Posts tonen met het label Herman Brusselmans. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Herman Brusselmans. Alle posts tonen

vrijdag 25 juni 2021

Kwantum – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)

Kwantum – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)
Echt (feestje!) … Ik ben aan mijn allerlaatste bespreking ooit van een boek van Herman Brusselmans toegekomen. Ik koop nooit meer een werk van hem. Zelfs als ik het voor niks krijg, verhuist het meteen naar de zolder. Met Kwantum, verschenen in 2007 bij The House of Books, heb ik definitief mijn Brusselmans-quotum bereikt, zelfs al is dit boekje maar een goeie honderd bladzijden dik. Ik laat me niet meer vangen, ook al staat er, zoals op de voorpagina van deze uitgave, een strop op de voorpagina. Finito. Schluss damit. Het is volbracht.

Ik ga niet overdrijven door te stellen dat werkelijk élk boek van Brusselmans over hetzelfde gaat, maar dat is bij Kwantum toch wéér eens het geval: de fantastische schrijver Herman Brusselmans (“Ik ben de bekende schrijver. Ik heb meer dan veertig boeken gepubliceerd, waarvan het meest recente Muggepuut als titel heeft.”), zijn eeuwige durende (maar helaas nooit effectieve) writer’s block (“Sinds de publicatie ervan sta ik droog”), zijn vrouw (hier nog Phoebe – “Ik ben getrouwd met Phoebe. Je zou haar moeten zien. Wat een mooie, prachtige vrouw. Ik ben blij dat ik met haar samen ben, nu bijna vijftien jaar.”), de veehandel van zijn vader, levende en dode honden (Eddie en Woody), des schrijvers lul (en wat hij daar allemaal mee wenst te doen), Hamme (zelfs Moerzeke komt er weer aan te pas), het door elkaar halen van fictie en realiteit (“Misschien ligt het aan de werkelijkheid dat ik momenteel geen boek schrijf. Dat de werkelijkheid dus een mindere periode heeft. Het zou kunnen, want veel gebeurt er niet de laatste tijd.”), des schrijvers dooie moeder (soms met de dooie hond op haar schoot), imaginaire boektitels (Iedereen is uniek behalve ik, deel 4, bijvoorbeeld – meer dan drie keer is Iedereen is uniek behalve ik tot nog toe niet gebruikt als ondertitel), juffrouw Brijs, vrouwelijke Bekende Vlamingen, de lengte van zijn haar, “kolonel” Brusselmans die massa’s Duitsers doodt met zijn Browning, tekenaar De Meeuw (Erik Meynen), auto’s, moto’s, … Zelfs het mopje “Waar zat ik ook weer?” komt terug.

Het enige werkelijk originele aan dit hele boekje is dat hij tot twee keer toe reclame maakt voor ECI, maar dat was waarschijnlijk ook de uitdrukkelijke bedoeling van uitgever ECI. Ik ga van de weeromstuit dus géén reclame maken voor ECI. Per slot van rekening heet die “boekenclub” intussen al een jaar of drie niet meer zo.

Goed dat Herman Brusselmans dus ook in dit boekje bevestigt wat we al langer wisten: “(…) ik ben niet de beste schrijver aller tijden. Daar kan ik me de laatste tijd redelijk overheen zetten.” Dat was zo toen hij negenenveertig was (een feit waarop hij in Kwantum een paar keer wijst) en dat is nog steeds niet veranderd (ook niet ondanks het feit dat ik intussen zelf zo goed als negenenveertig ben). “Over honderd jaar zullen mijn boeken niet meer gelezen worden”, schrijft Brusselmans bijna aan het einde van het boekje. Wat mij betreft: vanaf vandaag al niet meer. Ook Kwantum verhuist bij deze naar de laatste halte vóór de rommelmarkt.

Björn Roose

dinsdag 25 mei 2021

Vlucht voor mij – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)

Vlucht voor mij – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)
Tijd voor een etappefeestje: met deze bespreking beëindig ik ook mijn lezing van Kou van jou, de bundel waarin Heden ben ik nuchter, Zijn er kanalen in Aalst?, Dagboek van een vermoeide egoïst en dus deze Vlucht voor mij zijn opgenomen. Terugblikkend op wat ik schreef in mijn bespreking van Heden ben ik nuchter over de keuze tussen de hele bundel ineens bespreken en de verschillende “romans” apart had ik misschien moeten gaan voor die eerste mogelijkheid, maar gedane zaken nemen geen keer: bij deze dus de laatste van de vierling (Joehoe, alleen nog Kwantum te gaan en da’s een dunnetje!).

En het moet gezegd: Brusselmans heeft met Vlucht voor mij toch nog een poging gedaan “origineel” uit de hoek te komen. Het is een “brievenroman” geworden. Alhoewel … na z’n Vierde brief aan Victor, aardig uit de hand lopend tot zo’n negentig bladzijden, geeft hij aan dat concept de brui en lapt er nog Het vijfde hoofdstuk bij zonder verder te doen alsof het om brieven gaat. Nu ja, ‘t waren toch al brieven zonder tegenbrieven, want Victor bestaat in tegenstelling tot Brusselmans – of dié werkelijk bestaat zoals hij in zijn boeken bestaat, blijft een onbeantwoorde vraag - helemaal niet.

Net zomin als er tegenwoordig nog wat belangrijkers dan covid-19 lijkt te bestaan, een fenomeen dat Brusselmans ook al in de jaren tachtig zag opduiken, maar toen met aids: “Oké, gedaan over kanker. Ik denk dat ik er verder toch niks over te lullen heb; zij het dat ik ineens bedenk dat (doch dit terzijde), dat toen aids in de wereld kwam, kanker plots uit de belangstelling verdween en zelfs niet eens meer als een zware ziekte leek te worden beschouwd, eerder als iets in de trant van aandoeningen gelijk pakweg een hersenvliesontsteking of het rondsluipende zona. Enfin, de mening luidde dat als je geen aids had, er verder niks aan de hand was.”

Geef toe, ‘t is lang geleden dat ik het in een boekbespreking nog over het corona-circus gehad heb, maar Brusselmans bood me dus de gelegenheid daar toch nog iets over te “lullen”. Maar toch beduidend minder dan Brusselmans zelf over het “geile zangeresje (A.D. heet ze)”; cartoonist Erik Meynen (“E.M.”); vrouwen waarop hij al dan niet verliefd wordt; z’n eigen vrouw; Mabiche (zoals in de vorige boeken), al is “zij (…) uit mijn leven” en wil hij “geen enkel woord meer over die vrouw schrijven”; “mannen zonder vrouwen”, zonder, in tegenstelling tot wat in een van de andere in de bundel opgenomen “romans” het geval was – ik heb niet bijgehouden welke –, ook de naam Ernest Hemingway te noemen (hier vind je de bespreking van dat boek); en over zuipen, natuurlijk (onderwijl soms verwijzend naar andere literaire fenomenen genre “de brave soldaat Svejk”, eveneens zonder de naam van diens schepper te noemen – Jaroslav Hasek, met zo’n raar kapje op de s, voor wie het echt wil weten).

Hij heeft het daarentegen niet over “het weer, de literatuur, Albert Camus en Sylvia Plath”, al heeft ie het daar naar eigen zeggen wel over met een “zeer mooie professor in de filosofie”. En ook niet zo heel vaak over de “verschillende zeer geleerde critici” die Iedere zondag sterven en doodgaan in de week de grond inboorden, lezers die zijn boeken wél goed vinden of kennissen die het enigszins “gênant” vinden dat ze er zoveel in herkennen. Of over het – voor zover ik weet – tot op heden onveranderlijke feit dat hij “geen enkel kind [heeft] gecreëerd”.

Maar gelukkig heeft Brusselmans het dan weer wel even over de titel van de “roman”: “ik ben (en daar denk ik veel, nachtenlang, over na) een Ware Schrijver, want ieder die in mijn buurt komt, of in mijn hoofd verwijlt, riskeert de verantwoordelijkheid voor enige woorden of zinnen, of paragrafen, of hoofdstukken (of een heel boek god betere het) in mijn Verzameld Werk. Vlucht voor mij, Victor!” En over bossen die vol liggen “met achteloos weggeworpen blikjes, plastic, sigarettenpakjes, condooms, injectienaalden, honden en manuscripten van een boswachter die na jaren eindelijk heeft ontdekt dat hij niet kan schrijven.” Of over Salman Rushdie, die “door één of andere idioot uit ‘het verre Iran’, Khomeini genaamd, ter dood is veroordeeld omdat hij, Rushdie dus, in een boek een zekere Mohammed zou beledigd hebben. Mohammed, dat is zo iemand in de trant van God, over wie ik het wel eens heb, maar veel krankzinniger en de hele tijd nuchter (God, die zuipt goed door.) Bovendien ruikt die Mohammed niet lekker want hij wast zich nooit.” Of over acht ondergedoken joden, “zo hoog stond het waterpeil reeds”.

Ik was aan het twijfelen of ik het ook nog zou hebben over het ten tonele gevoerde echtpaar Herman De Coninck en Kristien Hemmerechts - die Brusselmans in die jaren allicht wel eens tegen het lijf liep alhoewel dat naar alle waarschijnlijkheid niet vaak in Gentse cafés zal gebeurd zijn - maar zo interessant zijn die twee noch het ten tonele voeren ervan nu ook weer niet. In tegenstelling tot een paar van de eerder genoemde passages dus. Die zijn niet voldoende om van Brusselmans’ boeken “oude boeken die je veel te laat ontdekt” te maken (“Hoe mooi ze zijn, hoe goed geschreven, hoeveel waarheid ze bevatten, hoe vernieuwend de stijl eens moet geweest zijn, en hoe wit het papier.”), maar ze breken de eentonigheid en dat is toch al iets. Een mens stelt geleidelijk zijn verwachtingspatroon bij als ie al tig werken van Herman Brusselmans heeft gelezen. Om de schrijver te parafraseren: ze “ontgoochelen mij niet meer. Ik verwacht van hen alles wat mogelijk kan zijn, wat er op neerkomt dat ik van hen helemaal niks meer verwacht.”

Brusselmans sluit Vlucht voor mij af met z’n thuiskomst bij Gloria na een hele nacht “alleen” stappen: “Daar staat ze, in dat schattige korte nachtkleedje. Ze bekijkt me. ‘Gloria’, stamel ik, ‘sorry, ik had een geschenk voor jou maar dat ben ik verloren, en toen heb ik de oude man van mijn dromen ontmoet, en toen …’ En dan barst ik uit in het typische snikken van de dronkeman die met zijn leven geen weg wil weten. Gloria klemt me aan zich vast en helpt me binnen, en sluit de deur. ‘Kom,’ zegt ze, ‘er is niks aan de hand … er is alweer helemaal niks gebeurd … Helemaal helemaal niks …’” Je zou Brusselmans – op z’n minst het hoofdpersonage Brusselmans – op dat moment vijf frank geven, maar die heeft hij allicht ook al ontvangen van degene die dit boek oorspronkelijk kocht. Ik kocht het boek gelukkig tweedehands en misschien vind ik ook nog iemand die het derdehands van me wil overkopen ...

vrijdag 14 mei 2021

Dagboek van een vermoeide egoïst – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)

Dagboek van een vermoeide egoïst – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)
Mijn besprekingen van Brusselmans’ werken beginnen zo langzamerhand als het dagboek van een vermoeide recensist te voelen eigenlijk, maar ik ben slecht in opgeven en heb er na dit Dagboek van een vermoeide egoïst maar twee meer te gaan (Vlucht voor mij en Kwantum). En gaan, zal ik ze.

Dagboek van een vermoeide egoïst volgt logisch op Heden ben ik nuchter en Zijn er kanalen in Aalst?, twee boeken die ik eerder besprak (hier en hier). Met dat verschil dat de auteur vanaf nu “gewoon” de auteur is en overgegaan is in zijn sindsdien bijna permanente ik-stijl. Exit Kronenburg-Brusselmans dus, exit echter niet de “avonturen” die Kronenburg-Brusselmans in eerder genoemde “romans” heeft beleefd. Ook in zijn Dagboek van een vermoeide egoïst lult Herman Brusselmans bijgevolg een eind weg over de personages in die eerdere boeken en in het bijzonder over Mabiche. Wat ik daarvan vind, kon u al verschillende keren lezen in de besprekingen van die “romans”, dus dat ga ik niet herhalen.

Wat ik vind van de onderverdeling van Dagboek van een vermoeide egoïst in de hoofdstukken Deel 1 – De halve roman, Deel 2 – De andere halve roman, en Deel 3 – De anderhalve roman mag u daarentegen best weten: goed gevonden (en aangekondigd in Zijn er kanalen in Aalst?). Beter in ieder geval dan de titels die Péter Esterházy gebruikte voor de hoofdstukken van zijn (uiteraard óók al “postmoderne”) roman Stroomafwaarts langs de Donau, waarvan u de bespreking hier vindt.

Wat Herman Brusselmans vond van z’n in Zijn er kanalen in Aalst? geuite voornemens (zie mijn boekbespreking daarover) aangaande zijn schrijversschap, blijkt ook al meteen uit de eerste bladzijde van Dagboek van een vermoeide egoïst: “De beste Vlaamse schrijver van de jaren tachtig (van déze eeuw) worden was niet zo moeilijk”. Ik kan het me niet zo meteen herinneren (de jaren tachtig liggen voor mij intussen ook al veraf), maar misschien was er gewoon niet zo heel veel concurrentie. En als die concurrentie er mogelijk was, in de vorm van Jo Claes bijvoorbeeld, dan serveert hij die af op basis van een fout in diens scenario (een telefoongesprek dat plotseling een live gesprek wordt), terwijl hij zelf ook zo’n fouten maakt (zie weerom mijn bespreking van Zijn er kanalen in Aalst?).

En wat de lezer moet vinden van het al dan niet autobiografische karakter van de werken van Brusselmans blijft ook hier duister: “Het probleem van de schrijver. Hij verwart z’n werkelijkheden met woorden en vice versa en misschien wordt hij, zoals in mijn geval, dank zij die verwarring de beste jonge Vlaamse schrijver sinds eeuwen, maar het is hoe dan ook geen lolletje, neem dat van me aan.”

Intussen zijn die “werkelijkheden” wel al helemaal degene die je ook in zijn latere werken vindt. Behalve drank en vrouwen onder andere zijn moeder. Nog niet dood, op dat moment, maar toch al een halfgod in de ogen van Brusselmans. Het lijkt wel of de lezer, in tegenstelling tot Gloria – “m’n vrouw en niet m’n verdomde psychiater” – voor de schrijver de rol speelt van “een of andere kroegkennis die even naar mijn problemen luistert voor ie over de zijne gaat beginnen te zeiken”. Met dat verschil dat Brusselmans het gezeik niet moet horen (laat staan lezen). Terwijl hij toch zélf schrijft: “Als je le fond des choses gevonden hebt, kan je nadien maar beter voor eeuwig zwijgen. Ik bedoel, hoe meer ik schrijf hoe dichter ik le fond des choses op de hielen zit en dat wordt dus een heel probleem”, want … “moet ik inderdaad niet van het schrijven leven?”

Van het schrijven en schnabbelen wellicht, wat ook blijkt uit het feit dat hij in dit boek collega-schnabbelaars als Tom Lanoye begint op te voeren, terwijl langzamerhand zijn vroegere personages naar de achtergrond beginnen te verdwijnen (zéér langzamerhand) en hijzelf als schrijverdas Leiden des jungen Autors – een steeds belangrijker rol begint te spelen. Kronenburg duikt trouwens toch nog even op, maar dan als boekhouder van de schrijver. En Eduard blijkt dan weer de voornaam te zijn van iemand die Brusselmans vooraf al een “alter ego” heeft genoemd: “De Bezopene”. “De kwestie is (…) dat ik weinig fantasie heb. Ik kom er niet toe om een verhaal uit m’n duim te zuigen”, schrijft hij ergens, maar het is uiteraard ook mogelijk dat hij juist heel véél fantasie heeft (al gebruikt hij die dan op een weinig zinnige manier).

Nah ja, Brusselmans beseft toch wel dat ie niet perfect is: “De beste schrijver van Vlaanderen, maar m’n haar splitst aan de uiteinden.” En dát probleem heb ik ook, zelfs al ben ik dan niét de beste schrijver van Vlaanderen.
Björn Roose

vrijdag 30 april 2021

Zijn er kanalen in Aalst? – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)

Zijn er kanalen in Aalst? – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)
In Zijn er kanalen in Aalst? laat Herman Brusselmans hetzelfde hoofdpersonage aan het woord en het werk als in het eerder besproken Heden ben ik nuchter: Eduard Kronenburg. Die Kronenburg, een ambtenaar op “het ministerie van A&T”, is niet meer dan een alter ego van Brusselmans, maar, zoals gezegd in de eerder genoemde bespreking: in de tijd van Heden ben ik nuchter en Zijn er kanalen in Aalst? voelde Brusselmans kennelijk nog niet zo sterk de neiging zichzelf ook zonder het masker van een alter ego in beeld te brengen.

Wat hem ook weer niet belet het over “zijn vrouw Gloria” te hebben en over de vrouwen waar hij, getrouwd zijnde, op verliefd wordt en een relatie mee aangaat. Zoals ook al gezegd in de vorige bespreking: geen personage waar ik sympathie voor kan voelen (voor z’n vrouw, die dat allemaal maar pikt, ook niet trouwens, al kan ik niet anders dan daar compassie mee hebben), toch niet meer sinds ik m’n studentenschoenen ontgroeid ben, zelfs niet ondanks het feit dat ik niet meteen een probleem heb met het feit dat het hoofdpersonage – dat z’n naam wellicht te danken heeft aan een biermerk, Kronenbourg – een regelrechte zuipschuit is en rookt als een Turk: “Hij wist wel dat hij natuurlijk inderdaad te veel rookte (zestig sigaretten) en te veel dronk (bier, wijn, martini, whisky) maar hij wilde dat blijven ontkennen, vooral voor zichzelf”.

Nah ja, het feit dat het onderwerp al in het eerste deel van dit tweeluik ging tegensteken en dat ook verder doet in het tweede deel, belet ook hier niet dat Brusselmans af en toe met een goede vondst komt: “Albert heeft een windfluit moet je weten. Toen ze jong was had Marie-Louise een paar keer gedacht dat ze zwanger was, doch het bleek slechts een opgeblazen gevoel”, bijvoorbeeld, of “(…) er werd verhuisd van Iddergem naar Gent. Het ging vlot (bijna niks brak behalve Gloria’s vader z’n pols)”.

En het belet al evenmin dat Brusselmans de loftrompet over zichzelf steekt, iets wat hij later doorheen al zijn boeken is gaan doen: “Iemand zou dit soort verhalen moeten opschrijven, dacht Eduard, de Vlaamse Literatuur heeft er meteen een Groot Kanon bij.” Of “hij [had] zich voorgenomen maar meteen de beste Vlaamse schrijver aller tijden te zullen worden. Vlaand’rens Nederige Letterkoning zou hij worden. De Mooie Jonge Oppergod.” Terwijl je toch werkelijk weet wat hij óók weet: “ik [zeik] aan haar kop over mijn angsten, mijn problemen, mijn kwalijke verliefdheid, mijn leven”. Aan “haar kop” en aan die van de lezers dus.

Verder ontmoet Kronenburg-Brusselmans wéér Brusselmans - “een tiep die Eduard ooit een paar keer ontmoet had in Iddergem, waar ze beiden hadden gewoond”, “een schrijver van nu en dan een roman” met “een schitterende vrouw die Gerdox heette”, maar verder “een gezicht dat surrealistische schilders tot model diende”, terwijl “hij zich verloren [zoop]” - en besluit hij … zélf schrijver te gaan worden, met als “een van m’n thema’s” … drank. Als het niet autobiografisch is, moet het er beslist niet méér op gaan lijken.

Björn Roose

vrijdag 16 april 2021

Heden ben ik nuchter - Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)

Heden ben ik nuchter - Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb lang getwijfeld of ik na lezing en bespreking van – in die volgorde – De Droogte, Bloemen op mijn graf, Heilige Schrik, Plotseling gebeurde er niets en Het spook van Toetegaai de bundeling Kou van jou van Herman Brusselmans in één keer zou bespreken of toch maar een apart verhaal zou wijden aan de daarin opgenomen “romans” Heden ben ik nuchter, Zijn er kanalen in Aalst?, Dagboek van een vermoeide egoïst en Vlucht voor mij. Eerlijk: ondanks het feit dat ik al gekozen heb voor bespreking van de vier betreffende “romans” apart, twijfel ik nog steeds. De spoeling zou namelijk wel eens érg dun kunnen worden.

Anderzijds: toen ik Heden ben ik nuchter opnieuw las, kon ik me weer inbeelden waarom ik Brusselmans' boeken als student in Brussel wel mocht. Een bestaan als ambtenaar leek me een verschrikking, maar dat dat bestaan zich grotendeels afspeelde in het Brussel waar ik woonde (soms zelfs in tenten die ik kende, zoals Drug Opéra) en dat het hoofdpersonage meer dan regelmatig te veel zoop (ik was ook op dát vlak een ijverige student), zullen me in het verhaal ongetwijfeld aangetrokken hebben.

Ik was me er destijds (dat weet ik wel zeker) ook niet van bewust dat Brusselmans (minstens deels) autobiografisch schreef: hij was nog niet overgegaan tot het schrijven in de ik-vorm; hoofdpersonage Eduard Kronenburg kon eender wie zijn. Wat hij – in hindsight – uiteraard niet was: op de eerste bladzijde van het boek schrijft Kronenburg al een brief naar Gloria, “mijn vrouw”, de naam die Brusselmans ook in zijn “zuivere” egotripperij aan zijn toenmalige echtgenote Gerda zou geven. Al een paar bladzijden later daagt Brusselmans overigens wel degelijk op als personage: hij ontmoet Kronenburg en Kronenburg – uiteraard óók geboren in “Hamme aan de Durme”, op 9 oktober – ziet in hem een min of meer lichtend voorbeeld. En weer een ander karakter mag zoveel bladzijden later uitschreeuwen: “Weet je wat het is met jou? HOOGHEIDSWAANZIN! Weet je op wie je lijkt? Op Herman Brusselmans! Die heeft het ook, alleen nog veel erger! Gelukkig heeft die nog een goeie vrouw! Dat heb jij niet eens!”. Gedurende een aantal bladzijden wordt het Brusselmans zelfs té machtig en vergeet hij dat hij niet in de ik-vorm aan het schrijven is: als het karakter Brusselmans het karakter Kronenburg onderbreekt, heeft de auteur Brusselmans het plotseling over “onderbrak ik hem” en “zei ik”. Dat viel me niet op toen ik begin jaren negentig het boek voor het eerst las, maar misschien was ik toen zat.

Los daarvan komt in Heden ben ik nuchter iets door dat toch echt tot grappige passages zou kunnen leiden … als het maar lang genoeg volgehouden werd (helaas was iets uitwerken toen ook al geen kenmerk van Brusselmans’ schrijverij). Dit bijvoorbeeld: “Ooit had een politieman hem op de schouder getikt terwijl hij, stomdronken, bezig was tegen z’n eigen auto te zeiken. Eduard had zich na het getik omgedraaid en z’n vuist onder de kepie geplaatst. Toen had hij het zeiken beëindigd op het uniform van de neergevallen agent. Men had Eduard hierom z’n rijbewijs ontnomen, hoewel het hele geval verdomd weinig vandoen had met rijden en het bewijzen daarvan.” Da’s dus een passage die door zijn makkelijke visualiseerbaarheid (geen idee of dat een écht woord is) een zeker gehalte aan Tom Sharpe in zich heeft (zie ook mijn bespreking van Het spook van Toetegaai). Of het bewust koppelen van dorsvlegels aan “dorpsvlegels”. Of verwijzingen naar andere schrijvers, maar dan zonder ze te noemen: “Het was weemoedigheid die ‘s avonds komt, nog lang voor men slapen gaat.”

Helaas kan die humor niet op tegen een sterk gevoel dat me bekroop bij het lezen van de “avonturen” van Kronenburg: walging. Dat gevoel had ik niet (ook daar ben ik zeker van) toen ik voor het eerst het boek las, maar da’s dan ook zo’n dertig jaar geleden. Dertig jaar waarvan ik er een tiental getrouwd geweest ben en zelfs langer (dank u, dank u …) samen ben met mijn vriendin. Dertig jaar waarvan ik een paar maanden ook redelijk “wild” geleefd heb wat vrouwen betreft. Maar ook dertig jaar waarin ik nooit ofte nooit een zielepoot genre Eduard Kronenburg ben geweest: (imaginaire) brieven naar je vrouw schrijven terwijl ze in het ziekenhuis ligt om haar (niet) te melden dat je haar bedriegt, er meerdere relaties op hetzelfde moment op nahouden … Ik kan me gewoon niet (meer?) inleven in dat soort dingen.

En die nausée wordt niet meteen getemperd als de “roman” voor de rest weeral (of beter: toen ook al) gestoffeerd wordt met angsten in alle mogelijke soorten en formaten. Nee, er zijn redenen om Heden ben ik nuchter een beter boek te noemen dan veel van wat Brusselmans later heeft geschreven, maar veel zijn het er helaas niet.

Björn Roose

dinsdag 23 maart 2021

Het spook van Toetegaai – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)

Het spook van Toetegaai – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)
Nog twee boeken van Herman Brusselmans in mijn kast na deze (ja, de uitkomst is alweer dat het boek er niet in blijft) en ik ga in alle oprechtheid blij zijn dat ik de Brusselmans-rit achter de rug heb.

Het dondert niet of Brusselmans nu korte stukjes schrijft of lange verhalen, ze laten me in essentie zo koud als het mogelijke overlijden van Marc Van Ranst (aan wat dan ook). En de kans dat dat anders ging worden met een boek dat begint (en ongeveer gelijk eindigt, overigens) met “Ik had jeuk aan mijn penis. Achter een muurtje dat daar stond ging ik krabben.” was quasi nihil.

Niet dat ik per definitie een probleem heb met hoofdpersonages die al in het eerste hoofdstuk hun lul uit hun broek halen, ik heb zelfs eens een hilarisch boek gelezen dat zo begint: Wilts alternatief (The Wilt Alternative) van Tom Sharpe. Maar Het spook van Toetegaai is niet Brusselmans’ alternatief, het is gewoon nóg eens Brusselmans. Brusselmans die meespeelt in Brusselmans’ boek (“Ik heb het nog nooit zo moeilijk gehad om m’n biografie en de werkelijkheid uit elkaar te houden”). Brusselmans die vraagt naar mensen hun naam en het zelfverzonnen antwoord dan belachelijk vindt (over de politieagenten Verhofstadt, Somers en Lode Zielens hebben we het maar niet). Brusselmans die goedkoop shockeffect nastreeft met wat racistische flauwekul of gezeik over ontploffende moslims. Brusselmans die het twee bladzijden later over fascisten heeft. Brusselmans die zoveel keer dezelfde mop herhaalt (“‘Gecondoleer.’ ‘Wat?’ ‘Gecondoleerd. Ik was de d vergeten.’”). Brusselmans die mensen ontmoet die z’n boeken niet gelezen hebben of z’n boeken maar kul vonden. Brusselmans die aan het zuipen gaat (“De drank is een zegen. Jammer dat ik in het echt niet meer drink.”). Brusselmans die over zijn geboortedorp Hamme schrijft. Brusselmans die gewelddadig wordt. Brusselmans die aangeeft op welke pagina van z’n “roman” je al zit. Brusselmans die pathetisch doet over iets (een hond deze keer, niet zijn moeder – Over die laatste heeft hij het in dit boek maar twee keer, dacht ik: “Ze leefde niet lang. De kortheid van haar leven doet al dertien jaar lang m’n haren te berge rijzen, elke keer als ik eraan denk, en dat is vaak.” De tweede keer om te zeggen dat de hond op haar schoot zit in de hemel.)

“Vraag tien willekeurige mensen of m’n boeken plat en vulgair zijn en de kans is groot dat acht op de tien zeggen: ja inderdaad, dat klopt, maar dat zijn dan acht erg domme mensen.” Wel, de boeken van Brusselmans zijn niet “plat en vulgair” (‘t is te zeggen, ze zijn dat óók), ze zijn gewoon saai, ze zijn dertien in het door hem samengestelde dozijn. Maar goed, ik ben nu eenmaal ook maar “de doorsnee jan lul” en die “heeft weinig verstand van literatuur”.

Een “doorsnee jan lul” overigens die nederig erkent dat er ook in Het spook van Toetegaai goeie vondsten zitten (niet het spook zelf overigens, want dat duikt maar een keer of vijf op en niet voor meer dan een zin, behalve dan op pagina 256-257, waar het toch een hele paragraaf mag meespelen – ja, ik heb het bijgehouden). Anderhalve bladzijde filmtitels opsommen om te besluiten met “Ik had die films al gezien”, bijvoorbeeld. Of “Daar was, Yolanda met de koffie. Wat staat die komma daar te doen?”

Het interessantste aan het boek vond ik nog de passage waarin ene professor Van Elslander Brusselmans vraagt in het kort het karakter van Mariken van Nieumeghen te schetsen: “Mariken is een leuk meisje met sproetjes en een wipneus. Ze is voor geen gat te vangen. Als het jeukt, dan krabt ze. Echt slim is ze niet, maar haar dom noemen zou ik niet doen. Ze weet de huik naar de wind te hangen. Haar licht onder de korenmaat verbergen doet ze zelden.” Maar ik vond die passage uiteraard alleen maar interessant omdat ik een week voor ik ze las een dagje in Nijmegen had doorgebracht en daar m’n eigen kennismaking met Mariken hernieuwd had. Een van die toevalligheden in een leven dat onderhand zo onder controle staat van de staat dat de toevalligheden er wel steeds meer beginnen uit te verdwijnen. Net zoals ook dit boek van Brusselmans dus – ik kan dat ook, aan het einde herhalen wat ik aan het begin al gezegd heb – richting zolder verdwijnt.

Als u per se wil weten hoe het afloopt met Kwantum, “een pijnlijk realistische en hilarische novelle van Vlaanderens beroemdste schrijver”, tevens een “exclusieve uitgave voor ECI – 40 jaar”, en Kou van jou (de bundeling van Heden ben ik nuchter, Zijn er kanalen in Aalst?, Dagboek van een vermoeide egoïst en Vlucht voor mij), blijf dan vooral mijn boekbesprekingen lezen. Anders natuurlijk óók.

Björn Roose

donderdag 11 februari 2021

Plotseling gebeurde er niets – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)

Plotseling gebeurde er niets – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)
Goed, terug over naar Herman Brusselmans. Na bespreking van diens De droogte, Bloemen op mijn graf, en Heilige Schrik, nu meteen maar drie boeken ineens. Niet om er rap van af te zijn (het grote werk gaat sowieso in het lezen kruipen), maar omdat Plotseling gebeurde er niets een trilogie omvat: in zevenhonderd bladzijden krijg je Ex-schrijver, Ex-minnaar en Ex-drummer voor je neus. Ik heb er even aan gedacht die alle drie apart te bespreken, maar dan word ik gewoon ex-boekenbespreker, denk ik. 

Om het maar meteen over de inhoud te hebben: die kan met de op de achterflap afgedrukte commentaar van het Utrechts Nieuwsblad op één deel ervan, Ex-schrijver, samengevat worden: het gaat “over angst, drank, vrouwen, schrijven en de dood: waar zou een boek van Brusselmans anders over moeten gaan?” Wel, over iets ánders misschien? Dat zou al eens mogen toch? Zelfs al blijven er toch wel pareltjes opduiken in dat volautomatische geschrijf van hem, genre “Het onweer ging even abrupt als het was begonnen gewoon door”, “De Meeuw wreef zodanig lang in z’n ogen dat ik vreesde dat hij z’n knokkels om zeep ging helpen, want hij had een staalharde blik.”, of “hij spande de kip, want zelfs z’n pistool was van het verwijfde type”. 

Los van de “angst, drank, vrouwen, schrijven en de dood” heeft Brusselmans het overigens ook weer over zijn jeugd in Hamme (inclusief veehandel, voetbal, kermis, moeder …) en het al dan niet met de zin van de eigenaar ontlenen van andermans auto of motorfiets, begint hij al aan het ene verhaal terwijl hij nog met het andere bezig is (Ex-drummer in Ex-minnaar), of gaat hij voor makkelijk shockeren. Door het over fietsen stelende negers te hebben bijvoorbeeld, iets wat de goegemeente zelfs als het van een fictieschrijver komt makkelijk aan het steigeren brengt; of over het in mekaar slaan van “Vlaams Blokkers” – blinde dan nog – en hun cafés, waar hij diezelfde goegemeente dan wellicht weer een plezier mee doet; of over joden, homo’s, politici en andere easy targets. Af en toe lijkt hij ook z’n échte ik binnen te brengen in de verhalen. Lijkt, zeg ik wel, want ‘t is niet omdat je het hebt over jezelf als schrijver bezig met het schrijven van een verhaal over een ex-schrijver dat eerstgenoemde schrijver werkelijk overeenkomt met jezelf als schrijver. Enfin, u begrijpt wel wat ik bedoel. 

Nah ja, Brusselmans zegt het zelf in Ex-schrijver: “(…) zij schreeuwt tegen mij: ‘Jouw romans hebben geen verhaal, dreinen maar door en door, zonder begin en zonder eind, en er gebeurt nooit iets wat de moeite waard is!’ Ze heeft het over mijn romans, maar ook over haar eigen leven. Sommige mensen worden hysterisch van wat ik heb geschreven. Omdat ik heb geschreven wat waar is: nooit gebeurt er iets wat de moeite waard is, behalve misschien de troost.” Dat kan, maar los van het feit dat ik niet hysterisch ga doen over Brusselmans’ boeken, heb ik toch de neiging mij af te vragen of ik over dat niets dan ook nog boeken wil lezen. 

Intussen zou Brusselmans misschien eens die “trilogie van lange gedichten moeten kunnen schrijven”, waarover hij het heeft in Ex-minnaar. Los van het feit dat die dan klaarblijkelijk zouden gaan over – weeral – zijn dode moeder, Gloria (gemodelleerd naar een zijner exen) en Phoebe (gemodelleerd naar, intussen ook al, een zijner exen), wat niet echt veelbelovend is. Als daar echter minstens een paar gedichten in zouden staan zoals Vader, opgenomen in datzelfde Ex-minnaar, dan wil ik die trilogie nog wel eens lezen. Vader is immers een bloedmooi gedicht. Wat dus niet kan gezegd worden van ook maar een van de verhalen in de – volgens de achterflap – “inmiddels klassieke trilogie”, ook al wint Ex-drummer het dan van de andere twee wegens het feit dat het hoofdpersonage voor de verandering eens niet meelijwekkend is (wat dan helaas weer niet kan gezegd worden van het grootste deel van de overige personages), en zijn lief een andere naam heeft dan gewoonlijk (Lio) en ook al niet triestig is uitgevallen. 

“Ik droomde” schrijft hij op het einde van dat boek, “Dat ik de beste schrijver van de wereld was. En de beste minnaar. En de beste drummer.” en wellicht is Herman Brusselmans, zoals Rob Schouten op een van de reclamebladzijden geciteerd wordt, “de opvallendste camp-schrijver in de Nederlandstalige literatuur”, maar ook Ex-drummer is niet van aard om dit Plotseling gebeurde er niets niet naar de zolder te verbannen. Daar kan het dan verder verblijven in afwachting van een of andere boekenverkoop. Wie weet zijn de “varianten” van corona op tegen 2050 en geraak ik nog van dat papier af voor ik dood ben van ouderdom ...

Björn Roose

vrijdag 4 december 2020

Heilige Schrik (Herman Brusselmans)

Björn Roose bespreekt - Heilige schrik (Herman Brusselmans)
Ik publiceerde de jongste maanden al twee keer eerder een bespreking van een van Brusselmans’ boeken: De droogte en Bloemen op mijn graf. Zoals toen aangekondigd, ligt het in de bedoeling op korte termijn álle in mijn boekenkast aanwezige werken van Brusselmans te lezen om aldus te kunnen beslissen of ik ze ook allemaal kan afvoeren richting zolder (waar ze vervolgens rustig een eventuele verkoop kunnen afwachten). Met Heilige schrik ben ik dus aan het derde boek van Brusselmans op zeer korte termijn toe en eerlijk gezegd: ik was er niet rouwig om dat het uit was.

Dat zegt eigenlijk voldoende, me dunkt, maar laat ik daar meteen aan toe voegen dat Heilige schrik, zoals het grootste deel van Bloemen op mijn graf, een verzameling columns is en dat ik zelfs na Bloemen op mijn graf al een overdosis van die columns binnen had. Ik heb nooit dat gevoel gehad met boeken van klassieke stukjes-schrijvers als Carmiggelt, Bomans, Durnez of Verbeeck (om er maar een paar te noemen), maar Brusselmans lezen gaat na verloop van tijd niet alleen vervelen maar ook ergeren.

Meteen ook de reden waarom ik na de eerste twee boeken overgeschakeld ben op het niet meer rink aaneen lezen van z’n boeken, maar het beperken van de lezing daarvan tot mijn wandelingetjes. Wetende dat die wandelingetjes gezien de tijd van het jaar steeds meer in de duisternis (en soms zelfs in de regen) plaatsvinden, is het tempo waarin ik Brusselmans gewrochten lees dus enigszins afgenomen, maar dus nog niet genoeg om de opkomende verveling te verdrijven.

Jeezes … Misschien kan je de overjaarse pubers die Humo lezen nog bezig houden met “Vanavond ga ik trouwens Véronique De Kock eens beffen”, maar ik heb intussen wel zoiets van: “Doe dat en schrijf een column minder.” En ja, misschien was een Brief aan J.P. Van Rossem in zijn cel grappig op het moment dat die in zijn cel zat, maar aan eeuwigheidswaarde heeft zo’n stuk werkelijk niks. En telkens weer – zelfs in zoverre dat ik er ook al telkens weer op terugkom – dat gezanik over zijn moeder. En dan die écriture automatique … Die kan dan wel nuttig zijn als je iedere week je stukkie moet leveren, maar wat is de zin van het opnemen van zo’n teksten in een bloemlezing?

Enfin, als u mijn vorige twee Brusselmans-besprekingen gelezen heeft, weet u ook al wel zo’n beetje wat mijn punten van kritiek op de teksten van Brusselmans zijn. Net zoals u uit die vorige besprekingen (en uit vele andere van mijn hand) heeft kunnen afleiden dat ik zelden geheel en al negatief ben over een boek. Dat is ook zo met Heilige schrik. Stukjes als Het meisje van de uitroeptekens, Vrouw met kanker, Lever je hamer in, Waaraan wil je dat ik denk?, De losers der liefde, Kind, Het muurtje, Op meisjeskamers, Bericht aan onze vrouwen, Lullige kerst, Hoger plan, De lens, Zomaar een man, of De man uit de schaduwen steken boven de rest uit, maar wat zijn 14 goeie teksten op een totaal van zo’n 240? Hoogstens een mogelijk bewijs dat dit geen bloemlezing is.

En ja, ook in deze – laat het ons dan maar zo noemen – verzameling zitten hier en daar citerenswaardige passages. Deze bijvoorbeeld, uit Mijn grootmoeder had geen gemakkelijk leven: “Agent Batavus nam eerst een toastje met bain mousse, vervolgens zijn notitieboekje, ten slotte een besluit en nadien geen enkel risico (…)”. Of deze uit Geheime andijvie: “Ja, het zit zo, mijn schoonvader, Antoine van de Keere, is een befaamd duivenmelker en die heeft glazen laten maken met daarop de afbeelding van zijn prijsduif Filou, die de eerste prijs haalde in zulke diverse vluchten als naar Barcelona (en uiteraard weer terug), Rambouillet (idem), Mallorca (idem) en op een keer zelfs per ongeluk naar de Waddeneilanden (niet idem), waarna we van Filou nooit meer iets vernomen hebben.” Of deze uit Leve België: “Desondanks kreeg ik op mijn vraag me daar een uitleg van een Spaanse ober waar geen eind aan kwam (zeker één meter tweeënnegentig was die klootzak) (…)”. Of, ten slotte, deze uit De depressie: “Zonder nog langer op haar borsten te letten liep ik naar de lift. Daar stond een man op krukken te wachten, doch niemand bracht hem die voorlopig.”

En ja, de gimmick met de titels is ook goed gevonden. Je tekst als titel De tongzoener meegeven en het dan de hele tekst over iets totaal anders hebben, maar die eindigen met: “Of wacht ‘ns, er is naast schrijven toch nog iets anders wat ik heel goed kan. Tongzoenen.” Of, nog verregaander, je tekst voorzien van de titel Stoffig dat het hier is en dan pas in de allerlaatste zin afkomen met “Nu ga ik het stof afdoen.”

Maar bij het grootste deel van het boek heb je toch de neiging het eens te zijn met de woorden waarmee Brusselmans In deel 3 komt alles weer goed eindigt: “(…) en als ik dan op den duur toch die kloterige rotzin van drie kutwoorden op papier krijg, dan heb ik de indruk dat hij totaal overbodig is en nergens wat mee te maken heeft. Hoe moet dat aflopen?”

Het antwoord op die vraag luidt: met het, zoals verwacht, verplaatsen van dit boek van boekenkast naar zolder.

Björn Roose

donderdag 22 oktober 2020

Bloemen op mijn graf (Herman Brusselmans)

Björn Roose bespreekt - Bloemen op mijn graf (Herman Brusselmans)
Zoals vermeld in mijn vorige boekbespreking – die van De droogte van dezelfde auteur – ben ik de in mijn boekenkasten aanwezige boeken van Herman Brusselmans aan het lezen omdat ik daarin enige plaats wil ruimen en al zo’n vermoeden had dat de werken van Brusselmans voor mij persoonlijk de tand des tijds niet zouden doorstaan hebben. Bij deze dus een tweede bespreking van een boek van Brusselmans, Bloemen op mijn graf.

De achterflap van deze bundel geeft aanleiding te denken dat ik dit boek wél in mijn collectie zou willen houden: “Hoe het ook zij, altijd maar dat schrijven resulteert weleens in iets, niet slechts in mijn talloze beroemde romans, maar net zo goed in gedichten, toneelstukken, verhalen, farçen, nog meer farçen, columns, essays, studies, letterkundige pareltjes en dergelijke meer. Uit al deze categorieën heb ik voor Bloemen op mijn graf een zeer strenge selectie gemaakt. Om u een idee te geven hoe streng: sinds 1991 heb ik negenhonderdvierenzestig gedichten geschreven. Slechts elf ervan overleefden de selectie en haalden op het nippertje deze bundeling. Even meedogenloos ging ik door met op kwalitatieve basis te wieden in het aanbod, en wat overbleef bestaat uit een aantal legendarische afleveringen van mijn VPRO- en HUMO-columns; mijn toneelstuk ‘tv-loos’; een stelletje beproefde podiumverhalen; het voetbalepos ‘Het team der wezen’; polemieken à volonté en meer van dat fraais, alles onder het motto: te veel om op te noemen.”

Dat laatste zou echter een waarschuwing moeten zijn: als “een zeer strenge selectie” nog steeds leidt tot “te veel om op te noemen”, is die selectie niet streng genoeg geweest. Ondanks het feit dat deze bundel gepubliceerd werd in 1998 en dus “maar” 16 jaar van de carrière van Brusselmans omvat (en geen langere werken), had zo ongeveer drie vierde van dit boek mogen geschrapt worden als “legendarisch” of “fraais”. Column nummer elvendertig over hoe graag de auteur zijn (dode) moeder wel ziet, over zijn weltschermz, over het beffen van die en het tietjes-likken van die, mogen dan wel een plaats hebben in een “carrière-overzicht” van Brusselmans, maar tot zijn hoogtepunten kunnen ze toch niet gerekend worden.

Bij het niét rijp voor schrapping zijnde vierde zit desalniettemin een en ander dat het vermelden waard is. “Het voetbalepos ‘Het team der wezen’”, bijvoorbeeld, ook al omdat het wel eens leuk is de gemeente vermeld te zien waarin je zelf woont (of de omliggende gemeenten, zoals in Kerststallen in Vlaanderen). Brusselmans is immers een Hammenaar en Moerzeke, mijn dorp, is een deelgemeente van Hamme.

Of passages zoals deze in In welke kleur wil je de taxi?: “‘Prachtige auto,’ zei ze onderweg, ‘en dat interieur! Bijna geheel in notenhout!’ ‘Ja,’ zei ik, ‘de Zweedse eik was op.’” Of “We rolden van elkaar af en hijgden, als mensen die net van elkaar zijn afgerold.”

Of deze uit zijn “zeer strenge selectie” van elf gedichten: “Ik belde het meisje op / ‘Schat,’ zei ik tegen haar, / ‘ik heb mijn stem terug’ / ‘Ik geloof je niet,’ zei zij, / en ze verbrak / het gesprek / Sindsdien praten wij niet meer / met elkaar” (Stom als een steen). Of “Enfin, we praten een beetje over literatuur / Dan stapt Lanoye naar Wevelgem, en ik naar Luik / Voor beiden nog een lange trip, voor beiden nog een menig uur / We kijken nog eenmaal om en wuiven naar elkaar / En denken: ‘De Grootste Vlaamse Schrijver, die loopt daar’ / Het is Lanoye die gelijk had met die gedachte / Wat mijn tocht naar Luik zeer verzachtte” (Luik-Bastenaken-Luik, de wielerklassieker).

Of, uit Stemmen uit een machine, “Ik onderbrak mijn gedachtegangen; kleedde mij aan; droogde mij af en stapte van onder de douche, zij het niet per se in die volgorde.” Of, uit Snoepie: “Ik wens dit met zekerheid te betwijfelen.” Of, uit Wil ik een kind?: “hij zal het gerechtelijk apparaat zodanig omvormen dat niemand meer durft te moorden, te verkrachten, te folteren, te stelen, in openbare gebouwen te roken”.

Allemaal leuke trouvailles (zeer tongue in cheek ook) en af en toe zit er ook wel een volledig stuk in dat mooi, ontroerend, of hilarisch is. In die laatste categorie bijvoorbeeld Gekke koeien, in de tweede Mijn lief leeghoofd, in de eerste Echte man, al moet je bij Brusselmans nooit vergeten dat een stevige portie zelfrelativering op de achtergrond aanwezig is. Dat zie je waar hij in de ene column een niet expliciet genoemde verwijzing naar een andere maakt en die andere volkomen tegenspreekt; dat zie je uiteraard ook soms binnen één column. Bijvoorbeeld in In het teken van de hoop: “Geen reet valt er te beleven. En nooit ontmoet je ‘ns iemand die wat te vertellen heeft waar je van opkijkt. Als ik al ‘ns iets wil horen wat de moeite waard is, lees ik mezelf hardop passages voor uit m’n eigen boeken. Hardop, om niet in slaap te vallen bij die bullshit.”

Maar die sprankjes maken het gezaag niet goed, het (gemaakt?) depressieve, het overdreven absurde, het nihilisme. Zelfs al kan ik uitzonderlijk een toneelstuk als TV-Loos wel degelijk smaken, een boek moet geen opeenstapeling van dat soort dingen worden.

Soit, ik ga dus ook dít boek niet bewaren. Maar Herman Brusselmans zal me daardoor niet beschouwen als een niet-lezer zijner werken. Zo lees ik immers in Mijn lezers heten Ignaas noch Marilou: “Men dient er bij dit alles rekening mee te houden dat al mijn lezers voorheen niet-lezers waren. Ik kan hen dit vergeven. Mijn niet-lezers vergeven dat ze voorheen lezers waren, dat hoeft niet: niet-lezers zijn altijd niet-lezers geweest. Wie leest zal later nooit niét hebben gelezen, vooral in mijn geval. Dit wil niet zeggen dat sommigen van mijn lezers lezers blijven, met andere woorden: er zijn er die op een bepaald moment afhaken en bijvoorbeeld, na het lezen van mijn antiboek Ex-schrijver (1991) hebben gezworen: ‘Dit is de druppel die de emmer doet overlopen. Ik lees nóóit meer een boek van Brusselmans.’ Hoewel ik hen veracht, blijf ik hen toch als lezers beschouwen in plaats van hen te gaan indelen bij de omineuze categorie der niet-lezers.”

Hoe dan ook, ik ben nog geen ex-lezer of niet-niet-lezer van Brusselmans, want ik heb nog wel een paar van zijn boeken op de plank staan. Afwachten maar of die, zoals de bloemen op zijn graf, verwelkt zijn.

Björn Roose

dinsdag 20 oktober 2020

De droogte (Herman Brusselmans)

Björn Roose bespreekt - De droogte (Herman Brusselmans)
Jaren terug, zo’n dertig intussen, had ik Brusselmans vrij hoog zitten. Ik was achttien, zat in Brussel op kot, en Brusselmans had nog maar een vijftal boeken geschreven. In een, uiteraard nooit gepubliceerd, kortverhaal imiteerde ik ‘s mans stijl, maar ik verwees ook rechtstreeks naar hem met de vermelding dat hij eindelijk wel eens mocht stoppen met mekkeren over zijn dooie moeder.

Wat me dan weer niet belette om, toen ik boeken begon te verzamelen, ook nu en dan iets van hem te kopen. In die mate dat zijn werken door de jaren heen toch een vijfentwintigtal centimeter plaats in mijn boekenkasten zijn gaan innemen. Hetgeen de reden was om er recent (weer) eens aan te beginnen. De boeken stapelen zich namelijk sinds enige jaren behalve verticaal ook horizontaal op in mijn kasten en ik probeer daar een einde aan te maken. Nog méér boekenkasten installeren in mijn appartement is nauwelijks haalbaar, dus probeer ik af te voeren wat ik na lezing niet de moeite waard acht om te blijven.

Tijd dus om de proef op de som te nemen: wat laat de tijd voor mij nog heel van het voorliggende De droogte? Van Bloemen op mijn graf? Van Plotseling gebeurde er niets (de trilogie Ex-schrijver, Ex-minnaar, Ex-drummer), Kwantum, Kou van jou (de bundeling van Heden ben ik nuchter, Zijn er kanalen in Aalst?, Dagboek van een vermoeide egoïst en Vlucht voor mij), Heilige Schrik, en Het spook van Toetegaai? Kan ik de fysieke plaats die die boeken innemen, in de toekomst nuttiger aanwenden?

Het antwoord lijkt na het lezen van De droogte en Bloemen op mijn graf alvast “ja” te zijn. Ik ben op dit moment ook nog bezig aan Heilige Schrik, maar heb na de eerste twee besloten Brusselmans verder tussendoor te lezen. De mechaniekjes, zijn écriture automatique, zijn gebef, zijn van het ene café naar het andere trekken, zijn vaste techniek om een melancholische stemming op te roepen, … ze worden allemaal té opvallend als je het ene stukje na het andere, de ene roman na de andere, gaat lezen en het gaat allemaal heel snel vervelen. Wetende dat Brusselmans een rasechte broodschrijver is, dat wekelijks “stukjes” moeten leveren zonder twijfel niet evident is, begrijp ik het gebruik van de automatische piloot voor die vaste opdrachten wel, maar dat begrip draagt niet bij aan de houdbaarheid van de bundels. En al helemaal niet aan de houdbaarheid van romans als De droogte.

In zo’n roman zou je toch kunnen proberen af te wijken van de voor de stukjes gehanteerde “standaard”, maar dat doet Brusselmans in De droogte dus absoluut niet. Het is niet dat er niets gebeurt, in tegendeel, maar het lijkt er haast op (misschien ís het gewoon zo) dat Brusselmans de verveling nastreeft. Hij doet dat mits herhalingen, oneindige herhalingen. Van naar cafés gaan, de weg vragen, geld proberen af te troggelen van de een of de ander, het hoofdpersonage dat zaagt tegen zijn moeder, het hoofdpersonage dat beft of wil beffen, het hoofdpersonage dat mensen ziet vermoord worden, het hoofdpersonage dat zelfs als het in actie komt in essentie het lijdend voorwerp is. En dat niet voor honderd bladzijden of zo, maar meer dan driehonderd bladzijden lang.

Wat niet wil zeggen dat er tussen alle overbodige onzin door niks zit dat het lezen waard is. Dit bijvoorbeeld: “Vuurwapens zullen alleen uitgedeeld of verkocht worden aan militairen, politiepersoneel en mensen van goede wil die de wereld willen redden en daarbij niet kijken op een lijk meer of minder. Waar gehakt wordt vallen spaanders en omeletten bestaan nu eenmaal uit gebroken eieren. De revolutie zal nooit bestaan zonder contrarevolutie. Het is een vraag die eenieder van ons zich minstens één keer per week zou moeten stellen, kijkend in de spiegel: ben ik een potentieel revolutionair of een mogelijk contrarevolutionair? Met andere woorden: ben ik een klootzak of een smeerlap?” Of dit: “Snel schakelde ik over naar een andere zender, waar er iets was over kindermishandeling. Er was een jongen die zei dat hij als kind mishandeld was door z’n moeder, z’n vader, z’n oom, z’n tante, de buurman, de pastoor, de hulp in het huishouden, de andere buur, de koster, de fruitboer, de tuinman, de badmeester en de boekhouder. Een kind dat een boekhouder heeft? Daar moet ik niks van weten, en dus zapte ik snel naar nog een andere zender.” Of, ten slotte, deze passage, waarin de schrijver even binnenstapt in het verhaal: “Een fris glas bier in een gezellig café zou me niet verkeerd vallen. Ik kroop op de Honda en reed naar die kroeg die ik kende van vroeger en die De Middenstreep heette. Of nee, dat kan niet, ik had de Honda verkocht. Dan maar te voet. Ja, De Middenstreep was prima te belopen.”

Maar omwille van die paar passages dit boek op de plank houden? Nee, ik denk het niet. Exit, De droogte, vijf centimeter gewonnen in mijn boekenkasten.

Björn Roose