Wie wil weten hoe ‘wereldvreemd’ ik ben, of hoe weinig aandacht
ik besteed aan ‘Bekende Vlamingen’ (BV’s) en tutti quanti
(u mag zelf beslissen of dat ‘vreemd’ is), mag mij de vraag
stellen of ik tot ik voorliggend boek, Z!N – Over leven in de
21ste eeuw, wist wat Alain Grootaers allemaal gedaan heeft in z’n
leven. Behalve dat hij een belangrijk deel van de interviews heeft
afgenomen in de schitterende serie Tegenwind,
waarvan ik eerder het boek met de ondertitel OVER 6 wetenschappersin het oog van de coronastorm besprak, en ergens in Spanje woonde, had ik u het antwoord volkomen
schuldig moeten blijven. ‘De broer van Walter Grootaers’? Ah ja,
die heeft inderdaad dezelfde familienaam. ‘Manager van De
Kreuners geweest’? Ach zo. ‘Oprichter van P-Magazine’?
Tiens, ik heb dat zelfs wel eens gelezen, denk ik. ‘Bedenker
van de Ché’? Dat heb ik zeker een maand of zes gelezen,
stond die daar dan ook in? ‘In De rechtvaardige rechters
gezeten’? Sorry, maar één keer gezien. ‘Het eerste seizoen van
De Slimste Mens ter Wereld gewonnen’? Zelfs nooit gezien.
‘Hij schrijft voor PAL NWS en Doorbraak.be’? Ik zie
daar wel eens linken naar, naar die publicaties, maar als ik al eens
ga kijken, zitten de artikels achter een betaalmuur. En toch neem ik
nu een boek van hem dat al langer in mijn boekenkasten zit ter hand
terwijl z’n nieuwste boek, Beroerd, over de hersenbloeding
die hij in 2023 kreeg en de lange revalidatie nadien, vers in de
boekhandels ligt? Jep. Toeval. Want ik volg ook de aankondigingen van
uitgeverijen niet en zag dat boek pas bij Standaard Boekhandel
liggen toen ik Z!N uit mijn bibliotheek had gehaald.
Z!N, zijnde een boek met een titel bestaande uit twee
hoofdletters en een leesteken en een ondertitel (die ik niet in die
vorm ga overnemen omdat opeenvolgende hoofdletters voor mij neerkomen
op geschreven geschreeuw) bestaande uit bijna niets anders dan
hoofdletters (alleen de ‘ste’ van ‘21ste’ bleef gespaard),
fenomenen die wellicht in 2009, het jaar waarin dit boek verscheen
bij Uitgeverij Vrijdag (in 2024 overgenomen door Uitgeverij
Pelckmans, waar Grootaers’ nieuwste werd uitgegeven), nog
‘normaal’ waren. Z!N, ook zijnde een boek handelend over,
minstens ten dele, uit de tredmolen stappen, minder (gaan) werken,
“de onzin van een dolgedraaide samenleving (…) vervangen door
Z!n”, zoals op de achterflap staat, over “de ratrace, de
overconsumptie en de stress”, het soort dingen waarvan gezegd wordt
dat ze behalve andere problemen ook een veel hogere kans op…
hersenbloedingen tot gevolg hebben.
De alternatieve ondertitel, te vinden op de titelpagina, De kunst
van het overleven in de 21ste eeuw, is dus mogelijk ternauwerdood
toegepast door de auteur ervan, een auteur die nochtans in de twee
jaar voorafgaand aan de publicatie, 2007 en 2008, “een
sabbaticalreis door het Indiase subcontinent en Zuid-Oost-Azië”
had ondernomen, zijn leven naar eigen zeggen vervolgens totaal
omgooide, op een klein boerderijtje ging gaan wonen in Andalusië, en
daar zijn redding in zag: “Ik ben anders gaan werken, anders gaan
consumeren, ik kijk nu met andere ogen naar geld.” Verre van mij om
daar sarcastisch over te doen – we zouden er allemaal deugd van
hebben om de rust wat meer op te zoeken, en wie zijn leven wil
veranderen, moet dat nooit nalaten -, maar het kán zijn dat wie
voelt dat hij het rustiger aan moet doen dat nog niet sterk genoeg
voelt en het kán zijn dat innerlijke rust voor de een makkelijker te
bereiken valt dan voor de andere, ook onder omstandigheden die gelijk zijn.
Ik zou bijvoorbeeld niét helemaal relax worden van een bezoek
aan Cambodja, zelfs al werken de mensen in een dorp als Sin Pitch er
alleen maar als dat strikt noodzakelijk is, ondanks het feit dat ik
voor die levensstijl waardering kan opbrengen en helemaal de uitleg
volg die Grootaers geeft in het hoofdstuk Visoen van het deel
De zin van Z!n omtrent wat er te verwachten zou zijn als dat
dorp de ‘weldaden’ van de industriële revolutie zou ontmoeten.
Ik word namelijk onnozel van met veel mensen in één ruimte slapen,
lastige insecten, én... dolce far niente. Grootaers probeert
reacties die – wat ik niet doe – zijn reactie afdoen als “valse
en misplaatste nostalgie voor romantische zielen” voor te zijn door
te zeggen dat het inderdaad “onzinnig [zou] zijn om meteen alle
verwezenlijkingen van de industriële revolutie en onze westerse
consumptiemaatschappij af te doen als verwerpelijk”, maar dat ik
tijdens de feestdagen gestrest terugkom van even naar de winkel
rijden om een dringende boodschap (iets wat ik me niet kan herinneren
van pakweg tien jaar terug), wil nog niet zeggen dat ik de voorkeur
geef aan een leven als dat van Cosey’s Jonathan (wie wil weten hoe ik de link leg tussen dat
personage en Grootaers moet gewoon dit boek en de stripserie Jonathan lezen).
Enfin, het waarom van de ommezwaai die Grootaers in 2008 maakte, is
niet wat dit boek van zo’n honderdveertig bladzijden van begin tot
einde vult. Na De zin van Z!n, een hoofdstuk ingeleid met een
waarheid als een koe van de in 2019 overleden Amerikaanse journalist
Russell Baker, “Vreselijke dingen die gebeuren in naam van de
vooruitgang, zijn meestal helemaal geen vooruitgang, maar gewoon
vreselijke dingen”, volgen immers Deel 1. Betalen, Deel
2. Werken en Deel 3. Hébben!, de hoekstenen onder ons
‘westers’ (en doorheen de eeuwen naar het grootste deel van de
wereld uitgevoerd) model, waarover Grootaers telkens een vlot
leesbare, maar desalniettemin gedegen uitleg geeft. Een uitleg waarin
ik weinig nieuws tegenkwam, maar dat ligt eerder aan het feit dat ik
enigszins ingelezen ben in het onderwerp en dat zegt niks over wat u
er mee aankan. “Voor geld staan we vijf dagen per week ‘s
ochtends vroeg op”, schrijft hij bijvoorbeeld, “we gaan ervoor in
de file staan, trekken er in het beste geval een kostuum en das voor
aan of anders gevechtskledij, een mijnwerkershelm of een chemisch
beschermingspak”, maar/en hij laat daar meteen op volgen: “In
Europa alleen al sterven elk jaar 5720 mensen ten gevolge van
arbeidsongevallen, dus rechtstreeks voor hun broodwinning, voor hun
geld. Voor geld wordt geweld gepleegd en gemoord. In de naam van geld
gebeuren de vreselijkste, bloederigste, meest mensonterende dingen.
Maar met geld kun je ook vrijheid kopen, wordt gezegd. En je kan er
al die mooie spullen uit de reclame mee aanschaffen. Ergens tussen de
zeventiende eeuw en nu is het ‘je pense, donc je suis’ van
René Descartes veranderd in ‘j’achète, donc je suis’.
Wie geld heeft bestaat, zo lijkt het wel. Wie geen geld heeft, is een
kneusje, een loser, een paria.” Het veralgemenende beeld dat
hij vervolgens schetst van het leven van “het gewone volk”
voorafgaand aan de industriële revolutie is enigszins benevens de
waarheid, maar het klopt wel dat geld tot aan die industriële
revolutie niet het belang had dat het nu heeft en zelfs het belang
dat het voordien had slechts geleidelijk verkreeg.
“Van een eenvoudig en handig ruilmiddel werd het een schaars
product, een doel op zich” is zo’n beetje de aanzet in het
hoofdstukje Hoe geld ‘gemaakt’ wordt uit niets, maar
daarna volgt over verschillende hoofdstukken heen in kort bestek “de
overstap van munten, die letterlijk hun gewicht in goud, zilver of
brons waard waren, naar papiergeld”, het “partieel
reservesysteem” (de grote vermenigvuldiging van geld bij de
privébanken), de zogenaamd “nationale banken” (die in vele
gevallen, zo niet de meeste, simpelweg óók privébanken zijn), het
voor twee partijen (maar niet voor de burger) winstgevende
een-tweetje tussen de banken en de overheid, beursspeculatie, “schuld
(krediet) én rente op die schuld”, enzovoort, een opeenvolging van
fenomenen die tot niets anders kan leiden dan de uitspraak van
Grootaers: “God bestaat, hij is een bankier”. De auteur zet daar
subsidiariteit tegenover, nearonomics (een voor zover ik kan
zien door hém – bad pun intended – gemunte term),
numains, yin-geld, tempeltijd, LETS’en,
timedollars, maar ook de stelling dat geld vanaf een bepaalde
hoeveelheid niet gelukkiger maakt (wat ongetwijfeld klopt, de wet van
het marginaal meernut moet ook gelden voor het ruilmiddel dat doel op
zich werd) en dus uiteindelijk ook de vraag Moeder, waarom werken
wij?.
Acht uur per dag werken is zowat de standaard tegenwoordig, meer mag,
maar vier uur (een half time, zeg maar) per dag was doorheen
de eeuwen de reële standaard. “Voor het overgrote deel van de
geschiedenis van de mensheid werd arbeid beschouwd als hard en
vernederend. Hard werken was helemaal niet de norm in de Hebreeuwse,
klassieke of middeleeuwse culturen. Het is simpelweg allemaal de
schuld van de protestanten”, schrijft Grootaers enigszins
boutadisch, maar in essentie klopt het wel: Johannes Calvijn was de
eerste die de boodschap verkondigde dat werken geen straf voor de
erfzonde was, zoals het wel degelijk in de Bijbel staat, maar een
deugd. Marx keerde dat om en was van oordeel dat de godsdienst zich
aangepast had aan de nieuwe sociale realiteit, maar samen met de
“plotse bevolkingsexplosie” in de zestiende eeuw en de inflatie
veroorzaakt door de enorme voorraden zilver en goud die ter
beschikking kwamen in Zuid-Amerika, schudde die nieuwe moraal de
zaken wel serieus dooreen. “Door de tijd raakte het geloof dat
arbeid adelt algemeen verspreid en werd het een onderdeel van de
westerse cultuur. Tot op vandaag zitten we ermee. De industriële
revolutie kwam en die bracht een nieuw ras van mensen voort: de
economisten. Zij waarschuwden dat er armoede en verval zou komen als
er niet hard gewerkt werd. De scholen namen, naast schrijven en
rekenen, plots ‘vlijt’ op in het lesprogramma. Die nieuwe
werkethiek paste prima in de hiërarchische structuur van de nieuwe
bedrijven, want de notie dat je hogerop kon komen door hard te werken
werd er mee ingestampt. De illusie van The American Dream nam
langzaam vorm aan en vooral ook de perverse omkering daarvan: wie het
wil en hard werkt kan hogerop komen, ergo wie niet hogerop komt is
een luierik.” De grote winnaars van het geldsysteem, de
privébanken, hoefden dan ook bij de afschaffing van de slavernij in
de Verenigde Staten alleen nog de doctrine vervat in de in 1862
rondgestuurde Hazard Circular te pushen: “Slavernij
zal naar alle waarschijnlijkheid na de oorlog worden afgeschaft. Wij
zijn voor het afschaffen van slavernij, want slavernij is in essentie
het eigendom op arbeid en brengt met zich mee dat je voor je
arbeiders moet zorgen, terwijl in het Europese plan – geleid door
de Engelsen – kapitaal de arbeid gaat controleren door de lonen te
bepalen”. “Anders gezegd:”, schrijft Grootaers, “fysieke
slavernij houdt in dat je onderdak en eten moet verschaffen. Slaven
doen lastig, slaan op de vlucht en zorgen voor onrust. Economische
slavernij betekent dat arbeiders voor hun eigen onderdak en eten
zorgen, terwijl wij toch hun inkomsten controleren. Het is hier dat
het kapitalisme voor de allereerste keer zijn ware gelaat toont.
Later zijn de kapitalisten veel subtieler geworden, maar het principe
bleef hetzelfde: het waren slaven en het zullen slaven blijven,
alleen zorgen ze nu voor zichzelf.” Het is dan ook geheel terecht
dat de auteur het Deel 2. Werken begint met volgende citaat
van Goethe (wie me persoonlijk kent, weet ook dat ik af en toe een
t-shirt draag met die tekst er op): “Niemand ist mehr
Sklave, als der sich für frei hält, ohne es zu sein”.
Veel wapens biedt Grootaers daar niet tegen, maar in Het
ontsnappingsluik in je hoofd verwijst hij terecht naar de
uitspraak van Rousseau (Jean-Jacques, niet Connard): “Er
zijn twee manieren om rijker te worden: je kunt meer rijkdom
verzamelen, of je kunt je verlangens inperken”. De “statusangst”
van Alain de Botton proberen te milderen dus. Al ligt, zoals
Grootaers aangeeft, een leven als dat van Timmermans’ Pallieter
niet voor elk van ons voor de hand, net zomin als datgene wat Thoreau
beschrijft in diens Walden, terwijl het basisinkomen waar
Grootaers voor pleit volgens mij economische nonsens is: méér
fiat-geld en een nog grotere inflatie zal ons deel worden.
Maar via dat ontsnappingsluik ga je in ieder geval
rechtstreeks naar Deel 3. Hébben: “Winkelen is een
tijdverdrijf geworden. Zelfs het woord winkelen is vervangen door een
woord dat een stuk minder doelgericht klinkt.” Massaproductie en de
drijvende kracht daarvan, massaconsumptie, zijn the name of the
game. “Vlak na de oorlog werd”, dixit Grootaers, “een
vergadering belegd bij – houd u vast – Lehman Brothers, de bank
die onlangs overkop ging en daarmee de start van de financiële
crisis. De toenmalige baas van Lehman Brothers, ene Paul Maser, had
een plan: ‘We moeten Amerika doen verschuiven van een
‘wat-heb-ik-nodig’-cultuur naar een
‘wat-zou-ik-graag-willen’-cultuur. We moeten de mensen trainen om
te leren verlangen (letterlijk: ‘people must be trained to
desire’). Ze moeten nieuwe dingen willen, zelf wanneer hun oude
spullen nog niet versleten zijn. We moeten een nieuwe mentaliteit
creëren in Amerika. De verlangens van de mens moeten zijn noden
overschaduwen!’”. Een ideetje dat nog meer vaart kreeg toen
Edward Bernays, neef van Sigmund Freud en ‘verkoper’ van Woodrow
Wilson als grote “verdediger van de democratie, de man die een
nieuwe wereld zou maken waarin iedereen vrij zou zijn”, van
propaganda “Public Relations” (PR) maakte,
sigaretten wist te verkopen aan vrouwen die zich door het roken
“onafhankelijk en krachtig” zouden opstellen, democratie
misvormde tot “engineering of consent” (Manufacturing
consent zou Noam Chomsky het later noemen), Herbert Hoover tot de
overtuiging bracht dat de PR-mensen de bevolking tot
“constantly moving happiness machines” moesten omvormen, en
uiteindelijk voor corporate America het verzet tegen Franklin
D. Roosevelts New Deal organiseerde. Een mission
accomplished over de hele lijn, kan je wel zeggen, niet alleen in
de Verenigde Staten, maar over de hele wereld, en het is
twijfelachtig dat het “concept van vrijwillige eenvoud” van Ton
Lemaire, “geen pleidooi voor armoede of schraalheid, maar voor de
kunst en de wijsheid om maat te kunnen houden” daar een echt
tegengewicht voor kan vormen. Net zomin als stevia (hoeveel minder
ongezond dan geraffineerde suiker het ook werkelijk is), een motor op
gecomprimeerde lucht, “transitiesteden” (een woord dat intussen
sowieso al een vieze smaak heeft gekregen), of de in het Engelse
Totnes of het Duitse Dardesheim toegepaste modellen waarover
Grootaers het verder nog heeft. Zonder cynisch te willen doen over de
goede bedoelingen achter de in het laatste deel aangehaalde
‘alternatieven’ kan ik immers alleen maar tot de vaststelling
komen dat de PR-mensen van een drol een taart weten te maken,
maar ook van een taart een drol. Wat vandaag deel is van een
alternatief, is morgen al ingekapseld in het mainstream-verhaal.
Wat vandaag tegen de commercie in lijkt te gaan, is morgen de
commercie geworden. “Weg met de onzin, die ons wordt opgedrongen
door gewiekste bankiers, zakenmensen, verzekeraars en allerhande
kapitalisten die enkel uit zijn op eigen profijt, handelen uit eigen
belang en er alles voor doen om de status quo te bewaren. Wacht niet
op politici, vakbonden of andere grote sociale organisaties om actie
te ondernemen, maar doe het zélf”, de boodschap die Grootaers nog
meegeeft helemaal aan het einde van dit boek, dient dan ook zeer
rigide toegepast te worden.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !