zaterdag 5 september 2020

De allegorie van de zeven vrije kunsten – De verbeelding van Maerten de Vos (Hildegard Van de Velde)

Björn Roose bespreekt - De allegorie van de zeven vrije kunsten (Hildegard Van de Velde)
Ik heb al eerder boeken verschenen in de Phoebus Focus-serie besproken (hier, hier, hier, en hier) en dat zal nog wel vaker gebeuren gezien er, dankzij de samenwerking tussen die stichting en OKV-magazine om de paar maanden zo’n boekje in mijn bus valt. Maar ze zijn ook telkens het lezen waard, wat ook geldt voor De allegorie van de zeven vrije kunsten – De verbeelding van Maerten de Vos.

Auteur Hildegard Van de Velde, conservator van het Snijders-Rockoxhuis in Antwerpen, kent haar onderwerp duidelijk en heeft er, zoals gebruikelijk in deze serie, leesbaar over geschreven. Wat in het geval van het schilderij dat het onderwerp van dit boekje vormt “een verschil” maakt, aldus vaste inleider Katharina Van Cauteren, stafchef van de kanselarij van The Phoebus Foundation, want Maerten de Vos mag dan wel “een van de belangrijkste kunstenaars uit het zestiende-eeuwse Antwerpen” geweest zijn, maar “het tafereel [was] tot nu toe amper bekend en (…) nauwelijks onderzocht”. Door dat te doen wordt “wat in wezen niets meer is dan verf op een houten plank (…) plots een verhaal”: “de plank krijgt een meerwaarde – niet vertaald in euro’s of dollars, maar in inzicht in het verleden, in ons erfgoed, in onze cultuur. En van daaruit: in wie we vandaag zijn – als individu, als regio, als land.” Wie mijn besprekingen van de Phoebus Focus-boekjes wel vaker leest, zal weten dat ik telkens weer uit de inleiding van Katharina Van Cauteren citeer: de reden daarvoor is heel eenvoudig dat ik het met haar eens kan zijn en er niet de noodzaak toe voel dat anders te formuleren.

Nu, over een schilderij vertellen zonder dat u dat schilderij voor zich heeft, heeft weinig zin. De prachtige illustraties in deze reeks verhelpen daar aan, maar die heb ik uiteraard niet ter beschikking voor mijn bespreking. Ik zal me wat het onderwerp van het schilderij betreft dan ook beperken tot wat Hildegard Van de Velde daarover schrijft op pagina 16 van het boekje (samen een grote zestig bladzijden): “De zeven vrije kunsten hebben hun wortels in de klassieke oudheid. Het woord artes (meervoud van ars of ‘kunst’) in de Latijnse benaming septem artes liberales verwijst niet, zoals je misschien zou verwachten, naar kunst in de zin van beeldhouwkunst of schilderkunst. Wel gaat het om disciplines die we vandaag eerder beschouwen als ‘wetenschappen’. Het adjectief liberales of ‘vrij’ refereert aan ‘wat een vrij man betaamt’. Een zichzelf respecterend, vrij man hoorde opgeleid te zijn in deze ‘kunsten’. De zeven disciplines zijn onderverdeeld in het trivium (ruw gezegd: ‘de taalvakken’) en het quadrivium (‘de rekenvakken’). Het trivium bestaat uit drie disciplines: grammatica of taalkunde, dialectica of logica, en rhetorica of welsprekendheid. Daarnaast is er het quadrivium waartoe arithmetica of rekenkunde, geometria of meetkunde, musica of harmonieleer en astrologia of kosmologie behoren.” En deze zeven vrije kunsten worden voorgesteld als jonge dames met de nodige attributen.

Dat die jonge dames in het schilderij niét worden gegroepeerd in een trivium en een quadrivium is één van de onderwerpen van het werkje. Net zoals de klederdracht van de dames, de manier waarop de dames vanuit de oudheid naar de middeleeuwen reisden, Erasmus, de zeven vrije kunsten bij andere kunstenaars, de twee versies van het onderwerp door Maerten de Vos, het maniërisme, en de inspiratiebronnen van de schilder. Ook de zeven dames met hun respectieve attributen komen in een korte beschrijving (telkens met het betreffende detail uit het schilderij) aan bod, evenals de drie mannen die tussen hen mogen verblijven en uiteraard de schilder zelf. Die schilder was, zoals eerder vermeld, in het Antwerpse actief, en om daar actief te blijven bereid af en toe wat water in zijn wijn te doen. Met een citaat daarover beëindig ik graag deze bespreking: “De Vos staat in 1584 als lutheraan bekend, maar bekeert zich na de Val van Antwerpen in 1585 minstens pro forma terug tot het katholicisme. Er moest nu eenmaal brood op de plank. In de Spaanse Nederlanden van de contrareformatie is de juiste religieuze gezindheid daarbij een must.” Zoals tegenwoordig het buigen van de knie voor de “juiste” aardse afgoden, zeker?

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !