De laatste keer dat ik de naam Ian Buruma tegenkwam, was in een boek
van Adriaan van Dis, genaamd Op oorlogspad in Japan.
Terwijl hij op dat pad is, spreekt Van Dis namelijk, onder andere,
met Buruma, die jaren in Tokio heeft gewoond. Het voorliggende boek,
zo’n driehonderdzeventig bladzijden dik, in het Engels verschenen
in 1999 bij Weidenfeld & Nicholson en in Nederlandse
vertaling in 2000 bij Uitgeverij Atlas, Anglomanie
getiteld, heeft echter niks van doen met de eilandengroep waarop
Tokio ligt, maar wel met die andere, de zogenaamde Britse Eilanden,
ofte British Islands. Waarbij ik “zogenaamde” schrijf
omdat ik de aversie van de Ieren begrijp om op die manier min of meer
aangeduid te worden als Britten, terwijl ze dat niet zijn.
Waarmee ik niet gezegd heb dat Buruma, zoon van een Nederlandse vader
en een Engelse moeder, het in Anglomanie uitgebreid over
Ierland heeft. Het moge duidelijk zijn dat de Ierse ‘anglomanie’
grotendeels beperkt blijft tot (van oorsprong) Engelse
inwijkelingen/bezetters, geen onderwerp waarover Buruma het kennelijk
wou hebben, net zomin als over de logischer ‘anglofobie’ die zich
doorheen decennia van Engels kolonialisme onvermijdelijk van een bij
momenten niet onaardig deel van de Ierse bevolking heeft meester
gemaakt. Zo braaf als Sinead O’Connor het hield in het overigens
prachtige lied This is a rebel song kan immers niet iedereen het houden: “How come you’ve never
said you love me / In all the time you’ve known me / How come you
never say you’re sorry / And I do”.
Dat gezegd zijnde moet het toch al min of meer duidelijk zijn dat ik
geen onvoorwaardelijke fan van Engeland of Groot-Brittannië ben.
Niet dat er landen zijn, belgië op de allerlaatste plaats trouwens,
waar ik wél onvoorwaardelijke fan van ben, maar een manie voor al
wat Engels is, of door sommigen verondersteld wordt Engels te zijn,
zal ik in ieder geval nooit ontwikkelen. Los nog van het simpele feit
dat manieën voor zover ik weet evenmin getuigen van geestelijke
gezondheid als fobieën. Omdat ik van die laatste óók geen last
heb, minstens niet wat betreft de Engelsen of het eiland waarop ze
wonen (een eiland dat ze delen met de Welshmen en de Schotten, die al
evenmin Engelsen zijn, zelfs al hebben ze door de band genomen niet
genoeg eigenwaarde om daar een punt van te maken), heb ik ook niet
geaarzeld om dit boek mee te nemen toen ik het tegenkwam bij de
uitverkoop van een bibliotheek: dat Voltaire en Theodor Herzl (“net
als andere politieke figuren die in het Europa van het fin de siècle
kwamen bovendrijven (…) een gefrustreerde kunstenaar”), om
slechts de twee “intellectuele anglofielen” te noemen naar wiens
“inzichten” op de achterflap verwezen wordt, ‘anglomanen’
waren is niet mijn probleem, maar uit hun manie valt misschien nog
wat te leren, als het al niet is dat die onzinnig was, net zoals het
overgrote deel van de menselijke fixaties in het verleden,
tegenwoordig en allicht ook in de toekomst.
Laat dat alles u echter niet weerhouden van verder lezen, en
vervolgens dat boek lezen, want ik heb onder het lezen geen enkele
zin voelen opkomen om Buruma te vierendelen of, eenvoudiger, het boek
verder maar naast me neer te leggen. Van Het circus van Max
Beckmann, een ander boek van hem dat in 2008 in vertaling bij
Uitgeverij Atlas verscheen en dat ik las lang voor ik met
boekbesprekingen begon, wist ik al dat hij boeiende essays schreef en
die overtuiging is er met Anglomanie, waarin hij zijn
persoonlijke – en familiegeschiedenis mooi weet te mengen met la
vie des autres, niet minder op geworden. Buruma is geen super
vlotte, in spreektaal schrijvende auteur, maar het is ook geen dorre
wetenschapper, en door de band genomen weet hij zijn onderwerp wel op
een manier te benaderen die de interesse naar wat verder komt, blijft
opwekken. Zelfs al is Buruma’s keuze van ‘anglomanen’ én
‘anglofoben’, of mensen die er op een of andere manier in
slaagden beide afwisselend of op hetzelfde moment te zijn, duidelijk
vaak ingegeven door een derde stuk van zijn afkomst. Ik schreef al
dat zijn vader Nederlands was en zijn moeder Engels, maar zijn moeder
was ook joods, en de joodse draad in dit hele boek ligt soms wel eens
onder de oppervlakte, maar zelden diep. Iets wat eigenaardig genoeg
leidt tot een soort – ongewilde, neem ik aan – bevestiging van
het door een aantal ‘anglofoben’ verspreide denkbeeld dat
anglomanie zo ongeveer gelijk te stellen valt met judeofilie, iets
wat Buruma dan weer probeert tegen te spreken.
Ik kom daar verderop in deze bespreking wellicht nog op terug, maar
begin alvast graag met wat Buruma vertelt over het Den Haag van zijn
jeugd, een stad die tot aan de Tweede Wereldoorlog de op een na
grootste joodse bevolking van Nederland had: “In de tweede helft
van de jaren veertig, in de jaren vijftig en zelfs nog in de jaren
zestig golden de Britten in plaatsen als Den Haag als een hogere
soort, want ze hadden, samen met de Amerikanen en de Canadezen, de
oorlog gewonnen. Ook de Sovjet-Unie had de oorlog gewonnen, maar het
Rode Leger was nooit tot in de buurt van Den Haag gekomen, en verder…
het Rode Leger bleef het Rode Leger. Tegenwoordig gelden de Britten
niet langer als een hogere soort, zelfs niet in Den Haag. Het beeld
van Groot-Brittannië als een land van oorlogshelden is aan het
afkalven. Als de Britten nu weer oorlog komen voeren op het Europese
vasteland is het als voetbalvandalen: de geschiedenis herhaalt zich
in de vorm van een nachtmerrie met een enorme bierkegel.” De
‘anglomanie’ waarover Buruma het in dit boek heeft, is dan ook
een fenomeen uit het verleden, zij het dat dat verleden tot zo’n
zeventig jaar geleden nog niet helemaal, samen met het Britse ‘Rijk’,
weggedeemsterd was. Zij het ook dat ze bij Buruma zelf niet helemaal
verdwenen is. Buruma gelooft op de een of andere manier nog in de
“Britse vrijheidsretoriek” – wie deze wil toetsen aan de
werkelijkheid kan altijd eens in Engeland gaan wonen en een verkeerde
‘meme’ posten (de “relatief vrije pers” waarover
Buruma het heeft, geldt op zijn minst niet waar het sociale media
betreft), een activiteit die nog voortvarender wordt aangepakt dan in
het ook al zo vrije belgenland -, in de “poëzie” van de “Britse
pracht en praal” en de verhevenheid van “de trots op continuïteit
en het geloof in tradities – ook al zijn die tradities vaak niet zo
oud als ze zich voordoen”, maar zal ongetwijfeld niet alleen aan
het feit dat fish and chips, en zelfs curry,
langzamerhand het onderspit aan het delven zijn tegen pita en
shoarma, gemerkt hebben dat dat geloof op een ontgoocheling
aan het uitdraaien is: “Ik heb een aantal Europese anglofielen en
bij wijze van contrast enkele verwoede anglofoben uitgezocht, om te
zien wat Europeanen nu zo bewonderden (respectievelijk verfoeiden) in
Groot-Brittannië, en of er iets van die deugden (en ondeugden) is
overgebleven, zo ja, hoeveel. Misschien verbaast de lezer zich over
mijn keuze van te bespreken personen. Sommigen zijn beroemd, anderen
niet. Enkele voor de hand liggende kandidaten zijn achterwege
gebleven – Napoleon bijvoorbeeld. Geen van mijn anglofielen hield
blindelings van Groot-Brittannië (blinde hartstocht is eerder een
kenmerk van de haters). De meesten, vooral de fanatieksten, raakten
uiteindelijk ontgoocheld en zagen hun dromen hun glans verliezen.
Ontgoocheling is een gevoel dat ieder in dergelijke omstandigheden
moet ervaren voordat hij in de buurt van de waarheid komt.”
Wat in ieder geval lijkt te kloppen voor de persoon waarrond het
tweede hoofdstuk van het boek, het eerste na het inleidende De
sigaar van Churchill, draait: Voltaire. “Voltaire is de eerste,
of althans de beroemdste, welsprekendste, geestigste, meest
onbeheerste en vaak intelligentste moderne anglofiel”, schrijft
Buruma ergens vooraan in dat hoofdstuk, dat als titel De
kokosnoten van Voltaire meekreeg, een titel die verwijst naar het
feit dat Voltaire er van overtuigd was dat de wereld meer op Engeland
zou moeten lijken (of althans: toen op het Engeland van toen) en dat
zulks ook op een of andere manier kon geregeld worden (kokospalmen
zouden als ze niet in het land van origine geplant werden ook wel
vrucht dragen). Iets waar zijn Engelse tegenvoeters, de lokale leden
van de ‘elite’, het niet noodzakelijk mee eens waren: “Hoewel
Voltaire realistisch genoeg was om de negatieve kanten van het
Engelse leven met sardonische humor te bezien, bleef zijn Engeland
over het geheel genomen een zonnige plek, want het was gebaseerd op
een idee. Centraal in dat idee stonden vrijheid en de rede. Aangezien
de rede in zijn visie een universele waarde vormde, beschikte hij in
Engeland over een universeel model. Dat maakt hem tot de vader van de
Europese anglofilie [ook letterlijk, want kort na zijn terugkomst van
zijn Engelandreis werden in Frankrijk ook “paardenrennen,
tuinieren, geklede jassen en Engelse pudding” populair, noot
van mij], al zou daar nog veel in veranderen, vooral na de Franse
revolutie. Voltaire wenste oprecht dat de rest van de wereld meer op
Engeland zou gaan lijken. Anderen, zoals Montesquieu, namen dat idee
al gauw over, terwijl het in de Engelse elite op dat moment nog
steeds bon ton was stevig francofiel te zijn.” Wat dan weer niet
noodzakelijk zal gegolden hebben voor de toenmalige koning van
Engeland, George I. Die gaf Voltaire bij diens eerste bezoek aan
Engeland een gouden medaille, “nadat de Britse ambassadeur, de
tweede graaf van Stair, Voltaire ‘misschien Frankrijks eminentste
dichter aller tijden’ had genoemd – niet dat de uit Hannover
afkomstige koning die fijnzinnige frase overigens zou hebben
begrepen; hij sprak geen Engels”. Wat op zijn beurt slechts één
van die feitjes is waarmee dit hoofdstuk en alle andere gelardeerd
zijn door Buruma. Een hoofdstuk over Voltaire gaat niet alleen maar
over Voltaire, een hoofdstuk over Goethe gaat niet alleen maar over
Goethe, een hoofdstuk over Wilhelm II gaat niet alleen maar over die
Kaiser. Af en toe wijkt Buruma zelfs zo ver af van de persoon
aan wie het hoofdstuk oorspronkelijk gewijd leek dat je gaat denken
dat hij die persoon alleen als kapstok heeft gebruikt en dat ergens
onderweg uit het oog is verloren, maar hij weet toch altijd weer bij
degene uit te komen waarmee hij ook begonnen is. Én de hoofdstukken
staan, zelfs los van het feit dat ze allemaal rond
‘anglomanie’/’anglofobie’ draaien, niet los van mekaar. Namen
komen terug, publicaties komen terug, plaatsen komen terug.
Wat echter opvallend is bij de “keuze van te bespreken personen”
is dat de overgrote meerderheid daarvan van Duitse, al dan niet
joodse, afkomst is. Na het hoofdstuk over de ‘anglomane’ Voltaire
had bijvoorbeeld perfect een hoofdstuk over Jean-Jacques Rousseau
kunnen volgen, maar wat die laatste betreft, houdt Buruma het – ín
het hoofdstuk gewijd aan Voltaire – bij: “Jean-Jacques Rousseau
heeft Engeland vaak bezocht. Zijn boeken werden er veel gelezen en
hij was er een geziene gast, ook al gedroeg hij zich vaak
schandelijk. Hij sprak zich in beginsel uit tegen de Engelse
grondwet. Door de verdeling van de regeringsmacht werd naar zijn
mening de wil van het volk verdeeld. Het was een illusie te denken
dat een gekozen regering een garantie is voor vrijheid. Een deel van
de Engelse samenleving had het recht voor zijn eigen despoten te
stemmen, dat was alles. De Engelsen moesten volgens Rousseau wel
onnozel zijn als ze dachten dat ze vrij waren. Een gemengde regering
stond in elk geval radicale oplossingen in de weg; het was niet meer
dan een overblijfsel van een feodaal systeem.” Niet dat ik een
‘francomanie’ heb, maar de ‘anglofoben’ H.L. Fougeret de
Monbron, auteur van een boekje getiteld Préservatif contre
l’anglomanie, Jean-Paul Marat én Rousseau samenpersen op een
paar bladzijden nadat Voltaire zo’n twintig bladzijden min of meer
bewierookt is, is geen erg evenwichtige keuze.
Enfin, het zij zo, nadat we – al komen een aantal van hen
wel nog kort terug in andere hoofdstukken – de Fransen gehad
hebben, komen we terecht bij de Duitsers en wel meteen in het
Walhalla, een tempel “in klassieke Griekse stijl gebouwd door prins
Lodewijk van Beieren” en te vinden in de buurt van Regensburg, in
Donaustauf. Een tempel die ik een aantal jaren geleden ook bezocht en
waarin me een aantal dezelfde dingen opvielen als bij Buruma het
geval was, maar ook een aantal andere. Zo heeft Buruma naast de
bustes van “goden ‘van de Duitse taal’: generaals en prinsen,
maar ook Goethe, Herder, Lessing, Leibniz, Bach (…) [en] Wagner”
ook “als een beleefde geste achteraf, bij wijze van
verontschuldiging” die van Albert Einstein gezien, een
‘Wiedergutmachung’ zou ik het enigszins cynisch noemen, maar
vernoemt hij niet het feit dat die buste in artistieke kwaliteit zo
ver onderdoet voor de oudere exemplaren dat ze als een belediging
overkomt voor de mensen die die oudere exemplaren gebeeldhouwd
hebben. En zo vindt Buruma het eigenaardig dat Shakespeare, die “in
de tijd dat dit Walhalla werd gebouwd (…) een Duitse
toneelschrijver [was] geworden” (in de zin dat hij, mede dankzij
Goethe, werd beschouwd als een om een of andere reden in Engeland
geboren bijzondere vertegenwoordiger van het Deutschtum), niet
vertegenwoordigd is in de beeldengalerij, terwijl ik het toch sterk
vond daar wél Anton van Dijck, Desiderius Erasmus, Hugo Grotius, Jan
van Eyck (overigens aangeduid als ‘Johann’), Michiel Adriaan de
Ruyter, en Pieter Paul Rubens naast de, al meer voor de hand
liggende, prinsen van Oranje aan te treffen, maar misschien probeerde
Buruma met dat stukje over Walhalla alleen een goede inleiding te
vinden voor het derde hoofdstuk, Goethes Shakespeare, en deed
het er voor de rest niet zo heel veel toe wat daar wel en niet te
vinden was. Zoals de ‘shakespearomanen’ alleen maar zagen wat ze
wilden zien: “Het werk van Schlegel [diens vertalingen van
Shakespeares werken, noot van mij] is verwelkomd als minder een
vertaling dan als een transmutatie, een linguïstiche metamorfose.
Uit Shakespeares woorden was een nieuwe, Duitse schepping ontstaan,
waarin nooit eerder gepeilde geestelijke diepten werden uitgedrukt,
diepten zo groot dat de mens niet eens wist dat ze bestonden.
Shakespeares geest was zogezegd versmolten met de Duitse Geist.
Sommige Duitsers zagen dat als een bewijs voor de superioriteit van
de Duitse taal. Ze stelden dat het genie van Shakespeare in het Duits
opnieuw was ontdekt, dat hij eigenlijk een Duitser had moeten zijn,
ja zelfs dat hij Duitser wás. We lijken nu ver verwijderd van
Voltaires kokosnoten. De Duitse shakespearomanie begon in feite als
een reactie op Voltaires classicistische minachting voor het Engelse
toneel, maar eindigde met een soort vervorming van Voltaires
universalisme. Het zaad van Shakespeares kunst was met veel succes in
het buitenland gezaaid, tot in het verre India en Japan toe, maar
voor zover ik weet werd alleen in Duitsland zijn universele
aantrekkingskracht toegeschreven aan het genie van de plek, aan de
Geist van de Duitse taal. De shakespearomanie was net als
Voltaires verering van het Engelse denken een vorm van anglofilie,
maar resulteerde in een nativistisch beeld van Engeland dat ver van
Voltaires universele model afstond.” Kortweg, en zoals eerder
gezegd, ‘anglomanie’ kan net zo goed “een manie voor al wat
Engels is” zijn, als een manie voor wat “door sommigen
verondersteld wordt Engels te zijn”. Waarbij er vrijuit geshopt
en gestolen wordt, “here a little slice, there a little cut” om het met Thénardier uit die Engelse musical Les Misérables
te zeggen, tot het beeld volledig klopt met wat degene die het
creëert vooraf al wou hebben. Iets waartoe het feit dat Engeland
voor de meeste mensen op ‘het continent’ toen nog zo goed als
Verwegistan was ongetwijfeld heeft bijgedragen, terwijl datzelfde
Engeland toch overal zijn invloed liet gelden. Of zoals Goethe het
formuleerde: “Engeland is overal – omringd door zeeën, in mist
en wolken gehuld en over de hele wereld actief.” Een Goethe die als
toneelauteur in latere Duitse tijden overigens minder in de smaak zou
vallen dan Shakespeare: “Het merkwaardigste moment in de hele
geschiedenis van de shakespearomanie brak iets meer dan honderd jaar
na de publicatie van Schlegels vertaling aan. In Hitlers Derde Rijk
werd Shakespeare vaker opgevoerd dan Goethe en Schiller. Goethe was
naar de smaak van de nazi’s te humanistisch en Schiller te
revolutionair. Maar Shakespeare bleef het noordse genie, en Hitler,
die altijd had gehoopt op een noordse alliantie met Groot-Brittannië,
was trots dat de Duitse schouwburgen Shakespeares noordse geest meer
eer bewezen dan de Britten zelf. In september 1939 verklaarde de
Reichsdramaturg Rainer Schlösser officieel dat Shakespeare, in
Duitse vertaling, als een ‘klassieke Duitse schrijver’ diende te
worden beschouwd. Dus, terwijl in het voorjaar van 1940 Duitse
troepen een invasie in Groot-Brittannië voorbereidden, verzamelden
de nazikopstukken zich in Weimar om de verjaardag van Shakespeare te gedenken.”
Ik kan nog wel een aantal ‘bladzijden’ door gaan over dit boek –
ik ben per slot van rekening nog maar aan het einde van hoofdstuk
drie gekomen, terwijl er vijftien zijn -, maar hoop met het
voorgaande wel al aangeduid te hebben dat wat de ironie van
‘anglomanie’ lijkt te zijn voor mij deel uitmaakt van de kern
ervan. Er is niet zoiets als de goede ‘anglomanie’ en de foute,
een manie is een manie, en daarmee sowieso fout. Alleen uit die fout
zich de ene keer op een andere manier dan de andere keer. Iets wat in
al zijn variaties ook naar voor komt in de nog volgende hoofdstukken.
Bijvoorbeeld in het vierde, Fingals grot, genoemd naar de grot
die een hoofdrol speelt in Fingal, an Ancient Epic Poem van de
Schot James Macpherson, een hoofdstuk waarin Buruma een poging doet
“anglofilie [af te zetten] tegen de liefde voor Schotland”, een
poging waarin hij bijvoorbeeld ook verwijst naar Mel Gibsons
Braveheart: “De film Braveheart, geproduceerd in
Hollywood, met een Australiër in de rol van William Wallace en
grotendeels opgenomen in Ierland, was een gemoderniseerde versie van
Fingals veldslagen tegen buitenlandse indringers. Braveheart
werd in Schotland verwelkomd als een patriottisch meesterwerk.”
“Liefde voor Engeland en voor Schotland sloten elkaar niet uit,
zoals blijkt bij Mendelssohn, Fontane en vele anderen”, schrijft
Buruma, “Maar het waren ongelijksoortige liefdes. De Europese
anglofilie volgde in het algemeen de regels van Voltaire en
idealiseerde politieke instellingen, sociale vormen en een beschaafde
samenleving. De cultus van Schotland, en in het bijzonder van de
Schotse eilanden en de Hooglanden, richtte zich juist op het
tegendeel daarvan: de romantiek van een precivilisatie, van een
apolitieke gemeenschap, van de natuurmens en misschien zelfs van de
nobele wilde. Anglofielen voelden zich gewoonlijk meer tot Adam Smith
aangetrokken dan tot Ossian. Het beeld dat de anglofiel van Engeland
heeft is in feite een beeld van Groot-Brittannië. Het ossiaanse
beeld van een nationale gemeenschap komt op als Groot-Brittannië
uiteenvalt in verschillende delen. De Engelse cultus van het
angelsaksendom en koning Alfred was uiteindelijk ook een vorm van
ossianisme, maar Engelse politieke instellingen verbreidden zich over
heel Groot-Brittannië, zodat de Engelse en de Britse identiteit
samen gingen vallen. Met andere woorden, Ossianismus was
evenmin als shakespearomanie kenmerkend voor de Europese anglofilie;
het waren romantische afwijkingen.” Een stelling waarmee Buruma op
een punt is gekomen waarop hij zélfs als de ‘manie’ een echte
liefde is voor iets wat Brits is - en hij beschouwt ook Schotland als
Brits, net zoals hij Brits beschouwt als Engels -, zegt dat dat geen
échte ‘anglomanie’ is, maar een “afwijking”. Alsof een manie
niet per definitie een afwijking is en er een zuivere, goed te
keuren, vorm van zou zijn. Een zuivere vorm zoals Buruma die lijkt
aan te treffen bij Alexander Ivanovitsj Herzen: “In de loop van
zijn leven zwalkte hij op een briljante manier door de Europese
ideeënwereld. Zo stemde hij onder meer in met Hegels dialectiek, het
socialisme van Saint-Simon, het anarchisme van Proudhon, het
constitutionele liberalisme en de verlichte autocratie van tsaar
Alexander II. Voortdurend zat hij klem tussen twee kampen: in Rusland
tussen de westerlingen en de slavofielen, daarna tussen radicalisme
en reformisme en nog later tussen revolutie en evolutie. Maar net als
Pückler en Tocqueville was hij in wezen een aristocratische
vrijdenker die zich aangetrokken voelde tot de Britse rechtsstaat.”
Hij zwalkte maar wat, maar als hij die richting uitzwalkte, dan was
dat zijn “wezen”. Faut le faire. Zeker als je even verder
dit zegt: “Voltaires anglofilie was kenmerkend voor het
achttiende-eeuwse rationalisme. Hij bewonderde de Engelse manier van
denken. Herzen was anders. Hij hield van de vaak irrationele
gewoonten van het Britse leven en raakte gesteld op de gotische
complexiteiten van de Engelse politiek en wetgeving.” Irrationele
gewoonten als die typisch joodse om steentjes op een graf te leggen,
bijvoorbeeld, ook op, pakweg, dat van Karl Marx: “Bij een recent
bezoek zag ik een laatste belediging voor het zelfbeeld van de vader
der revoluties: er lagen een paar nette stapeltjes stenen op zijn
graf, van oudsher het joodse teken dat iemand herdacht wordt – voor
een prominente jood die niet van joden hield en ook niet van Engeland.”
En nu ga ik er echt mee stoppen, want anders moet ik u ook nog
meenemen langs ‘parkomanen’, het kostschoolsysteem, de
ideologische strijd tussen de Engelse groepssporten en de Duitse
Turnvereine (met baron Pierre de Coubertin in een hoofdrol),
Wagner en zijn volgelingen (“Diens Teutoonse heidendom mocht dan
doordrenkt zijn van christendom, je hoefde geen christen te zijn om
erdoor meegesleept te worden”; onder andere de zionist Herzl was er
gek op), Disraeli (“zijn gezichtspunten leken maar al te sterk op
die van Europese antisemieten”), Louis Martin (auteur van het
traktaat L’Anglais est-il un Juif?), Oeganda als eerste
mogelijke plaats voor Sion (een ideetje van de Britse minister voor
Koloniën, Nathaniel Rotschild), De anglomaan die Engeland haatte
(de al eerder genoemde Kaiser Wilhelm II) inclusief zijn
verblijf op kasteel Doorn, Carl Schmitt (en “zijn boeiende boekje
Land und Meer (Land en zee), waarin Schmitt probeert de
opkomst en verhoopte ondergang van het Britse Rijk te verklaren”),
Leslie Howard Steiner ofte Leslie Howard (zoon van een Hongaarse jood
en een Britse jodin, tevens “de meest Engelse van alle
intelligente, blonde, blauwogige filmhelden die voor Engelse
gentleman hebben gespeeld”), Nikolaus Pevsners The Buildings of
England (waarvan de vijftig delen, aldus Buruma, “op hun manier
een even bijzonder anglofiel document [vormen] als Voltaires Letters
concerning the English Nation), Oswald Spengler (die de Duitse
liberalen aanduidde als “het onzichtbare Engelse leger dat Napoleon
na de slag bij Jena op Duitse bodem achterliet”), Friedrich Hayek
(van The Road to Serfdom), W.H. Auden (dichter en homofiele
schoonzoon van Thomas Mann);
P.G. Wodehouse (vooral bekend van Jeeves, de butler, niet de
zoekmachine), Blackpool en het congres van de Conservative Party
dat Buruma daar bezoekt (“Blackpool is schaamteloos vulgair. En de
Conservatieve Partij, zo had ik altijd de indruk, probeert
vulgariteit juist te verhullen onder een mantel van deftigheid.”),
en ten slotte zelfs De laatste Engelsman, zijnde, weerom
volgens Buruma, Isaiah Berlin, wiens herdenkingsdienst hij bijwoont:
“Ik zag de politicus lord Jenkins of Hillhead, de academicus lord
Annan, die er ietwat Russisch uitzag in zijn zwarte astrakan jas,
lord Carrington, voormalig minister van Buitenlandse Zaken, lord
Gowrie, de minister van Cultuur, en ook lord Menuhin, in zijn functie
van ‘vertegenwoordiger van Hare Majesteit de koningin’. Daar zat
de hele weldenkende elite van Engeland, met hun staalblauwe
yarmulka’s, dure dassen en slappe vilthoeden, en ze stonden op toen
de kaddisj werd gelezen voor een man die was geboren in Riga en
altijd had benadrukt dat hij geen Engelsman was maar een anglofiele jood”.
Nog een heel parcours dus, om maar te zwijgen over wat ik verder en
eerder aangeduid had aan passages, maar geen parcours dat we in de
volle lengte zullen afleggen. Iets waarmee u ongetwijfeld blij zal
zijn. Desalniettemin, en ondanks de mijns inziens eigenaardige visie
die Buruma heeft op de ‘anglomanie’ waaraan hij dit boek gewijd
heeft, zou ik lezing ervan ten zeerste aanraden.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !