Posts tonen met het label Edgar Hilsenrath. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Edgar Hilsenrath. Alle posts tonen

vrijdag 22 augustus 2025

De nazi en de kapper – Edgar Hilsenrath (boekbespreking door Björn Roose)

De nazi en de kapper – Edgar Hilsenrath (boekbespreking door Björn Roose)
Het is kennelijk al meer dan twee jaar geleden dat ik Het sprookje van de laatste gedachte van Edgar Hilsenrath las en vervolgens besprak, maar aan wat ik toen dacht over dat boek is nadien niets meer veranderd: “Af en toe, en ik geef toe dat het me vroeger vaker overkwam dan de jongste jaren, betreur ik het ten zeerste dat ik aan het einde van een boek gekomen ben. Met non-fictie is dat nooit het geval – die is soms wel interessant, maar je blijft er niet aan vast zitten -, maar met een zucht een roman dichtdoen en bij jezelf denken dat er helaas te weinig tijd is om hem meteen nog eens te lezen, is het mooiste wat een lezer met een boek kan meemaken. En met Het sprookje van de laatste gedachte van Edgar Hilsenrath was het wat dat betreft net zozeer raak als met dat andere sprookjesachtige boek dat ik in augustus vorig jaar las, De tranengoochelaars van Lázló Darvasi.”

Mijn verwachtingen van voorliggend De nazi en de kapper waren dan ook, ondanks de net iets minder betoverende titel, hooggespannen, en ik kan niet zeggen dat ik in die verwachtingen echt teleurgesteld ben. De nazi en de kapper is een heel ander boek dan Het sprookje van de laatste gedachte, niét toverachtig, maar wel even schitterend in mekaar zittend, even origineel qua verhaal, en onvergetelijk als dat sprookje. En dat voor een boek dat in essentie gebouwd is rond een niet bijzonder origineel gegeven: de grote verwisseltruc die in de stripserie I.R.$., album twee, aangeduid werd als De Hagen-strategie, werd immers ook in werkelijkheid verschillende keren toegepast, zij het allicht nooit zo effectief als in De nazi en de kapper (op den duur moet het hoofdpersonage alle moeite van de wereld doen om een rechter, niet zomaar Wolfgang Richter geheten, te overtuigen dat hij wel degelijk de verwisseltruc heeft toegepast). Een verwisseltruc die er op neerkomt dat de dader zich laat doorgaan voor het slachtoffer. In de context van De nazi en de kapper een lid van de SS-Totenkopfverbände die in de vernietigingskampen (en daarbuiten) massa’s joden om zeep heeft geholpen voor een jood die die vernietigingskampen heeft overleefd. Maar ook een gezworen vriend die zich laat doorgaan voor een gezworen vriend. Max Schulz die Itzig Finkelstein wordt. Max Schulz, aangenomen zoon van de kapper Anton Slavitski, die de echte zoon van de kapper Chaim Finkelstein wordt. De ene kapper (in spe) die de andere kapper (in spe) wordt.

De nazi en de kapper is dus geen juxtapositie, de nazi ís ook een kapper, de kapper ís ook een nazi, alleen wás er voor de grote verwisseltruc ook nog een andere kapper. Een joodse kapper, zou je kunnen zeggen, maar dan laat zich, en dat meteen al van bij de eerste zin, de vraag stellen of de latere nazi óók niet een joodse kapper was: “Ik ben Max Schulz, buitenechtelijke, maar echt zuiver arische zoon van Minna Schulz, op het moment van mijn geboorte dienstmeisje in het gezin van de joodse handelaar in pelterijen [zijnde bont, noot van mij] Abramowitsj.” Een vraag waarop zeker geen sluitend antwoord komt als daarna het verhaal komt van de vijf mogelijke, ongetwijfeld zeer arische, vaders, én, vooral, blijkt dat onze “echt zuiver arische” Max Schulz er ook als volwassene uitziet als de absolute karikatuur van een jood.

Een gegeven dat de verwisseltruc natuurlijk sterk vergemakkelijkt, maar ook de eerste aanzet is tot datgene waar heel dit boek uiteindelijk om draait: Max Schulz verandert voor de buitenwereld dan wel van ‘kant’, maar hij hoeft daar uiterlijk (behalve enig gedoe met tatoeages) niks voor te doen (omdat heus niet alleen de nationaal-socialisten mensen beoordeelden op basis van dat uiterlijk), en – en daar zit het hem – innerlijk óók niet. Schulz is en blijft een meeloper en een keer hij besloten heeft met een kant mee te lopen (iets wat hij per slot van rekening ook gedaan heeft toen hij zogenaamd nationaal-socialist werd), loopt hij zo hard mee dat hij de meeste mensen inhaalt, iets wat hem uiteindelijk, via een door hem zelf georganiseerd ‘Ga terug naar start’, van een joodse ‘nazi’ tot een ‘nazistische’ jood maakt, twee gegevens waar geen haarbreedte verschil tussen zit. “Aan de telefoon de opgewonden stem van mijn vrouw: ‘Dokter, het is gebeurd! Mijn man. Een hartinfarkt! Na het middageten! - Wat? Wat zegt u? Hart-transplantatie? U hebt drie Arabieren in voorraad? En twee toeristen? Een Engelsman en een Duitser? Vijf harten ter beschikking? Een ogenblik. Ik moet het mijn man vragen. Ja, hij kan nog fluisteren.’ ‘Geen sprake van, dokter. Ik heb mijn man gevraagd. Hij wil geen Arabisch hart. Ook geen Engels. En zeker geen Duits. Mijn man wil een Joods hart!’”. Heinrich Böll, van wie ik in de voorbije jaren Huizen zonder vaders, De nalatenschap, Meningen van een clown, Groepsfoto met dame, en Biljarten om half tien besprak, zou – volgens Wikipedia – over Edgar Hilsenraths werk gezegd hebben dat het “melancholieke, stille poëzie” was, maar dan wel een “melancholieke, stille poëzie” voor het lezen waarvan hij regelmatig een “drempel van walging” moest overwinnen, waar Hilsenrath dan weer tegenover zou gezet hebben dat zijn werk “niet voor gevoelige lezers” was. Daar zit wat in als je “gevoelige lezers” definieert als politiek-correcte lezers, ‘politiek-correct’ als in: joden zijn massaal het slachtoffer geweest van nationaal-socialistisch Duitsland en zijn ten gevolge daarvan permanent verheven tot de moral highground, tot een soort van morele Übermenschen, Übermenschen die voor eeuwig, altijd en overal een beroep kunnen doen op hun slachtofferschap om eender welke (re)actie van hunnentwege te verantwoorden. Desgevraagd zal iedereen die zo ‘denkt’ – en er zijn zonder veel inspanningen massa’s van dat soort mensen te vinden, ook (misschien zelfs vooral) onder gojim (“De nieuwe geest van de tijd is filosemitisch. Een griezelig spook met natte ogen, die eens zullen opdrogen.”) - dat ontkennen, maar vervolgens zullen ze (ook ongevraagd) theorieën uit de doeken beginnen te doen die die ‘denkwijze’ voor de volle honderd procent illustreren.

Iets wat Edgar Hilsenrath (overleden in 2018) niét deed omdat hij simpelweg niet zo dacht. Om het nog eens met Wikipedia te zeggen: “‘De Joden in de (sic) getto’, zo was zijn observatie, ‘waren in elke vezel net zo imperfect als mensen elders in de wereld’”. De joden buiten het getto dus ongetwijfeld ook. Max Schulz alias Itzig Finkelstein (welke hij van de twee is, betwijfelt hij tot het einde van dit bijna tweehonderdzestig bladzijden dikke, in 1978 bij De kern in Bussum uitgegeven boek), hoofdpersoon en verteller (een verteller die zich geregeld rechtstreeks tot de lezer wendt) in “het groteske Der Nazi & der Friseur” is daar het perfecte voorbeeld van.

Klinkt filosofisch? Is het ook. Klinkt zwaar? Is het niet. Een van de dingen die De nazi en de kapper gemeen heeft met Het sprookje van de laatste gedachte is de verbazingwekkende lichtvoetigheid (Wikipedia heeft het over “een bijna achteloos laconieke toon”) waarmee Hilsenrath zijn onderwerp te lijf gaat, terwijl hij ook al hoofdstukken van tevoren kruimeltjes laat vallen die aangeven niet waar hij vandaan komt, maar waar hij heengaat: “Mijn vriend Itzig Finkelstein bleek dankbaar. Aangezien wij op dezelfde school zaten, zelfs in dezelfde klas en in dezelfde bank, liet Itzig mij natuurlijk van hem afkijken, hielp me bij mijn huiswerk, oefende hoofd-rekenen met mij, legde me uit, waarom je na een punt met een hoofdletter begint: omdat de punt geen komma is, maar een punt, en de punt betekent een afsluiting, die het einde aangeeft, en wie na het einde opnieuw wil beginnen, kan maar beter meteen heel groot beginnen, want wie wil er nu klein beginnen?” Een flard tekst die korte tijd later gevolgd wordt door de “mare” dat de Führer komt spreken op… de Olijfberg, en weer een stuk later door het antwoord op de vraag wat Schulz gedaan heeft in Polen: “Wat ik gedaan heb… in Polen… in de winter? Wilt u dat weten? Ik heb me verveeld. Er gebeurde daar niets. Althans niet in onze sector. Wij moesten een paar dorpen bewaken… en een paar kerkhoven… en ook bossen… ja, die ook… en een straatweg… in de buurt van de nieuwe Russische grens of daar niet ver vandaan. Er gebeurde daar niets. Partizanen heb ik daar niet gezien. Althans niet in onze sector. En de Poolse leiders waren al lang geliquideerd… door SS-kameraden, die eerder dan wij waren ingezet… geliquideerd, zeg ik… net als andere elementen, die vijandig stonden tegenover Duitsers en het Rijk… ik bedoel, in onze sector, in de buurt van de nieuwe Russische grens of daar niet ver vandaan. Het was een rustige sector. Onze sector. Er gebeurde niets. Uit verveling schoten wij de ijspegels uit de bomen, ruimden soms ook een paar Joden op, omdat wij niets beters te doen hadden… ruimden ze op… in het bos of op een begraafplaats. Alles alleen maar vingeroefeningen.”

Wikipedia heeft het dan over “veelvuldig gebruikmakend van zwarte humor”, wat bovenstaande ongetwijfeld wel zal zijn, net als, pakweg, het volgende waarmee het Tweede deel, dat zich na de Tweede Wereldoorlog afspeelt, begint: “Mevrouw Holle [Frau Holle dus in het Duits, ongetwijfeld geen toevallige keuze van Hilsenrath, die verderop ook expliciet naar dié Frau Holle verwijst, noot van mij] had twee benen: een arisch en een niet-arisch. Het niet-arische was van hout, werd overdag aangegespt en laat op de avond, voor het naar bed gaan afgedaan.” Of dit, in het derde hoofdstuk van het Vierde deel: “Je zult verbaasd staan, Itzig, als ik je op dit ogenblik beken, dat ik, Max Schulz, een haarkunstenaar, het haar knippen bijna verleerd ben. Het is ook al zo lang geleden. Heb zoveel jaar alleen met het geweer geoefend…” Of dit, bijna helemaal achterin het Vijfde deel: “Met onze vliegtuigen was het in de eerste oorlogsweken niet beter gesteld. De Haganah had ze ergens gekocht, ik neem aan, uit de mottenkisten van antisemitische verzamelaars van rariteiten, die hoopten, dat wij onze nek zouden breken. Vliegen konden ze, maar niet hoger dan de wolken boven Beth David in de regentijd… en ook niet sneller. Bommen hadden wij ook: houten kisten, gevuld met dynamiet. Die waren zwaarder dan de lucht en vielen – door de wetten van de zwaartekracht – altijd naar beneden, precies wat wij bedoelden.”

Ik ga het daarbij houden, ik vertel u lekker niet hoé Max Schulz alias Itzig Finkelstein de ‘switch’ maakt van nazi naar jood, ook al omdat ik eerder verteld heb dat die ‘switch’ er eigenlijk niet is. Ik vertel u niet over wat hij uitvreet voor hij op weg gaat naar het ‘Beloofde Land’, noch over wat hij dáár uitvreet. Ik vertel u niet over de overtocht aan boord van een Grieks – maar om de haverklap van vlag wisselend – schip onder ‘begeleiding’ van een Haganah-commandant. Ik geef u alleen nog dat ene zinnetje mee: “Ik, de massamoordenaar Max Schulz, ben sinds vandaag… een joodse vrijheidsstrijder.” En dat zinnetje dat even later komt: “Ik, de massamoordenaar Max Schulz, verdedig het standpunt, dat ons vaderland Palestina is, terwijl de twee Duitse joden Sigi Weinrauch en mevrouw Sjmoelewitsj beweren… dat Duitsland hun vaderland is.” En dat andere zinnetje dat nog weer wat later komt: “Of ik lid werd? Wilt u dat weten? Lid van de beruchte terreurgroep Schwarz? Ik had niets te beslissen. Wie lid wordt, wordt beslist door Jankl Schwarz. Hij heeft het laatste woord. Niemand anders. Natuurlijk. Ik, Itzig Finkelstein of de massamoordenaar Max Schulz, ben lid.” En dan, ten slotte, om er in deze tijden toch nog een keer op te wijzen: “Itzig Finkelstein hoorde op 29 november 1947… in zijn bed… dat ‘het plan tot verdeling van Palestina door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties was aangenomen met 33 tegen 13 stemmen en 10 onthoudingen!’ Dit betekende dat de Engelsen zouden wegtrekken! Dat betekende… twee zelfstandige staten in Palestina. Een Arabische staat! En een Joodse staat!” Raad eens wélke zelfstandige staat, toch ook het ‘Beloofde Land’ zou ik denken, er bijna tachtig jaar later nog steeds niet is? Welke zelfstandige staat nu wéér voorwerp van gesprek is? Welke zelfstandige staat de zelfstandige staat die er wél is absoluut niet wil?

Björn Roose

vrijdag 21 april 2023

Het sprookje van de laatste gedachte – Edgar Hilsenrath (boekbespreking door Björn Roose)

Het sprookje van de laatste gedachte – Edgar Hilsenrath (boekbespreking door Björn Roose)
Af en toe, en ik geef toe dat het me vroeger vaker overkwam dan de jongste jaren, betreur ik het ten zeerste dat ik aan het einde van een boek gekomen ben. Met non-fictie is dat nooit het geval – die is soms wel interessant, maar je blijft er niet aan vast zitten -, maar met een zucht een roman dichtdoen en bij jezelf denken dat er helaas te weinig tijd is om hem meteen nog eens te lezen, is het mooiste wat een lezer met een boek kan meemaken. En met Het sprookje van de laatste gedachte van Edgar Hilsenrath was het wat dat betreft net zozeer raak als met dat andere sprookjesachtige boek dat ik in augustus vorig jaar las, De tranengoochelaars van Lázló Darvasi.

Ik vind niet meteen een feitelijk verband tussen Darvasi en Hilsenrath (wie dat wél vindt, mag me dat zeker laten weten), maar beiden slaagden ze er in een minstens bij tijden gruwelijke geschiedenis te vertellen op een manier waar je naar kan blijven luisteren. Bij Darvasi is dat de geschiedenis van Hongarije onder de Turkse bezetting, bij Hilsenrath die van Armenië onder de Turkse bezetting. Bij Darvasi vormen de in de titel genoemde “tranengoochelaars” het bindelement tussen een hele hoop schijnbaar losse taferelen, bij Hilsenrath neemt “de sprookjesverteller in je hoofd”, “meddah”, die rol op zich.

Thovma Khatisian, de Armeniër aan wie hij zijn “sprookjes” vertelt, is aan het begin van het verhaal klaar om zijn laatste adem uit te blazen. En met zijn laatste adem zijn laatste angstkreet en in die angstkreet zit de laatste gedachte. Een laatste gedachte die zo’n vierhonderddertig bladzijden duurt en Khatisian en ons naar Hayastan brengt. Hayastan is uiteraard Armenië, maar dan niet het Armenië van nu, een rompstaat zoals Hongarije, maar het Armenië van rond de vorige eeuwwisseling. Een keer daar aan gekomen krijgt Khatisian, of beter: zijn laatste gedachte, de mogelijkheid om met de ogen en oren van meddah, die hem alles wat hij waarneemt vertelt, kennis te maken met de geschiedenis van zijn familie (die hij nooit gekend heeft, maar die hij zich aangemeten heeft), zijn volk en zijn land, “het heilige land van de Armeniërs, dat de Turken ontwijd hebben”, het land “waar Christus gekruisigd werd, voor de tweede keer”, het land waar “het stof” en “de hete zon” hem gebaard hebben tijdens een door de Turkse volkerenmoordenaars georganiseerde gedwongen mars door de bergen van Koerdistan. Een streek waarin “het vlug donker [wordt], want de Koerden hoog boven in de bergen zijn snel en ze halen de zon elke avond naar huis met hun touwen van zwart geitehaar, omdat ze bang zijn dat de duivelaanbidders, die daar veel voorkomen, de zon zouden kunnen stelen. ‘s Nachts verstoppen de Koerden de zon in een grote tent die ook van zwart geitehaar is en ze laten haar pas weer los als de steenarend ontwaakt en zijn eerste schreeuw uitstoot, waarvan de echo ver over de bergen galmt en die ook beneden te horen is, in de ravijnen en dalen en weidevlakten van het land Hayastan”.

Dat laatste is uiteraard een sprookje (toch?), maar de manier waarop Hilsenrath dit soort zaken mengt met feiten, de manier waarop hij de volksgebruiken naar voren brengt, de manier waarop hij de onderlinge verhoudingen tussen Koerden, Turken en Armeniërs beschrijft, is zo mooi om lezen dat het je eigenlijk worst zal wezen waar het sprookje eindigt en het feit begint of omgekeerd. Hij heeft met Het sprookje van de laatste gedachte de Turkse volkerenmoord op de Armeniërs verwerkt in de meer dan twee millennia oude geschiedenis van die Armeniërs en daarmee een prestatie geleverd die enerzijds die van de geschiedschrijving overtreft en anderzijds die van de zuivere romankunst. Ik weet niet hoe Hilsenrath, die drie jaar overleefde in het ghetto van Mohyliv-Podilskyi (tegenwoordig in Oekraïne gelegen, destijds in het Roemeense protectoraat Transnistrië), in bijvoorbeeld Der Nazi & Der Friseur geschreven heeft over de nationaal-socialistische misdaden, maar de afstand tussen hemzelf en de Armeniërs zal hem ongetwijfeld tot een (nog) betere verteller hebben gemaakt in dit “sprookje”.

Terwijl de Duitsers toch niet helemaal afwezig zijn. Ze duiken regelmatig op als bondgenoten van de Turken (met voldoende kritische zin, maar niet bereid dat bondgenootschap op het spel te zetten omwille van de Armeniërs): “Je had de Russen die lonkten naar de Bosporus, de Engelsen die droomden van de kortste weg naar India, een weg die midden door Turkije moest lopen, en je had kleine en grote mogendheden die begerig keken naar de bedorven taart die Abdul Hamid achtergelaten had. Iedereen had daar graag een stuk van afgesneden, ook de Duitsers. Maar die waren het slimst, want zij wisten hun onverzadigbare blikken achter kille monocles te verbergen, monocles van grijs, dik glas, ondoorzichtig. De Duitsers leverden wapens en stuurden hun militairen om de Turken op te leiden en hun onderhandelaars woonden in Pera, de chique wijk in Constantinopel met de moderne winkels en degelijke hotels. Ze legden voor de Turken ook een sprookjesachtige spoorweg aan die ze de Bagdadspoorweg noemden, gniffelend legden ze die aan, van ijzer, staal en vuur, een teken van hun bekwaamheid, maar ook van vooruitgang en welwillendheid. En zo kwam het dat van al die krukken die de Zieke Man ijverig werden toegestuurd, door de grote en kleine mogendheden, de krukken van de Duitsers het bruikbaarst waren.” Én die Duitsers dienen Hilsenrath ook… als historisch vergelijkingsmateriaal:

“Alles gebeurde op bevel van de toenmalige Turkse regering. Alles was goed georganiseerd. Want het ging om de eerste georganiseerde en geplande volkerenmoord van de twintigste eeuw.
- Ik dacht dat de Duitsers die bedacht hadden.
- Zij hebben hem niet bedacht.
- Dan waren wij Turken dus hun leermeesters?
- Zo is het.”

Historisch vergelijkingsmateriaal dat overigens maar het beste vergeten wordt: “Omdat de werksters van het Geweten der Verenigde Volkeren allemaal astmatisch zijn en geen oude dossiers willen afstoffen, vooral niet zulke oude als die over de vergeten volkerenmoord. Dat zou een hoop stof doen opwaaien en het veroorzaakt hoestbuien.” En dat alles vanwege de moord op een volk dat “vaak nauwelijks van de Turken te onderscheiden [is]. Zoals je ziet dragen de meeste mannen de rode fez en zijn hun wijde pofbroeken of sjalvars bij de enkels dichtgebonden. De mouwloze jasjes onder hun bovengewaden zijn dezelfde als die de Turken dragen. Sommigen lopen ook met westerse kleren te pronken, net als de nieuwe generatie van Jong-Turken, en ze dragen daarbij de bontmuts of de fez. Hun ruige snorren boezemen de vrouwen angst in en zijn niet minder imposant dan die van de Turken en van de Koerden in de bergen. Ze roken dezelfde sigaretten of pijpen, bij voorbeeld de tsjibuk die ook de vali van Bakir rookt en de mutassarrif en de müdir, of ze roken de nargileh, de waterpijp met de kronkelige slang, waar je wel de tijd voor moet nemen. En als je aan een Armeniër vraagt met welke tabak hij zijn tsjibuk stopt, dan zal hij uiteraard zeggen: met de Perzische tabak Abu Riha, de vader der welriekendheid, wat ook een Turk zou antwoorden die zichzelf respecteert.” Maar het zijn natuurlijk wél christenen, getolereerde tweederangsburgers (ze mogen bijvoorbeeld in tegenstelling tot de moslims geen wapens dragen), en als het er op aankomt: prima zondebokken. Voor interne nationale problemen en voor externe internationale problemen. Als de Turkse leiders niet weten van welk hout pijlen te maken, pijlen om bijvoorbeeld te gebruiken tegen de Russische tegenstrevers aan het front, dan vinden ze nog altijd hout genoeg om de Armeniërs aan op te hangen. En kogels en zwaarden genoeg om ze sneller en massaler af te maken.

Ongedierte is ongedierte, per slot van rekening, en bij gebrek aan joden, betitelen de Turkse leiders dan maar de Armeniërs als dusdanig: “De Armeniërs zijn erger dan ratten (…) Waar ze ook leven, infiltreren ze de volken, ondermijnen ze en vernietigen ze ten slotte. (…) En die Armeniërs zwemmen in het geld, neemt u dat van me aan. Hun vrouwen zijn gehuld in fluweel en zijde en dragen de duurste sieraden. Hoe zeggen ze het ook weer: Elke Armeense is een wandelende juwelierswinkel. (…) En ze hebben alles in handen. De banken en de wisselkantoren, de ambachten en de handel. Ze zijn arts en advocaat en doen hun zoons en dochters op goede scholen (…) En ze spelen onder één hoedje met de vijand (…) Elke Armeniër is een vermomde Rus (…) Ze wachten enkel op een gelegenheid om ons de dolk in de rug te stoten (…) er moet iets gedaan worden!”

Maar da’s slechts het hoofdverhaal. In Het sprookje van de laatste gedachte lopen niet zoals in Darvasi’s De tranengoochelaars een hele hoop lijnen door elkaar heen, maar zitten die lijnen ónder elkaar in een hiërarchische structuur. Meddah vertelt, laat anderen vertellen, laat die anderen weer anderen vertellen, enzovoort, maar de zaak is zo mooi opgebouwd dat je nooit de draad verliest. Meddah vertelt, en da’s voor zover ik weet origineel en geen historisch gegeven, ook over hoe de Turkse leiders proberen de Armeniërs te laten opdraaien voor de moord door Gavrilo Princip op de Oostenrijkse aartshertog Frans Ferdinand, over het Armeens wereldcomplot, over de protocollen van de Wijzen van Sion, over de Grieken, over de Duitsers die “beweren dat er in Turkije geen w.c.-papier is” (wat er ook werkelijk niet is) maar ook dat “Allah de boom voor de mens heeft geschapen (…) zoals alles in de natuur, maar blijkbaar niet met de bedoeling dat de mens er zijn naaste aan opknoopt”, en over de boze heks die “in Frankistan [woonde] en niet in Anatolië. Hier is alles heel anders.”

En de sprookjesverteller vertelt ook over Armeense meisjes die onder een vijgeboom worden geboren, terwijl Armeense jongens onder een wijnstok ter wereld komen; over “het Vanmeer, dat maar twee haneschreden van het huis van mijn broer ligt” (zie ook mijn vorige boekbespreking, die van De grote spoorwegcarrousel van Paul Theroux); over de Graaf Schwerin; over de visser Petrus/Bedros; over de godin Anahit en de held Wartan; over de ark van Noach (die zoals bekend ‘landde’ op de Armeense berg Ararat); over de Dasjnaks; over wisjaps en devs en alks en djins; over criminele politiemensen en politieke criminelen; over Koerden die ooit nog wel eens “echte Turken” zullen worden; over leiders die desnoods bewust in hun eigen vel snijden om toch maar het een keer ingeslagen pad te kunnen blijven volgen; over té veel om het hier allemaal op te noemen, kortom, wat ik dan ook niet zal doen.

In plaats van u verder bezig te houden met de bespreking van dit maar al te ware sprookje, beveel ik u dan ook graag eigen lezing aan. Opgelet: u kan er door betoverd raken.

Björn Roose