Eerlijk is eerlijk, ik ben geen onvoorwaardelijke fan van wat
‘moderne kunst’ wordt genoemd. Niet dat ik alles wat onder die
noemer valt per definitie zou verwerpen, maar – los van het feit
dat het etiket nogal onzinnig is en ook ‘schone’ kunst ooit
modern was – ik ga geen geld uitgeven aan een tentoonstelling ervan
als die tentoonstelling niet minstens een combinatie met ‘schone’
kunst inhoudt. Ik zou voorliggend nummer XXXVI in de serie Phoebus
Focus, gewijd aan een werk van de Chileense schilder Roberto
Matta, Amorfe figuren genaamd, dan ook nooit gekocht hebben,
maar ik kreeg het, zoals nu al zovele jaren het geval is met de
voorgangers ervan, gratis bij de nieuwste editie van OKV-magazine,
wat er dus een spreekwoordelijk gegeven paard van maakt. Een gegeven
paard dat ik dan toch maar in de bek heb gekeken. Om daar, helaas,
niet al te veel te vinden.
Ja,
dit hoe dan ook weer verzorgd uitgegeven en vol beeldmateriaal
zittende boekje is ongeveer het standaard aantal bladzijden in de
serie dik, zijnde zo’n vijfennegentig, maar inclusief het Voorwoord
van Katharina Van Cauteren zijn er daarvan nog geen negentien gevuld
met tekst (en dan heb ik zeer ruim gemeten). De witruimte spat er
zelfs op de tekstpagina’s van af en aan de vijftien bladzijden
afbeeldingen van het, al dan niet onder blacklight gehouden,
schilderij in kwestie heb je ook al niet zoveel: amorfe figuren zijn
en blijven het, en voor een niet-kenner als ik draagt ook de
herhaling daarvan niets bij aan de waardering ervoor. Zelfs niet –
vandaar die blacklight en uiteraard de titel – als een deel
van die figuren geschilderd is met fluorescerende kleuren. En al
helemaal niet als inleider Katharina Van Cauteren of auteur Naomi
Meulemans, die ook al het nummer XIV gewijd aan Karel Appels Vogel bij mekaar pende, er lyrisch gaat zitten over doen. Een zin als deze
(in het Voorwoord) zorgt er voornamelijk voor dat ik me
afvraag hoeveel de Phoebus Foundation voor dat schilderij
betaald heeft: “De Amorfe figuren zien er bij daglicht
compleet anders uit dan in het (half)duister. Pas dan komt het
raadselachtige landschap tot leven, in een betoverende gloed die
haast buitenaards lijkt: een toegangspoort tot een andere dimensie.
Hier, in deze ongeziene werkelijkheid, fluisteren schaduwen en
versmelten ongrijpbare, archetypische figuren tot een soort kosmisch
geheel. De werkelijkheid lijkt slechts een vluchtige illusie en de
verbeelding viert hoogtij. Via zijn werken nodigt Matta de
toeschouwer uit om de confrontatie aan te gaan met de dieptes van het
onderbewustzijn.” Een onderbewustzijn dat mij zei dat die Amorfe
figuren niet zouden misstaan op een van die goedkope
pocketuitgaven van science-fictionverhalen uit de jaren 1970,
uitgaven die door de band genomen voorzien waren van covers
die absoluut niks te maken had met het verhaal.
Maar misschien heb ik die covers nooit goed genoeg bekeken. “Als
je het [schilderij] met een vergrootglas bestudeert”, schrijft
Naomi Meulemans immers, “lijk je te worden opgezogen door
mathematische berekeningen, maar op een afstand kijk je naar een
abstracte, verzonnen theorie, een kunstwerk dat tegelijk een
geloofsbelijdenis is.” “Is dit een voorstelling van het
hiernamaals, een buitenaards leven? Of kijken we naar een
onderwaterwereld vol vervormde zeepaardjes en pantoffeldiertjes?”,
vraagt ze zich verder over die “geloofsbelijdenis” nog af, maar
tegen dat ik daar gekomen was, was ík me al aan het afvragen hoe dat
zat met háár “geloofsbelijdenis”. De voormalige architect, in
de leer bij Le Corbusier, als schilder enigszins beïnvloed door
Salvador Dali en André Breton, en een groot deel van zijn leven
werkend vanuit het voormalige La Bandita-klooster in het
Italiaanse Tarquinia (halverwege tussen Rome en het schiereiland
Monte Argentario), stelde volgens haar namelijk niet alleen
“specifieke eisen voor zijn doeken, waardoor ze steevast uit één
stuk vervaardigd zijn, met oog voor kwaliteit en ambachtelijkheid”,
maar moet ook “een zeer goede kennis gehad hebben van zijn
schildersmaterialen en maakte daarvan in zijn interpretatie van de
werkelijkheid ook een meerwaarde”. Wat uiteraard kán, maar van
waar het een nogal lastige overgang is naar wat Van Cauteren al in
haar inleiding schrijft: “(…) wat ooit een spannende innovatie
was, is vandaag vaak een pain in the ass voor restauratoren.
Van goede oude olieverf is immers bekend hoe die veroudert, maar
nieuwe technieken vergaan op nieuwe manieren en vaak aan een ras
tempo.” Of zoals Meulemans zelf schrijft: “Vóór 1940 werd het
fluorescerende pigment dat Matta in Amorfe figuren verwerkte
voornamelijk in een industriële context toegepast. Het werd zelden
als pigment in tekeningen of schilderijen aangewend (…)
Traditionele schilders waren terughoudend om die te gebruiken, uit
angst voor de negatieve effecten op de kwaliteit en veroudering van
hun werk.” Waarna Meulemans voor elk wat wils schrijft:
“Kunstenaars als Roberto Matta trokken zich daarvan maar weinig
aan” op de ene bladzijde; “Het pigment heeft slechts een
levenstermijn van honderd jaar. Het is niet duidelijk of Roberto
Matta hiervan op de hoogte was” op de volgende; en “(…) zelfs
als dat het geval was, weten we niet of hij veel belang hechtte aan
de duurzaamheid van zijn werken” daar weer meteen achter. Voor een
eenvoudige jongen als ik, die hoopt na het lezen van zo’n boekje
over een man die “de kracht van het fluorescerende pigment” kende
en wiens “nieuwsgierigheid en artistieke experimenten (…) hem
ertoe [brachten] een nieuwe, weinig geëxploreerde kant van de
pigmententheorie te verkennen”, is dat allemaal helaas een weinig
verwarrend. Niet dat ik, in plaats van de restaurator, dan meteen
last krijg van “het problematische verouderingsfenomeen” waardoor
“het oplichtende fluopigment in een melkachtige en uitgedoofde
pastelvariant van de oorspronkelijke tint [verandert]”, maar mijn
begrip voor en mijn verstaan van de schilder wordt er ook niet groter
door. Terwijl net dát was wat ik hoopte te bereiken door dit boekje
te lezen.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !