Dat Pratend door Vlaanderen van Frans Van Mechelen als
ondertitel Ministeriële en niet-ministeriële
evenwichtsoefeningen op de praatbalk meekreeg, is uiteraard geen
toeval: dit boekje werd uitgegeven bij De Clauwaert v.z.w. in
1974, zo’n twee jaar nadat er een einde kwam aan Van Mechelens
periode als Minister van Nederlandse Cultuur (een functie die
destijds bestond in de belze federale regering wegens het nog niet
bestaan van een Vlaamse ‘regering’), een periode die duurde van
1968 tot 1972, waarna Van Mechelen nog een jaar of vier
volksvertegenwoordiger bleef spelen en wellicht (nog) wat meer tijd
had om te schrijven.
Dat laatste zijnde een activiteit die de schrijvelaars van Wikipedia niet opviel, of die ze de moeite van het vermelden niet waard vonden,
maar die van de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (sinds
het digitaal gaan kennelijk niet meer voorzien van het epitheton
ornans ‘Nieuwe’) wél. Daar, bij de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging,
verwijzen ze dan weer door naar ODIS,
“de contextuele webdatabank voor de studie van intermediaire
structuren in de 19de en 20ste eeuw” (whatever that is), van
waar een link ligt naar KULeuven Libraries,
waar correct wordt vermeld dat dit boekje het nummer 52 is in de
Novellenreeks (van De Clauwaert dus). En dat mag dan
wel zo wezen, maar in de feiten klopt het helemaal niet. Als Pratend
door Vlaanderen een novelle is, ben ik de keizer van China.
Goed, goed, zelfs als u van dat laatste overtuigd bent, kunnen de
titels van de hoofdstukken u daar meteen al van af brengen: Wat
een spreker nooit of altijd doet, Vorm en inhoud zijn één,
en Hoe een spreker evolueert, lijken me – bad pun
intended – boekdelen te spreken. Mocht u dan echter nog
twijfelen, geef ik u graag de titels van de subhoofdstukken uit Vorm
en inhoud zijn één mee. Na een inleiding eindigend met de
woorden “Er bestaat niet één enkele spreekvorm. Er zijn er vele.
En ieder hiervan vergt naast een aangepaste inhoudsbenadering een
even noodzakelijke, aangepaste vormgeving. Laten we er samen enkele
onder de loep nemen.”, volgen volgende titels elkaar op: De
akademische zitting of de plechtige inzet van een grootse viering,
De massavergadering, Lezingen en konferenties, Het
referaat, De spreekbeurt, De parlementaire redevoering,
en ten slotte Kolleges.
Nummer 52 in de Novellenreeks van De Clauwaert v.z.w.
is dus allesbehalve een novelle, al is het ook weer geen
schriftelijke weerslag van – ach ja, ik kies er maar eentje uit,
uit het rijtje hierboven – een spreekbeurt over geklets. “Dit
boekje handelt (…) over de belevenissen van een ‘goed’
spreker’, schrijft Van Mechelen in zijn inleiding, Wat een
spreker nooit of altijd doet, waarin hij het – hoe toepasselijk
– over inleidingen heeft, en die belevenissen zijn de zijne,
maar hij gebruikt die belevenissen om te illustreren wat hij
over spreken te, euh, schrijven heeft. Pratend door Vlaanderen
houdt daarmee ergens het midden tussen ‘de avonturen van een
minister’, de evenwichtsoefeningen waarvan sprake in de
ondertitel, en een – kort, zij het met zijn achtenzeventig
bladzijden niet naar de normen van De Clauwaert –
instructieboekje voor ándere sprekers. Dat levert dan stukken als
deze (over de inleiding op): “Je moet namelijk goed weten dat een
spreker steeds begint met een inleiding. Die inleiding kan op
velerlei aangelegenheden betrekking hebben, zo bijv. op de
organisatoren van het feest, ofwel op de reden waarom hij een half
uur te laat is gekomen of op om het even wat! Als het maar
onmiddellijk de aandacht van het publiek weet te vangen. Indien je
echter niet zo gauw een goede inleiding vindt, kun je het Engelse
voorbeeld navolgen. Zeer veel Engelse orateurs vangen nl. met een
klein verhaaltje aan, zoals het vroeger bij de gewijde sprekers op de
preekstoel algemeen de gewoonte was. Bij gebrek aan de eerste twee
hulpmiddelen begin je gewoon met de ontleding van de titel van de
conferentie. Wanneer dat achter de rug is, heb je gewoonlijk al een
hele tijdspanne volgepraat. Dat truukje is erg doeltreffend wanneer
het onderwerp je relatief onbekend is.” Maar ook stukken als deze
(over gestoord worden tijdens een toespraak): “Na de zitting hebben
vrienden mij verteld dat het de liberale jeugd was die in stoet
voorbij het hoge gebouw getrokken was. Ik neem aan dat dit
voorbijtrekken een zuiver toeval was en niet bedoeld om mij of mijn
gehoor af te leiden. Dat het de liberale jeugd was, heb ik mij niet
alleen laten vertellen, maar heb ik ook kunnen afleiden uit het feit
dat er vele blauwe vlaggen waren, en dat niet iedereen mij zeer oud toescheen.”
Grappig? Bij momenten wel, ja, bijvoorbeeld hier: “Een vreemde
brief – via Jan bij mij terechtgekomen – luidde als volgt: ‘Wij
hebben reeds alle goede sprekers over dit onderwerp gekontakteerd,
evenwel zonder resultaat. Daarom zijn we zo vrij op u een beroep te
doen!’”. Maar verre van zo grappig als Ernest Claes in zijn
Voordrachtgevers zijn avonturiers.
Ik zou wie per se eens iets over voordrachten wil lezen dan ook het
boek van Claes ruim boven dat van Van Mechelen aanraden. Zelfs al
heeft Claes niet tussen mensen verkeerd waarover hij achteraf dit kon
schrijven: “Een heel biezondere soort van spreken is wel de
parlementaire redevoering. De spreker staat hier voor het meest
gesofistikeerde; men zou haast zeggen, het meest geblaseerde publiek
dat denkbaar is. Inderdaad, in het parlementair halfrond volgen de
redevoeringen elkaar eigenlijk ononderbroken op. Een stroom van
slordige en/of keurige spreekbeurten wordt op de aanwezigen
losgelaten. Er worden zoveel oratorische, retorische en andere
sprekerskunsten aangewend, dat ik ieder die zich bekwamen wil in de
kunst van het spreken, aanbeveel een stage in het parlementair milieu
door te maken”. Wat toch duidelijk van vele decennia voor het onze
dateert, want iedere godvergeten ‘volksvertegenwoordiger’ lijkt
nu van dezelfde coach les gehad te hebben. Een coach
die hen allemaal hetzelfde toontje, dezelfde gebaren, dezelfde
trucjes heeft aangeleerd. Dat dat alles voor de aandachtige
luisteraar/kijker niet verbergt dat het de heren en dames
‘volksvertegenwoordigers’ uiteindelijk maar om één ding gaat,
zichzelf verkopen, dat heeft die coach hen duidelijk niét verteld…
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !