“Hij
voelde zich zo veilig onder de hoede van generaal Rodrigo de Aguilar
en de assistentie van Patricio Aragonés dat hij steeds minder
aandacht schonk aan de voortekenen omtrent zijn lijfsbehoud en hij
liet zich steeds vaker zien, hij durfde al alleen met een adjudant in
een auto zonder ordetekenen door de stad te rijden en door de
gordijntjes naar de arrogante kathedraal van vergulde steen te kijken
die híj per decreet tot de mooiste van de wereld verklaard had, hij
spiedde naar de oude herenhuizen met stucwerk en portieken uit
ingeslapen tijden en zonnebloemen met hun hoofdje naar de zee, de
betegelde straten in de onderkoningenbuurt waar het naar kaarsvet
rook, de bleke dametjes die in het licht op de balkons onvermijdelijk
decent zaten te kantklossen tussen de potten anjers en de slingers
bougainvillea, het schaakbordachtige klooster van de Baskische nonnen
met om drie uur ‘s middags dezelfde clavichordmuziek als waarmee ze
de eerste keer dat de komeet voorbijkwam gevierd hadden, hij
doorkruiste het Babylonische labyrint van de winkelstraatjes, hun
dodelijke muziek, de vaandels van lootjes, de karretjes van de
guarapo-verkoopsters,
de snoeren leguaneëieren, de uitdragerijen van de Turken die
gebleekt waren door de zon, het angstaanjagende schilderij van de
vrouw die in een schorpioen veranderd was wegens ongehoorzaamheid aan
haar ouders, de ellendige steeg van de vrouwen zonder man die ‘s
middags naakt naar buiten kwamen om blauwe en roze vissen te kopen en
samen met de groentevrouwen op hun moeder te schelden terwijl hun
kleren hingen te drogen op de balkons van bewerkt hout, hij voelde de
wind die rook naar verrotte schaaldieren, hij zag het dagelijkse
licht van de pelikanen om de hoek van de straat, de kleurige chaos
van sponsachtige planken, het oude pantserschip van de mariniers dat
langer en somberder was dan de waarheid, de negerin die goederen
inlaadde en te laat opzij ging om het angstige autootje te laten
passeren en die het gevoel had alsof de dood haar met een vinger
aanraakte toen ze de duistere oude man zag die met de droevigste blik
van de wereld naar de haven zat te staren, daar heb je hém, riep ze
hevig geschrokken, viva
el macho,
schreeuwde ze, hoera, riepen de mannen, de vrouwen en de kinderen die
uit de kroegen en de Chinese eethuizen kwamen rennen, hoera,
schreeuwden de mensen die de benen van hun paard met spantouwen
vastbonden en de auto tegenhielden om de hand van de macht te kunnen
schudden, en het was zo’n trefzekere en onverwachte manoeuvre dat
híj nauwelijks tijd had om de gewapende arm van de adjudant opzij te
duwen terwijl hij hem met ontroerde stem berispte, doe niet zo stom,
luitenant, laat ze van me houden, hij was zo opgewonden door die ene
woeste opwelling van liefde en nog veel meer de volgende dagen dat
het generaal Rodrigo de Aguilar moeite kostte om hem van het idee af
te brengen om in een open koets te gaan rondrijden zodat de goede
vaderlanders in het land me helemaal van top tot teen kunnen zien,
verdomme, want híj had er zelfs geen vermoeden van dat de overval
bij de haven spontaan geweest was maar dat de volgende door zijn
eigen veiligheidsdiensten georganiseerd waren om hem tevreden te
stellen zonder risico’s te lopen, hij was zo verzot op de
liefdesbetuigingen aan de vooravond van zijn herfst dat hij na jaren
de stad weer in durfde, hij liet de oude trein weer rijden die met de
kleuren van de vlag beschilderd was en die als een kat over de smalle
paden van zijn uitgestrekte rijk van de droefheid reed, zich een weg
banend door dichte bossen met orchideeën en springkomkommers,
capucijnerapen en paradijsvogels, luipaarden opschrikkend die op de
rails lagen te slapen, helemaal naar de ijskoude, verlaten dorpen op
de páramo waar híj geboren was en waar ze op de stations op hem
stonden te wachten met muziekcorpsen die lugubere muziek speelden,
doodsklokken voor hem luidden, spandoeken voor hem ophielden met
welkom voor de naamloze patriciër die aan de rechterzijde van de
Heilige Drievuldigheid zit, ze rekruteerden werkeloze Indianen uit de
gehuchten die naar het dorp gekomen waren om de verborgen macht te
zien die in de doodse duisternis van de presidentiële wagen
verborgen zat en degenen die erin slaagden om dichterbij te komen
zagen niets anders dan de verbijsterde ogen achter de stoffige ramen,
ze zagen de trillende lippen, de palm van een hand zonder oorsprong
die naar hen zwaaide vanaf het voorgeborchte van de glorie, terwijl
iemand van zijn lijfwacht hem van het raam probeerde weg te halen,
past u toch op, generaal, het vaderland heeft u nodig, maar híj
antwoordde half dromend, maak je geen zorgen, kolonel, deze mensen
houden van me, zowel in de trein op de páramo als op de houten
raderboot op de rivier die een spoor van walsen op de pianola achter
zich liet in de zoete geur van gardenia’s en verrotte salamanders
in de equatoriale rivieren terwijl hij om de karkassen van
prehistorische draken, wonderbaarlijke eilanden waar de sirenes
gingen baren en rampzalige middagen van enorme steden die verdwenen
waren heen zeilde naar de brandend hete, eenzame nederzettingen
waarvan de bewoners naar de oever kwamen om naar de houten boot te
kijken die beschilderd was met de vaderlandse kleuren en ze zagen nog
net een glimp van een niemandshand met een satijnen handschoen die
achter het raampje van de presidentiële hut zat te wuiven, maar híj
zag de groepjes op de oever heftig staan zwaaien met malanga-bladeren
bij gebrek aan vlaggen, hij zag mannen met een levende tapir in het
water springen, met een maniokwortel zo groot als een olifantspoot,
een snoer bergkippen voor in de presidentiële stoofpot en hij
zuchtte van ontroering in de kerkachtige halfschaduw van zijn hut,
kijk eens hoe ze er allemaal aankomen, kapitein, kijk eens hoeveel ze
van me houden.”
Bent u er nog? Heeft u die ene zin toevallig hardop gelezen? Bent u daar
niet compleet ademloos van geworden? Of dacht u ergens halverwege:
hier houdt het op, hier stap ik af? Ik heb in ieder geval met die
gedachte gespeeld gedurende de eerste dertig of zo bladzijden van
Gabriel García Márquez’ De
herfst van de patriarch.
“Het opvallendste stijlkenmerk van De
herfst van de patriarch
is dat de roman slechts uit een paar heel lange zinnen bestaat”,
zegt de achterflap van de in 1982 bij Meulenhoff
verschenen vierde druk van deze vertaling van de hand van Mariolein
Sabarte Belacortu daarover met enige overdrijving (op die kleine
tweehonderdvijftig bladzijden zijn heus wel méér dan een paar
zinnen te vinden), maar die stijl ís toch wel een beetje een
afknapper. Edoch, wie er in slaagt zich door die eerste tientallen
bladzijden te bijten, en zo verstandig is eventuele onderbrekingen
van de lezing bij de punten te laten gebeuren, houdt het ook wel vol
tot het laatste hoofdstuk. Ik las in een of andere recensie dat dat
hoofdstuk bestaat uit een enkele zin van zestig bladzijden lang, maar
ook dát is overdreven: het bestaat uit een enkele zin van een kleine
vijftig bladzijden lang. Even een pauze nemen voor u daaraan begint,
is dus aan te raden, te meer omdat die zin, net zoals die hierboven,
nog een aantal andere eigenaardigheden laat zien: wisseling van
verteller, dialogen zonder aanhalingstekens, van beschrijving naar
actie en weer terug, het soort dingen dat op de al eerder genoemde
achterflap omschreven wordt als “barok taalgebruik, sprankelend
door de razendsnelle verteltrant en de opeenhoping van anekdotes”.
Nu weet ik niet of Márquez dat taalgebruik, die stijl ook toegepast
heeft in zijn bekendste boek, Honderd
jaar eenzaamheid
(ik heb verder van hem alleen nog De
zee van mijn verloren verhalen
en Liefde
in tijden van cholera
liggen, die ik allebei nog niet gelezen heb),
maar ik lees en hoor van niet, en ik vind niét dat het hier om “de
razendsnelle verteltrant” gaat. De
herfst van de patriarch lijkt
eerder een koortsdroom, het aan het oog van de genaamde patriarch, de
macho,
de dictator voorbijtrekkende leven van zichzelf en zijn land, een
delirium van terugkerende beelden (“zijn linnen uniform zonder
insignes”, “zijn beenkappen”, “de gouden spoor aan zijn
linkerhiel”, de leprozen in de tuin, de koeien op de trappen, de
Amerikaanse ambassadeurs,...), een opeenvolging van herinneringen
zonder dat die noodzakelijk in de juiste volgorde staan. Een
opeenvolging van herinneringen evenwel die, zoals de achterflap
weerom aangeeft, van de dictator “een onvergetelijke figuur
[maken], geen karikatuur maar een mens, met zijn goede en slechte
kanten”, de (inmiddels toch ten dele voorbije) “Latijns-Amerikaanse
werkelijkheid”, “een realiteit waarin haast lachwekkende
operafiguren tot de meest gruwelijke dictators kunnen uitgroeien”,
“de stokoude dictator die langzaam doodgaat in eenzaamheid, de
‘marionet’ die in de illusie verkeert dat de geschiedenis door
zijn toedoen is veranderd”, en uiteindelijk zelfs die illusie moet
laten varen. El
macho,
van wie Márquez naar eigen zeggen, “niet het prototype van een
slechte man, maar van een man [wou] maken”, heeft een zeker gevoel
voor het moment, voor wat op handen is, en reageert
daarnaar, of heeft dat toch gedurende vele jaren gedaan, maar ageert
nauwelijks. Hij melkt zijn koeien, ja, maar die koeien nemen zijn
paleis over. Hij verleidt de meisjes van de school naast zijn paleis,
inderdaad, maar komt er achter dat die daar geplaatst zijn om hem die
illusie te verlenen. Hij neemt een aankomende non tot vrouw, maar die
neemt zijn rijk over. Hij neemt iemand in dienst om de moordenaars
van die vrouw en zijn kind (“gevierendeeld en verscheurd (…) door
wilde honden op de markt, ze hebben hen levend opgegeten”) uit de
weg te ruimen, maar die persoon heeft zelf zijn diensten aangeboden
en die diensten bestaan wel uit het uit de weg ruimen, maar niet van
die moordenaars (“we zijn klaar als zij op zijn”). Hij serveert
“de voortreffelijke divisiegeneraal” Rodrigo de Aguilar “op een
zilveren dienblad in zijn volle lengte uitgestrekt op een bed van
bloemkolen en laurierbladeren, in kruiden gemarineerd, goudgeel
gebakken in de oven, afgemaakt met een uniform van vijf gouden
amandelen voor de plechtige gelegenheden en de koorden voor zijn
grenzeloze moed op de korte mouw, veertien pond medailles op zijn
borst en een bosje peterselie in zijn mond”, maar pas nadat die
geprobeerd heeft hem af te zetten. Dat hij een zakbreuk heeft
opgelopen, waardoor zijn scrotum wel groot is, maar eigenlijk alleen
omdat zijn buikholte daar in leeggelopen is, staat ongetwijfeld
symbool voor zijn hele leven: het ziet er als heel wat uit, maar het
is het gevolg van een ongeluk (“[hij had] zich in het oorlogstumult
gestort (…) met een rode doek om zijn hoofd terwijl hij in de
pauzes tussen het ene koortsdelirium en het andere schreeuwde, leve
de liberale partij, verdomme, leve het triomfantelijke federalisme,
stront-Spanjolen, hoewel hij eigenlijk werd voortgesleurd door het
voorvaderlijke verlangen om de zee te zien”) en het kan nauwelijks
camoufleren dat er een leegte achter schuilgaat, een leegte die hem
zélf ook steeds duidelijker wordt, al slaagt hij er ook wat dat
betreft niet in een beslissing te nemen, net zomin als over de
toekomst van ‘zijn’ land na hem (“de slaafsheid waardoor de
ruimte van zijn autoriteit langzamerhand volliep”). Of zoals de
eerder genoemde Patricio Aragonés hem op zeker moment, ergens
halverwege een zin, zegt: “(…) u moet weten dat niemand u ooit
verteld heeft wat hij echt denkt, iedereen zegt alleen dat waarvan ze
weten dat u het wilt horen terwijl ze voor uw ogen buigingen maken
maar achter uw rug schietgebaren, weest u maar dankbaar voor de
gelukkige omstandigheid dat ik de man ben die het meeste medelijden
met u heeft in deze wereld omdat ik de enige ben die op u lijkt, de
enige die de eer te beurt valt om u te vertellen wat iedereen zegt,
namelijk dat u de president van niemand bent en dat u niet op de
troon zit dank zij uw eigen kanonnen maar omdat de Engelsen u erop
gezet hebben en omdat die gringos u gesteund hebben met dat ene
klotenpantserschip van ze, want ik heb u als een kakkerlak heen en
weer zien lopen, van hier naar daar en van daar naar hier omdat u
niet wist waar u zou beginnen te bevelen van angst toen de gringos
tegen u schreeuwden en nou laten we je stikken met je negerbordeel,
we zullen eens zien hoe je het zonder ons redt, en als u toen niet
van uw stoel bent opgestaan en als u nooit van uw stoel bent
opgestaan is dat natuurlijk niet omdat u niet wilt maar omdat u niet
kunt (…)”. Omwille van zijn moeder misschien, Bendición
Alvarado, die hij aanbidt ondanks het feit dat zelfs zij niet weet
wie zijn vader is geweest (en die hij tot burgerlijk heilige laat
verklaren als de katholieke kerk het vertikt om haar tot ‘religieus’
heilige te verklaren). Of omdat hij op den duur bijna zelf niet meer
weet of hij nu híj is of dat die eer een van zijn dubbelgangers te
beurt valt (“ik was het echt, moeder”). Of omdat de “gringos”
zo goed als alles in zijn “uitgestrekte rijk van de droefheid”
ingepikt hebben als aflossing van zijn schuld (“we waren
leeggebloed door de eeuwige noodzaak om leningen te accepteren om de
aflossing van de buitenlandse schuld te betalen sinds de
onafhankelijkheidsoorlogen en toen nog weer andere leningen om de
rente van de achterstallige aflossingen te betalen, altijd in ruil
voor iets”) en ook nog ‘zijn’ zee willen. Of omdat de despoot
vóór hem tenminste nog ‘verlicht’ was, terwijl hij – tot zijn
vrouw hem dat leert – nauwelijks kan lezen en schrijven (“hij
schreef op een stuk karton dat hij op de deur van een toilet prikte
dat het verboden was viesighijt uit te halen op de twalette”). Of
omdat hij zijn “burger-ministers” wel kan minachten, maar niet
kan missen. Omdat hij zo heel erg de baas is, zo héél erg veel
vertrouwen in zelfs zijn compadres
kan hebben, dat hij zich iedere nacht moet opsluiten achter “de
drie sluitbalken, de drie grendels en de drie knippen van zijn
slaapkamerdeur”. Of omdat wie werkelijk van hem houdt automatisch,
zoals hij, ook een gevangene wordt: “(…) want zij wilde niets van
het leven weten sinds die zwarte zaterdag waarop ik tot mijn grote
ongeluk koningin werd, op die middag is de wereld voor mij opgehouden
te bestaan, haar vroegere vrijers waren de een na de ander overleden,
plotseling getroffen door ongestrafte beroertes of onwaarschijnlijke
ziektes, haar vriendinnen verdwenen spoorloos, ze hadden haar zonder
haar uit haar huis te halen naar een vreemde buurt gebracht, ze was
alleen, op alles wat ze deed werd tot in de kleinste details gelet,
ze zat gevangen in een val van het lot en ze had niet de kracht om
nee te zeggen en ze had ook niet voldoende kracht om ja te zeggen
tegen een afstotelijke pretendent die met een
oudenvandagenhuis-liefde naar haar zat te loeren, die haar met een
soort eerbiedige verbijstering bekeek terwijl hij zich met zijn witte
hoed koelte toewuifde, badend in het zweet, zó ver van zichzelf
verwijderd dat zij zich had afgevraagd of hij haar wel echt zag of
dat zij alleen een angstaanjagend visioen was (…)”. Of omdat hij
een man is, niet meer dan een man.
Worstel u door die lange zinnen heen, zou ik zeggen, het is de moeite waard.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !