: Pjotr, zijn privésecretaris, is door de geheime dienst gerekruteerd; hij zorgt ervoor dat bepaalde brieven zijn meester niet meer bereiken. Op die manier schermt hij hem af van ‘schadelijke contacten’ met buitenlandse intellectuelen, die zich steeds kritischer uitlaten naarmate de rechtsgang tegen Kamenev en zijn ‘trotskistisch-terroristische cellen’ groteskere vormen aanneemt.”

Kamenev wordt in augustus 1936 geëxecuteerd, zijn tweede zoon (op zeventienjarige leeftijd) in januari 1938, zijn oudste zoon in juli 1939, zijn eerste vrouw in september 1941. Intussen redde componist Dmitri Sjostakovitsj zich het vege lijf door zijn Vierde Symfonie ‘terug te trekken’, een symfonie waarvan de Pravda, die uiteraard de waarheid en niks dan de waarheid publiceerde (of toch de waarheid van het regime op een zeker moment), schreef dat het om “nerveuze, verkrampte, hysterische wanklanken” zou gaan, “chaos in plaats van muziek”. Of dat ook in de Pravda stond die Gorki op zijn ziekenbed te lezen kreeg, is me niet duidelijk, maar dat het de eerste krant was die gepersonaliseerde versies uitbracht, lijkt me dat wél te zijn: “Om te voorkomen dat de achtenzestigjarige schrijver zich op zijn sterfbed nog onnodig opwindt, krijgt GlavLit opdracht om speciale edities van de Pravda te prepareren, exemplaren die uitsluitend bedoeld zijn voor Gorki, en waaruit mogelijk onthutsende berichten zijn weggelaten (…) De op de Pravda gestationeerde GlavLit-redacteur beleeft drukke nachten. Om te beginnen neemt hij alle kopij door. Zitten er schokkende meldingen bij? Verhulde formuleringen waar Gorki’s verzwakte hart niet meer tegen kan? En zo ja, is er reservekopij voorhanden? Er wordt een zetter vrijgemaakt die met de aparte pagina aan de slag gaat, en ‘s nachts na het drukken van de reguliere oplage mag niemand naar huis voordat ook deze pagina van de persen is gerold en er een toonbaar Gorki-exemplaar in elkaar is gevouwen. Een van deze bewerkte exemplaren is bewaard gebleven: een artikel over Gorki’s naderende einde op de voorpagina van de landelijke editie blijkt in zijn persoonlijke Pravda te zijn vervangen door een even groot stuk over gunstige oogstprognoses. En zo sterft Aleksej Pesjkov de Bittere [‘Gorki’ betekent ‘Bittere’, noot van mij] op 18 juni 1936 – met een als ‘Waarheid’ verpakte leugen in zijn hand.”

Niet meer dan passend voor een schrijver die leugens verkocht als waarheid, zou ik durven zeggen, en híj kreeg in ieder geval de kans een natuurlijke dood te sterven. In tegenstelling tot, bijvoorbeeld, “De eerste echte Sovjet-schrijver” Isaak Babel. Die werd “als een van de laatsten [der oorspronkelijk door de staat zeer ‘gewaardeerde’ schrijvers, noot van mij] opgehaald, toen de terreurgolf alweer over zijn hoogtepunt heen was”. Een goed half jaar later, eind januari 1940, werd hij op bevel van Stalin geëxecuteerd en in een massagraf gedumpt. “Evenals Babel (een jood met connecties in Frankrijk en België) had ook Pilnjak (een Wolga-Duitser) zijn arrestatie van tevoren zien aankomen. De flamboyante Pilnjak was niet eens verbaasd dat hij van alle Peredelkinoschrijvers in oktober 1937 als eerste aan de beurt kwam”. In april 1938 werd hij geëxecuteerd en zoals Babel na hem in een massagraf gegooid. En tussen die feiten in vraagt Louis Aragon, Frans dichter en fan van Stalin zolang die leefde en communist tot in zijn kist, zich af of “de nieuwe stalinistische grondwet”, “schitterende pagina’s over werk en vreugde van 160 miljoen mensen”, “niet de eerste plaats toekomt onder de kostbare schatten van de menselijke cultuur, nog voor de koninklijke werken van Shakespeare, Rimbaud, Goethe en Poesjkin”. Dat Aragon gezellig in Frankrijk kon blijven wonen, verhinderde in ieder geval dat hij hetzelfde lot onderging als zijn Russische collega’s: “De idylle van Peredelkino werd in de jaren ‘37-’39 zeven keer verstoord door de komst van een NKVD-arrestatieteam. Ook voor de enthousiast onthaalde Pool Bruno Jasienski, die wegens zijn communistische agitatie uit Frankrijk was gezet, was geen plaats onder het Sovjet-gesternte. Dat hij als enige buitenlander was beloond me een datsja in de schrijverskolonie maakte op de geheime dienst geen indruk. Zijn roman De mens wisselt van huid (over de aanleg van bevloeiingskanalen langs de Amoe Darja) werd na zijn terechtstelling als een subversief boek in de ban gedaan – nog geen vier jaar na verschijning. En zo dunde Gorki’s waterbouwbibliotheek steeds verder uit. Ook de laatst toegevoegde bijdrage over de aanleg van het Moskou-Wolgakanaal (Van misdaad tot arbeid), was gelijk met de auteur (Leopold Averbach) van het toneel verwijderd. De waarschuwing van Andrej Platonov uit De sluizen van Jepifan, dat grootschalige waterwerken tot grootschalige terreur uitnodigen [een variant op de bewering van Karl Wittfogel dus, noot van mij], kwam uit.”

Maar daarmee is dit boek nog niet… uit. Westerman neemt de lezer na een uitgebreide stop bij Peredelkino verder mee op reis naar Turkmenistan, voormalig wingewest, zeg maar kolonie, van de centrale Sovjet-instanties in Moskou, al mocht het dan uiteraard niet zo genoemd worden: “(…) ze reserveerden het [woord] alleen voor de overzeese gebiedsdelen van de Europese roofstaten, die de wereldzeeën afschuimden omdat ze zich in het ‘terminale stadium van het kapitalisme’ bevonden.” “De selectieve toepassing van het Sovjet-vocabulaire was mij hoe langer hoe meer gaan fascineren”, schrijft Westerman. “Van ‘imperialisme’ of ‘expansiedrift’ kon onder de dictatuur van het proletariaat uiteraard geen sprake zijn; daarom heette het dat de Turks- en Perzischtalige volken van Midden-Azië door de roodgardisten waren ‘bevrijd’; ze kregen als broedernaties technische bijstand bij het overwinnen van hun achterlijkheid.” Wie wil weten wat het nog levende erfgoed van de Sovjets is, kan volstaan met luisteren naar uitleg van Donald Trump over het ‘bevrijden’ van Venezuela, Iran of – daar is op het moment waarop ik deze boekbespreking schrijf, half maart 2026, ook al sprake van – Cuba. Wie dan weer het bouwkundig erfgoed van de Sovjets wil zien, kan bijvoorbeeld gaan kijken naar het Leninkanaal, later Turkmeens hoofdkanaal genoemd, vervolgens Turkmenbaşikanaal, dat weigerde te doen wat de ingenieurs (van het water, niet die van de ziel) er van wilden, zijnde het water van de Amu Darja vlotjes langs de steppen van de Karakum laten doorstromen tot dicht bij de Kaspische Zee, en tegenwoordig nog moet opengehouden worden door “hypophthalmichthys molitrix (…) ook wel bekend als de zilverkarper”, een ideetje van Dzjamar Alijev, een van de gesprekspartners van Westerman in Turkmenistan.

Dat laatste – “Westerman in Turkmenistan” - rijmt, dus het is waar, wordt dan wel eens beweerd, al was dat in de Sovjet-Unie van na de Tweede Wereldoorlog, waar we intussen tijdsgewijs in schrijversland heen gereisd zijn, niet noodzakelijk een aanbeveling: “Met een reeks oekazes had Stalin een einde gemaakt aan de uitzonderingstoestand die in de oorlogsjaren van kracht was geweest. De implementatie van het aangescherpte beleid liet hij over aan Andrej Zjdanov, die namens het Politbureau over het domein van de schone kunsten waakte. Als gezant van Stalin was deze strenge ideoloog ook diegene die het Sovjet-schrijverscongres in 1934 had voorgehouden wat het socialistisch realisme precies inhield. Maar de naleving van die doctrine was verwaterd. Zjdanov pakte zijn nieuwe opdracht sluw aan. Om te beginnen zocht hij twee zondebokken uit: de Leningradse satiricus Michail Zjosjenko, en de dichteres Anna Achmatova. ‘Onze literatuur kent niets weerzinwekkenders dan de moraal die Zjosjenko verkondigt,’ betoogde Zjdanov. ‘Zijn geschriften zijn ideologisch leeg, vulgair en gericht op het desoriënteren van de Sovjet-jeugd.’ Voor Achmatova toonde hij nog minder respect, omdat haar poëzie opzettelijk pessimistisch en esthetisch zou zijn. ‘Zij is half hoer, half non,’ oordeelde de cultuurinspecteur.” Goed dat er nog eerlijke lieden als Aleksej Tolstoj (niet te verwarren met zijn verre verwant Leo Tolstoj) waren, iemand die de ‘Schrijversbond’ uit de veilige handen van Gorki had overgenomen, een “letterknecht”, zoals Westerman hem terecht noemt, “die eerder tsaar Peters biografie had aangepast aan Stalins voorkeuren” en “in 1945 een toneelstuk over het leven van de gevreesde Ivan [voltooide], dat onmiddellijk werd verfilmd” omdat de heer Stalin zich graag aan genaamde Ivan de Verschrikkelijke spiegelde. “Gorki was gestorven, terwijl grootheden als Pilnjak, Babel en Mandelsjtam fysiek uit de weg waren geruimd. Er was niemand meer van enige statuur om je op te verlaten. Boris Pasternak, die in 1944 weer een cyclus gedichten in de legerkrant Rode Ster had mogen publiceren, vluchtte in vertaalwerk. Met Shakespeare en Goethe kon hij jarenlang vooruit. Een veilige wijkplaats waren ook de kinderrijmpjes (waar de Peredelkinobewoner Tsjoekovski zich in specialiseerde) en de fabels (de nieuwe bezigheid van de natuurvorser Michail Privsjin). Anderen, zoals Joeri Olesja uit Odessa, zochten het in de drank; weer anderen volgden het voorbeeld van Marina Tsvetajeva, de dichteres die zich in 1941 had verhangen.” “In De familie Ivanov”, eveneens opgenomen in de bundel die ik eerder van hem vernoemde, “ontleedde Platonov zin voor zin de vertwijfeling van de soldaat die vreest dat hij nooit meer zal kunnen aarden als vader en kostwinner. De herkenbaarheid van de situatie greep de lezer bij de keel en voerde hem ademloos naar het explosieve, maar pedagogisch verantwoorde slot: op weg naar zijn minnares springt Ivanov uit de rijdende trein wanneer hij in de verte zijn twee kinderen achter hem aan ziet hollen. ‘Een cynische aanfluiting en een ontering van de Sovjet-mens,’ schreef een door Zjdanov geïnspireerde criticus. Want welke Sovjet-militair, een triomfator nog wel, toont er nu zwakheid van karakter? ‘De familie Ivanov is een lasterlijke vervalsing van onze Sovjet-werkelijkheid.’ Na deze veroordeling lag Andrej Platonov er definitief uit. De laatste jaren van zijn leven bewoonde hij kamer 27 in een zijvleugel van het Gorki Literatuur Instituut. Hij greep naar de wodka, verwaarloosde zichzelf en werd door leerling-schrijvers aangezien voor de conciërge. Als docent aan deze schrijversvakschool zag Konstantin Paustovki hem op de binnenplaats wegkwijnen. ‘Die man die daar de stoep veegt,’ zo had hij eens in de beslotenheid van het klaslokaal opgemerkt. ‘Dat is een genie.’ Toch durfde geen van de literatuurdocenten, ook Paustovski niet, zich over hem te ontfermen. Wie zich associeerde met een uitgestotene liep het gevaar zelf uitgestoten te worden, en de vrees daarvoor was zo groot dat niemand zich na Platonovs dood (hij stierf op 9 januari 1951) aan een lovende necrologie of een andere geste van waardering had gewaagd.”

Iets wat Westerman met dit boek wél heeft gedaan en dat niet alleen voor Platonov. Ook voor die Sovjet-schrijvers waarvoor die necrologie onmogelijk waarderend kon zijn. En die in het laatste hoofdstuk Liriki vs fiziki dan wel niet in een duel tegenover de ingenieurs (de genaamde “fiziki”) komen te staan, maar bij monde van professor Aleksandr Velikanov, werkzaam aan het nog steeds bestaande (of minstens in de tijd dat Westerman dit boek schreef nog bestaande) Moskouse Instituut voor Watervraagstukken wel schuldig verklaard worden aan het falen van die laatste: “Aleksandr Velikanov was een ombuiger van het eerste uur. Juist in de tijd dat hij afstudeerde, in 1955, gelastte het Centraal Comité het treffen van voorbereidingen voor de omkering van vijf rivieren (drie in Europees Rusland en twee in Siberië). Het Instituut voor Watervraagstukken kreeg de supervisie over al het benodigde vooronderzoek. ‘Onze middelen waren onbeperkt,’ zei de professor met een zweem van nostalgie. ‘We kregen een eigen vloot, een netwerk van meetstations, helikopters voor onze veldexpedities, wat we maar nodig hadden.’ Al gauw werkten er 68 000 stafmedewerkers van een zeventigtal wetenschappelijke instellingen aan de bestudering van de deelfacetten. ‘Maar let wel: er bestaat een verschil tussen een project en een prozject.’ Dat laatste woord sprak hij zo geaffecteerd mogelijk uit, op z’n Frans. In die aanstellerige variant, zo verduidelijkte hij, had Nikolaj Gogol – zijn favoriete schrijver – dat woord al in de negentiende eeuw voorbehouden aan luchtfietserij. ‘Perebroska op zich was een gewoon project. Nuttig, haalbaar. Maar sommigen van ons lieten zich het hoofd op hol brengen. Die droomden er bijvoorbeeld van om kanalen te graven meet behulp van gecontroleerde kernexplosies.’ ‘Een prozject?’ ‘Ja,’ zei Velikanov. ‘Maar het trieste was: zulke kernproeven zijn daadwerkelijk genomen in de Oeral, in het kader van ‘Vredesatoom’. Dat was een onderzoek naar vreedzame toepassingen van kernexplosies in de waterbouw.’ Volgens de professor lag de verantwoordelijkheid voor het ‘prozject-denken’ bij de Sovjet-schrijvers: die dreven de fiziki tot steeds grotere, en op den duur onzinnige prestaties. In de tijd van Gogol, nota bene onder het strenge tsarenbewind, leverden de schrijvers ten minste nog maatschappijkritiek. ‘Maar wij werden uitsluitend bedolven onder loftuitingen. De dammen en de gemalen die we ontwierpen heetten steevast ‘monumentaler dan de Egyptische piramiden’. Zo stond het in onze kranten. Zie dan maar eens de juiste proporties in het oog te houden!’”

De schrijvers hadden het dus gedaan, de ingenieurs van de ziel hadden ook de ziel van de ingenieurs bewerkt. In dwingende opdracht van Stalin, maar – volgens de ingenieurs - kennelijk ook nog na diens dood en afschrijving. Ondanks het feit dat zélfs een Ilja Ehrenburg, de man die bijna in zijn eentje de Russische propagandamachine draaiende hield tijdens de Tweede Wereldoorlog en voor wie de Sovjet-soldaten onmogelijk ooit genoeg konden moorden, verkrachten en plunderen, in 1954 een novelle onder de titel Dooi, “de benaming die het tijdperk-Chroesjtsjov zal typeren”, gepubliceerd had “waarin een kunstenaar voorkomt ‘die net als iedereen kuipt, intrigeert en liegt’”. Ondanks het gegeven ook dat Jevgeni Jevtoesjenko (die van 1989 tot 1991 nog lid van de Opperste, en laatste, Sovjet zou worden) er voor pleitte om “de woorden hun oorspronkelijke klank terug te geven”. En ondanks de kritiek die Paustovski leverde “op de gekunsteldheid van de Sovjet-literatuur: te veel boeken stralen volgens hem ‘onmacht’ uit; ze ademen ‘een schijnopgewektheid die echte vreugde, vooral arbeidsvreugde, moet suggereren’”. “In december 1962 verscheen er”, onder “persoonlijke supervisie” van Chroesjtsjov, “een novelle over de Goelag. Het ging om Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj van Aleksandr Solzjenitsyn, een onbekende wiskundige die een literaire vorm had gegeven aan zijn kampervaring in Kazachtstan. Zijn kille registratie van alledaagse wreedheid in een van Stalins strafkolonies, van ochtend- tot avondappel, zou het culminatiepunt van Chroesjtsjovs dooi blijken: de verschijning van een zo ontluisterend relaas voerde de conservatieve leden van het Politburo te ver. Nog geen twee jaar later, op het partijplenum van 14 oktober 1964, moest de mijnwerkerszoon Chroesjtsjov het veld ruimen voor Leonid Brezjnev.” De schrijver had zijn werk gedaan met niet alleen de goedkeuring van de opvolger van Stalin, maar ook onder diens persoonlijke toezicht, en dit keer kostte dat de leider zelfs eerder zijn carrière dan de schrijver.

Wat niet belette dat schrijvers zelfs de ‘waterwerken’ gingen bekritiseren vanaf halverwege de jaren 1960: “Voor het eerst sinds Gorki de Sovjet-schrijver heeft opgedragen om de opbouw van het socialisme met heel zijn artistieke vermogen te prijzen, zetten de liriki vraagtekens bij het werk van de fiziki. Jevgeni Jevtoesjenko breekt in zijn gedicht ‘De elektrische centrale van Bratsk’ (1965) met de traditie om stuwdammen te vergelijken met de Egyptische piramiden. Die laatste zijn immers ‘het zinnebeeld van nutteloosheid en vernederende slavernij’? Twee jaar later omschrijft een van Paustovski’s leerlingen van het Gorki Instituut de aanleg van het Turkmeense Hoofdkanaal als een ‘zinloze onderneming’. Nog even, en ook de zegeningen van de stuwdammenbouw worden in twijfel getrokken. Wanneer Valentin Raspoetin [u mogelijk bekend van het door mij eerder besproken De laatste termijn, noot van mij] in 1976 een manuscript indient over het leven in een Siberisch dorp zijn de censors met een handvol schrappingen tevreden. Zij beseffen niet dat Afscheid van Matjora zich laat lezen als een aanklacht tegen de bouwwerken van de Sovjet-ingenieur. Het boek beschrijft de laatste zomer van het gehucht Matjora voordat het door het stuwmeer van Bratsk wordt opgeslokt. De notie dat de lezer partij zou kunnen kiezen voor de kibbelende baboesjka’s van Matjora, en dus tegen de elektriciteitsopwekking voor nieuwe socialistische fabriekscomplexen, gaat er bij de GlavLit-ambtenaren niet in.” Tot het protest aanzwelt allicht: “Na decennia wikken en wegen kiest de USSR onder (…) leiding [van Brezjnev] voor de daadwerkelijke uitvoering van de rivieromkering: onder de naam ‘De Zuidelijke Strategie’ beveelt Brezjnev in 1977 een versnelde ombuiging van vijf rivieren in Europees Rusland en Siberië. Twee jaar later presenteren de waterbouwers hun definitieve ontwerp voor de jaarlijkse overheveling van zestig kubieke kilometer water. Het eerste en makkelijkste onderdeel van deze ‘rationele herverdeling van Sovjet-watervoorraden’, de afsluiting van de baai van Kara Bogaz, is in februari 1980 voltooid. Maar dan zwelt het koor van tegenstemmen aan. Een vlijmscherp protest van een van de dorpsschrijvers, door GlavLit geweigerd, verschijnt in 1981 in tamizdat in Parijs. De liriki uit de dorpen blijken geen onschuldige nostalgici, maar een Gideonsbende die zich op de rivierombuiging stort. Professor Velikanov was zich rot geschrokken van het ‘kudde-instinct’ van zijn tegenstanders. ‘Altijd hadden de Sovjet-schrijvers ons werk bejubeld,’ zei hij verontwaardigd. ‘Maar nu sloegen deze ‘patriotten’ als een blad aan de boom om.’” Of ze de ingenieurs nu toejuichten of hen aanvielen, of ze dat deden omdat de dictator hen daartoe dwong of net omdat de dictator hen niet meer dwong: als de plannen van de ingenieurs niet slaagden of als er uiteindelijk zelfs niet aan begonnen werd, waren de schrijvers daarvoor verantwoordelijk. Mij lijkt het dan dat de ingenieurs zielig doen, maar de weg vanaf Gorki’s terugkeer naar Rusland tot het moment dat Michail Gorbatsjov in 1986 de stopzetting van de “perebroska” beval, is met dat alles bijzonder sterk in beeld gebracht. Ik heb aan dit boek van Frank Westerman dan ook geen letter commentaar te veel besteed.

Björn Roose


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !