Posts tonen met het label Sven Van Dorst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sven Van Dorst. Alle posts tonen

vrijdag 24 oktober 2025

Bloemenvaas met vanitassymbolen – Sven Van Dorst (boekbespreking door Björn Roose)

Bloemenvaas met vanitassymbolen – Sven Van Dorst (boekbespreking door Björn Roose)
“Voorwoorden schrijven is een onderschat ambacht”, schrijft Katharina Van Cauteren in haar – inderdaad – Voorwoord bij dit nummer XXXIV (vierendertig, voor wie wat minder thuis is in Romeinse cijfers) in de reeks Phoebus Focus, Bloemenvaas met vanitassymbolen. “Neem de edities van Phoebus Focusvan de hand van bloemenspecialist Sven Van Dorst. Dat is nu al de derde keer dat uw dienares een lofrede moet schrijven op een zeventiende-eeuwse bloempot.”

Volledig, of minstens ten dele grappend bedoeld, maar eerder in deze serie verschenen inderdaad ook al Bloemenvaas met varkensbrood en edelstenen (nummer XXVIII) en Bloemenvaas met rozen, narcissen en tulpen (nummer VI) van dezelfde auteur (die overigens ook meewerkte aan het nummer I, Sint-Lukas schildert de Madonna, en nummer XIX, Studie van een jonge vrouw), al waren dié ‘bloempotten’ dan het werk van respectievelijk Jan I Brueghel en Daniël Seghers en niet, zoals voorliggende – of beter: voorstaande – van Jan Davidsz. De Heem. En wie dié boeken gelezen heeft, zal niet volledig, maar wel ten dele de inhoud van Bloemenvaas met vanitassymbolen herkennen, want niet alleen ‘bloempotten’ zijn een dada van Van Dorst, dat geldt duidelijk ook voor de technische kant van zijn werk als “hoofd van het restauratieatelier van The Phoebus Foundation”. “Met eindeloos oog voor detail en inzicht in zowel eeuwenoude als gloednieuwe technieken, combineert hij materiaaltechnische analyses met kunsthistorische benaderingen”, klinkt het bij Van Cauteren; “Met (…) macro-X-straalfluorescentie (MA-XRF”)” of “infrarood-reflectografie (IRR)” klinkt het bij Van Dorst. Zonder te beweren dat het een gedoodverfd onderwerp van Van Dorst is, stel ik toch vast dat doodverven een van zijn favoriete onderwerpen is. En dat geldt eveneens voor boekwerken over plantkunde, de tulpenmanie (het historisch fenomeen, niet een of ander nu nog opduikend ziektebeeld), en nog een paar andere ook in dit nummer XXXIV terugkerende zaken.

Niet minder interessant als je er nog niet eerder over gelezen hebt, daar niet van, en voor wie niet de hele serie tot zich zou genomen hebben is dit boekje (amper tachtig bladzijden en, zoals gewoonlijk bij Phoebus Focus, stampvol met afbeeldingen) net dáárom ook op zichzelf te lezen, maar voor een – zeg maar – abonnee van de serie heeft Bloemenvaas met vanitassymbolendaarom net wat minder waarde.

Blijven echter ook voor die ‘abonnee’ interessant: de biografische gegevens van de in Utrecht geboren “Johannes van Antwerpen” ofte Jan Davidsz. De Heem, die later in zijn leven de reis van zijn vader omgekeerd zou maken (terug naar Antwerpen), nog later terug naar Utrecht zou verhuizen, en weer een paar later nog eens terug naar Antwerpen, waar “de intussen beroemde schilder zijn laatste jaren door[bracht]”. Ook interessant, al is het maar omdat je in een museum zelden of nooit lang aandacht besteedt aan bloemenstillevens, de ‘inboedelbeschrijving’ van de ‘bloempot’ in kwestie. De bloemen, de beestjes, de aangelanden (waaronder oesters, een pijp, een smeulend touw, en een mandarijntje)… Van Dorst gaat niet echt in op de kwestie of die aangelanden vanitassymbolen zijn, maar ze waren zeker wel extra manieren waarop De Heem zijn kunde kon laten zien aan potentiële kopers. “De pijp en de oesters waren ten tijde van dit schilderij symbolen van vermaak en genot”, schrijft Van Dorst, “die de toeschouwer bewust moesten maken van de vergankelijkheid van het leven”, maar dat lijkt me een beetje een long shot. Als er ook nog nen verslensten dahlia in het boeket had gezeten, dan had ik iets gehad van ‘Okee, zou kunnen.’, maar iedere bloem in de Bloemenvaas bloeit en het vuur in het touw en de pijp roepen in die samenhang ook nauwelijks een beeld van “vergankelijkheid” op. Dat doet eerder het genre zelf: Jan I Brueghel, hoofdpersoon in deel achtentwintig en ook nu weer enige aandacht waard, Daniël Seghers, hoofdpersoon in deel zes en dito, Jan Philips Van Thielen, Osias I Beert, Cornelis De Heem (zoon van Jan Davidsz.), Anna Maria Janssens, en een hele serie andere – veelal mindere – goden heeft het genre van de bloemenschilderijen groot gemaakt, maar wie zou tegenwoordig nog een euro uitgeven aan zo’n ‘bloempot’? Da’s geen waardeoordeel – laat ons wel wezen: als we alles op de vuilnisbelt zouden gooien waar nu niemand meer een euro zou aan uitgeven, dan zouden we precies alles dat verdient gered te worden van de vuilnisbelt aan de vernieling prijsgeven -, maar louter een vaststelling dat uiteindelijk ook de afbeelding van schoonheid ijdelheid is.

Björn Roose

dinsdag 17 december 2024

Bloemenvaas met varkensbrood en edelstenen – Sven Van Dorst (boekbespreking door Björn Roose)

Bloemenvaas met varkensbrood en edelstenen – Sven Van Dorst (boekbespreking door Björn Roose)

Niet álle boeken in mijn bibliotheek die kunst tot onderwerp hebben, zijn uitgegeven door The Phoebus Foundation, maar intussen zijn dat er toch al een kleine dertig: Bloemenvaas met varkensbrood en edelstenen, ondertitel Een geschilderd juweel van Jan I Brueghel (1568-1625), is immers nummer XXVIII in de serie Phoebus Focus en ook alle voorgaande delen heb ik besproken. Door de band genomen een paar jaar nadat ze uitgegeven werden (één uitzondering daar gelaten, maar die kreeg ik dan ook niet in handen als bijlage bij OKV-magazine), maar uit de feiten valt af te leiden dat er intussen ook meer interesse is voor die boekjes of dat ze op een kleinere oplage zijn uitgegeven: Bloemenvaas met varkensbrood en edelstenen is namelijk, net zoals de zes voorgaande nummers, al aan een tweede druk toe, en tweede drukken zijn in de kunstwereld nu niet meteen schering en inslag.

Dat gezegd zijnde: de blijvende interesse voor deze serie, weliswaar mee georganiseerd door Openbaar Kunstbezit Vlaanderen, is ten volle verdiend. Af en toe is er eens een nummer bij met nogal veel witruimte of nogal veel herhalingen van dezelfde afbeelding (of delen daarvan), maar bijvoorbeeld dít nummer – na Sint-Lukas schildert de Madonna (samen met Niels Schalley), Bloemenvaas met rozen, narcissen en tulpen (ja, hij lijkt zijn voorkeuren te hebben), en Studie van een jonge vrouw (samen met Katrijn Van Bragt) al zijn vierde werkje in de serie overigens – mag er weer ten zeerste wezen. Goed, witruimte is er wel, maar van de zesendertig illustraties zijn er tweeëntwintig die niet het in de titel genoemde schilderij tot onderwerp hebben en dus de lezer/kijker een bredere (sorry, een beter woord heb ik er niet voor) kijk op dat onderwerp geven, een onderwerp waarover Van Dorst hoe dan ook veel meer weet te vertellen dan ík er over zou kunnen vertellen. Wat dat “varkensbrood” is, bijvoorbeeld (mijn vriendin noemde in de week nadat ik dit boekje gelezen had spontaan dat woord en het bleek inderdaad te slaan op wat er ook in dit schilderij mee aangeduid wordt), maar ook hoe Jan I Brueghel paste en niet paste in de familietraditie (hij leerde zijn illustere vader, Pieter I Brueghel, overigens alleen kennen via zijn werk, want die stierf toen hij pas een jaar oud was), waarom ik deze zomer in Praag beeldhouwwerk van ene Adriaen de Vries aantrof (“Rudolf II” is het antwoord), wie Roelant Savery was (en dat hij niet alleen maar de intussen al lang uitgestorven dodo schilderde), hoe de schilder aan het schilderen van blommekees begon, waarom hij ook aangeduid werd als Fluwelen Brueghel, hoe hij er in slaagde – vierhonderd jaar geleden dan nog, dus ruim voor snijbloemen in reusachtige koelkasten van de ene kant van de wereld naar de andere werden getransporteerd – een schijnbaar vers boeket van zesendertig verschillende soorten bloemen te schilderen voor het zelfs maar aan verwelken begon te denken, met welk werk Mechelaar Rembert Dodoens zich kort daarvoor had beziggehouden, hoe de inspanningen van de schilder kaderden in zowel de wetenschap als de religie, en hoe groot de technische trukendoos van Brueghel wel was, om slechts een aantal van de door de schrijver aangesneden onderwerpen te noemen.

Een werk dat uiteraard, naar goede traditie bij The Phoebus Foundation, ook ingeleid werd door Katharina Van Cauteren, “Stafchef van de Kanselarij van The Phoebus Foundation en gedelegeerd bestuurder van The Phoebus Foundation Stichting van Openbaar Nut” (zoals het in kleine lettertjes maar toch niet geheel bescheiden onder haar Voorwoord luidt), die onder andere weet te vertellen: “Zijn schilderij moet een merveille zijn geweest, of op zijn Italiaans un meraviglio: iets om je van verwondering bijna scheel op te kijken. Dat kwam uiteraard door de onovertroffen penseelstreken van de Fluwelen Brueghel. Maar meer nog omdat dit boeket aangeeft hoe het in het Aards Paradijs moet zijn geweest. Tot wanneer Eva de appel plukte en Adam beet, bestonden er nog geen seizoenen, en dus groeide en bloeide alles, altijd en overal. Als de getemde en geplukte pracht in deze vaas een afspiegeling is van de wilde schoonheid van het Paradijs, moet alleen al de kleurenpracht daar bedwelmend zijn geweest. Diep – en peperduur – lapis lazuli blauw, karmijnrood, oranje en geel schitteren in diepe edelsteentinten. Logisch: dit boeket presenteert de juwelen van de natuur.” Voor een deel werd het zelfs geschilderd mét edelstenen uit de natuur, zo blijkt, maar hoe dat zit, laat ik u aan de hand van Sven Van Dorst graag zelf ontdekken.

Björn Roose

dinsdag 28 februari 2023

Studie van een jonge vrouw – Een bijzondere blik in het atelier van Michaelina Wautier (1604-1689) – Katrijn Van Bragt & Sven Van Dorst (boekbespreking door Björn Roose)

Studie van een jonge vrouw – Een bijzondere blik in het atelier van Michaelina Wautier (1604-1689) – Katrijn Van Bragt & Sven Van Dorst (boekbespreking door Björn Roose)
Alweer het negentiende deel uit de Phoebus Focus-serie. Het risico dat ik in herhaling ga vallen bij het bespreken van Studie van een jonge vrouw - Een bijzondere blik in het atelier van Michaelina Wautier (1604-1689) is dus bijzonder groot. Maar omdat risico’s vermijden niet mijn ding is, ga ik me daar niks van aantrekken en het meteen gewoon doén: zoals alle vorige edities, die ik – op twee na – allemaal gratis ontving bij telkens weer een nieuwe editie van OKV-magazine (het blad van Openbaar Kunstbezit Vlaanderen), is dit een prachtig vormgegeven boekje, volgestampt met beeldmateriaal, voorzien van een tekst die je op maximum een tweetal uur gelezen hebt.

Glanzend papier, honderdenvier bladzijden dik, uitgegeven door de Kanselarij van de Phoebus Foundation vzw te 2020 Antwerpen. Zevenenveertig afbeeldingen, waarvan veertien van het in de titel genoemde schilderij Studie van een jonge vrouw. Onder die veertien afbeeldingen één van het volledige schilderij, zeven van een “detail” (bijvoorbeeld het hele gezicht), één van een stempel op het kader, één van het schilderij terwijl het half ontdaan was van vernis, één van een vingerafdruk in de verf (eigenlijk ook een detail dus), en drie röntgenfoto’s, ‘t is te zeggen twee MA-XRF-scans en en een X-ray. Kan wat overdreven lijken, maar als het ook in de tekst over een bepaald aspect van het schilderij gaat, is nóg eens een foto van een “detail” op een nabije bladzijde wel gewoonweg handiger dan terugbladeren naar de bladzijde waarop het geheel stond. En… de ondertitel is ook wat beeldmateriaal betreft niet gelogen: van de drieëndertig resterende afbeeldingen zijn er nog vijftien van andere schilderijen van Michaelina Wautier. Misschien zelfs zestien: “Wautiers manier van schilderen [sluit] sterk aan(…) bij die van twee vooraanstaande mannelijke collega’s, onder wie haar tijd- en stadsgenoot Michael Sweerts (1618-1664), die ook portretten en historietaferelen vervaardigde in opdracht van Brusselse notabelen. Ook keek Michaelina Wautier buiten haar directe omgeving om inspiratie op te doen: de knaapjes op haar genretaferelen doen erg denken aan de kinderportretten van de Brugse caravaggist Jacob Van Oost (1603-1671). Studie van een jonge vrouw werd niet voor niets een paar jaar geleden aan hem toegeschreven; Van Oosts identiteit en oeuvre zijn tot op vandaag veel beter gekend dan die van Wautier. Door die overeenkomsten is het vaak moeilijk om tot een overtuigende toeschrijving aan Wautier, Sweerts of Van Oost te komen. Het treffende Studie van een jong meisje bijvoorbeeld, eveneens in de collectie van The Phoebus Foundation, leunt dicht aan bij de stijl van Wautier, maar ook bij die van Sweerts en Van Oost, waardoor het voorlopig toegeschreven wordt aan een ‘onbekende meester’”. En een foto van die studie is dus te vinden op pagina 40 en 41.

Waarmee we meteen ook bij de tekst terecht gekomen zijn en de auteurs ervan. Sven Van Dorst kijkt “vanuit materiaal-technisch oogpunt (…) over de schouder van de kunstenares en onder de verflagen”, schrijft Katharina Van Cauteren, “Stafchef van de Kanselarij van The Phoebus Foundation” in haar gebruikelijke Voorwoord, en was eerder in deze serie ook al co-auteur van Sint-Lukas schildert de Madonna – Het verhaal van een bijzonder motief en enige auteur van Bloemenvaas met rozen, narcissen en tulpen – Daniël Seghers (1590-1661) en fictie als realiteit. Zijn co-auteur voor deze Studie van een jonge vrouw, Katrijn Van Bragt, “beheerde”, dixit de achterflap, “als assistent-conservator de collectie in het Rubenshuis en coördineerde (…) de eerste monografische tentoonstelling over Michaelina Wautier. Sinds 2019 is Katrijn werkzaam als collectieconsultant bij The Phoebus Foundation en coördineerde ze onder meer de tentoonstellingen PiKANT! Vijf eeuwen cultuurgeschiedenis uitgekleed (2019) en BLIND DATE. Portretten met blikken en blozen (2020)”. Twee auteurs die dus behoorlijk beslagen ten ijs komen, net zoals hun onderwerp: “(…) een getalenteerde vrouw in de door mannen gedomineerde kunstwereld! Een vrouw met ballen, als voorgangster van de sterke dames van vandaag! Het is absoluut de verdienste dat er vanaf de late twintigste eeuw eindelijk oog komt voor boeiende schilders (m/v) die niet meteen grote artistieke invloed hadden, maar wel brood op de plank brachten.” Was Michaelina Wautier dan als vrouw in dat wereldje zó uitzonderlijk? Nee, aldus Katharina Van Cauteren, “Het uitzonderlijke schuilt in het feit dat we haar naam kennen – en haar gezicht”.

Én een aantal van haar schilderijen, zou ik daar aan toevoegen, want dat ze geen amateur was, is wel duidelijk: het in het boek opgenomen Zelfportret, de Triomf van Bacchus, het Portret van de jezuïet Martino Martini, haar versie van Elk zijn meug, het Portret van een bevelhebber in het Spaanse leger, Het mystieke huwelijk van de heilige Catharina, Buste van een heilige, en De heilige Johannes de Evangelist lijken me van een minstens even hoog niveau als de Studie van een jonge vrouw, maar die zijn natuurlijk op Elk zijn meug en Buste van een heilige na niét in het bezit van The Phoebus Foundation. En dat voor een schilder die niet eens opgenomen was in het schildersambacht van de stad waar ze woonde, Brussel. Net zoals andere vrouwelijke schilders: “Omdat ze waarschijnlijk actief waren in het atelier van hun vaders of broers [in het geval van Wautier in dat van haar broer Charles, noot van mij] en/of niet voor de kunstmarkt schilderden, was hun inschrijving in het ambacht niet verplicht.” Wat Wautier misschien niet eens erg zal gevonden hebben: “In de vroegmoderne tijd”, aldus Katrijn Van Bragt, “draaide alles rond orde en evenwicht, ook de familiale rolverdeling. In een gezin was de man verantwoordelijk als kostwinner, terwijl zijn echtgenote zich om de huiselijke taken bekommerde. Deze classificatie lijkt in onze eenentwintigste-eeuwse perceptie misschien genderonvriendelijk, maar man en vrouw konden zich prima in hun rol vinden. Ze vulden elkaar immers perfect aan.”

En verder? Wat is er verder zoal te lezen in deze editie van Phoebus Focus? Zo’n beetje de gebruikelijke dingen. Info over de kunstenaar en haar familie (Markante Michaelina en Wautiers atelier: ruimte voor experiment), zijn klanten (Lieveling van de elite en Van atelier naar kunstmarkt), de rest van zijn oeuvre (Reconstructie van een veelzijdig oeuvre en Andere studiekoppen), de stijl en de verwanten binnen die stijl (Gevarieerde stijl), de geschiedenis van het werk waarop gefocust wordt (Facelift en Master at work), en de technische “achterkant” van het schilderij (daar komt Sven Van Dorst aan het woord). Die laatste betreft in dit geval de ontdekking van een portret ónder het portret. Iets wat tot voor kort nooit zou gekund hebben, maar met de moderne, niet-intrusieve middelen wél kan: “Waarom Michaelina Wautier het portret overschilderde is niet duidelijk. Werd de opdracht vroegtijdig stopgezet? Was de kunstenares niet tevreden met het resultaat? Of schilderde ze zichzelf bij wijze van vingeroefening? Zeker is dat ze het doek hergebruikte: ze draaide het om en bracht er een tronie op aan. Deze spaarzame praktijk was niet uitzonderlijk. Ook andere meesters recupereerden hun dragers en overschilderden hun eigen werk. Wautier heeft nooit kunnen vermoeden dat dit ‘geheim’ bijna vier eeuwen later zou worden blootgelegd”.

En dan zijn er natuurlijk ook – weerom zoals gebruikelijk – de zijsprongetjes die van een gefocust verhaal een breder verhaal maken: De canon: een selectief clubje over de vertekening van de kunstgeschiedenis; Brusselse beloften over het gegeven dat Antwerpen destijds dan wel “als belangrijkste artistieke centrum van de Zuidelijke Nederlanden gold (...) [,maar dat] er ook in Brussel veel vraag naar kunst [was]” vanwege “edellieden en rijke ambachtslui die hun kunstkamers maar al te graag met pronkobjecten vulden”; Vlijtige vrouwen over andere vrouwelijke schilders en met naam bekende vrouwen die meer dan hun steentje bijdroegen bij de werkzaamheden van hun mannen; over het al eerder genoemde thema Elk zijn meug (onder andere ook terug te vinden bij Godfried Schalcken); over modellen die niet graag uren stilzitten en de wellicht ook door Michaelina Wautier aangewende oplossing daarvoor (Ledenpop als ersatz); over Röntgenfotografie (X-Ray); en Macro-X-straalfluorescentie (MA-XRF); en, ten slotte, (in ‘Tronien naer het leven’) over datgene wat mij nog telkens in het oog springt en dat bij u wellicht ook gedaan heeft in het citaat hierboven: het woord “tronie”. In onze tijden alleen maar, zoals Onze Taal aangeeft, “in negatieve zin gebruikt voor ‘lelijk gezicht’ of ‘onvriendelijk gezicht’”, maar oorspronkelijk neutraal als woord en in de schilderkunst niets anders betekenend dan “portret”. Maar doorgaans wel een portret voor veelvuldig gebruik in andere werken: “Voor grootschalige composities bereidde de vroegmoderne kunstenaar zich steeds goed voor. Om de personages zo levensecht mogelijk weer te geven maakten meesters vaak studies – met krijt op papier maar ook met olieverf – van het hoofd van een levend model om die later in de compositie te kunnen verwerken. Deze ‘hoofdstudies’ worden ook wel ‘tronies’ genoemd”. En ze waren verre van allemaal lelijk. Getuige daarvan mag deze Studie van een jonge vrouw zijn.

Björn Roose

vrijdag 19 maart 2021

Bloemenvaas met rozen, narcissen en tulpen – Daniël Seghers (1590-1661) en fictie als realiteit – Sven Van Dorst (boekbespreking door Björn Roose)

Bloemenvaas met rozen, narcissen en tulpen – Daniël Seghers (1590-1661) en fictie als realiteit – Sven Van Dorst (boekbespreking door Björn Roose)
Er komt ooit wel eens een dag waarop ik alle boeken in de Phoebus Focus-reeks zal besproken hebben, zou ik zeggen, maar daar ben ik niet zeker van. Ten eerste weet ik in alle eerlijkheid niet of The Phoebus Foundation op dit moment nog niéuwe boeken in die serie publiceert en ten tweede weet ik uiteraard niet hoe lang ik nog te leven heb (corona, hè, als ik “experten” en regeringen moet geloven, kan ik als gezonde 48’er morgen dood zijn; maar ik kan natuurlijk ook, zoals in normale tijden, onder een bus terechtkomen, kanker krijgen of van een dak vallen). Maar voor het zover is, zal ik in ieder geval de bespreking gepubliceerd hebben van Reynaert De Vos – Een kleine geschiedenis van het middeleeuwse dierenepos, Portret van een jonge vrouw – Minzame dames op hun mooist in de zeventiende eeuw, Sint-Lukas schildert de Madonna – Het verhaal van een bijzonder motief, Keukenstilleven met Christus in het huis van Marta en Maria – Een showstuk van Frans Ykens (1601-1693), De allegorie van de zeven vrije kunsten – De verbeelding van Maerten de Vos, Het meermonster van Tagua Tagua – Monstermanie en hofintriges in de achttiende eeuw en nu dit Bloemenvaas met rozen, narcissen en tulpen – Daniël Seghers (1590-1661) en fictie als realiteit van Sven Van Dorst. Bij het schrijven van deze boekbespreking ben ik overigens mijn achterstand van een tweetal maanden weer aan het inhalen en kan ik u melden dat het volgende boekje van The Phoebus Foundation alweer in de bus gevallen is. Zo blijf ik bezig, natuurlijk.

Enfin, ook Sven Van Dorst, op het moment van het verschijnen van dit boekje (2018) leider van het restauratieatelier van diezelfde The Phoebus Foundation, heeft weer een lezenswaardige (én kijkenswaardige) bijdrage geleverd aan de serie. Gezien het feit dat hij tijdens zijn studie aan de Universiteit van Cambridge twee jaar onderzoek gedaan heeft naar Daniël Seghers, schepper van het schilderij in kwestie, mag dat niet verbazend heten, maar het is niet iedereen gegeven ook leesbaar te schrijven en dat is Van Dorst dus wel gelukt. Net zoals het Katharina Van Cauteren weerom gelukt is een voorwoord te schrijven dat aanzet tot verder lezen: “In de zeventiende eeuw moet Daniël Seghers een soort jezuïtische popster zijn geweest. Hij werkte samen met Peter Paul Rubens, Cornelis Schut, Gonzales Coques en Erasmus II Quellinus. De hoogste adel stond in de rij als het erover ging een werk van Seghers te verwerven: stadhouder Willem II, Christina van Zweden, de Franse koningin Maria de’ Medici en de Engelse koning Karel I – allemaal hadden ze een bloemstuk van Seghers aan de muur. Aartshertog Leopold Willem van Oostenrijk en de Engelse koning Karel II brachten de kunstenaar een bezoek, en van Amalia van Solms kreeg hij een gouden schilderspalet cadeau. De grote dichter Constantijn Huyghens zong Seghers’ lof en schreef dat je de bloemen op zijn schilderijen haast kunt ruiken.” Als introductie kan zo’n potje namedropping zeker tellen, maar de tijd verslindt duidelijk niet alleen de steden: “De vorstelijke collecties veranderden in musea. En die wisten maar al te vaak geen blijf met de stukken van Seghers. De ooit zo bezongen bloemstillevens en floraal omrande heiligencartouches verdwenen in donkere hoekjes van vergeten zalen of, beter nog, in de depots. Veilig opgeborgen wegens mooi, maar slaapverwekkend saai.”

En dan komt The Phoebus Foundation in beeld: “Bij The Phoebus Foundation geloven we niet in saaie kunst. Ieder object heeft een verhaal, een reden waarom het eruit ziet zoals het eruit ziet. Waarom koos een kunstenaar (of zijn opdrachtgever) voor dit specifieke thema? Waarom werkte hij heel meticuleus en gedetailleerd – of net breedvoerig en spaarzaam met de verf? Hoe verhouden een onderwerp en een schilderstijl zich tot sociale, economische, religeuze en historische omstandigheden?” Allemaal vragen die, van hun algemeenheid teruggebracht naar de specificiteit van Bloemenvaas met rozen, narcissen en tulpen, beantwoord worden door Sven Van Dorst, die er – per slot van rekening gespecialiseerd zijnde in restauraties – ook nog een zeer interessant technisch luik aan toevoegt. Als je weet dat het schilderij als ondergrond een … koperplaat heeft en dat de bloemen “na vierhonderd jaar (…) nog steeds [bloeien], hun kleuren fris en fel, alsof de schilder zijn penseel net heeft neergelegd”, dan is alleen al dat technisch luik de moeite van het lezen waard natuurlijk.

Maar eerst krijgen we een herintroductie van de schilder – “tot de grootmeesters van de barok (…) gerekend, al is zijn naam bij het grote publiek amper nog bekend” en bijna z’n hele leven in het Antwerpse Professenhuis van de Jezuïeten wonend – en een korte uitleg over de orde waartoe hij net niet behoorde. Een net niet behoren tot – hij bleef altijd lekenbroeder, “waardoor hij de nodige tijd en vrijheid had voor zijn schilderwerk” – dat ook een verklaring vormt voor het feit dat Seghers zich zijn hele carrière lang zou bezig houden met wat dan “het bloemstilleven” heet: “Iedere bloem en elke vlindervleugel getuigt op een haast animistische wijze van het goddelijke mysterie. (…) [De] ruikers [ontsnappen] aan de seizoenen en evoceren (…) de eeuwigdurende lente van het aards paradijs (…) [maar] tegelijk zijn sommige bloemen op deze taferelen onverbiddelijk over hun hoogtepunt heen (…) [en] herinneren [zo] de toeschouwer aan zijn sterfelijkheid.”

We krijgen eveneens een algemenere introductie tot het genre: de voorgangers van Seghers (waaronder Jan Brueghel de Oude), “de botanische kennis die in de stad verzameld was én haar reputatie op artistiek gebied” (met een aparte uitleg over het Cruydt-boek van Mechelaar Rembert Dodoens), de concurrentie (onder andere Frans Snyders en Jan Fyt), en de (latere) volgers (Gaspar Peeter Verbruggen de Jonge, Willem van Aelst, Rachel Ruysch, Jan van Huijsum), en zelfs de tulpenmanie (de eerste beursbubbel ooit, ontploft in 1637).

En dan die koperplaat waarop Seghers schilderde. Die liet hem toe “te werk [te] gaan met een nog grotere zin voor detail dan anders”, maar was ook geen toeval. “Reeds aan het einde van de zestiende eeuw schilderden kunstenaars in de Nederlanden op koper. Dit viel samen met Antwerpens centrale rol in de koperhandel.” Op die koperplaat werd een lichtgrijze grondlaag geschilderd en na nog enige technische trucjes – “om de hechting tussen het gladde metaal en de verf te bevorderen” – kwam dan … het doodverven. Voor wie zich dus altijd, of toch wel eens, heeft afgevraagd hoe we aan een term als “gedoodverfd” gekomen zijn, dit is ‘m: “Haar morbide naam dankt deze ‘onderschildering’ aan het ziekelijke uitzicht van portretten of figuren die in bruin- of grijstinten werden gedoodverfd.” Wat Seghers’ gebruik van de techniek betreft: “Seghers bepaalde de compositie van zijn bloemenvaas door de grootste bloemen aan te duiden met monochrome, felgekleurde abstracte vormen. Terwijl de verf nog nat was, werd ook de donkere kleur van de achtergrond ingeschilderd. De grens tussen de monochrome vormen en de achtergrond werd met een kwast vager gemaakt om scherpe overgangen te vermijden”.

De techniek tonen, is natuurlijk duidelijker dan hem beschrijven, maar dan moet u dus dit boekje aankopen. Voor wie niet geabonneerd is op OKV-magazine (bij elke editie zit een van de boekjes), kan dat in het Snijders&Rockoxhuis en de Keizerskapel in – uiteraard – Antwerpen. Voor die paar euro heeft u dan niet alleen de volledige uitleg in handen, maar ook schitterende illustraties die onder andere de verschillende fases van het totstandkomen van het besproken schilderij laten zien. Doen!

Björn Roose

zaterdag 21 maart 2020

Sint-Lukas schildert de Madonna – Het verhaal van een bijzonder motief (Niels Schalley & Sven Van Dorst)

Björn Roose bespreekt - Sint-Lukas schildert de Madonna (Niels Schalley & Sven Van Dorst)
Wat doet een mens zoal in zijn eerste week “lockdown”? Boekbesprekingen schrijven, zou het antwoord kunnen zijn, maar dat is het dus niet. Voor mij werd die eerste week vooral gevuld met werk (voor de firma dan, die, in kennelijke tegenstelling tot vele andere, eigenlijk vrij goed voorbereid was op de uiteindelijke verplichting om zoveel mogelijk van thuis uit te werken) en met mijn tuin. Die laatste heeft er in al de jaren dat ik hier woon (en dat zijn er inmiddels toch bijna tien) nog nooit zo goed bij gelegen en dat is voor een niet onaanzienlijk deel te wijten aan het feit dat supermarkten wel mogen openblijven omdat ze zogezegd “essentiële” zaken verkopen, maar intussen ook een hoop “niet-essentiële”. Dankzij dat feit heb ik een hele week rustig verder potgrond, boomschors en planten kunnen kopen, terwijl de tuincentra allemaal dicht waren …

Soit, over naar wat in een boekbespreking essentieel is: het bespreken van een boek. In dit geval een klein werkje (zo’n 55 bladzijden, all in) van de heren Niels Schalley en Sven Van Dorst in opdracht van de Phoebus Foundation: Sint-Lukas schildert de Madonna – Het verhaal van een bijzonder motief. Meteen ook het eerste boekje in de Phoebus Focus-reeks, zoals Katharina Van Cauteren in haar voorwoord schrijft.

Intussen zijn in die serie al een hele hoop boekjes verschenen (onder andere Reynaert De Vos – Een kleine geschiedenis van het middeleeuwse dierenepos, ook al van Schalley, hier besproken), maar door een recente samenwerking tussen Openbaar Kunstbezit Vlaanderen en de stichting van Fernand Huts gaat ieder exemplaar van OKV-magazine nu vergezeld van een van de boekjes van de Phoebus Foundation. De prijs van een jaarabonnement is iets omhoog gegaan – zoals de meeste prijzen, nietwaar ? –, maar dit extraatje is daar zeker een mooie compensatie voor.

En Schalley, projectcoördinator bij de Phoebus Foundation en voornamelijk gespecialiseerd in het – dixit de achterflap – “iconologisch onderzoek van de kunstgeschiedenis van de Lage Landen in de late middeleeuwen en de vroege renaissance” en Van Dorst, leider van het restauratieatelier van (wat had u gedacht?) de Phoebus Foundation en daarmee verantwoordelijk voor de restauratie van het schilderij dat de kern vormt van dit boekje, weten interessant en leesbaar genoeg te schrijven om van dit boekje een short read te maken. Niet omdat het aantal bladzijden aan de definitie daarvan beantwoordt (al gaat meer dan de helft van de 55 op aan illustraties), maar omdat je het in één keer uit kan lezen (zonder het nachtje door te moeten doen of lam geslagen te zijn met allerlei terminologie).

Het schilderij dat aanleiding gaf tot dit boek is er een met het vaker geschilderde thema “Sint-Lukas schildert de Madonna”, maar in tegenstelling tot andere schilderijen met hetzelfde thema hangt er geen “klinkende kunstenaarsnaam” aan, dixit Katharina Van Cauteren. Niet eens een naam zelfs: “Verder dan vage termen als ‘anoniem’, ‘Antwerps’, ‘vroege zestiende eeuw’ raken we niet meer”. Zelfs de naam van de opdrachtgever, nochtans vereeuwigd (als monnik) in het triptiek, is onbekend gebleven (of geworden). Dat geeft echter niet: er valt bijzonder veel te vertellen over dit schilderij en andere schilderijen met hetzelfde thema.

Passeren onder andere de revue: het ontstaan van het genre, het bijna gelijknamige werk van Vlaamse “primitief” Rogier van der Weyden (Sint-Lukas tekent de Madonna), het gelijknamige werk van Colijn de Coter, de Sint-Lukasgildes en hun kapellen, Andachtsbilder, de Beeldenstorm, het memento mori (want er staat er een op de buitenkant van het triptiek, al is dat dan van een latere datum dan de binnenkant), houtmerken (lumbermarks), en de restauratie door Van Dorst en (zoals ook met onder andere het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck gebeurde) een aantal (niet altijd even deskundige) voorgangers. Voor wie nog een reden zocht om zich te abonneren op OKV-magazine (een magazine dat ik kunstliefhebbers sowieso kan aanraden): de boekjes van de Phoebus Foundation zullen er zeker een goede vormen.

Björn Roose