vrijdag 18 september 2026

De herfst van de patriarch – Gabriel García Márquez (boekbespreking door Björn Roose)

De herfst van de patriarch – Gabriel García Márquez (boekbespreking door Björn Roose)
“Hij voelde zich zo veilig onder de hoede van generaal Rodrigo de Aguilar en de assistentie van Patricio Aragonés dat hij steeds minder aandacht schonk aan de voortekenen omtrent zijn lijfsbehoud en hij liet zich steeds vaker zien, hij durfde al alleen met een adjudant in een auto zonder ordetekenen door de stad te rijden en door de gordijntjes naar de arrogante kathedraal van vergulde steen te kijken die híj per decreet tot de mooiste van de wereld verklaard had, hij spiedde naar de oude herenhuizen met stucwerk en portieken uit ingeslapen tijden en zonnebloemen met hun hoofdje naar de zee, de betegelde straten in de onderkoningenbuurt waar het naar kaarsvet rook, de bleke dametjes die in het licht op de balkons onvermijdelijk decent zaten te kantklossen tussen de potten anjers en de slingers bougainvillea, het schaakbordachtige klooster van de Baskische nonnen met om drie uur ‘s middags dezelfde clavichordmuziek als waarmee ze de eerste keer dat de komeet voorbijkwam gevierd hadden, hij doorkruiste het Babylonische labyrint van de winkelstraatjes, hun dodelijke muziek, de vaandels van lootjes, de karretjes van de guarapo-verkoopsters, de snoeren leguaneëieren, de uitdragerijen van de Turken die gebleekt waren door de zon, het angstaanjagende schilderij van de vrouw die in een schorpioen veranderd was wegens ongehoorzaamheid aan haar ouders, de ellendige steeg van de vrouwen zonder man die ‘s middags naakt naar buiten kwamen om blauwe en roze vissen te kopen en samen met de groentevrouwen op hun moeder te schelden terwijl hun kleren hingen te drogen op de balkons van bewerkt hout, hij voelde de wind die rook naar verrotte schaaldieren, hij zag het dagelijkse licht van de pelikanen om de hoek van de straat, de kleurige chaos van sponsachtige planken, het oude pantserschip van de mariniers dat langer en somberder was dan de waarheid, de negerin die goederen inlaadde en te laat opzij ging om het angstige autootje te laten passeren en die het gevoel had alsof de dood haar met een vinger aanraakte toen ze de duistere oude man zag die met de droevigste blik van de wereld naar de haven zat te staren, daar heb je hém, riep ze hevig geschrokken, viva el macho, schreeuwde ze, hoera, riepen de mannen, de vrouwen en de kinderen die uit de kroegen en de Chinese eethuizen kwamen rennen, hoera, schreeuwden de mensen die de benen van hun paard met spantouwen vastbonden en de auto tegenhielden om de hand van de macht te kunnen schudden, en het was zo’n trefzekere en onverwachte manoeuvre dat híj nauwelijks tijd had om de gewapende arm van de adjudant opzij te duwen terwijl hij hem met ontroerde stem berispte, doe niet zo stom, luitenant, laat ze van me houden, hij was zo opgewonden door die ene woeste opwelling van liefde en nog veel meer de volgende dagen dat het generaal Rodrigo de Aguilar moeite kostte om hem van het idee af te brengen om in een open koets te gaan rondrijden zodat de goede vaderlanders in het land me helemaal van top tot teen kunnen zien, verdomme, want híj had er zelfs geen vermoeden van dat de overval bij de haven spontaan geweest was maar dat de volgende door zijn eigen veiligheidsdiensten georganiseerd waren om hem tevreden te stellen zonder risico’s te lopen, hij was zo verzot op de liefdesbetuigingen aan de vooravond van zijn herfst dat hij na jaren de stad weer in durfde, hij liet de oude trein weer rijden die met de kleuren van de vlag beschilderd was en die als een kat over de smalle paden van zijn uitgestrekte rijk van de droefheid reed, zich een weg banend door dichte bossen met orchideeën en springkomkommers, capucijnerapen en paradijsvogels, luipaarden opschrikkend die op de rails lagen te slapen, helemaal naar de ijskoude, verlaten dorpen op de páramo waar híj geboren was en waar ze op de stations op hem stonden te wachten met muziekcorpsen die lugubere muziek speelden, doodsklokken voor hem luidden, spandoeken voor hem ophielden met welkom voor de naamloze patriciër die aan de rechterzijde van de Heilige Drievuldigheid zit, ze rekruteerden werkeloze Indianen uit de gehuchten die naar het dorp gekomen waren om de verborgen macht te zien die in de doodse duisternis van de presidentiële wagen verborgen zat en degenen die erin slaagden om dichterbij te komen zagen niets anders dan de verbijsterde ogen achter de stoffige ramen, ze zagen de trillende lippen, de palm van een hand zonder oorsprong die naar hen zwaaide vanaf het voorgeborchte van de glorie, terwijl iemand van zijn lijfwacht hem van het raam probeerde weg te halen, past u toch op, generaal, het vaderland heeft u nodig, maar híj antwoordde half dromend, maak je geen zorgen, kolonel, deze mensen houden van me, zowel in de trein op de páramo als op de houten raderboot op de rivier die een spoor van walsen op de pianola achter zich liet in de zoete geur van gardenia’s en verrotte salamanders in de equatoriale rivieren terwijl hij om de karkassen van prehistorische draken, wonderbaarlijke eilanden waar de sirenes gingen baren en rampzalige middagen van enorme steden die verdwenen waren heen zeilde naar de brandend hete, eenzame nederzettingen waarvan de bewoners naar de oever kwamen om naar de houten boot te kijken die beschilderd was met de vaderlandse kleuren en ze zagen nog net een glimp van een niemandshand met een satijnen handschoen die achter het raampje van de presidentiële hut zat te wuiven, maar híj zag de groepjes op de oever heftig staan zwaaien met malanga-bladeren bij gebrek aan vlaggen, hij zag mannen met een levende tapir in het water springen, met een maniokwortel zo groot als een olifantspoot, een snoer bergkippen voor in de presidentiële stoofpot en hij zuchtte van ontroering in de kerkachtige halfschaduw van zijn hut, kijk eens hoe ze er allemaal aankomen, kapitein, kijk eens hoeveel ze van me houden.”

Bent u er nog? Heeft u die ene zin toevallig hardop gelezen? Bent u daar niet compleet ademloos van geworden? Of dacht u ergens halverwege: hier houdt het op, hier stap ik af? Ik heb in ieder geval met die gedachte gespeeld gedurende de eerste dertig of zo bladzijden van Gabriel García Márquez’ De herfst van de patriarch. “Het opvallendste stijlkenmerk van De herfst van de patriarch is dat de roman slechts uit een paar heel lange zinnen bestaat”, zegt de achterflap van de in 1982 bij Meulenhoff verschenen vierde druk van deze vertaling van de hand van Mariolein Sabarte Belacortu daarover met enige overdrijving (op die kleine tweehonderdvijftig bladzijden zijn heus wel méér dan een paar zinnen te vinden), maar die stijl ís toch wel een beetje een afknapper. Edoch, wie er in slaagt zich door die eerste tientallen bladzijden te bijten, en zo verstandig is eventuele onderbrekingen van de lezing bij de punten te laten gebeuren, houdt het ook wel vol tot het laatste hoofdstuk. Ik las in een of andere recensie dat dat hoofdstuk bestaat uit een enkele zin van zestig bladzijden lang, maar ook dát is overdreven: het bestaat uit een enkele zin van een kleine vijftig bladzijden lang. Even een pauze nemen voor u daaraan begint, is dus aan te raden, te meer omdat die zin, net zoals die hierboven, nog een aantal andere eigenaardigheden laat zien: wisseling van verteller, dialogen zonder aanhalingstekens, van beschrijving naar actie en weer terug, het soort dingen dat op de al eerder genoemde achterflap omschreven wordt als “barok taalgebruik, sprankelend door de razendsnelle verteltrant en de opeenhoping van anekdotes”.

Nu weet ik niet of Márquez dat taalgebruik, die stijl ook toegepast heeft in zijn bekendste boek, Honderd jaar eenzaamheid (ik heb verder van hem alleen nog De zee van mijn verloren verhalen en Liefde in tijden van cholera liggen, die ik allebei nog niet gelezen heb), maar ik lees en hoor van niet, en ik vind niét dat het hier om “de razendsnelle verteltrant” gaat. De herfst van de patriarch lijkt eerder een koortsdroom, het aan het oog van de genaamde patriarch, de macho, de dictator voorbijtrekkende leven van zichzelf en zijn land, een delirium van terugkerende beelden (“zijn linnen uniform zonder insignes”, “zijn beenkappen”, “de gouden spoor aan zijn linkerhiel”, de leprozen in de tuin, de koeien op de trappen, de Amerikaanse ambassadeurs,...), een opeenvolging van herinneringen zonder dat die noodzakelijk in de juiste volgorde staan. Een opeenvolging van herinneringen evenwel die, zoals de achterflap weerom aangeeft, van de dictator “een onvergetelijke figuur [maken], geen karikatuur maar een mens, met zijn goede en slechte kanten”, de (inmiddels toch ten dele voorbije) “Latijns-Amerikaanse werkelijkheid”, “een realiteit waarin haast lachwekkende operafiguren tot de meest gruwelijke dictators kunnen uitgroeien”, “de stokoude dictator die langzaam doodgaat in eenzaamheid, de ‘marionet’ die in de illusie verkeert dat de geschiedenis door zijn toedoen is veranderd”, en uiteindelijk zelfs die illusie moet laten varen. El macho, van wie Márquez naar eigen zeggen, “niet het prototype van een slechte man, maar van een man [wou] maken”, heeft een zeker gevoel voor het moment, voor wat op handen is, en reageert daarnaar, of heeft dat toch gedurende vele jaren gedaan, maar ageert nauwelijks. Hij melkt zijn koeien, ja, maar die koeien nemen zijn paleis over. Hij verleidt de meisjes van de school naast zijn paleis, inderdaad, maar komt er achter dat die daar geplaatst zijn om hem die illusie te verlenen. Hij neemt een aankomende non tot vrouw, maar die neemt zijn rijk over. Hij neemt iemand in dienst om de moordenaars van die vrouw en zijn kind (“gevierendeeld en verscheurd (…) door wilde honden op de markt, ze hebben hen levend opgegeten”) uit de weg te ruimen, maar die persoon heeft zelf zijn diensten aangeboden en die diensten bestaan wel uit het uit de weg ruimen, maar niet van die moordenaars (“we zijn klaar als zij op zijn”). Hij serveert “de voortreffelijke divisiegeneraal” Rodrigo de Aguilar “op een zilveren dienblad in zijn volle lengte uitgestrekt op een bed van bloemkolen en laurierbladeren, in kruiden gemarineerd, goudgeel gebakken in de oven, afgemaakt met een uniform van vijf gouden amandelen voor de plechtige gelegenheden en de koorden voor zijn grenzeloze moed op de korte mouw, veertien pond medailles op zijn borst en een bosje peterselie in zijn mond”, maar pas nadat die geprobeerd heeft hem af te zetten. Dat hij een zakbreuk heeft opgelopen, waardoor zijn scrotum wel groot is, maar eigenlijk alleen omdat zijn buikholte daar in leeggelopen is, staat ongetwijfeld symbool voor zijn hele leven: het ziet er als heel wat uit, maar het is het gevolg van een ongeluk (“[hij had] zich in het oorlogstumult gestort (…) met een rode doek om zijn hoofd terwijl hij in de pauzes tussen het ene koortsdelirium en het andere schreeuwde, leve de liberale partij, verdomme, leve het triomfantelijke federalisme, stront-Spanjolen, hoewel hij eigenlijk werd voortgesleurd door het voorvaderlijke verlangen om de zee te zien”) en het kan nauwelijks camoufleren dat er een leegte achter schuilgaat, een leegte die hem zélf ook steeds duidelijker wordt, al slaagt hij er ook wat dat betreft niet in een beslissing te nemen, net zomin als over de toekomst van ‘zijn’ land na hem (“de slaafsheid waardoor de ruimte van zijn autoriteit langzamerhand volliep”). Of zoals de eerder genoemde Patricio Aragonés hem op zeker moment, ergens halverwege een zin, zegt: “(…) u moet weten dat niemand u ooit verteld heeft wat hij echt denkt, iedereen zegt alleen dat waarvan ze weten dat u het wilt horen terwijl ze voor uw ogen buigingen maken maar achter uw rug schietgebaren, weest u maar dankbaar voor de gelukkige omstandigheid dat ik de man ben die het meeste medelijden met u heeft in deze wereld omdat ik de enige ben die op u lijkt, de enige die de eer te beurt valt om u te vertellen wat iedereen zegt, namelijk dat u de president van niemand bent en dat u niet op de troon zit dank zij uw eigen kanonnen maar omdat de Engelsen u erop gezet hebben en omdat die gringos u gesteund hebben met dat ene klotenpantserschip van ze, want ik heb u als een kakkerlak heen en weer zien lopen, van hier naar daar en van daar naar hier omdat u niet wist waar u zou beginnen te bevelen van angst toen de gringos tegen u schreeuwden en nou laten we je stikken met je negerbordeel, we zullen eens zien hoe je het zonder ons redt, en als u toen niet van uw stoel bent opgestaan en als u nooit van uw stoel bent opgestaan is dat natuurlijk niet omdat u niet wilt maar omdat u niet kunt (…)”. Omwille van zijn moeder misschien, Bendición Alvarado, die hij aanbidt ondanks het feit dat zelfs zij niet weet wie zijn vader is geweest (en die hij tot burgerlijk heilige laat verklaren als de katholieke kerk het vertikt om haar tot ‘religieus’ heilige te verklaren). Of omdat hij op den duur bijna zelf niet meer weet of hij nu híj is of dat die eer een van zijn dubbelgangers te beurt valt (“ik was het echt, moeder”). Of omdat de “gringos” zo goed als alles in zijn “uitgestrekte rijk van de droefheid” ingepikt hebben als aflossing van zijn schuld (“we waren leeggebloed door de eeuwige noodzaak om leningen te accepteren om de aflossing van de buitenlandse schuld te betalen sinds de onafhankelijkheidsoorlogen en toen nog weer andere leningen om de rente van de achterstallige aflossingen te betalen, altijd in ruil voor iets”) en ook nog ‘zijn’ zee willen. Of omdat de despoot vóór hem tenminste nog ‘verlicht’ was, terwijl hij – tot zijn vrouw hem dat leert – nauwelijks kan lezen en schrijven (“hij schreef op een stuk karton dat hij op de deur van een toilet prikte dat het verboden was viesighijt uit te halen op de twalette”). Of omdat hij zijn “burger-ministers” wel kan minachten, maar niet kan missen. Omdat hij zo heel erg de baas is, zo héél erg veel vertrouwen in zelfs zijn compadres kan hebben, dat hij zich iedere nacht moet opsluiten achter “de drie sluitbalken, de drie grendels en de drie knippen van zijn slaapkamerdeur”. Of omdat wie werkelijk van hem houdt automatisch, zoals hij, ook een gevangene wordt: “(…) want zij wilde niets van het leven weten sinds die zwarte zaterdag waarop ik tot mijn grote ongeluk koningin werd, op die middag is de wereld voor mij opgehouden te bestaan, haar vroegere vrijers waren de een na de ander overleden, plotseling getroffen door ongestrafte beroertes of onwaarschijnlijke ziektes, haar vriendinnen verdwenen spoorloos, ze hadden haar zonder haar uit haar huis te halen naar een vreemde buurt gebracht, ze was alleen, op alles wat ze deed werd tot in de kleinste details gelet, ze zat gevangen in een val van het lot en ze had niet de kracht om nee te zeggen en ze had ook niet voldoende kracht om ja te zeggen tegen een afstotelijke pretendent die met een oudenvandagenhuis-liefde naar haar zat te loeren, die haar met een soort eerbiedige verbijstering bekeek terwijl hij zich met zijn witte hoed koelte toewuifde, badend in het zweet, zó ver van zichzelf verwijderd dat zij zich had afgevraagd of hij haar wel echt zag of dat zij alleen een angstaanjagend visioen was (…)”. Of omdat hij een man is, niet meer dan een man.

Worstel u door die lange zinnen heen, zou ik zeggen, het is de moeite waard.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !