dinsdag 3 maart 2026

Anglomanie – Ian Buruma (boekbespreking door Björn Roose)

Anglomanie – Ian Buruma (boekbespreking door Björn Roose)
De laatste keer dat ik de naam Ian Buruma tegenkwam, was in een boek van Adriaan van Dis, genaamd Op oorlogspad in Japan. Terwijl hij op dat pad is, spreekt Van Dis namelijk, onder andere, met Buruma, die jaren in Tokio heeft gewoond. Het voorliggende boek, zo’n driehonderdzeventig bladzijden dik, in het Engels verschenen in 1999 bij Weidenfeld & Nicholson en in Nederlandse vertaling in 2000 bij Uitgeverij Atlas, Anglomanie getiteld, heeft echter niks van doen met de eilandengroep waarop Tokio ligt, maar wel met die andere, de zogenaamde Britse Eilanden, ofte British Islands. Waarbij ik “zogenaamde” schrijf omdat ik de aversie van de Ieren begrijp om op die manier min of meer aangeduid te worden als Britten, terwijl ze dat niet zijn.

Waarmee ik niet gezegd heb dat Buruma, zoon van een Nederlandse vader en een Engelse moeder, het in Anglomanie uitgebreid over Ierland heeft. Het moge duidelijk zijn dat de Ierse ‘anglomanie’ grotendeels beperkt blijft tot (van oorsprong) Engelse inwijkelingen/bezetters, geen onderwerp waarover Buruma het kennelijk wou hebben, net zomin als over de logischer ‘anglofobie’ die zich doorheen decennia van Engels kolonialisme onvermijdelijk van een bij momenten niet onaardig deel van de Ierse bevolking heeft meester gemaakt. Zo braaf als Sinead O’Connor het hield in het overigens prachtige lied This is a rebel song kan immers niet iedereen het houden: “How come you’ve never said you love me / In all the time you’ve known me / How come you never say you’re sorry / And I do”.

Dat gezegd zijnde moet het toch al min of meer duidelijk zijn dat ik geen onvoorwaardelijke fan van Engeland of Groot-Brittannië ben. Niet dat er landen zijn, belgië op de allerlaatste plaats trouwens, waar ik wél onvoorwaardelijke fan van ben, maar een manie voor al wat Engels is, of door sommigen verondersteld wordt Engels te zijn, zal ik in ieder geval nooit ontwikkelen. Los nog van het simpele feit dat manieën voor zover ik weet evenmin getuigen van geestelijke gezondheid als fobieën. Omdat ik van die laatste óók geen last heb, minstens niet wat betreft de Engelsen of het eiland waarop ze wonen (een eiland dat ze delen met de Welshmen en de Schotten, die al evenmin Engelsen zijn, zelfs al hebben ze door de band genomen niet genoeg eigenwaarde om daar een punt van te maken), heb ik ook niet geaarzeld om dit boek mee te nemen toen ik het tegenkwam bij de uitverkoop van een bibliotheek: dat Voltaire en Theodor Herzl (“net als andere politieke figuren die in het Europa van het fin de siècle kwamen bovendrijven (…) een gefrustreerde kunstenaar”), om slechts de twee “intellectuele anglofielen” te noemen naar wiens “inzichten” op de achterflap verwezen wordt, ‘anglomanen’ waren is niet mijn probleem, maar uit hun manie valt misschien nog wat te leren, als het al niet is dat die onzinnig was, net zoals het overgrote deel van de menselijke fixaties in het verleden, tegenwoordig en allicht ook in de toekomst.

Laat dat alles u echter niet weerhouden van verder lezen, en vervolgens dat boek lezen, want ik heb onder het lezen geen enkele zin voelen opkomen om Buruma te vierendelen of, eenvoudiger, het boek verder maar naast me neer te leggen. Van Het circus van Max Beckmann, een ander boek van hem dat in 2008 in vertaling bij Uitgeverij Atlas verscheen en dat ik las lang voor ik met boekbesprekingen begon, wist ik al dat hij boeiende essays schreef en die overtuiging is er met Anglomanie, waarin hij zijn persoonlijke – en familiegeschiedenis mooi weet te mengen met la vie des autres, niet minder op geworden. Buruma is geen super vlotte, in spreektaal schrijvende auteur, maar het is ook geen dorre wetenschapper, en door de band genomen weet hij zijn onderwerp wel op een manier te benaderen die de interesse naar wat verder komt, blijft opwekken. Zelfs al is Buruma’s keuze van ‘anglomanen’ én ‘anglofoben’, of mensen die er op een of andere manier in slaagden beide afwisselend of op hetzelfde moment te zijn, duidelijk vaak ingegeven door een derde stuk van zijn afkomst. Ik schreef al dat zijn vader Nederlands was en zijn moeder Engels, maar zijn moeder was ook joods, en de joodse draad in dit hele boek ligt soms wel eens onder de oppervlakte, maar zelden diep. Iets wat eigenaardig genoeg leidt tot een soort – ongewilde, neem ik aan – bevestiging van het door een aantal ‘anglofoben’ verspreide denkbeeld dat anglomanie zo ongeveer gelijk te stellen valt met judeofilie, iets wat Buruma dan weer probeert tegen te spreken.

Ik kom daar verderop in deze bespreking wellicht nog op terug, maar begin alvast graag met wat Buruma vertelt over het Den Haag van zijn jeugd, een stad die tot aan de Tweede Wereldoorlog de op een na grootste joodse bevolking van Nederland had: “In de tweede helft van de jaren veertig, in de jaren vijftig en zelfs nog in de jaren zestig golden de Britten in plaatsen als Den Haag als een hogere soort, want ze hadden, samen met de Amerikanen en de Canadezen, de oorlog gewonnen. Ook de Sovjet-Unie had de oorlog gewonnen, maar het Rode Leger was nooit tot in de buurt van Den Haag gekomen, en verder… het Rode Leger bleef het Rode Leger. Tegenwoordig gelden de Britten niet langer als een hogere soort, zelfs niet in Den Haag. Het beeld van Groot-Brittannië als een land van oorlogshelden is aan het afkalven. Als de Britten nu weer oorlog komen voeren op het Europese vasteland is het als voetbalvandalen: de geschiedenis herhaalt zich in de vorm van een nachtmerrie met een enorme bierkegel.” De ‘anglomanie’ waarover Buruma het in dit boek heeft, is dan ook een fenomeen uit het verleden, zij het dat dat verleden tot zo’n zeventig jaar geleden nog niet helemaal, samen met het Britse ‘Rijk’, weggedeemsterd was. Zij het ook dat ze bij Buruma zelf niet helemaal verdwenen is. Buruma gelooft op de een of andere manier nog in de “Britse vrijheidsretoriek” – wie deze wil toetsen aan de werkelijkheid kan altijd eens in Engeland gaan wonen en een verkeerde ‘meme’ posten (de “relatief vrije pers” waarover Buruma het heeft, geldt op zijn minst niet waar het sociale media betreft), een activiteit die nog voortvarender wordt aangepakt dan in het ook al zo vrije belgenland -, in de “poëzie” van de “Britse pracht en praal” en de verhevenheid van “de trots op continuïteit en het geloof in tradities – ook al zijn die tradities vaak niet zo oud als ze zich voordoen”, maar zal ongetwijfeld niet alleen aan het feit dat fish and chips, en zelfs curry, langzamerhand het onderspit aan het delven zijn tegen pita en shoarma, gemerkt hebben dat dat geloof op een ontgoocheling aan het uitdraaien is: “Ik heb een aantal Europese anglofielen en bij wijze van contrast enkele verwoede anglofoben uitgezocht, om te zien wat Europeanen nu zo bewonderden (respectievelijk verfoeiden) in Groot-Brittannië, en of er iets van die deugden (en ondeugden) is overgebleven, zo ja, hoeveel. Misschien verbaast de lezer zich over mijn keuze van te bespreken personen. Sommigen zijn beroemd, anderen niet. Enkele voor de hand liggende kandidaten zijn achterwege gebleven – Napoleon bijvoorbeeld. Geen van mijn anglofielen hield blindelings van Groot-Brittannië (blinde hartstocht is eerder een kenmerk van de haters). De meesten, vooral de fanatieksten, raakten uiteindelijk ontgoocheld en zagen hun dromen hun glans verliezen. Ontgoocheling is een gevoel dat ieder in dergelijke omstandigheden moet ervaren voordat hij in de buurt van de waarheid komt.”

Wat in ieder geval lijkt te kloppen voor de persoon waarrond het tweede hoofdstuk van het boek, het eerste na het inleidende De sigaar van Churchill, draait: Voltaire. “Voltaire is de eerste, of althans de beroemdste, welsprekendste, geestigste, meest onbeheerste en vaak intelligentste moderne anglofiel”, schrijft Buruma ergens vooraan in dat hoofdstuk, dat als titel De kokosnoten van Voltaire meekreeg, een titel die verwijst naar het feit dat Voltaire er van overtuigd was dat de wereld meer op Engeland zou moeten lijken (of althans: toen op het Engeland van toen) en dat zulks ook op een of andere manier kon geregeld worden (kokospalmen zouden als ze niet in het land van origine geplant werden ook wel vrucht dragen). Iets waar zijn Engelse tegenvoeters, de lokale leden van de ‘elite’, het niet noodzakelijk mee eens waren: “Hoewel Voltaire realistisch genoeg was om de negatieve kanten van het Engelse leven met sardonische humor te bezien, bleef zijn Engeland over het geheel genomen een zonnige plek, want het was gebaseerd op een idee. Centraal in dat idee stonden vrijheid en de rede. Aangezien de rede in zijn visie een universele waarde vormde, beschikte hij in Engeland over een universeel model. Dat maakt hem tot de vader van de Europese anglofilie [ook letterlijk, want kort na zijn terugkomst van zijn Engelandreis werden in Frankrijk ook “paardenrennen, tuinieren, geklede jassen en Engelse pudding” populair, noot van mij], al zou daar nog veel in veranderen, vooral na de Franse revolutie. Voltaire wenste oprecht dat de rest van de wereld meer op Engeland zou gaan lijken. Anderen, zoals Montesquieu, namen dat idee al gauw over, terwijl het in de Engelse elite op dat moment nog steeds bon ton was stevig francofiel te zijn.” Wat dan weer niet noodzakelijk zal gegolden hebben voor de toenmalige koning van Engeland, George I. Die gaf Voltaire bij diens eerste bezoek aan Engeland een gouden medaille, “nadat de Britse ambassadeur, de tweede graaf van Stair, Voltaire ‘misschien Frankrijks eminentste dichter aller tijden’ had genoemd – niet dat de uit Hannover afkomstige koning die fijnzinnige frase overigens zou hebben begrepen; hij sprak geen Engels”. Wat op zijn beurt slechts één van die feitjes is waarmee dit hoofdstuk en alle andere gelardeerd zijn door Buruma. Een hoofdstuk over Voltaire gaat niet alleen maar over Voltaire, een hoofdstuk over Goethe gaat niet alleen maar over Goethe, een hoofdstuk over Wilhelm II gaat niet alleen maar over die Kaiser. Af en toe wijkt Buruma zelfs zo ver af van de persoon aan wie het hoofdstuk oorspronkelijk gewijd leek dat je gaat denken dat hij die persoon alleen als kapstok heeft gebruikt en dat ergens onderweg uit het oog is verloren, maar hij weet toch altijd weer bij degene uit te komen waarmee hij ook begonnen is. Én de hoofdstukken staan, zelfs los van het feit dat ze allemaal rond ‘anglomanie’/’anglofobie’ draaien, niet los van mekaar. Namen komen terug, publicaties komen terug, plaatsen komen terug.

Wat echter opvallend is bij de “keuze van te bespreken personen” is dat de overgrote meerderheid daarvan van Duitse, al dan niet joodse, afkomst is. Na het hoofdstuk over de ‘anglomane’ Voltaire had bijvoorbeeld perfect een hoofdstuk over Jean-Jacques Rousseau kunnen volgen, maar wat die laatste betreft, houdt Buruma het – ín het hoofdstuk gewijd aan Voltaire – bij: “Jean-Jacques Rousseau heeft Engeland vaak bezocht. Zijn boeken werden er veel gelezen en hij was er een geziene gast, ook al gedroeg hij zich vaak schandelijk. Hij sprak zich in beginsel uit tegen de Engelse grondwet. Door de verdeling van de regeringsmacht werd naar zijn mening de wil van het volk verdeeld. Het was een illusie te denken dat een gekozen regering een garantie is voor vrijheid. Een deel van de Engelse samenleving had het recht voor zijn eigen despoten te stemmen, dat was alles. De Engelsen moesten volgens Rousseau wel onnozel zijn als ze dachten dat ze vrij waren. Een gemengde regering stond in elk geval radicale oplossingen in de weg; het was niet meer dan een overblijfsel van een feodaal systeem.” Niet dat ik een ‘francomanie’ heb, maar de ‘anglofoben’ H.L. Fougeret de Monbron, auteur van een boekje getiteld Préservatif contre l’anglomanie, Jean-Paul Marat én Rousseau samenpersen op een paar bladzijden nadat Voltaire zo’n twintig bladzijden min of meer bewierookt is, is geen erg evenwichtige keuze.

Enfin, het zij zo, nadat we – al komen een aantal van hen wel nog kort terug in andere hoofdstukken – de Fransen gehad hebben, komen we terecht bij de Duitsers en wel meteen in het Walhalla, een tempel “in klassieke Griekse stijl gebouwd door prins Lodewijk van Beieren” en te vinden in de buurt van Regensburg, in Donaustauf. Een tempel die ik een aantal jaren geleden ook bezocht en waarin me een aantal dezelfde dingen opvielen als bij Buruma het geval was, maar ook een aantal andere. Zo heeft Buruma naast de bustes van “goden ‘van de Duitse taal’: generaals en prinsen, maar ook Goethe, Herder, Lessing, Leibniz, Bach (…) [en] Wagner” ook “als een beleefde geste achteraf, bij wijze van verontschuldiging” die van Albert Einstein gezien, een ‘Wiedergutmachung’ zou ik het enigszins cynisch noemen, maar vernoemt hij niet het feit dat die buste in artistieke kwaliteit zo ver onderdoet voor de oudere exemplaren dat ze als een belediging overkomt voor de mensen die die oudere exemplaren gebeeldhouwd hebben. En zo vindt Buruma het eigenaardig dat Shakespeare, die “in de tijd dat dit Walhalla werd gebouwd (…) een Duitse toneelschrijver [was] geworden” (in de zin dat hij, mede dankzij Goethe, werd beschouwd als een om een of andere reden in Engeland geboren bijzondere vertegenwoordiger van het Deutschtum), niet vertegenwoordigd is in de beeldengalerij, terwijl ik het toch sterk vond daar wél Anton van Dijck, Desiderius Erasmus, Hugo Grotius, Jan van Eyck (overigens aangeduid als ‘Johann’), Michiel Adriaan de Ruyter, en Pieter Paul Rubens naast de, al meer voor de hand liggende, prinsen van Oranje aan te treffen, maar misschien probeerde Buruma met dat stukje over Walhalla alleen een goede inleiding te vinden voor het derde hoofdstuk, Goethes Shakespeare, en deed het er voor de rest niet zo heel veel toe wat daar wel en niet te vinden was. Zoals de ‘shakespearomanen’ alleen maar zagen wat ze wilden zien: “Het werk van Schlegel [diens vertalingen van Shakespeares werken, noot van mij] is verwelkomd als minder een vertaling dan als een transmutatie, een linguïstiche metamorfose. Uit Shakespeares woorden was een nieuwe, Duitse schepping ontstaan, waarin nooit eerder gepeilde geestelijke diepten werden uitgedrukt, diepten zo groot dat de mens niet eens wist dat ze bestonden. Shakespeares geest was zogezegd versmolten met de Duitse Geist. Sommige Duitsers zagen dat als een bewijs voor de superioriteit van de Duitse taal. Ze stelden dat het genie van Shakespeare in het Duits opnieuw was ontdekt, dat hij eigenlijk een Duitser had moeten zijn, ja zelfs dat hij Duitser wás. We lijken nu ver verwijderd van Voltaires kokosnoten. De Duitse shakespearomanie begon in feite als een reactie op Voltaires classicistische minachting voor het Engelse toneel, maar eindigde met een soort vervorming van Voltaires universalisme. Het zaad van Shakespeares kunst was met veel succes in het buitenland gezaaid, tot in het verre India en Japan toe, maar voor zover ik weet werd alleen in Duitsland zijn universele aantrekkingskracht toegeschreven aan het genie van de plek, aan de Geist van de Duitse taal. De shakespearomanie was net als Voltaires verering van het Engelse denken een vorm van anglofilie, maar resulteerde in een nativistisch beeld van Engeland dat ver van Voltaires universele model afstond.” Kortweg, en zoals eerder gezegd, ‘anglomanie’ kan net zo goed “een manie voor al wat Engels is” zijn, als een manie voor wat “door sommigen verondersteld wordt Engels te zijn”. Waarbij er vrijuit geshopt en gestolen wordt, “here a little slice, there a little cut” om het met Thénardier uit die Engelse musical Les Misérables te zeggen, tot het beeld volledig klopt met wat degene die het creëert vooraf al wou hebben. Iets waartoe het feit dat Engeland voor de meeste mensen op ‘het continent’ toen nog zo goed als Verwegistan was ongetwijfeld heeft bijgedragen, terwijl datzelfde Engeland toch overal zijn invloed liet gelden. Of zoals Goethe het formuleerde: “Engeland is overal – omringd door zeeën, in mist en wolken gehuld en over de hele wereld actief.” Een Goethe die als toneelauteur in latere Duitse tijden overigens minder in de smaak zou vallen dan Shakespeare: “Het merkwaardigste moment in de hele geschiedenis van de shakespearomanie brak iets meer dan honderd jaar na de publicatie van Schlegels vertaling aan. In Hitlers Derde Rijk werd Shakespeare vaker opgevoerd dan Goethe en Schiller. Goethe was naar de smaak van de nazi’s te humanistisch en Schiller te revolutionair. Maar Shakespeare bleef het noordse genie, en Hitler, die altijd had gehoopt op een noordse alliantie met Groot-Brittannië, was trots dat de Duitse schouwburgen Shakespeares noordse geest meer eer bewezen dan de Britten zelf. In september 1939 verklaarde de Reichsdramaturg Rainer Schlösser officieel dat Shakespeare, in Duitse vertaling, als een ‘klassieke Duitse schrijver’ diende te worden beschouwd. Dus, terwijl in het voorjaar van 1940 Duitse troepen een invasie in Groot-Brittannië voorbereidden, verzamelden de nazikopstukken zich in Weimar om de verjaardag van Shakespeare te gedenken.”

Ik kan nog wel een aantal ‘bladzijden’ door gaan over dit boek – ik ben per slot van rekening nog maar aan het einde van hoofdstuk drie gekomen, terwijl er vijftien zijn -, maar hoop met het voorgaande wel al aangeduid te hebben dat wat de ironie van ‘anglomanie’ lijkt te zijn voor mij deel uitmaakt van de kern ervan. Er is niet zoiets als de goede ‘anglomanie’ en de foute, een manie is een manie, en daarmee sowieso fout. Alleen uit die fout zich de ene keer op een andere manier dan de andere keer. Iets wat in al zijn variaties ook naar voor komt in de nog volgende hoofdstukken. Bijvoorbeeld in het vierde, Fingals grot, genoemd naar de grot die een hoofdrol speelt in Fingal, an Ancient Epic Poem van de Schot James Macpherson, een hoofdstuk waarin Buruma een poging doet “anglofilie [af te zetten] tegen de liefde voor Schotland”, een poging waarin hij bijvoorbeeld ook verwijst naar Mel Gibsons Braveheart: “De film Braveheart, geproduceerd in Hollywood, met een Australiër in de rol van William Wallace en grotendeels opgenomen in Ierland, was een gemoderniseerde versie van Fingals veldslagen tegen buitenlandse indringers. Braveheart werd in Schotland verwelkomd als een patriottisch meesterwerk.” “Liefde voor Engeland en voor Schotland sloten elkaar niet uit, zoals blijkt bij Mendelssohn, Fontane en vele anderen”, schrijft Buruma, “Maar het waren ongelijksoortige liefdes. De Europese anglofilie volgde in het algemeen de regels van Voltaire en idealiseerde politieke instellingen, sociale vormen en een beschaafde samenleving. De cultus van Schotland, en in het bijzonder van de Schotse eilanden en de Hooglanden, richtte zich juist op het tegendeel daarvan: de romantiek van een precivilisatie, van een apolitieke gemeenschap, van de natuurmens en misschien zelfs van de nobele wilde. Anglofielen voelden zich gewoonlijk meer tot Adam Smith aangetrokken dan tot Ossian. Het beeld dat de anglofiel van Engeland heeft is in feite een beeld van Groot-Brittannië. Het ossiaanse beeld van een nationale gemeenschap komt op als Groot-Brittannië uiteenvalt in verschillende delen. De Engelse cultus van het angelsaksendom en koning Alfred was uiteindelijk ook een vorm van ossianisme, maar Engelse politieke instellingen verbreidden zich over heel Groot-Brittannië, zodat de Engelse en de Britse identiteit samen gingen vallen. Met andere woorden, Ossianismus was evenmin als shakespearomanie kenmerkend voor de Europese anglofilie; het waren romantische afwijkingen.” Een stelling waarmee Buruma op een punt is gekomen waarop hij zélfs als de ‘manie’ een echte liefde is voor iets wat Brits is - en hij beschouwt ook Schotland als Brits, net zoals hij Brits beschouwt als Engels -, zegt dat dat geen échte ‘anglomanie’ is, maar een “afwijking”. Alsof een manie niet per definitie een afwijking is en er een zuivere, goed te keuren, vorm van zou zijn. Een zuivere vorm zoals Buruma die lijkt aan te treffen bij Alexander Ivanovitsj Herzen: “In de loop van zijn leven zwalkte hij op een briljante manier door de Europese ideeënwereld. Zo stemde hij onder meer in met Hegels dialectiek, het socialisme van Saint-Simon, het anarchisme van Proudhon, het constitutionele liberalisme en de verlichte autocratie van tsaar Alexander II. Voortdurend zat hij klem tussen twee kampen: in Rusland tussen de westerlingen en de slavofielen, daarna tussen radicalisme en reformisme en nog later tussen revolutie en evolutie. Maar net als Pückler en Tocqueville was hij in wezen een aristocratische vrijdenker die zich aangetrokken voelde tot de Britse rechtsstaat.” Hij zwalkte maar wat, maar als hij die richting uitzwalkte, dan was dat zijn “wezen”. Faut le faire. Zeker als je even verder dit zegt: “Voltaires anglofilie was kenmerkend voor het achttiende-eeuwse rationalisme. Hij bewonderde de Engelse manier van denken. Herzen was anders. Hij hield van de vaak irrationele gewoonten van het Britse leven en raakte gesteld op de gotische complexiteiten van de Engelse politiek en wetgeving.” Irrationele gewoonten als die typisch joodse om steentjes op een graf te leggen, bijvoorbeeld, ook op, pakweg, dat van Karl Marx: “Bij een recent bezoek zag ik een laatste belediging voor het zelfbeeld van de vader der revoluties: er lagen een paar nette stapeltjes stenen op zijn graf, van oudsher het joodse teken dat iemand herdacht wordt – voor een prominente jood die niet van joden hield en ook niet van Engeland.”

En nu ga ik er echt mee stoppen, want anders moet ik u ook nog meenemen langs ‘parkomanen’, het kostschoolsysteem, de ideologische strijd tussen de Engelse groepssporten en de Duitse Turnvereine (met baron Pierre de Coubertin in een hoofdrol), Wagner en zijn volgelingen (“Diens Teutoonse heidendom mocht dan doordrenkt zijn van christendom, je hoefde geen christen te zijn om erdoor meegesleept te worden”; onder andere de zionist Herzl was er gek op), Disraeli (“zijn gezichtspunten leken maar al te sterk op die van Europese antisemieten”), Louis Martin (auteur van het traktaat L’Anglais est-il un Juif?), Oeganda als eerste mogelijke plaats voor Sion (een ideetje van de Britse minister voor Koloniën, Nathaniel Rotschild), De anglomaan die Engeland haatte (de al eerder genoemde Kaiser Wilhelm II) inclusief zijn verblijf op kasteel Doorn, Carl Schmitt (en “zijn boeiende boekje Land und Meer (Land en zee), waarin Schmitt probeert de opkomst en verhoopte ondergang van het Britse Rijk te verklaren”), Leslie Howard Steiner ofte Leslie Howard (zoon van een Hongaarse jood en een Britse jodin, tevens “de meest Engelse van alle intelligente, blonde, blauwogige filmhelden die voor Engelse gentleman hebben gespeeld”), Nikolaus Pevsners The Buildings of England (waarvan de vijftig delen, aldus Buruma, “op hun manier een even bijzonder anglofiel document [vormen] als Voltaires Letters concerning the English Nation), Oswald Spengler (die de Duitse liberalen aanduidde als “het onzichtbare Engelse leger dat Napoleon na de slag bij Jena op Duitse bodem achterliet”), Friedrich Hayek (van The Road to Serfdom), W.H. Auden (dichter en homofiele schoonzoon van Thomas Mann); P.G. Wodehouse (vooral bekend van Jeeves, de butler, niet de zoekmachine), Blackpool en het congres van de Conservative Party dat Buruma daar bezoekt (“Blackpool is schaamteloos vulgair. En de Conservatieve Partij, zo had ik altijd de indruk, probeert vulgariteit juist te verhullen onder een mantel van deftigheid.”), en ten slotte zelfs De laatste Engelsman, zijnde, weerom volgens Buruma, Isaiah Berlin, wiens herdenkingsdienst hij bijwoont: “Ik zag de politicus lord Jenkins of Hillhead, de academicus lord Annan, die er ietwat Russisch uitzag in zijn zwarte astrakan jas, lord Carrington, voormalig minister van Buitenlandse Zaken, lord Gowrie, de minister van Cultuur, en ook lord Menuhin, in zijn functie van ‘vertegenwoordiger van Hare Majesteit de koningin’. Daar zat de hele weldenkende elite van Engeland, met hun staalblauwe yarmulka’s, dure dassen en slappe vilthoeden, en ze stonden op toen de kaddisj werd gelezen voor een man die was geboren in Riga en altijd had benadrukt dat hij geen Engelsman was maar een anglofiele jood”.

Nog een heel parcours dus, om maar te zwijgen over wat ik verder en eerder aangeduid had aan passages, maar geen parcours dat we in de volle lengte zullen afleggen. Iets waarmee u ongetwijfeld blij zal zijn. Desalniettemin, en ondanks de mijns inziens eigenaardige visie die Buruma heeft op de ‘anglomanie’ waaraan hij dit boek gewijd heeft, zou ik lezing ervan ten zeerste aanraden.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !