De titel van voorliggend werkje, Onder filosofen – 15
ontmoetingen uit de geschiedenis van de filosofie, deed me meteen
terugdenken aan een boek dat ik jaren geleden las (en misschien nog
eens moet herlezen): Denkers in de ring – Filosofische polemiek
uit 25 eeuwen. Onterecht, helaas, want Thijs Lijster en Jan
Sietsma, auteurs van het eerstgenoemde, in 2005 bij Klement/Pelckmans
verschenen, boekje van zo’n honderd bladzijden hebben een veel
minder interessante ‘bundel’ afgeleverd dan Maarten Doorman en
Willem Visser, samenstellers van laatstgenoemde boek,
driehonderdzestig bladzijden dik en in 1995 verschenen bij Ooievaar
Pockethouse. Al werden een paar van de 15 ‘ontmoetingen’
twintig jaar eerder ook wel opgenomen in ‘de ring’, meer
bepaald Jean Paul Sartre versus Albert Camus en Friedrich Nietzsche
versus Richard Wagner, en komen van de filosofen die verder in die
‘ontmoetingen’ betrokken zijn in ‘de ring’ ook
nog elk op zich Plato, Desiderius Erasmus, David Hume, Immanuel Kant,
Georg Wilhelm Friedrich Hegel, Arthur Schopenhauer, Heinrich Heine,
Karl Marx, en Ludwig Wittgenstein aan de beurt.
Waarmee we het echter wat de gelijkenissen tussen beide boeken betreft wel
zo’n beetje gehad hebben. Doorman en Visser leidden in hun boek
telkens de genoemde filosoof in en gaven dan het woord aan hemzelf
(geen ‘haarzelf’ inderdaad, net zomin als bij Lijster en Sietsma
het geval is), wat voor minder filosofisch aangelegde mensen al niet
altijd tot gemakkelijke lectuur leidt, maar Lijster en Sietsma vonden
dat laatste niet nodig. Ze schrijven over elk van de
(quasi-)ontmoetingen en de zich ontmoetenden een stuk, lullen een
eind weg over de theorieën die (al dan niet bij die gelegenheid)
werden ontvouwen, en daarmee moet je het als lezer doen. “Van dit
andere, dat zich niet in begrippen laat vastleggen, gaat een appèl
uit”, schrijven ze in het hoofdstuk over (Emmanuel) Levinas &
(Jacques) Derrida: “Men kan het andere niet negeren, men
moet er recht aan doen door het op te nemen in de interpretatie. Maar
de interpretatie zal altijd tekort schieten (omdat een verschijnsel
de context immers altijd transcendeert) en zo doet iedere
interpretatie het andere tegelijkertijd onrecht aan. Zo zet Derrida
ook vraagtekens bij Levinas’ behandeling van de begrippen
‘oneindigheid’ en ‘de ander’; totaliseert hij ze zelf niet?”.
Een uitleg waarvan ik me in alle oprechtheid afvraag of Derrida die
zélf ingewikkelder kan gemaakt hebben en of ik dan niet liever diens
Adieu à Emmanuel Levinas of Geweld en metafysica had
gelezen, werken die ik overigens – eerlijk is eerlijk – slechts
kan opnoemen omdat de titels ervan achteraan in het boekje, onder de
noemer Gebruikte en geciteerde literatuur, zijn opgenomen.
“Filosofen zijn namelijk net mensen. Ze komen bij elkaar op bezoek, blijven te
lang hangen in cafés, roken veel te veel, verzetten zich tegen de
autoriteiten en verwachten dat dit allemaal door diezelfde
gezagsdragers wordt gefinancierd”, luidt het in het Voorwoord,
en ten dele hebben Lijster en Sietsma zich ook met die aspecten van
de ‘ontmoetingen’ beziggehouden, maar hun pogingen om in
zeer kort bestek eveneens de minder aardse aspecten daarvan samen te
vatten, zijn ook minder geslaagd. Nog los van het feit dat die aardse
aspecten daardoor niet genoeg ruimte krijgen. Als de heren over
Albertus Magnus schrijven dat “zijn grote kennis en brede
belangstelling (…) ook tot geruchten [leidden]” en dat hij “een
machine met vrouwelijke kenmerken (een zogeheten ‘androïd’)
[zou] hebben gefabriceerd, die bovendien salve (gegroet) kon
zeggen”, iets waarmee Thomas van Aquino “minder ingenomen
[schijnt] te zijn geweest”, waarop hij “het duivelse knutselwerk
aan diggelen [sloeg]”, verdient dat wat meer uitleg dan dat halve
paragraafje en krijg je als lezer eerder het gevoel dat je informatie
wordt onthouden dan dat je er gewonnen hebt. Net zoals dat ook het
geval is wat betreft de contacten tussen Desiderius Erasmus en Pieter
Gilles, die ter sprake komen in het hoofdstuk Erasmus & More,
of de korte aandacht die gewijd wordt aan More’s Responsio ad
Lutherum in datzelfde hoofdstuk. Wie echt meer wil weten over de
verhoudingen tussen, bijvoorbeeld, Wagner en Nietzsche, de
Frankfurters Walter Benjamin en Theodor Adorno, of Edmund
Husserl en Martin Heidegger (wat toch weer eens een ander thema is
dan de verhouding tussen Hannah Arendt en diezelfde Martin Heidegger,
al zaten er overeenkomsten in), zou ik dan ook ten hoogste de al
eerder genoemde lijst van Gebruikte en geciteerde literatuur
aanraden.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !