vrijdag 6 februari 2026

De riem – Julien Van Remoortele (boekbespreking door Björn Roose)

De riem – Julien Van Remoortele (boekbespreking door Björn Roose)
Één boek heb ik van Julien Van Remoortele in mijn boekenkasten zitten. Voorliggend De riem dus. Wat toch wel eigenaardig mag heten gezien de man (geboren in 1930 in Beveren-Waas en overleden in 2018 in Oostende) “ongeveer 450 werken in boekvorm en enkele duizenden losse verhalen, reportages en hoorspelen” bij mekaar heeft gepend, althans volgens uitgeverij Lannoo. De ‘online encyclopedie’ Wikipedia houdt het op “ongeveer 400 boeken en een paar duizend losse verhalen, hoorspelen en rapportages”, maar ‘t is een kniesoor die over die “rapportages” en vijftig boeken valt als het in totaal sowieso over (meer dan) vierhonderd exemplaren gaat. Zeggen dat ik Het veenmysterie in 1982 wel gezién heb, is natuurlijk geen excuus voor de magere oogst aan Van Remoorteles boeken in mijn kasten. Aanhalen dat hij toch wel héél veel boeken over toerisme en wandelen geschreven heeft óók niet, want ik ga al sinds de jaren dat ik ook Het veenmysterie zag voortdurend op wandel en heb tienduizenden toeristische kilometers afgelegd met de fiets en met de wagen. Maar aan de andere kant: excuses om kinderen af te rossen met een broeksriem zijn er al evenmin en over een kind dat het slachtoffer wordt van dergelijke praktijken gaat De riem.

‘Oeioei, een verhaal over een kind dat wordt afgerost, gepubliceerd bij Boekengilde De Clauwaert vzw’, want dat wist u uiteraard al, ‘dat zal wel weer melodramatisch gezeur opleveren’, hoor ik u zuchten. Awel, nee, eigenlijk. Ondanks het feit dat het boekje (vierenvijftig bladzijden) ook nog eens de Kerst-uitgave van 1962 “voor de leden van de Clauwaert-Vereniging” was en kerstverhalen sowieso al niet bekend staan als vrij van gezeur. Het is geen super interessant verhaal, dat niet, maar de kleine krijgt al helemaal in het begin “van de riem”, gaat daarop lopen, en trekt aardig zijn plan tot op het einde. Daar gaat het uiteindelijk helemaal fout, maar zelfs dat heeft Van Remoortele er niet toe kunnen aanzetten er een tearjerker van te maken.

Waarmee ik wel zo’n beetje alles over dit boekje gezegd heb dat er aan zinnigs over te vertellen valt. Tenzij u, zoals ik deed, zou vallen over het woord “nietdeug”, natuurlijk, maar dat zou onterecht zijn. Het woord bekt niet en daarom zou ik zeggen dat het niet deugt, maar het schijnt wel degelijk een dialectische, enigszins sterker klinkende vorm van ‘deugniet’ te zijn. Een dialectische vorm waarmee ik niet bekend was, want in mijn geboortestreek heette zo iemand een ‘nieweerd’, en dat is dan weer een verwijt dat ik wél af en toe naar mijn hoofd geslingerd kreeg.

Edoch niet die keer dat we naar de cinema getrokken waren in Lichtervelde, de dichtste bij mijn geboortedorp Handzame, en ik mijn bril vergeten was, waardoor ik niks aan de film had (al herinner ik me wel nog de muziek: Eye of the tiger van Survivor, want het jaar was ook al 1982 en de film heette Rocky III), want toen had mijn moeder ‘compassie’ met mij. Als ik zo bijziend geweest was als nu was ik echter nooit zo ver gefietst zonder bril (Lichtervelde lag toch op dertien kilometer) en als er in ieder dorp nog cinema’s geweest waren, zoals in De riem nog wel het geval was, ongetwijfeld ook niet: “Een heel grote stad is het niet; er zijn maar zes bioskopen: de Riolta, de Rondo, de Cinéhall, de Toverlantaarn en de Mantilla”. Wat er bij mijn weten vijf zijn, maar goed, de verteller is de jongen die slaag krijgt en die is niet zo aandachtig op school.

Zoals ik dat niet altijd was, al kreeg ik desondanks af en toe geld mee van mijn moeder om – met de fiets, langs de ‘grote baan’, waar toen nog aan negentig per uur gereden werd en geen verkeerslichten stonden bij het kruispunt waar je naar het dorp toe kon van bij ons op de buiten – sigaretten voor haar te gaan kopen: “Drie pakjes sigaretten voor mijn vader, zeg ik. En een doosje lucifers. Lichte Ardos heeft hij gezegd (…) Mijn vader zal straks komen betalen.” Iets waar de winkelier bij ons niet ingelopen zou zijn. Wat ook niet nodig was aangezien ik mijn eerste sigaretten pas gerookt heb toen ik student werd aan de hogeschool – als je die gerolde stukjes papier die we op een keer achter de ‘houtvumme’ in brand staken om er vervolgens zo ongeveer in te stikken niet meetelt – en ik, voor de goedkoop, quasi meteen overging op gerolde exemplaren.

Want goedkoop moest het wezen. Ik kreeg geen hopen drinkgeld mee naar Brussel, waar ik op kot zat, en dat ik dat ten dele zou opdoen aan tabak zou ‘geen waar’ geweest zijn. Dat ik meer broste dan studeerde ook niet, trouwens. Ik zorgde er dan ook voor dat ze dat niet te weten kwamen thuis, al was het maar om litanieën als deze te vermijden: “In onze tijd, (…) in onze tijd, waren het allemaal veel flinkere studenten. Wij wisten dat wij onze plicht moesten doen. Student, studeer! Wij verrichten degelijk ons werk en pas daarna dachten wij aan ontspanning. Maar nu! Nu bestaat er enkel nog de ontspanning! De jeugd kent geen werken meer. Slechts ontspanning! En wat voor ontspanning! Jazz! Schlagers! Een barbaars ritme en holle woorden van snertliedjes! Ja! Als je ooit iemand wil worden in het leven, zul je moeten veranderen, kereltje! Kijk ‘s naar je vader: waarom kan hij je alles geven, wat je maar wenst? Omdat hij hard werkte en nog werkt. Omdat hij iemand geworden is in het leven!” Waarmee ik niet ga beweren dat ook mijn vader een muziekcriticus was, maar wie in de jaren zeventig geboren is, zal zich wellicht nog herinneren dat dat soort uitleg toen behoorde tot het pedagogisch instrumentarium. Iets waarvan ik vermoed dat dat nu een stuk minder is – wie wordt tegenwoordig nog wat, tenzij transseksueel of ongewenst zwanger? – en dat me dus in dit boekje ook al deed denken aan m’n eigen jonge jaren. Zoals wel meer dingen in dit boekje overigens al heb ik nooit ernstige lijfstraffen gehad. Meer dan een klets om mijn oren, een half uur in de hoek staan, of meteen na het eten naar bed, is me nooit ‘aangedaan’. En van dat soort dingen word je sterk. Of bespreker van boeken, natuurlijk, dat kan ook.

Om me even aan die tijden te doen terugdenken, was De riem in ieder geval wel goed. Voor de rest dient zo’n ding rond de heupen te blijven.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !